Catechese - 27
Berusten in lijden en verdriet
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God.
Er wordt namelijk heel veel tekstmateriaal aangereikt in de komende lessen. Mede hierom de tip: bestudeer 1 aflevering per week, daar heb je meer dan genoeg aan. Hieronder alle pagina’s van de Catechese studies. Zet je maar schrap!
Serie van 48 leerzame catechese lessen
| 01 | 02 | 03 | 04 | 05 | 06 | 07 | 08 | 09 | 10 | 11 | 12 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 13 | 14 | 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 | 22 | 23 | 24 |
| 25 | 26 | 27 | 28 | 29 | 30 | 31 | 32 | 33 | 34 | 35 | 36 |
| 37 | 38 | 39 | 40 | 41 | 42 | 43 | 44 | 45 | 46 | 47 | 48 |
15 speciale lessen belijdeniscatechese
| 01 | 02 | 03 | 04 | 05 | 06 | 07 | 08 | 09 | 10 | 11 | 12 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 13 | 14 | 15 |
Bijlagen
: Normen bij het aanbieden
van de evangelische boodschap in de Catechese
Woordverklaring
Studiebijbel
Begrippen
Berusten in lijden en verdriet
Hoe is het toch mogelijk dat iemand kan berusten in lijden en verdriet? Een les uit Job.
God zegt van Job dat niemand op aarde is als hij; zó vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad:
Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn
knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en
oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad.
Job 1:8
De satan daagt God uit, Job op de proef te stellen:
En de satan antwoordde de HERE: Is het om niet, dat Job God vreest?
Hebt Gij zelf niet hem en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten
beschut? Het werk zijner handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is
zeer toegenomen in het land. Strek daarentegen uw hand uit en tast
alles aan wat hij bezit – of hij U dan niet openlijk zal vaarwel
zeggen!
Job 1:9-11
God geeft de satan toestemming zijn hand naar Jobs ‘bezit’ uit te strekken:
En de HERE zeide tot de satan: Zie, al wat hij bezit, zij in uw macht;
alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken. Toen ging de
satan van des HEREN aangezicht heen.
Job 1:12
Rampspoed is het gevolg:
Op zekere dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in
het huis van hun broeder, de eerstgeborene, kwam een bode tot Job en
zeide: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen dicht erbij
aan het grazen, toen de Sabeeërs een inval deden en ze roofden; en
de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards; ik alleen maar ben
ontkomen om het u aan te zeggen. Terwijl deze nog sprak, kwam een ander
en zeide: Het vuur Gods viel van de hemel en verbrandde de schapen en
de knechten en verteerde ze; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan
te zeggen. Terwijl deze nog sprak, kwam een ander en zeide: De
Chaldeeën hadden drie benden gevormd, overvielen de kamelen en
roofden ze; en de knechten sloegen zij met de scherpte des zwaards; ik
alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen. Terwijl deze nog
sprak, kwam een ander en zeide: Uw zonen en uw dochters waren aan het
eten en wijndrinken in het huis van hun broeder, de eerstgeborene, en
zie, daar stak een zware storm op van over de woestijn, greep het huis
bij de vier hoeken aan, en het viel op de jonge mensen, zodat zij
stierven; ik alleen maar ben ontkomen om het u aan te zeggen.
Job 1:13-19
Direct nadat deze rampspoed heeft plaatsgevonden, zegt Job dat de HERE
(niet satan) hem dit alles heeft aangedaan. En bovendien looft Job de
HERE:
Toen stond Job op, scheurde zijn mantel en schoor zijn hoofd; daarop
wierp hij zich ter aarde, boog zich neer en zeide: Naakt ben ik uit de
schoot mijner moeder gekomen, naakt zal ik daarheen wederkeren. De HERE
heeft gegeven, de HERE heeft genomen, de naam des HEREN zij geloofd.
Job 1:20-21
De schrijver van het boek, bevestigt dat Job hierin geen vergissing maakt:
In dit alles zondigde Job niet en schreef Gode niets ongerijmds toe.
