HET EVANGELIE NAAR JOHANNES

Lees de Bijbel   De Bijbel is niet een boek dat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 

Bijbelstudie 909 - EVANGELIE NAAR JOHANNES

Het Johannes evangelie heeft een zeer bijzonder karakter

Hoewel het ons spreekt van Gods diepste en hoogste gedachten, roert het toch het eenvoudigste hart. En dat komt, doordat het ons Gods Zoon brengt, de Openbaarder van de liefde, waar ieder hart, tenzij het volkomen verhard is, behoefte aan heeft. Het toont ons de Zoon van God op aarde en de Zoon des Mensen in de hemel. In Hem is het Licht en het eeuwig Leven verschenen.

De verborgenheid van de Drie-eenheid kan niet aan het natuurlijk ver­stand verklaard worden; om de Vader, de Zoon en de Heilige Geest te kennen, hebben we een goddelijke openbaring nodig, aanvaard door het geloof. Alle belijdende Christenen zijn gedoopt in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. In deze doopformule wordt uit­ge­drukt, dat de Zoon een goddelijke persoon is, evenals de Vader en de Heilige Geest. Er zijn drie personen in de eenheid van het Godde­lijk Wezen. De drie Personen van de Godheid, zoals ons geloof die kent, zijn met elkaar in relatie. De Vader en de Zoon zijn in de heerlijkheid van het goddelijk Wezen, en hoewel ze gelijk zijn in heerlijkheid, bestaat er tussen hen deze verhouding van Vader en Zoon. De na-men van Vader en Zoon worden ons duidelijk geopenbaard in het Nieuwe Testament en speciaal in het evangelie van Johannes. Onze harten kunnen alles vernemen wat deze namen voor ons eeuwig geluk bete­kenen. De Zoon, die in de schoot van de Vader is, heeft ons de naam en het karakter van de Vader doen kennen. De naam van de Zoon werd door de Vader Zelf geopenbaard, toen uit een geopende hemel weerklonk: „Deze is mijn geliefde Zoon, in wie ik mijn welbehagen heb gevonden.” Hij is de Zoon van Zijn liefde, het beeld van de onzienlijke God en het afschijnsel van Zijn heerlijkheid.

Het evangelie van Johannes brengt ons de Vader in de Zoon, die Zijn beeld is, en de Zoon in de Vader die liefde is. De wederkerige liefde, die ze eeuwig verbindt, werd in zijn gehele volheid ontvouwd aan de mensen: „De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in zijn handen gegeven.” (Joh. 3:35, Joh. 5:20) Hij was zijn eeuwig en dagelijks vermaak (Spr. 8:30) Hij kon zeggen: „Gij hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.” (Joh. 17:24) De Zoon heeft de Vader lief: „. . .opdat de wereld erkent, dat ik de Vader liefheb, doe ik ook zoals mij de Vader geboden heeft.” (Joh. 14:31) De wil van de Vader doen, dat was de opperste openbaring van deze liefde, toen de zoon hierbeneden gekomen was. Deze wil van de Vader was, dat de Zoon zich vernietigde, dat Hij in de dood afdaalde, en dat Hij zich overgaf om Gods toorn te ondergaan in de plaats van doodsschuldi­gen. Door zijn kruisof­fer weten wij nu, met welk een liefde de Vader ons heeft liefgehad. Hij is op het kruis verhoogd, opdat Hij ons als Zoon, de hemelse dingen openbaren zou: de liefde van de Vader. Hij, wie niemand kent dan de Vader alleen, is heel dicht bij ons gekomen en heeft ons de Vader ver­klaard.

De naam God is de algemene naam van de Godheid, boven de kennis van de schep-selen. Maar de naam van de Vader is onafscheidelijk van die van de Zoon: „Niemand heeft ooit God gezien, de eniggeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, die heeft (Hem) verklaard.”

De wederkerige liefde tussen de Vader en de Zoon was geen nieuwe ervaring voor de Zoon, toen Hij op aarde kwam:”Want Gij hebt mij liefgehad voor de grondlegging der wereld.” (Joh. 17:24) Hij is de eeu­wige Zoon van de liefde van de Vader. Dit is niet iets vaags, maar het voorwerp van een duidelijke openbaring. Een dergelijke liefde gaat alle begrip van begin en einde te boven, en is het kenmerk van het eeuwig Zoon-schap. De liefde, die het hart van de Vader vervult, vindt een vol­maakte aanvaarding en een volledig antwoord in het hart van de Zoon.

Terwijl Johannes ons de eniggeboren Zoon, in de schoot van de Vader en geliefd van voor de grondlegging der wereld, toont, spreekt Lukas over Hem als de Zoon van de Allerhoogste vóór zijn geboorte in deze wereld; Mattheus en Marcus vermelden zijn naam van Zoon van God van de doop in de Jordaan af. Het geloof ziet achter de sluier van vernede­ring, die het kind van Bethlehem bedekt, de hele goddelijke heerlijk­heid van Gods Zoon stralen. De Schepper van het heelal, die zich met het licht als met een mantel omkleedt, lag daar in zijn nederige kribbe, in doeken gewikkeld, en schijnbaar krachteloos. De almachtige God kwam hier beneden, zwak temidden der zwakken.

Ons natuurlijk verstand is niet in staat, de vleeswording van Gods Zoon te begrijpen, maar het geloof knielt neder en aanbidt. De god­delijke liefde, ondoorgrondelijk voor de natuurlijke mens, heeft ons de Zoon gezonden die een weinig minder dan de engelen geworden is, opdat Hij, door Gods genade, de dood voor allen smaken zou.

Er zijn verborgenheden, waarin geen enkel menselijk wezen kan door­dringen. Er is een persoonlijke innigheid tussen de Vader en de Zoon, die niemand doorgronden kan. Uitsluitend datgene, wat ons in Gods woord wordt geopenbaard, kan door ons, zwakke schepselen, gekend worden. We aanbidden niet, zoals de Atheners, een „onbekende God”. De Vader heeft van de Zoon getuigd, en de Zoon heeft de Naam van de Vader geopenbaard. (Joh. 17:26) Welk een rijke openbaring, als we daar­mee het schaarse licht vergelijken, dat aan de gelovigen onder het oude verbond werd toegestaan. Enkele schaarse stralen van Gods heerlijk­heid werden eens aan de zeventig oudsten getoond: „En zij zagen de God van Israël en onder zijn voeten als een werk van saffiersteen en als de gestalte van de hemel in zijn klaarheid.” (Exod. 24:10) Zelfs Mozes, die het voorrecht had, met God te spreken, heeft nooit Zijn aangezicht ge­zien, maar zag Hem slechts van achteren. (Exod. 33:23)

Het Nieuwe Testament openbaart Gods liefde, Gods hart wordt ons er geopend, en het geloof bewondert de wederkerige innigheid, de on­uit­sprekelijke en eeuwige liefde, die de Vader en de Zoon verbinden. Liefde, welbehagen en vreugde bestonden in de schoot van de God­heid, evenals alwetendheid en almacht. Toen de koningin van Sheba de ko­ninklijke heerlijkheid en pracht van Salomo’s hof aanschouwde, was er geen geest meer in haar. Maar wat is Salomo’s heerlijkheid in vergelij­king met de heerlijkheid van de „eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is?” We horen hier het getuigenis van de Vader aangaande de Zoon; moeten we hier niet de schoenen van de voeten doen, om een heerlijke verborgenheid te aanbidden? Het uitgangspunt en het doel van alle christelijk leven, het geheim van alle kracht, overwinning en vol­harding is de kennis van de Persoon van Gods Zoon. De maat van onze geestelijkheid staat zeer nauwkeurig in verhouding tot onze persoonlijke kennis van de Heer, zoals die voortvloeit uit onze gemeenschap met Hem.

HOOFDSTUK 1

In (het) begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in (het) begin bij God. Alle dingen zijn door Hem ge­worden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat gewor­den is. In Hem was leven, en het leven was het licht van de mensen. En het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen.

Aldus stelt de evangelist van het begin af het goddelijk en eeuwig bestaan van Jezus Christus, Gods Zoon, vast. Het boek Genesis begint met de schepping, maar Johannes begint met wat aan de schepping voorafgaat, met Hem, die alles schiep. Er staat niet: «In het begin schiep God», maar: «In het begin was het Woord». Alles is gegrond op het ongeschapen bestaan van Hem die alles geschapen heeft. Voordat het scheppingswerk begonnen was, was Hij daar, zonder begin. Zo sluit «In het begin was» alle begin van het Woord zelf uit. De eenvoud en duidelijkheid van deze aanhef is de verhevenheid van het thema waar­dig. Er staan daar drie fundamentele waarheden betreffende de Persoon van de Heer:

I) Het Woord was God en in het begin bij God

II) Het Woord werd vlees en woonde onder de mensen.

III) Het Woord was de eniggeboren Zoon.

De eerste achttien verzen zijn een soort voorwoord, dat de Heilige Geest aan het historische deel van het evangelie vooraf doet gaan. Het vijf­tiende vers staat als het ware tussen haakjes en bevat het getuigenis van Johannes de Doper betreffende zijn eigen minder­waardigheid. Een dergelijk voorwoord wijst op het bovennatuurlijke en hemelse karakter van dit evangelie. Met een treffende volzin scheurt Gods Geest het voorhangsel der voorbije tijden open en ver­gunt ons, een blik te slaan in de eeuwigheid. En dan zien we, door het licht van Gods Geest, het Woord, Gods eniggeboren Zoon, stralende in de pracht van zijn godde­lijke heerlijkheid. Met welk een verrukking dwaalt ons geestesoog langs alle begrenzingen van het geschapene tot in het onbegrensde en ongeschapene, om dan in aanbidding neer te buigen voor het eeuwig Woord, dat in het begin was! Het Woord was Schepper; niets bestaat er, wat niet door Zijn toedoen tot aanzijn geroepen werd. Men zal op­merken, dat het Woord het onderwerp is van vier korte volzinnetjes, in vers 1 en 2 geplaatst, om het Woord aldus te vrijwaren tegen alle aan­vallen van vier zijden.

a) In het begin was het Woord.

b) En het Woord was bij God.

c) En het Woord was God.

d) Dit was in het begin bij God.

Er staat niet, dat God het Woord was, maar dat het Woord God was. In het vierde zinnetje heeft het voornaamwoord «Dit» direct betrekking op het Woord. Zo staat er een vierzijdige omheining rondom deze Goddelij­ke openbaring.

