ADVENT
Door het jaar heen staan
er
bijzondere dagen op onze kalender. sinds jaar en dag gaat dat zo. daar
ook zo onze aandacht aan besteden. Om je enig houvast te geven op deze
site een overzicht van de christelijke feesten. Niet dat ze allemaal
even indringend worden gevierd, maar meer dan de moeite waard om er
niet alleen mee op de hoogte te zijn maar je ook eens nader in te
verdiepen. Hieronder én hiernaast een schat aan informatie.
Veel genoegen ermee.
De kerk: plek voor veel vieringen
Vier weken voor Kerst
(Kerstfeest is op December 25 en 26)
Advent is een Christelijke periode van inkeer en toeleven
naar het feest van Kerst, de langverwachte komst van de door God
gezondene (Messias), de gezalfde (Christus) die de relatie tussen God
en mensen weer goed zou maken.

Het woord 'advent' is afgeleid van het Latijn: adventus (=komst, er aan komen) en advenire (= naartoe komen). Letterlijk betekent Advent: God komt naar ons toe.
Advent heeft in de liturgie
een dubbel karakter:
Het is de voorbereidingstijd op het Kerstfeest, de geboorte van Jezus
Christus in onze mensengeschiedenis ruim 2000 jaar geleden.
Eveneens is de Advent de periode van verwachting van Jezus' wederkomst
op het einde der tijden, wanneer God alles in allen zal zijn.
Advent begint op zondag vier weken voor Kerstmis, dus de zondag tussen
26 november en 4 december; dit jaar begint de Advent derhalve 27
november 2005.
De zondagen van deze tijd heten 1e, 2e, 3e, 4e zondag van de Advent.
Zo leven wij in de Advent naar het kerstfeest toe, opdat Jezus,
Emmanuel God-met-ons, ook in ons eigen leven geboren mag worden. In
deze periode worden wij uitgenodigd een grondhouding van verwachting en
openheid aan te nemen. Wij maken ons hart klaar om Hem te ontvangen en
opnieuw binnen te laten. De liturgie van de 4 adventszondagen wil die
grondhouding ondersteunen en stapsgewijze gestalte geven.
In de kerk komt een adventskrans te hangen
Daar staan vier kaarsen op.
Iedere zondag van de Advent wordt er een kaars ontstoken. We zien uit
naar de komst van Jezus, 'het Licht der wereld'. Hoe meer kaarsen van
de adventskrans branden, hoe meer licht er is, dat wil zeggen hoe
dichter Jezus, het Licht, nabij is. De adventskrans is gemaakt van
dennengroen; groen uit de natuur dat de winter trotseert. Het paarse
lint dat doorheen het groen is geslingerd, spoort ons aan tot bezinning
en inkeer. De priester draagt in deze adventstijd een paars kazuifel.
Paars is de kleur van bezinning, boete en bekering. In de advent wordt
het 'Eer aan God' (Gloria) niet gebeden of gezongen. Dit vreugdelied
zongen de engelen in Betlehem bij de geboorte van Jezus. We zingen het
in de Advent niet, omdat de Advent een tijd van inkeer is: zo klinkt
het met Kerstmis weer als een nieuw lied. Dat nieuwe lied mogen we met
Kerstmis met de engelen meezingen, vol blijdschap om de geboorte van
Jezus.
De eerste lezingen in de Advent zijn voor het merendeel genomen uit de
profeet Jesaja, die Israël op weg zette om de Verlosser te
ontvangen
Jesaja schetst verschillende beelden over Diegene die gaat
komen. In de Evangelies komen we vaak de laatste grote profeet van het
Oude Testament tegen, Johannes de Doper, de voorloper van Jezus. De
Advent is liturgisch gezien een 'Mariamaand'. Met Maria zien wij vol
verwachting uit naar Jezus die naar ons toekomt.
Advent, in het kerkelijk-liturgisch jaar de periode van vier weken
vóór Kerstmis. De zondag van de eerste adventweek
is het begin van het kerkelijk jaar. De oorsprong van deze viering ligt
in het oosten; zij is daar voorbereiding op het feest van de
verschijning des Heren. Vanuit het oosten heeft de viering zich
verspreid over Gallië en Spanje. In Rome is de advent pas in
de 6de eeuw ingevoerd. De oosterse en westerse tradities verschillen
onderling wat betreft de lengte van deze periode (vier tot acht weken).
Het hoofdmotief van de advent is de verwachting van de komst des Heren
in de viering van Kerstmis, waarin het mysterie van de menswording
wordt geactualiseerd (‘Vandaag is Christus
geboren’; ‘nieuwe geboorte’; deze komst
is de verschijning van de Godmens; epiphanie, adventus). Tegelijkertijd
is de advent echter verwachting van de wederkomst van de Heer op het
einde der tijden om het Rijk Gods definitief te ontplooien.
In de rooms-katholieke Kerk wordt de advent beleefd als een tijd van
boete en inkeer (is dan een parallel van de vasten); toch is de
eigenlijke sfeer er een van blijde verwachting en hoopvol gebed, waarin
men zich één weet met de oud-testamentische
gevoelens van Verlangen naar de Messias.
