Kinderen
zijn een geschenk van God.
God
is zeer betrokken bij de geboorte van een kind. Logisch, want Hij heeft
het kind zelf gemaakt! En Hij geeft het als een geschenk aan de ouders.
Soms laat Hij hen van tevoren weten dat ze een kind zullen krijgen.
Soms vertelt Hij welke naam ze aan het kind moeten geven. En wat het
kind later zal gaan doen. Zo kreeg Zacharias van de engel
Gabriël te horen dat hun zoon Johannes van de moederschoot aan
vervuld zou zijn van de Heilige Geest en dat hij vele mensen tot God
zou bekeren. Ook heeft God aan vele onvruchtbare vrouwen kinderen
geschonken. In de volgende bijbelteksten kun je het duidelijk merken:
kinderen zijn en geschenk van God.
Esau
vroeg aan zijn broer Jacob die hij al jaren niet gezien had:
"Wie
hebt gij daar bij u?" En hij antwoordde: "De kinderen, die God in zijn
genade aan
uw knecht geschonken heeft." (Genesis 33:5)
Jesaja
zei:
Zie,
ik en de kinderen die mij de Here gegeven heeft, zijn tot tekenen en
tot zinnebeelden onder Israel vanwege de Here der heerscharen, die op
de berg Sion woont. (Jesaja 18:8)
In
de Psalmen van David:
Wie
is als de Here, onze God.die de onvruchtbare huisvrouw doet wonen als
een blijde moeder van kinderen. Halleluja. (Psalm 113:5 en 9)
Zie,
zonen zijn een erfdeel des Heren, een beloning is de vrucht van de
schoot. Als pijlen in de hand van een held, zo zijn de zonen der jeugd.
Welzalig de man die zijn pijlkoker met deze heeft gevuld. (Psalm
127:3-5)
Onze
kinderen behoren God toe.
Zelfs
is het zover gekomen luidt het woord van de Here Here, dat gij de zonen
en dochters die gij Mij gebaard hadt, genomen en ten offer gebracht
hebt, hun tot spijze. Was uw ontucht niet voldoende, dat gij ook mijn
zonen geslacht hebt en die hebt overgegeven door ze voor hen te
verbranden? (Ezechiël 16:19-21)
Gods
tederheid naar kinderen toe:
Hij
zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren
vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens
leiden. (Jesaja 40:11)
Vanaf
het allereerste begin is God betrokken bij het ontstaan van een nieuw
leven:
Zo
zegt de Here, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u
helpt: Vrees niet, mijn knecht Jakob, (Jesaja 44:2)
Heeft
Hij, die mij in de moederschoot maakte, ook hem niet gemaakt? Heeft
niet Eenzelfde ons in de baarmoeder bereid? (Job 31:15)
Want
Gij hebt mijn nieren gevormd, mij in de schoot van mijn moeder geweven.
Ik loof U, omdat ik gans wonderbaar ben toebereid, wonderbaar zijn uw
werken; mijn ziel weet dat zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet
verholen, toen ik in het verborgene gemaakt werd, gewrocht in de
diepten van het aardrijk; uw ogen zagen mijn vormeloos begin; in uw
boek waren zij alle opgeschreven, de dagen, die geformeerd zouden
worden, toen nog geen daarvan bestond. (Psalm 139:13-16)
Gij
toch hebt mij uit de moederschoot getogen, Gij deed mij vertrouwend
rusten aan de borst van mijn moeder; aan U werd ik overgegeven bij mijn
geboorte, van de moederschoot af zijt Gij mijn God. (Psalm 22:9-10)
Op
U heb ik gesteund van de moederschoot aan, van het ingewand mijner
moeder aan zijt Gij mijn helper. U geldt bestendig mijn lofzang.
(Psalmen 71:6)
Eer
Ik u vormde in de moederschoot, heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt
uit de baarmoeder, heb Ik u geheiligd. (Jeremia 1:5)
Alle
mensen worden echter wel geboren met een zondige natuur.
Zie,
in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij
ontvangen.
(Psalm 51:7)
God
voorzegt soms de geboorte van een kind.
Hij
vertelde Hagar dat ze Ismaël zou krijgen.
Voorts
zeide de Engel des Heren tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een
zoon
baren, en hem Ismael noemen (= "God verhoort"), want de Here
heeft
naar uw ellende
gehoord. (Genesis 16:11)
Hij
vertelde Sara dat ze een zoon zou krijgen, hoewel ze daar al te oud was.
Maar
God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult
hem Isaak noemen (="Men lacht"), en Ik zal mijn verbond met hem
oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht. (Genesis
17:19)
En
Hij zeide: Voorzeker zal Ik over een jaar tot u wederkeren, en dan zal
uw vrouw
Sara een
zoon
hebben. (Genesis 18:10)
Hij
vertelde de vrouw van Manoach dat zij een zoon zou krijgen (Simson), en
wat hij voor Israël
zou
gaan betekenen.
En
de Engel des Heren verscheen aan de vrouw en zeide tot haar: Zie, gij
zijt onvruchtbaar en baart niet,
maar gij zult zwanger worden en een zoon baren. Dus neem u in acht en
drink geen wijn of bedwelmende
drank en eet niets onreins.
Want zie, gij zult zwanger worden en een
zoon baren; geen
scheermes
zal ooit op zijn hoofd komen, want van de moederschoot af zal de jongen
een nazireeer
Gods
zijn; hij zal een begin maken met de verlossing van Israel uit de macht
der Filistijnen. (Richteren
13:3)
Een
man Gods voorspelt de geboorte van Josia, die op zijn achtste koning
werd, en op zijn 18e het land begon te reinigen van de afgodendienst.
Deze
nu predikte tegen het altaar door het woord des Heren, en zeide:
Altaar, altaar, zo zegt de Here: zie, een zoon zal aan Davids huis
geboren worden met name Josia (= "Door de Here gesteund"); en hij zal
op u de priesters der hoogten slachten, die offers op u ontsteken, en
mensenbeenderen zal men op u verbranden. (1 Koningen 13:2)
Elisa,
de profeet, vertelde de Sunamitische vrouw die hem gastvrij had
ontvangen dat zij een
zoon
zou krijgen. Zij was eerst onvruchtbaar.
Toen
zeide hij: Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon
omhelzen. Maar zij zeide: Och neen,
mijn
heer, gij man Gods, spiegel uw dienstmaagd niets voor. En de vrouw werd
zwanger en baarde
een
zoon op dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken
had. (2 Koningen 4:16,17)
God
voorspelt bij monde van de profeet Jesaja geboorte van Zijn Zoon op
aarde.
Want
een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij
rust op zijn
schouder
en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader,
Vredevorst.
(Jesaja 9:6)
God
liet Jozef via een engel weten dat Maria een zoon zou baren en hoe hij
het kind moest noemen.
Toen
die overweging bij hem opkwam, zie, een engel des Heren verscheen hem
in de droom
en
zeide: Jozef, zoon van David, schroom niet Maria, uw vrouw, tot u te
nemen, want wat in
haar
verwekt is, is uit de heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult
Hem de naam Jezus (= "God redt") geven. Want Hij is het die zijn volk
zal redden van hun zonden. Dit alles is geschied, opdat vervuld zou
worden hetgeen de Here door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide:
Zie, de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de
naam Immanuel geven, hetgeen betekent: God met ons. (Matteüs
1:21)
De
geboorte en taak van Johannes de Doper werden door een engel aan zijn
vader voorspeld:
Maar
de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is
verhoord en uw
vrouw
Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes (=
"Welbehagen van God") geven. En blijdschap en vreugde zal uw
deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij
zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet
drinken en met de Heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de
schoot zijner moeder aan, en velen der kinderen Israels zal hij bekeren
tot de Here, hun God.
En
zij noemden het kind..."
De
naam van een kind wordt door de ouders meestal zorgvuldig gekozen. Soms
laat God weten hoe het kind genoemd moet worden. Dan is het vaak een
naam met een speciale betekenis. Hier volgen teksten over de naamgeving
van kinderen in de Bijbel. Lees de vaak bijzondere verhalen over
onvruchtbare vrouwen die kinderen baarden, bijzondere bevallingen,
profetische betekenissen van namen en namen die veel zeggen over het
leven of de houding van de vader of moeder.
En
Adam had weer gemeenschap met zijn vrouw en zij baarde een zoon en gaf
hem de naam Set
(= "In de plaats getreden"), want zeide zij God heeft mij een andere
zoon gegeven in plaats van Abel; hem immers heeft Kain gedood. En ook
aan Set werd een zoon geboren, en hij noemde hem Enos
(="Mens"). (Genesis 4:25)
Toen
Lamech honderd tweeentachtig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon,
en gaf hem de naam Noach (=
"Rust"), zeggende: Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid
onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft. (Genesis
5:28)
En
Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard
had, Ismael
(= "God verhoort"; zoals de Here gezegd had dat ze hem moesten noemen).
(Genesis 16:15)
En
Abraham noemde de zoon, die hem geboren was, die Sara hem gebaard had,
Isaak
(="Men lacht"; zoals de Here gezegd had dat ze hem moesten noemen).
(Genesis 21:3)
Isaak
was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Betuel, de
Arameeer uit Paddan-aram, de zuster van de Arameeer Laban, tot vrouw
nam. Nu bad Isaak de Here voor zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar;
en de Here liet Zich door hem verbidden, en zijn vrouw Rebekka werd
zwanger. En de kinderen stieten in haar binnenste tegen elkander. Toen
zeide zij: Indien het aldus gesteld is, waarom overkomt mij dat? Daarop
ging zij om de Here te vragen. En de Here zeide tot haar: Twee volken
zijn in uw schoot, en twee natien zullen zich scheiden uit uw lichaam;
de ene natie zal sterker zijn dan de andere, en de oudste zal de
jongste dienstbaar wezen. Toen nu haar dagen vervuld waren, dat zij
baren zou, waren er dan ook tweelingen in haar schoot. En de eerste
kwam te voorschijn, rossig, geheel als een haren mantel; en men gaf hem
de naam Esau
(= "Harige"). En daarna kwam zijn broeder te voorschijn, wiens hand
Esaus hiel vasthield; en hem noemde men Jakob
(= "Hielhouder"). En Isaak was zestig jaar oud bij hun geboorte.
(Genesis 25:20-26)
(Hosea
zegt later over Jakob: "In de moederschoot bedroog hij zijn broeder."
Hosea 12:3)
En
Lea werd zwanger, baarde een zoon, en gaf hem de naam Ruben
(= "Zie, een zoon"), want, zo zeide zij, voorwaar, de Here heeft mijn
ellende aangezien; voorwaar, nu zal mijn man mij liefhebben. En zij
werd wederom zwanger, baarde een zoon, en zeide: Voorwaar, de Here
heeft gehoord, dat ik niet bemind ben, en heeft mij ook deze
geschonken; en zij gaf hem de naam Simeon
(= "De Heere heeft gehoord"). Wederom werd zij zwanger, baarde een
zoon, en zeide: Nu zal mijn man zich ditmaal aan mij hechten, omdat ik
hem drie zonen gebaard heb; daarom gaf zij hem de naam Levi
(= "Gehechtheid"). En zij werd wederom zwanger, baarde een zoon, en
zeide: Nu zal ik de Here loven; daarom gaf zij hem de naam Juda
(= "Hij zij geprezen"). Toen hield zij op met baren. (Genesis
29:32-35)
En
God hoorde naar Lea, zij werd zwanger en baarde Jakob een vijfde zoon.
Toen zeide Lea: God heeft mij mijn loon gegeven, omdat ik mijn slavin
aan mijn man gegeven heb; en zij gaf hem de naam Issakar
(= "Loon"). Wederom werd Lea zwanger en baarde Jakob een zesde zoon.