Nadat hij de oorspronkelijke heerlijkheid van het Woord in de voorbije eeuwigheid getoond heeft, beschrijft de apostel zijn vleeswording. Het vleesgeworden Woord is identiek aan het Woord dat alle dingen schiep. En in dit vleesgeworden Woord aanschouwt het geloofsoog de heerlijk­heid van de Zoon, vol van genade en waarheid, uit wiens vol­heid wij ontvangen, en wel genade voor genade (vs. 16). Zijn Persoon blijft on­veranderd, ook na de vleeswording. Een tegenwoordige tijd (van eeuwi­ge onveranderlijkheid) is gebruikt aangaande de Zoon «die in de schoot van de Vader is». (Joh. 1:18), op dezelfde wijze als in de tekst: «die God is over alles, gezegend tot in eeuwigheid». (Rom. 9:5). Daarom staat er dan ook niet: «Het Woord IS God». Hoewel ook dit waar is, staat er in de uitdrukking «Het Woord WAS God», de verzeke­ring, dat dit zo was voor de grondlegging van de wereld. Dit Woord heeft de menselijke natuur aan­genomen, om Middelaar te worden. Door het menselijke woord worden menselijke gedachten tot uiting gebracht, en zo is het Woord uitdruk­king van Gods Geest, die gekenmerkt wordt door eeuwige gedachten. Het Woord nu drukt deze gedachten of Gods bedoelingen uit.

Er was een mens, van God gezonden; zijn naam was Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om van het licht te getuigen, opdat allen door hem geloofden. Hij was het licht niet, maar (hij was) om van het licht te getuigen. Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en iedere mens verlicht. Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gewor­den, en de wereld heeft Hem niet gekend. Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Maar allen die Hem hebben aan­genomen, hun gaf Hij (het) recht kinderen van God te worden, hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, niet uit (de) wil van (het) vlees, niet uit (de) wil van een man, maar uit God gebo­ren zijn.

En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een vader) vol van genade en waarheid. (Johannes getuigt van Hem en heeft geroepen en gezegd: Deze was het van Wie ik zei: Hij die na mij komt, is mij vóór, want Hij was eerder dan ik.) Want uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen, en wel genade op genade. Want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waar­heid is door Jezus Christus geworden. Niemand heeft ooit God ge­zien; de eniggebo­ren Zoon die in de schoot van de Vader is, die heeft (Hem) verklaard.

Het Woord was onzichtbaar en woonde in een ontoegankelijk licht, tot­dat dat het te-midden van de mensen nederdaalde. «Vol genade en waar­heid». Het vleesgeworden Woord was uitdrukking van genade en waarheid. Genade is liefde, die het kwade overwint, en waarheid ver­bindt Gods natuur aan de menselijke, want Christus was Mens en was de Goddelijke Waarheid. Er is verschil tussen de twee uitdrukkingen «het Woord» (of Logos) en «de Zoon». Het Woord spreekt over een God die Schepper en Heerser is, de Zoon duidt ons God als Vader aan en spreekt ons over liefde, intimiteit en tederheid. Maar we aanschou­wen zowel de Schepper als de Vader in de Zoon, die zei: «Ik vaar op tot mijn Vader en uw Vader, en tot mijn God en uw God». (Joh. 20:17). ,,En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van een eniggeborene van een Vader».

De eerste achttien verzen van dit hoofdstuk dienen als inleiding voor dit evangelie van de Zoon van God. Van het 19e tot het 28e vers hebben we het getuigenis van Johannes de Doper aan de priesters en Levieten, die door de Joden uit Jeruzalem tot hem gezonden waren. Hij antwoordde dat hijzelf de Messias niet was, maar als voorloper gezonden was, als een stem van een roepende in de woestijn: ,,Maakt de weg van de Heer recht„. Zelf was hij niet waardig de schoenen van de Heer los te maken. In vers 29 hebben we de ontmoeting van Jo­hannes met Jezus en Johan­nes’ getuigenis: Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt! Daarna getuigde Johannes dat deze de Zoon van God was (v. 34).

En dit is het getuigenis van Johannes, toen de Joden priesters en Levieten uit Jeruzalem naar hem toe gezonden hadden om hem te vragen: Wie bent u? En hij beleed en loochende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: Wat dan? Bent u Elia? En hij zei: Ik ben het niet. Bent u de profeet? En hij antwoordde: Nee. Zij zeiden dan tot hem: Wie bent u? opdat wij antwoord geven aan hen die ons hebben gezonden. Wat zegt u van uzelf? Hij zei: Ik ben (de) stem van een roepende in de woestijn:”Maakt de weg van (de) Heer recht!„, zoals de profeet Jesaja heeft gesproken. En zij waren gezonden uit de farizeeën. En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt u dan, als u de Christus niet bent, noch Elia, noch de profeet? Johannes antwoordde hun en zei: Ik doop met wa­ter; midden onder u staat (Eén) die u niet kent, die na mij komt; ik ben niet waard zijn schoenriem los te maken. Dit gebeurde in Bethanië, over de Jordaan, waar Johannes doopte.

HET LAM VAN GOD

De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. Deze is het van Wie ik zei: Na mij komt een man die mij vóór is, want Hij was eerder dan ik. En ik kende hem niet; maar opdat Hij aan Israël wordt geopenbaard, daarom ben ik komen dopen met water. En Johannes getuigde en zei: Ik heb de Geest zien neerdalen als een duif uit (de) hemel, en hij bleef op Hem. En ik kende Hem niet; maar Hij die mij heeft gezonden om te dopen met water, die zei mij: Op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het die met (de) Heilige Geest doopt. En ik heb gezien en getuigd dat Deze de Zoon van God is.

De centrale gedachte, verbonden aan de titel «Lam van God» is deze: «Zonder bloed-storting is geen vergeving». (Hebr. 9:22) Door het bloe­dig offer, gebracht op het kruis, is de verzoening van onze zonden tot stand gebracht. De aardse loopbaan van Jezus Christus draagt weliswaar de trekken van zachtheid, ootmoed en reinheid, die aan een lam doen denken, maar als hij niet gestorven was op het kruis, zou zijn hele dienst absoluut nutteloos zijn geweest, wat betreft het herstel van onze betrekkingen met God. Jezus ging van plaats tot plaats, weldoende, maar zijn dood alleen heeft ons de toegang ge­baand tot de tegenwoor­digheid van God: «Door het voorhangsel». De mens kan slechts tot God naderen door middel van een offer. Het Lam beantwoordt zowel aan Gods eisen als aan de behoeften van de zon­daar. Slechts bij het kruis vindt het geweten van de zondaar rust, slechts daar werd God volkomen verheerlijkt. Het geloof verleent aan de ziel een vrede die de wereld noch geven, noch wegnemen kan. «Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus». (Rom. 5:1) De offers volgens de wet van Mozes stellen symbolisch het offer van het leven van Christus voor. Het bloed stelde het leven voor, het vet de uitnemendheid van Zijn Persoon, daarom verbood de wet het eten van bloed en vet. «Want de ziel van alle vlees, dat is zijn bloed; wie dat eet, zal uitge­roeid worden» (Lev. 17:14) Christus is het Leven; Zijn leven was vlekkeloos, maar aan het kruis (en slechts daar) heeft Hij de zonde op zich genomen en is in de dood afgedaald. De zonde was door toereke­ning aan Hem verbonden, toen Hij aan het kruis stierf: Hij heeft onze zonden in zijn lichaam op het hout gedragen. Toen hij zijn leven liet, werd de zonde te niet gedaan. Op de derde dag is Jezus als over­win­naar uit het graf getreden: «opgewekt om onze rechtvaardiging». (Rom. 4:25)

De enige wijze om het, «leven te zien», is te geloven in Gods Zoon want buiten Christus is alles dood en ellende. Pas wanneer we, met de ogen van het geloof het geofferde Lam aanschouwen, dat op het vloekhout de ondragelijke last van onze schuld wegdroeg, dan treden we op het pad van het leven en hebben deel aan de eeuwige en onuit­sprekelijke blijdschap van de hemel. Deze vreugde neemt steeds toe, als we met Christus wandelen, en zal volmaakt zijn wanneer we het Lam zullen zien daarboven. Onze verlossing is gegrond op het bloed van het Lam, volgens het eeuwig plan van God. De verlossing was niet eenvoudig een antwoord op de zonde, maar voordat de wereld was, voor de schepping van hem die Satan werd, en voor het bestaan van de zonde, bestonden de grote plannen van liefde in Gods gedachten. Het verlossingsplan is dus niet vastgesteld, om alleen maar genezing te brengen in het verschrikke­lijk kwaad, dat de vijand had aangebracht door de verleiding van Adam en Eva, doch dit plan bestond van vóór de schepping. Te gelegener tijd heeft God zijn plan betreffende het onbevlekte Lam, voorgekend van eeuwigheid, tot uitvoer ge-bracht. Toen «door een mens», de zonde in de wereld gebracht was, werd dadelijk aan Adam en Eva de heerlijke gedachte aan de verlossing door het bloed van het Lam uitgedrukt, zowel in de dierenvellen die God hun gaf, als in de belofte van het Zaad van de vrouw. Deze verlos­sing werd volbracht op het kruis van Golgotha, en de rijke en heerlij­ke resultaten van de verlossing zullen gezien worden, als de grote menigte van verlosten, in wit gekleed en met palmen in de hand, zich rondom de troon van God en van het Lam zullen vergaderen. Het eeu­wig raadsbesluit van God in Christus is het fundament van vrede voor allen die geloven.

Het hele Oude Testament met zijn offers kondigt van te voren het ,,Lam van God, dat de zonde der wereld wegneemt», aan, en het meest tref­fend beeld is het paaslam, zoals de Israëlieten dit hebben geslacht de avond voor hun uittocht uit Egypte. Het bloed van het Lam beschermde geheel Israël tegen de verderfengel, en zo beschermt het bloed van Christus ons voor het komend oordeel. Want dit oordeel is gevallen op het heilig offerlam.

De volgende dag stond Johannes (daar) weer, en twee van zijn disci­pelen. En toen hij op Jezus zag, die daar wandelde, zei hij: Zie, het Lam van God. En de twee discipelen hoorden hem spreken en volgden Jezus. En Jezus keerde Zich om en zag dat zij hem volgden, en zei tot hen: Wat zoekt u? En zij zeiden tot Hem: Rabbi (wat ver­taald wil zeggen: Meester), waar verblijft U? Hij zei tot hen: Komt en u zult het zien. Zij kwamen dan en zagen waar Hij verbleef, en zij verbleven die dag bij Hem. Het was ongeveer (het) tiende uur. An­dréas, de broer van Simon Petrus, was één van de twee die het van Johannes gehoord hadden en Hem gevolgd waren. Deze vond eerst zijn eigen broer Simon en zei tot hem: Wij hebben de Messias gevon­den _ wat vertaald is: Christus. Hij leidde hem tot Jezus. Jezus zag hem aan en zei: Jij bent Simon, de zoon van Jona, jij zult Kefas heten _ wat vertaald wordt: steen.

DE TWEE DAGEN IN JOHANNES 1

Deze twee dagen worden gevolgd door de bruiloft van Kana, op de derde dag, een duidelijk beeld van de vreugde in het koninkrijk van Chris­tus.”Des anderen daags zag hij Jezus tot zich komen, en zei: zie het Lam Gods dat de zonde der wereld weg-neemt.„(Joh. 1:20). Als we dit be­langrijke hoofdstuk nauwlettend lezen, bemerken we dat het hier in totaal om twee dagen gaat, waarna de bruiloft te Kana op de derde dag volgt.