In de lutherse Kerk wordt gedurende de advent in de liturgie na de
genadeverkondiging in plaats van het Gloria (engelenzang) de Lofzang
van Zacharias en na de epistellezing niet het Halleluja, maar het
Hosanna gezongen. Ook in het gereformeerd protestantisme en in de
‘Vrije Kerken’ kent men vier adventszondagen.
Licht in de duisternis
Tijdens
de Advent wordt licht in de duisternis verwacht. Terwijl het in de
buitenwereld steeds donkerder wordt, leven gelovigen toe naar de komst
van Jezus Christus, het ‘ Licht der wereld’.
Dood en leven
Duisternis
staat in de christelijke traditie symbool voor de Dood, en licht voor
het leven en de Verrijzenis. In de weken voor kerstmis, als de natuur
haar meest doodse, duistere kant presenteert, zien de gelovigen
Christus, Licht van de Wereld, dichterbij komen. Het besef groeit dat
uiteindelijk niet de dood, maar het leven zal overwinnen.
Adventkransen
Het
naderen van het licht wordt in de Advent symbolisch zichtbaar gemaakt
met behulp van de adventskrans, die in alle kerken en in sommige
scholen en huiskamers wordt opgehangen.
Een Adventskrans is doorgaans gemaakt van dennengroen of andere
natuurlijke materialen en draagt vier kaarsen, voor elke zondag van de
Advent één. Op iedere adventszondag wordt
één kaars ontstoken, net zolang tot op de laatste
zondag vier brandende kaarsen het naderende kerstfeest aankondigen.
Zonnewende
De
adventskrans lijkt in zekere zin op een rad. Die gelijkenis is niet
toevallig, maar vindt zijn oorsprong in een oud gebruik van de
Germanen. Voor de heidense Germanen was de tijd dat de zon een aantal
dagen stilstond aan de Hemel - de zogeheten
‘winterzonnewende’ – reden voor het
heiligste feest van het jaar. Als de zon stilstond, zo dachten de
Germanen, ‘werkte’ zij niet. Het zou goed zijn als
de mensen uit eerbied voor de zon het werk ook zouden laten. Gedurende
de tijd dat de zon aan de hemel stilstond lieten de Germanen daarom
alle arbeid rusten. Geen wagen- of spinnewiel mocht draaien. Symbolisch
werd dit uitgedrukt door een met bosgroen versierd wagenrad aan het
plafond van de woning te hangen. Het is dit wagenrad dat door
missionarissen bij de kerstening van de Germanen als basis voor de
adventskrans werd genomen. De periode van rust rond de zonnewende
verklaarden de missionarissen verder tot een periode van inkeer en
boete, die paste bij een tijd waarin de komst van Christus wordt
verwacht.
Komst en wederkomst
Christenen
leven steeds in de verwachting dat Jezus Christus op aarde terug zal
keren. In de Adventstijd, als de komst van het kindje Jezus in
Bethlehem wordt verwacht, denken christenen nog eens speciaal aan het
moment waarop Christus zal terugkeren, de Wederkomst.
Tijd van boete
Bij zijn
terugkeer op aarde zal Christus komen oordelen, de levenden en de
doden. De gelovigen worden zich in de Advent, als zij zich de
wederkomst van Christus realiseren, opnieuw van hun Zonden bewust. Voor
die zonden moet Boete gedaan worden.
St-Maartensvasten
Vroeger
was het in de kerk heel gebruikelijk om in een tijd van boetedoening te
vasten. In de Advent werd meestal een aantal dagen per week gevast. Het
vasten begon op 11 november, het feest van Sint Maarten. Daarom werd
het vasten tijdens de Advent ook wel 'St.-Maartensvasten' genoemd.
Inkeer
Het
boetekarakter van de Advent is in de loop van de tijd enigszins naar de
achtergrond geraakt. De Advent is tegenwoordig vooral een periode van
inkeer en Gebed. De grote vragen van Dood, leven en Verrijzenis worden
tijdens de Advent overwogen in het Officie en in het individueel gebed
van de gelovigen.
Paars en rozerood
De kleur
van boete en inkeer in de katholieke Kerk is paars. De paarse kleur
domineert in de Advent de kerkinterieurs. Ook de adventskrans is vaak
versierd met een paars lint. Alleen op de derde,
‘blijde’ zondag in de advent wordt het paars door
rozerood vervangen, ten teken dat Kerstmis nabij is. Deze zondag wordt
naar de beginwoorden van de Mis ook wel Gaudete genoemd, wat
‘verheugt u’ betekent. De derde zondag van de
Advent is overigens gemodelleerd naar de zondag van halfvasten
halverwege de veertigdagentijd; meer informatie hierover wordt gegeven
in het artikel dat aan het Kerkelijk jaar is gewijd.
