De
Christelijke Vervolging begon bij Jezus zelf. Hij werd tijdens zijn
berechting ronduit gevraagd: "Bent u de messias, de Zoon van de
Gezegende?" Jezus liet geen ruimte voor twijfel - Zijn eerste woorden
waren "Dat ben ik". De religieuze elite in Jeruzalem wist wat Jezus
hiermee zei - Het was ontzettend duidelijk voor hen dat Hij beweerde
dat Hij God was. Daarom werd Jezus voor de misdaad van godslastering
aan een Romeins kruis ter dood veroordeeld en werd Hij zo de eerste
martelaar voor wat later de Christelijke Kerk zou worden.
Hoewel
Christelijke vervolging in de 21e eeuw nog steeds doorgaat, is de stem
van de martelaar nog steeds het meest treffende bewijs dat het leven,
de dood en de wederopstanding van Jezus Christus geen door de mens
verzonnen bedrog was dat door een groep discipelen in elkaar zou zijn
gezet. Omdat de apostelen en velen onder de vroege discipelen
ooggetuigen waren van het leven van Jezus, was hun verhaal niet slechts
gebaseerd op een religieus geloof, maar op feitelijke historische
gebeurtenissen.
Historie der
martelaren
Adrianus
Haemstedius
Historie der martelaren
die, om de getuigenis der evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van
Christus onze Zaligmaker af tot het jaar 1655.
Vermaning aan de
overheid
Voorrede aan de christelijke
lezer
Historie der martelaren die, om de getuigenis der
evangelische waarheid, hun bloed gestort hebben, van Christus onze Zaligmaker af
tot het jaar 1655
Het lijden van Jezus Christus onze
Zaligmaker
Johannes de Doper onthoofd, en zijn hoofd aan de
overspelige Herodias gebracht
Stefanus, de diaken,
gestenigd
Jakobus, de zoon van Zebedeüs,
onthoofd
Jakobus, de zoon van Alfeüs,
doodgeslagen
Barnabas te Salamis
verbrand
Marcus, de Evangelist, buiten Alexandrië gesleept
om verbrand te worden, en onderweg gestorven
De tien bloedige vervolgingen van de Christenen
onder de Heidense keizers van Rome
De eerste vervolging van de christenen onder
keizer Nero
Simon Petrus gekruisigd te Rome, onder keizer
Nero
Paulus van Tarsen te Rome onthoofd onder keizer
Nero
Andreas, de Apostel te Patris, in Achaje
gekruisigd
Filippus, de Apostel, te Hiërapolis
gemarteld
Bartholomeüs de Apostel, in Albanië in Armenië
gekruisigd en de huid afgestroopt
Thomas, de Apostel, in Indië door de wilden
vermoord
Mattheüs, de Apostel en
Evangelist
De Apostelen Simon Zelotes en Judas
Alpheus
Matthias, de Apostel
Lukas, de Evangelist
Johannes, de Apostel en
Evangelist
Sommigen van de zeventig Discipelen en andere
medereizigers der apostelen
De tweede vervolging van de christenen onder
keizer Domitianus
Timotheüs, een leerling van
Paulus
De derde vervolging van de christenen onder keizer
Trajanus
Simeon, bisschop van
Jeruzalem
Ignatius, bisschop van
Antiochië
Ptolemeüs en Lucius
De vierde vervolging van de christenen onder
keizer Antoninus
Justinus, de
wijsgeer
Germanicus
Meliton
Polycarpus
Felicitas en haar zeven
zonen
Vetius Epagathus
Sanctus, de Diaken
Attalus, Blandina, Ponticus en nog een
ander
Photinus, bisschop te
Lyon
Apollonius
De vijfde vervolging van de christenen onder
keizer Septimeus Severus
Leonidas
Irenaeus, bisschop
De zesde vervolging van de christenen onder keizer
Maximinus
De zevende vervolging van de christenen onder
keizer Decius
Alexander, opziener van de gemeente te
Jeruzalem
Babylas, opziener der gemeente te
Antiochië
Metranus en vele anderen te
Alexandrië
De achtste vervolging van de christenen onder de
keizers Valerianus en Gallienus
Cyprianus, bisschop te
Karthago
De negende vervolging van de christenen onder
keizer Aurelianus
Marinus
Laurentius, de diaken, te Rome op een rooster
verbrand
De tiende grote en bloedige vervolging van de
christenen, begonnen onder de keizers Diocletianus en Maximianus, en voortgezet
onder Maxentius, Licinus en Maximinus, tot in het zevende jaar van Constantinus
de Grote
Het eerste jaar van de
vervolging
Petrus, Dorotheüs en
Gorgoneüs
Phileas en
Philoromus
Het tweede jaar van de
vervolging
Het derde jaar van de
vervolging
Romanus
Het vierde jaar van de
vervolging
Het vijfde jaar van de
vervolging
Het zesde jaar van de
vervolging
Het zevende jaar van de
vervolging
Het achtste jaar van de
vervolging
Het negende jaar van de
vervolging
Potamina, een jonge
dochter
Het tiende en laatste jaar van de
vervolging
Lucianus, een
ouderling
De Christenen verkrijgen vrede in het Romeinse
rijk
De verdeling van het Romeinse rijk en de oorsprong
van de Antichrist
Adelbertus Gallus
Arnulph, Aartsbisschop te
Lyon
Petrus van Bruis en Henricus van
Toulouse
Arnold van Brescia
De Waldenzen te Lyon
Burgers in de Elzas
Vijf en dertig burgers te
Mainz
De Prins van
Armerijk
Bargardus
Twee honderd vier en twintig personen
verbrand
Gerardus Segareill en Dolcinus van
Novari
Een Begijn
Richard, een
Predikmonnik
Johannes Wicklef
Willem Sautre
Willem Thorpe
Jan Badby,
kleermaker
Rogier Acton ridder, Johan Brown edelman en Jan
Beverley, in Engeland, opgehangen en daarna
verbrand
Johannes Husz te Konstanz
verbrand
Hieronymus van Praag
Ulrich van Vahendres en Hendrik
Raadgever
Katharina Saube
Johan Cobham
Hendrik Groenvelder
Johannes Krasa
Wenceslaus, pastoor te Arnostowitz, met nog acht
anderen verbrand
Vier en twintig burgers te Leitmeritz
verdronken
Wenceslaus Swets, Inartinus Loquis, Procopius
Jednooky
Johannes
Purvey
Johannes Zelivaeus
Willem Taylor
Willem White
Richard Hoveden
Thomas
Bagley
Paulus Craw
Petrus Clarcke, Engels
priester
Thontas Rhedon
Reijnold Pebocke
Mattheüs Hager
Johannes Goose
Dr. Johannes de Vesalia, of
Wesel
Een edelman van Kandia of
Kreta
Rogier Dule
Johanna
Bongton
Hieronymus Savonarola, Dominico de Piscia en
Sylvester
Hemondt Picard
Richard Smart
Zes mannen te Bor
verbrand
Thomas
Norice
Een vrouw verbrand in Engeland, en hoe de
kanselier werd omgebracht door een stier
Thomas, een priester
Andries Poliwka
Pop, van Aye
Richard Hunne
De opkomst van Mr. Maarten
Luther
Hendrik Voes en Johannes van Essen, twee
Augustijner monniken, te Brussel verbrand
Nicolaus, een Augustijner monnik, van
Antwerpen
Meester Georgius
Hendrik van Zutphen
Johannes, van
Dithmarsen
Gaspar Tauber en Georgius, een
boekbinder
Nicolaas Hottinger
Johannes Castellanus
Johannes Hospinianus of Weert, en zijn beide
zonen, Johannes en Adrianus, benevens Burchard
Ruijteman
Johannes de Klerck
Geschiedenis van de getrouwe martelaar van Jezus
Christus, Johannes Pistorius, van Woerden
Wolfgang Schuch
M. Pet. Spengler, pastoor te
Brisgau
Matthias Weybel
Jakobus Pavane
Evert Bolt
Nicolaas Wieretenarz en Clara, zijn huishoudster,
in Bohemen verbrand
Johannes Heuchlin
Leonhard Keizer
Wendelmoet
Klaasdochter
Martha Porzicz te Praag
verbrand
George Carpentarius
Patrick
Hamilton
Hendrikus, uit
Vlaanderen
Steven Renier
Een glasblazer en een
riemsnijder
Mr. Jakob Keyser, bijgenaarnd
Schlosser
Lodewijk van Berquin
Dionysius van Rieux
Petrus Flysteden en Adolf
Clarenbach
Willem van Zwolle
George Scharer, van
Salveld
Thomas Hytten
Thomas
Bilney
Willem Thrace
Jakobus Baynham en Richard
Bayfield
Drie mannen te Arras
verbrand
Johannes de Cadureo
Vier mannen te 's Hertogenbosch
gedood
Alexander Conus
Johannes Pointet
Johannes
Frythus
Andries Hewet
Denys Bryon en Hieronymus Vindocin levend
verbrand
Andries Bartholomeï
Joost de
pottenbakker
Verscheidene martelaars te
Parijs
Quoquillart, van
Besançon
Maria Becaudette
Petrus Gaudet
Johannes Cornon
Cowbrig, te Oxford levend
verbrand
Vijf martelaren in Schotland
verbrand
Martinus Gonin, een
Waldenzer
Een landbouwer te
Zierikzee
Wilhelmus Tyndall te Vilvoorde
verbrand
Jan Lambert, ook genoemd
Nicholson
Mr Petrus, pastoor te
Duway
Geertruida Adriaans
Vijf martelaren in Schotland
verbrand
Louwijs Courtet
Thomas Cromwell, graaf te
Essex
Catharina, de vrouw van een raadsheer te Krakau,
verbrand
Robertus Barnes
Stefanus Brun
Twee christenen te Gent verbrand en twee vrouwen
levend begraven
Jan Marlar
Vijf personen te Vucht
gedood
Aymont de la Voye, regent van groot Saintefois, in
Agenois, boven Dordogne
Richard Mekins
Hector Remy en zijn vrouw Mathinette du
Huisset
Constantinus en drie
anderen
Claudius de Schilder, een
goudsmid
Mr. Johannes
Beek
François Bribard
Sommige Engelse
martelaren
Een boekverkoper te Avignon verbrand, met een
Bijbel op zijn borst gebonden
Joost Jushurgh
Gillis Tieleman
Willem Husson,
apotheker
Geerte Stelmees en Neeltje
Claas
Francisco San
Roman
De bewoners van Mirandola en
Cabriëra
Petrus Bruly
Maarten Huerblok, Jan de Bock, Nicolaas van der
Poele en de vrouw van Jan de Bock
Jan Michiel
Jakobus Chobard geeft aan zijn moeder in de
gevangenis zijn schriftelijke belijdenis om aan de rechter te
overhandigen
Adam van Metz
Pieter Chapot
Marion, de vrouw van Adriaan, kleermaker te
Doornik
Rochus, een
Brabander
Pieter Mioc
Vier martelaren uit Schotland
verbrand
Frauciscus d'Augy
Johannes Diazius
Eusinas, ook Driander genaamd, een
Spanjaard
Anna Asker, Jan Lacels, Jan
Adlams en Nicolaas
Belenian
Veertien burgers te Meaux, in Brie
verbrand
Sanctus Nivet
George Sophocardius
Vijf martelaren te
Parijs
Mr. Johan, de
Engelse
Mr. Leopard du Pré
Acht burgers van
Langres
Stefanus Peloquinus
Steven Poulliot
Jan Brugier
Marten, de
schoenmaker
De vrouw van Bygaerden en haar
zoon
Michiel Miquelot
Octavianus Blondel
Mr. Mattheüs, een
onderwijzer
Hubert Burre
Mr. Leonhard
Galimard
Een en dertig personen te Valladolid
gestrafd
Mr Florentius Venot te Parijs
verbrand
Een kleermaker te Parijs voor de koning van
Frankrijk in het verhoor gebracht en daarna
verbrand
Claudius
Thierry
Anna Oudebert, een
weduwe
De marteling van Mr. Nikolaas, in
Henegouwen
Maria, de vrouw van Augustijn, de
barbier
Augustijn, de
barbier
Staat en toestand van Christus' kerk in Nederland,
en de oorzaken waardoor de vervolging tegen haar in grote mate werd
vermeerderd
Faninus, van
Faventia
Dominicus van Basana
Maceüs Moreau
Johannes Godeau en Gabriël
Beraudin
Adam Wallach
Mauritius Secenat
Vervolging in Duitsland tegen de predikanten, die
het geloofsvoorschrift weigerden aan te nemen en zich daarnaar te
regelen
Jan van der Put, de geneesheer
genaamd
Thomas van St.
Paulo
Claudius Monieux
Gillot Vivier, Michiel le Fèvre, Jacques le Fèvre,
Amna le Fèvre en Mechaëlla de Caignoncle
Johannes Jocry te
Toulouse
Jan van Ostende, bijgenaamd
Tromken
Vijf studenten van Lausanne, Petrus Scriba, Martialis Alba, Bernhardus
Seguinus, Carolus le Fèvre en Petrus Naviherus
Petrus Bergier
Dionysius Peloquinus
Godefroy van Hamelle
Renatus Poyet
Willem Gardinerus
Hugo Gravier
Vervolging, te Brugge, in
Vlaanderen
Nikolaas Nail
Autonius de Grote
Mattheüs Dimonnet
Lodewijk Marsacus
Johannes Mollius en een Perugiaanse
wever
Simon Laloé
Steven le Roy en Pieter
Dinocheau
Jan Snell
Willem d'Alençon
Paris Panier
Pieter de la Vau
Gileyn de Muelere
Thomas
Calberge
Richard le Fèvre
Petrus Serra
Franciskus Gamba
Dionysius le
Vayr
Jan Filleul en Juliaan
Leveille
Paulus Musnier
Nicolaas le Chesne
Vervolging in
Oostenrijk
Wilhelmus de Dongnon
Willem Neel
Hoste
Pomponius Algier
Jan Vernou, Guyraud Tauran, Autonius Laborie,
Bertrand Bataille en Jan
Trigalet
François en Nicolaas
Thijs
Bertrand le Blas
Jan Malo
Damiaan Witcoek
Walrue Carlyer
Jan Porceau
Twee Martelaren te
Autun
De vervolging in
Engeland
Engelse martelaren in het jaar
1555
Johanna Gray
Johannes Rogerius
Laurentius Sanders
Johannes
Hoper
Doctor Rowland
Taylor
Wreedheid aan de lijken van Martinus Bucerus,
Paulus Fagius, en Catharina, echtgenote van Petrus
Martyrus
Thomas Tomkins
Willem Hunter
Thomas Causton en Thomas
Higbed
Steven Knight
Rawlins
White
Johannes Laurentius en Willem
Digel
Robert Farrar
Jan Alcock
Joris Mars
Johannes Cardmaker en
Johannes Warne
Thomas
Haukes
Thomas Wats en
anderen
Johannes Bradford
Hunfroy Middleton en Nikolaas
Scheterden
Jakob Abbes
Jan Denley en Jan
Newman
Robert Smith en
anderen
Robert Samuel en enige
anderen
Robert Glover en enige
anderen
Nicolaas Ridley en Hugo
Latimer
Jan Philpot
Hier volgt de geschiedenis van de martelaren in
het algemeen in het jaar 1556
Adriaan van Lopphen
Juliaan van de
Sweerde
Claudius van
Canesiere
Robert Oguier, zijn vrouw en beide
zonen
Johanna, de moeder, en haar jongste zoon Maarten
Oguier
Jan Rabec
Pieter van
Rosseau
Laurens, de schoenmaker, en Jan
Fasseau
Arnoud Monier en Jan de
Cazes
Jan Bertrand
Bartholomeüs Hector
Hiëronymus Casaubone
Andoche Minart
Engelse martelaren in het jaar
1556
Thomas Witthle
Bartelet Greene
Thomas Crammer
Agnes Potten en Johanna
Trunchfield
Willem Tyms en
anderen
Johannes Hullier
Christoffel Lyster, Jan Mace, Jan Spenser, Simon
Joyne, Richard Nicols en Jan Hamoud
Rugo Laverocke, een kreupele en Jan Apprice, een
blinde
Hendrik Adlington, Laurens
Parnam, Hendrik Wije, Willem Hallywel, Thomas Bowyer, Joris Searles, Edmond
Hurst, Lyon Caweh, Rase Jackson, Jan Derifal, Jan Routh, Elisabeth Pepper en
Agnes George
Julius Palmer en twee
anderen
Katharina Cawehes en haar beide dochters en haar
dochters kind
De martelaren in het jaar
1557
Arnoud Diericks
Mr. Philibert Hamelijn en enige
anderen
Joriaan Simonsz en Clement
Dirkz
Carolus de Koninck
Nicolaas Sartorius
Jan Biron
Angelus Herula
Een grote en zware vervolging van de kerk van
Christus te Parijs in het jaar 1557
Nicolaas Clinet
Taurin Gravelle
Philippina de Luns
Het zalig uiteinde van de drie genoemde
martelaren, te weten Nicolaas Clinet, Taurin Gravelle en vrouw van
Graveron
Nicolaas le Cene en Pieter
Gabart
Franciscus Rebezus en Frederick
Danville
Verstrooiing en verdrukking van de kerk van
Christus, onder Gods bestuur geplant in Brazilië, in
Zuid-Amerika
Matthias Vermeil
Andreas de Lafon
Pieter Bourdon
Vervolging in
Engeland
Engelse martelaren in het jaar
1557
Jan Bradhridge, Walter Appelbey,Petronella, zijn
vrouw, Edmond Allen, Catharina, zijn vrouw, Johanna Mannings en Elisabet, een
blinde maagd
Richard Woodman, met nog negen anderen, vier
vrouwen en vijf mannen, verbrand
Mejuffrouw Joyce
Lewes
Joris Eagles
Jan Noyes
Cicely
Ormes
Jan Rough
Geschiedenis van de martelaren in het jaar
1558
Mr. Jan Du Champ
Johannes Morellius
George Tardif, Nicolaas Guilotet, Jan Caillou en
Nicolaas van Jeuvife
Jan Barbeville
Benedict Roman
Een zware vervolging van de gelovigen te
Valladolid, in Spanje, in het jaar 1558
Dr. Augustinus Casalla, Franciscus de Bevero,
mejuffrouw Blaucel de Bevero, mejuffrouw Constance de Bevero, Alphouse
Peres, een priester,
Christoffel del Campo, Christoffel de Padilla, Antonius Huezuelo,
Catharina Boinain, Franciscus Erren, Catharina Ortegue, Isabelle de Strade,
Johanna Velasques en een
ambachtsman
Renatus du Seau en Jan
Almarie
Aonius Palearius
Mr. Geffroy
Varagle
Godefroy Guerin
Nicolaas Burton
Gillis Verdict
Genird Hagens
Engelse martelaars in het jaar
1558
Cutbert Simson
Rogier Hollandt
De huisvrouw van
Prest
Willem Fetty, een kind van acht
jaren
Verscheidene gelovige christenen in
Engeland
De martelaren in het jaar
1579
Antonius Verdict
Adriaan de schilder en Hendrik Bockhalt
kleermaker
Boudewijn de Heu
Cornelis Halewijn en Herman
Jansz
Pieter Chevet
George de Gese
Nicolaas Ballon en Nicolaas
Guenon
Marin Maria
Margaretha le Riche
Johannes Pontius
Johannus
Gonsalvus
Isabella Vaenia, Maria
Viroësia, Cornelia en
Bohorquia
Ferdinandus van St. Jan en
Morsillius
Julianus Ferdinandus
Jan van Leon en Ferdinandus van
Valladolid
Françisca Chavesia
Chrystophorus Losada
Christophorus
Arellanius
Mr. Garsins Arias
Dr. Johannes Egidius en Dr. Constantinus
Pontius
Thomas Moustarde
Antonius de Richend, heer van
Mouvans
Honoratus Auldol
Adriaau d' Aussi
Martin Rousseau, Gillis le Cotart en Philips
Parmentier
Pieter Malet
Petrus Arondion
Andries Coiffier
Anne du Bourg.
Jan Ysabeau
Jan Jullet
Jan Geoffrey
Jan
Masson
Christiaan de Quekere, Mr. Jakob Dieussart en
Janneken Salomes
Jan Lodewijk Paschal
Jan Herrewijn
Verscheidene martelaren in
Frankrijk
Jan de Creus
Jan Buisson en enige
anderen
Jan de Lauoy
Jacob van
Lo
Jan de Bosschere
Jan de Keijser
Pieter Annood en Daniël
Galland
Een linnenwever
Een groot aantal gelovigen, om de belijdenis van
het heilig Evangelie, in Calabrie omgebracht
Bartholomeüs van Hoy
De benarde toestand der kerk van Christus in de
Nederlanden
Florentijn van
Keulen
Thomas Watelet, uit het land van
Luik
Andries Michiel
Autonius Caron, Reinholdina Fransz en
enigeanderen
Jan van Namen
Karel Elinck
Franciscus Varlut en Alexander
Daycke
De la Faye, Jan Greffin en de beambte van
Pontoise
Willem
Cornu
Wouter Oom
Jan de Wolf
Michiel Rovillart
Farresier, Pieter Bonnet en enige
anderen
Nicase de le Tombet
Rogier du Mont
Een jong kind
gemarteld
Jan de Madock
Christoffel Fabritius en Olivier de
Bock
Paulus Millet, bijgenaamd de
Ridder
Joos de Creul
Jan Disreneaux
Jan de Grave
Hugo Destailleur en Jan
Pick
Jan Catel
Lieve de Blekere
Julius Guirlanda en Antonius
Ricetto.
Franciscus Sefra en mr. Franciscus
Spinola
Pierrette Curtet
Willem
Hosens
François Soete
Maarten Bayaert, Glaude du Flot, Jan Dautricourt
en Noël Tournemine
Jan Tuseaen
Andries Berteloot
Jan Cornelisz.
Winter
Jakob de Wever
Mailgaert de Hongere, dienaar des
Woord
Martinus Smetius en
anderen
Jan Goris en Joris van der
Assche
Lowijs van Heeke
Guido de Bray en Peregrin de la Grange,
dienaren des
Woords
Michiel Herlin, de
Oude
Jan Mahieu
Michiel Herlin, de
Jonge
Michiel de Messère
Maarten Tachard van
Montauban
Bartholomeüs
Bartocci
Pieter Mon, Wonter Oensel en Gerrit
N.
Twee jonge
juffrouwen
Vervolgingen in West-Vlaanderen van dat
jaar
Maarten Clerewerck
Cors Stevensz
Carolus de Bruijne
Gillis Vertrecht
Jan Schakele
Marcus van Waerde
Gillis de Meyère
Joost van Busecum
Pieter van Keulen en Betteken, zijn
dienstmaagd
Cristoffel Gauderijn, Jan Liebaert, Willem van
Spiere en Tanneken Baerts
Cornelis de Meen
Jan le Grain
Heynzoon Adriaansz., Barend van Utrecht en Jan
Heymen
Vier burgers
Michiel Rombouts
Lowysken
Kijckenpoost
Schoblandt Barthelsz, Hans van Hues en Joris
Coomans
Twee burgers
Mr. Cornelis de Lesenne en Mr. Carel van
Oudenaarde
Gillis Annike, Jan Annike en Louis
Mieulen
Moord te Blois
Weyn Oekers en haar
dienstmaagd
Joos Spiering
Een kort verhaal aangaan de vele christenen, die
te Doornik en te Valenciennes werden omgebracht
Enige gelovigen omgebracht in het hertogdom
Limburg
Jan Laute
Gerard Koopman
Nicolaas Croquet, Filippus en Richard de Gastines,
vader en zoon
Marcus de Lannoy en Jan le
Grand
Willein Touwart
Coenraad van der
Belijen
Jan Sorret
Claas Cornelisz.
Mr. Pieter Hamon van
Blois
Een Pottenbakker
Gerard Moyart en Pieter de
Meulen
Michiel van Ro
Arend Dierixsz. Vos, Sybrand Jansz., Adriaan
Jansz. en Wouter Simonsz.
Anneke Jans
Hans Tierens
Maarten van
Schorenback
Joris de Makelaar
Jan Missuens, de
Oude
Gestreng schrijven van de graaf van Megen aan de
graaf van Arnhem
Hendrik Alertsz. Schouten, deurwaarder te
Mechelen
De wrede en afgrijselijke moord, die plaats trad
te Parijs, op zondag de 24e augustus en volgende dagen, van het jaar
1572
Jeanne d'Albret
Gaspar de Coligny, admiraal van
Frankrijk
Moord van de edellieden des Konings van Navarre en
van de Prins van Condé
De Graaf de
Rochefoucault
Teligny
De Markies de Kenel
De Baron van
Soubrise
De heer de Guerchy
De heer de Briou
Pieter de la Place
Petrus Ramus
Denys Perot
De Predikanten Buyrette, Horeen
Desgorris
Antonius Merlanchon
Claude Robert
De luitenant Taverny en zijn
zuster
Oudin Petit
Marturin Lussaut, zijn vrouw, zoon en
dienstbode
Mouluet en zijn
vrouw
Philippe le Doux en zijn
vrouw
Pieter Faret en zijn
vrouw
De Pluimgraaf des Konings en zijn
vrouw
Autonius Silvius
Pieter Baillet
Montault en enige
anderen
De weduwe van Gastines de Jonge en
anderen
De moord van de Hervormden te Meaux, in
Brie
De vervolging van de gelovigen te Troyes, in
Champagne
De moord te Orleans
De verschrikkelijke moord van de gelovigen te
Lyon
De vervolging te
Rouaan
De moord te Toulouse
Vervolging te
Bordeaux
Besluit over de moord aan de hervormden in
Frankrijk
Arnoud de Croos Mielfiel de
Seeldraaier
Jasper Stevens
Mauris van Dalen
Simon Simonsz
Lieven van de Meern
Antonius uit de Hove
Jan de Buck
Joos de Jonge, Quirijn de Palme en Rogier
Joosten
Goris
Jasper de Metser
Johannes Gelasius
Pieter Panis
Simeon van Torre
Wouter Wilge
Neesken de Greef
Jan Missuens de
Jonge
Wilhelmus Pressius
Mr. Arent en Mr.
Adriaan
Johannes Florianus
Christophorus
Fytrerus
Radegronde en Claude
Foncaut
Jan de Lerm
Antonius Hilairet
Antonius Oldevin
Margriete Pieronne
Een Engelsman
Een bejaard man
Jan Cateau
Anneken uit den Hove
Arnoud le Maire
Werner Hessu
Pieter Motte
Antonius Moreau
Bartholomeüs Copin
Nicolaas de Soignie
Maarten van Voisin
Franco di Franco
Antoine Mibais
De verschrikkelijke moord door de pausoezinden aan
de hervormden in Valtellitia
Melchior Balthazars
Het lijk van Jan
Wevers
Maria van Provins
Johan Avontroot
Onmenselijke wreedheid door de pausgezinde Ieren
gepleegd aan de hervormde christenen in Ierland
Verhaal van het verschrikkelijk bloedbad in het
jaar 1655 onder de gemeenten in Piëmont, en van hetgeen er verder plaats had tot
de vrede
Korte geloofsbelijdenis der hervormde gemeenten in
Piëmont
Besluit van dit boek
Aan alle eerbaren,
wijzen en edelen heren, overheden, bestuurders, stadhouders en Staten in onze
Nederlanden, van Brabant, Gelderland, Vlaanderen, Bolland, Zeeland, Friesland,
enz., wensen wij een godzalige voorzienigheid om het volk te regeren, te
onderhouden en te leiden tot zaligheid, vrede, eendracht en voorspoed, van God
onze hemelse Vader, door Jezus Christus, Zijn welbeminde Zoon, onze enige
Zaligmaker. Amen.
|
Rom. 13,
vs. 4. 1 Petr. 2, vs. 14. De overheid moet Gods woord kennen. Pred. 10, vs.
16.
|
Eerbare, wijze heren, die Gods dienaren bent, tot
prijs en bescherming der goeden en wraak en straf der bozen. De almachtige God
heeft u in deze wereld verkozen, om hoofden te zijn van het volk. Daar nu het
lichaam niet ziet, noch riekt, noch smaakt, noch verstand bezit als het hoofd
bedorven is; zo is het ook niet mogelijk, dat een gemeente goed geregeerd en in
goede orde gehouden wordt, wanneer de hoofden verstandeloos en onwetend zijn,
want een onverstandig vorst zal zijn volk verwoesten.
Daarom verkoos Mozes, om het Israëlitische volk te
regeren, bejaarde wijze mannen, die de Heere vreesden, de waarheid bezaten en de
gierigheid haatten. Zonder de vrees des Heeren toch is er geen wijsheid, zonder
de kennis der waarheid en gerechtigheid kan men niet goed oordelen, en de
gierigheid verblindt de ogen der wijzen.
|
|
Deut.
17, vs. 18, 19.
|
Doch, om hiertoe te geraken, is het nodig de raad
van de heiligen Profeet Mozes aan te nemen, die leert, het boek der wet iedere
dag des levens te lezen, opdat zij God de Heere mogen leren vrezen, en zijn
woorden en plechtigheden, in de wet geboden,
onderhouden.
|
|
Joz. 1,
vs. 7, 8.
|
Aldus sprak ook de Heere tot de vorst zijns volks,
Jozua: "Wees sterk en heb goede moed, dat gij onderhoudt en doet de gehele wet,
welke Mozes mijn knecht u geboden heeft, en wijk daarvan niet, ter rechter noch
ter linkerhand, opdat gij verstandelijk handelt, in alles wat gij doet. Dat het
boek der wet niet wijke van uw mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij
waarneemt te doen naar alles, wat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uw
wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstandelijk
handelen."
|
|
Gods
Woord eist de bevordering van Zijn rijk.
|
Derhalve is het openbaar, dat de wet des Heeren
bijzonder en vooral eist Gods naam te heiligen en Zijn Rijk uit te breiden.
Daartoe behoren de overheden hun grootste naarstigheid te besteden, willen zij
Gods dienaren zijn en blijven. Is het iedere christen bevolen, de bekommeringen
van het tijdelijke leven te laten varen en Gods Rijk en Zijn gerechtigheid te
bevorderen; hoeveel temeer betaamt dit een christelijke
overheid.
|
|
Voorbeelden van hen, die de
godsdienst bevorderen.
|
Daarvan vindt men een voorbeeld van hen, in de
heilige aartsvaders, Abraham, Izak en Jakob, ja reeds voor hen in Henoch. Welk
een godzalige vorst David was, om de ware godsdienst te bevorderen getuigt de
bijbelse geschiedenis overvloedig. Doch vooral hebben wij een goed voorbeeld
voor alle vorsten van onze tijd in koning Hizkia; want, gelijk het in zijn tijd
gesteld was met het uitverkoren volk des Heeren in Israël, zo is het ook thans
met de christenen: zij maakten beelden, zij verzonnen vreemde godsdiensten
buiten Gods Woord, en brandden wierook voor de koperen slang. De godsdienst was
verbannen, de tempel des Heeren was gesloten.
|
|
2 Kon.
18, vs. 4.
|
Doch de godzalige vorst vernielde nu de beelden,
wierp de hoogten en bossen om, en verbrak de koperen slang, die Mozes gemaakt
had. Hij opende het huis des Heeren, en richtte de ware godsdienst weer
op.
|
|
2 Kron.
30, vs. 1.
|
Ja, wat meer is, zelfs buiten zijn koninkrijk, wat
alleen Judea was, zond hij boden en leraars tot het koninkrijk van Israël, die
daar predikten, dat zij zich bekeren zouden tot de ware godsdienst, doch zij
werden door velen bespot en beschimpt. Dit deed ook voor hem Josafat in Judea,
waarvoor hij door de Heere gezegend werd.
|
|
2 Kron.
23, vs. 4, enz. 2 Kon. 34, vs. 3, enz.
|
Zulk een godzaligheid zag men ook in Josia, die
een opvolger was n de regering van de beide koningen Manasse en Ammon, die
altaren oprichtten voor de afgoden, en de hemellichamen vereerden en aanbaden.
Het wetboek was verloren gegaan, en de kinderen werden in het vuur geofferd.