Toen zeide Lea: God heeft mij een schoon geschenk gegeven; ditmaal zal
mijn man bij mij wonen, omdat ik hem zes zonen gebaard heb; en zij gaf
hem de naam Zebulon
(= "Bijwoning"). Daarna baarde zij een dochter en noemde haar Dina
(= "Gericht") . Toen gedacht God Rachel, en God verhoorde haar; Hij
opende haar schoot, en zij werd zwanger en baarde een zoon. Toen zeide
zij: God heeft mijn smaad weggenomen; en zij gaf hem de naam Jozef
(= "Hij voege toe"),
zeggende: Moge de Here mij er nog een andere zoon bijvoegen. (Genesis
30:17-24)
Daarna
braken zij op uit Betel. Toen zij nog maar een eindweegs van Efrat
verwijderd waren, baarde Rachel, en zij had een moeilijke bevalling. En
terwijl zij die moeilijke bevalling had, zeide de vroedvrouw tot haar:
Vrees niet, ook ditmaal hebt gij een zoon. En toen haar het leven
ontvlood, want zij stierf, noemde zij hem Ben-oni
(= "Zoon van mijn smart"), maar zijn vader noemde hem Benjamin
(= "Zoon van mijn rechterhand"). (Genesis 35:16-18)
Toen
het nu de tijd was, dat zij (Tamar) baren zou, was er een tweeling in
haar schoot. En toen zij baarde, stak er een zijn hand uit, en de
vroedvrouw nam die, bond om zijn hand een scharlaken draad en zeide:
Deze is het eerst gekomen. En toen hij zijn hand weer introk, daar kwam
zijn broeder, en zij zeide: Hoe krachtig zijt gij doorgebroken, en zij
gaf hem de naam Peres (=
"Doorbreker"). En daarna kwam zijn broeder aan wiens hand de scharlaken
draad was, en men noemde hem Zerach
(= "Opgang"). (Genesis 38:27-29)
Jozef
gaf aan de eerstgeborene de naam Manasse
(= "Die vergeten doet"), want zeide hij: God heeft mij al mijn moeite
doen vergeten, en ook het gehele huis mijns vaders. En aan de tweede
gaf hij de naam Efraim
(= "Dubbele vruchtbaarheid"), want zeide hij: God heeft mij vruchtbaar
gemaakt in het land mijner ellende. (Genesis 41:51)
En
toen het kind groot geworden was, bracht zij het naar de dochter van
Farao; en hij werd door haar
als
zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes
(= "Uit het water
gered"), want, zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken. (Exodus
2:10)
En
Mozes bewilligde erin bij de man te blijven, en deze gaf zijn dochter
Sippora aan Mozes. Zij baarde een zoon en hij noemde hem Gersom
(="Vreemdeling, balling"), want, zeide hij: ik ben een vreemdeling
geworden in een vreemd land. (Exodus 2:21-22)
Daarna
troostte David zijn vrouw Batseba; hij kwam tot haar en had gemeenschap
met haar, zij baarde een zoon en hij noemde hem Salomo
(= "Vreedzame"). De Here
nu had hem lief: Hij zond een boodschap door de profeet Natan en noemde
hem Jedidja
(= "Lieveling van de Here"), om des Heren wil. (2 Samuël
12:24-25)
De
vrouw (van Manoach) baarde een zoon en noemde hem Simson
(= "Stoutmoedig"). De jongen groeide op, en de Here zegende hem.
Richteren 13:24
Toen
nam Boaz Ruth en zij werd hem tot vrouw en hij ging tot haar in. En de
Here schonk haar zwangerschap en zij baarde een zoon. En de vrouwen
zeiden tot Naomi: Geprezen zij de Here die het u heden niet laat
ontbreken aan een losser, en zijn naam worde vermaard in Israel. En hij
zal uw ziel verkwikken en u in uw ouderdom verzorgen; want uw
schoondochter, die u liefheeft, heeft hem gebaard, zij, die u meer
waard is dan zeven zonen. En Naomi nam het kind en legde het op haar
schoot en zij werd zijn verzorgster. En de burinnen gaven het een naam,
zeggende: Aan Naomi is een zoon geboren; en zij noemden hem Obed
(= "Dienaar"). Deze is de vader van Isai, de vader van David. (Ruth
4:13-17)
Toen
Elkana gemeenschap had met zijn vrouw Hanna, dacht de Here aan haar, en
omstreeks een jaar later baarde Hanna, zwanger geworden, een zoon. Zij
noemde hem Samuël
(= "Van God verhoord"), want zeide zij ik heb hem van de Here gebeden.
(1 Samuël 1:19-20)
Zijn
schoondochter nu, de vrouw van Pinechas, was zwanger en zou spoedig
baren. Toen zij het bericht vernam, dat de ark Gods buitgemaakt was en
dat haar schoonvader en haar man gestorven waren, kromde zij zich en
baarde, want de weeën overvielen haar. Toen zij op sterven
lag, spraken de vrouwen die om haar heen stonden: Vrees niet, want gij
hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en sloeg er geen acht
op. Zij noemde de jongen Ikabod (=
"Geen heerlijkheid") en zeide: weg is de eer uit Israel; omdat de ark
Gods was buitgemaakt en om haar schoonvader en haar man. (1
Samuël 4:19-21)
En
ik was tot de profetes genaderd, en zij was zwanger geworden en baarde
een zoon. En de Here zeide tot mij: Noem hem:
Maher-salal Chas-baz (=
"Haastig buit, spoedig roof"), want voordat de jongen zal kunnen
roepen: Mijn vader en mijn moeder, zal men de rijkdom van Damascus en
de buit van Samaria voor de koning van Assur dragen. (Jesaja 8:3-4)
Jabes
was de aanzienlijkste onder zijn broeders; zijn moeder had hem Jabes
(= "Smartenmaker") genoemd: want, zeide zij, ik heb hem met smart
gebaard. (1 Kronieken 4:9)
Het
begin van het spreken des Heren door Hosea. De Here zeide tot Hosea: Ga
heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige
geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de Here
af. Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaim, en zij
werd zwanger en baarde hem een zoon. De Here zeide tot hem: Noem hem
Jizreel
(= "God zaait"), want
het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreel
bezoeken aan Jehu's huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het
huis Israels. Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israels boog
verbreken zal in het dal van Jizreel. Zij werd wederom zwanger en
baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-ruchama
(= "Niet ontfermde"), want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis
Israels ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou. () Nadat zij
Lo-ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. Toen
zeide Hij: Noem hem Lo-ammi
(= "Niet mijn volk"), want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe
niet zijn. Eens echter zullen de kinderen Israels talrijk wezen als het
zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar
tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet, zullen zij genoemd
worden kinderen van de levende God. Dan zullen de kinderen van Juda en
de kinderen van Israel zich bijeenscharen, een hoofd over zich stellen,
en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreel zijn. Zegt
tot uw broeders: Ammi ("Mijn
volk"), en tot uw zusters: Ruchama
("Ontfermde"). (Hosea 1:2-11)
En
het geschiedde, toen de achtste dag was aangebroken, dat zij kwamen om
het kind te besnijden,
en
zij wilden het naar de naam van zijn vader Zacharias noemen. Doch zijn
moeder antwoordde en
zeide:
Neen, hij moet Johannes (=
"Welbehagen van God") genoemd worden. (Lukas 1:60)
En
toen acht dagen vervuld waren, zodat zij Hem moesten besnijden, ontving
Hij ook de naam Jezus (=
"God redt"), die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot
was ontvangen. (Lukas 2:21)
We
zien in de Bijbel dat kinderen bij de samenkomsten betrokken worden.
Nergens wordt aangegeven dat de kinderen weggaan als de volwassenen
serieus bezig gaan met aanbidding en Gods Woord. Integendeel! Zowel in
het oude testament als in de bediening van Jezus zien we dat de
kinderen vanzelfsprekend overal bij mochten zijn. Ze zien de wonderen,
luisteren naar het onderwijs uit het Woord van God en prijzen en
aanbidden Hem samen met de volwassenen. Ook zijn ze betrokken bij gebed
en voorbede en krijgen de gelegenheid om iets te betekenen voor de
gemeente van God.
De
jongelingen hadden een taak bij het sluiten van het bloedverbond met de
God van Israel.
Toen
zond hij de jongelingen der Israelieten heen, en zij brachten
brandoffers en offerden stieren als vredeoffers voor de Here. (Bij de
sluiting van het bloedverbond van God met Israël).
(Exodus 24:5)
De
kinderen moeten, evenals de volwassenen, Gods woorden horen om Hem te
leren vrezen.
Roep
het volk tezamen, mannen, vrouwen en kinderen, ook de vreemdeling, die
in uw steden woont, opdat zij ernaar horen en de Here, uw God, leren
vrezen en al de woorden dezer wet naarstig onderhouden, en opdat hun
kinderen, die er niet van weten, het horen en de Here, uw God, leren
vrezen, al de tijd, dat gij leeft in het land, dat gij na het
overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen. (Deuteronomium 31:12-13)
Jozua
leest de wet die God aan Mozes gaf voor aan het gehele volk, ook de
kinderen.
Daarna
las hij al de woorden der wet voor, de zegen en de vloek, naar alles
wat in het boek der wet geschreven stond. Er was geen woord van al
hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet voorlas aan de gehele
gemeente van Israel en de vrouwen, de kinderen en de vreemdelingen, die
met hen meegegaan waren. (Jozua 8:34-35)
Josafat
roept het hele volk, volwassenen en kinderen, bijeen om de Here om hulp
te bidden tegen een grote menigte vijanden.
Men
kwam Josafat melden: Een grote menigte is tegen u opgetrokken van de
overkant der zee, uit Aram; zie, zij zijn in Chaseson-tamar (dat is
Engedi). Toen werd Josafat bevreesd en besloot de Here te raadplegen;
hij riep voor geheel Juda een vasten uit, en Juda kwam bijeen om hulp
te zoeken bij de Here; ja, men kwam uit al de steden van Juda om de
Here te zoeken. Josafat ging te midden van de gemeente van Juda en
Jeruzalem staan, in het huis des Heren voor de nieuwe voorhof, en
zeide;Onze God, zult Gij over hen niet gericht houden? Wij immers zijn
niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en
wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen
gevestigd. Geheel Juda stond voor het aangezicht des Heren, zelfs hun
kleine kinderen, hun vrouwen en hun zonen. (2 Kronieken 20: 4-5,12-13)
Een
'dienst' van bidden, schuldbelijdenis en bekering, waar ook de kinderen
bij aanwezig waren.
Terwijl
Ezra bad en schuld beleed, wenend zich nederwerpende voor het huis
Gods, verzamelde zich tot hem een zeer grote schare uit Israel, mannen,
vrouwen en kinderen, want het volk was in luid geween uitgebarsten.
(Ezra 10:1)
Een
'inwijdingsdienst': De kinderen verheugen zich tijdens de feestelijke
inwijding van Jeruzalems muur.
Bij
de inwijding van Jeruzalems muur riep men de Levieten uit al hun
woonplaatsen op en deed hen naar Jeruzalem komen, om de feestelijke
inwijding te verrichten, met lofzangen en liederen bij cimbalen, harpen
en citers.
Men
bracht op die dag talrijke offers; en men verheugde zich, want God had
hen verheugd met grote vreugde; ook de vrouwen en de kinderen
verheugden zich, zodat de vreugde van Jeruzalem van verre gehoord werd.
(Nehemia 12:27,43)
Looft
de Here, jong en oud tezamen!