Jesaja
Omdat
gelovigen tijdens de Advent niet alleen aan de komst van het kindje
Jezus, maar ook aan Jezus als de Christus en Messias denken, kent de
adventsliturgie veel lezingen uit de profeten. De Profeten zijn
namelijk de ‘grote verwachters’ van het Oude
Testament. Vooral het boek van de profeet Jesaja is rijk aan Messiaanse
teksten.
Rorate coeli desuper
De
adventszang Rorate Coeli is op Jesaja gebaseerd. De tekst van de zang
luidt: 'Dauwt, hemelen, van boven; wolken, regent de Gerechte: aarde,
open u en, doe de Verlosser ontspruiten'. Het symbool van de dauw keert
ook in andere adventsliederen en –teksten terug.
Johannes de Doper
Is in
het Oude Testament de profeet Jesaja een ‘grote
verwachter’, in het Nieuwe testament is dat Johannes de
Doper. Kort voordat Jezus als volwassen man in de openbaarheid trad,
schiep Johannes met zijn dooppraktijk namelijk een atmosfeer van
vreugdevolle verwachting. Bij het Doopsel sprak hij: "Ik doop u met
water. Maar er komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om
de riem van zijn sandalen los te maken. Hij zal u dopen in heilige
geest en vuur" (Luc. 3:16). Het is in het licht van deze woorden niet
verwonderlijk, dat de evangelielezingen van de tweede tot en met de
vierde adventszondag alle verhalen van Johannes de Doper, de
adventsprediker bij uitstek.
Vertel het aan
de kinderen - Over de ouders van Johannes
In de bergen van Juda woonden 2 oude mensen, Zacharias en Elisabeth.
Het was altijd stil gebleven in hun huisje, want God had hun gebed om
een kindje te krijgen, nooit verhoord.
Daar hadden ze veel verdriet om gehad. Maar nu waren ze te oud om nog
kinderen te krijgen en ze baden er al lang niet meer om.
acharias was priester, hij vertelde de mensen van God. Hij mocht in de
tempel, het huis van God, de offers brengen die de mensen meebrachten.
De offers, die zij mee brachten waren dieren, die geslacht werden en
daarna als een brandoffer aan God werden gegeven. De rook steeg op naar
de hemel en daarmee wilden de mensen
zeggen, wij houden van U Here God, wij hebben spijt van alle verkeerde
dingen, die we hebben gedaan, wilt U onze zonden vergeven?
Dat gebeurde allemaal in de voorhof van de tempel.
Maar ook in de tempel, in het Heilige, moest een offer worden gebracht.
Eén keer in het jaar werd er een priester uitgekozen die het
Heiligdom van de tempel binnen mocht gaan en daar een heerlijk ruikend
reukoffer mocht brengen van het hele volk, voor God.
Dat was een hele bijzonder gebeurtenis, niemand mocht zo maar in het
Heiligdom komen, alleen één keer in het jaar die
ene priester, die daarvoor uitgekozen was
Alle mensen verzamelden zich dan buiten op het plein voor de tempel om
te wachten tot de priester weer naar buiten kwam, nadat hij het
reukoffer gebracht had voor de Here God. Hij zegende dan al
die mensen buiten op het plein, namens de Here God.
Dit jaar was het lot gevallen op Zacharias, hij mocht het jaarlijkse
reukoffer brengen in de tempel, namens heel het volk voor de Here God.
Zacharias was daar heel blij om, want dit was
een hele bijzondere gebeurtenis.
Hij was 's morgens al vroeg vertrokken op weg naar Jeruzalem, waar de
tempel stond en zijn vrouw Elisabeth had hem uitgezwaaid.
Hij droeg een mooi wit, priesterkleed. Alleen zo mocht hij het
Heiligdom binnengaan.
Heel eerbiedig verrichtte Zacharias de handelingen die nodig waren om
het reukoffer aan te
bieden aan God. Het rook heerlijk, want het waren hele bijzondere,
heerlijk ruikende kruiden en de geur steeg op naar de hemel.
Zacharias was helemaal alleen in het Heiligdom en voelde zich heel
dicht bij God. Hij bad voor al die mensen buiten op het plein.
Maar plotseling was hij niet alleen meer, hij zag een fel licht en
schrok vreselijk.
"Je hoeft niet bang te zijn, Zacharias", klonk een vriendelijke stem.
"De gebeden van jou en Elisabeth zijn verhoord. Jullie zullen een
kindje krijgen en zijn naam zal Johannes zijn.
Het zal een heel bijzonder kindje zijn, want het zal mogen vertellen
aan iedereen dat de Redder, de Messias, die God al zo lang geleden
heeft beloofd, geboren zal worden.
Hij zal de mensen leren om God lief te hebben en te leven zoals Hij het
wil. Dat zal de taak zijn van jullie zoon."
"Een kindje?"stamelde Zacharias, dat kon toch niet, wij zijn daar al
veel te oud voor, wij kunnen geen kinderen meer krijgen".
Zacharias kon het niet geloven en hij vroeg de engel: "Waaraan zal ik
kunnen weten, dat dit waar is, dat wij echt een kindje zullen krijgen?"