Doch Josia roeide al hun afgoderijen uit, bracht de Heilige Schrift aan het
licht, en liet die voor al het volk in het Huis des Heeren
lezen.
|
|
Van onze
tijden.
|
Op soortgelijke wijze ging het ook in deze tijden
onder de christenen; zij riepen beelden, altaren, offeranden en vreemde
godsdiensten buiten Gods Woord in het leven. Van het avondmaal, dat ons bevolen
is te houden tot een gedachtenis van de dood van Christus, maakten zij een
afgod, brandden er wierook en fakkels voor; de ware godsdienst was verbannen,
Gods Woord mocht men niet prediken, de tempel was er voor gesloten; het wetboek
der heilige Schrift te lezen was verboden. Men achtte Gods Woord als bedrog en
vergif. Als de Heere enige godzalige vorsten verwekte, die predikers uitzonden,
om de ware godsdienst te onderwijzen, en het volk van hun dwalingen te genezen,
zoals God de vrome koning van Engeland, Eduard de zesde, en enige Duitse vorsten
verwekt bad, werden de predikers beschimpt, belasterd, gevangen genomen en
gedood.
|
|
Men
verbood het Woord des Heeren te onderzoeken.
|
O gij, goede heren, slaat hierop acht! omdat het
wetboek aan uw handen is ontvallen, de Bijbel in een hoek ligt, en Gods Woord
niet wordt onderzocht, daarom wordt het volk slecht geregeerd, de rechtvaardige
verdrukt, en de onrechtvaardigheid ten hoogste verheven; daarom vervalt de
gemeente tot velerlei dwalingen en sekten; want de opzieners zijn blind, en de
herders stomme bonden, die niet blaffen kunnen, en er is geen wetenschap bij
hen.
|
|
Jes. 56,
vs. 10. Jes. 1, vs. 2, 3.
|
Terecht mocht de Heere zich over zijn volk
beklagen, en roepen over het onverstand der lompe onwetendheid: "Hoort gij,
hemelen, en neemt ter oren, gij aarde! wat de Heere spreekt! Ik heb kinderen
groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden. Een os kent
zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns heren, maar Israël heeft geen kennis,
mijn volk verstaat niet.
|
|
Jes. 30,
vs. 9, 10, 11.
|
Zij tergen Mij tot gramschap, de leugenachtige
spruiten, die de wet Gods niet willen horen, die daar zeggen tot de zieners:
Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons bedriegerijen. Wijkt af van de weg,
maakt u van de baan; laat de Heilige Israëls van ons
afhouden!"
|
|
De
onwetendheid heeft onkunde als gevolg.
|
Door zulke onwetende blindheid en onkunde komt
het, dat er zoveel onwetendheid onschuldig bloed wordt vergoten, en dat de
rechtvaardigen vervolging en verdrukking lijden. Want hoe kunnen de rechters
naar waarheid oordelen, die deze zaken niet verstaan? En hoe zouden zij die
kunnen verstaan, als zij de Schrift niet onderzoeken, waarin het recht en de
gerechtigheid wordt verklaard? Maar zij haten het licht, omdat zij in de
duisternis verkeren. Zij vervolgen de waarheid, omdat zij door de leugens
verblind zijn.
|
|
Joh. 15,
vs. 21, en 16, vs. 3. Luk. 23, vs. 34. 1 Kor. 2, vs.
8.
|
"Dit zullen zij u doen," zegt de Heere, "omdat zij
noch de Vader noch Mij gekend hebben." Hij bad ook voor zijn vervolgers, toen
Hij zei: "want zij weten niet, wat zij doen." Want, indien de vorsten dezer
wereld de wetenschap bezaten, en niet verstandeloos waren, zo zouden zij de
Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben."
Zo was het van het begin van de wereld, en zal het
duren tot het einde dat de duistere, blinde en onwetende wereld de gelovige
kinderen des lichts vervolgde, en vervolgen zal. Christus en al de leden van
Christus zijn enkel licht, leven en waarheid; en de wereld en allen, die
Christus niet recht kennen, zijn enkel duisternis, dood en ijdelheid. Als nu het
licht in de duisternis schijnt, zijn alle nachtraven, vleermuizen en nachtuilen
in beroering, want zij kunnen het licht niet
verdragen.
|
|
Joh. 3, vs. 19. Joh. 7, vs.
7.
|
Daarom zegt Christus: "Dit is het oordeel, dat het
licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad
dan het licht, want hun werken waren boos." En wederom: "De wereld haat Mij,
omdat Ik van dezelve getuig, dat haar werken boos zijn." Zo is het ook met de
christenen, als zij de zonden aan het licht brengen en bestraffen: als zij de
ijdelheid en de leugen uitroeien door de waarheid, dan stelt de gehele wereld
zich te weer, en ieder brengt hout aan, om zulke ketters te verbranden, want zij
spreken en leven tegen de gehele wereld, omdat de gehele wereld zich tegen de
waarheid en gerechtigheid verzet.
|
|
Boek der
wijsheid, h. 2.
|
Dit heeft ons de wijze man zeer juist
afgeschilderd, waar hij de bozen laat zeggen: Wij willen de rechtvaardige
onderdrukken, want hij is ons onnut en tegen al onze werken; hij verwijt ons,
dat wij tegen de wet zondigen, en beschuldigt ons, dat wij tegen de tucht
handelen; hij geeft zich uit, dat hij de wetenschap van God bezit, en noemt zich
een Zoon van God, hij bestraft ons voornemen en opzet, hij is ons zeer lastig om
te zien, want zijn leven is zeer verschillend van de anderen, en hij verandert
zijn wegen; wij worden door hem gehouden voor beuzelaars, en hij wacht zich voor
onze wegen als voor onreinheid, en het slechtste der rechtvaardigen roemt hij
hoog, en beroemt zich, dat hij God tot een Vader heeft, enz. Met verdriet en
moeite willen wij hem onderzoeken, en zijn lijdzaamheid beproeven; wij willen
hem met een schandelijken dood veroordelen, en zo kan hij denken aan zijn
woorden. Dit hebben de boze lieden gedacht, en zij hebben gedwaald, want hun
boosheid heeft hun hart verblind.
|
|
De
predikers van de waarheid worden altijd vervolgd. 1 Kon. 22, vs. 24, 27. Jes.
36, vs. 23. Dan. 6, vs. 16. Amos 7, vs. 12.
|
Denkt er toch over na, gij christelijke heren,
welke onwetendheid en blindheid gij bewijst, hoe men tegen hen opstaat, hen
vervolgt en doodt, die het waarachtige licht van het goddelijke Woord
verkondigen, en de wetenschap en de kennis van God onderwijzen. Daarom kreeg
Micha kinnebakslagen, werd in de gevangenis geworpen, met het brood der
bedruktheid gevoed en met water der benauwdheid gedrenkt; daarom werden de
boeken van de Profeet Jeremia verbrand, en hij in een put van slijk en modder
geworpen; daarom werd Daniël geworpen in een leeuwenkuil, de Profeet Amos door
de priester van Bethel als een oproermaker voor de koning Jerobeam beschuldigd,
en verboden te prediken in de heerlijkheid en het gesticht van de koning; daarom
hebben Johannes de Doper, Christus en zijn Apostelen hun bloed gestort; om deze
redenen werden de heilige leraars, door de tirannie der heidenen en pausgezinden
verdreven, vermoord en verbrand, en als onwaardig geoordeeld de wereld te
bewonen.
|
|
Matth.
10, vs. 16.
|
Deze zijn de getuigen en martelaren, van welke
Christus spreekt, als Hij hen uitzendt als lammeren en schapen onder de wolven;
waar zij overgeleverd, geslagen en gedood zouden worden, de koningen, vorsten en
heidenen tot een getuigenis, waarom zij ook getuigen of martelaren genoemd
worden. Ja, niet alleen hebben enige verstandeloze en verblinde vorsten de
leraars en predikanten van het goddelijk Woord omgebracht, maar ook hen steeds
vervolgd, die Gods Woord gehoorzaam en onderdanig waren; opdat al het bloed, van
Abels tijden af tot het einde der wereld toe vergoten, op hun hoofd zou komen,
en van hun handen geëist worden.
|
|
Tot de
gelovige heren.
|
Daarom bid ik u, o gij heren en overheden van het
volk Gods, weest voorzichtig in uw oordelen; onderzoekt de zaken, voor gij het
vonnis velt. Wacht u een vonnis over een zaak uit te spreken, die gij niet zelf
onderzocht en goed hebt leren kennen. Ziet niet langer door de ogen van anderen,
opdat de blinde leidslieden u niet in een put der verderfenis
storten.
|
|
Joh. 19,
vs. 7.
|
Wanneer de Schriftgeleerden en Farizeeën zeggen:
"Volgens onze wet moet Hij sterven. Hij is een ketter; wij hebben Hem
onderzocht; indien Hij geen boosdoener ware, zouden wij Hem u niet hebben
overgeleverd;" weest dan niet onredelijker dan de heidense Pilatus was, en gij
zult hun dikwerf ten antwoord geven: "wij vinden geen oorzaak des doods in hem;
neemt en oordeelt hem naar uw wetten."
Ik weet en het is bekend, dat er velen onder u
zijn, wiens ogen door Gods Woord zijn verlicht, zodat zij maar al te goed weten,
dat de christenen ten onrechte door de zogenaamde geestelijkheid beschuldigd, en
voor ketters en oproermakers gescholden worden. Zij weten, dat zij om de
gerechtigheid lijden, en wegens de waarheid hun bloed storten. Maar uit vrees,
dat ook zij door de geestelijkheid als ketters geacht en beschuldigd zouden
worden, durven zij de beleden waarheid niet belijden, en de gerechtigheid
voorstaan of beschermen. De een zegt: "Ik wil de bijen niet tergen, noch de
slapende honden wakker maken." Anderen zeggen: "Wij kunnen niet alleen dansen,
dit moet gemeenschappelijk geschieden," en intussen worden de rechtvaardigen
omgebracht. Och, mijn heren, openbaarde en beleed ieder, naar de kennis, die hij
van God ontvangen heeft, de waarheid, de priestermacht zou spoedig in rook
verdwijnen. Maar nu ieder terugtreedt, bevlekt gij uw handen met het onschuldig
bloed, dat vergoten wordt. Want, indien gij u beijverd had, zoudt gij voor de
Heere onschuldig zijn, al had dit niet plaats volgens uw
verlangen.
|
|
Voorbeelden van hen, die de
onschuldigen helpen. Gen. 37, vs. 29. 2 Kon. 18, vs. 4. Jer. 38, vs. 8, 9, vs.
7.
|
Och, of gij de vrome mannen navolgde, die hun
leven stelden als een muur voor het Huis des Heeren, en de rechtvaardigen en
onschuldigen zochten te verlossen uit de macht van hen, die hen verdrukten,
zoals Ruben de onschuldige Jozef zocht te verlossen uit de handen der
bloeddorstige broeders; zoals Obadja, de hofmeester van de koning Achab, toen
Izebel, de koningin, de Profeten des Heeren doodde, hen bij vijftig tegelijk
verbergde, spijzigde en onderhield. Zo ging ook Ebed-melech, de moor, tot
Zedekia, de koning en verzocht hem vriendelijk om de Profeet des Heeren te
verlossen. Ja, ook een vrouw waagde het, voor het volk des Heeren, de koning
Ahasveros te bidden met gevaar van haar leven. En zouden dit de mannen niet
durven doen? Waarlijk, dat zou te beklagen zijn!
|
|
Luk. 19,
vs. 17. Matth. 10, vs. 40, 41.
|
Denkt toch eens, o gij dienaren van God, aan de
heerlijke beloften, die u de Zoon van God doet, wanneer gij uw dienst getrouw
waarneemt, hetwelk bestaat in de goede tegen de onderdrukkers te beschermen.
"Wel, gij goede dienstknecht," zal Hij zeggen, "omdat gij in het minste getrouw
zijt geweest, zo heb macht over tien steden." "Gaat in, in de vreugde uws
Heeren," zegt Hij met een heerlijke belofte, tot hen, die zijn volk ontvangen en
bijstaan. "Die u ontvangt, ontvangt Mij," zegt Hij, "Die een Profeet ontvangt in
de naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die een
rechtvaardige ontvangt in de naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens
rechtvaardigen ontvangen. En, zo wie één van deze kleinen te drinken geeft,
alleen een beker koud waters, in de naam eens discipels, voorwaar zeg ik u, hij
zal zijn loon geenszins verliezen." Wat zal hij dan doen als gij de
rechtvaardige uit de macht der bozen en bloeddorstigen
verlost?
|
|
Luk. 12,
vs. 42, 45.
|
Ziet, de Heere heeft u over zijn Huis gesteld,
omdat voor te staan en te verzorgen. Zalig bent gij, als Hij bij zijn komst u
aldus bevindt. Maar, als gij in uw hart zegt "De Heere; vertoeft te komen," en
gij begint uw mededienstknechten te verdrukken, en de lust van uw hart op te
volgen; dan zal voorwaar de Heere komen op de dag, waarin gij Hem niet verwacht,
en zal u in stukken houwen, en uw deel zetten met de ontrouwen; want een
dienaar, die de wil zijns Heeren kent, en die niet wil volbrengen, en niet naar
zijn wil gedaan heeft, zal met vele slagen geslagen worden; en die veel gegeven
is, van die zal ook veel geëist worden. Denkt daarover toch
na!
|
|
Tot de
onwetenden, Joh. 16, vs. 2. 2 Thess. 2, vs. 10, 11.
|
Ten anderen. Zij, die door onwetendheid kwaad en
boos zijn, en menen God een dienst te doen, wanneer zij iemand om Gods Woord
doden en verbranden, deze volgen juist de voetstappen van hun voorouders, en
zullen ook hun loon ontvangen. Tot zulk een val moesten zij komen, omdat zij de
liefde tot de waarheid niet hebben ontvangen tot hun zaligheid. Daarom zendt de
almachtige God hun krachtige dwalingen toe, opdat zij de leugens zouden geloven,
en zij allen geoordeeld worden, die de waarheid niet hebben geloofd, maar de
ongerechtigheid beschermd. Waarlijk, die de tirannie van Farao navolgen, Gods
woorden ongehoorzaam zijn, en het volk des Heeren met geweld onderdrukken,
zullen ook door de krachtige hand des Heeren in de wateren der verderfenis
verzinken en vergaan.
|
|
Voorbeelden van de straf van de
vervolgers.
|
Is het ooit gebeurd, dat zulke bloeddorstige
lieden zonder een vreselijke dood deze wereld hebben verlaten? Waarlijk, zelden
of nooit geschiedt dit, als ons oude en nieuwe geschiedenissen betuigen. Denkt
aan Kaïns dood tot op onze tijden; ten allen tijde was God een wreker van het
bloed zijner uitverkorenen, dat om wraak roept voor zijn oren. Hoe geweldig
heeft de Heere zo vele machtige koningen vernield, die zijn volk, dat Hij uit
Egypte bracht, wilden verdrukken. Hoe schandelijk zijn de koningen opgehangen en
verwurgd!
|
|
1 Sam.
31, vs. 4.
|
Welk een verschrikkelijk einde had de boze koning
Saul, nadat hij David zo vaak had vervolgd, en de priesters des Heeren met het
zwaard gedood, heeft hij eindelijk met zijn eigen zwaard zich van het leven
beroofd. Jerobeam, de koning, door God over Israël gesteld, versloeg de Heere
met zijn gehele geslacht, omdat hij de leraars, de profeten des Heeren verdreef,
en een valse godsdienst voor het volk in het leven had
geroepen.
|
|
1 Kon.
22, vs. 34, 38.
2 Kon.
9, vs. 33, 35.
2 Kon.
26, vs. 7.
Judith
13, vs. 10.
De
voetstappen van Antiochus worden door onze koningen gevolgd, 1 Makk.
1.
|
Achab, de koning, werd doorschoten, en de honden
lekten zijn bloed, omdat hij de onschuldige Naboth ten onrechte door de rechters
liet doden, en niet hoorde naar de Profeten des Heeren. Izebel, zijn vrouw, werd
uit het venster geworpen, brak de hals, en werd door de bonden verslonden, omdat
zij de Profeten van God en alle Godvruchtige mannen verdreef en vermoordde. Om
dezelfde reden werd Zedekia blind in de Babylonische ballingschap, en Holofernus
schandelijk door een vrouw verslagen; ja, ook Antiochus, de koning, die een
duidelijk voorbeeld is voor de vorsten en koningen in onze tijden, wiens
voetstappen zij allen navolgen; want door zijn bevel dwong hij Gods volk de
heidense gewoonten en wetten te onderhouden, en Gods bevel te overtreden, en
stelde kettermeesters en onderzoekers aan in alle steden, die het volk daartoe
dwongen. Hij liet de boeken, de Testamenten des Heeren in stukken snijden en
verbranden. Wie Testamenten des Heeren bezat, en volgens zijn Woord wilde leven,
werd op bevel des konings gedood. Deze werd door de Heere met zulk een weemoed
en droefheid van het hart getroffen, dat hij aan de gevolgen daarvan stierf. In
onze tijden mag men zich hieraan wel voor goed spiegelen. Let hierop toch, want
Gods hand is ook nu niet verkort, om de wreedheid der tirannen te straffen, en
het bloed zijner martelaren te wreken.
|
|
Christenen worden ketters en
oproermakers genoemd.
|
Zegt iemand soms: “Ja dat deden de goddelozen aan
de kinderen Gods; maar nu vervolgt men niemand dan oproerige ketters,
sektemakers, en hen die het volk verleiden."
Och, gij vrome heren, let toch eens op de aard en
de natuur van de satan, die zich toch dagelijks als een God opwerpt, en zijn
macht verheffen wil, opdat hij God en zijn heerlijkheid zou verduisteren en
teniet doen. Wie zijn toch de ketters? Zij, die de woorden des Heeren navolgen,
of zij, die daartegen opstaan en die onderdrukken? Die de boosheid bestraffen en
haten, of die verdedigen en navolgen? Oordeelt nu zelf, wie de ketters
zijn.
|
|
Joh. 5, vs. 39. Matth.
28, vs.
19.
|
Christus beveelt de christenen de Schrift te
onderzoeken, waarin zij het eeuwige leven zullen vinden. Hij beveelt de
predikanten te prediken volgens zijn bevel. Dit te doen wordt verboden en
ketterij genoemd; die volgens zijn bevel prediken en de valsheid bestraffen,
heten verleiders en oproermakers, die men niet kan uitstaan. Zij, die de
sacramenten naar het bevel des Heeren Jezus Christus uitdelen en ontvangen,
worden valse leraars, sektemakers, en sacramentschenders genoemd door hen, die
de sacramenten van Christus vervalsen, schenden of vernietigen. Christus heeft
bevolen, dat allen uit één kelk moeten drinken, en, die dat doen willen, heten
ketters, want de priesters verbieden dat. Zij, die de heidense afgoderij van
houten en stenen beelden te aanbidden, aan te roepen, te verlichten en te
vereren volgens Gods Woord verbieden, noemt men beeldstormers en verachters van
heiligen bij dit overspelig en afgodisch geslacht. Daarentegen heten zij, die de
afgoden oprichten, heilige christenen.
|
|
Jes. 5, vs.
20.
Amos 7, vs.
10.
1 Kon.
18, vs. 17.
Luk. 23,
vs. 2.
Matth. 26, vs.
61.
Hand. 24, vs.
5.
|
Ziet aldus weet de duivel het blaadje door zijn
handlangers om te keren. Wee u, wee u, die het kwade goed noemt, en het goede
kwaad, die het licht duisternis acht, en de duisternis licht. Gelijk Amazia, de
priester van Bethel, liet volk tot afgoderij verleidde, zo beschuldigt men de
prediker des Heeren, dat hij oproerig is jegens de koning, en beweert, dat het
land zijn prediking niet verdragen kan, en hij uit het land moet verbannen
worden. Elia werd als een oproermaker door de koning Achab gescholden, omdat hij
de Baälpriesters wegens hun afgoderij bestrafte. Christus zelf werd door de
geestelijkheid bij de wereldlijke overheid als een oproermaker aangeklaagd, en
gezegd, dat Hij het volk beroerde van Galilea af tot hiertoe; dat Hij verbood de
keizer schatting te geven, en dat Hij de tempel wilde verbreken. Paulus werd
door de Joodse priesters voor de Romeinse rechter als een oproermaker en
voorstander der sekten beschuldigd. Het moet de christenen gaan, zoals het
Christus, de Apostelen en Profeten ging. Zouden de discipelen beter zijn dan de
Meester? Dat kan niet. Let er op en ziet, of de eigenlijke ketters niet altijd
de godzaligen hebben vervolgd. Waar vindt men, dat de valse profeten en valse
leraars door de wereld vervolgd werden? Is het ooit gezien of gehoord? Neen,
toch niet, want de wereld bemint altijd het hare; zij scheidt, vervloekt, doodt
en verbrandt, wat door Christus is uitverkoren, want dat is niet van de wereld.
Zo werden Christus en zijn leerlingen door die wereld als ketters, verleiders en
oproermakers gehouden, en de verleiders, ketters, en die tegen de Heere oproerig
waren, werden door de wereld christenen genoemd.
Daarom, gij christelijke heren en overheden van
het volk, let niet op het geroep en geschreeuw van het volk, op de klachten van
de geestelijkheid, die altijd tegen Christus en zijn heilig Woord opstonden, en
bekreunt u ook niet om de gewoonte of het algemeen gebruik en de loop der wereld
van de tijd der voorouders af; want deze zouden u allen bedriegen. Maar let op
het onvervalste Woord des Heeren, dat een licht voor uw voet zal zijn, opdat gij
in de duisternis niet struikelt. Weest niet langer onwetend in goddelijke zaken,
opdat gij de onschuldigen kunt beschermen tegen hun
overweldigers.
|
|
Christus
wordt vervolgd in zijn dienaars. Hand. 9, vs. 5. Zach. 2, vs. 8. Ps. 105, vs.
15.
|
Bedenkt, dat, wanneer gij Gods dienaren voor u
hebt, dat Christus zelf voor u staat, en door u wordt veroordeeld, en dat Hij
tot u zegt: Waarom vervolgt gij Mij? Het is u hard de verzenen tegen de prikkels
te slaan. Aangaande deze zijn uitverkorenen zegt Hij toch: Die u aanraakt, raakt
de appel mijner ogen aan. Hij vermaant u door te zeggen: Tast mijn gezalfden
niet aan, en weest niet wreed jegens mijn Profeten.
Het is een grote wreedheid en een verschrikkelijke
ondankbaarheid om hen te onderdrukken, die hun bezittingen en leven wagen, om u
van de weg der verderfenis tot het eeuwige leven te voeren; aldus beloont gij
het goede met het kwade. Dit zijn immers geen bewijzen van ware mensen, nog veel
minder van christenen. Daarom bid ik u, en vermaan u door onze Heere Jezus
Christus, door wiens bloed gij van de tirannie des duivels verlost bent, u te
wachten van uw handen te bevlekken met het bloed der rechtvaardigen. Doet u het,
de hand des Heeren is nu opgeheven om zulke onrechtvaardige wreedheid en wrede
onrechtvaardigheid te straffen. Verstout gij u, de godzaligen te verdrijven en
uit te roeien, zo zult gij allen vergaan.
|
|
Gen.
7.
Gen.
19.
|
Toen Noach in de ark ging, rees de verderfelijke
watervloed over alles, wat leven ontvangen had. Toen de godvrezende Lot met zijn
dochters uit Sodom vertrok, kon men niet anders dan zwavel en vuurregen van de
Heere verwachten, om alle bozen te verteren. Daarom, ziet toe, gij bent in uw
eigen licht, gij verderft uzelf.
|
|
Jes. 1,
vs. 9.
Gen. 3,
vs. 15.
2 Thess. 2, vs.
8.
Spr. 21, vs.
20.
Hand. 3,
vs. 17.
|
Want zo de Heere u geen zaad nalaat, dan zult gij
als Sodom en Gomorra door Gods toorn worden verslonden. Wilt gij de slang helpen
in Christus’ hielen te bijten, dan zal uw hoofd in stukken geslagen worden. Wilt
gij de antichrist op zijn zetel verheffen, dan zal Christus u met het zwaard van
zijn Woord vernielen, en tot een voetbank zijner voeten maken. Tegen God geldt
toch raad noch geweld. Nu, welaan, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan
hebt, zoals al uw voorvaders de Profeten en Apostelen hebben omgebracht, maar
bekeert u nog, en laat af van het vergieten van het onschuldig bloed, en de
Heere, die rijk is in barmhartigheid, zal zich uwer ontfermen, en met geopende
armen ontvangen. Volgt het voorbeeld van de koning Manasse; beweent uw zonden,
en de Heere zal u genadig zijn. Want Hij wil de dood van de zondaar niet, maar
dat hij zich bekeert en leeft. Wanneer gij het boze laat varen, en u bekeert,
zal de Heere een licht laten opgaan in uw harten, en de zon der gerechtigheid
overal laten schijnen. In vreugde zult gij uw leven doorbrengen, en in vrede uw
volk regeren. Het volk zal de wet des Heeren leren, en zij zullen de vrees Gods
voor ogen hebben. O, gelukkig volk, dat dit ten deel valt, die de Heere voor hun
God houden. O zalige overheden, die het wetboek en de Testamenten des Heeren
steeds in de hand hebben, en zich daarin oefenen dag en nacht. Want zij zullen
de wil des Heeren erkennen, en hun volk in rechtvaardigheid
regeren.
|
|
Jes. 11,
vs. 9.
|
Dan zal niemand gewond of gedood worden op de
heilige berg van God; want de aarde zal vervuld worden van de kennis des Heeren.
De almachtige, en barmhartige God, de Vader van onze Heere Jezus Christus,
verlichte eenmaal door zijn Heilige Geest de duistere ogen en blinde harten, en
vooral die van de overheid, opdat zij zien mogen in wie zij gestoken hebben, en
de Heere der heerlijkheid en de Koning aller koningen belijden, zijn naam
heiligen, zijn gemeente beschermen, en alzo hun poorten openen, om de Koning der
heerlijkheid te ontvangen. Amen.
|
Antwerpen, in het jaar onzes Heeren
1559.
Adrianus Haemstedius
Beminde, goedgunstige lezer, het is genoeg bekend,
dat de gelovigen der eerste kerk, naar de voorzegging van de Heere Jezus
Christus, aan vele en zware beproevingen waren onderworpen, want zelfs de
Apostelen van Christus hadden uit de Joden en Heidenen tot vijanden, die in deze
wereld, volgens het oordeel der mensen, de geleerdste, machtigste en
uitnemendste waren, die hen met alle macht en wreedheid vervolgden, en eindelijk
doodden en ombrachten. Doch van de apostolische tijd ontstond er nog veel
grotere tirannie, toen de Romeinse keizers al hun macht aanwendden, om het ware
geloof en de christelijke kerk, die over de gehelen aardbodem zich begonnen uit
te breiden, uit te roeien. Men leest ook, dat zij tot de tijd van Constantijn de
Grote, gedurende drie eeuwen, geen wreedheden nalieten te plegen, om het geloof
uit te blussen. Zij toch beroofden de christenen niet alleen van wereldse eer,
staat en waardigheid, maar de christenen werden ook onthoofd, opgehangen,
verdronken, verbrand, de wilden dieren voorgeworpen, en allerlei martelingen
werden hun aangedaan. Ja, de wilde stomme dieren waren soms barmhartiger dan de
tirannen, zodat zij vele gelovigen spaarden, en de beulen verscheurden en
verslonden. In één woord, de wreedheid was in die tijden zo buitengewoon, dat er
ten tijde van Diocletianus geen grote stad was, waarin niet iedere dag bijna
honderd gelovigen werden gedood. De geschiedschrijvers hebben zelfs aangetekend.
dat er eens in één maand zeventien duizend christenen werden omgebracht. Doch
onder deze verschrikkelijke vervolgingen ondervond men ook de vertroosting, dat
wanneer de christenen dikwerf in onreine kwalijk riekende gevangenissen lagen,
zij door andere broeders niet vergeten, maar door hen getroost, versterkt en van
spijs in de gevangenis voorzien werden; of, indien hun dit door een
gevangenbewaarder niet werd toegestaan, schreven en zonden zij hun enige
troostrijke brieven; ook hielpen en sterkten zij hen in hun heilige voornemens
met hun openbare en bijzondere gebeden.
En aangezien God wilde, dat ook de gedachtenis van
zijn heilige martelaren onder de mensen in waarde zou gehouden worden, droegen
de vroegere christenen niet alleen zorg voor hun gevangen medebroeders in het
leven; maar ook, wanneer zij om de naam van Jezus Christus waren gedood, werd de
gedachtenis van deze martelaren ook in ere gebonden, omdat zij vast geloofden,
dat de zalige martelaren uit dit ellendig tranendal naar het eeuwige en
onsterfelijke leven verreisd en waarlijk wedergeboren waren; en ook, om zich en
hun medegelovigen door zulk een gedachtenis tot gelijke standvastigheid op te
wekken. Opdat ook de geschiedenissen der martelaren niet in vergetelheid zouden
geraken, waren er ook, die deze schriftelijk te boek stelden, zoals men, onder
andere, leest, dat Keizer Constantijn, op verzoek van Eusebius, bisschop van
Cesarea, naar alle delen der wereld mannen zond, en de namen van de martelaren
alsook de tijd van hun lijden liet optekenen, alsmede onder wie, op welke wijze
en in welke plaatsen zij hadden geleden. Te beklagen is het echter, dat, wat de
eerste christenen tot opwekking der standvastigheid diende, dit door de
nakomelingen in schandelijke afgoderij werd veranderd.
Doch, wat zullen wij zeggen van de
verschrikkelijke vervolgingen, die toen en later hebben plaats gehad? Het aantal
der vroegere martelaren was zeer groot; maar wie kan het veel grotere getal van
onze martelaren berekenen? De vroegere martelaren werden gruwelijk gepijnigd en
gedood, maar welke tong kan uitspreken, of welke pen kan beschrijven met welke
vreselijke barbaarse en onmenselijke martelingen, zoals onthoofden, verdrinken,
ophangen, levend begraven, langzaam in het vuur roosteren, tot as verbranden en
dergelijke wrede doodstraffen de martelaren in later tijd werden omgebracht? En
daarom verdienen zij geen geringen lof, die zich benaarstigden de gedachtenis
van onze martelaren onder de mensen levendig te houden. Vooral voegt het ons
Nederlanders, hen zeer te danken, die de namen der martelaren, als ook de tijd
wanneer en de plaatsen, waar zij gepijnigd werden, de martelingen, die hun
werden aangedaan en dergelijke omstandigheden meer, tot een eeuwige gedachtenis
van hun standvastigheid beschreven en de nakomelingen nagelaten
hebben.
En, aangezien het bloed der martelaren zo
overvloedig bijna als water, niet alleen in de Nederlanden, maar ook in het
gehele christelijke rijk vloeide, zijn in dit boek niet alleen de martelaren in
Nederland opgenomen, maar ook verscheidene andere martelaren, die in Engeland,
Frankrijk, Spanje, Italië, en andere landen, om de belijdenis der waarheid
leden, er bijgevoegd; doch niet allen, slechts de voornaamste; ook niet met alle
bijzonderheden, zoals die in de Engelse, Franse en andere martelaarsboeken
beschreven staan; want dit alles zou niet in één deel opgenomen kunnen worden,
maar alleen het voornaamste wat er bij hun martelingen plaats
had.
Daar vroeger dit Nederlandse martelaarsboek in
drie delen was uitgegeven, hebben wij daarvan nu één deel gemaakt, en iedere
martelaar naar volgorde beschreven, en wel op behoorlijken tijd en plaats. Zo
veel ons mogelijk was, hebben wij er ook op gelet of iemand hunner in het een of
in het andere gedeelte van het jaar gemarteld werd, en dit ook naar volgorde
geschikt. Wij hebben ook verzwegen zulke geschiedenissen, die wij zagen dat op
twee of drie verscheidene plaatsen werden verhaald, en wel soms met dezelfde
namen, soms met een kleine verandering; en hebben ons daarbij aan de
uitvoerigste gehouden.
Deze laatste druk is ook met verscheidene schone
en gedenkwaardige geschiedenissen, die vroeger in het Nederlandse Martelaarsboek
niet waren opgenomen, vermeerderd, zoals bijvoorbeeld: Bij de moord te Parijs
hebben wij ook gevoegd de moord, die in die tijd, om dezelfde redenen, in andere
provinciën en steden van Frankrijk, als te Angers, Rouaan, Bordeaux en andere
plaatsen tegen de Hervormden plaats had; ook de moord die in 1620 in Valtellina
aan de Hervormden geschiedde, en meer andere geschiedenissen van bijzondere
gelovigen tot het jaar 1633; alsmede de onmenselijke en ongehoorde wreedheid
gepleegd jegens de Hervormde christenen in het koninkrijk Ierland, in het jaar
1641, alsmede de verschrikkelijke moord aan de Waldenzen in Piëmont in het jaar
1655.