Deze twee dagen beschrijven symbolisch wat er op aarde zou gebeu­ren van het ogen-blik dat Johannes de Doper de heer Jezus zag ver­schijnen tot de vestiging van Zijn koninkrijk. De verzen 29-31 stellen de dienst van de Heer op aarde voor, het tweede deel van dezelfde dag stelt het getuigenis voor als de Heer in de hemel is en de Ge­meente op aarde gevormd wordt.

DE EERSTE DAG, EERSTE DEEL

De eerste dag. Deze volgt op de dag waarop Johannes de Doper het spoedige ver-schijnen van de Messias aankondigde (Joh. 1:19-28).”Des anderen daags„verschijnt de Heer Jezus inderdaad, en Johan­nes zegt:”Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.„De lengte van deze dagen is niet evenredig met hun profetische lengte, want die van de Gemeente is bijna 2000 jaar en die van het Joodse over­blijfsel (de tweede dag) duurt ongeveer 7 jaar, maar op deze twee dagen volgt de feest-vreugde van de derde dag, een wedergeboorte na twee duizend jaar geestelijke en nationale dood voor Israël. We hebben dus in de verzen 29-43 het eerste deel van de eerste dag, en deze schetst de rondwan­deling van de Heer Jezus op aarde met als hoogtepunt zijn verzoe­ningswerk op het kruis als het Lam Gods. De uitdrukking”die de zonde der wereld wegneemt„is niet begrensd tot de afwassing van de zonden der gelovigen, maar omvat ook de verzoening van alle din­gen in de schepping met God. Deze verzoening, beschreven in Col. 1:20 zal zijn volledige uitwerking hebben zowel in het duizendjarig rijk als voor de nieuwe hemel en de nieuwe aarde waarin gerechtigheid zal wonen. In die eeuwige staat zal zonde niet meer werken, omdat alles wat in opstand tegen God is geweest, dan terzijde gesteld zal zijn door het oordeel en eeuwige straf zal ondergaan. In de Openba­ring vinden we de Heer telkens weer als Het Lam. Door te zeggen:”Na mij komt een man, die vóór mij is, want Hij was eerder dan ik„, legt Johannes de Doper de nadruk op de goddelijke en eeuwige heer­lijkheid van de Zoon van God, op aarde gekomen, om door Zijn offer de zonde te niet te doen.

We hebben in de verzen 35-40 het tweede deel van de eerste dag. ”Des anderen daags wederom stond Johannes daar en twee van zijn discipe­len. En ziende op Jezus, die daar wandelde, zei hij: Zie het Lam Gods! En de twee discipelen hoorden hem dit zeggen en volgden Jezus . . . Zij zeiden . . . Meester, waar hebt gij Uw verblijf . . . Zij dan kwamen en zagen waar hij zijn verblijf had, en zij bleven die dag met hem.” Twee belangrijke aspekten van het Christelijke tijdperk wor­den hier aangeduid: 1. Het volgen van Jezus door persoonlijke gehecht­heid aan Hem. 2. Het wonen met Jezus: gelovigen vergaderd in Zijn tegenwoordig­heid.

Onze geliefde Heiland, die ons liefhad tot de dood, wordt hier het voorwerp van onze genegenheid, hoewel Hijzelf afwezig is. „Jezus Christus, die gij, hoewel gij hem niet gezien hebt, liefhebt.” (1 Petr. 1:8). Dit verwekt het verlangen met Hem te verblijven. Persoonlijk vol­gen wij Hem, en de Gemeente werd gevormd als de plaats waar de Heer Jezus tegenwoordig is temidden van de in Zijn Naam vergaderde gelovi­gen. Afgezonderd van een Gode vijandige wereld heeft de ware gemeen­te haar geschie-denis op aarde bijna volbracht. Deze geschiedenis vinden we in de brieven aan de zeven gemeenten in Azië (Openb. 2, 3).

De volgende dag wilde Hij naar Galiléa vertrekken en Hij vond Filip­pus; en Jezus zei tot hem: Volg Mij. Filippus nu was van Bethsaïda, uit de stad van Andréas en Petrus. Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de Zoon van Jozef, van Nazareth. En Nathanaël zei tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zei tot hem: Kom en zie. Jezus zag Nathanaël naar Zich toe komen en zei van hem: Zie, waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is. Nathanaël zei tot Hem: Vanwaar kent U mij? Jezus antwoordde en zei tot hem: Voordat Filippus je riep, terwijl je onder de vijgeboom was, zag Ik je. Nathanaël antwoordde Hem: Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent (de) koning van Israël. Jezus antwoordde en zei tot hem: Omdat ik je gezegd heb: Ik zag je onder de vijgeboom, geloof je? Je zult grotere dingen zien dan deze. En Hij zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg je: Je zult van nu aan de hemel geopend zien en de engelen van God opstijgen en neer­dalen op de Zoon des mensen.

DE TWEEDE DAG. Als de Gemeente van dit aardse toneel zal verdwe­nen zijn knoopt de Heer Jezus weer de betrekkingen aan met de Joden die eerst ongelovig naar hun beloofde land teruggekeerd zijn, maar van wie dan duizenden in hem als Zoon van God en Messias van Israël zullen geloven. De ontmoeting van de Heer met Filippus en Nathanaël geeft daar een symbolisch beeld van. Als antwoord op hun geloof geeft de Heer Jezus een treffende karakterschets van dit over­blijfsel waarvan we in Openb. 14:4 lezen: Dezen zijn het, die het Lam volgen waar het ook heengaat, dezen zijn uit de mensen gekocht tot eerstelingen voor God en het Lam, en in hun mond is geen bedrog gevon­den, maar zij zijn onberispelijk. Hier in Joh. 1:48 vinden we: „Jezus zag Nathanaël tot zich komen en zei van hem: Zie waarlijk een Israëliet in wie geen bedrog is.” Jezus had in de Geest Nathanaël onder de vijge­boom gezien, de boom die het beeld is van het herstel van Israël. Nadat Nathanaël zijn geloof in de Heer Jezus als Zoon van God en als koning van Israël had beleden, voorspel­de de Heer hem, dat hij de glorie van het koninkrijk zou aanschouwen. „Gij zult groter dingen zien dan deze. En Hij zei tot hem:”Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: Gij zult van nu aan de hemel zien geopend en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op de Zoon des Mensen” (Joh. 1:52). Vanuit het hemelse Jeruzalem waarvan poorten de namen zul­len dragen van de 12 stammen van Israël, zal het beheer van de aarde door de Zoon des Mensen via engelen geschieden. Want alle macht in hemel en aarde zal dan openlijk en officieel door de Heer Jezus als Zoon des Mensen uitgeoefend worden.

HOOFDSTUK 2: DE BRUILOFT TE KANA

En op de derde dag was er een bruiloft in Kana in Galiléa; en de moe­der van Jezus was daar. Jezus nu was ook op de bruiloft geno­digd, als­ook zijn discipelen. En toen er gebrek aan wijn kwam, zei de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn.

DE DERDE DAG. Zoals Hosea aankondigde dat op de derde dag Israël hersteld en gezegend door Gods heerlijkheid zou bestraald worden, zo zien we hier op de derde dag de wijn van de vreugde geschonken door de Heer Jezus aan Zijn geliefde volk.

En Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen. Zijn moeder zei tot de dienstknechten: Wat Hij u ook zegt, doet dat. Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet, volgens het reinigingsgebruik van de Joden, elk met een inhoud van twee of drie metréten. Jezus zei tot hen: Vult de watervaten met wa­ter. En zij vulden ze tot boven toe. En Hij zei tot hen: Schept nu en brengt het naar de ceremoniemeester; en zij brachten het. Toen nu de ceremoniemeester het water dat wijn geworden was, geproefd had (en hij wist niet vanwaar die was, maar de dienstknechten die het water geschept hadden, wisten het), riep de ceremoniemeester de bruidegom en zei tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer men veel gedronken heeft, de mindere; u hebt de goede wijn tot nu toe bewaard. Dit deed Jezus als begin van zijn tekenen in Kana in Galiléa en openbaarde zijn heerlijk­heid; en zijn discipelen geloof­den in Hem.

Het ontbrak hun eerst aan wijn, maar de Heer Jezus is daar, en Hij bereidt hun de be-tere wijn voor. Zijn moeder was daar ook, en zij stelt Israël voor, uit wie Christus geboren werd naar het vlees. Het is tref­fend dat hier water in wijn werd veranderd. De zes stenen watervaten die tot de rand toe met water gevuld moesten worden, stellen het verharde, wetti­sche volk van Israël voor, maar het water van een diep berouw over de kruisiging van de Heer zal eindelijk deze stenen vaten tot overlopen vullen, en dit water van de bekering zal in wijn van vreugde veranderd wor­den. De bron van vreugde is Jezus zelf van wie geschreven staat: „de Here Uw God is in uw midden, een held die verlost. Hij zal zich over U met vreugde verblijden: Hij zal zwijgen in zijn liefde, Hij zal over U juichen met gejubel.” (Zefanja 3:17).

De hofmeester begreep niet waarom de laatste wijn beter was dan de eerste. De eerste wijn stelt de genoegens van de natuurlijke mens voor, zoals jeugd, gezondheid, rijkdom, familie, gezelligheid, maar helaas heeft dat alles de bittere bijsmaak van de zonde. Er is een vreugde in Jezus die nooit bedorven wordt.

REINIGING VAN DE TEMPEL

En het pascha van de Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeru­zalem. En Hij vond in de tempel hen die runderen, schapen en duiven verkochten, en de wisselaars die (daar) zaten. En Hij maakte een zweep van touwen en dreef allen uit de tempel, ook de schapen en de runde­ren; en het geld van de wisselaars stortte Hij uit en de tafels keerde Hij om; en tot hen die de duiven verkochten zei Hij: Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophan­del.

Bij de nadering van het Pascha van de Joden gaat Jezus naar Jeruza­lem; en met het gezag van de Zoon van David reinigde Hij daar de tem­pel: „Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het huis van mijn Vader tot een huis van koophandel”. (v. 16) De Joden vroegen daarop een teken en het antwoord van de Heer Jezus duidde op Zijn dood en opstanding: „Breekt deze tempel af en in drie dagen zal ik hem oprich­ten,” sprekende over de tempel van zijn lichaam. De op­standing ver­leende Hem macht en gezag tot alle dingen als zijnde de basis van zijn verheerlijking en zijn bekroning. „Houd Jezus Christus in gedachten, opgewekt uit de doden, uit het geslacht van Da-vid.” (2 Tim. 2:8)

Zijn discipelen herinnerden zich dat er geschreven staat: „De ijver voor uw huis zal mij verteren”. De Joden dan antwoordden en zeiden tot Hem: Welk teken toont U ons, dat U deze dingen doet? Jezus antwoordde en zei tot hen: Breekt dit tempelhuis af en in drie dagen zal Ik het oprichten. De Joden zeiden dan: In zesenveertig jaar is dit tem­pelhuis gebouwd, en U zult het in drie dagen oprichten? Maar Hij sprak over het tempelhuis van zijn lichaam, toen Hij dan uit (de) do­den was opgewekt, herinnerden zijn discipelen zich dat Hij dit gezegd had; en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.