Looft
de Here op de aarde, gij grote zeedieren en alle waterdiepten, gij
koningen der aarde en alle natien, gij vorsten en alle richters der
aarde; gij jongelingen en ook maagden, gij ouden en jongen tezamen. Dat
zij de naam des Heren loven, want zijn naam alleen is verheven, zijn
majesteit is over aarde en hemel. (Psalm 148:7,11-13)
Dan
zult gij naar de plaats, die de Here, uw God, verkiezen zal om daar
zijn naam te doen wonen, alles brengen, wat ik u gebied: uw brandoffers
en slachtoffers, uw tienden en wijgeschenken en de gehele keur der
geloften, die gij de Here doen zult; gij zult u verheugen voor het
aangezicht van de Here, uw God, gij, uw zonen uw dochters, uw
dienstknechten en uw dienstmaagden, en de Leviet, die binnen uw poorten
woont, want hij heeft bezit noch erfdeel met u. (Deuteronomium 12:11-12)
En
een stem ging uit van de troon, zeggende: Looft onze God, al zijn
knechten, die Hem vreest, gij kleinen en gij groten! (Openbaring
19:5)
Helaas
waren er ook kinderen betrokken bij de afgodendienst:
De
kinderen rapen hout, de vaders steken vuur aan en de vrouwen kneden
deeg om offerkoeken te maken voor de koningin des hemels en zij brengen
plengoffers aan andere goden teneinde Mij te krenken. (Jeremia 7:18)
Het
is zelfs mogelijk dat kinderen 'verstokt van hart' zijn jegens de Here.
Hij
zeide tot mij: Mensenkind, Ik zend u tot de Israelieten, de opstandige
volken die tegen Mij in opstand gekomen zijn; zij en hun vaderen zijn
van Mij afgevallen tot op deze eigen dag; zelfs de kinderen zijn stug
van aangezicht en verstokt van hart. Ik zend u tot hen, en gij zult tot
hen zeggen: Zo zegt de Here Here. En zij, of zij horen dan wel het
nalaten (want zij zijn een weerspannig geslacht) zullen weten, dat er
in hun midden een profeet is geweest. (Ezechiel 2:3-5)
De
hele gemeente, inclusief kinderen en zuigelingen, wordt opgeroepen voor
een plechtige samenkomst, waarin gevast en gebeden zal worden.
Maar
ook nu nog luidt het woord des Heren: Bekeert u tot Mij met uw ganse
hart, en met vasten en met geween en met rouwklacht. Blaast de bazuin
op Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen.
Vergadert het volk, heiligt de gemeente, roept de ouden bijeen,
vergadert de kinderen en de zuigelingen; de bruidegom trede uit zijn
kamer en de bruid uit haar bruidsvertrek. Laat de priesters, de
dienaren des Heren, tussen de voorhal en het altaar wenen en zeggen:
Spaar, Here, uw volk en geef uw erfdeel niet prijs aan de smaad, zodat
de heidenen met hen zouden spotten. Waarom zou men onder de volken
zeggen: Waar is hun God? Toen nam de Here het op voor zijn land en Hij
kreeg medelijden met zijn volk. (Joel 2:12, 15-18)
Gods
reactie daarop - Hij zal zijn Geest uistorten op volwassenen en
kinderen:
Daarna
zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en
uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen
dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten
en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. (Joel
2:28-29)
Kleine
kinderen zien Jezus wonderen doen en prijzen hem.
En
in de tempel kwamen blinden en lammen tot Hem en Hij genas hen. Toen de
overpriesters en de schriftgeleerden de wonderwerken zagen, die Hij
deed, en de kinderen, die in de tempel riepen, zeggende: Hosanna de
Zoon van David! namen zij dat kwalijk, en zij zeiden tot Hem: Hoort Gij
wat dezen zeggen? Jezus zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit
de mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid?
(Matteüs 21:15)
Uit
de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw
tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.
(Psalmen 8:2)
Bij
al het volk dat Jezus volgde, naar zijn onderwijs luisterde en de
'genezingsdiensten' bijwoonde waren ook kinderen.
Daarna
vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. En
Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan
zieken verrichtte. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote
schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden
kopen, dat dezen kunnen eten. Een van zijn discipelen, Andreas, de
broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongen, die vijf
gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen?
(Johannes 6:1-9)
Zij,
die gegeten hadden, waren ongeveer vijfduizend mannen, vrouwen en
kinderen niet medegerekend. (Mattheüs 14:21)
Op
dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de
grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich,
plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u
niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der
hemelen voorzeker niet binnengaan. (Matteüs 18:1-3)
Toen
werden kinderen tot Hem gebracht, opdat Hij hun de handen zou opleggen
en bidden; doch de discipelen bestraften hen. Maar Jezus zeide: Laat de
kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te komen, want voor
zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. (Mattheüs
19:13)
Beschrijving
van een 'samenkomst' waarin zieken genezen werden, waar kinderen bij
waren:
En
vele scharen kwamen bij Hem, die lammen, kreupelen, blinden, stommen en
vele anderen bij zich hadden, en zij legden die aan zijn voeten neer.
En Hij genas hen, zodat de schare zich verwonderde, want zij zagen
stommen spreken, kreupelen gezond, lammen lopen en blinden zien. En zij
verheerlijkten de God van Israel. (...) Daarna nam Hij de zeven broden
en de vissen, dankte en brak ze, en Hij gaf ze aan zijn discipelen en
de discipelen gaven ze aan de scharen. En zij aten allen en werden
verzadigd, en zij raapten het overschot der brokken op, zeven korven
vol. Zij, die gegeten hadden, waren vierduizend mannen, vrouwen en
kinderen niet medegerekend. (Mattheüs 15:30-31,
36-38)
Wat
God openbaart is voor ons en voor onze kinderen.
De
verborgen dingen zijn voor de Here, onze God, maar de geopenbaarde zijn
voor ons en onze kinderen voor altijd, opdat wij al de woorden dezer
wet volbrengen. (Deuteronomium 29:29)
God
wil aan kleine kinderen openbaren wat Hij voor wijzen en verstandigen
verborgen heeft:
Te
dien tijde hief Jezus aan en zeide: Ik dank U, Vader, Heer des hemels
en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen
hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. (Mattheüs
11:25)
Terzelfder
tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest en zeide: Ik dank U,
Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en
verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja,
Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. (Lukas
10:21)
(Het
woord 'kinderkens' is het Griekse woord 'nepios' en betekent 'baby,
klein kind'. Dat slaat dus op de allerkleinsten!)
Integendeel,
wat voor de wereld dwaas is, heeft God uitverkoren om de wijzen te
beschamen, en wat voor de wereld zwak is, heeft God uitverkoren om wat
sterk is te beschamen; en wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht
is, heeft God uitverkoren, dat, wat niets is, om aan hetgeen wel iets
is, zijn kracht te ontnemen, opdat geen vlees zou roemen voor God. (1
Korintiërs 1:27-29)
Een
'uitzegeningsdienst' waar kinderen bij zijn.
Toen
het nu zover was, dat wij de dagen hadden voleindigd, gingen wij
vandaar verder op reis, terwijl zij ons allen met vrouwen en kinderen
uitgeleide deden tot buiten de stad; en op het strand knielden wij
neder, baden en en namen afscheid van elkander. Wij gingen scheep en
zij keerden naar huis terug. (Handelingen 21:5-6)
Kinderen
kunnen verloren gaan.
Zo
bestaat bij uw Vader, die in de hemelen is, de wil niet, dat een dezer
kleinen verloren gaat. (Mattheüs 18:14)
Kinderen
worden geoordeeld door God en ontvangen hun loon als ze God gediend
hebben.
En
ik zag de doden, de groten en de kleinen, staande voor de troon, en er
werden boeken geopend. En nog een ander boek werd geopend, het boek des
levens; en de doden werden geoordeeld op grond van hetgeen in de boeken
geschreven stond, naar hun werken. (Openbaring 20:12)
Maar
uw toorn is gekomen en de tijd voor de doden om geoordeeld te worden en
om het loon te geven aan uw knechten, profeten, en aan de heiligen en
aan hen, die uw naam vrezen, aan de kleinen en de groten en om te
verderven wie de aarde verderven. (Openbaring 11:18)
"Kinderen
dienen God in de kracht van de Heilige Geest. Kinderen worden door God
gezegend.
God
kan door een kind net zoveel bewerken als door een volwassene; het is
immers Hij die het doet, wij zijn het instrument. Hier volgen een
aantal teksten met betrekking tot het feit dat God een plan heeft met
ieder kind en kinderen belangrijk vindt. Met voorbeelden van kinderen
uit de Bijbel die God dienden, door God gezegend werden of door God
gebruikt werden.
Kinderen
hebben een bestemming. God zegt: voor de geboorte kende ik je al en had
ik een plan met je. Een jonge leeftijd vormt voor God geen enkele
belemmering.
Hoort
naar Mij, gij kustlanden, en luistert, gij natiën in de verte.
De Here heeft mij geroepen van moeders lijf aan, van de schoot mijner
moeder aan heeft Hij mijn naam vermeld. (Jesaja 49:1)
Maar
nu zegt de Here, die mij van de moederschoot aan vormde tot zijn
knecht, (Jesaja 49:5)
Maar
toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en
door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, zijn Zoon in mij te
openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen
ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; (Galaten 1:15-16)
En
uit uw zonen verwekte Ik er tot profeten en uit uw jongelingen tot
nazireeers. Is dat soms niet zo, gij Israelieten? luidt het woord des
Heren. (Amos 2:11)
God
riep Jeremia op jonge leeftijd.
Het
woord des Heren nu kwam tot mij: Eer Ik u vormde in de moederschoot,
heb Ik u gekend, en eer gij voortkwaamt uit de baarmoeder, heb Ik u
geheiligd; tot een profeet voor de volkeren heb Ik u gesteld. Doch ik
zeide: Ach, Here Here, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong. De
Here echter zeide tot mij: Zeg niet, ik ben jong, want tot een ieder,
tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied, zult gij
spreken. (Jeremia 1:4-7)
God
hoorde het roepen van Ishmael, redde hem van de dood en was met hem
toen hij opgroeide.
De
volgende morgen vroeg nam Abraham brood en een zak water, en gaf het
aan Hagar, dat leggende op haar schouder, alsook het kind, en hij zond
haar weg; daarop ging zij heen en dwaalde door de woestijn van Berseba.
Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder een der
struiken, en ging op een afstand zitten, zo ver als een boogschot
reikt, want zij zeide: Ik kan het sterven van het kind niet aanzien.
Terwijl zij op een afstand zat, verhief zij haar stem en weende. En God
hoorde de stem van de jongen, en de Engel Gods riep van de hemel tot
Hagar en zeide tot haar: Wat deert u, Hagar? Vrees niet, want God heeft
naar de stem van de jongen gehoord, daar waar hij is. Sta op, neem de
jongen op, en houd hem vast met uw hand, want Ik zal hem tot een groot
volk stellen. Toen opende God haar ogen, en zij zag een waterput; zij
ging de zak met water vullen en liet de jongen drinken. En God was met
de jongen en hij groeide op; hij ging in de woestijn wonen en werd een
boogschutter. (Genesis 21:14-18)
Jozef
was een tiener toen hij dromen van God kreeg.
Jozef,
zeventien jaar oud hij was dus nog jong placht met
zijn broeders, de zonen van Bilha, en de zonen van Zilpa, de vrouwen
van zijn vader, de schapen te hoeden. () En Jozef had een droom en
vertelde die aan zijn broeders; daarom haatten zij hem nog meer. Hij
zeide namelijk tot hen: Hoort toch deze droom die ik gehad heb. Zie,
wij waren aan het schoven binden in het veld daar richtte
mijn schoof zich op en bleef overeind staan en zie, uw schoven
omringden haar en bogen zich voor mijn schoof neer. Daarop zeiden zijn
broeders tot hem: Wilt gij soms koning over ons zijn? Wilt ge soms over
ons heersen? () En hij had nog een andere droom, die hij aan zijn
broeders verhaalde. Hij zeide: nu heb ik weer een droom gehad, en zie,
de zon, de maan en elf sterren bogen zich voor mij neer. () Zijn vader
hield de zaak in gedachten.