De Verhandeling over de hovaardij en opgeblazen
oppermacht der Pausen het eerst in de Engelse taal geschreven door de eerwaarden
dienaar van Jezus Christus, Johannes Foxus, en daarna in onze Nederlandse taal
overgebracht door H. Hexam, hebben wij laten voorafgaan, die ons toont, hoe al
de bloedige vervolgingen der gelovigen in de volgende eeuwen ontstaan zijn, tot
op deze dag. Daarin wordt ons levendig voor ogen gesteld, hoe de eerste getrouwe
bisschoppen van Gods Kerk in verloop van tijd al erger en erger werden, en hoe
zij langzamerhand als van zeer goede onderdanen der keizers en koningen,
geworden zijn heren en heerschappijvoerders over koningen en koninkrijken, die
in de tempel Gods als een God zitten, zichzelf vertonende dat zij God zijn;"
zoals dit door de Heilige Geest vooruit gezien, en ons in de Heilige Schrift
voorzegd en geopenbaard is." En aangezien de getrouwe bisschoppen en vrome
getuigen van Jezus Christus de hoogmoed van deze bedorven bisschoppen niet
konden verdragen, noch voor het hoofd der kerk, waarvoor zij zich uitgaven,
zoals de pausen nog doen, wilden erkennen, maar veel meer voor de waren
antichrist, die zich tegen Christus verheft, en derhalve ook hun menselijke
vonden en instellingen niet wilden goedkeuren noch aannemen, daarom hebben vele
martelaren hun bloed laten vergieten; daardoor is de gehele wereld in beroering
gebracht; daardoor heeft zich de Babylonische hoer tot nog toe dronken gemaakt
niet het bloed der vrome martelaren daardoor is het aantal van hen, "die gedood
waren om het Woord Gods en om het getuigenis” dat zij zo groot en ontelbaar
geworden, dat het door niemand ter wereld kan worden berekend, waarom ook de
namen van vele duizenden martelaren in dit boek niet konden worden opgenomen,
die echter in de hemel, in het boek des levens, geschreven
zijn.
Wij bidden daarom de christelijke lezer, deze onze
genomen moeite ten goede te willen aannemen, en die zo tot nut te maken, opdat
het mag medewerken tot grootmaking van Gods heiligen naam en eer, tot stichting
van de naasten, versterking in het geloof en tot zaligheid der zielen.
Amen.
In het twee en veertigste jaar van de regering van
Augustus, de tweede Romeinse keizer, is Jezus Christus, de enige Zoon van de
levende en almachtige God, door de kracht des Heilige Geestes ontvangen en
geboren uit de maagd Maria, en waarachtig mens geworden uit het zaad van David
naar het vlees, gelijk Hij tevoren de vaderen was beloofd, om het menselijke
geslacht met Zijn Vader te verzoenen, en van zonde, dood, duivel en verdoemenis
te verlossen door de onbevlekte offerande Zijns lichaams. Zijn ontvangenis te
Nazareth en Zijn geboorte te Bethlehem is zeer wonderbaar en goddelijk geweest;
en, naardien Hij om onzentwil onder de wet geworden is, om ons van de slavernij
der wet te verlossen, is hij besneden, en in de tempel de Heere voorgesteld; ook
is Hij toegenomen in wijsheid, in grootte en in genade bij God en de mensen.
Maar, aangezien door het gerucht van de komst der Wijzen, Herodes en geheel
Jeruzalem beroerd waren over Zijn geboorte, hebben zij Hem terstond vervolgd en,
om Hem te doden, de Bethlehemitische kinderen wreed vermoord; maar Christus is
(door de waarschuwing van de Engel) met Zijn ouders naar Egypte gevlucht, en
daar gebleven tot áèn (lood van Herodes. Toen Hij onder de regering van
Archelaus wederkeerde naar Nazareth, was Hij Zijn moeder en vermeenden vader
onderdanig. Verder zich met Zijn ouders begevende naar de feesten te Jeruzalem,
heeft Hij op Zijn twaalfde jaar een heerlijk bewijs van Zijn Godheid getoond
onder de geleerden der wet, en heeft voorts een gewoon leven geleid, Zich met
timmeren bezig gehouden onder Zijn vermeende vader Jozef, tot het dertigste jaar
Zijns levens.
In het dertigste jaar Zijns levens, toen Tiberius,
de derde keizer van Rome, regeerde, is Hij aan Israël geopenbaard, en door God
Zijn Vader in het openbaar door de doop en de zalving des Heilige Geestes tot
onze groten Profeet, Hogepriester en eeuwige Koning gewijd, dat is tot onze ware
Messias en Zaligmaker.
En, om dit ambt ten onze beste te kunnen bedienen,
heeft Hij Zich begeven tot vasten en bidden, waarin Hij is verzocht is geweest
van de satan; maar hem krachtig overwinnende, heeft Hij het leraarsambt bediend
met zulk een macht, volkomenheid en aangenaamheid, dat zelfs Zijn vijanden zich
daarover verwonderden en zich ontzetten.
Zijn hemelse leer en de wil Zijns Vaders heeft Hij
in Zijn eigen persoon, door Zijn goddelijke kracht, met zulk een overvloed van
wonderen bevestigd en versterkt, dat zelfs de redeloze schepselen daarover
bewogen en alle mensen verwonderd waren.
Hij heeft de kerk van God Zijn Vader hervormd en
gezuiverd, alle dwalingen en vervalsingen van de wet verbeterd, de boosheden der
mensen bestraft en de verdrukkers der waarheid gestadig overwonnen. Hij heeft
Zich ook discipelen verzameld, en een kerk of geestelijk rijk opgericht. In Zijn
leven heeft Hij onstraffelijk en onbevlekt gewandeld, opdat Hij de wet voor ons
zou kunnen volbrengen, gelijk van de waren Messias werd vereist, en door de
reine beesten in de offeranden is afgebeeld.
Hij was de schoonste en heerlijkste onder alle
mensen; in voorkomen, gedaante en zeden aldus gesteld, dat Hij wonderlijk was en
aangenaam boven alle schepselen, Welke de Engelen hebben begeerd te
aanschouwen.
In één woord, in alles was Hij vol wijsheid, ernst
en heerlijkheid; ja de kracht Zijner Godheid was vaak glansrijk en te
aanschouwen in Zijn menselijk lichaam.
Maar om onzentwil is Hij integendeel geweest de
allerverachtste en onwaardigste, een worm en geen mens, omdat Zijn gehele leven
één gedurig lijden is geweest, opdat Hij ons door Zijn lijden zou heiligen; want
wat hij heeft geleden van de ondankbare Joden, Schriftgeleerden, Farizeeën en
vele andere Goddeloze mensen, en hoe menigerlei benauwdheden, gevaren en
zwarigheden Hij voornamelijk gedurende de tijd van drie jaren heeft uitgestaan
en verdragen, is met geen woorden uit te spreken, noch pen te
beschrijven.
Doch men moet onderscheid maken tussen Hem en de
martelaren, wier dood, hoewel kostelijk in de ogen des Heeren, niet tot
verlossing van iemand strekt, maar om te bewijzen de volstandigheid van hun
geloof en de vervulling der broederschap; want Christus heeft de pers alleen
getreden, omdat Hij heeft geleden en gesmaakt de toorn Gods en de gramschap der
hel, welke alle martelaren in het allerminst niet konden bedenken, laat staan
lijden en dragen.
De kerkleeraars zeggen wel, dat het bloed der
martelaren het zaad der kerk is, maar niet de verzoening der kerk. En, als zij
gezegd worden de overblijfselen van het lijden van Christus te vervullen, dan is
dit niet zo te verstaan, dat aan het lijden van Christus iets zou hebben
ontbroken, maar dat zij Zijn voorbeeld navolgen, en alzo is Hij nog lijdende in
Zijn heiligen. Want, zoveel de verzoening der kerk aangaat, zij is alleen
verlost en gezuiverd door het dierbaar bloed van Christus Jezus, de Zoon Gods.
Voorts, benevens de verzoening in alle Christus,
zo dient ons ook Zijn lijden tot een voorbeeld om na te volgen; want Hij is als
onze Heere en opperste Hoofd ons voorgegaan, opdat wij, onder Zijn banier
strijdende, door Hem zouden verkrijgen de volle overwinning tot onze zaligheid.
Maar Hij is alzo niet de eerste onder alle martelaren, in deze tijd, onder
keizer Tiberius; want het Lam Christus is van het begin der wereld aan geslacht,
zodat Hij is de eerste en als het Hoofd der martelaren voor Abel en al de
profeten, die ooit om des Heeren wil hebben geleden; maar eigenlijk heeft Hij in
de volheid des tijd alle dingen door Zijn dood volbracht.
Ten laatste, nadat Hij het Heilige Avondmaal voor
de Zijnen tot een gedachtenis van Zijn dood en verzegeling van hun zaligheid had
ingesteld, is Hij van Zijn eigen discipel Judas verraden, en van een grote
schare, uit gezonden door de Overpriesters, Schriftgeleerden en Ouderlingen van
het volk, gewapend met zwaarden en stokken, gevangen genomen en
gebonden.
Deze brachten hem eerst naar Annas, die Hem daarna
gebonden zond naar Kajafas de hogepriester, waar de Schriftgeleerden en
Ouderlingen vergaderd waren.
Voor deze Joodse raad is Hij vals beschuldigd, dat
Hij gezegd had, dat Hij de stoffelijke tempel van Jeruzalem, die met handen
gemaakt was, zou afbreken. en in drie dagen een anderen, zonder handen gemaakt,
opbouwen. Daar heeft men ook verklaard, dat Hij een Godslasteraar was, omdat Hij
Zich Gods Zoon had genoemd. Daar hebben enigen Hem in Zijn heilig aangezicht
gespogen en met vuisten geslagen; anderen hebben Hem kinnebakslagen gegeven en
gezegd: profeteer ons Christus, wie is het, die U geslagen
heeft?"
Deze Joodse raad Hem, des doods schuldig
geoordeeld hebbende, is Hij door tien aan de wereldlijken rechter Pontius
Pilatus overgeleverd, met verzoek, dat Hij zou gekruisigd worden. Pilatus,
wetende, dat de Joden Hem uit nijd hadden overgeleverd zocht alle middelen om
Hem los te laten, en betuigde dat Hij, na naarstig onderzoek van alles, geen
schuld in Hem vond; maar, ziende, dat Hij hierdoor bij hen niets vorderde en dat
zij desniettegenstaande bleven roepen: "Kruis Hem, kruis Hem," en hem dreigden
met de ongenade des keizers, zo heeft hij (nadat hij zijn handen met water
gewassen en betuigd had, dat hij onschuldig was aan het bloed van deze
Rechtvaardige, en de Heere Jezus had gegeseld) Hem aan de krijgsknechten
overgeleverd om gekruisigd te worden.
Deze hebben Hem, in het rechthuis nemende,
ontkleed, een purperen mantel aangedaan, een doornenkroon op het hoofd gezet,
een rietstok in Zijn rechterhand gegeven, en, op hun knieën voor Hem
neervallende, bespot, zeggende: wees gegroet, gij Koning der Joden;" en op Hem
gespogen hebbende, hebben zij Hem met een rietstok op het hoofd geslagen, daarna
de mantel afgedaan, en wederom Zijn eigen klederen aangetrokken, en aldus
uitgeleid om gekruisigd te worden.
Eindelijk werd hij naakt tussen twee moordenaars
gehangen,Zijn handen en voeten doornageld en aan het kruis gehecht. Onder
vreselijke smarten des lichaams en der ziel, in de uiterste benauwdheid, om
onzer zonden wil, uitroepende: mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij
verlaten," is Hij gestorven, terwijl Hij Zijn ziel met vertrouwen in de handen
van God Zijn Vader beval, in de leeftijd van drie en dertig jaren, omtrent het
achttiende jaar der regering van Tiberius, de derde keizer van
Rome.
De Heere Jezus Christus is na Zijn dood door Jozef
van Arimathea en Nicodemus op eervolle wijze ter aarde besteld en begraven, en
ten derde dag als de eersteling dergenen, die ontslapen zijn, opgestaan uit de
doden, tot eeuwige onsterfelijkheid. Na veertig dagen is Hij openlijk voor de
ogen Zijner Apostelen naar de hemel gevaren, en gezeten aan de rechterhand Gods,
om op de jongste dag vandaar terug te komen, teneinde te oordelen de levenden en
de doden, en Zijn gelovigen op te wekken, en met lichaam en ziel over te brengen
in het eeuwige leven.
[JAAR 32.]
Johannes, bijgenaamd de Doper, uit de stam van
Aäron, een zoon van de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, naar het
bevel van de Engel aldus genaamd, werd geboren ten tijde van de koning Herodes,
en wel op een wonderbare wijze, toen zijn ouders op hogen leeftijd gekomen
waren, en is van zijn geboorte aan vervuld geweest met de Heilige
Geest.
Toen hij nu omtrent dertig jaren oud was,
(ongeveer een half jaar voor de Heere Christus Zijn Profetisch ambt begon) in
het vijftiende jaar der regering van de keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus
stadhouder was, ten tijde van de Hogepriesters Annas en Kajafas, is hij van God
geroepen en gezonden om te prediken de doop der bekering tot vergeving der
zonden, en als een Engel of bode voor het aangezicht van Christus de weg te
bereiden voor de Messias, en het hart der vaderen te bekeren tot de
kinderen.
Aangaande de heerlijkheid van deze man had de
Engel des Heeren gezegd, dat velen zich over zijn geboorte zouden verblijden,
dat hij groot zou zijn voor de Heere, om voor Hem te bereiden een toegerust
volk, en (zoals niet alleen de Profeten, maar ook Zacharias van hem door de
Geest des Allerhoogste had voorgezegd) om Zijn volk kennis der zaligheid te
geven, in vergeving van hun zonden.
Als Johannes nu van God aldus was geroepen en
gezonden, om van het licht van Christus te getuigen, kwam hij aan de Jordaan bij
Salim en elders, terwijl hij doopte en leerde. Hij bezat een uitnemende geest en
verstand; en velen kwamen er om van.hem gedoopt te worden en naar zijn leer te
horen, onder wie vele geveinsden en boze mensen, wien hij ernstig de waarheid
zei, bestrafte en vermaande tot bekering. De arme zondaars, tollenaars,
krijgslieden en anderen heeft hij met groten ijver onderwezen en getroost in de
weg der zaligheid.
Toen hij met zijn werk begon, kwam Christus aan de
Jordaan en Deze verzocht door hem gedoopt te worden, hetwelk hij eerst uit
nederigheid en met een goede bedoeling weigerde; maar Christus overtuigde hem,
dat zulks nodig was, zodat hij Hem dan ook doopte en dadelijk van Christus
getuigde dat Hij het Lam Gods en de Bruidegom Zijner kerk, ware Messias, Wiens
schoenen hij niet waardig was Hem na te dragen.
Aangezien Johannes doopte en leerde onder een zeer
groten toeloop van volk, waren er velen die twijfelden, of hij zelf niet de
Messias was, welke eer hij echter van zich afgewezen en Christus, Wien zij
alleen toekwam, gegeven heeft. De Farizeeën en Joden hebben toen hun gezanten
tot hem gezonden, om hem te vragen naai, zijn roeping, zending en gezag, omdat
hij de Evangelische leer verkondigde, en nochtans de Christus niet was. Hij
heeft hun echter zo geantwoord, dat zij bedremmeld en beschaamd heengingen. Toen
nu Johannes (die zeer ijverig, was,) vele leerlingen maakte, en die leerde
vasten en bidden en hij van zijn werk zich met loffelijke ijver kweet, won hij
in grote mate het vertrouwen, aanzien en gezag bij alle mensen, zelfs bij de
koning Herodes Antipas, die hem in waarde hield en graag hoorde. Maar deze
koning had zich aan een goddeloze daad schuldig gemaakt, door namelijk zijn
eigen vrouw, de dochter van Aretas, de koning van Arabië, te verstoten, en de
vrouw van zijn broeder Filippus, nog bij het leven van haren man, tot zich te
nemen, terwijl zijn broeder reeds enige kinderen bij haar had verwekt. Dit kon
Johannes overeenkomstig zijn ambt niet verduren, noch verdragen, en zonder vrees
voor ondank of geweld heeft hij hem openlijk over deze bloedschande bestraft.
Doch, daar de goddelozen niet willen bestraft worden, zo haatte hij hem, en
zocht een aanleiding om hem te doden. En aangezien velen dachten, dat hij de
Messias was, waardoor de toeloop van het volk dagelijks groter werd, zo heeft
Herodes Johannes (onder de naam van oproermaker) laten gevangen nemen en
overbrengen in de kerker Machaerus.
Intussen heeft Johannes zijn werkzaamheden niet
gestaakt, en zelfs uit Zijn gevangenis enige van zijn discipelen tot Christus
gezonden, om hen en anderen door Christus, leer en wonderen van de waarheid van
Diens toekomst te verzekeren, gelijk ook heeft plaats
gehad.
De Heere Christus heeft niet alleen toen, maar ook
later bij herhaling een goede getuigenis gegeven van zijn leer, standvastigheid,
zijn doop, en gesproken van zijn klederen, eten en drinken, in één woord, dat
hij in alles was de ware, geestelijke Elia, een brandende kaars, de grootste
Profeet onder hen, die van vrouwen geboren waren. Dat hij geen tekenen deed, was
misschien wel daarom, opdat men niet menen zou, dat hij de Christus
was.
Maar de goddeloze en ontuchtige Herodias, nog niet
tevreden, dat Johannes gevangen zat, legde hem lagen, om hem zo mogelijk te
laten doden, doch dit gelukte haar niet, want Herodes vreesde Johannes. Doch op
de verjaardag van Herodes gaf deze aan zijn hovelingen een luisterrijken
maaltijd, waarbij het dochtertje van Herodias, ten genoegen van al deze
lichtzinnige lieden, zeer mooi danste. Herodes beschonken zijnde, vond daarin
zulk een beha gen, dat hij het met ede bezwoer, haar alles te zullen geven, wat
zij begeerde. Nu had Herodias gelegenheid zich op Johannes te wreken, en raadde
haar dochter aan, van Herodes te vragen, dat haar terstond het hoofd van
Johannes de Doper in een schotel zou gebracht worden. Herodes, dit horende, was
zeer bedroefd; maar om zijn lichtvaardig gezworen eed te houden, en om
(zogenaamd) zijn woord niet te breken tegenover zijn hovelingen, stond hij haar
verzoek toe; liever zijn zondigen eed houdende, dan die te breken, waarmee hij
echter zich zo niet zou bezondigd hebben. De scherprechter werd nu naar de
gevangenis gezonden, en deze beeft Johannes zonder enig rechterlijk vonnis
onthoofd, terwijl het hoofd van deze Profeet, tot een bewijs van hun wreedheid,
ten spot en schouwspel van deze goddeloze lieden, ja tot een getuigenis van de
barbaarsheid van hen allen in een schotel gebracht werd. Alzo hebben zij hem,
onder toelating van de Voorzienigheid Gods vervolgd, gelijk zij
begeerden.
De wrede Herodias wenste wel, dat Johannes’
lichaam onbegraven op het veld weggeworpen en door de dieren verslonden zou
worden, opdat men te minder aan hem als ook aan haar overspel zou denken, doch
zijn leerlingen hebben zijn lichaam weggenomen en
begraven.
Dit geschiedde omtrent het jaar 32 na de geboorte
van Christus, en zijn lijk is te Sebaste in Palestina bewaard gebleven tot de
tijd van Julianus. Toen is zijn gebeente door de vijanden der waarheid verbrand
en de as in de wind verstrooid. Maar de Heere heeft de dood van deze man in
Herodes, Herodias en haar dochter (zoals de geschiedenis getuigt) zeer zwaar
gestraft.
[JAAR 34.]
Stefanus, wiens naam vertaald wil zeggen "kroon"
was, naar de mening van Doretheüs, een van de zeventig leerlingen van Christus,
hoewel Eusebius zegt, dat men niet juist beschreven vindt, vanwaar hij was, en
of hij een Jood was of een Griek (gelijk het laatste uit zijn naam schijnt te
volgen) is niet met zekerheid bekend. Zo weet men ook niet, waar hij is geboren
en wie zijn ouders zijn geweest. Lukas verhaalt, Hand. 6 vs. 5, dat hij de
eerste was van de zeven diakenen, een man vol des geloofs en des Heilige
Geestes; en nadat hij door de Apostelen met oplegging der handen in zijn dienst
was bevestigd, is hij ook begaafd geweest met krachten en wonderdaden, en deed
grote tekenen onder het volk.
Hij was zeer geleerd en welsprekend. Misschien
behoorde hij vroeger tot de sekte der Libertijnen, die met anderen met hem
twistten; maar zij konden de wijsheid en de Geest, door welke hij sprak, niet
weerstaan, zodat zij, volgens hun oude aard, met vele valse getuigen teen hem
opstonden onder het volk oproer verwekten en hem beschuldigden, dat hij
lasterlijke woorden had gesproken tegen de wet en de tempel, en dat hij betuigd
had, dat Jezus van Nazareth die plaats zou verbreken, en de zeden veranderen,die
Mozes hun had overgeleverd. Om dit alles werd Hij gevangen genomen, en, in de
raad gebracht, terwijl zij zagen dat zijn aangezicht blonk als van een Engel.
Hoe hij zich heeft verontschuldigd, Christus' eer gehandhaafd en de waarheid
verdedigd, blijkt uit de welsprekende en belangrijke redevoering, die hij
gehouden heeft voor de gehelen Joodse raad te Jeruzalem, gelijk wij zien Hand.
7, waarin hij het gehele Oude Testament, de wet en de Profeten doorliep, en
eindelijk alles toepaste op Jezus Christus, Die het einde der wet is lot
rechtvaardigmaking voor een iegelijk, die gelooft, hen bestraffende, dat zij de
Profeten hadden gedood, die tevoren verkondigd hadden de komst des
Rechtvaardigen van Wie zij nu verraders en moordenaars geworden
waren.
Toen zij dit hoorden, barstten hun harten en
knarsten zij de tanden tegen hem; maar hij, vol zijnde des Heilige Geestes, en
de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods en Jezus staande ter
rechterhand Gods, Die hem van de zaligheid verzekerde en versterkte in zijn
lijden, terwijl Stefanus zei: "Ziet, ik, zie de hemelen geopend, en de Zoon des
mensen, staande ter rechterhand Gods." Maar zij, roepende met grote stem,
stopten hun oren, vielen eendrachtig op hem aan, wierpen hem de stad uit en
stenigden hem. Maar de stenen waren hem als beken der zoetigheid. Met een grote
stem riep hij: Heere, "reken hun deze zonde niet toe;" en, terwijl hij op de
knieën neerviel, zei hij: ",Heere Jezus, ontvang mijn
geest."
Alzo is Stefanus ontslapen in de Heere in het jaar
34 na de geboorte van Christus, zijnde het negentiende jaar van de regering van
Tiberius, in het zevende jaar na de doop van Christus, hetwelk het acht en
dertigste jaars zijns ouderdoms was. Enige godvruchtige mannen begroeven hem, en
hieven over hem een grote rouwklacht aan.
[JAAR 45.]
Jakobus, de zoon van Zebedeüs en Salome, genaamd
de grote, ter onderscheiding van Jakobus, de zoon van Alfeus, niet omdat hij
ouder of voornamer was dan de andere, maar omdat hij voor hem was geroepen tot
een discipel van Christus. Hij was een visser, die, gehoorzaam aan Christus,
alles verliet en Christus is nagevolgd. Met anderen werd hij geruime tijd in het
Apostelambt onderwezen, totdat hij ordelijk daartoe werd uitgezonden onder de
Joden, toegerust met gaven om tekenen en wonderen te doen; en wegens zijn
uitnemende gaven werd hij een van de drie Boanerges, dat is, zonen des donders,
genaamd. Bij alle niet openbare handelingen van Christus was hij tegenwoordig,
zoals bij het opwekken van het dochtertje van Jaïrus, alsook bij de
verheerlijking van Christus op de berg, en in de hof van
Gethsemané.
Daar hij zich hierop schijnt verhovaardigd te
hebben, heeft hij zich boven zijn medeapostelen zoeken te verhellen, zodat zijn
moeder aan Christus verzocht, of haar beide zonen, van wie hij er een was, in
zijn koninkrijk zouden zitten, de een aan zijn rechter, en de andere aan zijn
linkerhand. Christus heeft echter dit verzoek bestraft, toen Hij zei: "Gijlieden
weet niet, wat gij begeert; kunt gij de drinkbeker drinken, die Ik drinken zal,
en met de doop gedoopt worden, waarmee Ik gedoopt wordt? En als hij en zijn
broeder Johannes zich daarop lichtvaardig hadden beroemd, heeft Christus hun
voorzegd, dat zij Zijn drinkbeker wel zouden drinken, en met de doop, waarmee
Hij gedoopt werd, gedoopt zouden worden, maar dat het zitten aan Zijn rechter-
aan Zijn linkerhand bij Hem niet stond te geven, maar dat het zal gegeven
worden, aan wie het bereid is van Zijn Vader. Na Christus' dood heeft hij zich
bij de andere Apostelen gevoegd, om ook getuige te zijn van Zijn lijden, dood en
opstanding, en om in de veertig dagen na Zijn opstanding, onderwezen te worden
in de dingen van Zijn koninkrijk. Na de hemelvaart van Christus bleef hij te
Jeruzalem, en, toen hij ook daar de Heilige Geest ontvangen had, predikte hij
het Evangelie in Judea en Samaria. Vandaar is hij (zoals sommigen verhalen) naar
Spanje gegaan; maar, daar weinig vrucht op zijn werk ondervindende, is hij naar
het Joodse land teruggekeerd, waar hij, naar men zegt, te doen had met
Hermogenes, een tovenaar, en vele wonderen gedaan heeft. Abdias, bisschop van
Babylonië, en anderen verhalen vele dingen van hem, die wij echter, omdat zij
zeer fabelachtig zijn, verzwijgen.
Deze Apostel heeft niet langer geleefd dan tot
omtrent het vierde jaar der regering van Claudius, toen Agabus een hongersnood
over de gehele wereld had voorzegd. Toen heeft deze keizer aan Herodes Agrippa
bevolen de kerk van Christus te verdrukken. Om het volk te behagen, sloeg deze
koning zijn bloedige handen aan deze Apostel, heeft hem even voor het Paasfeest
in de gevangenis gezet en daarna ter dood veroordeeld, zodat hij te Jeruzalem
met het zwaard gedood is in het jaar 45 na Christus' geboorte. Clemens verhaalt,
dat de scherprechter toen deze zijn onschuld zag, tot het christendom bekeerd en
ook met hem gestorven is.
[JAAR 63.]
Jakobus, de zoon Alfeüs en van Maria de zuster van
Christus' moeder, werd de Kleine genoemd, ter onderscheiding van Jakobus, de
zoon van Zebedeüs en broeder van Johannes. Hij werd de broeder des Heeren
genoemd, dat is, zijn neef, naar Hebreeuwse wijze, en had nog andere broeders,
als Judas, Thaddeüs, Simon en Joses.
Deze Jakobus is door Christus, na behoorlijk
onderwijs, tot Apostel aangesteld, toegerust met gaven, en uitgezonden ten
dienste der Joden, waarvan hij zich tot Christus' dood zeer goed gekweten heeft.
Daarom is hij ook met anderen uitgezonden om het Evangelie te verkondigen,
hetwelk hij gedaan heeft onder de Joden tot de dood van Stefanus. En, ofschoon
Petrus, Jakobus en Johannes, zijn broeder, de bijzondere Apostelen waren, zo is
deze na de dood van Jakobus voor een van de drie pilaren der kerk gehouden
geworden.
De Apostelen hebben hem verkozen tot een eerste
opziener der moeder van alle kerken, namelijk Jeruzalem, van welke het woord des
Heeren zou uitgaan, en wel terstond na de dood van
Christus.
Gedurende dertig jaren heeft hij deze dienst
getrouw waargenomen, en bracht er velen tot het waarachtig geloof, niet alleen
door de zuivere leer van Christus (door deze inzonderheid), maar ook door zijn
heilig leven, waarom hij de Rechtvaardige is genoemd. Hij was zeer verstandig en
heilig, ook in kleding, spijs, en drank, een rechte Nazireeër, en bad dagelijks
voor Gods kerk en de algemene welvaart.
Deze Apostel heeft een zendbrief geschreven tot
vertroosting van de twaalf stammen, die in de verstrooiing waren, in al hun
lijden en tegenspoed, waarin hij voornamelijk het rechtvaardigmakende, in daden
zich openbarende geloof en andere heilzame en christelijke leringen behandelt.
Maar, daar de hardnekkige Joden zijn heilzame leer niet langer konden verdragen,
heeft Ananias, de hogepriester, een stout en wreed jonge man, hem voor de
rechters gedaagd om hem te dwingen, dat hij zou loochenen, dat Jezus de Christus
is, en het geloof te verzaken in de Zoon van God en in de kracht Zijner
opstanding. Om die reden stelden hem de Schriftgeleerden en Farizeeën op het dak
van de tempel, ten tijde van het Paasfeest, om voor het gehele volk zijn geloof
af te zwelen; maar, toen hij daar voor het volk stond, beleed hij met de grotere
vrijmoedigheid, dat Jezus is de Christus. de beloofde Messias, de Zoon van God,
onze Zaligmaker, en dat Hij als Zoon des mensen gezeten is aan de rechterhand
Gods, vanwaar Hij zal komen op de wolken van de hemel, om te oordelen de
levenden en de doden. Over deze vrijmoedige belijdenis van Jakobus prees het
gehele volk God, roepende: Hosanna, de Zoon Davids!" Maar de harten van de
Overpriesters, Schriftgeleerden en Farizeeën barstten van nijd, en enige van hen
klommen op het dak, en stieten hem van boven neer en stenigden hem. Die val deed
hem echter niet dadelijk sterven, doch wel de een breken; en, op de knieën
liggende, bad hij nog voor hen, die hem stenigden, zeggende: Heere, vergeef het
hun, want zij weten niet, wat zij doen." En, toen een van de priesters nog voor
zijn leven wilde bidden, zeggende: Wat doet gijlieden toch! houd op met
stenigen, want deze rechtvaardige bidt voor ons," heeft een dergenen, die daar
tegenwoordig waren, hem met een volderstok een slag aan de slaap van het hoofd
gegeven, zodat hij stierf, en hij werd in de nabijheid van de tempel begraven.
Dit geschiedde in het jaar 63 onzes Heeren, in het 96ste jaar zijns ouderdoms,
in het zevende jaar der regering van Nero, toen het stadhouderschap onbezet was,
tussen de dood van Festus, en de komst van zijn opvolger
Albinus.
[JAAR 63 OF 64.]
Barnabas of Barsabas, een man vol des Heilige
Geestes, die genaamd was Jozef of Joses, met de bijnaam Justus was een Leviet
van Cyprus, die de Apostelen genoemd hebben Barnabas, dat is een zoon der
vertroosting, zoals hij dat in zijn leven aan de armen heeft bewezen. Hij wordt
ook gehouden voor een van de zeventig discipelen van Christus. Wegens de vele
namen, die hij draagt, kennen wij zijn vermaardheid en aanzien, die hij ook in
alles heeft betoond, want hij heeft Paulus na zijn bekering bij de Apostelen
ingeleid. En, als het woord Gods te Antiochië door enige Cyprische en Cyrenische
mannen aan de Grieken werd gepredikt, is hij door de Apostelen daarheen
gezonden, om deze zaak te onderzoeken; en, toen hij alles naar waarheid bevond
heeft hij hen, als een Apostel, in de Christelijke waarheid bevestigd en
versterkt.
Daarna ging hij naar Tarsen, om Paulus te zoeken,
en bracht hem te Antiochië, waar zij een geheel jaar bleven en het volk leerden.
Toen de hongersnood uitbrak ten tijde van keizer Claudius, heeft hij en Paulus
een goede handreiking overgebracht aan de broeders, die in Judea woonden.
Vandaar keerde hij weer naar Antiochië, waar hij door het bevel van de Heilige
Geest werd uitgezonden, om in vele landen het Evangelie te prediken, waar hij,
om zijn welsprekendheid, dikwijls het woord heeft gevoerd. Te Antiochië was een
grote twist ontstaan over de noodzakelijkheid van de besnijdenis, en nu reisde
hij met Paulus naar Jeruzalem naar de Apostelen en Ouderlingen, die daar over
deze zaak elkaar geraadpleegd, en samen een besluit genomen hebben. Vervolgens
hebben zij dit besluit, in gezelschap van Judas en Silas, overgebracht naar
Antiochië, waardoor er een einde aan deze twist kwam. Daarna hielden zij zich
enige tijd te Antiochië op, en, toen zij weer op reis zouden gaan, om de
gemeenten onder de heidenen nog eens te bezoeken en in het geloof te versterken,
ontstond er twist onder hen beiden, en wel om Johannes Marcus, die hen vroeger
op reis naar de heidenen had vergezeld, maar te Pamphylië was teruggekeerd, en
zich aan het werk onder de heidenen had onttrokken, waarom Paulus het niet goed
achtte Johannes Marcus weer mee te nemen. Hierdoor ontstond er een verbittering
tussen de twee getrouwe dienaren van Christus, zodat zij van elkaar scheidden.
Paulus nam Silas met zich en doorreisde met hem Syrië en Cilicië de gemeenten
versterkende. Nu nam Barnabas Johannes Marcus mee, voer met hem naar Cyprus, en
volbracht het werk, dat hem was opgelegd, gelijk Hiëronymus met lof van hem
heeft getuigd.