"Ik ben de engel Gabriël en ik woon bij God in de hemel. God
heeft mij gezonden om dit blijde nieuws te mogen vertellen. Vanaf nu
zul je niet meer kunnen praten, totdat alles gebeurd is, wat ik je heb
verteld".
Toen was de engel verdwenen.
Zacharias was heel stil geworden en wilde snel naar huis om het mooie
nieuws aan Elisabeth te vertellen.
Maar eerst moest hij naar buiten om de mensen op het plein voor de
tempel, de zegen van God te geven.
Hij liep naar buiten, waar de mensen al vol ongeduld op hem wachtten,
en hij spreidde zijn handen uit om de mensen te zegenen, maar hij kon
niet praten, er kwam geen woord over zijn
lippen.
De mensen zagen wel aan Zacharias dat er iets heel bijzonders was
gebeurd in de tempel, Hij zag er zo blij uit, hij straalde helemaal. Ze
begrepen er niets van, want hij kon het niet vertellen.
Toen ging Zacharias naar huis en schreef alles wat hij had meegemaakt
in de tempel op een lei, zodat Elisabeth kon lezen wat er allemaal
gebeurd was.
God had hun gebed verhoord en stil en gelukkig telden ze de maanden af
totdat Johannes geboren zou worden.
Nog geen jaar later klonk er babygehuil in het huisje van
Zacharias en Elisabeth.
Johannes was geboren, oh wat waren de trotse ouders blij met hun
pasgeboren zoon. Heel de buurt kwam naar hem kijken en op de 8e dag
waren ze allemaal bij elkaar, want dan zou de
vader hem een naam geven, dat was zo de gewoonte in die tijd.
Iedereen dacht dat het kindje wel Zacharias zou heten naar z'n vader,
maar Zacharias schreef op de lei: Johannes is zijn naam.
Johannes? De mensen begrepen er niets van en op dat moment leek het wel
of de mond van Zacharias werd geopend, hij kon weer spreken en hij
vertelde alles wat er gebeurd was in de
tempel en wat de engel allemaal had gezegd. Dat Johannes een heel
bijzonder kindje was en een heel mooi werk zou mogen verrichten als hij
groter werd. Hij zou de komst mogen
aankondigen van de Redder, de Messias, die God al zo lang geleden
beloofd had.
Hij jubelde en zong een mooi lied tot eer van God om Hem te danken voor
dit wonder.
De mensen waren allemaal heel stil geworden. Ze verlangden zo naar de
Redder die God al heel lang geleden had beloofd. Zou het nu toch echt
gaan gebeuren?
Ze voelden zich helemaal blij worden van binnen, want ze wisten dat ze
allemaal deze Redder nodig hadden om weer blij en gelukkig te worden.
Ook wij hebben deze Redder nodig en misschien weet je al dat dit Jezus
is, de Zoon van God.
Hij maakt mensen en kinderen weer blij en gelukkig als Hij in jouw
hartje mag komen wonen.
Als het kerstfeest is dan denken wij aan Zijn geboorte, want dan is het
feest voor jou en voor mij.
Moeder van Jezus
De
Advent is de tijd van mannen als Jesaja en Johannes de Doper, die de
verwachting van de Messias gepredikt hebben. De Advent is natuurlijk
ook de tijd van een vrouw: Maria, de moeder van Jezus.
Vertel het aan
de kinderen - Over Jozef en Maria én Jezus
Daar gaan twee mensen langs de weg, het zijn Jozef en Maria.
Zij komen uit het dorpje Nazareth en zijn op weg naar Bethlehem, dat is
de stad van koning David. Zij zijn nog familie van koning David en
daarom moeten zij in die stad hun naam op laten schrijven.
Dat wilde keizer Augustus, die de baas was over het land. Hij wilde
weten hoeveel mensen er in zijn land woonden en daarom moesten alle
mensen op reis naar de stad waar hun familie vandaan kwam, ook Jozef en
Maria.
Het was een lange reis en Maria was erg moe, ze hadden al zo ver
gelopen.
Maar Jozef en Maria waren ook heel gelukkig want ze wisten dat Maria
moeder zou worden.
De engel Gabriël, had haar verteld dat ze een kindje zou
krijgen. Niet zo maar een kindje, maar het zou de Zoon van God zijn, de
Redder en Verlosser die God al zo lang geleden had beloofd.
Dit kindje zou een Koningskind zijn en Maria mocht de moeder van dit
bijzondere kindje zijn en God zelf was de Vader.
Oh….ze waren zo blij en gelukkig, maar ook zo ontzettend moe
van de lange reis.
Het werd steeds drukker op de weg, want er waren zoveel mensen op reis.
"We zijn er bijna hoor Maria, nog even volhouden", zei Jozef. "Kijk,
daar in de verte zie je Bethlehem al liggen en als we daar zijn, gaan
we gauw een plekje voor je zoeken en kun je eindelijk uitrusten". "Ja,
dat is goed, Jozef, we zijn er bijna".