En
zijn dromen kwamen uit ...
Jozef
nu was machthebber over het land (Egypte); hij was het die aan al het
volk van het land koren verkocht. Toen nu de broeders van Jozef
aangekomen waren, bogen zij zich voor hem neer met het aangezicht ter
aarde. (Genesis 42:5-6)
Mozes
was door God voorbestemd om zijn volk te redden uit de slavernij. Zijn
ouders trotseerden het bevel van farao, en ook zijn zusje, Mirjam, was
moedig en werd door God gebruikt om een wijs woord tegen de dochter van
farao te zeggen.
Een
man uit het huis van Levi huwde een Levitische vrouw; deze werd zwanger
en baarde een zoon. Toen zij zag, dat hij schoon was, verborg zij hem
drie maanden lang. Maar langer kon zij hem niet verborgen houden;
daarom nam zij voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en
pek, legde het kind erin en zette het in het riet aan de oever van de
Nijl; zijn zuster ging op enige afstand staan om te zien, wat er met
hem gebeuren zou. Toen kwam de dochter van Farao om in de Nijl te
baden, en intussen wandelden haar dienaressen langs de Nijl; zij zag
het kistje in het riet en zond haar slavin om het te halen. Toen zij
het open deed, zag zij het kind, en zie, het jongetje schreide, zodat
zij medelijden met hem kreeg en zeide: Dit is een Hebreeuws kind. Toen
zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Zal ik voor u uit de
Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het kind voor u te
zogen? En de dochter van Farao zeide tot haar: Ja. Toen ging het meisje
de moeder van het kind roepen. En de dochter van Farao zeide tot deze:
Neem dit kind mee en zoog het voor mij, dan zal ik u het u toekomende
loon geven. Daarop nam de vrouw het kind mee en zoogde het. En toen het
kind groot geworden was, bracht zij het naar de dochter van Farao; en
hij werd door haar als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want,
zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken. (Exodus 2:1-10)
Mozes
werd na zijn geboorte 3 maanden verborgen voor farao, gevonden door
farao's dochter, gespeend door zijn moeder en groeide daarna op aan het
hof van farao. In die 3-4 jaar dat hij bij zijn ouders was hebben zij
hem genoeg geloof kunnen meegeven dat er staat geschreven:
Door
het geloof is Mozes na zijn geboorte drie maanden door zijn ouders
verborgen gehouden, omdat zij zagen, dat hij een schoon kind was, en
zij hebben het bevel des konings niet gevreesd. Door het geloof heeft
Mozes, volwassen geworden, geweigerd door te gaan voor een zoon van
Farao's dochter, maar hij heeft liever met het volk Gods kwaad
verdragen, dan tijdelijk van de zonde te genieten; en hij heeft de
smaad van Christus groter rijkdom geacht dan de schatten van Egypte,
want hij hield de blik gericht op de vergelding. Door het geloof heeft
hij Egypte verlaten, zonder de toorn des konings te duchten. Want hij
bleef standvastig, als ziende de Onzienlijke. (Hebreeen 11:23-27)
De
Here zegende Simson toen hij opgroeide.
De
vrouw baarde een zoon en noemde hem Simson. De jongen groeide op, en de
Here zegende hem. (Richteren 13:24)
Samuël
werd al op zeer jonge leeftijd (nadat zij hem gespeend had = nadat hij
de moederborst ontwend was, dat is ongeveer 3 of 4 jaar) door zijn
moeder aan God afgestaan. Hij groeide op bij de Here en diende Hem. Het
gebeurde in die tijd niet vaak dat God sprak. Maar in Samuël
vond Hij een rein kanaal voor Zijn Geest, in tegenstelling tot de zonen
van Eli, die in zonde leefden.
Nadat
zij hem gespeend had, nam zij hem mee, met drie stieren, een efa meel
en een kruik wijn, en zij bracht hem, een kleine jongen nog, in het
huis des Heren te Silo. Samuël nu diende voor het aangezicht
des Heren, een jongen, met een linnen lijfrok omgord. (Hij droeg een
linnen lijfrok, zoals ook de priesters droegen.) (1 Samuël
1:24, 2:18)
De
zonen van de hogepriester zondigden en het hele volk sprak over hun
wandaden, maar de jonge Samuel...
Maar
de jonge Samuel nam toe in aanzien en in gunst, zowel bij de Here als
bij de mensen. (1 Samuël 2:26)
In
een tijd dat het woord des Heren schaars was, hoorde een jongen zijn
stem. Het was een boodschap die Samuël moest overbrengen aan
de belangrijkste geestelijk leider van het volk, de hogepriester Eli.
De
jonge Samuel was in de dienst des Heren onder toezicht van Eli. Nu was
in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk.
In die tijd had Eli zich eens op zijn gewone plaats te ruste begeven;
zijn ogen begonnen zwak te worden, hij kon niet meer zien. Nog was de
lamp Gods niet uitgegaan. Samuel had zich te ruste begeven in de tempel
des Heren waar de ark Gods was. Toen riep de Here Samuel, en hij zeide:
Hier ben ik. Samuel nu kende de Here nog niet, nog nooit was hem een
woord des Heren geopenbaard. (1 Samuël 3:1-4)
En
de Here riep Samuel nog eens, voor de derde maal. Toen stond hij op,
ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Toen
begreep Eli, dat de Here de jongen riep. Daarom zeide Eli tot Samuel:
Ga heen, leg u weer neer, en als Hij u roept, zeg dan: spreek Here,
want uw knecht hoort. En Samuel ging heen en legde zich weer op zijn
plaats neer. Toen kwam de Here, bleef daar staan en riep als de vorige
keren: Samuel, Samuel! En Samuel zeide: Spreek, want uw knecht hoort.
Toen zeide de Here tot Samuel: Zie, Ik ga in Israel iets doen, zodat
een ieder die ervan hoort, de beide oren tuiten zullen. (...) Samuel nu
bleef liggen tot de morgen; toen opende hij de deuren van het huis des
Heren. Samuel zag ertegen op Eli het gezicht mee te delen. (1
Samuël 3:8-12, 14-15)
Samuel
nu groeide op, en de Here was met hem en liet geen van zijn woorden ter
aarde vallen. En geheel Israel van Dan tot Berseba kwam tot de
erkenning, dat aan Samuel door de Here het ambt van profeet was
toevertrouwd. De Here verscheen ook verder in Silo, want Hij openbaarde
Zich in Silo aan Samuel door het woord des Heren. (1 Samuël
3:19-21)
David,
de jongste van acht broers, wordt door God uitgekozen en gezalfd.
En
Isai liet zijn zeven zonen aan Samuel voorbijgaan, maar Samuel zeide
tot Isai: De Here heeft dezen niet verkoren. Hierop zeide Samuel tot
Isai: Zijn dit al de jongens? Deze antwoordde: De jongste ontbreekt
nog; zie, hij weidt de schapen. Toen zeide Samuel tot Isai: Laat hem
halen, want wij zullen niet gaan aanzitten, voordat hij hier gekomen
is. Daarop liet hij hem halen. Hij nu was rossig, ook had hij mooie
ogen en een schoon voorkomen. Toen zeide de Here: Sta op, zalf hem,
want deze is het. Samuel nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van
zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des Heren David aan. (1
Samuel 16:10-13)
David
was nog een jongeling toen hij vertrouwend op God de reus Goliath
tegemoet ging. En hij overwon de vijand!
Toen
Saul David de Filistijn tegemoet had zien gaan, had hij tot de
krijgsoverste Abner gezegd: Wiens zoon is toch deze jongeling, Abner?
En Abner had geantwoord: Zo waar gij leeft, o koning, ik weet het niet.
(1 Samuel 17:55)
Abia,
het zoontje van Jerobeam hij was de enige van zijn familie in
wie God iets goeds vond. Hoewel hij stierf, kreeg hij een waardige
begravenis, terwijl alle andere mannelijke leden van het geslacht van
Jerobeam door de honden of door vogels verslonden werden na hun dood.
Dat was Gods straf voor hun goddeloze gedrag.
In
die tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek. Toen zeide Jerobeam tot
zijn vrouw: Maak u reisvaardig en verkleed u, zodat men niet kan
merken, dat gij de vrouw van Jerobeam zijt, en ga naar Silo; daar woont
immers de profeet Achia. Hij heeft mij voorzegd, dat ik koning over dit
volk zou worden. () Zodra nu Achia het geluid van haar voeten hoorde,
toen zij de deur binnenkwam, zeide hij: Kom binnen, gemalin van
Jerobeam. Waarom doet gij alsof gij een onbekende zijt? Ik ben belast
met een harde boodschap voor u. () omdat gij bozer gehandeld hebt dan
allen die voor u geweest zijn, en u andere goden zijt gaan maken, ja
gegoten beelden om Mij te krenken, en gij Mij achter uw rug geworpen
hebt, zie, daarom ga Ik een ramp over het huis van Jerobeam brengen.
Ja, Ik zal van Jerobeam allen van het mannelijk geslacht uitroeien, van
hoog tot laag in Israel. Ik zal het huis van Jerobeam wegvegen, zoals
men drek wegveegt, totdat er niets van over is. Wie van Jerobeam in de
stad sterft, die zullen de honden verslinden; en wie op het veld
sterft, die zal het gevogelte des hemels verslinden. Want de Here heeft
gesproken. Gij echter, sta op, ga naar uw huis. Op het ogenblik dat uw
voeten de stad binnentreden, zal de jongen sterven. Dan zal geheel
Israel over hem weeklagen en hem begraven, want van het huis van
Jerobeam zal deze alleen in een graf komen, omdat in Jerobeams huis in
hem alleen iets goeds gevonden wordt voor de Here, de God van
Israel. (1 Koningen 14:1-2, 6, 9-13)
Een
jong meisje wijst Naäman Gods weg tot genezing.
Naäman,
de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer
en stond in hoge gunst, want door hem had de Here een overwinning aan
Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats. De
Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een
jong meisje uit het land van Israel gevangen meegevoerd; zij was in
dienst van Naämans vrouw. En zij zeide tot haar meesteres:
Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel
van zijn melaatsheid verlossen. Toen kwam hij en deelde het aan zijn
heer mee: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israel gesproken.
(En we weten wat er verder gebeurde, hij ging naar Elisa en werd
genezen nadat hij de opdracht van de profeet om zich zeven maal onder
te dompelen in de Jordaan had uitgevoerd.) (2 Koningen 5:1-3)
Een
triest voorbeeld: de kinderen die de profeet Elisa bespotten.
En
het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat Elisa
gesproken had. Vandaar ging hij naar Betel. En toen hij de weg opklom,
kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem
toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop!
Toen
wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des Heren.
Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeenveertig
van die kinderen. (2 Koningen 2:22-24)
Tot
twee keer toe wordt een kind de leider van Gods volk.
Joas
was zeven jaar oud, toen hij koning werd, en hij regeerde veertig jaar
te Jeruzalem. Zijn moeder heette Sibja; zij was uit Berseba. Joas deed
wat recht is in de ogen des Heren, zolang de priester Jojada leefde. (2
Kronieken 24:1-2)
Josia
was acht jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig
jaar te Jeruzalem. Hij deed wat recht is in de ogen des Heren en
wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts
noch links. In het achtste jaar zijner regering, toen hij nog jong was,
begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde
jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde
palen, de gesneden en de gegoten beelden. (2 Kronieken 34:3)
De
knapen aan het hof van koning Aspenaz: Daniel, Chanja, Misael en
Azarja, ofwel Beltesassar, Sadrak, Mesak en Abednego. Ze waren
vastbesloten God te blijven dienen in deze goddeloze omgeving, en God
gaf hun gunst bij die mensen. Hij gaf hen kennis, verstand, wijsheid en
inzicht en zij bleken gezonder, welvarender en voortreffelijker dan al
de andere knapen aan het hof.