Toen hij later op het eiland Cyprus terugkwam,
moest hij daar de martelaarskroon dragen, want te Salamis, een grote stad op
Cyprus, die thans Famagusta heet, gekomen zijnde, om de gemeente daar in het
geloof te versterken, werd hij door een Joodse tovenaar zeer kwalijk bejegend.
Deze ruide de Joden en het gehele volk tegen hem op, zodat zij hem in een oproer
gevangen namen, en tot de rechter wilden brengen; maar, uit vrees, dat de
rechter zijn onschuld zou bemerken, en hem loslaten, hebben zij hem (na hem
eerst schandelijk mishandeld te hebben) een touw om de bals gedaan, buiten de
stad gesleept en daar verbrand. Alzo is deze trouwe dienaar van Christus in zijn
vaderland met de martelaarskroon vereerd en zalig in de Heere ontslapen, en wel
korte tijd nadat Jakobus de Rechtvaardige te Jeruzalem was gedood, niet lang
voor de dood van Petrus en Paulus, ten tijde van keizer Nero, doch voor de
afkondiging en het bevel van de eerste heidense vervolging plaats
had.
[JAAR 64].
De Evangelist Marcus wordt algemeen gehouden voor
Johannes, bijgenaamd Marcus, een man uit de besnijdenis en neef van Barnabas,
wiens moeder Maria heette, en een zeer godzalige vrouw was, die haar woning te
Jeruzalem leende tot de samenkomsten der Christenen. Hij was eerst verkozen tot
een dienaar van Paulus en Barnabas; maar op de reis naar Pamphylië keerde hij
weer naar Jeruzalem terug. Om hem (zoals wij in het leven van Barnabas verhaald
hebben) ontstond er een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij van
elkaar scheidden, en Paulus Silas meenam op reis en Barnabas deze Marcus. Maar,
toen deze twist geëindigd, en de zaak bijgelegd was, beval Paulus uit zijn
gevangenis deze Marcus der gemeente van Colosse aan, en verzocht, dat zij hem
ontvangen zouden als een medearbeider in het koninkrijk Gods; en gebood ook
Timotheüs, dat hij Marcus zou meenemen en bij hem brengen, omdat hij hem zeer
nuttig was tot de dienst. Hij heeft ook bij Paulus in de gevangenis vertoefd, en
hem grote en getrouwe hulp en bijstand in zijn gevangenschap bewezen. Petrus
noemt Marcus ook zijn zoon, zonder twijfel, omdat hij hem voor, Christus had
gewonnen, of omdat hij zijn leerling, tolk en schrijver was; want het Evangelie
heeft hij, op verzoek van de gelovige broeders te Rome geschreven, na de dood
van Simon de tovenaar, op last en bevel van Petrus, volgens de mededelingen, die
hij aangaande Christus uit Petrus' mond had ontvangen, zoals ook Hiëronymus
getuigt, als hij zegt: Marcus, een leerling van Petrus, daartoe van de
broeders te Rome verzocht zijnde, naar hetgeen hij Petrus had horen verhalen,
heeft een kort Evangelie geschreven, hetwelk Petrus na het gezien te hebben,
heeft goedgekeurd en aan de gemeente op zijn woord gelezen,
gegeven.
Daarna is Markus door Petrus naar Egypte gezonden,
en, terwijl hij zijn reis nam over Aquila de hoofdstad van Friol, heeft hij daar
velen tot het geloof gebracht en Hermagoras tot een herder over die gemeente
achter gelaten. Vervolgens reisde hij naar Afrika, en heeft in Lybië, Marmorika,
Ammonika, Pentapolis allerwegen het Evangelie verkondigd, en vertoefde enige
jaren te Alexandrië, dat hij tot zijn woonplaats genomen heeft.
Aangaande zijn dood schrijft Hiëronymus alleen,
dat hij te Alexandrië gestorven en begraven is, in het achtste jaar van de
regering van Nero, het vier en zestigste na de geboorte van onze Zaligmaker, en
dat Anianus daarin zijn plaats opziener geworden is. Gelasius beweert, dat hij
als martelaar is gestorven. "Marcus", zegt hij, "door Petrus naar Egypte
gezonden zijnde, heeft het woord der waarheid daar trouw gepredikt, en zijn
getuigenis met zijn bloed heerlijk bezegeld." Met dit bericht stemmen ook alle
oude en nieuwe Griekse en Latijnse martelaars boeken
overeen.
De geschiedenis meldt verder, dat, toen Marcus in
het achtste jaar der regering van Nero op het Paasfeest gedachtenis vierde van
het bitter lijden en sterven van Christus, de heidense priesters met al het volk
hem overvallen, en met baken en touwen, die zij om zijn lichaam hadden geslagen,
uit de vergaderplaats getrokken, en langs de straten tot buiten de stad gesleept
hebben, zodat het merendeel van zijn vlees aan de scherpe stenen is blijven
hangen, en zijn bloed op de grond werd vergoten, totdat hij, onder het
uitspreken van de laatste woorden van onze Zaligmaker, zijn geest in de handen
van de Heere overgaf, uitroepende: “Heere, in uw handen beveel ik mijn
Geest!"
Volgens de getuigenis van keizer Trajanus, heeft
Nero te Rome zo loffelijk geregeerd, als ooit enige keizer tevoren. In de
aanvang van zijn regering was hij zachtmoedig, en zo afkerig van mensenbloed,
zelfs op wettige wijze, te vergieten, dat hij wenste niet te kunnen schrijven,
als hem verzocht werd het doodsvonnis te ondertekenen van enige oproermakers. Na
vijf jaren aldus geregeerd te hebben, is hij daarna als aan de duivel
overgegeven en verkocht, om alle boosheid en schandelijkheid gierig te
bedrijven, zo zelfs dat het scheen, alsof de duivel lichamelijk in hem woonde,
want deze zijn meester leerde hem in de eerste plaats zijn toverkunst door Simon
de tovenaar, de eerstgeboren zoon des duivels, die voor de raad te Rome, om Nero
de keizer te behagen, een beeld heeft opgericht met het opschrift: Aan Simon de
heiligen God. Zijn duivels leermeester, die een leugenaar en mensenmoorder van
de beginne is geweest, heeft hem tot alle gruwelijke lusten aangezet, zodat hij
wenste een wereldbrand en een afbeelding van de brand van Troje, benevens de
plaats, waar hij in het lichaam van zijn moeder gelegen had, te zien. Om van
zijn onkuisheid te zwijgen, heeft hij zijn moordlust het eerst aan zijn broeder
Britannicus geopenbaard, die hij heeft laten vergeven. Het lichaam van zijn
eigen moeder Agrippina, die hem, door het toedienen van vergif aan haar man
Claudius, het keizerrijk bezorgde, heeft hij later opengesneden. Octavia, zijn
wettige huisvrouw, heeft hij met het zwaard laten ombrengen, omdat zij geen
kinderen ter wereld bracht; en Poppea, zijn bijzit, tot vrouw genomen hebbende,
heeft hij, terwijl zij in vergevorderde staat van zwangerschap verkeerde, dood
geschopt. Seneca, zijn getrouwe leermeester, heeft hij een ader doen openen en
alzo laten doodbloeden.
Hij al deze boosheden was hij de eerste, die de
algemene en openbare bevelen tegen de Christenen door de gehele wereld heeft
laten afkondigen, met het doel om die in alle landen door het vuur, het zwaard
en op andere wijze te vervolgen, hetgeen Tertullianus de raad van Rome openlijk
verweet, zeggende: "Leest uw eigen geschiedenis, waar gij vinden zult, dat Nero
de eerste is geweest, die tegen deze sekte (te weten der Christenen), die toen
te Rome het talrijkst was, gewoed heeft. Maar wij beroemen ons ook tegelijk op
een zodanigen eerste bewerker van onze veroordeling, want die hem kent weet, dat
het een grote zaak is door hem veroordeeld te zijn." Op een andere plaats zegt
dezelfde Tertullianus: "Nero is de eerste geweest, die het toenemend christendom
te Rome met bloed heeft gemengd.” De inhoud van het bevel luidde aldus: “Zo wie
bekent, dat hij een Christen is, zal als een verklaard vijand van het menselijk
geslacht, zonder zich nader te mogen verdedigen, met de dood gestraft
worden."
De reden, waarom Nero de Christenen zo wreed heeft
vervolgd, was niet gelegen in de schuld of misdaden der Christenen zelf, maar
vond zijn aanleiding in een groten brand, die enige dagen achtereen heeft
gewoed, waardoor het grootste gedeelte van die schone stad is vernield. Toen
namelijk Nero zag, dat de Romeinen hierover zeer verbolgen waren, verspreidde
hij het gerucht, dat de Christenen dit hadden gedaan, hoewel hij zelf de brand
gesticht, en met vreugde van de hoge toren buiten de stad had aanschouwd, daar
hij een voorstelling wenste te hebben van de brand te Troje, en het voornemen
had een nieuwe stad te bouwen, en die naar zijn naam te laten noemen. Hierop is
toen een hevige en wrede vervolging tegen de Christenen uitgebroken, niet alleen
te Rome, maar ook in andere streken en landen, die voortduurde tot zijn
dood.
Wie de eerste martelaars in deze vervolging
geweest zijn, werd in de geschiedboeken of andere geschriften niet gemeld, doch
wij stellen ons tevreden, dat hun namen geschreven zijn in het boek des levens.
Daarom echter is hun roem in Christus niet kleiner, daar de heidenen zelf
gedrongen werden een goede getuigenis van hen af te leggen, en openlijk hebben
bekend, dat het niet wegens de brand was, maar alleen uit haat dat de Christenen
zo wreed vervolgd zijn. Van deze valse beschuldiging door Nero aangaande de
Christenen, zet Tacitus: “Nero, om de beschuldiging van brandstichting van zich
te werpen, heeft hen, die het volk Christenen noemt, daarvan aangeklaagd en met
vreselijke straffen gemarteld. Deze naam is afkomstig van Christus, die in de
tijd van Tiberius’ regering, door de landvoogd Pontius Pilatus, in het openbaar
is gedood. Die nu beleden, dat zij Christenen waren, en later zijn van deze een
grote groep ontdekt, zijn eerst gevangen genomen, en vervolgens veroordeeld,
niet zozeer wegens de brand, als uit haat, die het menselijke geslacht hun
toedroeg. Het ombrengen ging gepaard met veelvoudige bespotting. Men wikkelde
hen in huiden van wilde dieren, liet hen door honden verscheuren, of aan kruisen
nagelen, of op brandstapels verteren, zo zelfs, dat zij ’s nachts als brandende
lichten de toeschouwers moesten dienen." Tacitus erkent dan voldoende, dat
Christenen aan brand geen schuld hadden, doch dat zij onder beschuldiging
daarvan, hebben moeten lijden.
Nu zullen wij vervolgen met de mededeling van de
voorbeelden van de Apostelen en anderen, die onder de wrede bloedhond voor de
goddelijke waarheid hun bloed hebben gestort.
Simon, de zoon van Jona en broeder van Andreas,
geboren te Bethsaida in Galilea, was een visser van beroep, die zijn huis en
woonplaats had te Kapernaüm bij de moeder van zijn vrouw. Door zijn broeder
Andreas, die een leerling van Johannes de Doper was, werd hij het eerst tot
Christus gebracht, en spoedig daarna met zijn broeder van de zee geroepen, om
een visser der mensen te worden. Toen Christus hem uitzond tot de verloren
schapen van het huis Israëls, gaf Hij hem de naam van Cefas of Petrus. Van
Christus genoot hij een uitnemend onderwijs en is in Diens school derwijze
toegenomen., dat hij als het ware de mond of woordvoerder van al de Apostelen is
geworden. Voornamelijk was hij de vrijmoedigste in het vragen en antwoorden, als
ook de meest ijverende voor Christus, om Hem zijn liefde en trouw te bewijzen,
hoewel hij zijn ijver dikwerf zeer onnadenkend en zonder kennis betoonde, zoals
hij ook daarover dikwijls door zijn Meester is bestraft geworden; nochtans
beminde Christus hem niet minder dan de anderen, en was hij bij Hem in grote
achting en aanzien. Hij was een van de drie Boanerges, dat is, zonen des
donders, en met Jacobus en Johannes getuige van Christus’ verheerlijking op de
berg. In de volgorde der namen komt hij in de eerste plaats voor, niet om het
hoofd te zijn of heerschappij te hebben boven de anderen, want dit heeft
Christus hun allen met duidelijke woorden en Zijn voorbeeld verboden, maar om
hem te eren als de aanzienlijkste onder hen. Hij werd gebonden voor een pilaar
der kerk, doch hij niet alleen, want de anderen waren het ook. Hem waren de
sleutels van het koninkrijk beloofd, maar, toen die werden gegeven, ontving hij
geen meerder gezag dan de anderen. Christus beval hem wel Zijn schapen te
hoeden, maar hem niet alleen, want de anderen werd dit ook opgedragen. Hij heeft
ook nooit enige heerschappij over de anderen gevoerd, maar zich graag aan het
oordeel van anderen onderworpen; ja hij heeft zich door de Apostelen laten
uitzenden en geleiden, zelfs bestraffen, wanneer hij niet goed
handelde.
Hoewel hij de stoutste was in zich te beroemen met
Christus te willen lijden, en de zwakste toen de strijd begon, nochtans heeft
hij daarna met grote vrijmoedigheid het woord gevoerd tot de menigte. Door de
kracht van de Heilige Geest was hij zodanig versterkt, dat hij voor niemand, hoe
groot ook en machtig naar de wereld, heeft gevreesd; en bijzonder vrijmoedig
betoonde hij zich in het bestraffen van zondaren. Rijke vruchten heeft zijn werk
gedragen, zo zelfs, dat hij wel eens enige duizenden mensen tegelijk tot het
geloof heeft gebracht. Zijn leer heeft hij ook met tekenen, zoals Christus
beloofd had, bekrachtigd, als aan de kreupele, Ananias en Saffira, Eneas,
Tabitha en anderen. De wil des Heeren tot de roeping der heidenen werd hem van
de hemel geopenbaard. En, daar hij eigenlijk een Apostel was der Joden, heeft
zijn arbeid zich krachtig onder de besnijdenis betoond.
Wel heeft de Heere Christus aan Petrus diens dood
voorzegd, maar hij heeft eerst veel om Christus' wil geleden. Te Jeruzalem, waar
hij van de waarheid van Christus op krachtige wijze getuigenis aflegde, is hij
met Johannes gevangen genomen en voor de Joodse raad gebracht, die hen scherp
heeft bedreigd, dat zij niet meer in de naam van Jezus zouden spreken of
leren.
Daaraan hebben zij echter geen gehoor gegeven,
maar antwoordden hun: "Oordeelt gij, of het recht is voor God, ulieden meer te
horen dan God?”
Terwijl Petrus weer gevangen genomen was met de
andere Apostelen, zijn zij ‘s nachts op wonderdadige wijze door de Engel, die de
gevangenis opende, eruit geleid.
Daarna zijn zij andermaal gevangen genomen, en
door de Joodse raad gegeseld, en met het bevel, dat zij niet meer zouden spreken
in de naam van Jezus, heeft men hen laten gaan, terwijl zij verblijd waren, dat
zij waren waardig geweest, om Zijns naams wil smaadheid te
lijden.
Daarna liet Herodes Petrus te Jeruzalem in de
gevangenis zetten, met het voornemen om hem na het Paasfeest te doden, zoals hij
Jakobus, de broeder van Johannes, om het volk te behagen, had gedaan, doch God
heeft hem ‘s nachts van zijn ketenen en uit de sterk gebouwde gevangenis
verlost.
Petrus is ook te Antiochië geweest, en heeft daar
de gemeente Gods gesticht. Toen hij daarna in het Joodse land was teruggekeerd,
heeft hij een grote strijd gehad met Simon de tovenaar. Ook heeft hij Babylon
bezocht, en wel Babylon in Assyrië, welke stad vroeger de zetel des rijks was.
Want, aangezien Petrus een Jood was en een Apostel der Joden, zo bezocht hij op
zijn reizen zijn volk van welke velen, na de Babylonische ballingschap, in die
Oosterse landen woonachtig waren, en heeft van daar ook geschreven aan de Joden,
die verstrooid waren in Pontus, Galatië, Cappadocië, Azië en
Bithynië.
Wel hebben enige leraars uit de Roomse kerk, onder
wie ook is de Jezuïet Bellarminus, beweerd, dat door dit Babylon, van waar
Petrus zijn eerste zendbrief geschreven heeft, Rome zou moeten verstaan worden,
omdat in de Openbaring van Johannes dikwijls Rome Babylon wordt genaamd, opdat
zij Petrus alzo tot bisschop van Rome zouden kunnen maken. Men moet echter niet
vergeten, dat hij Petrus niet het minste wordt gevonden, waaruit kan blijken,
dat hij van Rome spreekt; want hij maakt alleen melding van Babylon, zonder
enige bijvoeging, waarom het duidelijk is, dat hij van het eigenlijke Babylon
spreekt, en er geen andere stad mee bedoelt. Ten anderen, wanneer Petrus uit
Rome zijn zendbrief had geschreven, waarom zou hij dan Rome niet hebben genoemd?
Paulus heeft verscheidene zend brieven uit Rome geschreven, en toch noemt hij
Rome geen Babylon. Vervolgens, indien Petrus gewild had, dat zij, aan wie hij
schreef, weten zouden, waar hij was, zo had hij liever de eigen dan een anderen
naam moeten schrijven. En dat hij dit ook heeft willen doen, blijkt daaruit, dat
hij uit Babylon de groetenis doet. Eindelijk, wanneer Petrus deze brief uit Rome
had geschreven aan de gemeenten in Azië, dat zou het niet waarschijnlijk zijn,
dat hij de gemeenten in Griekenland, Illyrië en Thracië, die daar tussen lagen,
zou hebben vergeten.
Maar, zo wij het van het eigenlijke Babylon
verstaan, dan is er overeenstemming. Want niets is meer gepast dan dat de
Apostel, terwijl hij zich te Babylon ophield, zorg droeg voor de gemeenten in
Azië, die dichter bij Babylon lagen dan de gemeenten in Europa, die zover
vandaar verwijderd waren.
De bewering van de Roomse kerk, dat Petrus te Rome
bisschop zou geweest zijn, kan uit de Heilige Schrift niet bewezen worden,
aangezien Petrus daarvan in zijn zendbrieven geen melding maakt, evenmin Paulus,
noch Lukas, die de Handelingen der Apostelen en hun reizen met vlijt heeft te
boek gesteld. Veel minder zou kan er worden bewezen, dat hij daar vijf en
twintig jaren zou hebben gewoond en onder Nero gekruisigd zou zijn. In de brief
aan de Galatiërs, hoofdst. 2, vs. 7, leest men, dat aan Petrus door God was
toebetrouwd het Evangelie der besnijdenis en aan Paulus dat der voorhuid; dat
is, dat hij het Evangelie zou verkondigen aan de Joden en Paulus aan de
heidenen. Zou dan Petrus jaren lang tegen het bevel van God gehandeld en zich
vijf en twintig jaren onder de heidenen gehouden hebben, en het tegendeel hebben
gedaan van hetgeen hem bevolen was? Dat zij verre van zulk een heilig
Apostel!
Enige van de Roomse kerk zeggen, dat Petrus in het
tweede jaar der regering van keizer Claudius te Rome kwam, anderen in het derde
en wederom anderen in het vierde, ofschoon in Hand. 1,5 staat, dat Petrus de
kerkvergadering te Jeruzalem bijgewoond heeft, die gehouden werd in het zesde
jaar van Claudius' regering, en het achttiende jaar na Christus' hemelvaart,
gelijk te zien is in het eerste en tweede hoofdstuk van de brief aan de
Galatiërs zoals ook Hiëronymus die daarover geschreven heeft, mede
getuigt.
Opmerkelijk is het, dat Petrus vroeger niet te
Rome geweest was, want in de Handelingen der Apostelen worden vele schone
leringen en wenken verhaald, die Petrus intussen gegeven heeft, en, ware nu ook
Petrus in die tijd te Rome geweest, dan zou Lukas dat ook niet met stilzwijgen
zijn voorbijgegaan. De pausgezinden, en onder hen Bellarminus, zeggen dat hij na
zijn verblijf te Rome zeven jaren te Antiochië zou vertoefd hebben, maar men
moet hem dan ook tijd geven, om het Evangelie te prediken in Pontus, Cappadocié,
Azië en Bithynïe, zoals daarvan Origenes en Euseblus getuigen. Daartoe heeft hij
acht, negen of meer jaren nodig gehad, want de vijf jaren, die zij daarvoor
berekenen, zijn niet voldoende om in deze uitgebreide en machtige landen het
Evangelie te verkondigen. Als men nu, zoals het behoort, deze jaren samen telt,
zal men bevinden, dat Petrus langer heeft geleefd dan Nero, en hoe heeft dan
Nero Petrus te Rome kunnen laten kruisigen.
Daarenboven, toen Paulus te Rome kwam, zijn hem
zoals Lukas schrijft, Hand. vs. 15, de Christenen tegemoet gekomen. Indien
Petrus toen ook te Rome was geweest, dan zou deze hem, zonder twijfel, ook zijn
tegemoet gekomen, en Lukas zou dit niet verzwegen hebben.
Aan het slot van de brief, die Paulus aan de
Romeinen schreef, liet hij vele Christenen groeten, die in naam, bediening en
allerlei deugden minder geschat kunnen worden dan Petrus, en hem noemt hij niet.
Zeer onbetamelijk zou het geweest zijn, indien hij zo’n voornaam persoon zou
hebben verzwegen, indien deze toen te Rome was geweest. Dat hij voor die tijd te
Rome is geweest, blijkt evenmin, daar Paulus, die hun geloof zo roemt, zulk een
Apostel, wanneer hij daar de grond van het geloof had gelegd, niet zou hebben
verzwegen, want hij is gewoon hun vooral te gedenken, door wie de gemeenten het
eerst werden gesticht, zoals uit zijn brieven aan de Filippenzen, Corinthiërs,
Colossensen en anderen blijkt. Duidelijk is het dus, dat het niet mogelijk is,
dat Petrus vijf en twintig jaren te Rome als bisschop zou hebben verkeerd.
En, hoewel Eusebius, op gezag van Origenes
verhaalt, dat Petrus, nadat hij de Joden, die in Pontus, Gatatië, Bithynië,
Cappadocië en Azié verstrooid waren, het woord Gods had gepredikt, eindelijk ook
te Rome is gekomen, en daar door Nero tot de kruisdood veroordeeld, en met het
hoofd naar beneden is gekruisigd, omdat hij alzo begeerde te lijden, aangezien
hij zichzelf niet waardig achtte zo aan het kruis te hangen als de Zoon van God
zijn Zaligmaker geleden had; zo besluit nochtans Hiëronymus en Lyra, en niet
ongevoegelijk, uit de woorden van Christus, Matt. 23, vs. 31, dat hij niet te
Rome maar te Jeruzalem is gekruisigd. Doch hierover laten wij de verstandige
lezer zelf oordelen, en hem kiezen, wat hij het beste keurt; want, naar onze
mening, is het voor de pausgezinden van even weinig belang, dat hij te Rome, als
voor ons, dat hij te Jeruzalem is gedood.
[JAAR 63.]
Paulus, die ook Saulus genaamd werd, was van
afkomst een Hebreeër uit de Hebreeën, uit het geslacht van Israël, van de stam
van Benjamin. Wie zijn ouders geweest zijn, blijkt niet. Toen de Romeinen hun
woonplaats hadden verwoest, begaven zij zich naar de vermaarde stad Tarsen in
Cilicië, waar Paulus is geboren. Hij was naarstig onderwezen in de vaderlijke
wet door de wijzen Gamaliël, in de kennis waarvan hij heeft uitgemunt boven
velen van zijn leeftijd in zijn geslacht. Onberispelijk heeft hij naar de Joodse
wet geleefd. Hij was een Farizeeër en een vurig vervolger en verdrukker van de
gemeente Gods, zo zelfs, dat hij een welbehagen had aan de dood van Stefanus, en
de klederen bewaarde dergenen, die hem doodden. Na de dood van die martelaar
verwoestte Paulus de gemeenten te Jeruzalem, zelfs tot Damaskus, bij welke stad,
blazende nog dreiging en moord tegen de volgelingen des Heeren, hij door
Christus uit de hemel snel met een licht is omschenen, ter aarde geworpen en met
blindheid geslagen, en alzo krachtig, niet van mensen, noch dooi, mensen, maar
door de Heere Zelf geroepen, om een uitverkoren vat te zijn, en Zijn naam te
dragen voor de heidenen, en de koningen en de kinderen Israëls. Na drie dagen
werd hij door Ananias, tot wie hij te Damaskus door de Heere was gezonden,
wederom ziende gemaakt, gedoopt, de handen opgelegd en vervuld met de Heilige
Geest, terwijl hij terstond Christus predikte in de Synagoge, betuigende, dat
Hij de Zoon van God was.
Enige tijd hierna zei de Geest tot de Profeten en
Leraars der gemeente te Antiochië: "Zondert mij af, beiden, Barnabas en Saulus,
tot het werk, waartoe Ik hen geroepen heb;" en zij werden door de Heilige Geest
uitgezonden.
Aan deze Paulus waren allerlei geestelijke gaven
geschonken, zoals om de geesten te onderscheiden, de gave der profetie, der
tongen, en hij bezat ongewone krachten, gave der onthouding, van uitnemende
openbaringen, zo zelfs, dat hij in de derde hemel is opgetrokken geweest, en
daar gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die de mens niet geoorloofd zijn te
spreken. Maar, opdat hij zich door de uitnemendheid der openbaringen niet zou
verheffen, heeft de Heere hem een engel van de satan als een scherpe doorn in
het vlees gegeven, die hem met vuisten zou slaan, opdat hij zich niet zou
verheffen. Die heeft hem ook menigmaal verhinderd hier of daar heen te reizen,
om het Evangelie te prediken, zodat hem, gelijk hij zelf betuigt, de listen des
duivels niet onbekend waren.
Daarenboven was hij nog versierd met vele
christelijke deugden van getrouwheid en een zeer goed geweten aangaande zijn
dienst, had een vaderlijke zorg voor al de gemeenten en een hartelijke liefde
tot haar, tot zijn eigen verbanning, ja zelfs tot de dood toe. Hij was mild van
hart; en vreemd aan gierigheid, arbeidde hij liever met zijn eigen handen, daar
hij van handwerk een tentenmaker was, opdat hij de zwakke gemeenten niet zou
bezwaren. Hij toonde zich trouwhartig jegens de arme gemeenten, door die van de
aalmoezen der rijken getrouw te verzorgen. Met al deze geestelijke gaven en
christelijke deugden was deze Apostel zo nederig, en had zulk een klein gevoel
van zichzelf, dat hij, zijn vorigen toestand voor zijn bekering bedenkende, en
de Heere dankende voor Zijn genade en barmhartigheid aan hem bewezen, menigmaal
bekend heeft, dat hij niet waardig was een Apostel genaamd te worden, hoewel hij
in geen ding minder was dan de uitnemendste der Apostelen, ja, door de genade
Gods, die met hem was, overvloediger gearbeid had dan zij
allen.
Wat hij op zes verschillende reizen, gedurende de
tijd van bijna dertig jaren, geleden heeft, toen hij vertoefde in Judea, Syrië,
Azië, Macedonië, Griekenland, Italië en elders, is duidelijk te lezen in de
Schriften des Nieuwe Testaments en andere geschiedboeken. Terstond na zijn
bekering en doop predikte hij Christus in de Synagoge binnen Damaskus en,ging
vervolgens naar Arabië. Toen hij naar Damaskus terugkeerde, en daar de waarheid
moedig beleed en mannelijk verdedigde, hebben de Joden hem lagen gelegd zo
zelfs, dat de poorten bewaakt werden en de stadhouder van de koning Aretas hem
wilde gevangen nemen. Doch de gemeenteleden lieten hem ‘s nachts in een mand
over de muur, en hij ontkwam alzo aan zijn handen en kwam te Jeruzalem bij de
Apostelen.
Terwijl hij met vrijmoedigheid sprak in de naam
van de Heere Jezus, en zijn woord ook richtte tegen de Griekse Joden, wilden zij
hem daarom doden. Toen dit bij de broeders bekend werd, hebben zij hem naai,
Cesarea geleid, vanwaar hij zijn tweede reis begon in Syrië en Cilicië en keerde
later naar Jeruzalem terug.
Vandaar deed hij zijn derde reis naar Antiochië en
ging op bevel van God naar Seleucië, en Cyprus, en kwam te Paphos, waar hij de
stadhouder, Sergius Paulus heeft bekeerd. Vandaar kwam hij te Perge, een stad in
Pamphylië, en daarna te Antiochië, een stad in Pisidië, waar de Joden tegen hem
en Barnabas oproer verwekt hebben, zo zelfs, dat de heidenen hen uit hun
landpalen hebben geworpen. Vandaar kwamen zij te Iconië, waar de Joden de
heidenen tegen hen opruiden, en ben wilden smaden en stenigen, zodat zij
vluchtten naai de de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, waar ook de
Joden van Antiochië en lconië het volk tegen Paulus opzetten, zodat de schare
Paulus heeft gestenigd en buiten de stad gesleept, menende, dat hij dood was.
Tot zichzelf gekomen zijnde, ging hij de volgende dag met Barnabas naar Derbe,
en, nadat zij in die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt
hadden, keerden zij weer naar naar Lystre, lconië en Antiochië, en versterkten
daar de zielen der gemeenteleden en vermaanden ben, dat zij zouden blijven in
het geloof. Pisidië doorreisd hebbende, kwamen zij te Pamphylië, en, toen zij te
Perge het Evangelie verkondigd hadden, vertrokken zij. naar Attalië, en
scheepten vandaar af naar Antiochië. Toen zij daar waren en de gemeenten samen
geroepen hadden, verhaalden zij welke grote dingen God door en met ben gedaan
had, en dat Hij de heidenen de deur van het geloof had geopend, en verkeerden
daar een geruime tijd met de gemeenteleden. Terwijl Paulus en Barnabas daar
waren, ontstond er een twist tegen sommigen, die van Judea gekomen waren over de
noodzakelijkheid der besnijdenis. Men kwam overeen, dat Paulus en Barnabas en
enige anderen uit ben naar de Apostelen en Ouderlingen zouden gaan te Jeruzalem,
om over dit verschil samen te spreken. Daar geraakte men het met de Apostelen en
Ouderlingen over dit verschilpunt eens, zodat zij, in gezelschap van Judas
bijgenaamd Barnabas, en Silas, die voorgangers waren onder de broeders, met
brieven gezonden werden naar Antiochië, waar zij de vrede in de gemeente
herstelden.
Vandaar ging Paulus met Barnabas voor de vierde
maal op reis teneinde de broeders in elke stad te bezoeken waar zij het
Evangelie verkondigd hadden, en naar hun toestand te vernemen. Er ontstond
echter een verschil tussen Paulus en Barnabas over Johannes, bijgenaamd Marcus,
en Paulus verliet Barnabas, nam Silas mee en vertrok naar Syrië en Cilicië, de
gemeenten versterkende, en kwam te Derbe en Lystre, waar hij Timotheüs aan zich
verbond, met hem door Phrygië en Galatië reisde en eindelijk te Troas kwam. Hier
werd hij door een gezicht vermaand naar Macedonië te reizen, en kwam,
verscheidene plaatsen doorreisd hebbende, te Filippi, de voornaamste stad van
Macedonië, waar hij en Silas, op bevel der hoofdmannen werden gegeseld en daarna
in de gevangenis geworpen, met bevel aan de stokbewaarder dat hij hen goed
verzekerd zon bewaren. Door goddelijke kracht werden de deuren der gevangenis
geopend, hun boeien losgemaakt, en zij vervolgens door de stokbewaarder, die
gelovig was geworden, naai, buiten geleid. Deze wies hen van de striemen, en
werd met al de zijn gedoopt. Nadat hij hun spijs had voorgezet, en zij door de
hoofdmannen uit de gevangenis waren geleid, daar dezen vernomen hadden, dat de
Apostelen Romeinen waren, hebben zij op hun verzoek de stad verlaten. Eindelijk,
na vele steden te zijn doorgegaan, kwamen zij te Thessalonika, waar Paulus veel
volk bekeerde. De Joden echter, met enige boze mannen uit de marktboeven gemene
zaak gemaakt hebbende, beroerden de stad tegen hen, zodat de broeders Paulus en
Silas ‘s nachts naar Berea zonden, waar men de prediking des Evangelies met alle
toegenegenheid ontving. De Joden van Thessalonika kwamen ook daar, en bewogen de
scharen tegen hen. Terstond brachten de broeders Paulus naar de zee, en kwam hij
te Athene, waar hij in strijd geraakte met de Epicureïsche Stoïsche wijsgeren,
die hem hielden voor een klapper en verkondiger van vreemde goden, en hem op de
gerechtplaats brachten, waar hij zich met een welsprekende redevoering
verdedigde. Vandaar vertrok hij naar Korinthe, waar hij enige tijd met prediken
bezig was. Hij wilde vandaar vluchten, aangezien hij daar tegenstand en
lastering ondervond; maar werd door de Heere in een gezicht vermaand te blijven.