Eindelijk waren ze bij de herberg, dat is een huis waar je
kunt slapen als je op reis bent.
Jozef klopte aan de deur en de herbergier deed open.
"Heeft u een plaatsje voor ons om vannacht te slapen?", vroeg Jozef.
"Nee hoor, alles is vol, er is geen plaats meer voor jullie", zei de
herbergier en hij wilde deur al weer dicht doen.
"Maar Maria is zo vreselijk moe en ze verwacht een kindje en ze heeft
een plekje nodig om te rusten vannacht".
De herbergier keek eens naar Maria en hij zag wel hoe moe ze was en hij
kreeg medelijden met haar. "Weet je wat", zei hij, "ik heb nog wel een
plaatsje vrij in de stal bij de dieren, kom maar mee. Daar kunnen
jullie wel slapen vannacht, in de herberg is geen plaats voor jullie."
Hij bracht hen naar de stal en wenste hen goedenacht.
Jozef maakte een bed van hooi voor Maria en toen gingen ze slapen.
In die donkere stille nacht, in die oude stal is toen iets heel moois
gebeurd, het allermooiste dat ooit is gebeurd op aarde.
In die nacht is het kindje geboren dat de engel aan Maria had beloofd.
Het leek een gewoon kindje, maar het was een heel bijzonder kindje, het
was de Here Jezus, de Zoon van God.
Maria nam het kindje in haar armen en wikkelde het in doeken, want ze
had geen kleertjes voor het kindje. Er was ook geen wiegje, maar Jozef
nam een voederbak van de dieren en maakte daarin een bedje van hooi.
Toen legde Maria het kindje Jezus in de kribbe.
Jozef en Maria keken vol liefde naar het kindje Jezus, ze waren zo blij
en gelukkig.
Ze wisten wel dat dit kindje later de Redder en Verlosser zou worden
van alle mensen en kinderen op de hele wereld.
Maar nu mochten zij voor het kindje Jezus zorgen en dat maakte hen zo
blij.
Maria wiegde het kindje zacht in haar armen totdat het in slaap viel.
Daar lag nu de Zoon van God als een hulploos kindje, in de kribbe in
een oude stal.
En niemand wist nog van het grote wonder, dat Jezus was geboren, de
Zoon van God.
Het magnificat
Er bestaan in de kerk veel verhalen en gezangen waarin geschetst wordt
hoe Maria de komst van de Messias beleefde. Zij spelen in de Liturgie
van de Advent een grote rol. Bekend is het zogeheten 'Magnificat' ofwel
de ‘Lofzang van Maria’. De eerste regels daarvan
luiden: "Hoog verheft nu mijn ziel de Heer, verrukt is mijn geest om
God, mijn Verlosser, Zijn keus viel op zijn eenvoudige dienstmaagd, van
nu af prijst ieder geslacht mij zalig".
Zeven o-antifonen
In de
periode van 17 tot en met 23 december worden bij het magnificat de
zeven zogenoemde O-antifonen gezongen. De naam van de zeven gezangen
verwijst naar het woord 'O' waarmee ze alle beginnen. De o-antifonen
geven uitdrukking aan het verlangen naar Christus, de Messias. In het
Koorgebed worden ze in de avond bij het Magnificat gezongen, op
één en dezelfde Gregoriaanse melodie.
Adventskalenders
De sfeer
van verwachting die zo kenmerkend is voor Advent, wordt in kerkgebouwen
onder meer uitgedrukt met behulp van O-antifonen en de adventskrans.
Adventskransen zijn, zoals gezegd, niet alleen in kerkgebouwen, maar
ook in veel scholen en huiskamers te vinden. Dat geldt ook voor
adventskalenders. Vaak bevatten adventskalenders voor elke dag van de
Advent een overweging, die aanspoort om eens wat dieper na te denken
over de komst én de wederkomst van Christus. Voor kinderen
zijn er traditiegetrouw adventskalenders met kleine gedichtjes,
plaatjes en soms zelfs chocolaatjes.
Vertel het aan
ieder die het horen wil
Advent is iets wat we van jaar tot jaar tegenkomen en willen vieren.
Maar wat is Advent nu eigenlijk ? Gaat het om een paar gezellige weken,
voorafgaand aan het Kerstfeest ? Is het een tijd van voorbereiding om
ons klaar te maken om een fijn Kerstfeest te hebben, in de gemeente en
thuis
Heeft het te maken met de cyclus van het jaar waarin we bepaalde zaken
iedere keer weer tegen komen.
We zijn niet tegen Kerstfeest en ook niet tegen de voorbereiding in de
Adventsweken. Maar het valt ons op dat er bijna geen verschil meer is
tussen de mensen van de wereld en de christenen bij het vieren van
Advent en Kerstfeest.