En toen Hij in Jeruzalem was op het pascha, op het feest, geloofden velen in zijn naam, toen zij de tekenen zagen die Hij deed. Maar Je­zus Zelf vertrouwde Zich aan hen niet toe, omdat Hij allen kende, en omdat Hij niet nodig had dat iemand van de mens getuigde, want Hij wist Zelf wat in de mens was.

HOOFDSTUK 3: GESPREK MET NICODEMUS

Nu was er een mens uit de farizeeën, zijn naam was Nicodemus, een overste van de Joden; deze kwam ’s nachts bij Hem en zei tot Hem: Rabbi, wij weten dat U van God bent gekomen als leraar, want nie­mand kan deze tekenen doen die U doet, tenzij God met hem is. Je­zus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk van God niet zien. Nico­demus zei tot Hem: Hoe kan een mens geboren worden als hij oud is? Kan hij soms voor de tweede keer in de schoot van zijn moeder ingaan en geboren worden? Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk van God niet binnengaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest. Ver­wonder u niet dat Ik u gezegd heb: U moet opnieuw geboren worden. De wind waait waarheen hij wil, en u hoort zijn geluid, maar weet niet waar hij vandaan komt en waar hij heen gaat; zo is ieder die uit de Geest geboren is. Nicodemus antwoordde en zei tot Hem: hoe kunnen deze dingen gebeuren? Jezus antwoordde en zei tot hem: Bent u de leraar van Israël en weet u deze dingen niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wij spreken wat wij weten en Wij getuigen wat Wij hebben gezien; en u neemt ons getuigenis niet aan. Als Ik u de aardse dingen heb gezegd en u niet gelooft, hoe zult u geloven als Ik u de hemelse zeg? En niemand is opgevaren in de hemel dan Hij die uit de hemel is neergedaald, de Zoon des mensen die in de hemel is. En zoals Mozes de slang in de woestijn heeft verhoogd, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verlo­ren gaat maar eeuwig leven heeft. Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.

Er is wedergeboorte nodig, om het eeuwige leven te bezitten. Het is voor de natuurlijke mens onmogelijk om naar Gods wil te leven, zelfs als hij in een christelijk gezin is opgevoed. Al onze pogingen en voornemens zijn vruchteloos, zolang er geen nieuw leven is. Maar met het nieuwe leven verkrijgt men ook het vermogen, de begeerten van de oude mens te ver­loochenen. Toen wij krachteloos waren, heeft God zijn Zoon ge­zonden, om ons het leven te schenken. Alles is genade. Wie in Chris­tus gelooft, is uit God geboren. Twee krachten zijn daartoe werkzaam: Gods Woord en Gods Geest. Alle goed werk, alle ware liefde, alle vruchtbare dienst, alle geestelijke aanbidding vloeien voort uit het eeuwige leven in ons.

Onwetendheid en twijfel omtrent het bezit van het leven is een groot verlies voor de ziel. Iemand, die slechts hoopt, dat God hem bij het laatste oordeel het eeuwige leven zal schenken, kan nooit een blij­moe­dig christen zijn. Maar wie weet, dat zijn leven met Christus ver­borgen is bij God, heeft alle reden om vol rust, vrede en blijdschap te zijn. Het praktisch genot van deze zekerheid is slechts mogelijk voor diegenen, die in gemeenschap met God wandelen. Er zijn christenen die door een slordige wandel het besef van deze zekerheid verliezen.

Het leven van de ongelovige is een strijd om aardse dingen, dat van de gelovige is niet meer van de aarde. Zijn leven is van het zichtbare toneel verdwenen, want hij leeft voor hemelse en eeuwige dingen. We leven nu reeds het leven van de opgestane en verheerlijkte Christus, een leven dat voor wereldlingen een verborgenheid is. Zoals Christus uit de wereld verdwenen is, zo zijn wij als doden, als verdwenenen voor de wereld. «De wereld ziet mij niet meer» (Joh. 14:19) Christus blijft ver­borgen tot de dag van zijn wederkomst. Met Hem is ons leven verborgen bij God.

Waar hoofdstuk 2 eindigt met de veroordeling van de natuurlijke mens, daar hebben we hier de noodzaak voor ieder om wedergeboren te wor­den; anders kan hij het koninkrijk Gods niet zien. In de nacht kwam Nicodemus tot Jezus. Hij was overtuigd door de wonderen van Jezus, dat Hij van Godswege als leraar gezonden was. Als enig antwoord zegt de Heer: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het koninkrijk Gods niet zien . . .” En toen Nicodemus dat niet begreep legde de Heer Jezus aan de hand van het Oud-Testamenti­sche beeld van de koperen slang hem uit, dat ieder zondaar, om weder­geboren te worden, de Zoon van God dient aan te nemen als zijn persoonlijke Redder - Zoals in de woestijn elke Israëliet, die door slan­gen gebeten was, overtuigd was van zijn verlo­ren toestand, zo dient ieder van zonde overtuigde mens op te zien naar het kruis, waar Jezus alles volbracht heeft om de verloren zon­daar te redden. Later merken we dat Nicodemus die weg gevonden heeft, want dan zien we hem partij kiezen voor Jezus in het Sanhe­drin, terwijl hij bezwaar maakt tegen zijn veroordeling. Een tenslotte zien we hem opkijken naar het kruis dat voor hem machtiger effect had dan ooit de koperen slang. Dan eert hij Jezus niet langer in de nacht en niet alleen voor de Joodse Raad maar in het volle licht, zelfs in tegenwoordigheid van Pilatus en de wereld, als het geslagen, gewon­de en geslachte Lam van God: „en ook Nicode­mus, die eerst ’s nachts tot Jezus gekomen was, kwam en bracht een mengsel mee van mirre en aloë, ongeveer honderd pond.” (Joh. 20:39).

We zien hier het effect van het nieuwe leven dat we bij onze weder­ge­boorte ont-vangen. Water en Geest, het Woord en de Heilige Geest brengen de wedergeboorte voort zoals Petrus zegt: „Gij die weder­geboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levend en blijvend woord van God!” (1 Petr. 1:23). Jezus, de tweede mens, is een levendmakende geest (1 Cor. 15:45) „Wat uit de Geest geboren is is geest,” zegt Jezus tot Nicodemus. En zo is ons nieuwe leven eeuwig, onsterfelijk met een voordurende overwinning over de macht van de dood. Gods koninkrijk is uitsluitend toeganke­lijk voor wedergeboren, gerechtvaardigde zondaars, levend gemaakt door de kracht van het Woord van God en Gods Geest.

Wie enig vertrouwen heeft in het vlees, zal dit koninkrijk nooit bin­nen­gaan. Als we Gods Woord geloven, en opzien naar de Gekruisigde Zoon des Mensen, zoals de stervende Israëliet moest opzien naar de koperen slang, dan ontvangen we het eeuwi-ge leven, een hemelse gave, in ons. De Heer Jezus vond het nodig om het zaad van de wederge­boorte te zaaien in geploegd land, dat is een geweten dat geraakt is door de waarheid, en daarom zegt hij tot Nicodemus, dat wat men in de nacht doet, nu niet erg lijkt op wandelen in het licht: „Want een ieder die kwaad doet, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft wor­den.” (v. 20). Alleen verloste zondaars wan­delen in het licht en dat zien we weldra ook Nicodemus doen, niet meer bij nacht, maar op klaarlich­te dag.

Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld zou oordelen, maar opdat de wereld door Hem behouden zou worden. Wie in Hem gelooft wordt niet geoordeeld, maar wie niet ge­looft is al geoordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de naam van de enniggeboren Zoon van God. En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld is gekomen, en de mensen hebben de duisternis meer liefgehad dan het licht, want hun werken waren boos. Want ieder die kwade din­gen bedrijft, haat het licht en komt niet tot het licht, opdat zijn werken niet bestraft worden. Maar wie de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijn werken openbaar worden dat zij in God zijn gewerkt.

De Heer zette nu zijn dienst voort in Judea, temidden van Israël. En weer bemerken we dat Johannes de Doper een getuigenis geeft over de hemelse heerlijkheid van de Heer Jezus. „Hij die van boven komt is boven allen, wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt als uit de aarde. Hij die uit de hemel komt, is boven allen. En wat hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij.” (v. 31-33) Johannes toont hier een nederigheid zoals we die bij Mozes vinden, toen hij, inplaats van Eldad en Medad het profeteren te verbieden, naar hen ging luisteren. Ook Paulus kon zeggen: „Wie is dan Paulus, en wie is Apollos?” Dit waren overwinningen over het vlees dat altijd tot afgunst bereid is. De disci­pelen van Johannes benijdden de discipelen van Jezus, maar Johannes heeft de genade om zelf tot niets te worden. Hoe gezegend werd Johan­nes hier onderwezen door de Heilige Geest. Hij wees naar de staf van de grotere dan Aaron, want die zou weldra bloeien met vruch­ten en bloe­men. Jezus was de bruidegom en bij de bruiloft van het Lam zal Johan­nes de Doper tezamen met alle heiligen van het Oude Testament zich verheugen over de blijde stem van de bruidegom. Als laatste van de profeten geeft hij alle eer aan Jezus.

GETUIGENIS VAN JOHANNES DE DOPER

Daarna kwam Jezus met zijn discipelen in het land van Judéa en hield zich daar met hen op en doopte. En ook Johannes doopte, in Enon bij Salim, omdat daar veel water was. En zij kwamen daar bij hem en wer­den gedoopt. Want Johannes was nog niet in de gevange­nis geworpen. Er ontstond dan een woordenstrijd (bij sommigen) van de discipelen van Johannes met een Jood over reiniging. En zij kwamen naar Johan­nes toe en zeiden tot hem: Rabbi, Hij die met u was aan de overkant van de Jordaan, van Wie u hebt getuigd, zie, Hij doopt en allen komen naar Hem toe. Johannes antwoordde en zei: Een mens kan helemaal niets aannemen tenzij het hem uit de hemel is gegeven. Uzelf getuigt , dat ik heb gezegd dat ik niet de Christus ben, maar dat ik vóór Hem uit ben gezonden. Hij die de bruid heeft, is (de) bruidegom; maar de vriend van de bruidegom, die (daarbij) staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap over de stem van de bruidegom. Deze blijdschap van mij dan is vervuld ge­worden. Hij moet meer, maar ik minder worden. Hij die van boven komt, is boven allen; wie uit de aarde is, is uit de aarde en spreekt uit de aarde. Hij die uit de hemel komt, is boven allen. Wat Hij heeft gezien en gehoord, dat getuigt Hij; en zijn getuigenis neemt niemand aan. Wie zijn getuigenis heeft aangenomen, heeft bezegeld dat God waar-achtig is. Want Hij die God heeft gezonden, spreekt de woorden van God; want Hij geeft de Geest niet met mate. De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in zijn hand gegeven. Wie in de Zoon gelooft, heeft eeuwig leven, maar wie de Zoon onge-hoorzaam is, zal (het) leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem.