Later brachten de Joden hem voor de rechterstoel van de stadhouder Gallio, die
hen, na hem gehoord te hebben, liet gaan, en Paulus reisde weer naar
Jeruzalem.
Zijn vijfde reis ondernam Paulus van daarnaar
Antiochië, en nadat hij daar enige tijd vertoefd had, doorreisde hij vervolgens
het land van Galatië, en Phrygië, en versterkte al de gemeenteleden. Van daar
ging hij naar Efeze, waar hij gedurende drie jaren met gezegende vrucht, des
daags en ‘s nachts, heeft gepredikt en er velen bekeerde, en onder ben die ook
hun duivelse boeken hebben verbrand. Het schijnt, dat hij omtrent deze tijd,
onder de stadhouder Hiëronymus, volgens heidense wijze, heeft gevochten tegen de
wilde beesten en die overwonnen heeft. Na het grote oproer, dat Demetrius, een
zilversmid, om de godin Diana tegen Paulus had verwekt, vertrok de Apostel naar
Macedonië, en, nadat hij de gemeenteleden daar met vele redenen had vermaand,
kwam hij in Griekenland. Toen de Joden hem daar tegenstonden, was hij voornemens
naar Syrië te varen, maar veranderde zijn reisplan, en keerde weer naar
Macedonië terug. Eindelijk kwam hij, na vele steden doorreisd en hier en daar
gepredikt te hebben, te Cesarea, waar de Profeet Agabus hem zijn gevangenneming
voorzegde, waarbij hij echter getroost en tevreden was. Toen hij op het
pinksterfeest te Jeruzalem kwam, raadde Jakobus hem aan, dat hij zich met enige
Joden naar de wet zou heiligen. Ofschoon hij dit deed, verwekten de Joden van
Azië een oproer tegen hem, zodat de schare hem greep, buiten de tempel sleepte
en zocht te doden. Doch, toen zij de overste zagen met de hoofdmannen over
honderd en de krijgslieden, hielden zij op hem te slaan. De overste greep hem,
beval dat men hem met twee ketenen zou boeien, en onderzocht, wat hij gedaan
had. Terwijl de Joden in de grootste wanorde schreeuwden en tierden, zo zelfs,
dat men in het rumoer de woorden niet onderscheiden kon, werd hij in de
legerplaats gebracht, waar Paulus zich naar behoren heeft verdedigd. Maar de
Joden, die de waarheid van Paulus woorden niet konden verdragen, riepen: "Weg
van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk, dat hij leeft!"
Vervolgens beval de overste, dat men hem met geselen zou onderzoeken, teneinde
te weten, waarom de Joden zijnentwege alzo schreeuwden. Toen zij hem met riemen
uitrekten, om hem tot bekentenis te dwingen, beriep Paulus zich op het Romeinse
burgerrecht, waarop terstond de geseling gestaakt werd, en Paulus van zijn
boeien ontslagen. De volgende dag werd hij voor de gehele Joodse raad gebracht,
waar hij zich weer met Gods Woord verdedigde. Toen in deze vergadering de
hogepriester Ananias bevel gaf aan degenen, die bij Paulus stonden, om hem op de
mond te slaan, bestrafte Paulus hem, omdat hij een gevangen en onveroordeeld
mens tegen de wet gebood te slaan.
Terwijl het oproer al groter werd, vreesde de
overste, dat Paulus door hen zou gedood worden, en liet hem daarom door het
krijgsvolk vandaar naar de legerplaats overbrengen. De volgende dag spanden
veertig Joden tegen Paulus samen, en verbonden zich met een eed, dat zij niet
eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden hebben gedood. Toen Paulus
van deze samenzwering door de zoon van zijn zuster onderricht was, gaf hij door
hem daarvan aan de overste kennis. Deze wist dit te voorkomen, door Paulus onder
een gewapend geleide te doen overbrengen naar Cesarea, waar hij hem behouden
overleverde aan de landvoogd Felix, met bijvoeging van brieven, die voldoende
waren om Paulus onschuld te bewijzen. Op deze wijze maakte hij zich gereed tot
de zesde reis van Jeruzalem naar Italië.
Toen de Stadhouder Felix de brief gelezen had,
bewaarde hij Paulus in het raadhuis, om hem daarna, in de tegenwoordigheid der
Joden, die hem beschuldigden, in het verhoor te nemen, hetgeen vijf dagen na
zijn komst plaats had. De hogepriester Ananias, met de gehele Joodse raad,
beschuldigde hem door de tolk Tertullus, dat hij degene was, die overal onder al
de Joden oproer verwekte, dat hij de tempel had ontheiligd, en een opperste
voorstander was van de sekte der Nazarenen. Met Gods Woord en een gepaste rede
heeft Paulus zich van deze valse beschuldigingen zodanig gezuiverd, dat Felix
hem bewaarde tot de komst van Lysias, de overste, en vergunde Paulus intussen
verlichting van zijn boeien, en beval dat niemand van de zijnen zou verhinderd
worden om hem te dienen of hem te bezoeken.
Toen enige dagen daarna Felix met Drusilla, zijn
vrouw, daar gekomen was, werd Paulus daar weer ontboden, die in hun
tegenwoordigheid over het geloof in Christus sprak. En, als Paulus sprak over
rechtvaardigheid, matigheid en het toekomend oordeel, werd Felix zeer bevreesd,
en zei tot Paulus, dat hij voor ditmaal zou heen gaan, en dat hij hem te
gelegener tijd, weer zou laten roepen. Om de Joden gunst te bewijzen, hield
Felix Paulus gevangen. Toen Porcius Festus in Felix' plaats gekomen was, reisde
de nieuwe landvoogd, drie dagen na zijn aankomst, naar Jeruzalem, waar de
hogepriester en de voornaamste van de Joden hem verzochten, ja, baden, dat hij
Paulus naar Jeruzalem zou laten overbrengen, terwijl zij van plan waren Paulus
onder weg te doden. Festus belette dit echter, en vond het beter, dat de Joden
zelf van Jeruzalem naar Cesarea zouden reizen, om Paulus daar te beschuldigen,
als hij van iets onbehoorlijks kou aangeklaagd worden, zoals dan ook na verloop
van enige dagen plaats had. Terwijl Paulus daar voor de rechterstoel van Festus
gebracht was, heeft hij zich met bondige redenen tegen al de beschuldigingen van
de Joden mannelijk verdedigd. Om de Joden gunst te bewijzen, vroeg Festus
Paulus, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar voor hem over deze dingen
geoordeeld te worden. Doch Paulus beriep zich op de keizer, daar hij liever in
de handen der heidenen dan in die der Joden wilde vallen. Festus en de leden van
de raad berustten er in, dat Paulus zich op de keizer beroepen had. Toen
intussen koning Agrippa daar gekomen was, heeft Festus hem de gehele zaak van
Paulus verhaald en hem tevens verontschuldigd. Agrippa verlangde Paulus te
horen, en toen Paulus voor hen gebracht werd, hield hij zulk een voortreffelijke
redevoering, dat wel Festus uitriep, dat de grote geleerdheid van Paulus hem tot
razernij bracht, maar de koning tot hem zei: "Gij beweegt mij bijna een Christen
te worden," en samen betuigden zij, dat hij niets gedaan had, wat des doods of
der gevangenis waardig was, en dat hij zou losgelaten kunnen worden, zo hij zich
niet had beroepen op de keizer.
Toen de tijd gekomen was, dat Paulus en de andere
gevangenen naar Italië zouden afvaren, werden zij aan Julius de hoofdman over
honderd overgeleverd, en na vele gevaren en moeilijkheden doorworsteld te
hebben, zijn zij eindelijk in zulk een ellendigen toestand geraakt, dat zij
veertien dagen hebben doorleefd zonder voedsel, en, toen zij vreesden, dat zij
schipbreuk zouden lijden, wilden de krijgslieden Paulus en de andere gevangenen
doden, maar de hoofdman, die Paulus wilde behouden, heeft dit
verhinderd.
Niettegenstaande zij schipbreuk leden, zijn zij
allen ongedeerd op het eiland Melite of Malta aangekomen. Na drie maanden daar
vertoefd te hebben, reisde Paulus naar Rome, waar hij door de broeders met
blijdschap werd ontvangen, terwijl de hoofdman de gevangenen overleverde aan de
overste van het leger. Aan Paulus werd vergund op zichzelf te wonen meteen
krijgsknecht, die hem bewaarde, waar hij na drie dagen zich voor de voornaamste
van de Joden heeft verantwoord over zijn boeien, gevangenneming en beroep op de
keizer. Gedurende twee jaren bleef hij in een eigen gehuurde woning, ontving
allen, die tot hem kwamen, predikte het Koninkrijk Gods en leerde van de Heere
Jezus Christus met alle vrijmoedigheid onverhinderd.
Hij zelf heeft gezegd, dat deze gevangenschap in
grote mate gediend heeft tot bevordering van het Evangelie, en dat de waarheid
daardoor gekomen is tot in het keizerlijke hof. Toen keizer Nero de brieven van
Festus ontvangen had, heeft hij Paulus voor de eerste maal bij hem ontboden, die
zich tegen de beschuldigingen van de Joden derwijze, door 's Heeren hulp, heeft
verdedigd, (ofschoon zij hem allen in deze zijn eerste verantwoording
verlieten), dat hij uit de muil van de leeuw, te weten van Nero, verlost
werd.
Toen Paulus nu andermaal voor keizer Nero zou
gesteld worden, was hij van zijn aanstaanden dood niet onwetend, zoals hij aan
Timotheüs aldus schrijft: ik word nu tot een dankoffer geofferd, en de tijd
mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de
loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der
rechtvaardigheid, welke mij de Heere,de rechtvaardig Rechter, in die dag geven
zal, en niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben
liefgehad." Hij werd door keizer Nero veroordeeld om met het zwaard gedood te
worden, zoals ook plaats had in het laatst van diens regering (volgens de
berekening van Jozef Scaliger) in het 63e jaar na de geboorte van onze
Zaligmaker, zeven jaren, nadat Paulus gevangen te Rome was
gebracht.
Andreas, de zoon van Jona, een broeder van Petrus,
geboren te Bethsaïda in Galilea, was eerst een discipel van Johannes de Doper.
Daar hij ouder was dan Petrus, en het eerst Christus leerde kennen, heeft hij
zijn broeder tot Christus, de waren Messias gebracht. Van beroep was hij een
visser; maar Christus, Die hem riep, beloofde hem een visser der mensen te
zullen maken. Omdat hij de Heere vurig navolgde, en onderwezen was in Diens
leer, wandel en wonderen, heeft Deze hem tot een Apostel aangesteld, welke
bediening hij met de anderen onder de Joden getrouw heeft waargenomen. Hij stond
ook in grote achting bij de Heere, daar het schijnt, dat hij een meer vrijen
toegang had tot Christus dan Filippus. Verder, ofschoon hij in zwakheid, evenals
de andere Apostelen, gevallen is, door zijn Meester te verlaten, heeft hij zich
toch weer bij zijn medebroeders gevoegd. En, toen hij opnieuw het bevel
ontvangen had tot de bediening van het Evangelie, en voornamelijk, nadat hij,
gelijk de anderen, op de Pinksterdag met de Heilige Geest was vervuld, heeft hij
het Evangelie met ijver onder de heidenen gepredikt. Op zijn reizen heeft hij in
vele landen gepredikt, zoals in Pontus, Galatië en
Bittiynië.
Hij kwam ook in de omstreken van Antropophage,
daarna in Scythië, en bereisde ook de noordelijke en zuidelijke landen, kwam
zelfs tot in de omstreken van Byzantium en trok ook naar Thracië, Macedonië,
Thessalië en Achaje, en predikte overal Christus, waardoor hij velen tot het
geloof in Christus heeft gebracht. De leer van Christus, zijn Meester, heeft hij
ook versierd en bekrachtigd met vele wonderen; maar, aangezien deze door
sommigen op meer of minder fabelachtige wijze zijn beschreven, zullen wij die
laten voor hetgeen zij zijn.
Toen hij eindelijk naar de wil van de eeuwige God,
zijn loop had volbracht, heeft Aegeas, de stadhouder van Edessa, hem op bevel
van de Romeinse raad in de stad Patris, in Achaje, laten
kruisigen.
Hij onderging de marteldood, niet alleen omdat hij
de christelijke waarheid voorstond, en de afgoderij der heidenen bestrafte, maar
omdat hij Maximilla, de vrouw van de gouverneur, en diens broeder Stratocles
bekeerde. De dood aan het kruis te sterven achtte hij om Christus' wil gelukkig,
en alzo heeft hij met grote blijdschap en begeerte zijn ziel in de handen van
God, zijn hemelse Vader bevolen, en aldus zijn leven geëindigd, zoals de
geschiedenis getuigt.
Filippus, geboren te Bethsaïda, in Galilea, de
stad van Petrus en Andreas, had een vrouw en een dochter, die zeer goed van
leven waren. Hij werd door Christus gevonden, Die hem beval Hem als discipel te
volgen, hetgeen hij zo getrouw deed, dat, toen hij Nathanaël vond, die ook tot
Christus heeft gebracht, terwijl hij betuigde, dat hij Die gevonden had, van
Welke Mozes en de Profeten geschreven hadden, namelijk Jezus van Nazareth, de
waren Messias. Van toen af heeft Filippus Christus steeds gevolgd, luisterende
naar Zijn prediking en heeft Zijn wonderen gezien, totdat hij bekwaam was tot de
dienst van het heilige Woord Gods, zodat Christus hem tot een Apostel heeft
aangesteld en als zodanig heeft uitgezonden, om het Evangelie te prediken onder
de Joden, wat hij, gelijk de anderen, met ijver heeft
verricht.
Bij de Heere stond hij ook in groot aanzien; want
bij het heerlijke wonder van de spijziging der vijf duizend mensen heeft
Christus, om hem te beproeven, met hem ook daarover gesproken. Voor de Grieken,
die Christus begeerden te zien ging hij tot Christus. Verder, toen hij nog niet
volmaakt was in het geloof in Christus, heeft Christus hem onderwezen in het
geloof aan God, in het aangezicht van Jezus Christus, door Wie wij de Vader
aanschouwen.
Deze vrome en godzalige Apostel heeft de Heere
vergezeld tot aan Zijn lijden, en, toen de Apostelen, na Christus' verrijzenis
verstrooid waren, hield hij zich bij zijn medebroederen op, totdat zij, na
Christus' hemelvaart, de Heilige Geest hadden ontvangen.
Na de verdeling van de landen predikte hij
gedurende enige jaren in Seythië, waar hij vele gemeenten gesticht heeft. En,
aangezien hij bijzonder in Syrië en in het noorden van Azië reisde, en daarin
vele steden de grondslagen van het geloof legde, kwam hij eindelijk in Phrygië,
waar hij in de stad Hiërapolis en elders vele wonderen deed. De Ebionieten
echter en anderen, die hardnekkig in hun afgoderij voortgingen, hebben hem
gevangen genomen, met het hoofd aan een pilaar vastgemaakt en gestenigd, en alzo
is hij in de Heere ontslapen, en daarna in de genoemde stad Hiërapolis
begraven.
Bartholomeüs, een zoon van Tholomeüs, gelijk zijn
naam aanduidt, was een Galileër, evenals de andere Apostelen, en ook een visser,
volgens de mening van Theodoretus. In de Heilige Schrift lezen wij niet veel
omtrent hem, dan alleen dat hij tot Apostel geroepen is, om met de anderen het
Evangelie te verkondigen in Judea en Galilea, aan de verloren schapen van het
huis Israëls. Na Christus, opstanding werd hij in zijn Apostelambt bevestigd, en
heeft met de elven de Heilige Geest ontvangen, zoals Christus beloofd
had.
Nadat de Apostelen uit elkander gegaan waren,
heeft hij zijn Apostelambt het eerst bediend in Lycaonië, daarna ook in Syrië en
in de bovenste delen van Azië, vervolgens ook in Indië, waar Pantenus, leraar te
Alexandrië, die daar bijna honderd jaren later kwam, het Evangelie van Mattheüs
(dat Bartholomeüs daar gebracht en waaruit hij de Indianen in hun moedertaal
onderwezen had) gevonden en dat meegenomen heeft. Eindelijk heeft hij het
Evangelie ook in Groot-Armenië verbreid, en daar te Albana, de hoofdstad en
koninklijke zetel van dat koninkrijk, Polemus of Palemonius, de broeder van de
koning Astyages, met zijn vrouw, twee zonen en een dochter, tot het geloof
gebracht en twaalf steden uit de stikdonkere duisternis der onwetendheid, waarin
zij de duivel door de afgod Astharoth dienden, verlost, en verlicht met de
kennis van Jezus Christus, de Heere. Dit verdroot de afgodische duivelpriesters
zeer, en zij klaagden daarover aan de koning Astyages, die de Apostel
Bartholomeüs liet gevangen nemen, en voor hem brengen. Toen Bartholomeüs voor de
koning stond, verweet deze hem, dat hij zijn broeder verleid en de godsdienst in
zijn land aan het wankelen had gebracht, en bedreigde hem, indien hij niet
ophield Christus te prediken, en langer weigerde zijn goden te offeren, dat hij
hem zou laten doden. Op deze, beschuldiging antwoordde Bartholomeüs, dat hij
zijn broeder niet verleid, maar, ten goede bekeerd, en in zijn land de ware
godsdienst gepredikt had, en bereid was daarvoor liever zijn getuigenis met zijn
bloed te bezegelen, dan in het minst schipbreuk in zijn geloof en geweten te
lijden. Om deze vrijmoedige belijdenis werd hij door de koning veroordeeld, om
eerst op de gruwelijkste wijze gepijnigd, met stokken geslagen, daarna met het
hoofd naar beneden aan een kruis gehangen, levend het vel afgestroopt en
daarenboven het hoofd. met een bijl afgehouwen te worden. En alzo is hij met
Christus, zijn Heere verenigd.
Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling, was
geboren in Galilea, en van beroep, zoals het schijnt, een visser. Aangaande zijn
ouders vindt men niets, en evenmin van de tijd, waarop hij bekeerd is, bij de
Evangelisten beschreven, dan alleen van zijn roeping tot het Apostelambt. Zijn
vurige liefde, die hij Christus toedroeg, zien wij vooral, toen hij zijn
medeapostelen vermaande om op te gaan naar Jeruzalem en ook met Christus te
sterven. Maar hij had toen nog niet gestreden tot de dood, en aangaande het doel
van Christus' dood verkeerde hij nog in onwetendheid, waarom hij met de anderen
de Heere heeft verlaten. Toen Christus zich aan de Apostelen openbaarde, was hij
niet tegenwoordig; en, aangezien hij hen niet geloofde, tenzij hij zelf Christus
zag en kon betasten, heeft de Heere zich ook aan hem geopenbaard en zijn
ongeloof bestraft. Als hij Christus zag, geloofde hij aan de opstanding van de
Heere, beleed Hem als zijn Meester, en aanbad Hem als zijn Heere en God. Met de
anderen ontving hij een nieuw bevel tot de dienst van het evangelie onder de
heidenen.
Korte tijd na de opstanding van Christus zond hij
Thaddeüs naar de koning Abgarus. Daar hem de Evangeliebediening in Parthië,
Indië, Ethiopië en vele andere landen, zoals Hiëronymus getuigt, ten deel was
gevallen, heeft hij vele landen doorreisd. Het schijnt echter, dat hij er tegen
opzag om naar de Moren en woeste volken van Indië te gaan; maar door gezichten
van God werd hij gesterkt om dit werk op zich te nemen, en was bedeeld met
kracht om wonderen te doen, waardoor zijn dienst bij die lieden zeer vruchtbaar
was, en hij er velen tot God heeft bekeerd.
Aangaande het uiteinde van Thomas is het verhaal
het meest waarschijnlijk, dat hij in Calamina, een stad in Oost-Indië, (waar
Hieronymus ook zegt, dat hij ontslapen is) de gruwelijke afgoderij van die
heidenen, welke het beeld der zon aanbaden, uitgeroeid heeft, zodat hij de
duivel zelf, door de kracht van God, zou gedwongen hebben, het beeld te
vernielen. Over deze daad werd hij door de afgodische priesters hij hun koning
aangeklaagd, en deze veroordeelde hem, dat hij eerst met gloeiende platen
gepijnigd en daarna in een gloeiende oven verbrand moest worden. Toen de
afgodische priesters, voor de oven staande, zagen, dat het vuur hem niet deerde,
hebben zij hem met lansen en spiesen of speren, terwijl hij in de oven lag, de
zijde doorstoken; en aldus was hij gelijkvormig aan zijn Heere Christus, Die hij
tot de dood toe volstandig heeft beleden, en rust alzo van zijn arbeid in de
genoemde stad Calamina.
Mattheüs, anders gezegd Levi, de zoon van Alfeüs,
was een tollenaar te Kapernaüm, een betrekking, die bij de Joden veracht was,
daar zij zich aan vreemde vorsten geen tol of schatting schuldig kenden. En,
ofschoon het niet ongeoorloofd was tol of schatting te nemen, wanneer men maar
niet te veel nam, zo gingen toch de tollenaars zich hierin dikwijls te buiten en
werden daarom van de vromen vermeden, waarom ook de afgesnedenen van de gemeente
bij dezulken worden vergeleken.
Toen hij in deze oneerlijke betrekking werkzaam
was, heeft Christus Zich in genade over hem ontfermd, en hem bevolen als Zijn
discipel te volgen. Door de kracht des Heiligen Geestes gaf hij hieraan gehoor,
verliet zijn tolhuis, bereidde een groten maaltijd, en nodigde zijn
medetollenaars daaraan, om alzo naar behoren afscheid van tien te nemen, en hun
gelegenheid te geven om Christus ook aan te nemen, gelijk hij gedaan had. Hierna
verliet Mattheüs terstond alles, en volgde Christus met groten ijver na, en na
Christus' onderwijs ontvangen te hebben, werd hij onder de Apostelen opgenomen,
welk Apostelambt hij tot Christus' dood onder de joden bediend
heeft
Bij zijn uitzending om te prediken onder de
heidenen werd hem Ethiopië of Morenland aangewezen. Eer hij echter het Joodse
land verliet schreef hij, onder voorlichting des Heilige Geestes, zijn Evangelie
in de Hebreeuwse taal en heeft hun dit meegedeeld.
Door zijn prediking en het doen van wonderen is
hij in Ethiopië met vrucht werkzaam geweest, waar hij ook na zijn dood zijn
Evangelie voor de nakomelingschap in geschrift heeft nagelaten, waaruit klaar te
zien is, welk geloof hij voorstond, namelijk van Jezus Christus, waarachtig God
en mens, Die voor ons gekruisigd is.
De geschiedenissen getuigen, dat deze Apostel
terstond, nadat de gelovige koning Aeglippus gestorven was, door zijn opvolger
Hytacus, een ongelovige heiden, vervolgd werd, en dat hij hem op zekere tijd,
toen hij in de tempel aan de gemeente het Evangelie verkondigde, heeft laten
grijpen en in de hoofdstad van Ethiopië, Naddaver, heeft laten onthoofden. Daar
werd hij ook begraven, zoals Venantius Forturatus getuigt, die voor duizend
jaren leefde, als hij zegt: "De verheven stad Naddaver zal ons, te weten, op de
jongste dag, die voortreffelijke Apostel Mattheüs
teruggeven.
Simon de Kananieter of Zelotes, dat is, ijveraar
bijgenaamd, de zoon van Alféüs en de broeder van Jakobus, Joses en Judas, een
neef van Christus, een van de twaalven en tegelijk met de anderen tot Apostel
aangesteld, eerst der Joden en daarna der heidenen, heeft ook gelijk de anderen
op de Pinksterdag de Heilige Geest ontvangen, waardoor hij ook bekwaam werd
gemaakt om een Apostel van Christus, zelfs onder de heidenen te
zijn.
Toen de Apostelen uit elkaar gingen, kwam hij in
Egypte, en heeft daar geruime lijd het Evangelie gepredikt, totdat hij naar
Perzië ging, waar hij zijn broeder Judas vond. Zij bleven daarin de bediening
van het Apostelambt volstandig bij elkaar, totdat zij de goddelijke waarheid met
hun bloed hebben bezegeld. Nicephorus schrijft, dat Simon niet alleen in Egypte,
maar ook in Afrika, Cyrene, Lybië en op de eilanden van Groot-Brittanië het
Evangelie des Koninkrijks gepredikt heeft.
Judas Alfeüs, niet die bijgenaamd wordt Iscarioth,
maar die getrouwe Apostel, bijgenaamd Thaddeüs, dat is belijder, en broeder van
Lebbeüs, Jakobus de kleine en Simon, was ook tot een dienstknecht en Apostel
geroepen van Jezus Christus, Wiens neef hij ook was, evenals Jakobus en Simon.
In het Evangelie wordt van hem niet gesproken, maar alleen gewag gemaakt van een
vraag, die hij de Heere Christus deed, zeggende: “Heere, wat is het dat Gij U
aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?” Deze heeft ook een korte en
troostrijke brief aan de gelovigen geschreven en nagelaten, die echter gestreng
is voor de ongelovigen. Of deze Judas die Thaddeüs is, die door Thomas naar
Abgarus te Edessa, gelijk men meent, is gezonden om de koning van zijn kwaal te
genezen, en tot Christus te bekeren, dan of hij een ander van de zeventig
discipelen is geweest, daarover kan men Eusebius en andere schrijvers
raadplegen. Deze Judas heeft, toen de Apostelen de wereld met de prediking van
het evangelie hebben bedeeld, Mesopotamië en Pontus bezocht, waar hij geruime
tijd alleen het Evangelie heeft verkondigd; daarna vertoefde hij met zijn
broeder Simon in Perzië, en heeft daar de wijzen bekeerd, de onwetenden
onderwezen, en door de kracht van de Heilige Geest de duivelse kunsten teniet
gedaan, en de dusgenaamde godsspraken en wonderen van hun afgoden als leugens
ten toon gesteld en doen ophouden, en alzo door de godsdienst van Christus de
valse afgodendienst der heidenen te schande gemaakt en vernietigd. Toen de
heidense duivelspriesters zagen, dat daardoor hun gewin schade leed, hebben zij
tegen deze getrouwe dienaars van Christus een groot oproer verwekt, hen daarin
overvallen en omgebracht. Welke marteldood zij echter ondergaan hebben, kan, bij
gebrek aan berichten, niet gemeld worden.
Matthias was tijdens Christus omwandeling in het
vlees een van Zijn zeventig discipelen. Kort na de hemelvaart van Christus werd
hij benevens Barnabas in de gemeente te Jeruzalem door de Apostelen aan de Heere
voorgesteld, teneinde door Hem, door het lot, als uit de hemel tot een Apostel
aangenomen te worden, terwijl de gehele schaar van honderd twintig mensen over
hen beiden God aanriepen, zeggende: “Gij Heere, Gij Kenner der harten van allen,
wijs van deze twee een aan, die Gij uitverkoren hebt, om te ontvangen het lot
dezer bediening en des Apostelschaps, waarvan Judas afgeweken is, dat hij heen
ging in zijn eigen plaats. En zij wierpen hun loten, en het lot viel op
Matthias, en hij werd met gemene toestemming tot de elf Apostelen gekozen." Met
de anderen ontving hij mede op de Pinksterdag de Heilige Geest, waardoor hij als
van de hemel bevestigd werd in zijn Apostelambt. Kort daarna werd hij ook met de
elven gegeseld en mede waardig geacht voor de naam van Jezus Christus smaadheid
te lijden.
Nadat de Apostelen uit elkaar gegaan waren is deze
Matthias (volgens het gevoelen van Hieronymus) naar een ander gedeelte van
Ethiopië of Morenland vertrokken, waar niemand van de andere Apostelen geweest
is, en wel zeer diep het land in tot aan de uiterste grenzen, waar de inham was
van de haven of de rivier Asphar en Hyssus, waar de onwetendste en meest
barbaarse mensen gevonden worden. Onder deze in allerdiepste duisternis der
onwetendheid gezeten mensen is het heilrijke licht van het evangelie door de
dienst van deze Apostel opgegaan. Nadat hij daar vele zielen voor Christus
gewonnen had, is hij (volgens de getuigenis der geschiedenissen) weergekeerd
naar Judea, Galilea en Samarië, en wel, nadat door de verstrooiing van de
Apostelen de Joden schier verstoken waren van allen apostolische
dienst.
Omtrent de dood of het martelaarschap van Matthias
bestaat niet veel zekerheid, zegt Mantuannus, en hij betwijfelt het, of hij in
vrede tot God opgenomen is, en zijn eigen dood gestorven, dan of hij, omdat hij
aan de afgod Jupiter niet wilde offeren, met een bijl onthoofd is door de
heidenen. Anderen zeggen, dat hij, om de lastering, die zij voorgaven, dat hij
uitgesproken had tegen God, tegen Mozes en de wet, en het christelijk geloof
weigerde te verzaken, door de Hogepriester van de Joden veroordeeld is om eerst
aan het kruis gehangen en gestenigd en daarna met een bijl onthoofd te
worden.
Wij zullen hier ook laten volgen de geschiedenis
van den Evangelist Lukas en van de Apostel en Evangelist Johannes, hoewel men
meent, dat Lukas onder Domitianus en Johannes onder Trajanus gestorven is. Wij
volgen deze orde, opdat men het leven en de dood van de Evangelisten en
Apostelen achtereenvolgens zal kunnen lezen.
Lukas was een Syriër van Antiochië, een geleerd
medicijnmeester en daarom ook zeer ervaren in de heidense wijsbegeerte. De Heere
heeft hem echter willen gebruiken tot een medicijnmeester der zielen, tot welk
einde hij ons twee heerlijke boeken als geestelijke artsenijboeken heeft
nagelaten, en wel vooreerst zijn Evangelie, dat hij beschreven heeft uit der)
mond van hen, die het van de Heere Jezus Christus zelf hebben gehoord. Daarom
kan hij niet een der zeventig discipelen zijn geweest, noch een van ben, die met
Kleopas op de wee, was naar Emmaüs. Hij was alleen een leerling van Apostelen en
in het bijzonder van Paulus, tot in het vierde jaar der regering van keizer
Nero. Paulus schijnt hem bekeerd te hebben te Antiochië, in het jaar 38 na
Christus, toen hij van Thebe daar gekomen was. Omtrent zijn ouders wordt nergens
iets vermeld, en het schijnt, dat hij geen vrouw gehad heeft. Hiëronymus meent,
dat jij vroeger een proseliet was, die voor het aannemen der christelijke leer
de joodse godsdienst beleed, en alzo een nakomeling van de Joden, wat niet
onwaarschijnlijk is. Hij was zeer ervaren in de Griekse taal, wat genoegzaam
blijkt uit de buitengewoon goede stijl en de spreekwijzen, die in zijn
geschriften kunnen opgemerkt worden. Hij was geen Apostel maar een metgezel der
Apostelen, die dezelfde dienst met hen te vervullen had, en verscheidene landen,
en steden heeft doorreisd. Op bijna al de reizen van Paulus was hij diens
medehelper, waarom hij ook die reizen in goede orde en met grote naarstigheid
heeft beschreven. Toen Paulus bijna van alles was verlaten, heeft Lukas hem
bijgestaan in zijn gevangenschap te Rome. Nadat hij zijn dienst getrouw heeft
vervuld, is hij te Bithynië gestorven in het 81e jaar zijns ouderdoms. Anderen
zeggen, dat hij in Griekenland predikende, aan een olijfboom is opgehangen en
alzo in de Heere is ontslapen.
[JAAR 101.]
Johannes, de zoon van Zebedeüs, en broeder van
Jakobus de grote, was geboren te Nazareth in Galilea. Van beroep was hij een
visser. Toen hij met zijn vader en broeder bezig was de netten in het schip te
vermaken, werd hij door Christus geroepen, en verliet toen beide, het schip en
zijn vader, en is met zijn broeder Jakobus Jezus nagevolgd. Na behoorlijk
onderwezen en toegenomen te zijn in de kennis van God en Christus Zijn zoon,
door Zijn leer en wonderen, werd hij aangesteld tot een Apostel. De Heere Jezus
beminde hem bijzonder, hij lag in Zijn schoot, en heeft Jezus ook zeer lief
gehad. Toen de Heere zei, dat een van hen Hem zou verraden, vraagde hij met
bekommering, wie het was, Hij was een van de drie Boanerges, dat is zonen des
donders. Met Hem was hij getuige van de verborgen dingen Zijns Vaders, op de
heiligen berg, bij het opwekken van Jaïrus' dochtertje en in de hof. Met grote
naarstigheid heeft hij het Evangelie met de anderen onder de Joden gepredikt, en
ijverde zelfs dermate voor de eer van Christus, dat hij uit onverstand wenste,
dat het vuur van de hemel de Samaritanen zou verslinden, omdat zij de Heere
verwierpen. Hij heeft zich ook, buiten gevaar zijnde, beroemd de lijdensbeker
van Christus te kunnen drinken. Hoewel hij met anderen, volgens Christus'
voorzegging, enigermate in het geloof verzwakt was, heeft hij zich toch zeer
kloek gedragen, want hij was niet alleen tijdens Christus' lijden in het huis
van Kajafas de Hogepriester, maar stond ook bij het kruis van Christus, waar
Christus hem de zorg voor zijn moeder aanbeval, die hij ook tot zich genomen
heeft.