Advent betekent ‘nadering’. En omdat het alleen
door de kerk wordt gebruikt heeft men er in de loop der eeuwen
“nadering des Heren “van gemaakt. En dat lijkt mij
een goede conclusie.Maar verder ? Dan moeten we zeggen dat het om veel
diepere en grotere zaken gaat dan veel mensen denken en helaas ook veel
christenen weten.
Advent begint al heel vroeg in de geschiedenis. Nog maar nauwelijks is
de mens in het kamp van de duivel terecht gekomen of God verklaart aan
de duivel de oorlog. We lezen dat in Genesis 3 : 15
‘Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw
zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel
vermorzelen ‘.
Dat woord is de eerste grote Adventboodschap. Daarmee is de mens zijn
weg door de geschiedenis begonnen. Merkwaardig is dat er in alle
culturen en bij alle volken iets van deze hoop wordt gevonden.
Het heeft bij velen geleefd: deze aarde blijft geen tranendal, maar er
is hoop, want we leven in de Advent.
Later komt de profeet Jesaja, hij is de Adventsprofeet bij
uitnemendheid. En op en niet mis te verstane wijze roept hij het uit in
hoofdstuk 40 : 3
‘Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de
wildernis een baan voor onze God . . .en de heerlijkheid des Heren zal
zich openbaren’.
Hier komen we heel dicht bij de ware betekenis van Advent. Is de
woestijn, is de wildernis, de neerslag van ons zondig leven ? Is het
daar waar iets moet gebeuren ter voorbereiding van de heerlijkheid, het
feest van onze Here ?
Honderden jaren later is het Johannes de Doper die deze roep
overneemt en hij voegt er aan toe:
‘Bekeert u want het Koninkrijk er hemelen is
nabijgekomen’.
Dit gaat om ons zelf. Als we dan Advent vieren zijn we bereid ons door
de Here te laten verlichten
Want in Gods licht wordt openbaar wat wij moeten effenen, wat wij klaar
moeten maken in ons leven. Dit gaat veel verder dan gezellige
voorbereiding op een feestje dat zo weer voorbij is. Dit gaat om een
diep geestelijk gebeuren, want het heeft te maken met de nadering des
Heren, of, om het in bekende woorden te zeggen, de wederkomst van de
Here Jezus. Want uitzien naar Hem is het ware Advent. En daarbij gaat
het niet om een gezellige tijd. Maar allereerst om geestelijke
voorbereiding. Zoals we lezen in 1 Johannes 3 : 3
‘En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich,
gelijk Hij rein is.’
Dat is de ware Advent! En zulk een Advent wens ik u allen van ganser
harte toe.
Dit woord heeft geleefd in alle eeuwen dat de gemeente
bestaat. Men wist dat het niet om dit leven, om deze tijd, gaat. Maar
om de toekomst, de vervulling van de Advent. In ons hart hoort een diep
verlangen te zijn naar de ontmoeting met onze Here, die zijn leven,
zijn bloed, heeft gegeven. Niemand op deze aarde kan zich indenken wat
dat is geweest. Maar als we Hem zullen ontmoeten dan zullen we het
zien. Want in de grote toekomst, als het ware Advent is vervuld, zullen
we Hem zien als het Lam van God en we zullen Hem eeuwig daarvoor loven
en prijzen. Maar ook nu al mogen we het zingen met heel ons hart:
Hoe zal ik u ontvangen, hoe wilt Gij zijn ontmoet,
o. ’s werelds hoogst verlangen, des sterv’lings
zaligst goed ?
Wil, Heer, mijn geest verlichten! Kom, Heiland, naderbij,
en wil mij onderrichten in ’t geen Gij vraagt van mij
Eerste Advent
= Begin van kerkelijk liturgisch jaar
Er valt van dat nieuwjaar bijna niets te merken, want veel bijzondere
vreugde en uitbundigheid is er niet. Integendeel, het lijkt eerder een
droeve bedoening, waar ook de paarse kleur van deze liturgische tijd
naar verwijst. En toch is de advent geen tijd van boete en versobering
zoals de veertigdagentijd voor Pasen dat is. Beide paarse periodes zijn
een voorbereiding op de belangrijkste hoogdagen van de kerk, maar naast
de gelijkenis is er verschil.
Advent is de 4 weken durende voorbereiding op het Kerstfeest. 'Advent'
betekent in het Latijn 'komst' en in het kerkelijk Latijn: uitzien naar
die komst, met verwachting en verlangen. We beginnen dus aan een
hoopvolle tijd. Christenen zien hoopvol uit naar de komst van Christus,
we zijn 'hoopvol wachtend op de komst van de Heer'. Bernardus van
Clairvaux heeft erop gewezen dat het hierbij niet alleen gaat om de
geboorte van het kerstekind, de komst van Jezus Christus in zwakheid,
maar evenzeer de komst van Christus in ons eigen leven nu, in
geestkracht en genade en ook de verwachte wederkomst van Christus in
heerlijkheid bij de voltooiing van de schepping. Het gaat om de
drievoudige komst van Christus in verleden, heden en toekomst.