Toen
beval de koning Aspenaz, het hoofd zijner hovelingen, enige Israelieten
te laten komen, uit het koninklijk geslacht en uit de edelen, knapen
(knaap = jongen, jongeling, knechtje, kind) zonder enig gebrek, schoon
van uiterlijk, ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis,
met inzicht in wetenschap, geschikt om dienst te doen in het paleis des
konings, en hen te onderwijzen in de geschriften en de taal der
Chaldeeen. En de koning stelde voor hen een dagelijks rantsoen vast van
de koninklijke tafel en van de wijn, die hij placht te drinken. Zo liet
hij hen gedurende drie jaren opvoeden, na verloop waarvan zij bij de
koning dienst moesten doen. Nu bevonden zich onder hen enige Judeeers:
Daniel, Chananja, Misael en Azarja de overste der hovelingen gaf hun
andere namen: Daniel noemde hij Beltesassar, Chananja Sadrak, Misael
Mesak en Azarja Abednego. Daniel nu nam zich voor, zich niet te
verontreinigen met de koninklijke spijze of met de wijn die de koning
placht te drinken; en hij verzocht de overste der hovelingen, dat hij
zich niet zou behoeven te verontreinigen. Toen schonk God aan Daniel
gunst en barmhartigheid bij de overste der hovelingen; doch de overste
der hovelingen zeide tot Daniel: Ik vrees, dat mijn heer, de koning,
die uw spijs en drank vastgesteld heeft, uw uiterlijk misschien minder
welvarend zou vinden dan dat van de overige knapen van uw leeftijd, en
dat gij daardoor mijn hoofd met schuld zoudt beladen bij de koning.
Daarop zeide Daniel tot de kamerdienaar, die de overste der hovelingen
aan Daniel, Chananja, Misael en Azarja had toegevoegd: Neem toch met uw
dienaren gedurende tien dagen de proef: men geve ons groenten te eten
en water te drinken; laat dan ons uiterlijk met dat van de knapen die
de koninklijke spijze eten, door u vergeleken worden, en doe dan met uw
dienaren naar uw bevinding. Hij gaf hun hierin gehoor en nam met hen
gedurende tien dagen de proef, en na verloop van tien dagen bleek hun
uiterlijk schoner en zagen zij er welvarender uit dan al de knapen die
van de koninklijke spijze gegeten hadden. Voortaan nam de kamerdienaar
hun spijze en de wijn die zij drinken moesten, weg en gaf hun groenten.
En aan deze vier knapen gaf God kennis en verstand van allerlei
geschriften en wijsheid, terwijl Daniel inzicht had in allerlei
gezichten en dromen. Na verloop nu van de dagen die de koning had
vastgesteld voor men hen ten hove zou doen verschijnen, bracht de
overste der hovelingen hen in de tegenwoordigheid van Nebukadnessar. De
koning sprak met hen; en onder die allen werd niemand gevonden gelijk
Daniel, Chananja, Misael en Azarja, en dezen traden in dienst bij de
koning. In elke zaak, waarbij het aankwam op wijs inzicht en waarover
de koning hen ondervroeg, bevond hij hen tienmaal voortreffelijker dan
al de geleerden, al de bezweerders in zijn ganse rijk. (Daniel 1:3-20)
De
jonge Jezus, net twaalf jaar oud, houdt zich volop bezig met de zaken
van zijn Hemelse Vader.
En
het geschiedde na drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, waar Hij
zat te midden der leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en hun vragen
stelde. Allen nu, die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en
zijn antwoorden. En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en zijn
moeder zeide tot Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw
vader en ik zoeken U met smart! En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij
naar Mij gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen
mijns Vaders? En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. En
Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun onderdanig. En
zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart. En Jezus nam toe in
wijsheid en grootte en genade bij God en mensen. (Lukas 2:46-52)
De
ongeboren baby Johannes, van wie de engel had gezegd: "met de Heilige
Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan",
springt van vreugde op, waarna ook zijn moeder met de Heilige Geest
vervuld wordt.
Maria
dan maakte zich op in die dagen en reisde met spoed naar het bergland
naar een stad van Juda. En zij ging het huis van Zacharias binnen en
groette Elisabet. En toen Elisabet de groet van Maria hoorde,
geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot, en Elisabet werd
vervuld met de Heilige Geest. En zij riep uit met luider stem en sprak:
Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw
schoot. En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot
mij komt? Want zie, toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk,
sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. (Lukas 1:39-44)
Nogmaals
Johannes de Doper, van kinds af aan wordt hij door de Heilige Geest
voorbereid op zijn taak.
En
allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: Wat zal er van
dit kind worden? Want de hand des Heren was met hem. En zijn vader
Zacharias werd vervuld met de Heilige Geest en profeteerde, zeggende:
() En gij, kind, zult een profeet des Allerhoogsten heten; want gij
zult uitgaan voor het aangezicht des Heren, om zijn wegen te bereiden,
om aan zijn volk te geven kennis van heil in de vergeving hunner
zonden. Het kind nu groeide op en werd gesterkt door de Geest. En hij
vertoefde in de woestijnen tot op de dag, dat hij zich aan Israel
vertoonde. (Lukas 1:66-67, 77-80)
Hoe
weten we dat God ook zo met onze kinderen bezig wil zijn als met
Johannes?
Ik
zeg u, onder hen, die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan
Johannes, maar de kleinste in het Koninkrijk Gods is groter dan hij.
(Lukas 7:28)
Een
jongen geeft zijn lunch om Jezus te helpen de menigten te voeden.
Een
van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot
Hem: Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft;
maar wat betekent dit voor zovelen? Jezus zeide: Laat de mensen gaan
zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten,
ten getale van omstreeks vijfduizend. Jezus dan nam de broden, dankte
en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel
zij wensten. (Johannes 6:8 -11)
Timoteüs
kende van kinds af de Heilige Schriften.
Blijf
gij echter bij wat u geleerd en toevertrouwd is, wel bewust van wie gij
het hebt geleerd, en dat gij van kindsbeen af de heilige schriften
kent, die u wijs kunnen maken tot zaligheid door het geloof in Christus
Jezus. (2 Timoteüs 3:14-15)
Jonge
mensen kunnen een voorbeeld zijn voor de gelovigen.
Niemand
schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor
de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.
(1 Timotheus 4:12)
God
geneest kinderen:
Na
gebed van Elia: Het zoontje van de weduwe van Sarafat werd uit de dood
opgewekt.
Na
deze gebeurtenissen werd de zoon van de vrouw des huizes ziek: ja, zijn
ziekte werd zeer hevig, totdat er geen adem in hem overbleef. Toen
zeide zij tot Elia: Hoe heb ik het met u, man Gods? Gij hebt bij mij
intrek genomen om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen, en te
maken, dat mijn zoon sterft. Daarop zeide hij tot haar: Geef mij uw
zoon. Toen nam hij hem uit haar schoot, droeg hem naar het
bovenvertrek, waar hij verblijf hield, en legde hem op zijn bed. Daarop
riep hij tot de Here en zeide: Here, mijn God! Doet Gij zelfs de
weduwe, bij wie ik als vreemdeling vertoef, het onheil aan, haar zoon
te laten sterven? Toen strekte hij zich driemaal uit bovenop het kind
en riep tot de Here en zeide: Here, mijn God! Laat toch de ziel van dit
kind in hem terugkeren. En de Here hoorde naar de stem van Elia, en de
ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd. (1
Koningen 17:17-22)
Na
gebed van Elisa: Het zoontje van de Sunamitische vrouw werd uit de dood
opgewekt.
Toen
zeide hij: Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon
omhelzen. Maar zij zeide: Och neen, mijn heer, gij man Gods, spiegel uw
dienstmaagd niets voor. En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op
dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had. Toen
de knaap groot geworden was, ging hij op zekere dag naar zijn vader,
bij de maaiers. En hij zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd!
Toen zeide deze tot een knecht: Draag hem naar zijn moeder. Hij droeg
hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieen tot
aan de middag; toen stierf hij. Zij ging naar boven, legde hem op het
bed van de man Gods en sloot de toegang tot hem af. () Daarna kwam
Elisa het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed. Toen
Elisa binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot
de Here. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond
op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en
boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm.
Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging
hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen
zevenmaal en opende zijn ogen. En hij riep Gechazi en zeide: Roep deze
Sunamitische. En toen deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij
zeide: Neem uw zoon op. Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en
boog zich ter aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen.
(2
Koningen 4:16-21, 32-37)
Jezus
riep het dochtertje van Jaïrus tot leven.
En
zie, er kwam een man, genaamd Jairus, en deze was een overste der
synagoge. En hij viel neder aan de voeten van Jezus en smeekte Hem naar
zijn huis te komen, omdat zijn enige dochter, die ongeveer twaalf jaar
oud was, op sterven lag. Toen Hij aan het huis gekomen was, stond Hij
niemand toe met Hem naar binnen te gaan dan Petrus, Johannes en Jakobus
en de vader van het kind en de moeder. Allen nu weenden en weeklaagden
over haar. Doch Hij sprak: Weent niet; zij is niet gestorven, maar zij
slaapt. En zij lachten Hem uit, omdat zij wisten, dat zij gestorven
was. Maar Hij vatte haar hand en riep, zeggende: Kind, sta op! En haar
geest keerde terug en zij stond dadelijk op en Hij beval, dat men haar
te eten zou geven. En haar ouders stonden versteld, maar Hij verbood
hun tot iemand te spreken over hetgeen geschied was. (Lucas 8:41-42,
51-56)
Jezus
wekt een jongeling op uit de dood.
En
het geschiedde kort daarna, dat Hij reisde naar een stad, genaamd Nain.
En zijn discipelen reisden met Hem, en een grote schare. Toen Hij dicht
bij de stadspoort gekomen was, zie, een dode werd uitgedragen, de enige
zoon zijner moeder, die weduwe was, en veel volk uit de stad was bij
haar. En toen de Here haar zag, werd Hij met ontferming over haar
bewogen en Hij zeide tot haar: Ween niet. En naderbij gekomen raakte
Hij de baar aan (de dragers stonden stil) en zeide: Jongeling, Ik zeg
u, sta op! En de dode ging overeind zitten en begon te spreken, en Hij
gaf hem aan zijn moeder. (Lukas 7:11-15)
Het
zoontje van de hoveling werd door een woord van Jezus genezen terwijl
hij op sterven lag.
En
er was te Kafarnaum een hoveling, wiens zoon ziek was. Toen deze
hoorde, dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem
en verzocht Hem te komen en zijn zoon te genezen; want deze lag op
sterven. Jezus zeide dan tot hem: Indien gijlieden geen tekenen en
wonderen ziet, zult gij niet geloven. De hoveling zeide tot Hem: Heer,
kom af, eer mijn kind sterft. Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon
leeft! De man geloofde het woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging
heen. En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn slaven hem tegemoet en
zeiden, dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur, waarop de
beterschap was ingetreden; zij zeiden tot hem: Gisteren op het zevende
uur werd hij vrij van koorts. De vader dan bemerkte, dat het dat uur
was, waarop Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft, en hij werd zelf
gelovig en zijn gehele huis. (Johannes 4:47-53)
Het
dochtertje van de Syrofenicische vrouw werd door een woord van Jezus
bevrijd van een boze geest.
