Het heilsplan van God - 4

Lees de BijbelDe vindplaats van materiaal voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs, zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te vergroten. Blijf niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in geestelijke rijkdom.

De Koning waar alles om draait

Gods heilsplan omspant de eeuwen, het reikt in feite van eeuwigheid tot eeuwigheid. Het wordt in een notendop in een paar verzen samengevat in Romeinen 8:28-30.
Maar dit heilsplan geldt niet aleen mensen zonder meer, het heeft betrekking op degenen 'die God liefhebben'. Wie zijn dat? Dat zijn degenen die God toebehoren, Zijn eigen kinderen, die geboren zijn uit water en Geest. Voor het geldt de gewelidge belofte, de Goddelijke zekerheid, dat 'hun die God liefhebben, alle dingen meewerken te goede; hun die naar Zijn voornemen geroepen zijn' (Rom. 8:28).
Onze zekerheid als christenen berust op de onwrikbaarheid van het eeuwige heilsplan, zoals dat in de volgende verzen van Romeinen 8 wordt uiteengezet (Rom. 8:29-30).

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12

Heeft God een plan met mijn leven?

Talloze schriftplaatsen spreken op verschillende manieren over het Plan van God.
Woorden die in dit verband ook gebruikt worden zijn: de Raad van God, Zijn voornemen, e.d. Paulus zegt in Efeze 1:11, dat God in alles werkt "naar de Raad van Zijn wil". M.a.w.: God wil iets, Hij heeft Zich iets voorgenomen, Hij heeft een Plan bedacht en zal dat tot uitvoering brengen in de loop van de tijd.

De Koning waar alles om draait

In het licht van Gods Plan moet ons niet ontgaan, dat de Messias veelvuldig is aangekondigd als de komende Koning. De verwachting van het Messiaanse rijk leefde sterk onder Israël. Dat merken wij bijvoorbeeld ook in de lofzang van Zacharias (Luc.1: 69) en in de woorden van Simeon (Luc.2: 29-32). Later, na Zijn dood en opstanding, konden ook de twee Emmaüsgangers hun teleurstelling niet verbergen (Luc.24: 21). Men begreep echter niet, dat het lijden (en sterven) van de Messias vooraf zou gaan aan de openbaring van Zijn heerlijkheid. Bovendien moest Israël de Messias ook aannemen als de "gezegende des HEREN". Dat laatste nu is bij Zijn eerste komst niet gebeurd.

Johannes, de zoon van Zacharias en Elisabeth, was de wegbereider van de Koning. Hij predikte: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt.3). Zijn bijnaam "de Doper" ontleende hij aan de handeling die bij het Evangelie van het Koninkrijk verplicht is: de doop. Ieder, die zich bekeerde was gehouden zich onmiddellijk te laten dopen als openlijk getuigenis. Deze inzetting hoort bij dat Evangelie.

De Here Jezus Zelf ondergaat de doop eveneens, in de Jordaan. Johannes wil Hem daarvan weerhouden... maar de Here antwoordt: "Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen" (Matt.3: 1-4). Natuurlijk was deze doop geen antwoord op de bekering van de Heiland! Hij wilde het alleen maar doen, omdat het hoort bij de openbaring van het Koninkrijk, waarvan Hij immers Zelf de Koning is.

Met deze doop begint Zijn openbaar optreden in Israël. Later stuurt Hij Zijn discipelen uit met dezelfde boodschap van het komende Koninkrijk en alle tekenen en wonderen die daarbij horen (zie Matt.10: 7,8). Gaandeweg blijkt, dat het volk de Koning niet (h)erkent, hetgeen resulteert in Zijn verwerping. Zijn intocht in Jeruzalem wordt Zijn aftocht naar Golgotha (zie Lucas 19).

Opstanding

Na Zijn opstanding verblijft Hij nog 40 dagen bij Zijn discipelen en spreekt met hen over "al wat het Koninkrijk Gods betreft" (Hand.1: 3). De logische vraag van de discipelen is dan ook: "Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?" (N.B. het woord koningschap en koninkrijk is in de grondtekst hetzelfde woord: basilea).

De Here Jezus geeft daarop geen direkt antwoord, maar voorzegt hen de komst van de Heilige Geest, die 10 dagen na Zijn hemelvaart is gekomen (Hand.2). Het boek Handelingen beschrijft de tijd waarin de apostelen (m.n. aan Israël) prediken, dat Jezus is opgestaan en roepen Israël (opnieuw) op tot bekering en geloof (vgl. de toespraak van Petrus in Hand.3: 17 ev.).

Maar... Israël komt (als volk) niet tot bekering en de Koning komt niet terug in die dagen. Hij blijft in de hemel en de komst, of liever: openbaring van het Koninkrijk wordt uitgesteld tot een later tijdstip. Die tijd van uitstel duurt nu dus al bijna 2000 jaar, want tot op vandaag is Israël nog niet tot bekering gekomen en het Koningschap dus nog niet hersteld.

De vaste beloften van Gods Woord verzekeren ons echter, dat dat in de (nabije) toekomst wel zal gebeuren. Israël zal tot bekering komen en de Messias aanvaarden. Dan zal Hij komen (op de Olijfberg, zie Zach.14 en Hand.1: 11) en Zijn Koninkrijk op aarde vestigen. En in de "tussen-tijd"? Uiteraard heeft God dit alles voorzien en lag Zijn Plan voor deze interimperiode reeds klaar. Dat Plan omvat de bedoelingen van God in deze tijd, tussen de eerste komst van Christus en Zijn wederkomst, met de Gemeente, het Lichaam van Christus. Om die plannen bekend te maken op de juiste tijd heeft hij iemand van de schoot zijner moeder aan afgezonderd, namelijk: Paulus.

Handelingen: overgangstijd

Het eerste wat moest gebeuren na de hemelvaart van de Here Jezus (Hand.1) was de verkiezing van een apostel, in de plaats van Judas (Hand.1:16 ev.). De groep, die genoemd wordt "De Twaalven", moest weer compleet worden. De voorwaarden waaraan deze persoon moest voldoen zijn belangrijk en duidelijk omschreven in de woorden van Petrus: "Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van Zijn opstanding" (Hand-.1:21,22). Dit is uitermate belangrijk! Hierin komt namelijk al het verschil naar voren met de roeping en aanstelling van Paulus als apostel, enkele jaren later.

Deze twaalfde apostel moest getuige zijn van alles wat de Here Jezus op de aarde had gedaan, hij moest hetzelfde onderwijs van de Koning hebben genoten als de overigen, en heeft dus ook gehoord van de "grote opdracht" van het Evangelie van het Koninkrijk (zie Matt.28, Marc.16). Kortom: hij wist net zoveel als de overige elf. Door het lot wees de Here deze persoon aan: Matthias.
Hij werd bij de apostelen gevoegd en getuigde met hen van de opstanding van Christus, i.o.m. Gods bedoelingen in die tijd.

Kies nu studie 5 over dit onderwerp.

DE WEG - DE WAARHEID - HET LEVEN

naar top van deze pagina

mail holyhome