Toen de Farizeeën aan Johannes kwamen vragen of hij de Messias was, antwoordde deze: „Ik ben de stem van iemand die in de woestijn roept . . . ik ben niet waardig de schoenen van de Messias los te maken.” Toch had de engel Gabriël over Johannes aangekondigd: „Hij zal groot zijn in het oog des Heren.” En deze grootheid zou vooral herkend worden in de grootste van welke boodschap dan ook: „Zie het Lam Gods . . . Bereid Zijn weg!” Op een zekere dag, toen Johan­nes zo predikte, zweeg hij plotseling, zodat ieder verwonderd naar hem keek. En waarom hield hij op? Omdat er iemand naar hem luis­terde, en op de oever van de Jor­daan ging staan met het verzoek om door hem gedoopt te worden. Wie was die persoon? Het was de lang verwachte Messias en verlosser! Johannes achtte zich absoluut niet waardig om zo Iemand te dopen en hij zei: „Zal ik U dopen?” Maar de Meester antwoordde hem „Laat het zo geschieden, want zo betaamt het ons, om alle gerechtigheid te vervul­len”. Jezus wilde zich met een berouwvol overblijfsel uit het Joodse volk vereenzelvi­gen, hoewel hij zelf heilig en volmaakt was. En beiden daalden af in de Jordaan waar de Heer Jezus door Johannes gedoopt werd. Na zijn doop bad de Heer Jezus en toen werd de hemel geopend en daalde de Heilige Geest op hem in de gedaante van een duif en kwam er de stem van de Vader uit de hemel: „Gij zijt Mijn geliefde Zoon; in U heb ik mijn welbehagen gevonden.” (Lukas 3:22). Waar Johannes uit Zuid-Judea kwam en Jezus uit Nazareth, kenden ze elkaar niet, maar Johannes werd getroffen door de heiligheid die Jezus ademde, terwijl hij in Hem het vlekkeloze Lam van God herkende.

Sinds de zondeval had God nooit kunnen zeggen, dat hij een volledig welbehagen in enig mens had gehad, maar hier drukte God Zijn innig genot in de volmaakte mens uit. De komst van de Heer Jezus was als die van de opgaande zon en in dat licht moest Johannes verbleken: „Hij moet wassen en ik minder worden.” In dit besef noemde hij Je­zus de Bruidegom. Johannes zelf behoorde tot de vriend van de Brui­degom. Dat is de positie van de Oud-Testamentische gelovigen. De minste van hen die als Christus-gelovigen tot Zijn Gemeente behoren, heeft een hogere positie dan welk OudTestamentische gelovige dan ook. Een kind in Christus is groter in positie dan zelfs Johannes de Doper, die nooit tot de Gemeente van Christus behoorde. Voor de OudTestamentische gelo­vigen zal gelden „Welgelukzalig hen die geroepen zijn tot de maaltijd van de bruiloft van het Lam!” (Openb. 19:9). Zij zullen erbij zijn en zich verheugen, maar de Gemeente alleen zal de Bruid zijn. We hebben in dit evangelie een zeer kom­pleet verslag van het getuigenis van Johannes de Doper. „En ik heb gezien, en heb getuigd, dat deze de Zoon van God is.” (Johannes 1:34)

HOOFDSTUK 4: DE SAMARITAANSE VROUW

Toen nu de Heer vernam, dat de farizeeën gehoord hadden dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes (hoewel Jezus Zelf niet doopte, maar zijn discipelen), verliet Hij Judéa en ging weer naar Galiléa. En hij moest door Samaria gaan. Hij kwam dan bij een stad in Samaria, Sichar geheten, dichtbij het veld dat Jakob zijn zoon Jozef had gegeven. En daar was (de) bron van Jakob. Jezus dan was vermoeid van de reis en ging zo bij de bron zitten. Het was ongeveer (het) zesde uur. Er kwam een vrouw uit Samaria water putten. Jezus zei tot haar: Geef Mij te drinken. (Want zijn discipelen waren wegge­gaan naar de stad om voedsel te kopen.) De Samaritaanse vrouw dan zei tot Hem: Hoe vraagt U die een Jood bent, van mij te drinken die een Samaritaanse vrouw ben? Want Joden hebben geen omgang met Samaritanen. Jezus antwoordde en zei tot haar: Als u de gave van God kende en Wie Hij is die tot u zegt: Geef Mij te drinken, dan zou u aan Hem hebben gevraagd en Hij zou u levend water hebben gegeven. De vrouw zei tot Hem: Heer, U hebt geen emmer en de put is diep; waar hebt U dan het levende water vandaan?

Johannes moest, toen Jezus verscheen, als martelaar sterven. Van dit ogenblik is er geen sprake meer van de dienst van Johannes de Doper. Alleen de dienst van de Zoon van God zelf gaat voort, en Hij presenteert zich als de Redder der wereld. We zien hem hier eigenlijk al als door Israël verworpen en Hij verlaat Judéa, het land der eigen­gerechtigden, en gaat naar zondaars om hun Heiland te zijn. En als Redder moest Hij wel door zulk een onreine plaats als Samaria gaan, waar we Hem ver­moeid aantreffen, rustend op een put.Gods bedoe­ling was dat Israël een heilige natie zou zijn, afgezonderd van de onreine volken rondom. Maar Jezus ging van dat land dat voor heili­gen was naar het verontreinigde Samaria. Hij ging daar als Gods Zoon, en om zondaars te redden. Want gerechtigheid had Hij in Judéa wel gezocht maar niet gevonden. Vol van reddende genade kan Hij nu spreken met een zondige Samaritaanse vrouw die aan de put van Sichar gekomen was om daar water te putten. De wet was door Mozes gegeven, genade en waarheid kwamen in Jezus Christus. Hij zei tot de vrouw: „Geef mij te drinken”. Ze was verbaasd dat Hij, die Jood was, haar niet op een afstand hield. Maar God was gekomen in genade, niet met de wet op de brandende berg Sinaï maar om de stroom van het water des levens te brengen. Voordat de vrouw God kan leren kennen, moet ze eerst zichzelf als zondares leren ken­nen. Nadat Jezus had gevraagd haar man te roepen zegt de Heer: „Degene die ge nu hebt is uw echtgenoot niet.” haar zondige leven was een dorre woestijn, maar Gods Zoon was daar gekomen en levend water kon haar aangeboden worden. Evenals de rots in de woestijn water had voortgebracht zo bracht Jezus levend water, een stroom van liefde en blijdschap voor een zondares die vergeving vond. Op de weg van de Heiland horen alleen maar zondaars thuis. En volgens Jezus waren de velden in het onreine Samaria goed om te oogsten. Jezus was begonnen te zaaien, anderen zoals we in de Handelingen lezen, zouden daar rij­kelijk oogsten. Daarna lezen we, dat de Joodse aan­bidding geëindigd was en dat de Vader geen aanbidders op het aardse Zion of op de berg Garizim zocht maar ware aanbidders die Hem zouden aanbidden in Geest en in waarheid. Zo komt Jezus altijd heel dicht tot zondaars. Nadat de vrouw beseft heeft dat de Heer de Christus was, verliet ze haar watervat en zei tot de mensen in de straat: „komt, ziet een mens, die mij alles gezegd heeft, wat ik gedaan heb. Is deze niet de Christus?” (v. 28). Velen van de Samari­tanen te Sychar geloofden om het getuige­nis van de vrouw, en Jezus bleef twee dagen in Sychar met een groepje die in Hem geloofden, waar zich nog andere gelovigen bij voegden, een voorsmaak van een rijke oogst. (Hand. 8:4-8 en 14)

De vrouw antwoordde en zei tot Hem: Ik heb geen man. Jezus zei tot haar: U hebt terecht gezegd: Ik heb geen man; want vijf mannen hebt u gehad, en die u nu hebt is uw man niet; dit hebt u naar waarheid gezegd. De vrouw zei tot Hem: heer, ik zie dat U een profeet bent. Onze vaderen hebben op deze berg aangebeden, en u zegt dat in Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden. Jezus zei tot haar: Geloof Mij, vrouw, er komt een uur dat u noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zult aanbidden. u aanbidt wat u niet weet; wij aanbidden wat wij weten, want de behoudenis is uit de Joden.Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke (personen) die Hem aanbidden. God is geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. de vrouw zei tot Hem: Ik weet dat (de) Messias komt, die Christus wordt genoemd; wanneer Die is gekomen, zal Hij ons alles verkondigen. Jezus zei tot haar: ik ben het, die tot u spreek.

Elk kind van God, dat door het geloof aanvaard heeft, dat God voldaan is over het aan het kruis volbrachte werk, heeft vrijheid om in zijn tegen­woordigheid te komen. Het bloed van Christus is de «nieuwe weg», om­dat deze het oude Verbond opzij zet, en de «levende weg», omdat Christus opgestaan is en leeft aan Gods rechterhand. Nadat de Heer Jezus onze zonden gedragen had en door God verlaten was geweest, scheurde het voorhangsel van de tempel van boven tot beneden. God is nu niet meer verborgen in een ontoegankelijk heilig­dom, maar wij hebben door het geloof toegang tot Hem. En wanneer wij toegaan, wat zien wij? De aanbiddelijke Persoon, die ons de toe­gang verschafte, en die daar met eer en heerlijkheid gekroond is. Na de uitdelging der zon­den is Hij bevestigd over het huis Gods, over allen die geheiligd zijn.

Als Hogepriester is Christus de hemelse Leider van een geestelijke priesterschaar, van hen, die de Vader aanbidden in Geest en in Waar­heid. Dit is een van de belang-rijkste waarheden van het Christendom, maar die, helaas een der eerste geweest is, die door de christenheid uit het oog verloren is. Alle gelovigen zijn priesters en er bestaat hier beneden geen bepaalde priesterstand of lekenpositie onder de chris­tenen. De onderscheiding in clerus en leken is een gevolg van Satans list, die ten doel heeft, de christenen in de eens verlaten legerplaats van Joodse plechtigheden terug te drijven. Thans is het Joodse karak­ter der eredienst zo algemeen heersend in de chris-telijke kerken, dat zij die aanbidden willen in Geest en Waarheid, en zich kwijten willen van hun taak van priesters, verplicht zijn, de legerplaats der christe­lijke systemen te verlaten, en zich rondom Christus als middelpunt voor de aanbidding te vergaderen. Het gevolg van het verlaten der waarheid van het priesterschap der gelovigen is, dat Gods huis aan een onherstelbare puinhoop gelijk geworden is.