Het hele kerstgebeuren zouden we kunnen vergelijken met een berg. Eerst
is er de langzame beklimming, dat is de voorbereidingstijd, de advent,
dan volgt een weg op de hoogte, we aanschouwen in volle glorie het
panorama, het is de tijd van Kerst tot de openbaring van de Heer,
Driekoningen, en dan volgt opnieuw de helling bergafwaarts, terug naar
het gewone leven, de tijd door het jaar.
We zijn steeds onderweg in ons leven, met ups en downs, zowel elke mens
als de gelovige in het bijzonder. Onderweg zijn betekent ergens naartoe
gaan, het is verwachten, uitzien naar iets, verlangen. Dat wordt
opgeroepen in de advent, maar verwachting staat ook centraal in elk
mensenleven. We zijn verlangende mensen, steeds weer zien we uit naar
iets anders. Wie niets meer heeft om naar uit te zien, leeft niet echt,
hij is als een dode. "Alleen verwachting geeft spanning aan het leven.
Wie niets verwacht in het leven is als een boog zonder koord.
Verwachting ligt in het leven zelf. De lente verwacht de bloesems, de
zomer de oogst, de herfst verwacht de kleuren en de winter verwacht het
nieuwe leven."
Wij verwachten steeds nieuwe dingen, onze verlangens lijken oneindig,
maar vaak krijgen we ook de indruk dat ze onbevredigbaar zijn, dat we
nergens rust vinden. We zoeken naar iets dat de moeite waard is, maar
vinden het niet, we gaan het steeds in nieuwe kicks zoeken en blijven
uiteindelijk leeg achter. De aardse goederen stillen de dorst van het
menselijk hart niet. Er is een diepe onrust in het hart van de mens.
Zouden het gevoel van onbevredigbaarheid, het gebrek aan voldoening, de
zinloosheid soms, misschien bedoeld zijn om ons op zoek te laten gaan
naar iets of iemand anders? Zou Augustinus gelijk hebben gehad toen hij
bad "Gij hebt ons voor Uzelf geschapen en ons hart is rusteloos tot het
rust gevonden heeft in U"?
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de lezingen van deze zondag
spreken over waken en wachten, verwachten en hopen. De profetische
teksten van Jesaja zitten vol toekomstperspectieven. We blijven hopen
op een toekomst zonder oorlog of geweld, wij blijven uitzien naar vrede
en gerechtigheid. Zal het ooit gebeuren dat zwaarden tot ploegijzers
worden omgesmeed en speren tot sikkels? Zal het ooit zover komen dat
niemand nog zal leven ten koste van de ander, maar dat wij allen 'als
kinderen van één Vader' zullen wandelen in het
licht van God? Zal het ooit eens kunnen dat mensen echt zorg dragen
voor elkaar en dat niemand aan zijn lot wordt overgelaten? Maar er zijn
ook andere teksten in de bijbel die niet spreken over de toekomst
veraf, maar over het hier en nu. Heden kan het gebeuren, wees dus
waakzaam. De droom van God met de mensen is al aan het gebeuren. Er
zijn al mensen in wie God tot leven komt. We moeten dat niet uitstellen
tot in een verre toekomst of zelfs een leven aan de overkant. Ook nu
reeds zien we God werkzaam in ons midden, daartoe moeten we echter
waakzaam zijn, wakker om dat te zien.
Waakzaamheid, waken is dus niet gelijk aan wachten en niets doen. Het
is verwachten, uitzien naar de toekomst op een actieve manier.
Crisissituaties zijn onvermijdelijke en vruchtbare gebeurtenissen in de
geschiedenis van mens en mensheid. Het gevaar bestaat er echter in dat
mensen zich in die crisis gaan opsluiten in de overtuiging dat er 'toch
niets meer aan te doen' is. Bijbelse hoop en verwachting hebben niets
te maken met fatalisme of vals optimisme. Het is een realistische hoop,
het is het op zich nemen van de moeilijkheden en de crisis en de soms
lange weg gaan. Soms duurt die weg 4 weken, soms 40 dagen, maar soms
ook 40 jaar door de woestijn. Dat mag ons niet laten stilstaan of
achteruitgaan. We moeten in vertrouwen blijven vooruitgaan op de weg
van de Heer. "Kom, laten optrekken, naar de berg van de Heer, naar de
tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn
paden bewandelen... Kom, laten wandelen in het licht van de Heer"
(Jesaja 2,3.5). Jesaja roept op om te geloven en verder te gaan, want
zonder geloof is alle activiteit tot mislukken gedoemd, zonder geloof
heeft dit leven geen fundament, zonder geloof is er alleen maar oorlog
en geweld tussen mensen. Zonder Gods Woord, zonder de Thora, de
wegwijzers van God, blijft alleen het recht van de sterkste over. Als
God doodverklaard wordt in onze wereld, gaat het er ook met de mens
slecht aan toe. Onze wereld kan een advent best gebruiken om terug te
leren hopen, uitzien en verwachten. Niet passief afwachten, maar actief
meewerken aan een betere toekomst, waarin toch niet alles van onszelf
komt, maar ons gegeven wordt van elders.