En
Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus. En toen Hij
een huis was binnengegaan, wilde Hij niet, dat iemand het wist; maar
Hij kon niet verborgen blijven. Want terstond hoorde van Hem een vrouw,
wier dochtertje een onreine geest had; en zij kwam tot Hem en viel Hem
te voet. Deze vrouw was een Griekse, een syrofenicische van geboorte.
En zij vroeg Hem de boze geest uit haar dochter te drijven. En Hij
zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden want het is
niet goed het brood der kinderen te nemen en het de honden voor te
werpen. Doch zij antwoordde en zeide tot Hem: Zeker, Here, de honden
eten immers ook onder de tafel van de kruimels der kinderen. En Hij
zeide tot haar: Om dit woord, ga heen, de boze geest is uit uw dochter
gevaren. En toen zij naar huis gegaan was, vond zij het kind te bed
liggen en de boze geest uitgevaren. (Marcus 7:24-30)
Jezus
bevrijdde een jongen van een dove en stomme geest.
En
een uit de schare antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon tot U
gebracht, die een stomme geest heeft. En waar hij hem aangrijpt, werpt
hij hem op de grond; en hij heeft het schuim op de mond, en hij knerst
met zijn tanden en verstijft. En ik heb uw discipelen gezegd, dat zij
hem zouden uitdrijven, en zij hebben het niet gekund. En Hij antwoordde
hun en zeide: O, ongelovig geslacht, hoelang zal Ik nog bij u zijn?
Hoelang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. En zij brachten hem
tot Hem. En toen de geest Hem zag, deed hij hem terstond stuiptrekken
en, op de grond gevallen, wentelde hij zich, al schuimende. En Hij
vroeg zijn vader: Hoelang is het al, dat dit hem overkomt? Hij zeide:
Van zijn kindsheid af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in
het water gedreven om hem een ongeluk te doen krijgen. Maar als Gij
iets kunt doen, help ons en heb medelijden met ons! Jezus zeide tot
hem: Als Gij kunt! Alle dingen zijn mogelijk voor wie gelooft. Terstond
riep de vader van de knaap uit en zeide: Ik geloof, kom mijn ongeloof
te hulp! En toen Jezus zag, dat de schare samenstroomde, bestrafte Hij
de onreine geest en zeide tot hem: Gij, stomme en dove geest, Ik beveel
u: ga van hem uit en kom niet meer in hem. En hij ging uit onder
geschreeuw en hevige stuiptrekkingen. En hij werd als een dode, zodat
men algemeen zeide, dat hij gestorven was. Doch Jezus vatte zijn hand,
richtte hem op, en hij stond op. (Marcus 9:17-27)
En
nog terwijl hij naderbij kwam, wierp de boze geest hem op de grond en
deed hem stuiptrekken. Maar Jezus bestrafte de onreine geest en Hij
genas de knaap en gaf hem terug aan zijn vader. (Lukas 9:42)
Eutychus
viel van de derde verdieping naar beneden, maar de jongen werd levend
weggebracht.
En
een zekere jonge man, genaamd Eutychus, zat in de vensterbank, en door
een diepe slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de
slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood
opgenomen. Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg
de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in
hem. En bovengekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met
hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij. En zij brachten de jongen
levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd. (Handelingen 20:9-12)
Aanmoedigingen
voor kinderen.
Luister
naar je leiders.
Komt,
kinderen, luistert naar mij, ik zal u de vreze des Heren leren. (Psalm
34:11)
Evenzo
gij, jongeren, onderwerpt u aan de oudsten. Omgordt u allen jegens
elkander met nederigheid, want God wederstaat de hoogmoedigen, maar de
nederigen geeft Hij genade. (1 Petrus 5:5)
Hou
je aan Gods Woord.
Waarmede
zal de jongeling zijn pad rein bewaren? Als hij dat houdt naar uw
woord. (Psalmen 119:9)
Laat
zien dat je zuiver bent.
Reeds
een knaap laat zich door zijn handelingen kennen, of zijn doen zuiver
is en recht. (Spreuken 20:11)
Wees
wijs. Lees de spreuken van Salomo, ze zijn opgeschreven om jonge mensen
kennis en bedachtzaamheid te geven.
Beter
is een arme, maar wijze jongeling dan een oude, maar dwaze koning, die
er niet van weten wil zich te laten waarschuwen. (Prediker
4:13)
De
Spreuken van Salomo () om de onverstandigen schranderheid, de jongeling
kennis en bedachtzaamheid te geven. (Spreuken 1:1,4)
Vergeet
God niet, die jou gemaakt heeft.
Gedenk
dan uw Schepper in uw jongelingsjaren. (Prediker 12:1)
Luister
naar je vader en moeder.
Luister
naar uw vader, die u heeft verwekt; veracht uw moeder niet, wanneer zij
oud geworden is. (Spreuken 23:22)
Bewaar,
mijn zoon, het gebod van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw
moeder niet. (Spreuken 6:20)
Een
wijs zoon laat zich tuchtigen door zijn vader, maar een spotter
luistert niet naar berisping. (Spreuken 13:1)
De
dwaas versmaadt de tucht van zijn vader, maar wie de terechtwijzing ter
harte neemt, is verstandig. (Spreuken 15:5)
Wees
een verstandig kind, zodat je ouders niet verdrietig of bezorgd over je
zijn, maar blij en verheugd zijn dat ze zo'n wijs kind hebben als jij!
Een
wijs zoon verheugt zijn vader, maar een dwaas zoon is een bekommering
voor zijn moeder. (Spreuken 10:1)
Een
dwaas zoon is zijn vader een ergernis en een verdriet voor wie hem
baarde. (Spreuken 17:25)
Een
dwaas zoon is een ramp voor zijn vader, (Spreuken 19:13)
De
vader van een rechtvaardige verblijdt zich zeer, wie een wijze
verwekte, verheugt zich over hem. Mogen uw vader en uw moeder zich
verheugen, moge zij, die u baarde, zich verblijden. (Spreuken 23:25)
Gehoorzaam
en eer je ouders.
Eer
uw vader en uw moeder, zoals de Here, uw God, u geboden heeft, opdat uw
dagen verlengd worden en het u wel ga in het land, dat de Here, uw God,
u geeft. (Deuteronomium 5:16)
Kinderen,
weest uw ouders gehoorzaam in de Here, want dat is recht. Eer uw vader
en uw moeder (dit is immers het eerste gebod, met een belofte) opdat
het u welga en gij lang leeft op aarde. (Efeziërs 6:1)
Kinderen,
gehoorzaamt uw ouders in alles, want dit is welbehagelijk in de Here.
(Colossenzen 3:26)
Doe
iets terug voor je ouders, na alles wat zij voor jou hebben gedaan.
Maar
indien een weduwe kinderen of kleinkinderen heeft, laten zij dan eerst
aan eigen familie godsvrucht tonen en aan het vorig geslacht vergelden
wat zij hun te danken hebben, want dit is welgevallig aan God. (1
Timotheüs 5:4)
Wees
een voorbeeld voor de gelovigen.
Niemand
schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor
de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid.
(1 Timotheus 4:12)
Pak
niet stiekem iets weg van je ouders, dat is stelen.
Wie
zijn vader en zijn moeder iets ontrooft en denkt: het is geen zonde,
die is een metgezel van de misdadiger. (Spreuken 28:24)
De
Here God vind het heel erg als een kind zijn vader of moeder slaat of
vervloekt. Vroeger kregen ze hiervoor zelfs de doodstraf!
Wie
zijn vader of zijn moeder slaat, zal zeker ter dood gebracht worden.
(Exodus 21:15)
Wie
zijn vader of zijn moeder vervloekt, zal zeker ter dood gebracht
worden. (Exodus 21:17)
Speciale
beloften aan kinderen.
Een
lang en goed leven voor wie zijn vader en moeder eert.
Eer
uw vader en uw moeder, zoals de Here, uw God, u geboden heeft, opdat uw
dagen verlengd worden en het u wel ga in het land, dat de Here, uw God,
u geeft. (Deuteronomium 5:16)
God
neemt jou aan, zelfs als anderen je hebben verlaten.
Al
hebben mijn vader en moeder mij verlaten, toch neemt de Here mij aan.
(Psalm 27:10)
God
zal je zegenen, als je Hem vreest.
Hij
zal zegenen wie de Here vrezen, kleinen zowel als groten. (Psalmen
115:13)
Wie
mij vroeg zoeken...
Ik
heb lief wie mij liefhebben, wie mij vroeg zoeken, zullen mij vinden.
(Spreuken 8:17)
Welzalig
ben je als je Gods wegen bewaart.
Nu
dan, zonen, luistert naar mij, want welzalig zijn zij die mijn wegen
bewaren. Hoort naar de vermaning, dan wordt gij wijs, slaat haar niet
in de wind. (Spreuken 8:32)
God
is je herder, hij zal voor je zorgen, je dragen en leiden.
Hij
zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren
vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens
leiden. (Jesaja 40:11)
Het
koninkrijk Gods is voor jullie, kinderen! Jezus wil jullie een dikke
knuffel geven en jullie zegenen.
En
zij brachten de kinderen tot Hem, opdat Hij ze zou aanraken; doch de
discipelen bestraften hen. Toen Jezus dat zag, nam Hij het zeer kwalijk
en zeide tot hen: Laat de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet;
want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u: Wie het
Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker niet
binnengaan. En Hij omarmde ze en hun de handen opleggende zegende hij
ze. (Markus 10:12-14)
De
belofte van de Heilige Geest is voor jullie, kinderen.
Want
Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn
Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen.
(Jesaja 44:3)
Daarna
zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft en
uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen
dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. (Joel 2:28)
En
Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op
de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de
gave des Heiligen Geestes ontvangen. Want voor u is de belofte en voor
uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze
God, ertoe roepen zal. ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze.
(Handelingen 2:38-39)
Wees
sterk, ken je God en laat zijn Woord in je blijven. Jonge mensen, de
Bijbel zegt dat jullie de boze overwonnen hebben!
Ik
schrijf u, jongelingen, want gij hebt de boze overwonnen. Ik heb u
geschreven, kinderen, want gij kent de Vader. (...) Ik heb u
geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk en het woord Gods blijft
in u en gij hebt de boze overwonnen. (1 Johannes 2:13-14)
God
belooft als Jezus terugkomt, dan zal een kleine jongen de leeuw en het
kalf tezamen hoeden en dan zullen zuigelingen en peuters zonder gevaar
bij slangen kunnen spelen. En niemand zal elkaar nog kwaad doen.
Dan
zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij
het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn,
en een kleine jongen zal ze hoeden; de koe en de berin zullen samen
weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal
stro eten als het rund; dan zal een zuigeling bij het hol van een adder
spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind
zijn hand uitstrekken. Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op
gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des
Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. (Jesaja
11:6-9)
"Aanmoedigingen,
beloften en vermaningen voor gemeenteleiders en de gemeente Gods
(inclusief de ouders).
Er
wordt veel gezegd over kinderen in Gods Woord. Het is goed om als
gemeente ons hart te openen voor wat de Bijbel ons leert over kinderen.
Jezus heeft heel wat uitspraken gedaan over kinderen waar je van
opkijkt!
God
zegt over de tijd van het nieuwe verbond: van de kleinste tot de
grootste zullen allen de Here kennen:
Maar
dit is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal
na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun
binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God
zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een
ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want
zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen,
luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en
hun zonde niet meer gedenken. (Jeremia 31:33)
Als
je je kinderen hebt prijsgegeven om Jezus en het evangelie...
Jezus
zeide: Voorwaar, Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of
zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om
Mij en om het evangelie, of hij ontvangt honderdvoudig terug: nu, in
deze tijd, huizen en broeders en zusters en moeders en kinderen en
akkers, met vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.