Maar de Heer heeft de zijnen willen opwekken, en gaf, in het begin van de vorige eeuw, in het hart van enkele gelovigen, het verlangen, weer te aanbidden als een geestelijk en heilig priesterdom, volgens Gods gedachte. Zij hebben de eredienst volgens Gods woord hersteld en tot op deze dag is er een zwak overblijfsel, dat blijven zal tot ’s Heren we­derkomst, dat zich aan Gods orde in Zijn huis onderwerpt. Er is weliswaar zwakheid en onvolkomenheid in hun aanbidding, maar als Hogepriester draagt Christus de ongerechtigheden van hun heilige of­feranden. (Exod. 28:38) En zo is onze dienst, hoezeer ook gekenmerkt door onvolmaaktheid en soms zelfs door onreinheid, aan­genaam bij God, want Christus reinigt onze geestelijke offeranden, volgens de uit­nemendheid van Zijn Persoon.

DE ZOON VAN DE KONINKLIJKE HOVELING

En na die twee dagen vertrok Hij vandaar en ging naar Galiléa; want Jezus Zelf getuigde dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. Toen Hij dan in Galiléa kwam, ontvingen de Galieeërs Hem, daar zij alles hadden gezien wat Hij in Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren naar het feest gegaan.

Hij kwam dan opnieuw in Kana in Galiléa, waar Hij het water tot wijn had gemaakt. En er was een hoveling in Kapernaüm, wiens zoon ziek was. Toen deze hoorde dat Jezus uit Judea in Galiléa was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg of Hij wilde afdalen en zijn zoon ge­zond maken, want die lag op sterven. Jezus dan zei tot hem: Als u geen te­kenen en wonderen ziet, zult u geenszins geloven. De hoveling zei tot Hem: Heer, kom af voordat mijn jongen sterft. Jezus zei tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. De man geloofde het woord dat Jezus tot hem zei en ging weg. En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn slaven hem tegemoet en zeiden hem dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun dan naar het uur waarop hij beter was geworden; zij dan zeiden tot hem: Gisteren op het zevende uur verliet de koorts hem. De vader nu wist dat het op dat uur was, dat Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde, hij en zijn hele huis. Dit tweede teken nu heeft Jezus weer gedaan, toen Hij uit Judea in Galiléa was gekomen.

HOOFDSTUK 5: DE LAMME TE BETHESDA

Daarna was er een feest van de Joden, en Jezus ging op naar Jeru­zalem. Nu is er in Jeruzalem aan de Schaapspoort een vijver, die in het Hebreeuws bijgenaamd wordt Bethesda, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, kreupelen, verdorden, die wachtten op de beroering van het water. Want een engel van (de) Heer daalde op zekere tijden neer in de vijver en bracht het water in beweging; wie dan het eerst daarin daalde na de beweging van het water, werd gezond, aan welke ziekte hij ook leed. En daar was een mens die achtendertig jaar ziek was geweest. Jezus zag hem liggen, en daar Hij wist dat hij al lange tijd (ziek) was, zei Hij tot hem: Wilt u gezond worden? De zieke antwoordde Hem: Heer, ik heb geen mens om mij in de vijver te werpen wanneer het water in beweging wordt gebracht; en terwijl ik kom, daalt een ander vóór mij neer.Jezus zei tot hem: Sta op, neem uw rustbed op en wandel. En terstond werd de mens gezond, en hij nam zijn rustbed op en wandelde. Nu was het sabbat op die dag.

In dit hoofdstuk vinden we een beeld van het OudTestamentische, Joodse systeem, waarin er van tijd tot tijd krachten voorkwamen ten gunste van Israël. De goedheid van God had gegeven, dat er in Jeru­zalem een badwater was, genaamd Bethesda, en af en toe kwam daar een engel, om het water aan te raken en er genezende wonderkracht aan te geven. De profeten waren van tijd tot tijd Israël met wonder­kracht komen verkwikken, maar vierhonderd jaar lang waren er geen profeten geweest, en waren er toch nog zulke herinneringen aan Gods goedheid als Bethesda was.

Waarom kon deze mens niet van dit geneesmiddel profiteren? Omdat het genees-middel kracht vereiste bij degene die het gebruiken wilde; en dat was juist wat deze zieke ontbrak: hij was krachteloos! We hebben hier een treffend beeld van de wet van Mozes, die tot de natuur­lijke mens zegt: «doe dit en gij zult leven». Welk goed kan een mens, die aan de Boze geknecht is, verrichten? De zonde heeft hem alle be­kwaamheid, om goed te doen, ontnomen, ondanks zijn beste voorne­mens. Zo kan de wet niemand van het eeuwig verderf redden. De kracht van Gods Zoon is nodig om ons te verlossen. «Want Chris­tus, toen wij nog krachteloos waren, is te rechter tijd voor goddelozen gestorven». (Rom. 5:6). Jezus zei tot de zieke: «sta op, neem uw rust­bed op, en wandel!» En dadelijk was de man genezen, nam zijn bed op, en liep! Zo is Jezus hier beneden gekomen, om zelf alles te doen, wat nodig is, om machte-lozen en verlorenen te redden. Het Woord van Gods Zoon is voldoende, om de kracht te geven, die aan elk zondaar volkomen ont­breekt.

De Joden dan zeiden tot de genezene: Het is sabbat, en het is u niet geoorloofd uw rustbed op te nemen. Maar hij antwoordde hun: Hij die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft tot mij gezegd: Neem uw rust­bed op en wandel. Zij vroegen hem dan: Wie is de mens die u heeft gezegd: Neem uw rustbed op en wandel? Maar de genezene wist niet wie het was; want Jezus was ontweken, omdat er een menigte op die plaats was. Daarna vond Jezus hem in de tempel en zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet iets ergers overkomt. De man ging weg en berichtte de Joden dat het Jezus was die hem ge­zond had gemaakt. En daarom vervolgden de Joden Jezus, omdat Hij deze dingen op sabbat deed. Maar Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe en Ik werk ook. Daarom dan trachtten de Joden des te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen de sabbat brak, maar ook God zijn eigen Vader noemde, zodat hij Zich aan God gelijk maakte.

Toen Jezus kwam was Bethesda niet meer nodig. Want Gods Zoon was tot Zion ge-komen als de voortdurende bron van genezing en kracht. Hij kwam daar gedurende een feest, en daaraan werd in die tijd strikt vast­gehouden. Bethesda was, met al die zieken één grote kreet om hulp en om zulk een Geneesheer. Toen Jezus daar kwam, en de wanhoop ont­moette van de man die Gods ontferming wel wilde maar de kracht niet had om aan de eisen tot genezing te voldoen, voor wie er ook geen menselijke hulp was, genas hij de verlamde en liet ook blijken dat met Bethesda, de betekenis van de sabbat, waarop ze zich zo beroemden, verdwenen was. Het is te begrijpen dat Israël zo’n punt van godsdiensti­ge roem en glorie als de sabbat was, niet wilde laten glippen. „Daarom vervolgden de Joden Jezus, en trachtten hem te doden, omdat hij deze dingen op de sabbat deed.” (v. 16). Ook had Jezus de beroemde vijver van Bethesda eigenlijk overbodig gemaakt met de woorden „wilt gij gezond worden?” Wat betekende: „Wilt ge Uw vertrouwen in dat water vervangen door vertrouwen in mij?” Wilde hij het nu alléén van Jezus verwachten en niet van de ingewikkelde eisen in verband met de vijf zuilengangen en het ondraaglijke juk van de wet van Mozes? Alle enge­len, alle helpers, rivalen, en het water zelf, dat alles bracht alleen maar onzekerheid, terwijl Jezus ogen­blikkelijk de absolute zekerheid van genezing aanbood. Voorzeker, deze vijver behoorde tot de arme en el­lendige eerste beginselen van een voorbije tijd. Want er was een heer­lijkheid waarbij dat alles vol­komen in het niet viel. Zo was het met de tabernakel, met de tempel, het „werelds heiligdom” en alles waarin de wet eens voorzien had. Het was alles machteloos en armzalig. Wel waren ze beelden van Hem die komen moest, maar de beelden konden verdwijnen nu het waarachtige Licht zelf was gaan schijnen. Wat een menigte teleurgestelde machtelozen lag daar bij dat water bij de Schaaps­poort, terwijl toch de Zoon van God allang van plaats tot plaats ging om al zulke behoeften weg te nemen. De vijver was populair maar Jezus was in feite verworpen. Men zocht Bethesda op, maar Jezus moest behoeftigen één voor één opzoeken. Dat is wel een treurig beeld van de godsdienst van de mens. Allerlei ceremoniën, ingewik­keld en machteloos, trekken grote menigten, maar de genade van God, die kwam met eeuwig behoud, wordt veracht en verworpen. Dat op zichzelf is een beeld van onze hopeloos slechte en duistere natuur.

Als ik van Mijzelf getuig, is mijn getuigenis niet waar. Er is een ander die van Mij getuigt, en Ik weet dat het getuigenis dat Hij van Mij getuigt, waar is. U hebt naar Johannes toegezonden en hij heeft van de waarheid getuigd. Ik neem echter niet het getuigenis van een mens; maar Ik zeg dit, opdat u behouden wordt. Hij was de bran-dende en schijnende lamp, en u hebt zich voor een tijd in zijn licht willen ver­heugen. Ik heb echter het getuigenis dat groter is dan dat van Johan­nes; want de werken die de Vader Mij heeft gegeven om ze te volbrengen, die werken zelf die Ik doe, getuigen van MIJ dat de Vader Mij heeft gezonden. En de Vader die Mij heeft gezonden, Die heeft van Mij getuigd. u hebt noch zijn stem ooit gehoord, noch zijn gedaante gezien, en zijn woord hebt u niet blij­vend in u, omdat u Hem niet gelooft die hij heeft gezonden. U onderzoekt de Schriften, omdat u meent daarin eeuwig leven te hebben; en die zijn het die van Mij getuigen; en (toch) wilt u tot Mij niet komen opdat u leven hebt. Eer van mensen neem IK niet aan; maar Ik ken u, dat u de liefde van God niet in uzelf hebt. Ik ben gekomen in de naam van mijn Vader en u neemt Mij niet aan; als een ander komt in zijn ei­gen naam, die zult u aannemen. Hoe kunt u geloven, u die eer van el­kaar aanneemt en niet de eer zoekt die van de enige God (komt)? Meent niet dat Ik u bij de Vader zal aanklagen; hij die u aanklaagt is Mozes, op wie u uw hoop gevestigd hebt. Want als u Mozes geloofde, zou u MIj geloven, want hij heeft over Mij geschreven. Maar als u zijn geschriften niet gelooft, hoe zult u mijn woorden geloven?

De Heer Jezus heeft vier getuigenissen aangehaald, die zijn heerlijk­heid als Zoon van God, zoals die hierbeneden aan de mensen werd voorge­steld, bevestigen. Allereerst haalt hij het getuigenis van Jo­hannes de Doper aan «Gij hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft aan de waar­heid getuigenis gegeven». (Joh. 5:33)

Tegenover de uitgedrukte wil der Joden, om hem niet als Zoon van God te erkennen, beroept Jezus zich allereerst op het getuigenis van Johan­nes de Doper. Niet, omdat hij een menselijk getuigenis voor Zijn eigen eer wilde gebruiken maar hij herinnert aan het woord van de grootste der profeten, teneinde mensen te redden. Johannes had aan de Joden geantwoord, dat hijzelf de Christus niet was, en had daarna gezegd, dat Jezus de Zoon van God en het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, was. En nu legt Jezus op zijn beurt getuigenis aangaande Johannes af: «Hij was de brandende en schij­nende lamp; en gij hebt u voor een tijd in zijn licht willen verheugen». Ten tweede spreekt hij over de werken, die hij hierbeneden heeft gedaan, en die van zijn goddelijke kracht getuigen.