Job 1:21
Later is de satan opnieuw bij de HERE. Opnieuw daagt satan God uit om
Job op de proef te stellen.God geeft satan toestemming zijn hand naar
Job zelf uit te strekken, maar zegt ook dat zijn leven gespaard moet
worden:
Toen zeide de HERE tot de satan: Hebt gij ook acht geslagen op mijn
knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zó vroom en
oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad. En nog volhardt hij in
zijn vroomheid, hoewel gij Mij tegen hem hebt opgezet om hem, zonder
oorzaak, in het verderf te storten. Maar de satan antwoordde de HERE:
Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn leven.
Strek daarentegen uw hand uit en tast zijn gebeente en zijn vlees aan
– of hij U dan niet openlijk zal vaarwel zeggen! En de HERE zeide
tot de satan: Zie, hij zij in uw macht; alleen, spaar zijn leven.
Job 2:3-6
Rampspoed is het gevolg:
Toen ging de satan van des HEREN aangezicht heen, en sloeg Job met boze
zweren, van zijn voetzool af tot zijn hoofdschedel toe. En hij nam een
potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij neerzat in de as.
Job 2:7-8
En wederom, direct nadat deze rampspoed had plaatsgevonden, zegt Job
dat de HERE (weer: niet satan) hem dit alles heeft aangedaan:
Toen zeide zijn vrouw tot hem: Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg
God vaarwel en sterf! Maar hij zeide tot haar: Zoals een zottin
spreekt, spreekt ook gij; zouden wij het goede van God aannemen en het
kwade niet? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
Job 2:9-10
En wederom bevestigt de schrijver van het boek, dat Job hierin geen vergissing maakt:
In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.
Job 2:10b
Dan volgen er vele hoofdstukken discussie tussen Job en zijn vrienden
over het hoe en waarom van zijn lijden. Uiteindelijk spreekt God. En
Job antwoord de HERE:
Toen antwoordde Job de HERE: Ik weet, dat Gij alles vermoogt, en dat
geen uwer plannen wordt verijdeld. „Wie is het toch, die het
raadsbesluit omsluiert zonder verstand?” Daarom: ik verkondigde,
zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep.
„Hoor nu, en Ik zal spreken; Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij
onderricht.” Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar
nu heeft mijn oog U aanschouwd. Daarom herroep ik en doe boete in stof
en as.
Job 42:1-6
Toen kwamen al Jobs broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden
tot hem, en troostten hem over ‘al het onheil dat de HERE over
hem gebracht had’:
Toen kwamen al zijn broeders en zusters en al zijn vroegere bekenden
tot hem en aten met hem in zijn huis. Zij beklaagden en troostten hem
over al het onheil dat de HERE over hem gebracht had, en schonken hem
ieder een geldstuk en een gouden ring.
Job 42:11
Daarna ging het weer beter met Job. In een later commentaar van Jakobus
staat over het einde ‘dat de Here deed volgen’ rijk was aan
barmhartigheid en ontferming:
Zie, wij prijzen hen zalig, die volhard hebben; gij hebt van de
volharding van Job gehoord en gij hebt uit het einde, dat de Here deed
volgen, gezien, dat de Here rijk is aan barmhartigheid en ontferming.
Jakobus 5:11
Vraag: wie was volledig in controle voor, tijdens en na het lijden van Job?
Ik zeg: de HERE. Er is immers niets dat God ontgaat. En er is niets dat
buiten God om gebeurd. Hetzij goed, hetzij kwaad. En nee, dat is niet
hetzelfde als God auteur van de zonde maken.
God is volledig in controle. Altijd. Onder alle omstandigheden.
En hier houdt - naar mijn bescheiden mening - de theologie (= de aardse
kennis van God) op. Want begrijpen doe ik het niet. Job en zijn
vrienden hebben vele hoofdstukken gediscuseerd over de grote
’waarom’-vragen. En ze kwamen er niet uit. Maar
uiteindelijk zei Job iets heel verstandigs:
“Ik verkondigde, zonder inzicht, dingen, mij te wonderbaar en die
ik niet begreep. … Slechts van horen zeggen had ik van U
vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.”
En dat was genoeg.



