Hij was zeer verlangend naar Christus' opstanding;
en, hoewel hem die niet terstond is geopenbaard, toen hij naar het graf liep,
heeft Christus nochtans Zich verscheidene malen aan hem vertoond, en hem een
nieuw bevel gegeven aangaande het Apostelambt. Bij de discipelen bleef hij,
totdat zij de Heilige Geest hadden ontvangen, en predikte toen het Evangelie en
deed wonderen te Jeruzalem, waarom hij in de gevangenis werd geworpen en veel
heeft moeten lijden, doch tot zijn blijdschap.
Met Petrus werd hij ook gezonden naar Samaria; en
na vele jaren, toen Timotheüs gestorven was, predikte hij in Azië en in het
bijzonder in de stad Efeze, waar hij ook vele wonderen gedaan, ja sommigen uit
de dood opgewekt heeft. In de vervolging onder keizer Domitianus werd hij
gevangen genomen en naar Rome gebracht, waar hij (zoals sommigen zeggen) in een
vat kokende olie werd geworpen, waaruit hij echter ongeschonden opstond.
Vervolgens is hij gebannen naar het eiland Patmos, gelegen in de Aegeïsche zee,
waar hij vele gezichten gehad en beschreven heeft aan de zeven voornaamste
gemeenten in Klein-Azië, benevens enige heerlijke brieven. Na de dood van
Domitianus, toen Nerva regeerde, is hij naar Efeze teruggekeerd en wel in het
jaar 99 na Christus' geboorte, waar hij opziener was over de gemeenten in
Azië.
Met de ketters Ebion en Gerinthus had hij veel te
doen. Toen hij Ebion op zekere tijd in een bad vond, vluchtte hij, uit vrees dat
het huis tot straf van die ketter op hem vallen zou. Wegens hun ketterij schreef
hij vooral zijn Evangelie, waarin hij bovenal de godheid van Christus behandelt,
welke door de ketters geloochend werd.
Om de naam van Christus heeft hij veel geleden en
zelfs vergif gedronken, zonder dat, volgens de belofte van Christus, hem dit
schade deed. Eindelijk is hij, na de verwoesting van Jeruzalem te hebben
beleefd, ten tijde van de regering van keizer Trajanus, in vrede gestorven, in
het 68ste jaar na Christus' dood. Om al de vervolgingen en het lijden, dat hij
heeft verduurd, wordt hij gehouden voor een martelaar des Heeren Jezus Christus.
Dit grote licht rust alzo in Azië.
Prochorus, een van de zeven eerste diakenen, neef
van Stefanus en metgezel van Johannes de Apostel, was opziener van de gemeente
te Bithynië, heeft daarna te Antiochië geleden en is daar
gestorven.
Nikanor, ook een van de zeven diakenen, is ook om
de christelijke waarheid ter dood gebracht.
Desgelijks Parmenas, ook een der zeven
diakenen,
Olympus was met Paulus te Rome
gevangen.
Onesiforus, een leerling van Paulus, die (zoals
sommigen zeggen) bisschop is geweest van Colophon, of, volgens anderen van
Coronia, is met Porphyrius, zijn mededienstknecht, aan de Hellespont, op bevel
van de stadhouder Adrianus, eerst wreed gegeseld en daarna aan wilde paarden
gebonden,en alzo dood gesleept of verscheurd.
Karpus, een leerling van Paulus, die hem tot
opziener van de gemeente te Troas had aangesteld, is daar om het christelijk
geloof omgebracht.
Trofimus, een leerling van Paulus, is om de
waarheid van Christus onthoofd.
Apollinaris, een leerling van Petrus, is te
Ravenna gedood, en wel in het derde jaar der regering van
Vespasianus.
Maternus en Egistus, behorende, tot de zeventig
discipelen, zijn in Duitsland, tegelijk met Marianus, de diaken, om het geloof
gedood.
Hermagot was door Petrus tot opziener der gemeente
te Aquila aangesteld, heeft onder Nero geleden.
Onesimus, Dionysius, de Areopagiter, en meer
anderen, zijn voor de goddelijke waarheid gestorven.
Domitianus, als ware hij een erfgenaam van de haat
tegen Gods volk en de bitterheid van Nero, gaat met de tweede vervolging tegen
de Christenen voort. In deze vervolging, die verscheidene jaren geduurd heeft,
zijn, volgens de beschrijving, omgebracht de navolgende
personen:
Timotheüs was geboren te Lystre, in Lycaonië. Zijn
vader was een Griek, maar zijn moeder Eunice en zijn grootmoeder Lois waren
gelovige joodse vrouwen. door wie hij van zijn jeugd aan was onderwezen in de
Heilige Schrift. Toen Paulus te Lystre en Iconië een goede getuigenis omtrent
hem had horen afleggen, nam hij hem aan tot een leerling en metgezel in de
dienst van het Evangelie onder de heidenen, en liet hem tevoren besnijden, en
wel om der Joden wil, die in die plaats waren, want allen wisten, dat zijn vader
een Griek was.
Boven alle anderen van zijn metgezellen heeft
Paulus deze leerling bemind, en noemt hem zijn oprechte zoon in het geloof. In
zijn afwezigheid heeft Paulus hem ook naar vele plaatsen gezonden en zijn dienst
daar gebruikt, om, als hem vertegenwoordigende, alles te doen tot opbouwing der
gemeente van Christus, waarvan hij zich zeer getrouw gekweten heeft, zodat
Paulus hem achtte als een Evangelist. Nadat Paulus hem tot bisschop of opziener
der gemeente te Efeze had geordend en aangesteld, schreef hij enige bijzondere
brieven aan hem, waarin hij hem onder andere vermaant, om wakker te zijn in
alles, verdrukking te lijden, het werk van een Evangelist te doen en te waken,
dat men van zijn dienst ten volle verzekerd zij, en hem te bejegenen, zoals het
betaamt. Omdat hij de afgoderij van Diana had bestraft, is hij onder de regering
van keizer Domitianus door de onwetende heidenen gestenigd, en heeft alzo zijn
loop volbracht.
De geschiedenissen verhalen, dat ook verder zijn
omgebracht:
In Frankrijk, Lucianus, bisschop van
Bellovaco.
Maximianus en Julianus,
ouderlingen.
Nicasius, bisschop van
Rouaan.
Quirinus, ouderling.
Scubiculus, diaken.
Patientia, een maagd.
In Italië, Romulus, bisschop van Fesula en anderen
op meer andere plaatsen.
Men meent ook, dat in deze tijd is omgebracht in
de stad Pergamus, zekere Antipas, een getrouw getuige van Jezus Christus, van
wie gesproken wordt Openb. 2, vs. 13.
Marsilius Glabrio, die in het vorige jaar
stadhouder van Rome was, en op mannelijke wijze een leeuw overwonnen had,
waarmee hij veroordeeld was geworden te vechten, werd mede gedood. De reden,
waarom men hem en vele anderen doodde, was, gelijk Dion Niceüs schrijft, dat zij
zich aanstelden als Joden, zoals in die tijden de Christenen door de heidenen
genoemd werden, aangezien de Christenen uit de Joden afkomstig waren. Men kan
het er daarom voor houden, dat Glabrio en anderen in die lijd hebben moeten
lijden om de naam van Christus en het oprechte geloof.
De derde vervolging tegen de Christenen is
begonnen op bevel van keizer Trajanus, opgehitst door Mamertinus, stadhouder te
Rome, en Tarquinus, overste van de heidense afgoderijen. De afgodendienaars
brachten ook geld op, en gaven schatting om de Christenen te vervolgen en uit te
roeien, alles onder het voorwendsel, lat zij onwillig waren om de goden te
aanbidden en met offeranden te vereren, en dat zij vijanden van hen en van de
Romeinse republiek waren.
Onder de martelaren in deze tijd zijn de
voornaamste:
[Jaar 109]
Simeon, een zoon van Kleopas, die gehouden wordt
voor een neef des Heeren, omdat hij een zoon was van de broeder van Jozef,
Christus’ pleegvader. Hij was uit de stam van Juda en derhalve van het
koninklijke geslacht van David. Deze Simeon was een vroom dienaar van God, die
de Heere Christus ook heeft gezien en gehoord, zoals uit zijn hogen ouderdom wel
op te maken is. Mogelijk behoorde hij ook wel tot de zeventig discipelen, die de
gemeente Gods door prediking en lering met gehoorzaamheid hebben zoeken uit te
breiden, totdat hij na de dood van Jakobus de jongere, op gezag van de
Apostelen, in de dienst werd aangesteld en wel tot bisschop en opziener in de
gemeente te Jeruzalem, omtrent het jaar 61 na Christus' geboorte. Dit ambt heeft
hij zeer lang bediend, en met zulk een getrouwheid, dat hij om de waarheid van
Christus vele en zware pijnigingen heeft geleden. Gelijk men onder de keizers
Vespasianus en Domitianus het koninklijk geslacht van David heeft zoeken uit te
roeien, alzo geschiedde het ook, dat onder de derde vervolging ten tijde van
keizer Trajanus deze Simeon door de ongelovige heidenen werd beschuldigd, niet
alleen dat hij behoorde tot het koninklijk geslacht van David, maar ook dat hij
een Christen was. Hierom werd hij gevangen genomen en aan Atticus, stadhouder te
Jeruzalem, overgeleverd, die hem vele dagen achtereen met scherpe roeden dermate
liet geselen, dat ieder, die het zag ook de rechter zelf zich over hem moesten
erbarmen en verwonderen, hoe zulk een hoog bejaard man van 120 jaren een
zodanige onlijdelijke marteling, had kunnen uitstaan. Toen hij in zijn
belijdenis even volstandig volhardde, is hij zijn Heere, Die hij beleed, in het
lijden gelijkvormig geworden, en werd door Atticus veroordeeld omgekruisigd te
worden, in het 11e jaar der regering van Trajanus of 109 jaar na
Chr.
Ignatius, een leerling van Johannes, de Apostel.
en een navolger van Petrus en Evodus in de dienst der gemeente van Christus te
Antiochië in Syrië, was een zeer godvruchtig man, getrouw en naarstig in zijn
bediening. Toen hij vernam, dat keizer Trajanus na zijn overwinningen, die hij
behaald had op de volken van Dacië, Armenië, Assyrië en andere Oosterse rijken,
de afgoden te Antiochië openlijk dankte en grote offeranden bracht, alsof zij
hem met deze overwinningen begunstigd hadden, ondernam hij het, de keizer
daarover te bestraffen, ja (zoals Nicephorus verhaalt) zelfs openlijk in de
tempel. De keizer was hierover zeer gebelgd, en liet Ignatius gevangen nemen,
doch in Antiochië zelf niet straffen, en wel omdat hij bevreesd was voor oproer,
aangezien deze bisschop daarin groot aanzien was; maar hij hhet hem, vergezeld
van tien soldaten, gebonden naar Rome voeren, om hem daar zijn straf te doen
ondergaan. Op weg daarheen zijnde, heeft hij aan verscheidene gemeenten vele
troostbrieven geschreven, zoals aan die van Smyrna, Efese, Filadelfia, Tralles,
Magnesia, Tharsen, Filippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus te
Rome; welke brief hij voor zijn komst daarheen zond, waarin hij onder andere
verklaart, dat het zijn begeerte en verlangen was, om het christelijk geloof met
zijn bloed te bevestigen.
Zijn eigen woorden luiden aldus: “Van Syrië af
naar Rome reizende, te water en te land, bij dag en nacht, vecht ik met wilde
beesten, zeer nauw tussen tien luipaarden gebonden, die, inderdaad, hoe meer ik
hen streel en grotere vriendschap bewijs, des te wreder en wreveliger jegens mij
worden. Doch door hun wreedheid en pijnigingen, die zij mij dagelijks aandoen,
word ik meer en meer geoefend en geleerd, maar daardoor ben ik niet
rechtvaardig. Och dat ik reeds bij de beesten ware, die gereed zijn mij te
verscheuren! Ik hoop, dat ik ze binnenkort zal vinden, zoals ik ze wens, te
weten, wreed genoeg om mij ten spoedigste te vernielen. Willen zij mij niet
aantasten en verscheuren, dan zal ik hen vriendelijk lokken, opdat zij mij niet
verschonen, zoals zij reeds enige Christenen verschoond hebben; maar dat zij mij
met haast in stukken scheuren en verteren. indien zij nog blijven weigeren, zal
ik hen tergen en aanporren. Vergeeft mij, dat ik zo spreek. Ik weet, wat mij
nodig en bevorderlijk is; na begin ik eerst een discipel van Christus te worden.
Ik acht zichtbare noch onzichtbare dingen, waaraan de wereld zich vergaapt. Het
is mij genoeg, als ik Christus maar mag deelachtig worden. Laat vrij de duivel
en boze mensen mij allerlei pijn en smarten aandoen, met vuur, met kruisigen,
met het worstelen tegen de beesten, met verstrooiing van mijn ledematen en het
geraamte van mijn lichaam, ja met verplettering en verbrijzeling mijns gehelen
lichaams; ik acht dit alles zeer weinig, mits ik alleen Jezus Christus geniete.
Alleen, bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven worde,
om dit niet alleen te spreken of te schrijven, maar ook om het na te komen en te
kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd maar ook bevonden mag
worden.
Toen hij te Rome kwam, werd hij door de soldaten
aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waarin zijn vonnis
geschreven stond. Enige tijd werd hij daar bewaard tot op zekere feestdag van de
Romeinen, op welke dag de stadhouder hem naar het bevel des keizers, in de
kampplaats liet voorbrengen. Nadat hij door vele pijnigingen van het christelijk
geloof niet afvallig kon gemaakt worden, heeft men hem aan de leeuwen
voorgeworpen, door welke hij terstond zeer gretig werd verslonden. Van hem wordt
verhaald, dat toen hij aan de leeuwen werd overgegeven, om door hen verslonden
te worden, en in het perk hoorde brullen, zei: “Ik ben het koren des Heeren, ik
word door de tanden der beesten gemalen en gekneed, opdat ik in Christus een
rein brood worde.” Alzo is deze getrouwe bloedgetuige van Christus zalig
ontslapen in het jaar onzes Heeren 109, in het 11e jaar der regering van keizer
Trajanus.
Omstreeks deze tijd werd ook, om de naam van
Christus, omgebracht, zekere Publius, opziener der gemeente in Athene, een goed
en vroom man, benevens vele anderen.
Zosimus, Rufus en anderen werden, om de
christelijke godsdienst, ter dood gebracht en wet in de stad Filippi, in
Macedonië.
Op bevel van keizer Trajanus, werd de 26sten
Oktober van het tijdelijke leven beroofd Evarestus, opziener van de gemeente te
Rome.
Hermes, stadhouder van Rome, met zijn vrouw en
kinderen, benevens nog 1250 mensen, werden levend om Gods Woord in gloeiende
ovens verbrand.
Spoedig daarna ondergingen hetzelfde lot Zeno, een
Romeins edelman, en 40,203 mensen. Eveneens werden Enstachius en zijn vrouw te
Rome om de naam van Christus omgebracht.
Justus en Pastor zijn, om dezelfde reden, in de
Spaanse stad Complutum genaamd van het leven beroofd.
Tiberianus, stadhouder van Palestina, schreef aan
keizer Trajanus, dat hij niet machtig was de Christenen wegens hun grote menigte
uit te roeien. Toen gebood de keizer, dat men de vervolging zou
staken.
Men zegt ook, dat omstreeks deze tijd om het
christelijk geloof omgebracht is, en wel na vele smarten en pijnen te hebben
geleden, Phocas, bisschop van Pontus.
Bovendien zijn om de naam van Christus nog
verscheidene personen gedood, zoals in Italië, te Brescia, Faustina en Jobita.
Te Messina, op Sicilië, ondergingen de dood Eleutherus en zijn moeder Anthia, en
meer anderen in verscheidene andere plaatsen.
Te Tivoli, in Italië, werden ter dood gebracht
Getulicus, een leraar, en Symphorosa met haar zeven zonen; zo ook zijn Cerealis
en Amantius, in dezelfde stad, om de naam van Christus
gedood.
Saphyra, een maagd te Antiochië, en Sabina, een
weduwe van Valentin, zijn te Rome om dezelfde reden
gedood.
De 5e januari werd, om de christelijke godsdienst,
het leven ontnomen aan Telesphorus, opziener van de gemeente te
Rome.
[JAAR 144.]
Ptolomeüs, een vroom en godzalig man, die zijn
vrouw tot het christelijk geloof had gebracht, werd om de waarheid van Christus
gevangen genomen. Toen hem gevraagd werd, of hij een Christen was, beleed hij,
de waarheid liefhebbende, het terstond; want hij, die verzaakt, wat hij is, acht
strafbaar te zijn, wat hij verzaakt. Om deze belijdenis werd hij in de kerker
geworpen, en vertoefde daarin zo lang, totdat hij geheel vermagerd was, terwijl
hij ten laatste aan de rechter Urbicus werd overgeleverd, die hem terstond
daarna om de christelijke waarheid liet doden.
Er was ook een Christen, Lucius genaamd. Toen deze
hoorde, dat zo onverdiend en lichtvaardig het vonnis over Ptolomeüs was geveld,
zei hij tot Urbicius, de rechter: "Wat beweegt u toch, dat gij zulk een ter dood
veroordeelt, die geen overspeler, vrouwenschender, doodslager, moordenaar, noch
rover, of dergelijk misdadiger is, maar die alleen belijdt, dat hij een Christen
is? O Urbicius, dat is iets, wat de goede keizer, zijn wijzen zoon, of eerbare
raad niet aangenaam is, en tot eer verstrekt." Zonder meer te vragen zei
Urbicius: "Mij dunkt, dat gij ook een Christen bent?" En toen Lucius daarop
antwoordde: Ja, dat ben ik voorzeker," veroordeelde hij hem ook ter dood. Daarop
hernam Lucius: “Ik dank u, dat gij mij van zulk een boze heer verlost, en mij
tot God zendt, de allerbeste Vader en Koning over alles." Dit geschiedde te
Alexandrië, in Egypte, omtrent het jaar onzes Heeren 144, waar ook in diezelfden
tijd met hem nog vele anderen werden gedood.
Niettegenstaande de hevige vervolgingen, nam het
aantal Christenen overal toe, zodat Justinus met recht van hen zegt, dat de
Christenen vreemdelingen waren, en toch de plaatsen, steden, eilanden, kastelen,
enz. der heidenen bewoonden, ja ook zelfs het keizerlijk paleis en de raad,
waren binnen gedrongen, hun alleen de tempels als afgodshuizen overlatende.
Plinius de tweede, stadhouder in Bithynië, ziende, dat daar de christelijke
godsdienst meer en meer aanhangers kreeg en de overhand nam in weerwil van de
zware en bloedige vervolgingen, zo zelfs, dat alle afgodstempels bijna leeg en
verlaten waren, werd hij ontroerd over de menigte der Christenen, en maakte
zwarigheid om die allen te straffen. Hij schreef daarover brieven aan de keizer,
en vroeg raad, wat hem, zoals de zaken nu waren, te doen
stond.
In deze brieven vraagt Plinius niet alleen raad in
deze moeilijke en verwarde zaak, maar beproeft ook de keizer (naar het schijnt)
te bewegen om de vervolging te doen ophouden, en zegt, dat de Christenen nergens
anders in schuldig werden bevonden. dan dat zij gewoon waren op zekere bestemde
dag, voor de dageraad, bijeen te komen, en met elkaar Christus, als hun God,
lofzangen te zingen, dat zij zich onderling met een eed verbinden generlei kwade
daden te plegen, zich te onthouden van dieverij, doodslag en overspel te begaan,
hun geloof te verzaken, en niet te loochenen, wat hun in bewaring was gegeven.
Dat als zij zulks gedaan hadden, zij dan gewoon waren te vertrekken, en weer te
vergaderen om hun nooddruft te nemen in het algemeen, zonder iemand te hinderen
of letsel te doen, en zij zich gedragen volgens zijn bevel." Betreffende de
grote menigte der Christenen in die landen, voegt hij er bij: Volgens mijn
mening is de zaak wel waardig om uw raad daarover in te winnen, en wel vooral om
de grote menigte van hen, wie het gevaar boven het hoofd hangt. Velen, van elke
leeftijd en van allerlei stand, zo mannen als vrouwen zijn in gevaar of zullen
er in komen, aangezien niet alleen in de steden, maar ook in de dorpen en
gehuchten de besmetting van dit bijgeloof verspreid is.
Op dit schrijven antwoordde keizer Trajanus onder
andere het volgende: "Men zal zodanige lieden niet laten opzoeken, en, indien
zij aangebracht en aangeklaagd worden, moet men hen in dit geval straffen, onder
deze bepaling nochtans, dat zij, die ontkennen Christen te zijn, en dit met de
daad tonen, te weten, door het aanroepen van onze goden, hoewel zij voor het
toekomende verdacht zijn, om hun berouw en boetvaardigheid vergiffenis erlangen.
Tertullianus bestrijdt dit antwoord van de keizer zeer, als indruisend tegen
recht en rede, terwijl hij uitroept: “O vonnis, dat.alleen uit verlegenheid zo
verward is! Hij wil niet, dat men naar hen zoeken zal, omdat zij onschuldig
zijn, en toch beveelt hij, dat men hen als schuldigen zal straffen." Hoewel door
deze brieven het vuur der vervolging werd uitgeblust, toch hield daarom de
vervolging niet geheel op.
Hierna schreef ook Justinus, de wijsgeer, twee
verdedigingsgeschriften voor de Christenen, het een aan de Senaat van Rome, het
andere aan keizer Antonius en zijn opvolgers, alsmede aan de gehele burgerij te
Rome. Aan het slot van zijn schrijven zegt hij met vrijmoedigheid en
welsprekende woorden: Dit zeggen wij u vooraf, dat gij het aanstaande oordeel
van God geenszins zult ontgaan, indien gij in de goddeloosheid volhardt. Wij
zullen niet ophouden te bidden wat God aangenaam is en behaagt, opdat de
waarheid worde geloofd en de overhand behoudt."
Op deze verdedigingsgeschriften volgde een
heerlijk schrijven van keizer Antoninus, hetwelk te vinden is bij Eusebius het
vierde boek, hoofdstuk 13. Melito zegt bij dezelfde Eusebius te vinden, dat
Antoninus Pius in het algemeen ten gunst van de Christenen in alle landen
geschreven heeft, en voornamelijk aan de bewoners van Larissa, Thessalonica en
Athene.
Wij willen hier nog bijvoegen, om daarmee de
geschiedenis van deze derde vervolging te besluiten, enige voortreffelijke
woorden van dezelfde Justinus, uit zijn samenspraak met Tryphonus waar hij met
levendige kleuren de standvastigheid der Christenen in die tijd
afschildert.
Inderdaad, dat niemand macht heeft om ons die in
Jezus geloven, te verschrikken of te beteugelen, dit blijkt dagelijks. Wanneer
wij gedood, gekruisigd, aan de dieren voorgeworpen, aan het vuur en andere
pijnigingen overgegeven worden, wijken wij toch niet van onze belijdenis; maar
hoe wreder men tegen ons woedt, zoveel temeer beoefenen wij de godsdienst en het
geloof in Jezus; het is met ons niet anders dan of iemand door snoeien een
wijngaard opwekte tot vruchtbaarheid. Want de wijngaard, door God en onze
Zaligmaker Christus geplant, is Zijn volk."
De vierde vervolging tegen de Christenen barstte
uit ten tijde van keizer Antoninus. Er kon geen pijniging, straf, of ombrengen,
zo groot, zo wreed, zo onverbiddelijk voor de boze mensen, door de tirannen, de
werktuigen des duivels, bedacht, aangewend en volvoerd worden, of men meende,
dat de Christenen, als vervloekte mensen als vijanden van het rijk, als oorzaak
van alle ongelukken, duizendmaal meer verdiend hadden. In het openbaar bespot,
levenslang opgesloten, gevangen, gegeseld, gestenigd, geworgd, gehangen,
onthoofd, verbrand te worden, werd niet voldoende geacht. In deze tijd begon men
de arme Christenen met gloeiende platen tot de dood toe te bestrijken, met
gloeiende tangen het vlees van het lichaam te trekken, met ijzeren stoelen over
een klein vuur te plaatsen, in ijzeren pannen te verschroeien, in nauwe netten
gesloten de wilden stieren voor te werpen, teneinde door deze al spelende en
spottende met de hoornen in de lucht gesmeten te worden. Dit alles ging gepaard
met een andere barbaarsheid, namelijk, dat men de lichamen dergenen, die
omgebracht werden, de honden voorwierp, waarbij men wachters plaatste, opdat
deze lijken door de gelovige Christenen niet weggehaald en begraven zouden
worden. Onder de regering van deze keizer zijn de navolgende Christenen wegens
hun christelijke godsdienst, ter dood gebracht.
[JAAR 168.]
Justinus, een zoon van Priscus Bacchus was geboren
te Neapolis, in Palestina, en wel uit Griekse ouders. Hij was een geleerd
wijsgeer, zeer ervaren in alle wetenschappen der heidenen. Deze hoorde, dat de
Christenen boven alles werden beschuldigd, dat zij in hun vergaderingen zich aan
schandelijkheden schuldig maakten. En toch zag hij, dat zij met grote volharding
de dood onbevreesd tegen gingen, waaruit hij besloot, dat het niet mogelijk was,
dat zulke mensen een zodanig slecht leven zouden leiden, aangezien boosdoeners
geen hoop op een beter leven kunnen hebben, maar schrikken voor de dood. Na een
naarstig onderzoek van de Heilige Schrift, verliet hij dan ook het heidendom, en
nam de christelijke godsdienst aan. Hij maakte zulke vorderingen in de kennis
van die godsdienst, dat hij leraar werd van het Evangelie, en het christelijk
geloof kloekmoedig beschermde met schrijven, en zelfs verdedigingsgeschriften
aan de keizer zond, om de Christenen te verontschuldigen van de lasteringen,
waarmee zij werden bezwaard. Hij wekte ook vele mensen tot het martelaarschap
op. Dikwerf redetwistte hij met een onbeschaamde wijsgeer, Crescens genaamd,
maar overwon hem menigmalen en maakte hem beschaamd. Deze wijsgeer vatte
daarover zulk een dodelijke haat tegen Justinus op, dat hij hem in zijn hart de
dood had gezworen. Van die tijd af aan hield hij dan ook niet op hem lagen te
leggen en als Christen aan te klagen, totdat hij als met Justinus' bloed zijn
dorst gelest had, gelijk Tatianus, een leerling van Justinus, in zijn
redevoering tegen de Grieken of heidenen over hem klaagt, dat hij niet alleen
Justinus, maar ook hem naar het leven had gestaan, omdat zij hem en zijns
gelijken, als wulpse dieren en bedrieglijke wijsgeren, in het openbaar hadden
bestraft. Justinus werd op zijn aanklacht gevangen genomen, en, daar hij
kloekmoedig weigerde het Christendom af te zweren, werd hij eindelijk door de
President Rusticus ter dood veroordeeld, en, na vooraf gegeseld te zijn, met de
bijl onthoofd, omtrent het jaar onzes Heeren 168.
[JAAR 174.]
Alvorens de christelijke gemeente te Smyrna in
haren brief aan de gemeenten van Jezus Christus in Pontus, van Polycarpus'
martelaarschap melding maakt, verhaalt zij in het algemeen, hoe groot en
gruwelijk de vervolging der vijanden was jegens andere martelaren, die voor
Polycarpus geleden, en welke grote standvastigheid in het verdragen van allerlei
pijnigingen deze martelaren aan de dag gelegd hebben. Betreffende deze
wreedheid, waarmee men de Christenen pijnigde, schrijven zij aldus: "Alle
omstanders waren getuigen, dat het vlees der bloedgetuigen van Christus door
verscheidene geselingen en slagen tot in de binnenste aderen en allerdiepste
zenuwen werd losgerukt en vaneen gescheurd, zodat men hun ingewanden en
verborgen delen des lichaams zag bewegen; ja dat er dan scherven van gebroken
potten, zeeschelpen, ja voetangels op de grond werden gestrooid, en daarover de
reeds gemartelde Christenen met hun verscheurde lichamen, gesleept en vertreden
werden. Wanneer de dus misvormde Christenen, wegens de aangedane pijnigingen,
bijna waren gestorven, of nauwelijks meer adem konden halen, werden zij aan de
wilde dieren voorgeworpen, om verscheurd te worden. Allen, die deze treurspelen
zagen, en het aanschouwden, hoe onmenselijk de Christenen werden mishandeld, en
met welk een geduld die martelaren dat verdroegen, waren daarover zeer
verwonderd en ontzet.
Onder deze was een, Germanicus genaamd, die door
Gods genade versterkt, de natuurlijke en aangeboren zwakheid zijns gemoeds,
welke de lichamelijke dood zeer vreest, zo krachtig overwon, dat hij, wegens
zijn bijzondere standvastigheid, voor een der voortreffelijkste martelaren te
houden is. Toen de stadhouder hem zocht wijs te maken en te overreden, dat hij
toch de bloei van zijn leven in aanmerking zou nemen en met zichzelf erbarming
hebben zou, verachtte Germanicus die raad, en hield zijn jong leven niet
dierbaar voor zijn Heere Jezus Christus, maar trok terstond, zonder dralen, de
wilde dieren, die gereed en losgelaten waren, naar zijn lichaam toe, en hitste
hen als het ware op, alsof het hem zou gespeten hebben, wanneer zij nog
vertoefden om hem te verslinden, teneinde alzo te eerder van het lichaam der
zonde verlost te mogen worden, tot grote verwondering van al het volk. Met grote
standvastigheid had hij aldus zijn leven veil voor de goddelijke waarheid, en
stierf te Smyrna, in Klein-Azië, omtrent het jaar van Christus' geboorte
174.
Meliton, opziener van de gemeente van Christus te
Sardis, een stad in Lybië, was een geleerd, welsprekend en met de Heilige Geest
begaafd man. Hij schreef een apologie of verdediging van de christelijke
godsdienst, en zond die aan keizer Antoninus. Ook Claudius Apollinaris, opziener
der. gemeente te Hiërapolis, een stad in Azië, deed het zelfde, zoals ook daarna
Athenagoras, een wijsgeer te Athene, en een geleerd en godvruchtig
man.
Toen keizer M. Antoninus de Marcomannen overwonnen
had, voerde hij oorlog tegen de Quaden. Met zijn leger in hun land vallende,
werd hij dapper aangevallen, en, na een hevige strijd, met zijn volk ingesloten
in een plaats tussen het gebergte, waar groot gebrek was aan water, terwijl zij
veel van de hitte te lijden hadden. Gedurende vijf dagen verkeerden zij daarin
groten nood, zodat zijn volk, door de hitte en van de dorst schier versmacht, in
moedeloosheid ieder hunner zijn goden tevergeefs aanriep. In die ogenblikken
deed zich een afdeling Christenen op, die ingeschreven waren in zeker groot
leger, Melitana genaamd. Deze bogen met een vast geloof de knieën voor de enige,
eeuwige en waarachtige God. En, toen zij hun vurige gebeden voor de nood van de
vorst en hen allen uitgestort hadden, werden zij terstond, en wel geheel
onverwacht en tot ieders verwondering, met twee weldaden gezegend, een
overvloedige regen in hun midden, waardoor het leger zeer werd gelaafd, terwijl
boven de hoofden der vijanden hevige en langdurige bliksemstralen en
donderslagen zich ontlasttten, waardoor zij verdreven en verstrooid
werden.
Door dit wonder werd het gemoed van de keizer
dermate getroffen, dat hij van die tijd aan de Christenen gunstiger behandelde,
ja, zelfs in brieven, die hij aan verscheidene stadhouders zond, beleed, dat hij
door het gebed der Christenen de overwinning verkregen bad, en aan het
bovengenoemde leger de naam gaf van het bliksemende."
Was de vervolging van de Christenen onder M.