Uiteindelijk hangt niet alles van onszelf af, goddank! Het is met vele
dingen zo: ons beroep, liefde, vriendschap, de dingen des levens. Veel
kunnen wij zelf met eigen inspanning bereiken, andere dingen vallen me
te beurt, moeten van elders komen, vaak onverwacht. De toekomst alleen
van de mens laten afhangen, is erg beperkend. De gruwelen van de 20ste
eeuw hebben ons getoond waartoe dat kan leiden. De toekomst alleen van
God laten afhangen, zou onze vrijheid beknotten en ons leven in handen
leggen van het noodlot. Beiden horen samen, de toekomst ligt in de
handen van God en mensen.
In de hoop op een betere toekomst voor ons allen mag ik u vandaag een
gelukkig nieuwjaar toewensen, een jaar waarin we samen bouwen aan het
visioen van vrede onder Gods zegen.
Om over na te denken
“Het volk dat in duisternis ronddoolt
ziet
een schitterend licht.”
Jesaja 9:1
Het is niet vergezocht om bij ‘Het volk dat in duisternis ronddoolt’ te denken aan ons eigen volk. Steeds meer wint de gedachte terrein dat de grote wereldwijde problemen waar we mee geconfronteerd worden, de kredietcrisis en de opwarming van de aarde, het gevolg zijn van met name ons westerse gedrag. Begrijpelijkerwijs komt de vraag dan boven wat er in het verleden verkeerd is gedaan waardoor we nu moeilijkheden hebben die welhaast onoplosbaar lijken. Hoe moet een mens handelen wanneer hij geen uitkomst ziet? Gaat het daar in het geloof eigenlijk niet altijd om: een oplossing aangereikt krijgen welke je niet zelf kunt organiseren. Dat is in geloof een weg gaan. Wordt het niet hoog tijd dat we dat eens werkelijk gaan doen: opnieuw de reis maken naar Bethlehem!
Wanneer er in het Oude Testament van donkerte wordt gesproken dan is dat altijd vanwege fouten die Israël gemaakt heeft. En fouten maken zij op het moment dat de Here God niet meer in het middelpunt staat. Gaat het in een gezin niet ook zo; wanneer een ouder niet meer met gezond gezag het gezin richting geeft gaan er dingen mis. Zo lezen we in Jesaja 9:1 dat er donkerte is. In zijn profetie legt Jesaja daar ook de oorzaken van op tafel. En dan de geweldig hoopvolle boodschap; er is een schitterend licht. Wij weten wellicht hoe het verder gaat: ‘Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven…’. De heerlijke boodschap van het heil in Jezus Christus klinkt. Zo dadelijk zullen we moeten duiden wat dat voor onze duisternis te betekenen heeft. Maar eerst nog dit: is de diepste reden waarom iemand in de duisternis komt niet deze? Hij of zij ziet God niet meer als het licht. Andere dingen zijn als het licht gaan functioneren. Zolang de Here God als licht in je leven mag schitteren kan de volle nacht niet komen. Het wordt pas nacht in de wereld wanneer de mensheid naar andere ‘schitteringen’ gaat zoeken.
Gelukkig beginnen wij er inmiddels ook van overtuigd te raken dat dat precies is wat wij de laatste tijd hebben gedaan; we zijn gaan geloven in de schitteringen van de dingen. We zijn geluk gaan ontlenen aan wat we vast kunnen pakken. God staat dan niet meer in het midden. Hij was hooguit nog hulp bij de zoektocht naar materieel geluk.
Wat heeft dit nu van doen met Advent: met geloven in ‘een schitterend licht’, met het volgen van Jezus? Alles! Geloven betekent immers dat we God het licht laten zijn, het licht dat Hij ook daadwerkelijk is. Ligt daar niet het geheim van de verlossing? Stel dat we werkelijk samen de Here zouden dienen; God centraal stellen, geloven in het geluk dat de Here God geeft, dan wordt alles anders. Dan zijn we verlost van de kramp.
Maar…. zal de econoom nu verzuchten; wat betekent dit voor de koopkracht, voor de inflatie, voor de rentestand etc. etc. We moeten toch groei hebben, wil de economie gezond blijven! Dat lezen we ook volop in de kranten, met man en macht wordt er gewerkt om de zaak weer vlot te krijgen. Alles wordt opnieuw doorgerekend. Maar is geloven ook niet vooral dit: een weg gaan waarvan de eindbestemming in Gods hand ligt. Geloven is vertrouwen. Als een volk het licht ziet, ziet ze het licht en niets anders. Ze gaat op weg naar het licht. Alleen zo kom je in Bethlehem; door op weg naar het Licht te gaan. Onderweg zal de Here je de weg wijzen. Niet bij voorbaat willen weten waar je uitkomt. Het Licht zelf houdt alles onder controle. Daarop durven vertrouwen, want Hij laat niet varen het werk Zijner handen! Daar gaat het om.



















