Mijmeren onder de terebint - 30
Waar
moet ik van gered worden?
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God.
Hier vind je alle
pagina’s van de ontspannende Terebint studie-serie : 1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23
24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34
35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51
52
53
(naar
begin van deze serie)
Mijmeren
- ontsnappen aan de waan van de dag
Oplaadstation
voor onze geestelijke accu. (Luister
hier)
Even mijmeren
onder de Terebint, ontsnappen aan de waan van de dag. Oplaadstation
voor onze geestelijke accu. Deze week onder het motto:
Waar
moet ik van gered worden?
2 Petrus 2 vers 19
Om het maar even helder te zeggen: van je zonden, van de hel, van de
macht van de satan. Dat liegt er niet om. Je kunt het er wel niet mee
eens zijn, maar dat maakt het feit niet anders.
Je bent in de
macht van satan
Jij bent in de macht van de satan. Je doet wat hij je zegt. Misschien
luister je naar stemmen in je hoofd. Stemmen die je bepaalde opdrachten
geven. Misschien vind jij dat je helemaal niet naar iemand luistert en
dat jij zelf wel bepaalt wat je wel en wat je niet doet. Zolang jij
niet naar God luistert, luister je automatisch naar de satan. Dat doe
je niet altijd bewust. De Bijbel zegt dat je óf een slaaf
bent van de zonde óf een slaaf van de gerechtigheid.
Romeinen 6 vers 16 - 'Weet u niet dat, voor wie u zich als slaven stelt
om te gehoorzamen, u slaven bent van hem die u gehoorzaamt,
óf van de zonde tot de dood, óf van de
gehoorzaamheid tot gerechtigheid?' Door wie je overmeersterd bent,
diens slaaf ben je geworden. 2 Petrus 2 vers 19 - 'want door wie men
overmeesterd is, diens slaaf is men geworden.'
Na de dood is
het niet over en uit
Door wat er bij de zondeval is gebeurd, is de mens overmeesterd
geworden door de satan en zo in zijn macht gekomen. Door de zonde is de
mens aan de dood onderworpen geworden. Het loon van de zonde is de
dood. Romeinen 6 vers 23 - 'Want het loon van de zonde is de dood.' De
begrafenissen die altijd maar doorgaan zijn er het onomstotelijk bewijs
van. Met de dood is echter nog niet alles afgelopen. In
Hebreeën 9 vers 27 staat: 'Het is de mensen beschikt
éénmaal te sterven en daarna het oordeel.' Dat is
de hel, de plaats van de eeuwige pijn. Wie daarvan niet gered wil
worden, denkt niet goed na.
Redding is
alleen mogelijk door Jezus Christus
De enige die jou kan redden is Jezus Christus. Hij wilde de straf over
de zonden op Zich nemen om jou de mogelijkheid te geven aan de macht
van de zonde te ontkomen. Hij heeft de satan verslagen om jou de
mogelijkheid te geven uit zijn macht te ontkomen en daarmee het eeuwig
verblijf in de hel te ontgaan. Wat jij moet doen is erkennen dat jij
jezelf niet kunt redden uit de ellende waarin je je nu bevindt en dat
je je aan Jezus Christus toevertrouwt. We willen je daarbij graag
helpen.
Geloof en
vertrouwen nodig om gered te worden
“Het evangelie is een goddelijke kracht tot redding van ieder
die erin gelooft.” (Romeinen 1,16) Het heil, de redding, is
de bevrijding van alles wat het leven verminkt, beperkt en vernietigt.
De kracht die God gebruikt om te redden, is “het evangelie
van zijn Zoon” (Romeinen 1,9). Dit evangelie, het goede
nieuws, laat zien dat God alles schenkt: zijn vergeving, zijn leven,
zijn vreugde. Daarom is het heil niet voorbehouden aan hen die aan
bepaalde voorwaarden voldoen. Het is voor de goeden en de slechten,
voor wijzen en dwazen. God redt “ieder die gelooft”.
Zou het geloof dan de voorwaarde zijn om deze gave van God te
ontvangen? Als dat waar zou zijn, zouden mijn leven, mijn geluk en mijn
heil uiteindelijk van mezelf afhangen. Mijn aanvaarding of mijn
weigering zou dan allesbepalend zijn. Deze gedachte stemt niet overeen
met wat de bijbel onder geloof verstaat. Het geloof is niet een middel
dat je gebruikt om iets te verkrijgen. Het is veel eenvoudiger: een
eenvoudig vertrouwen dat steeds weer verbazing wekt: zonder dat ik ook
maar één voorwaarde vervuld heb, herstelt God
zijn vriendschap met mij.
Het geloof is bijna niets. Je kunt het bijna niet zien. Jezus zegt dat
het zo klein is als een mosterdzaadje (Lucas 17,6). Tegelijkertijd is
het “kostbaarder dan goud” (1 Petrus 1,7) en
“hoogheilig” (Judas 20). Samen met hoop en liefde,
blijft het altijd bestaan (1 Korintiërs 13,13). In de zevende
eeuw stelde Maximus de Belijder het geloof en het koninkrijk van God
aan elkaar gelijk: “Het geloof is het koninkrijk van God
zonder zichtbare vorm; het koninkrijk is geloof dat de goddelijke vorm
heeft aangenomen.” Hij voegt eraan toe dat het geloof
“de onmiddellijke en volkomen eenheid van de gelovige met God
waarin hij gelooft”, verwerkelijkt. Het geloof is geen
toegangskaart voor het koninkrijk van God. God is zelf aanwezig in het
geloof. Wie gelooft en het evangelie vertrouwt, is al verbonden met God.