Antoninus geëindigd, onder keizer Commodus duurde de vrede voort, en wel omdat
hij zonder twijfel nog aan het buitengewone wonder dacht, hier boven verhaald,
dat zijn vader tot meedogendheid jegens de Christenen had opgewekt; maar ook
omdat hij een bijzit had, Marcia genaamd, die de Christenen een goed hart
toedroeg. In het begin der regering van Commodus hadden dus de Christenen vrede,
maar dit duurde niet lang.
In weerwil van die vrede, worden toch door
sommigen als martelaren in het begin van zijn regering gehouden en genoemd:
Vincentius, Eusebius, Peregunus en Potentianus, leraars, als ook Julius, een
raadsheer te Rome.
In deze tijd werd ook in de stad Smyrna gevangen
genomen Polycarpus, een leerling van de Apostel Johannes, die Johannes zelf het
woord had horen verkondigen, en die met hen had omgegaan, die de Heere Christus
hadden gezien, en door Johannes was aangesteld tot een opziener van de gemeente
der genoemde stad Smyrna.
De stadhouder Filippus vermaande hem, dat hij,
zijn ouderdom in aanmerking nemende, zou zweren bij de goden des keizers en
Christus vloeken. Met grote vrijmoedigheid antwoordde hij echter: “Zes en
tachtig jaren heb ik mijn Heere Christus gediend, en hij heeft mij nimmer enig
kwaad gedaan; hoe zou ik mijn Koning kunnen vloeken, die mij behouden heeft?"
Toen de stadhouder hem dreigde met de wilde dieren, als hij van zijn voornemen
geen afstand deed en zich bekeerde, antwoordde Polycarpus: laat hen voorkomen,
want mijn besluit is onveranderlijk, wij kunnen ons door bedreigingen niet
bekeren van het goede, tot het kwade, beter ware het, dat zij zich tot het goede
bekeerden, die in hun boosheid volharden."
Vervolgens zei de stadhouder: houdt gij nog vol?
Als gij de wilde dieren veracht, zal ik u door vuur laten verbranden." “Gij
dreigt mij met vuur," dus hernam Polycarpus, "dat in een ogenblik ontstoken en
weer uitgeblust wordt, want gij weet niet van het eeuwige vuur, dat de bozen
treffen zal in de dag des oordeels. Wat vertoeft u nog? Doe aan mij, wat gij van
beide goedvindt."
Toen nu het volk zijn dood eiste, werd hij door de
stadhouder overgeleverd om verbrand te worden. Als nu het hout van alle kanten
voor de brandstapel was aangebracht, waarbij vooral de Joden, volgens hun
gewoonte zich beijverden, en men hem met nagels aan een paal wilde hechten, zei
hij: laat mij zoals ik ben. Die mij kracht gegeven heeft om de pijn van het vuur
te verdragen, zal mij ook helpen om op deze brandstap te blijven. Daarop werd
hij slechts gebonden. Toen hij met vrijmoedigheid tot God gebeden had en het
vuur hem niet deerde, aangezien dit, tot ieders verwondering, onder en rondom
hem uitbarstte, zonder hem nochtans te verteren, werd hij eindelijk doorstoken,
waarbij het bloed zo overvloedig uit zijn lichaam vloeide, dat het vuur daardoor
werd uitgedoofd.
Felicitas, een weduwe, geboren te Rome, werd in
haar vaderstad, om Gods Woord, met haar zeven zonen
omgebracht.
[JAAR 179.]
In die tijd ontstond te Lyon en te Vienne in
Frankrijk een grote beroerte, wegens het wrede geweld, dat men de Christenen
aandeed. De huizen en woningen werden verboden, daarna ook het gebruik der baden
en later zelfs van de straat. Dit ging zelfs zo ver, dat men hen in het geheim
noch openbaar duidde. Desgelijks werden er velen gevangen genomen en gepijnigd,
zodat zij veel hebben moeten lijden.
Vetius Epagathus, een vroom Christen, en hoewel
van jeugdige leeftijd, toch christelijk van leven, en een geacht edelman, die de
wreedheid zag, welke men de Christenen aandeed, verlangde, door een ijverige
geest bezield, van de rechter, dat men hem wilde aanhoren in hetgeen hij ten
gunst van de goede burgers in het midden wilde brengen; dat zij namelijk niets
kwaads bedreven, en zich niet in de strikken der ongerechtigheid lieten vangen.
Toen hij echter geen gehoor kon krijgen, vroeg de rechter hem alleen, of hij een
Christen was. En, toen hij dit openlijk en vrijmoedig beleed, zei de rechter:
“Dan zult gij met de gevangenen meegaan als een voorspraak van de Christenen."
Zo werd hij dan ook met de heilige leraar Zacharias, die als een goed herder
voor zijn schapen streed, gevangen weggeleid en eindelijk gedood in het jaar
onzes Heeren 179.
Er werd ook gevangen genomen een diaken uit de
stad Vienne, Sanctus genaamd. Men pijnigde hem op zeer onmenselijke wijze,
teneinde van hem te weten te komen, of de Christenen zich aan zulke gruwelijke
handelingen schuldig maakten, als waarvan men hen beschuldigde. Maar, aangezien
hij zeer door God versterkt werd, verachtte hij al de pijnigingen, welke zij hem
aandeden, dermate, dat hij niet bekende, wie hij was, noch uit welk geslacht,
uit welk land of hoe hij heette. Toen men hem onder de pijnigingen omtrent alles
ondervroeg, antwoordde hij niets anders dan dat hij een Christen was. “Dit is
mijn naam," zei hij, ja ik ben in het geheel niet anders dan een Christen." Om
deze reden koelden de tirannen hun wraak dermate aan hem, dat zij zijn buik en
andere gevoelige plaatsen van zijn lichaam met gloeiende ijzeren platen
belegden, zodat zijn vlees verbrandde en van het lichaam viel. Toen deze heilige
martelaar dus standvastig bleef, werd hij in zeer mismaakte toestand in de
gevangenis geworpen, terwijl later deze vrome getuige, na vele en gruwelijke
pijnigingen, andermaal werd voorgebracht, en om de getuigenis van Christus
onthoofd.
Attalus en Blandina gevangen genomen zijnde,
werden zeer dikwijls en vreselijk gepijnigd, opdat zij Christus zouden
verloochenen en zekere verzonnen boze daden van de Christenen bekennen. Na zware
pijnigingen te hebben uitgestaan, zette men hen weer in de
gevangenis.
In deze tijd is onder de Christenen het bijgeloof,
om sommige spijzen uit te zonderen, in zwang gekomen. Men achtte het toen niet
ongeoorloofd, (zoals men nu doet) op zekere dagen vlees te eten, want dit is
later eerst verordend, toen de Antichrist dit begon te verbieden; maar sommigen
onthielden zich van het gebruik van vlees, omdat zij meenden, dat hun vleselijke
lusten daardoor temeer zouden onderdrukt en bedwongen worden. Later dachten
sommigen, dat het een heilige verrichting was, (naar hun mening) Gode aangenaam,
en zo werd het ten laatste een verbod. Juist in deze tijd zat er een ander
Christen met Attalus en Blandina gevangen, die zich zeer sober behielp, en geen
wijn en vlees gebruikte. Nu openbaarde God aan Attalus, dat hij deze mens
aanzeggen moest, dat hij zich van dagelijkse spijs moest bedienen, opdat anderen
zijn voorbeeld daarin niet zouden navolgen, aangezien eenvoudige mensen licht
konden menen, dat het bijzondere gebruik van spijs een aanbevelenswaardige
godsvrucht was. Attalus deelde deze openbaring aan deze mens en andere
gevangenen mee, die er aan gehoorzaamden, terwijl de anderen er door geleerd en
versterkt werden.
Na Attalus en de anderen zware en onlijdelijke
pijnigingen te hebben aangedaan, werd de eerste voor de wilde dieren geworpen,
ofschoon hij een Romeins burger was, die men, volgens het bevel des keizers, had
behoren te onthoofden. Maar toen de wilde dieren het lichaam van de martelaren
niet aanroerden, liet de rechter hen andermaal op velerlei wijze pijnigen, en
werden zij zelfs op ijzeren stoelen boven het vuur geplaatst. Toen nu Attalus op
de stoel zat, en men bezig was hem te binden, zei hij tot het volk: ziel, dit is
nu mensen eten (de Christenen werden ook beschuldigd, dat zij kinderen aten) wat
gijlieden doet; wij eten geen mensenvlees, en bedrijven ook geen wandaden." Als
zij hem vroegen hoe God heette, antwoordde hij: “Waar er velen zijn, daar worden
zij met namen onderscheiden; maar, aangezien er slechts één God is, heeft Hij
geen naam nodig." Eindelijk werd Attalus met de anderen in het perk
onthalsd.
Nadat deze omgebracht waren, werden Blandina en
Ponticus een jongeling van 15 jaren, andermaal voorgebracht. Toen men hun
gebood, dat zij hij de afgoden zouden zweren, antwoordden zij, dat de afgoden
niets zijn, en dat zij daarom bij hen niet zweren konden. Als zij en vele
anderen zich tegen de afgoderij verklaarden en die verfoeiden, werden zij weer
op de vreselijkste wijze gepijnigd, zo zelfs, dat Ponticus onder de martelingen
de geest gaf. Nadat Blandina van de morgen tot de avond dermate was gemarteld,
dat haar gehele lichaam vaneen gescheurd en als aan stukken gereten was, zo
zelfs, dat haar pijnigers door vermoeidheid ter aarde vielen, en bekenden, dat
zij geen pijnigingen en martelingen meer konden uitdenken, die haar gevoelig
moesten aandoen, riep zij niets anders dan: “Ik ben een Christin, en door ons
wordt niets kwaads of onbehoorlijks gedaan. Eindelijk werd zij in een net
gewikkeld en de stieren voorgeworpen. Deze wierpen haar herhaalde malen met hun
horens in de hoogte, totdat zij haar ziel Gode opofferde, in het jaar onzes
Heeren 179.
[JAAR 179].
Photinus, bisschop of leraar te Lyon, een man van
ruim negentigjarige ouderdom, en zwak van lichaam, werd voor de rechterstoel van
het volk gebracht. Zijn vijanden schreeuwden verward door elkaar, en zeiden, dat
hij Christus zelf was. Op de vraag van de president, wie de God der christenen
was, antwoordde hij: "Wanneer gij het waardig bent, zult gij het weten." Als
wilde dieren vielen zij toen op hem aan, en martelden hem met slaan, schoppen,
trekken, stoten, trappen enz. dermate dat hij twee dagen daarna overleed. In het
jaar 179 na Christus' geboorte zijn te Lyon en te Vienne, omstreeks dezelfde
tijd, waarin Photinus stierf, nog ter dood gebracht, Zacharias, een ouderling,
Maturus, Alexander, een dokter, en Alcibiades.
In deze tijd werden ook vele anderen op wrede
wijze vervolgd en gedood, zij werden aan de honden voorgeworpen, men verbood hen
te begraven, en de as van hun verbrande lichamen werd in het water geworpen,
opdat zij, naar hun mening, geen deel zouden hebben aan de opstanding, waarop de
gelovigen hopen. God intussen, gaf aan Zijn volk moed en stond hen bij, zodat
zij geen vrees hadden voor de tirannie.
[JAAR 188]
Apollonius, een raadsheer te Rome, was een man,
die wel verdient genoemd te worden, daar hij zich voor de belijdenis des
christelijken geloofs gewillig in de dood heeft overgegeven, zonder in het minst
in aanmerking te nemen de staat, waarin hij verkeerde, en de waardigheid, die
hij bekleedde. Toen hij door zijn slaaf was aangeklaagd, dat hij een Christen
was, en de senaat van Rome hem dwong om rekenschap van zijn geloof te geven,
legde hij een verdedigingsgeschrift van zijn geloof over, en las het, gelijk
sommigen zeggen, aan de senaat voor. En, hoewel de Christenen nu vrede hadden,
zo beweren sommigen, dat de senaat hiertoe gedrongen werd door zekere wet, die
beval, dat men een Christen, die aangeklaagd was, en bij zijn belijdenis bleef
volharden, niet mocht vrijlaten. Maar ook om aan de anderen kant het bevel van
Antoninus te volbrengen, liet de senaat eerst de aanklager de benen breken. Dit
geschiedde onder de regering van keizer Commodus te Rome, in het jaar onzes
Heeren 188.
De vijfde vervolging van de Christenen barstte uit
in het tiende jaar der regering van keizer Severus. De aanleiding tot deze
vervolging was, dat de eerrovers en lasteraars allerlei valse beschuldigingen
uitstrooiden jegens de Christenen, namelijk, dat zij oproerige lieden waren, die
zich jegens de keizerlijke majesteit misdroegen, doodslagers, tempelrovers,
bloedschenders, die in hun samenkomsten de kaarsen uitbliezen en zich aan
allerlei ontucht en ondeugd overgaven, kindermoordenaars, menseneters
insgelijks, dat zij een ezelskop als God vereerden, maar bovenal dat zij de
goden verachtten, en dat daarom vanwege hen ongeluk en rampen de mensen was
overkomen.
De hevigste vervolging had plaats, nadat Eusebius
en Tertullianus in Afrika hun geschriften hadden
opgesteld.
Een grote menigte Christenen werd naar Alexandrië,
in Egypte, gebracht, waar zij om de naam van Christus op velerlei wijzen gedood
werden.
Tot de voornaamste martelaren van die tijd behoren
de navolgende.
Onder deze hevige vervolging werden vele vrome
Christenen om de christelijke godsdienst onder de grootste pijnigingen ter dood
gebracht. Onder deze was ook Leonidas, de vader van de geleerden Origenes, een
man van zeventig jaren. Toen hij in de gevangenis zat, vermaande hem Origenes,
die toen slechts zeventien jaren oud was, met een troostvolle brief tot
volharding in zijn lijden, en dat hij zich niet moest bekommeren om zijn vrouw,
Origenes' moeder, en haar zeven jeugdige kinderen, van welke hij de oudste was.
Leonidas, aldus door zijn zoon tot volharding opgewekt, en bovenal versterkt
door de bijzondere bijstand des Heilige Geestes, werd, omdat hij verstandig
bleef, om de belijdenis van Christus, te Alexandrië onthoofd, in het tiende jaar
der regering van Severus, toen Letus in die stad van Egypte stadhouder was,
terwijl al zijn bezittingen ten behoeve van de schatkamer des keizers werden
verbeurd verklaard.
Te die tijde onderwees Origenes zijn leerlingen zo
krachtig in het geloof, dat later velen hun leven voor de christelijke
godsdienst hebben overgegeven. Onder deze waren de eerste Plutarchus, twee
mannen, waarschijnlijk gebroeders, Sereni genaamd en Hero. Toen Plutarchus naar
de strafplaats werd geleid, om gedood te worden, was Origenes aan zijn zijde om
hem te troosten, waarom hij voorzeker door de woedende schare zou doodgeslagen
zijn geworden, zo de goddelijke Voorzienigheid hem niet had
beschermd.
Irenaeus, geboren te Smyrna of daaromtrent, in
Azië, was, onder Photinus de bisschop, ouderling te Lyon, in Frankrijk. Hij was
een godzalig, en geleerd en zeer verstandig man, daar hij in zijn jeugd een
leerling was van Polycarpus, bisschop en martteDlaar te Smyrna. Wegens zijn
bekwaamheid en godzaligheid was hij in Photinus' plaats gekomen. Hij was een
naarstig beminnaar en navolger van de leer van Christus, oprecht in zijn leven
en zeer geacht bij alle vermaarde personen van zijn tijd. Op bijzondere wijze
bevorderde hij de vrede der kerk, vooral in de twist, die ontstaan was, door
Victor, bisschop te Rome, over de tijd, wanneer het Paasfeest moest gevierd
worden.
Tengevolge van die twist werkte Victor mee, dat de
Oosterse gemeente zich van de Westerse hebben afgescheiden, waarover Irenaeüs
hem en zijn medestanders ernstig bestrafte. Hij heeft enige goede boeken
nagelaten, vooral tegen de ketters, die hij manmoedig weerstond. Nadat hij
gedurende geruime tijd de waarheid voorstond en verdedigde, werd hij eindelijk
onder de regering van Severus te Lyon gedood, ofschoon het onzeker is, wanneer
en welke dood hij gestorven is.
In die tijd werd ook ter dood gebracht zekere
Rhaïs, een eerbare vrouw, alsmede Marcella en haar dochter Potamiena. Toen over
deze het vonnis des doods geveld was, bespotte het gemene volk haar zeer, doch
het werd door Basilides, die het vonnis uitgesproken had, daarover bestraft,
terwijl deze Basilides, door Gods genade, het geloof in Christus omhelsde, ook
daarna de marteldood stierf.
De voornaamste stadhouders, die in die tijd de
Christenen het meest geplaagd hebben, waren, volgens Tertullianus: Hilarianus,
Vigellius, Claudius, Herminianus, Cecilins, Capella, Vespronius; volgens
Cyprianus, ook Demitrianus en volgens Eusebius, ook Aquila. De meesten dezer
werden, op onderscheiden wijzen, door Gods hand gestraft, zoals onder anderen
Claudius Herminianus, (zonder dat anderen er mee besmet werden) met de pest,
nadat hij vroeger geplaagd was door schadelijk gewormte.
Voor zijn dood zei hij: “laat niemand dit weten,
opdat de Christenen zich niet verblijden."
Omtrent deze tijd schreef Septimius Florens
Tertullianus, geboren te Carthago in Egypte, een verdedigingsgeschrift voor de
Christenen tegen de heidenen, waarin hij al de lasteringen weerlegt, welke men
in die tijd de Christenen aandeed; hij toonde aan, dat zij onschuldig waren en
vervolgd werden, niet om enige boze handelingen, maar alleen om hun naam als
Christenen. Hij voegde er bij, dat niettegenstaande de bitterheid der
vervolging, hun godsdienst in het minst niet leed of verzwakte, maar veel meer
werd opgewekt en gesteund. Onder andere zegt hij: “Ons aantal neemt toe, en wij
wassen aan, wanneer wij door u als gemaaid worden. Het bloed der Christenen is
als het zaad. Want wie is er onder ulieden, die dit ziet, welke niet gedrongen
wordt om te onderzoeken, welk een zaak het Christendom toch zij? Wie is er,
wanneer hij het onderzocht heeft, die er niet toe overgaat? En als hij er zich
bijgevoegd heeft, ook niet wenst te lijden? Op soortgelijke wijze zegt dezelfde:
deze sekte (dit woord wordt hier gebruikt in een gunstige betekenis) zal nooit
uitgeroeid en vernietigd worden. Gelooft het toch, dat zij opgebouwd wordt. al
schijnt zij vernietigd te worden. Want een ieder, die deze grote lijdzaamheid
ziet van hen, welke hoe langer hoe meer geslagen worden, wordt geprikkeld en
aangevuurd om te onderzoeken, wat daarvan de oorzaak is. En wanneer hij tot
kennis der waarheid gekomen is, volgt hij ook onverwijld de Christenen
na."
M. Aurelius Severus, de zoon van Antoninus en neef
van de keizer Severus, was een vroom en oprecht vorst, zeer geleerd en de
geleerden gunstig. Zijn moeder Mammea was een zeer wijze vrouw, die hij zeer
eerde en wier wijze vermaningen hij volgde. Toen hij aan de regering kwam,
bestuurde hij de Republiek onder voorlichting van wijze en verstandige mannen,
onder welke vooral rechtsgeleerden waren. De goddelozen, gierigaards,
onrechtvaardigen en boosaardigen ontnam hij alle openbare bedieningen. De
soldaten hield hij onder goede tucht en bestraffing. Op aanhitsing van Ulpianus
was hij in het begin van zijn regering de Christenen niet zeer gunstig, zodat
sommigen van hen werden omgebracht, zoals:
Agapitus, een jongeling van 15
jaren.
Calapodius, een ouderling.
Pammachius, een raadsheer te
Rome.
Simplicius, een raadsheer.
Insgelijks de gebroeders Tiburtius en Valerianus;
verder Quiritius, Patritius en zijn moeder Julia.
Ook Cecilia en Martina, beiden
maagden.
Later was de keizer de Christenen gunstiger,
vooral om zijn moeder, die de Christenen een goed hart toedroeg. Zij beschikte
ook de Christenen een plaats, waar zij hun godsdienstoefeningen konden houden,
en wilde zelfs ter ere van Christus een tempel bouwen, doch werd daarin
verhinderd. Men leest ook, dat, toen de Christenen zekere plaats genomen hadden,
om die tot de godsdienstoefeningen te gebruiken, en de slachters der offeranden
beweerden, dat die hun toekwam, de keizer zei, dat hel beter ware, dat men op
die plaats God, op welke wijze dan ook, diende en eerde, dan dat zij door de
onreinheid van de dienaars der tempels besmet en verontreinigd
werd.
M. Minucius Felix, een rechtsgeleerde te Rome, en
een zeer voortreffelijk en geleerd man, stelde een samenspraak op ten gunste van
de christelijke godsdienst, waaraan hij de naam gaf van
Octavius.
Lactantius getuigt aldus van hem: “Minucius Felix
was onder de rechtsgeleerden een man van hoog aanzien, en zijn boek, dat de naam
van zijn vriend Octavius draagt, geeft de duidelijkste blijken welk een bekwaam
dienaar der waarheid hij zou geweest zijn, wanneer hij zich daaraan geheel en al
had overgegeven."
De zesde vervolging der Christenen brak uit onder
de regering van keizer Maximinus, een van nature zeer wreed mens, zo jegens
aanzienlijke personen, omdat hij van geringe afkomst was, als jegens de dienaars
van het Evangelie. Tot geluk van de Christenen duurde deze vervolging niet lang,
daar hij slechts twee jaren regeerde. Aangezien deze keizer een hevige vijand
was van de dienaars van het evangelie, werden zij ook het eerst vervolgd, omdat
zij leraars en bewerkers waren, zoals men zei, van de christelijke
godsdienst.
Men meende namelijk, dat, wanneer men deze
vervolgde en wegjoeg, de anderen te eerder hun godsdienst zouden laten
varen.
De kerkleraar Origenes schreef toen een brief,
teneinde de Christenen tot standvastigheid op te wekken, over het
martelaarschap, en droeg dit op aan Ambrosius, opziener der gemeente te Milaan,
en Protoctus, beide geleerde mannen in die tijd.
De geschiedenis zegt, dat onder zijn regering, om
de belijdenis der goddelijke waarheid gedood werd Fabianus, opziener van de
gemeente te Rome.
[JAAR 251.]
Omtrent het jaar onzes Heeren en Zaligmakers 251
ontstond er een zeer grote en wrede vervolging tegen de gelovige Christenen, en
wel onder de regering van keizer Decius, gewoonlijk de zevende genaamd. Sommigen
dachten dat hij deze vervolging beval uit haat jegens keizer Filippus, die de
christelijke godsdienst had aangenomen. Maar Cyprianus, die in die tijd leefde,
schrijft de aanleiding tot deze vervolging aan de Christenen zelf toe. "Men moet
(zegt hij) het inzien en belijden, dat de grimmige en vernielende benauwdheid,
die onze kudde voor het merendeel verwoest heeft en nog zonder ophouden
verwoest, om onze zonden ons is overkomen, omdat wij de weg des Heeren niet
bewandelen, en de hemelse geboden ons tot onze zaligheid gegeven, niet bewaren.
Onze Heere heeft de wil Zijns Vaders volbracht, en wij volbrengen de wil van
onze Heere niet. Ieder onzer benaarstigt zich om geld en goederen te vergaderen,
de hovaardij na te jagen; men maakt zich schuldig aan afgunst en tweedracht,
verzaakt de eenvoudigheid en verloochent de boze wereld alleen niet woorden en
niet met daden, behaagt zichzelf en mishaagt allen. Wij worden aldus geslagen,
gelijk wij verdienen; want welke plagen, welke slagen verdienen wij niet?"
etc.
En elders; indien men de oorzaak van de jammer en
het ongeluk kent, zal men gemakkelijk een geneesmiddel vinden voor de wond. De
Heere heeft Zijn huisgezin willen beproeven; en, aangezien de langdurige vrede,
de lering en tucht, die ons van de hemel gegeven waren, bedorven had, zo heeft
de hemelse straf het onmachtige, ja bijna had ik gezegd het slapende geloof,
wederopgewekt. En, daar wij door onze zonden nog meer verdienden te lijden,
heeft nochtans de allerbarmhartigste Heere zo genadig met ons gehandeld, dat al
wat er is geschied, veeleer een bezoeking scheen dan een vervolging. Ieder
benaarstigde zich, om zijn bezittingen te vermeerderen, en men vergat wat de
gelovigen of de Christenen in de tijd der Apostelen. gedaan hebben, of altijd
behoorden te doen; men wendde, integendeel, alle naarstigheid aan, om als door
een onverzadigbare brand van gierigheid de rijkdommen op te hopen en te
vermeerderen. Onder de priesters vond men geen behoorlijken ijver om God te
dienen; onder de dienaars geen oprecht geloof, in de werken geen barmhartigheid,
in de zeden geen tucht. Tot dusverre Cyprianus.
In deze bloedige vervolging werden vele
Christenen, uit de aanzienlijken en uit de lage stand, in vele landen en steden
van het gehele keizerrijk onder ongehoorde pijnigingen ter dood
gebracht.
Alexander, opziener van de gemeente te Jeruzalem,
was een man, groot in aanzien en gezag. Hij was zeer begaafd en vreesde de Heere
bijzonder. Voor de waarheid van Christus leed hij veel, doch God spaarde hem, en
wel tot onder de regering van keizer Decius. Onder diens regering werd hij, om
de belijdenis van Christus, door de stadhouder in Cesarea gevangen genomen en
voor diens rechterstoel gebracht. Door alle gelovigen werd hij daar op treffende
wijze in Christus geroemd, en wel bovenal om zijn vrijmoedige verantwoording
voor de naam van Christus. Daarom werd hij in ketenen geklonken, in de
gevangenis gezet, waar hij lang vertoefde, dikwijls voor de vierschaar geroepen
werd en telkens weer naar de gevangenis moest terugkeren. Nadat hij deze
ellendige mishandeling met lijdzaamheid verdroeg, en God met de Apostelen
dankte, dat Hij hem waardig achtte, om Zijns Naams wil dit lijden uit te staan,
offerde hij ten laatste, na veel smart en lijden, zijn leven aan God op. Of hij
door pijnigingen, of hongersnood, of andere ellende in de gevangenis gestorven
is, daaromtrent is niets zekers bekend.
Babylas, bisschop of opziener van de gemeente te
Antiochië, was een voortreffelijk man (zegt Chrysostomus), over wie ieder zich
met recht mocht verwonderen, daar hij keizer Decius belette in de vergaderingen
der Christenen te komen, omdat hij niet wilde, dat een wolf in het midden der
schapen vallen zou. Hij werd gevangen genomen en gedwongen de afgoden te
offeren, doch weigerde dit. Na zijn goede zaak verdedigd en verklaard te hebben,
dat een herder zijn schapen niet behoort te verlaten, dat hij de almachtige God
niet wilde verzaken, en tot valse goden de toevlucht nemen, werd hij om deze
belijdenis ter dood veroordeeld. Toen hij bereid was om te sterven, zei hij:
"Mijn ziel, ga tot uw rust, want de Heere heeft u aangezien." En alzo werd hij
onthoofd.
Alexandrië was als het ware de schouwplaats van
alle tirannie. Onder ben, die daarin die tijd om de naam van Christus werden
omgebracht, zijn de volgende wel de voornaamste:
Metranus, een godvruchtig, bejaard man, die, om de
belijdenis van Christus, door het oproerige volk te Alexandrië gevangen genomen
werd, wilde men dwingen om godslasteringen uit te spreken, dat is, om de naam
van God te lasteren, en Zijn Gezalfde, de Heere Jezus Christus, te verloochenen.
Toen hij dit weigerde, sloeg men hem met stokken over het gehele lichaam,
terwijl zijn aangezicht met scherpe rieten doorstoken werd. Toen hij aldus
gepijnigd en gemarteld was, werd,hij buiten de stad geworpen en ter dood
gestenigd.
Daarna werd ook gegrepen zekere Cointha, een edele
en gelovige vrouw, die men in een afgodstempel bracht, voor de goden plaatste en
haar dwong om die te vereren. Maar, toen zij niet verfoeiing van de afgoderij,
zich daarvan afkeerde, bonden zij haar voeten samen, en sleepten haar alzo door
de straten van Alexandrië, geselden haar met roeden, en drukten haar naakte
lichaam tegen draaiende molenstenen. Toen zij haar lang genoeg gesleept,
geslagen, gemarteld en door geselslagen haar lichaam vaneen gereten en
verscheurd hadden, en zij onder dit alles bijna bezweken was, trokken zij naar
de voorstad, waar zij haar met stenen wierpen en daarmee
bedekte.
Dit wreed en onstuimig volk sloeg ook de handen
aan Apollonia, een bejaarde, beroemde en christelijke maagd, en sloegen haar met
vuisten derwijze in het gezicht, dat zij al haar tanden uit de mond verloor.
Daarna brachten zij haar voor een vuur, en zeiden haar, dat, wanneer zij aan hun
goden niet wilde offeren en Christus vloeken, zij daarin verbrand zou worden.
Maar zij verkoos liever de pijniging van het vuur, en het verlies van haar
tijdelijk leven, dan Christus te verzaken en haar ziel te verliezen om het
tijdelijke leven te behouden.
Zo werd ook Serapion, geboren te Efese, uit zijn
huis gesleept en zijn lichaam door vele slagen vaneen gereten en bijna van lid
tot lid aan stukken gesneden. Na deze wrede mishandeling wierpen zij hem
bovendien van zekere hoge plaats naar beneden, zodat hij in ellendige toestand
stierf.
In die tijd werd ook een Julianus, bijgenaamd
Eunus, die ook de waarheid staande bleef. Door de tirannen werd hij op een
kameel gezet, en alzo door de stad gevoerd. Met scherpe roeden werd hem het
vlees van het lichaam gescheurd, en terwijl het woedende volk hem met stenen
wierp, werd hij eindelijk verbrand.
Voorts lezen wij nog van een kloek en dapper
ridder, Besas genaamd, die het volk bestrafte, omdat zij de dode lichamen der
martelaren bespotten. Door de woede van het volk werd hij gevangen genomen, en,
daar hij Christus standvastig beleed, levend verbrand.
Wij willen ook niet zwijgen van Macarius van
Lybië, wie de rechter met vele redenen aanraadde, dat hij Christus zou
verloochenen. Maar, daar hij te sterker in zijn belijdenis volhardde, werd hij
levend verbrand.
Epimachus en Alexander hebben ook, na vele
pijnigingen, hun leven in het vuur moeten eindigen.
Aan het vrouwelijke geslacht heeft God evenzeer
Zijn kracht op wonderbare wijze betoond. Er waren namelijk, Ammonaria en
Mercuria, twee maagden, en Dionysia, een bejaarde vrouw, en nog een andere
Ammonaria, die ook, onder vele wrede pijnigingen, tot verzaking van de
christelijke godsdienst werden aangezocht. Zij gedroegen zich daarbij evenwel zo
standvastig, dat de vijanden Gods zich schaamden. Niettegenstaande dit, liet de
rechter ze onthoofden.
In deze vervolging werden ook opgebracht Cheremon,
bisschop te Nicopolis, een stad in Egypte, Heron, Arsinus, Isidorus, alle drie
Egyptenaars. Insgelijks Nemesius, Ammon, Zenon, Ptolomeüs, Ingenuus, Theophilus,
ook Scirion, een rentmeester van een aanzienlijk man. Deze beval Scirion, dat
hij de afgoden zou offeren; maar, toen hij dit weigerde, zocht hij hem met harde
woorden en bedreigingen daartoe te dwingen. Maar toen hij daarmee bij hem niet
vorderde, en Scirion volstandig in zijn geloof volhardde, beproefde hij met
vleiende woorden hem daartoe te bewegen. Maar, toen hij zag, dat hij
onbeweeglijk bleef, nam hij een scherpe paal, en stootte hem daarmee zo lang in
zijn lichaam, totdat hij op wrede wijze vermoord was.
Zo wij alle martelaren wilden opsommen, die in
alle landen van het keizerrijk, onder de regering van deze tiran Decitis, werden
omgebracht, dit boek zou die allen nauwelijke kunnen bevatten. Aangaande deze
vervolging getuigt Nicephorus: dat het even moeilijk is, al de martelaren aan te
wijzen, als het zand van de zee te tellen."
De pijnigingen, waaronder de arme Christenen in
die tijd werden omgebracht, waren ontzettend hard. Gebannen, van zijn
bezittingen beroofd, tot werken in de mijn veroordeeld, gegeseld, onthoofd,
opgehangen te worden, werd gering en als niets geacht. Zij werden met hete tarwe
bestrooid, over een klein vuur geblakerd, gestenigd, met scherpe pennen in het
aangezicht, de ogen, ja het gehele lichaam gestoken, langs de straten over harde
keien en scherpe stenen gesleept, tegen steenrotsen verpletterd, van hoge steile
plaatsen afgeworpen, de leden aan stukken gebroken, met kromme haken vaneen
gescheurd, op scherven van gebroken potten gewenteld, de wilden dieren tot roof
en spijs gegeven. Boven dit alles werden hun palen door de lengte van het
lichaam gedreven.