(Marcus 10:29-30)
En
een ieder, die huizen of broeders of zusters of vader of moeder of
kinderen of akkers heeft prijsgegeven om mijn naam, zal vele malen meer
terugontvangen en het eeuwige leven erven. (Mattheüs
19:29)
Aanmoedigingen
en vermaningen voor de gemeente (met betrekking tot kinderen):"
Vertel
de kinderen de roemrijke daden van God, zodat ze hun vertrouwen op God
zullen stellen en zijn geboden bewaren.
Ik
wil mijn mond tot een spreuk opendoen, ik wil aloude verborgenheden
verkondigen. Hetgeen wij gehoord hebben en weten, en onze vaderen ons
hebben verteld, dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen; wij
willen vertellen aan het volgende geslacht des Heren roemrijke daden,
zijn kracht en de wonderen die Hij gewrocht heeft. Hij richtte een
getuigenis op in Jakob en stelde een wet in Israel, die Hij onze
vaderen gebood hun kinderen te leren, opdat het volgende geslacht die
zou kennen, de kinderen, die geboren zouden worden, dat zij zouden
opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen:
opdat
die hun vertrouwen op God zouden stellen, en Gods werken niet vergeten
maar zijn geboden bewaren; (Psalm 78:2-7)
We
willen niet hetzelfde meemaken als wat er gebeurde na de generatie van
Jozua:
Nadat
ook dat gehele geslacht tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een
ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk, dat Hij voor
Israel gedaan had. Toen deden de Israelieten wat kwaad is in de ogen
des Heren en gingen de Baals dienen. Zij verlieten de Here, de God
hunner vaderen, die hen uit het land Egypte geleid had, liepen andere
goden achterna uit de goden der volken rondom hen, bogen zich daarvoor
neer en krenkten de Here. (Richteren 2:10-12)
Een
opziener of diaken moet zijn kinderen met alle waardigheid onder tucht
houden en zijn gezin goed bestieren.
Een
opziener dan moet zijn onbesproken, de man van een vrouw, nuchter,
bezadigd, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet aan de
wijn verslaafd, niet opvliegend, maar vriendelijk, niet strijdlustig of
geldzuchtig, een goed bestierder van zijn eigen huis, die met alle
waardigheid zijn kinderen onder tucht houdt; indien echter iemand zijn
eigen huis niet weet te bestieren, hoe zal hij voor de gemeent Gods
zorgen? (1 Timoteüs 3:2-4)
Diakenen
moeten mannen van een vrouw zijn; hun kinderen en hun eigen huis goed
bestieren. (1 Timoteüs 3:12)
Oudsten
moeten gelovige kinderen hebben.
Ik
heb u op Kreta achtergelaten met de bedoeling, dat gij in orde zoudt
brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u
opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, die
onberispelijk zijn, een vrouw hebben, die gelovige kinderen hebben, die
niet in opspraak zijn wegens losbandigheid of van geen tucht willen
weten. (Titus 1:5-6)
Stel
niemand boven God, ook niet je ouders of je kinderen.
Wie
vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; en wie zoon
of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig; (Mattheüs
10:37)
Wat
Jezus ons leerde over kinderen:"
Wordt
als de kinderen.
Op
dat ogenblik kwamen de discipelen bij Jezus en vroegen: Wie is wel de
grootste in het Koninkrijk der hemelen? En Hij riep een kind tot Zich,
plaatste dat in hun midden, en zeide: Voorwaar, Ik zeg u, wanneer gij u
niet bekeert en wordt als de kinderen, zult gij het Koninkrijk der
hemelen voorzeker niet binnengaan. Wie nu zichzelf gering zal achten
als dit kind, die is de grootste in het Koninkrijk der hemelen.
(Mattheüs 18:1-4)
Wie
zo'n kind ontvangt in Jezus' Naam ontvangt Hem zelf en Zijn Vader!
En
een ieder, die zulk een kind ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij.
(Matteüs 18:5)
En
Hij nam een kind en plaatste dat in hun midden, omarmde het en zeide
tot hen: Wie één van zodanige kinderen ontvangt
in mijn naam, die ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij,
maar Hem, die Mij gezonden heeft. (Markus 9:36-37, hetzelfde staat ook
in Lukas 9:48)
Verleid
een kind niet tot zonde.
Maar
een ieder, die een dezer kleinen, die in Mij geloven, tot zonde
verleidt, het zou beter voor hem zijn, dat een molensteen om zijn hals
was gehangen en hij verzwolgen was in de diepte der zee.
(Matteüs 18:6-7, hetzelfde staat ook in Markus 9:42 en Lukas
17:2)
Veracht
kinderen niet. Hun engelen zien voortdurend het aangezicht van God!
Ziet
toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht. Want
Ik zeg u, dat hun engelen in de hemelen voortdurend het aangezicht zien
van mijn Vader, die in de hemelen is. (Mattheüs 18:10)
God
wil niet dat kinderen verloren gaan.
Zo
bestaat bij uw Vader, die in de hemelen is, de wil niet, dat
één dezer kleinen verloren gaat.
(Mattheüs 18:14)
God
zal je belonen als je een kind, omdat hij een volgeling is, ook maar
een beker koud water geeft.
En
wie een van deze kleinen, omdat hij een discipel is, ook maar een beker
koud water te drinken geeft, voorwaar, Ik zeg u, zijn loon zal hem
geenszins ontgaan. (Mattheüs 10:42)
Laat
de kinderen tot Mij komen, verhindert ze niet
Zij
brachten ook hun kleine kinderen tot Hem, opdat Hij ze zou aanraken.
Toen de discipelen dat zagen, bestraften zij hen. Maar Jezus riep ze
tot Zich en zeide: Laat de kinderen tot Mij komen en verhindert ze
niet; want voor zodanigen is het Koninkrijk Gods. Voorwaar, Ik zeg u:
Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het voorzeker
niet binnengaan. (Lukas 18:15-17)
Jezus
legde kinderen de handen op en zegende ze.
Jezus
zeide: Laat de kinderen geworden en verhindert ze niet tot Mij te
komen, want voor zodanigen is het Koninkrijk der hemelen. En hij legde
hun de handen op en vertrok vandaar. (Mattheüs 19:14-15)
En
Hij omarmde ze en hun de handen opleggende, zegende Hij ze. (Markus
10:16)
Jezus
kende Gods Woord omtrent kinderen:
Jezus
zeide tot hen: Ja; hebt gij nooit gelezen: Uit de mond van kleine
kinderen en zuigelingen hebt Gij lof bereid? (Mattheüs 21:16)
Jezus
zegt dat God dingen openbaart aan kleine kinderen.
Terzelfder
tijd verblijdde Hij Zich door de Heilige Geest en zeide: Ik dank U,
Vader, Heer des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en
verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja,
Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U. (Lukas
10:21)
Jezus
zegt: Weid Mijn lammeren.
Toen
zij dan de maaltijd gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus:
Simon, zoon van Johannes, hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen?
Hij zeide tot Hem: Ja Here, Gij weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot
hem: Weid mijn lammeren. (Johannes 21:15) (Denk aan hoe God zichzelf
beschrijft als een herder van de kudde: "Hij zal als een herder zijn
kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot
dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden." - Jesaja 40:11)
"Beloften,
aanmoedigingen en vermaningen speciaal voor ouders:
Ouders
worden niet in het ongewisse gelaten als het gaat over de opvoeding. Er
staat duidelijke aanwijzingen in de Bijbel hoe je je kinderen kunt
helpen om de Here te leren kennen en Hem te dienen.
Ook geeft God talrijke beloften over je kinderen. Als jij God dient
worden ook je kinderen rijkelijk gezegend!
Aanmoedigingen
voor ouders:"
Ouders:
praat met je kinderen over God.
Hoor,
Israel: de Here is onze God; de Here is een!
Gij
zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw
ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart
zijn, gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer
gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en
wanneer gij opstaat. Gij zult het ook tot een teken op uw hand binden
en het zal u een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn, en gij zult ze
schrijven op de deurposten van uw huis en aan uw poorten.
(Deuteronomium 6:4-9)
Maar
gij zult deze mijn woorden in uw hart en in uw ziel leggen; gij zult ze
tot een teken op uw hand binden en zij zullen een voorhoofdsband tussen
uw ogen zijn. Gij zult ze uw kinderen leren en daarover spreken,
wanneer gij in uw huis zit en wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij
nederligt en wanneer gij opstaat; gij zult ze schrijven op de
deurposten van uw huis en aan uw poorten, opdat gij en uw kinderen in
het land, waarvan de Here uw vaderen gezworen heeft, dat Hij het hun
zou geven, zo lang leeft, als de hemel boven de aarde staat.
(Deuteronomium 11:18-21)
Dient
de Here, geef het door aan je kinderen en het zal goed gaan met ze.
Maar
ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen! (Jozua 24:15)
Alleen
neem u ervoor in acht en hoed u er terdege voor, dat gij de dingen die
gij met eigen ogen gezien hebt, niet vergeet, en zij niet uit uw hart
wijken zolang gij leeft; maak ze aan uw kinderen en kindskinderen
bekend: de dag, waarop gij voor het aangezicht van de Here, uw God, bij
Horeb stondt, toen de Here tot mij zeide: roep Mij het volk samen, dan
zal Ik het mijn woorden doen horen, opdat zij leren Mij te vrezen alle
dagen, dat zij op de aardbodem leven, en opdat zij het hun kinderen
leren. (Deuteronomium 4:9-10)
Onderhoud
dan zijn inzettingen en zijn geboden, die ik u heden opleg, opdat het u
en uw kinderen na u wel ga en opdat gij lang leeft in het land, dat de
Here, uw God, u geven zal voor altijd. (Deuteronomium 4:40)
Och,
hadden zij steeds zulk een hart om Mij te vrezen en om al mijn geboden
te onderhouden, opdat het hun en hun kinderen voor altoos wel mocht
gaan! (Deuteronomium 5:29)
Luister
aandachtig naar al deze geboden, die ik u geef; opdat het u en uw
kinderen na u voor altoos wel ga, wanneer gij doet wat goed en recht is
in de ogen van de Here, uw God. (Deuteronomium 12:28)
Een
voorbeeld hoe Israëlitische ouders aan hun kinderen uit konden
leggen wat God voor hen gedaan had, en waarom het goed is om Zijn
geboden te onderhouden:
Wanneer
later uw zoon u vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en
verordeningen, die de Here, onze God, u opgelegd heeft? dan zult gij
tot uw zoon zeggen: Wij waren dienstknechten van Farao in Egypte, maar
de Here heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid; de Here deed
voor onze ogen tekenen en wonderen, groot en onheil brengend, aan
Egypte, aan Farao en aan zijn gehele huis; maar ons heeft Hij daaruit
geleid, om ons te brengen in het land dat Hij aan onze vaderen onder
ede beloofd had, en ons dit te geven. De Here gebood ons al deze
inzettingen te onderhouden en de Here, onze God, te vrezen, opdat het
ons altijd wel zou gaan en Hij ons in het leven zou behouden, zoals dit
heden het geval is. En het zal ons tot gerechtigheid zijn, wanneer wij
heel dit gebod naarstig onderhouden voor het aangezicht van de Here,
onze God, zoals Hij ons geboden heeft. (Deuteronomium 6:20-25)
Ouders:
tuchtig en onderwijs je kinderen
Wie
zijn roede spaart, haat zijn zoon; maar wie hem liefheeft, tuchtigt hem
reeds vroeg. (Spreuken 13:22)
Is
dwaasheid vastgehecht in het hart van een knaap, de tuchtroede zal haar
vandaar verdrijven. (Spreuken 22:15)
Onthoud
de tucht niet aan de knaap; slaat gij hem met de stok, hij sterft er
niet van; gij slaat hem wel met de stok, maar redt zijn leven van het
dodenrijk. (Spreuken 23:13-14)
Roede
en bestraffing geven wijsheid, maar een aan zichzelf overgelaten knaap
maakt zijn moeder te schande. (Spreuken 29:15)
Hoor,
mijn zoon, de tucht van uw vader en verwerp de onderwijzing van uw
moeder niet; (Spreuken 1:8)
Roede
en bestraffing geven wijsheid, maar een aan zichzelf overgelaten knaap
maakt zijn moeder te schande. (Spreuken 29:15)
Tuchtig
uw zoon, en hij zal u rust bereiden en u vreugde verschaffen. (Spreuken
29:17)
En
gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht
en de terechtwijzing des Heren. (Efeziërs 4:6)
Als
tuchtiging hebt gij dit te dragen: God behandelt u als zonen. Want is
er wel een zoon, die door zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij
echter vrij van de tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt
gij bastaards, en geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders
naar het vlees hebben wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen
wij ons dan niet nog veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en
leven? Want zij hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten
getuchtigd, maar Hij doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen
aan zijn heiligheid. Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen
vreugde, maar smart te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor
geoefend zijn, een vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid.