Wat Jezus volbracht, kon niemand volbrengen. Slechts God kon zieken genezen, do-den opwekken, water in wijn veranderen. Zijn wonderen en tekenen waren het bewijs, dat Jehova in het midden van zijn volk was in de persoon van Zijn Zoon. Aan het einde van zijn evangelie schrijft Jo­hannes, dat de wonderen die hij beschreven heeft, dienen om de lezer te brengen tot het geloof in de Zoon.

Ten derde spreekt Hij van het getuigenis, dat de Vader zelf deed horen. Aan de Jor-daan, toen Jezus door Johannes gedoopt was, werd de hemel geopend. De heilige Geest Gods daalde neder als een duif en kwam op Hem (Math. 3, 17). De hemelen werden geopend en de stem van de Vader richtte zich tot Zijn geliefde Zoon op aarde. De stem was teder en vol liefde. Het was niet de stem der woorden op Sinaï, die eens de aarde deed sidderen en de hoorders verschrikte. (Hebr. 12:26) Neen, het was de stem van de Vader, die zijn oneindig welbehagen uitdrukte en zei: «Deze is mijn geliefde Zoon, in wie ik mijn welbehagen gevon­den heb.” Dit was een getuigenis groter dan dat van Johannes, en ongetwijfeld het grootste der vier.

Ten vierde beroept Hij zich op de Heilige Schriften die van Hem getui­gen. Het grote onderwerp der Heilige Schrift is de Zoon van God. Bewe­ren, het Woord van God te bezitten en te kennen en toch Chris­tus als Zoon van God verwerpen, is vals getuigen.

Jezus dan antwoordde en zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: de Zoon kan niets doen van Zichzelf, tenzij Hij de Vader iets ziet doen; want alles wat Die doet, dat doet ook de Zoon evenzo. Want de Vader heeft de Zoon lief en toont Hem alles wat Hijzelf doet; en Hij zal Hem grotere werken tonen dan deze, opdat u zich verwondert. Want zoals de Vader de doden opwekt en levend maakt, zo maakt ook de Zoon levend wie Hij wil. Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft heel het oordeel aan de Zoon gegeven, opdat allen de Zoon eren, zoals zij de Vader eren. Wie de Zoon niet eert, eert de Vader niet die Hem heeft gezonden. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie mijn woord hoort en ge­looft Hem die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in (het) oordeel, maar is uit de dood over­gegaan in het leven. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zul­len leven. Want zoals de Vader leven heeft in Zichzelf, zo heeft Hij ook de Zoon gegeven leven te hebben in Zichzelf; en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij (de) Mensenzoon is. Verwon­dert u hierover niet, want er komt een uur dat allen die in de graven zijn, zijn stem zullen horen en zullen uitgaan: zij die het goede hebben gedaan tot (de) opstanding van (het) leven, en die het kwade hebben bedreven tot (de) opstanding van (het) oordeel. Ik kan van Mijzelf niets doen; zoals Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, omdat Ik niet mijn wil zoek, maar de wil van Hem die Mij heeft gezonden.

Het grote werk dat de Vader aan Jezus gegeven had is om het eeuwig leven te geven aan allen die in de Vader en de Zoon geloven. Maar voor allen die dit verwerpen, blijft er alleen het eeuwig oordeel over. De Vader wekt de doden op, en in de opstanding van Jezus schuilt de ze­kerheid van het oordeel over de wereld die Hem kruisigde: „De Vader heeft het oordeel aan de Zoon gegeven.” Er bestaat geen verontschuldi­ging, want om gered te worden zijn er geen andere eisen als het gelovig aanvaarden van de verlossing: „Voorwaar, voor­waar, ik zeg u; wie mijn woord hoort en gelooft Hem die mij gezonden heeft, die heeft het eeu­wige leven en komt niet in het oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven.” (v. 24) Dit is een geestelijke opstanding, want ieder die nu gelooft, is niet meer dood in zonde en misdaden maar heeft het eeu­wige leven en er is voor hem geen sprake meer van een toekomstig oordeel. Daarna spreekt de Heer over de toekomstige opstanding van de lichamen der mensen. Als Jezus komt voor de gelovigen, zullen alle lichamen der gestorven gelovigen opstaan uit hun graven maar de li­chamen der ongelovigen zullen in hun graven blijven tot na het duizendjarig rijk. Tussen de opstanding der rechtvaardigen en die van de bozen ligt dus een tijd van duizend jaar.

JEZUS CHRISTUS ALS RECHTER    DE RECHTERSTOEL VAN CHRISTUS

In het licht van de toekomstige rechterstoel wordt het geweten geoe­fend in Gods licht. Wanneer Christus zijn gemeente komt opnemen, zullen de in het geloof ontslapenen opstaan, en wij zullen veranderd worden en de Heer tegemoet gaan. In verheerlijkte, geestelijke licha­men zullen we dan geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, bekleed met Christus’ gerechtigheid. Dan zal ons de onein­digheid van Gods genade openbaar worden, die niet alleen ons gered heeft, maar te mid­den dezer wereld, ons geleid heeft tot deze heer­lijkheid. Laat ons meer aan Christus’ rechterstoel denken, opdat wij een volkomen loon en een onvergankelijke kroon mogen ontvangen. Paulus zelf was daar verze­kerd van: „Voorts is mij weggelegd de kroon der gerechtigheid, welke mij de Heer, de rechtvaardige Rechter, in die dag geven zal; en niet alleen aan mij, maar ook aan allen, die zijn verschijning liefhebben.” (2 Tim. 4:8)

HET GERICHT DER VOLKEN

”Maar wanneer de Zoon des mensen komen zal in zijn heerlijkheid, en al de engelen met hem, dan zal hij zitten op de troon zijner heer­lijkheid; en voor hem zullen al de volken vergaderd worden; en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt.„(Math. 25:31-33,40)

Dit oordeel der natiën zal plaats vinden, wanneer Christus als Koning der koningen zijn vijanden zal vernietigd hebben en op zijn troon zal gezeten zijn; het is het oordeel der dan levende volken op aarde. De uitvoerige beschrijving in de verzen 31-46 van het vijfentwintigste hoofdstuk van Mattheus stelt ons vier groepen van personen voor: aller­eerst de Heer, de Zoon des Mensen of de koning, vervolgens de broe­ders, de schapen en bokken. De broeders zijn de bekeerde Joden, die het evangelie van het koninkrijk zullen prediken tijdens de grote ver­drukking. Dit evangelie van het koninkrijk zal gepredikt wor­den als getuigenis aan alle volken, daarna zal het einde dezer eeuw komen. (Matth. 24:14). Deze prediking en de ontvangst der predikers door de verschillende volkeren is een beproeving, waarvan het resul­taat zal geopenbaard worden voor de troon van de Zoon des Mensen op aarde.

DE GROTE WITTE TROON

”En ik zag een grote witte troon, en Degene die daarop zat, voor wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geen plaats is voor die gevonden. En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit het­geen in de boeken geschreven was, naar hun werken. En de zee gaf de doden die in haar waren; en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld een ieder naar hun werken. En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur; dit is de tweede dood, de poel van vuur. En als iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd gewor­pen in de poel van vuur„(Openb. 20:11-15).

Er zal een oordeel der levenden en een oordeel der doden plaats hebben en die twee zullen van elkaar gescheiden zijn door een perio­de van duizend jaren. De gelovigen, die deel hebben aan de eerste opstan­ding, zullen geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus voor de aanvang van het duizendjarig rijk. De andere doden zullen niet op­staan, totdat de duizend jaren zullen voorbij zijn. Allen, die niet geloofd hebben, zullen dan tot het oordeel der doden opge­wekt worden. De grote witte troon is de gerichtsplaats der doden. Christus zelf zal Rechter zijn op deze voor de ongelovigen zo afgrijse­lijke dag.

DE ANTI-CHRIST

Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen.

In de verzen 41-47 hebben we in beginsel het oordeel van de Heer Je­zus over de Joden en de hele mensheid, en dat is, dat zij Hem die van Godswege als wereldheerser is gezalfd, verworpen hebben en in een nabije toekomst de Antichrist zullen verwelkomen. In de verzen 11-18 van Openbaring 13 hebben we de beschrijving van de valse profeet, de godsdienstige antichrist. Met zijn duivelse kunsten zal hij de Romeinse dictator door het volk doen aanbidden. Om allen daartoe te dwingen zal hij een merkteken invoeren, het teken van het beest, met het symboli­sche getal 666. De mens bestaat uit geest, ziel en lichaam en waar 7 het goddelijke getal is, daar is 6 het getal van de uiterste prestaties van de mens, wat de wetenschap betreft prestaties van de geest, wat de ziel betreft prestaties in de kunst, wat het li­chaam betreft prestaties in de sport. De drie zessen zijn het symbool van het feit dat de mens zichzelf tot God verklaart. Dit zal samengaan met de volledige verdwijning van elk moreel besef of geweten bij de goddeloze bewoners dezer aarde. Dan zal er een satanische drie-een­heid zijn. Satan die god wil zijn, de Romeinse dictator die Messias wil zijn en de valse profeet die de kracht van de Heilige Geest nabootst.

Hoe kunt gij tot geloof komen, gij, die eer van elkander behoeft en de eer, die van de enige God komt, niet zoekt?

De Joden zochten menseneer. Wat aan Jobs volmaaktheid ontbrak was, dat hij grote waarde hechtte aan zijn welvaart en vooral aan de wijze waarop hij door de mensen hooggeacht werd. (Job 29). Daarom moest God hem beproeven. De weg naar het eeuwig verderf is bege­leid door de eer en de hoogachting van de mensen. Want diezelfde mensen minachten de Zoon van God.

HOOFDSTUK 6: HET BROOD VAN HET LEVEN

Daarna vertrok Jezus naar de overkant van de zee van Galiléa (of) van Tiberias. En een grote menigte volgde Hem, omdat zij de tekenen zagen die Hij deed aan de zieken. En Jezus ging de berg op en ging daar zit­ten met zijn discipelen. En het pascha, het feest van de Joden, was nabij. Toen nu Jezus de ogen opsloeg en zag dat een grote menigte naar Hem toe kwam, zei Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, opdat deze eten? Dit nu zei Hij om hem op de proef te stellen; want Hij wist Zelf wat Hij zou doen. Filippus antwoordde Hem: Voor tweehonderd denaren broden is voor hen niet genoeg dat ieder een klein beetje krijgt. Eén van zijn discipelen, Andréas, de broer van Simon Petrus, zei tot Hem: Hier is een jongen die vijf gers­tebroden en twee vissen heeft, maar wat is dat op zovelen? Jezus zei: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. Dus gingen ze zitten, de mannen onge­veer vijfduizend in getal. Jezus dan nam de broden, en toen Hij gedankt had, verdeelde Hij ze onder hen die daar zaten; op gelijke wijze ook van de vissen, zoveel zij wilden.