Zodanige pijnigingen maakten vele Christenen
bevreesd, zodat sommigen van hen afvallig werden, en schipbreuk leden in hun
geloof. Van deze hebben wet enige berouw gehad, maar velen zijn verhard gebleven
en rechtvaardig door God gestraft.
In de tijd, dat Cyprianus verbannen was, schreef
hij aan zijn medehelpers in het werk des Heeren en anderen, zeer troostrijke
brieven. Onder deze brieven is de laatste van zijn derde boek zeer heerlijk,
waarin men, onder andere, deze woorden leest: "De straffen zijn voor de
Christenen geen vervloekte dingen. De borst van een Christen, die al zijn hoop
op Christus heeft gevestigd, Die aan het kruishout heeft gehangen, wordt door de
knotsen niet verschrikt. De boeten en straffen zijn als versierselen, en hechten
de harten der Christenen niet aan de zonde, maar maken die vrij bij de Heere.
Het lichaam der Christenen vindt bij het werk in de ijzermijnen geen genot als
op een bed, maar smaakt genot in de gemeenschap met Christus; de leden, vermoeid
door de arbeid, liggen wel uitgestrekt op de aarde, maar het is geen pijn alzo
met Christus te liggen; koud zijnde vinden zij daar geen klederen, maar wie
Christus aandoet en door Hem overkleed, is, is overvloedig gekleed en versierd."
En daarna: "God, van boven neer ziende, is, in de belijdenis van zijn naam, aan
de gewilligen aangenaam; Hij helpt de strijdende, kroont de overwinnende,
vergeldende in ons, wat Hij zelf gedaan heeft en verheerlijkende wat door Hem
volbracht is."
Aangaande de straffen, die de vervolgers toen van
God zijn overkomen: schrijft dezelfde Cyprianus aldus: Wij zijn er zeker van en
het is gewis, dat wat wij lijden niet ongestraft blijft; en hoe groter de zonde
van de vervolging is, zoveel te duidelijker en te zwaarder zal de straf zijn,
voor de vervolging ons overkomen. Wanneer ons niet overkomt, wat om die reden in
vorige tijden geschied is, zo zal, wat onlangs gebeurd is, ons genoegzaam tot
lering kunnen verstrekken, namelijk, dat de verdediging zo haastig volgde en met
zulk een grote spoed, zo hard en zwaar, met de val van koningen en prinsen, met
verlies van schatten en rijkdommen, met de afval en schade der krijgslieden, en
met vermindering der legers."
Valerianus en Gallienus waren in het begin van hun
regering de Christenen zeer gunstig, doch veranderde al spoedig, en werden tot
haat verleid door een Egyptische tovenaar; zodat zij daarna de Christenen, door
verschilende pijnigingen, tot afgoderij dwongen.
Lucius, opziener van de gemeente te Rome werd
omgebracht.
Cecilius Cyprianus, geboren in Afrika, werd eerst
opgevoed en onderwezen in 1 de vrije kunsten onder de heidenen. Toen hij te
Karthago onderwijs gaf in de welsprekendheid, werd hij met de christelijke
godsdienst bekendgemaakt door een maagd, Justina geheten, en voornamelijk door
een ouderling der Christenen. Men zegt, dat hij een leerling was van
Tertullianus, wiens geschriften hij met voorliefde las. Hij nam zodanig toe in
goddelijke wijsheid en verstand, dat hij tot ouderling benoemd werd en later tot
bisschop van Karthago, welke betrekking hij lang bediend heeft, niet alleen
tijdens het tamelijk vreedzaam was, maar ook onder de regering van keizer
Decius. In de tijd der vervolging wist hij bijzonder de martelaren te vermanen
en op te wekken tot volharding met geschriften en woorden, naarmate hij daartoe
gelegenheid had. Soms werd hij gedwongen zijn volk te verlaten, aangezien men
hem dreigde de leeuwen te zullen voorwerpen; daarom vluchtte hij soms liever
voor enige tijd, om geen oproer onder het volk te verwekken; temeer daar hij
door God zelf wel eens vermaand werd zich te verwijderen. Hij achtte het wel
begeerlijk, om voor de goddelijke waarheid te sterven, maar, terwijl hij
vluchtte, wilde hij God toch niet verzaken, en vermaande ook daartoe de zijnen.
Na de vervolging van Decius stond hij zijn gemeente weer getrouw terzijde, en
had grote moeite met hen die in de vervolging afvallig geworden waren; maar, uit
liefde tot barmhartigheid geneigd, nam hij die weer gewillig op. Op bijzonder
hevige wijze verzette hij zich tegen de ketterij, zodat hij zelfs, uit ijver
zonder verstand, beval, die te herdopen, die door de ketters gedoopt waren, welk
bevel hij echter later weer introk. Soms werd hij verwaardigd met goddelijke
openbaringen, zodat hij door een profetische geest wreedheden voorzegde tot
waarschuwing van zijn volk. Kort voor zijn dood werd hij eindelijk naar
Curubita, in Lybië, in ballingschap gezonden, en wel op bevel van de rechter
Paternus ten tijde van de keizers Valerianus en Gallienus. De rechter trachtte
van hem te vernemen, waar de leraars der gemeenten zich ophielden, doch hij
wilde zulks hun niet meedelen. Twee jaren verkeerde hij in ballingschap, terwijl
hij deze als een gevangenschap beschouwde. Zijn verbanning had plaats onder het
blazen op de trompet en met verbeurdverklaring van zijn bezittingen, hetwelk hij
niet alle anderen met het grootste geduld verdroeg. Niettegenstaande hij zijn
kudde in persoon moest verlaten, droeg hij toch bijzondere zorg voor haar niet
alleen met gedachte, wil en begeerte, zelfs in de grootste vervolging, maar ook
door het schrijven van vele hartelijke, troostrijke brieven aan zijn vrienden,
om die te versterken en te vermanen tot getrouwheid en volharding. In één woord,
hij was zeer vermaard door zijn grote wijsheid en andere heerlijke gaven,
waarmee hij bedeeld was. In een brief geven Nemesius, Felix, Victor en anderen
de getuigenis aangaande hem, dat hij de voornaamste was in de goede behandeling
van zaken, de welsprekendste in het spreken, de wijste in het redekavelen, de
eenvoudigste in geduid, de vrijgevigste in aalmoezen, de heiligste in
onthouding, de nederigste in de dienst, en de ootmoedigste in alle goede werken.
Al deze eer, lof en prijs werd hem door vele geleerde mannen
gegeven.
Eindelijk werd hij door de rechter Galerius
Maximus, die in de plaats van Paternus gekomen was, ontboden, om door hem
ondervraagd te worden. Enige tijd vertoefde hij buiten de stad, totdat hij door
de rechter zou geroepen worden, maar eindelijk liet de rechter hem halen en hem
tot de volgende dag bewaren. Op de 14e September werd hij voor de rechter
gebracht, die hem verzocht, dat hij aan de goden zou offeren. Cyprianus heeft
tegen iedere marteling geprotesteerd, aangezien hij zonder pijniging vrij en
openlijk beleed, dat hij een Christen was, en het hem daarom ongeoorloofd was
dit te doen. De rechter zei tot hem: “Bedenk u wel;" waarop hij antwoordde: doe
wat u bevolen is; want in een rechtvaardige zaak behoef ik mij niet te
bedenken." De rechter hernam: “Reeds geruime tijd was gij een mens vol
godslastering, en hebt u bewezen te zijn een vijand van de Romeinse goden, en u
verzet tegen de wetten en bevelen van de heiligste vorsten." Cyprianus werd
vervolgens veroordeeld om met het zwaard gedood te worden; voor welk vonnis hij
God dankte.
Toen men hem naar de gerechtsplaats heenleidde,
legde hij zijn bovenklederen af, sloot zijn ogen en bad met grote ijver tot God.
Gewillig boog hij het hoofd onder het zwaard en gaf zijn ziel aan God over. Dit
geschiedde in het jaar onzes Heeren 259.
In die tijd had er ook een grote vervolging plaats
te Alexandrië, waar het getal der gedoden zeer groot was. Buiten de stad
Cesaraea woonden, onder anderen, die vrome mannen, Priscus, Malchus en
Alexander. Deze werden als door goddelijk vuur van het geloof ontstoken en
beschuldigden elkaar van grote traagheid, zeggende: aangezien er in de stad
kronen des levens worden uitgedeeld, hoe is het mogelijk dat wij nog zo traag en
onverschillig zijn, om die te verkrijgen?" Toen zij elkaar met deze woorden
hadden opgewekt, gingen zij haastig naar de stad, en bestraften daar de
vervolgers van de Christenen, omdat deze zoveel onschuldig bloed
vergoten.
Om deze vrijmoedigheid werden zij aangehouden,
gevangen genomen en daarna aan de wilde dieren
voorgeworpen.
Filippus, bisschop te Alexandrië, werd ook met het
zwaard gedood in deze vervolging.
In de stad Karthago werden eveneens honderd
Christenen om het geloof omgebracht.
In deze tijd werd ook Pontius, een diaken van
Cyprianus, in Frankrijk, gemarteld, en een groot aantal anderen meer in meest
alle oorden van het keizerrijk, zo door het vuur, het zwaard, wilde dieren en
vele andere pijnigingen, die maar te denken waren.
[JAAR 275.]
In het begin der regering van keizer Aurelianus
betoonde deze zich de Christenen zeer gunstig. Dit duurde echter niet lang, daar
hij door goddeloze raadslieden van mening veranderde, zodat hij, in plaats van
de Christenen gunst te bewijzen zoals vroeger, dagelijks meer middelen bedacht,
teneinde hen te onderdrukken en uit te roeien. Toen hij zich daaraan overgaf,
werd hij met zijn raadslieden door de bliksem getroffen, en kort daarna door de
hand van Manco Poris, en de listen van zijn snelschrijver Innestheus
omgebracht.
Tijdens zijn korte regering liet hij, om het
christelijk geloof, ombrengen zekere Felix, opziener van de gemeente te Rome, en
wel op de 30e Mei van het jaar onzes Heeren 275.
In de plaats van Aurelianus, werd door de senaat
als keizer verkozen Claudius Tacitus, een vroom man en zeer bekwaam om landen en
volken te besturen, die, toen hij de regering in handen had, terstond overal de
vervolging tegen de Christenen staakte; doch door zijn spoedig overlijden heeft
deze rust niet lang geduurd.
Op de 8e December werd omgebracht zekere
Eutychianus, bisschop te Rome.
In deze tijd verzette zich enige bewoners van
Frankrijk, meest boeren, die zich Bagaudes noemden, tegen het Romeinse rijk, en
wel onder aanvoering van Amandus en Elianu . Keizer Diocletianus stelde toen als
medekeizer aan zekere Maximianus Pannonius, die hem vroeger in de oorlog volgde,
en hem wegens zijn goede handelingen zeer goed bekend was. Deze rustte zich
terstond tot de krijg tegen de bovengenoemde Bagaudes uit, en ontbood daartoe
uit de verschillende delen des rijks een zeer grote macht soldaten. Onder deze
was ook het Thebeisch regiment uit Syrië, dat door de bisschop te Rome in de
christelijke godsdienst meer en meer geoefend en bevestigd was, als overste
hebbende Mauritius en als banierdragers Caudidus, Exsuperius, Innocentius,
Victor, Constantinus en anderen. Toen Maximianus met het hoofdleger over het
gebergte in de stad Octodurum (Martigny) gekomen was, wilde hij dat daar, eer
hij de tocht voor goed begon, plechtige offeranden zouden plaats hebben, waartoe
hij alle oversten en soldaten ontbood, die daar van het Oosten en Westen bij
elkaar waren, onder wie ook was het genoemde Thebeïsche regiment, teneinde
allen, na de gewone offerande, tegen de Bagaudes te doen zweren en de eed van
getrouwheid af te laten leggen. Toen het genoemde regiment het gegeven bevel van
Maximianus vernam, en afkeer hebbende van alle afgoderij en bereid zijnde liever
de dood te sterven dan iets onbehoorlijks tegen hun geweten te doen, weigerden
zij allen eendrachtig tot de offerplechtigheden te komen, ja, weken zelfs, om
niet besmet te worden, door de afgoderij aan te zien, een weinig terug naar het
meer Lemanus, thans het meer van Genève genaamd, tot aan de stad Agaunum.
Maximianus beval, dat zij zouden terugkeren, en zich bij de andere soldaten
zouden voegen, doch Mauritius, Exsuperius en anderen antwoordden uit aller naam,
dat zij bereid waren alles te doen en allerlei gevaren uit te staan tot nut van
het algemeen, maar dat zij vasthielden aan de belijdenis van het christelijk
geloof, en geen afgoderij konden dulden. Maximianus werd daarover zo verstoord,
dat hij tot algemene straf van dit regiment, bij loting de tienden man liet
onthoofden. Door de toespraak van Mauritius in hun geloof versterkt,
onderwierpen zich deze vrome soldaten met lijdzaamheid aan hun lot. Nadat
Mauritius de overgeblevenen tot standvastigheid vermaand en opgewekt had, liet
hij Maximianus andermaal aanzeggen, dat hij en zijn soldaten bereid waren de
wapenen te gebruiken tot hulp en bescherming van de republiek, maar dat zij
liever wilden sterven, dan de waarachtige en levende God te verzaken, en zich
met de duivelse offeranden te verontreinigen. Toen Maximianus dit hoorde,
ontstak hij nog meer in toorn, en liet hij ten tweede male de tienden man
onthoofden, en toen hij zag, dat hij ook met deze wreedheid de overigen niet kon
bewegen, om naar Octodurum (Martigny) terug te keren, maar allen standvastig
bleven, zond hij naar hen het gehele leger te voet en te paard, en liet hen
bijna allen met hun overste Mauritius omsingelen en ombrengen. Aldus hebben deze
vrome kampvechters voor het christelijk geloof hun bloed vergoten, en zijn zalig
in de Heere gestorven.
[JAAR 259.]
Marinus, een krijgsoverste en een man van hoge
geboorte en zeer rijk aan aardse goederen, werd in de stad Cesaraea in Palestina
tot grote waardigheid verheven. Een ander man daar benijdde hem dit, en zei, dat
Marinus geen hogere rang mocht bekleden, omdat hij een Christen was. De rechter
vroeg aan Marinus, of het zo was, wat deze zei. En, toen hij dit met
vrijmoedigheid bekende, gaf de rechter hem drie uren tijd om zich te beraden, of
hij aan de goden en aan de keizer wilde offeren dan als een Christen gedood
worden.
Toen hij de gerechtszaal verlaten had, nam
Theoternus, de bisschop uit die stad, hem bij de hand, en leidde hem tot de
Christenen in de tempel, waar hij hem met vele woorden in het geloof versterkte.
Eindelijk toonde hij hem een zwaard, dat hij gewoon was aan zijn zijde te
dragen, en ook het Evangelieboek, en vroeg hem welk van beide hij koos en toen
Marinus het Evangelieboek greep, zei Theoternus tot hem: “Behoud wat gij
verkoren hebt, mijn zoon, en dit tegenwoordige leven verachtende, hoop op het
eeuwige; ga onversaagd en ontvang de kroon, die de Heere u bereid
heeft."
Toen hij tot de vierschaar weergekeerd was, werd
hij terstond door de omroeper opgeëist, daar de lijd, die hem gegeven werd om
zich te bedenken, verstreken was. Voor de rechterstoel staande, betoonde hij
daar nog grotere ijver en vurigheid des geloofs dan vroeger, en werd door de
rechter overgegeven om onthoofd te worden.
Toen Marinus ter dood gebracht was, werd hij op de
strafplaats gevonden door Asterius, een Romeins raadsheer, wien de keizer en al
het volk zeer grote liefde toedroegen en die hoog bij hen stond aangeschreven.
Deze nam het dode lichaam van Marinus op de schouders, bracht het van daar weg
en nadat hij het in kostbaar linnen had gewikkeld, legde hij het in een nieuw
graf en begroef het. Maar voor deze eer, welke hij de martelaar had aangedaan,
ontving hij ook spoedig daarna de martelaarskroon.
De 6de Augustus, in het jaar onzes Heeren 259 werd
ook, om de christelijke godsdienst, omgebracht Xystus, bisschop te
Rome.
[JAAR 252.]
Toen Xystus, bisschop te Rome, uitgeleid werd om
gedood te worden, ontmoette hem Laurentius, een der voornaamste diakenen van de
gemeente te Rome, die hem aldus aansprak: "Waar gaat gij heen, o vader, zonder
uw zoon? waarheen priester, zonder uw dienaar?" waarop Xystus antwoordde: Ik
verlaat u niet, mijn zoon, gij hebt zwaarder strijd te wachten voor het geloof;
gij zult mij na drie dagen volgen. Zo gij intussen iets bezit in deze
schatkisten, deel het de armen!" Uit die woorden maakte men op, dat hij een
grote schat van de gemeente in bewaring had, zodat hem door de stadhouder te
Rome bevolen werd, dat hij die te voorschijn moest brengen. Om al de schatten
bijeen te zoeken, verzocht hij drie dagen tijd, en bracht toen alle arme,
ellendige lieden, die van aalmoezen leefden, als: kreupelen, blinden, en
dergelijken samen, toonde deze de stadhouder, en verklaarde dat deze de schatten
en rijkdommen van de gemeente waren. De stadhouder hield het er voor, dat men
met hem spotte, en liet daarom Laurentius op een rooster leggen, met een klein
vuur er onder. Toen zijn lichaam aan de een zijde geblakerd was, zei hij met
grote vrijmoedigheid tot de tiran: "Keer dat gedeelte van mijn lichaam, hetwelk
gebraden is, om en verteer het.” Zeker iemand bracht dit gezegde aldus in
rijm:
Genoeg is deze
kant
Gebraden en geraakt.
Wend mij nu om en proef, tiran,
Of 't rauw of
braen best smaakt.
Door de genadige versterking Gods waren hem de
kolen als rozen en als een verkoeling en verfrissing in zijn lijden. Na voor het
Romeinse rijk en zijn vijanden gebeden te hebben, ontsliep hij, onder grote
volharding, in de Heere, in het jaar onzes Heeren 252.
[JAAR 302.]
In het jaar 302 na Christus' geboorte, in het 19e
jaar der regering van keizer Diocletianus, gaf deze bevel tot een grote en wrede
vervolging van de Christenen. Van deze vervolging, die de tiende genoemd wordt,
zegt Sulpitius Severus het volgende: "Omtrent 50 jaren na hem (te weten keizer
Valerianus), onder de regering van Diocletianus en Maximinus, brak de
allerhevigste vervolging uit, die tien jaren achtereen Gods volk plaagde. In die
tijd was genoegzaam de gehele wereld besmet met het heilig bloed der martelaren,
want men liep als om strijd tot deze heerlijke en beroemde martelingen. Door op
een waardige en heerlijke wijze te sterven werd toen de eer, die een martelaar
toekomt, met grotere ijver gezocht, dan men nu, door ongepaste en zondige
eergierigheid gedreven, de bisschoppelijke ambten najaagt. De wereld werd nooit
door enige oorlog meer onderdrukt; nooit hebben wij met groter triomf
overwinningen behaald, dan toen wij door tienjarige verdrukking en geweld toch
niet konden overwonnen worden."
In deze vervolging werd Diocletianus ook aangezet
en geholpen door zijn mederegent Maximinus, een van nature hard, wreed, ontrouw
en ontuchtig men, die in alles de begeerte en de wil van Diocletianus
gehoorzaamde. Diocletianus woedde tegen de Christenen in het Oosten, Maximinus
tegen die in het Westen. Door geloofwaardige schrijvers wordt over de oorzaken
van deze vervolging verschillend geoordeeld, doch het volgende als de
voornaamste genoemd. Toen de keizers, ofschoon zij heidenen en afgodendienaars
waren, de Christenen grote gunsten bewezen, en hen goed behandelden, zo zelfs
dat zij niet alleen voorname ambten en bedieningen kregen, maar hun ook de vrije
uitoefening van hun godsdienst toestonden, zodat men in verschillende plaatsen
bedehuizen en tempels bouwde; toen hebben de Christenen deze vrijheid misbruikt,
zodat de een de ander begon te haten en te belasteren. Aan de ene kant
bejegenden de bisschoppen en opzieners der gemeenten, alle godsvrucht en deugd
verzakende, elkaar met twist, onenigheid, verkeerde ijver, eergierigheid en
tirannische heerschappij; aan de andere zijde was het volk zonder tucht of orde,
en gaf zich ten enenmale aan oproer en opstand over. Bovendien nam de zonde, die
hoog geklommen was, in het algemeen nog op grove wijze hand over hand toe.
Blijken van boetvaardigheid waren er niet te bespeuren, zodat God in Zijn
rechtvaardig oordeel, om Zijn volk tot een nieuw oprecht en christelijk leven op
te wekken, de gesel van zulk een harde, bittere en gruwelijke vervolging moest
gebruiken, opdat de godvruchtige met de goddeloze wereld niet zou veroordeeld
worden.
Aangezien het ook de bedoeling was van keizer
Diocletianus, om het roomse rijk tot de ouden bloei terug te brengen, en daarom
alle gewoonten en zeden, die in onbruik geraakt waren, weer wilde invoeren,
poogde hij ook het onderscheid te voorkomen en te doen ophouden, dat hij in de
godsdienst zag, en zocht vooral de godsdienst der Christenen uit te roeien, daar
deze de verschillende erediensten der afgoden vervloekten en verwierpen. Onder
hen, die de keizer tot de vervolging ophitsten en hem daarin versterkten, waren
vele wijsgeren en drogredenaars, die door scherp hekelende boeken en vuilaardige
geschriften de keizer en alle vorsten en rechters tot geweld aandreven, en de
christelijke godsdienst bespotten, terwijl zij die aanklaagden, dat hij
nieuwigheden, valsheid en goddeloos bijgeloof bevorderde; zij verhieven
daarentegen de heidense godsdienst als de oudste en prezen de dienst van de
goden aan, daar deze met hun macht en majesteit de wereld regeerden. Onder deze
opruiers waren, behalve Apollonius, Porphyrius, een wijsgeer, die van Jood
Christen en van Christen een afvallige was geworden, en zekere Hiërocles, een
aanzienlijk man. Tegen Porphyrius hebben de pen opgevat Methodius, bisschop te
Tyrus, Eusebius en Apollinaris; tegen Hiërocles dezelfde Eusebius; tegen beiden
en alle anderen van die geest Lactantius. De aanleiding om keizer Diocletianus
tegen de Christenen op te hitsen, namen de vijanden der waarheid uit zekere
brand in de stad Nicomedië (toen de plaats waar de keizers zich ophielden),
waardoor het paleis van de keizer geheel vernield werd, van welke brand men de
Christenen beschuldigde. De keizer was daarover zeer verbolgen, en zonder
nadenken gelovende, wat de lasteraars daarvan uitstrooiden, meende hij nu reden
genoeg te hebben, en gaf in de maand Maart, in het 19e jaar zijner regering een
bevel, dat men door het gehele rijk alle bedehuizen der Christenen moest
verwoesten. De heidense stadhouders, die de gelovige Christenen zeer haatten,
volbrachten het uitgevaardigde bevel met allen ijver, terwijl de grootste
vernieling op Paasfeest plaats had.
Spoedig daarna werd er een ander bevel gegeven, en
wel dat alle boeken der Heilige Schrift moesten verbrand worden, hetwelk op vele
plaatsen, als ook te Nicomedië op de markt met alle ijver plaats had. Voort ook
bevolen, dat men alle Christenen, die openbare bedieningen of enige ambten
bekleedden, moest afzetten of hen daarvan beroven; dat anderen, die, geen
betrekking vervulden, tot slavernij en dienstbaarheid moesten veroordeeld
worden, tenzij zij de christelijke godsdienst wilden afzweren, en de zeden en
gewoonten volgen van de heidense godsdienst.
Toen men op bovengenoemde wijze de woede niet meer
koelen kon, werd er op de markt te Nicomedië een derde besluit aan een paal
gespijkerd, dat zeer gestreng, hard en wreed was, namelijk, om alle bedienaars
van de godsdienst, en die enige invloed uitoefenden op de gemeente van Christus,
gevangen te nemen, en hen door allerhande pijnigingen te dwingen aan de afgoden
te offeren Zeker edelman, Johannes genaamd, die door vurige ijver ontstoken
werd, rukte dit besluit van de paal en scheurde het in kleine stukken. Op bevel
van beide keizers, die toen te Nicomedië waren, werd hij met buitengewone
pijnigingen gemarteld, de huid afgestroopt en met zout en edik overgoten,
terwijl hij onder dit alles de naam van Christus tot het laatste ogenblik zijns
levens, met kloekmoedige stand vastigheid beleed en zijn ziel Gode op zalige
wijze toewijdde. Na zijn dood volgde het ene vreselijke jammer het
andere.
Aangaande het verbranden van de boeken der Heilige
Schrift, en van de plaatsen, waar de Christenen hun samenkomsten hielden, zegt
Arnobius onder andere: “ Waarom hebben onze Schriften verdiend in het vuur
geworpen te worden? Om welke reden heeft men met zo vreselijk geweld de plaatsen
onzer samenkomsten vernield, waar de hoogste God wordt aangebeden, maar ook
welvaart en vrede wordt afgesmeekt voor alle overheden, legers, koningen,
enz.?"
Wij zouden te uitvoerig worden in onze
mededelingen, indien wij de verschillende wijzen wilden beschrijven, waarop,
door het ingeven van de duivel, de Christenen in het bijzonder in die tijd
werden omgebracht. Slaan, geselen, met schrabbers, vijlen, en met allerlei
scherpe werktuigen de huid overal openen, waren slechts de inleiding tot
vreselijker pijnigingen, die de dood veroorzaakten, zoals ophangen, onthoofden,
verbranden en met volle schepen in de zee verdrinken. Sommigen werden met
gesmolten lood overgoten, anderen over gloeiende kolen onder langzame
pijnigingen verschroeid; van sommigen werden de vingers van beide handen, tussen
het vlees en de nagels, met scherpe priemen en naalden doorboord. Omtrent
anderen leest men, dat zij geruime tijd naakt met dunne rijzen en loden platen
geslagen, de beren, leeuwen, luipaarden en andere dieren tot spijs voorgeworpen
werden. Deze dieren werden dikwijls ook opgehitst, maar hadden, door Gods
kracht, soms een afkeer daarvan, en keerden hun wreedheid tegen de vijanden der
waarheid. Vele Christenen werden ook aan bomen gebonden, aan staken geplaatst,
aan kruisen genageld, waaraan zij zo lang moesten hangen, totdat zij van de
honger bezweken. Weer anderen werden met het hoofd neerwaarts gehangen, zelfs
vrouwen aan het ene been), zodat zij daardoor in een houding hingen, waarvan
zich het eerbare oog met afkeer moest afwenden. Daarna werden zij aan handen en
voeten vastgemaakt aan dikke takken van bomen, die van elkaar stonden, terwijl
deze takken met kracht werden teruggebogen en met touwen gebonden welke touwen
dan werden doorgesneden, waardoor de takken in hun vorige stand terugsprongen en
het lichaam in vele stukken gescheurd werd. Sommigen werden in de rook van een
langzaam brandend en vochtig vuur gesmoord; velen, die men de neus, oren en
handen hadden afgesneden had, liet men heinde en ver in ellende ronddwalen, om
andere onbekende Christenen schrik aan te jagen. Deze vervolging heeft zich over
een groot deel van de aarde uitgestrekt, zoals over Azië, Afrika, Europa, en
over vele eilanden, voornamelijk over Sicilië, Lesbos en Samos. In Nicomedië
werden op het feest van Christus' geboorte, op bevel van Maximinus, in een
tempel enige duizenden Christenen verbrand. Een stad in Phrygië, toen door de
Christenen bewoond, werd belegerd en met allen, die er in waren, verbrand. Vele
andere steden hebben ook, geen enkele uitgezonderd, de bittere beker van deze
vervolging moeten drinken; vooral was dit zo in Egypte: te Thebe en Antinopolis;
in Thracië: te Nicopolis; in Italië te Aquila, waar al de Christenen vermoord
werden, Florence, Bergamo, Verona, Neapolis, Benevento, Venusia, in Gallië
(Frankrijk): te Marseille; in Duitsland: te Trier, waar Rictionaris in de
vervolging zo heftig en wreed geweest is, dat het vergoten bloed vele rivieren
rood kleurde; voorts in Duitsland: te Augusta, en ook ten dele in Spanje,
Brittannië, Zwitserland en andere landen.
Wij geven hier (teneinde de onmenselijke wreedheid
der heidenen jegens de Christenen te beter in het oog te doen vallen) een
bijzonder verhaal van sommige martelaren, die door geschiedschrijvers genoemd en
nader beschreven worden.
Petrus, een hofbeambte van keizer Diocletianus,
stond hij hem zeer in aanzien. Toen deze de wreedheid bestrafte, begaan aan de
edelman Johannes, van wie boven gesproken is, en hem met grote droefheid over
zijn martelingen beklaagde, werd hij gevangen genomen en gedwongen de afgoden te
offeren. Toen hij dit weigerde, werd hij gegeseld, en zijn vlees verscheurd,
teneinde hem door pijniging te dwingen om te offeren. Toen hij standvastig
bleef, overgoten zij zijn verscheurd lichaam met edik en zout, en verschroeiden
hem eindelijk aan alle zijden op een rooster met een zwak vuur, totdat hij met
blijmoedigheid zijn geest in de handen van zijn hemelsel Vader
overgaf.
Dorotheus en Gorgoneus, kamerheren van de keizer,
hadden genoemde Petrus in de christelijke godsdienst onderwezen. Toen zij
getuigen waren van de onmenselijke pijn, die Petrus leed, vroegen zij de vorst:
"waarom hij in Petrus de overtuiging van hun gemoed strafte, die in hen allen
leefde? Daarbij voegende: dit is ons geloof, dit is onze godsdienst, dit is ons
eendrachtig en gemeenschappelijk gevoelen." Terstond liet de keizer deze vrome
mannen, die hij vroeger als zijn kinderen liefhad, martelen, en wel met schier
dezelfde pijnigingen als Petrus geleden had, en eindelijk werden zij opgehangen.
Nadat zij enige tijd waren begraven, werden hun lichamen weer opgegraven en in
de zee geworpen, bevreesd als men was, dat de Christenen die als goden zouden
vereren.
In die tijd werd ook, na een heerlijke afgelegde
belijdenis, onthoofd zekere Anthimus, bisschop te Nicomedië, benevens nog een
groot aantal gelovigen. Nicephorus schrijft, dat hij eerst op de wreedste wijze
werd geslagen, dat hem daarna met gloeiende pennen de hielen werden doorboord,
dat hij op gebroken potscherven werd geworpen, gloeiende schoenen hem aan de
voeten werden gedaan, het vlees van het lichaam gescheurd, met brandende fakkels
gezengd en eindelijk onthoofd werd.
Dezelfde weg hebben ook bewandeld Tyrannion,
bisschop te Tyrus; Zenobius, te Sidon; Silvanus, te Gaza, alsmede Pamphilius,
over wien Eusebius een afzonderlijk boek heeft geschreven.
Toen Eustrathius, secretaris van een stadhouder,
die zeer bedreven was in de Griekse taal, de standvastigheid zag van de
martelaren, deed hij van de christelijke godsdienst, waarin hij tevoren in het
geheim onderwezen was, in het openbaar belijdenis, en verfoeide alle heidense
goddeloosheid. Hij werd daarom gevangen genomen, aan een paal opgetrokken,
jammerlijk geslagen, daarna aan verscheidene delen van het lichaam met vuur
gezengd en met zout en edik overgoten, eindelijk met potscherven derwijze
geschrabt en geraspt, dat het gehele lichaam slechts één wond vertoonde. Door
Gods kracht genas hij weer, doch werd later naar de stad Sebastia gevoerd en
eindelijk met zijn vriend Orestus verbrand.
Onder hen, die in die tijd, om het christelijk
geloof werden omgebracht, worden nog vele anderen genoemd, als Agricola en zijn
dienaar Vitalis. Onder zovele martelingen, dat zelfs zijn lichaam als geheel
vaneen gereten was, gaf laatstgenoemde zijn ziel aan God over. Agricola kon het
uitstel, dat men hem gaf, niet langer verdragen, aangezien hij zijn tijd in
ledigheid moest doorbrengen, terwijl hij vele deugden bezat en met groten ijver
was bezield, en daarom tot ergernis was van hen, aan wie hij was overgeleverd;
zo werd hij, zelf om zijn dood verzoekende, terwijl hij zijn vijanden moed
inboezem