Vóór Christus’ komst was het geloof
niet de gebruikelijke houding die men aannam om zich met God te
verbinden. Er waren uitzonderlijke gelovigen, zoals Abraham en Mozes:
op het beslissende moment van de doortocht door de Rode Zee
“stelde het volk vertrouwen in de Heer en in Mozes, zijn
dienaar” (Exodus 14,31). In het dagelijkse leven woog trouw
echter zwaarder dan geloof. De gemeenschap van het eerste verbond werd
niet gevormd door de ‘gelovigen’, maar door de
‘nederigen’, ‘de
rechtvaardigen’, ‘de heiligen’ (Psalm
34). Pas met het evangelie van Christus wordt het geloof, dat eerst
iets uitzonderlijks was, normaal. Jezus’ leerlingen kunnen
zich dan ook eenvoudigweg ‘de gelovigen’ noemen
(Handelingen 2,44).
Het evangelie laat zien dat God mateloos en zonder reserve genade
schenkt. Het heil wordt gratis aangeboden, er zijn geen voorwaarden die
vervuld moeten worden. Het is voldoende als je gelooft. Niemand is
uitgesloten van Gods liefde, zoals Paulus schrijft: “Wij
hebben onze hoop gesteld op de levende God, die een redder is voor alle
mensen, in het bijzonder voor de gelovigen.” (1
Timoteüs 4,10)
Wat moet ik
doen als ik niet kan geloven?
Het Nieuwe Testament spreekt bijna net zoveel over twijfel als over
geloof. Het verbaasde de apostelen niet dat het moeilijk is om te
geloven. De profeten hadden het hun al voorzegd. Paulus en Johannes
citeren Jesaja: “Heer, wie heeft geloof geschonken aan onze
boodschap?” (Johannes 12,32 en Romeinen 10,16) Johannes voegt
eraan toe: “De reden waarom ze niet konden geloven, vinden we
eveneens bij Jesaja, waar hij zegt: Hun ogen heeft Hij verblind, hun
hart heeft Hij versteend, opdat ze met hun ogen niet zien en met hun
hart niet tot inzicht komen.” (Joh 12,39-40) De vier
evangelies verwijzen allemaal naar deze tekst uit Jesaja 6. Geloven
gaat niet vanzelf.
Het Johannesevangelie laat het geloof zien tegen de achtergrond van het
tegengestelde. Vanaf het begin wordt Christus genegeerd: “In
zijn eigen huis is Hij gekomen, en zijn eigen mensen hebben Hem niet
opgenomen.” (Joh 1,10-11) Het is waar dat Jezus op een
gegeven moment veel volgelingen had. Maar al heel snel houden de
meesten op in Hem te geloven: “Toen keerden velen van zijn
leerlingen Hem de rug toe en trokken niet langer met Hem
mee.” (Joh 6,66) Jezus probeert hen niet tegen te houden. Hij
merkt op: “Dat is de reden waarom Ik zei dat niemand naar Mij
toe kan komen tenzij hem dit door de Vader geschonken is.”
(Joh 6,65)
Christus probeerde niemand met argumenten over te halen om bij Hem te
blijven. Het geloof heeft namelijk een diepte die de intelligentie en
de emoties overstijgt. Het schiet wortel in onze diepten, waar
“afgrond tot afgrond roept” (Psalm 42,7), waar de
afgrond van ons menszijn Gods afgrond raakt. “Niemand kan
naar Mij toe komen tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem naar
Mij toe haalt.” (Joh 6,44) Het geloof komt voort uit een
onafscheidelijke samenwerking tussen Gods handelen en de menselijke
wil. Niemand gelooft tegen zijn wil en ook gelooft niemand zonder dat
God hem het geloof geeft.
Het geloof is een gave van God, maar niet alle mensen geloven. Zou dit
betekenen dat God sommigen erbuiten houdt? In de tekst waarin Johannes
Jesaja citeert over de onmogelijkheid om te geloven, geeft hij ook een
hoopvolle uitspraak van Jezus weer: “Ikzelf moet van de aarde
omhoog geheven worden en zo haal Ik allen naar Mij toe.” (Joh
12,31) Omhoog geheven aan het kruis en omhoog geheven in Gods
heerlijkheid, ‘haalt’ Jezus naar zich toe, zoals de
Vader dit doet. Hoe kan Hij ieder mens bereiken? Dat kun je onmogelijk
uitleggen. Maar waarom zouden we Hem niet vertrouwen in iets dat ons
begrip te boven gaat?
Het Johannesevangelie laat tot op de laatste bladzijde zien hoe
kwetsbaar het geloof is. Thomas’ twijfel is spreekwoordelijk
geworden. Het is echter doorslaggevend dat hij, zonder te geloven, in
de gemeenschap van de gelovigen blijft. En natuurlijk zetten deze
gelovigen hem er niet uit! Thomas wacht, de Opgestane toont zich aan
hem, en hij gelooft. Dan zegt Jezus: “Gelukkig zij die zonder
gezien te hebben, toch tot geloof komen.” (Joh 20,29) Het
geloof is geen prestatie. Het komt onverwacht, niemand weet hoe. Het is
een vertrouwen dat verbazing wekt.



