(Hebreëen 12:7-11)
...en
oefen ze in de juiste weg.
Oefen
de knaap volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is,
zal hij daarvan niet afwijken. (Spreuken 22:6)
De
vreze des Heren voedt op tot wijsheid. (Spreuken 15:33)
God
verborg zijn plannen niet voor Abraham, omdat Abraham zijn kinderen
gebood Gods weg te bewaren en het goede te doen. Laten wij dit ook doen!
En
de Here dacht: Zou Ik voor Abraham verbergen wat Ik ga doen? Abraham
immers zal voorzeker tot een groot en machtig volk worden en met hem
zullen alle volken der aarde gezegend worden; want Ik heb hem gekend,
opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des
Heren zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de Here
aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft. (Genesis
18:17-19)
Moeders:
heb je kinderen lief.
Zodat
zij de jonge vrouwen opwekken man en kinderen lief te hebben, (Titus
2:4)
Vaders:
verbitter en prikkel je kinderen niet, maar voedt hen op, onderwijs hen.
En
gij, vaders, verbittert uw kinderen niet, maar voedt hen op in de tucht
en de terechtwijzing des Heren. (Efeziërs 4:6)
Vaders
prikkelt uw kinderen niet, opdat zij niet moedeloos worden.
(Kolossensen 3:21)
Hoort,
zonen, de tucht van een vader, en weest opmerkzaam, om inzicht te
verkrijgen, want ik geef u goede leer; verlaat mijn onderwijzing niet.
Want toen ik nog als zoon bij mijn vader was, teder en een enig kind
voor het aangezicht van mijn moeder, onderwees hij mij en zeide tot
mij: Laat uw hart mijn woorden vasthouden onderhoud mijn geboden, opdat
gij moogt leven. (Spreuken 4:1-4)
De
vader maakt zijn zonen uw trouw bekend. (Jesaja 38:19)
Waarschuwing:
Kastijdt
uw zoon, wanneer er nog hoop is, maar laat u niet verleiden hem te
doden. (Spreuken 19:18)
Beloften
aan ouders die de Here dienen:"
Geen
miskramen of onvruchtbaarheid.
Maar
gij zult de Here, uw God, dienen; dan zal Hij uw brood en uw water
zegenen en Ik zal ziekte uit uw midden verwijderen. Geen vrouw in uw
land zal een misgeboorte hebben of onvruchtbaar zijn. Het getal uwer
dagen zal Ik vol maken. (Exodus 23:25-26)
Die
de onvruchtbare huisvrouw doet wonen als een blijde moeder van
kinderen. Halleluja. (Psalmen 113:9)
Uw
vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok binnen in uw huis; uw zonen
als olijfscheuten rondom uw dis. (Psalmen 128:3)
Je
kinderen zullen de Here dienen.
Het
nakroost zal Hem dienen, er zal van de Here verteld worden aan het
komende geslacht; Zij zullen zijn gerechtigheid verkondigen aan het
volk dat geboren zal worden, omdat Hij het gedaan heeft. (Psalm
22:30-31)
En
de Here, uw God, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden,
zodat gij de Here, uw God, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw
ziel, opdat gij leeft. (Deuteronomium 30:6)
Al
uw zonen zullen leerlingen des Heren zijn, en het heil uwer zonen zal
groot zijn; (Jesaja 54:13)
Je
nakroost zal machtig zijn op aarde, je geslacht zal gezegend worden.
Halleluja.
Welzalig de man, die de Here vreest, die van harte lust heeft in zijn
geboden. Zijn nakroost zal machtig zijn op aarde, het geslacht der
oprechten zal gezegend worden; (Psalm 112:1-2)
God
zegent je kinderen en kleinkinderen.
Maar
de goedertierenheid des Heren is van eeuwigheid tot eeuwigheid over wie
Hem vrezen, en zijn gerechtigheid over kindskinderen, over hen die zijn
verbond onderhouden, en aan zijn bevelen denken om die te doen. (Psalm
103:17-18)
Jeruzalem,
roem de Here, Sion, loof uw God. Want Hij maakt de grendels van uw
poorten sterk, Hij zegent uw kinderen in uw midden; (Psalm 147:12-13)
Een
rechtvaardige, wandelend in zijn oprechtheid, welzalig zijn zijn
kinderen na hem. (Spreuken 20:7)
Dat
onze zonen zijn als planten, hoog opgegroeid in haar jeugd, onze
dochters als hoekzuilen, gebeeldhouwd als voor een paleis; (Psalm
144:12)
De
goede doet zijn kindskinderen erven. (Spreuken 13:22)
Jong
ben ik geweest, ook ben ik oud geworden, maar een rechtvaardige heb ik
niet verlaten gezien, noch zijn nageslacht zoekende brood; te allen
tijde ontfermt hij zich en leent uit, en zijn nageslacht is tot een
zegen. (Psalm 37:25-26)
De
kroon der ouden zijn kindskinderen en de eer der kinderen zijn hun
ouders. (Spreuken 17:6)
Der
jongelingen sieraad is hun kracht, en der ouden glorie is de grijsheid.
(Spreuken 20:29)
In
de vreze des Heren ligt sterke gerustheid, zelfs voor zijn zonen is er
een schuilplaats. (Spreuken 14:26)
God
zal zijn Geest uitgieten op je nakroost.
Want
Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn
Geest uitgieten op uw nakroost en mijn zegen op uw nakomelingen.
(Jesaja 44:3)
"Een
aantal vergelijkingen/gelijkenissen met kinderen, voor de gemeente Gods:
Immers
heb ik mijn ziel tot rust en stilte gebracht als een gespeend kind bij
zijn moeder; als een gespeend kind is mijn ziel in mij. (Psalmen
131:2)
En
verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk,
opdat gij daardoor moogt opwassen tot zaligheid, (1 Petrus
2:2)
Want
ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking:
hij is nog een zuigeling. (Hebreeën 5:13)
Voorwaar,
Ik zeg u: Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt als een kind, zal het
voorzeker niet binnengaan. (Lukas 18:17)
Kan
ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontfermen zou
over het kind van haar schoot? Al zouden zij die vergeten, toch vergeet
Ik u niet. (Jesaja 49:15)
Zoals
iemands moeder hem troost, zo zal Ik u troosten, ja, in Jeruzalem zult
gij getroost worden. (Jesaja 66:13)
Zo
spreekt de Here Here tot Jeruzalem: gij zijt naar afkomst en geboorte
uit het land der Kanaanieten; uw vader was een Amoriet en uw moeder een
Hethitische. Wat uw geboorte aangaat: toen gij geboren waart, werd uw
navelstreng niet afgesneden en werdt gij niet tot uw reiniging met
water gewassen; ook werdt gij niet met zout ingewreven noch in windsels
gewikkeld. Geen oog zag met ontferming op u neer om uit mededogen een
dezer dingen aan u te doen, maar gij werdt weggeworpen op het veld,
omdat men geen waarde hechtte aan uw leven, toen gij geboren waart.
Toen kwam Ik voorbij u, en Ik zag u trappelen in het bloed van uw
geboorte en Ik zeide tot u, in uw bloed: leef; ja, Ik zeide tot u, in
uw bloed: leef. Ik deed u opgroeien als het veldgewas, gij groeidet op
en werdt groot en kwaamt tot volle schoonheid. (Ezechiël
16:3-7)
Maar
hoe mijn profeten hen ook riepen, de Israëlieten liepen van
mij weg; zij brachten offers aan de Baäls en ontstaken offers
voor de afgodsbeelden. Terwijl ik het toch was die Israël
leerde lopen en het op mijn armen nam. Maar zij wilden niet erkennen
dat ik hen verzorgde. Ik leidde hen met zachte hand en voerde hen
liefdevol mee. Als ouders die hun kind opbeuren om het tegen de wang te
drukken, zo was ik voor hen. Ik boog mij naar ze toe en ik gaf hun te
eten. (Hosea 11:2-4, Groot Nieuws Bijbel)
Is
er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt,
hem voor een vis een slang zal geven? Of als hij om een ei vraagt, hem
een schorpioen zal geven? Indien dan gij, hoewel gij slecht zijt, goede
gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader in de
hemelen het goede geven aan hen, die Hem daarom bidden.
(Mattheüs 7:11)
Ik
zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn. Wanneer
hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem tuchtigen met een roede der
mensen en met slagen der mensenkinderen. (2 Samuel 7:14)
Hij
is de vader der wezen en de rechter der weduwen, God in zijn heilige
woning; (Psalmen 68:5)
Gelijk
zich een vader ontfermt over zijn kinderen, ontfermt Zich de Here over
wie Hem vrezen. (Psalmen 103:13)
Want
de Here bestraft wie Hij liefheeft, ja, gelijk een vader een zoon, aan
wie hij welgevallen heeft. (Spreuken 3:12)
En
Ik zal u tot Vader zijn en gij zult Mij tot zonen en dochteren zijn,
zegt de Here, de Almachtige. (2 Corinthiërs 6:18)
Want
gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen,
maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij
roepen: Abba, Vader. (Romeinen 8:15)
En,
dat gij zonen zijt, God heeft de Geest zijns Zoons uitgezonden in onze
harten, die roept: Abba, Vader. (Galaten 4:6)
En gij hebt de vermaning
vergeten, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht de
tuchtiging des Heren niet gering, en verslap niet, als gij door Hem
bestraft wordt, want wie Hij liefheeft, tuchtigt de Here, en Hij
kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt. Als tuchtiging hebt gij dit te
dragen: God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door
zijn vader niet getuchtigd wordt? Blijft gij echter vrij van de
tuchtiging, welke allen ondergaan hebben, dan zijt gij bastaards, en
geen zonen. Voorts, de tuchtiging van onze vaders naar het vlees hebben
wij ondergaan en wij zagen tegen hen op; zullen wij ons dan niet nog
veel meer onderwerpen aan de Vader der geesten, en leven? Want zij
hebben ons voor luttele dagen naar hun beste weten getuchtigd, maar Hij
doet het tot ons nut, opdat wij deel verkrijgen aan zijn heiligheid.
Want alle tucht schijnt op het ogenblik zelf geen vreugde, maar smart
te brengen, doch later brengt zij hun, die erdoor geoefend zijn, een
vreedzame vrucht, die bestaat in gerechtigheid. (Hebreëen
12:5-11)
Lees ook eens: Dwaling - Leugen - Verstoktheid
naar top van deze pagina 