De Heer zegt van zichzelf in dit evangelie:

Ik ben het Brood des levens, Joh. 6:35

Ik ben het Licht der wereld, Joh. 8:12 - 9:5

Ik ben de Deur, Joh. 10: 7-9

Ik ben de Goede Herder, Joh. 10: 11

Ik ben de Opstanding en het Leven, Joh. 11:25

Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven, Joh. 14: 6

Ik ben de Ware Wijnstok, Joh. 15: 1.

HET BROOD DES LEVENS

Geen voedsel is zo nodig en zo algemeen als brood; geen zielevoed­sel is zo onontbeerlijk als Christus. De mensheid heeft zielehonger, en Christus komt haar tegemoet, teneinde al haar behoeften te stil­len. Maar om van voedsel profijt te trekken, moet men het eten en verteren. Met de grootste wetenschappelijke kennis aangaande de samenstelling van brood zal iemand van honger sterven, als hij geen brood eet. Een verstandelijke kennis der christelijke dogma’s verleent het leven niet, maar het geloof ontvangt Christus persoonlijk en blijft zich met Hem voeden. Wie eten wil, moet eerst erkennen, honger te hebben. Zo is het ook in het geestelijke: «Welgelukzalig, die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden». (Math. 5:6) De verlo­ren zoon had grote honger, en toen hij tot zichzelf kwam, zei hij: «Hoe veel huurlingen van mijn vader hebben overvloed van brood, en ik verga hier van honger!» (Luc. 15:17) Dat deed hem opstaan en terugkeren naar het vaderhuis, waar voedsel en overvloed hem wachtten. Brood bevat zoveel bestanddelen, dat een hongerig mens zich met een brood­maaltijd volkomen verzadigen kan. Christus voldoet aan alle behoeften der ziel. Wie zich met Hem voedt, zal nooit meer hongeren.

In het zesde hoofdstuk van Johannes zien we Jezus een grote menigte verzadigen, door enkele broden te vermenigvuldigen. Dit wonder neemt de Heer als uitgangspunt, om op geestelijke honger te wijzen. De be­geerlijkheid van het natuurlijke hart is onverzadigbaar. Satan en de wereld doen alles, om de natuurlijke verlangens te prikkelen, maar laten in de menselijke ziel een pijnlijke leegte achter. Als nu Jezus in een leven komt, daalt er rust en voldoening in het hart, en in de mate, waarin men zich met Hem blijft voeden, verdwijnen de vle­selijke be­geerlijkheden. Christus wil, in zijn onderwijs, de Joden uit hun begeerte naar aardse zegeningen brengen tot geestelijke verlan­gens, maar het merendeel der Joden wil van dit onderwijs niets weten. Ze herinneren aan Mozes, die veertig jaren lang het manna uit de hemel deed neder­dalen, en stellen zich geen betere zegening voor. Het aandringen van Jezus op de noodzaak van het ware, geestelijke brood, dat uit de hemel daalt, heeft tot resultaat, dat velen Hem de rug toekeren.

Werkt niet om het voedsel dat vergaat, maar om het voedsel dat blijft tot in (het) eeuwige leven, dat de Zoon des mensen u zal geven, want Hem heeft de Vader, God, verzegeld. Zij zeiden dan tot Hem: Wat moe­ten wij doen, opdat wij de werken van God werken? Jezus antwoordde en zei tot hen: Dit is het werk van God, dat u gelooft in Hem die Hij heeft gezonden. Zij zeiden dan tot Hem: Welk teken doet U dan, opdat wij zien en U geloven? Welk werk doet U?

En de Heer gaat hier een stap verder, en wijst op de noodzaak van Zijn verzoenend sterven. Het is niet voldoende, om met bewondering Chris­tus’ aardse leven te be-schouwen. Men moet Hem eten, en men kan geen levend wezen eten dan na zijn dood. Christus heeft Gods oordeel over de zonde ondergaan. Hij gaf zijn leven. De vaderen, die het manna in de woestijn gegeten hadden, waren gestorven. Het levende brood was be­ter dan manna, omdat het eeuwig leven ver­schafte. Maar voor de Joden, die hier niet tot de geestelijke betekenis van deze gelijkenis doordron­gen, was het denkbeeld van het eten van het vlees van een mens zo afstotend, dat ze dit onderwijs verwierpen en weggingen. De Heer echter gaat voort: «Voorwaar, ik zeg u: tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en mijn bloed drinkt hebt gij geen leven in uzelf» (Joh. 6:53) Hij spreekt van het bloed, afge­scheiden van het vlees, en duidt zo op de noodzaak van Zijn sterven. God had de mens verboden, bloed te eten, omdat het leven in het bloed is, maar het geloof moet zowel het vlees van de Zoon des mensen eten als Zijn bloed drinken, om zich het leven van Christus toe te eigenen.

Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag. Want mijn vlees is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Zoals de levende Vader Mij heeft gezonden en Ik leef door de Vader, zo zal ook degene die Mij eet, leven door Mij. Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald; niet zoals de vaderen het manna hebben gegeten en gestorven zijn; wie dit brood eet, zal leven tot in eeuwigheid. Deze dingen zei Hij in (de) synagoge, toen Hij leerde in Kapernaüm.

Om het tweede resultaat van het «eten» van Christus uit te drukken, is een andere tijd voor het werkwoord gebruikt. Het is een tijd, die uit­drukt, dat de handeling steeds voortgaat. En het gevolg van deze wijze van «eten» is, dat men in gemeenschap met de Heer blijft. «Blijven in Hem» betekent steeds het onderhouden van de band der gemeenschap met Hem. Christus’ dood wordt hier dus anders voorge­steld als in het 54e vers: hier zien we onszelf in zijn dood met Hem vereenzelvigd. Vol­gens het 54e vers kan de gelovige zeggen: «Christus stierf voor mijn zonden», en volgens het 56e vers zegt hij: «Ik ben met Hen aan de zonde gestorven».. Als ik dus Christus op deze «eet», heb ik daarin de bevrijding van de zonde, de wereld en het vlees, en het geheim van een blijvende gemeenschap met Hem. De handeling van het eten van het vlees der offerdieren door de Joden was de uitdrukking van hun ge­meenschap met het altaar, en op het Pascha at iedere Israëliet het paaslam, welks bloed Israël tegen het oordeel beschermd had. Wanneer we ons met Christus voeden, hebben we deel aan Hem, d.w.z. gemeen­schap met de Vader en met de Zoon.

Velen dan van zijn discipelen die dit hadden gehoord, zeiden: Dit woord is hard, wie kan het aanhoren? Jezus nu wist bij Zichzelf dat zijn disci­pelen daarover mopperden, en Hij zei tot hen: Valt u hiero­ver? (Wat) dan, als u de Zoon des mensen ziet opvaren waar Hij tevoren was? De Geest is het die levend maakt; het vlees heeft geen enkel nut. De woor­den die Ik tot u heb gesproken, zijn geest en zijn leven. Maar er zijn sommigen onder u die niet geloven. Want Jezus wist van het begin af wie het waren die niet geloofden, en wie het was die Hem zou overleve­ren. En Hij zei: Daarom heb Ik u gezegd dat niemand tot Mij kan komen, tenzij het hem van de Vader gegeven is. Van toen af trokken velen van zijn discipelen zich terug en wandelden niet meer met Hem. Jezus dan zei tot de twaalf: Wilt u soms ook weggaan? Simon Petrus antwoordde hem: Heer, naar wie zullen wij toe gaan? U hebt woorden van eeuwig leven. En wij hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent. Jezus antwoordde hun: Heb Ik niet u, de twaalf, uitverkoren? En één van u is een duivel. Hij nu sprak van Judas Iskariot, (de zoon) van Simon; want die zou Hem overleveren, één van de twaalf.

Niet alleen is Christus in heerlijkheid opgenomen, maar de gelovige is in Christus in hemelse gewesten gezeten. De geestelijke Christen voedt zich niet alleen met de Christus der evangeliën, maar met de verheer­lijkte Christus, de hemelse mens.

HOOFDSTUK 7: JEZUS OP HET FEEST

En daarna wandelde Jezus rond in Galiléa; want Hij wilde niet in Judea rondwandelen omdat de Joden Hem trachtten te doden. Nu was het feest van de Joden, het loofhuttenfeest, nabij. Zijn broers dan zeiden tot Hem: Vertrek van hier en ga naar Judea, opdat ook uw discipelen uw werken aanschouwen die U doet; want niemand doet iets in het verbor­gen en tracht zelf openlijk bekend te zijn. Als U deze dingen doet, openbaar Uzelf dan aan de wereld. Want ook zijn broers geloofden niet in Hem. Jezus dan zei to hen: Mijn tijd is nog niet aangebroken; maar uw tijd is altijd bereid. De wereld kan u niet haten, maar mij haat zij, omdat Ik van haar getuig dat haar werken boos zijn. Gaat u op naar het feest, Ik ga nog niet op naar dit feest, omdat mijn tijd nog niet is ver­vuld. En nadat Hij dit tot hen had gezegd, bleef Hijzelf in Galiléa.

Na de tijd van het Pascha komen we nu in die van het Loofhutten­feest, waar de groot-ste blijdschap behoorde te heersen, omdat het sprak over de rust en de vreugde in het beloofde land onder de rege­ring van de beloofde Messias. De broeders van Jezus die als ongelo­vigen grote waarde hechtten aan populariteit en succes onder het volk dron-gen er bij de Heer op aan om van dit ogenblik gebruik te maken om uit Galiléa naar Jeruzalem te gaan en daar zijn kracht te openbaren, en zich zo een wereldnaam te verwerven. Zij waren en dachten als de wereld maar Jezus was niet van deze wereld; de aarde is een woonplaats voor onge­lovigen, maar Jezus was daar vreemde­ling.

Maar toen zijn broers waren opgegaan naar het feest, toen ging ook Hijzelf op, niet openlijk, maar als in het verborgen. De Joden dan zochten Hem op het feest en zeiden: Waar is Hij? En er was veel gemompel over Hem onder de menigten. Sommigen zeiden: Hij is goed; maar anderen zeiden: Nee, maar Hij misleidt de menigte. Toch sprak niemand vrijuit over Hem, uit angst voor de Joden.

STROMEN VAN LEVEND WATER

En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus daar en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, om­dat Jezus nog niet was verheerlijkt. Sommigen dan uit de menigte die deze woor­den hoorden zeiden: Deze is waarlijk de profeet. Ande­ren zeiden: Deze is de Christus. Weer anderen zeiden: Komt de Christus dan soms uit Galiléa? Zegt de Schrift niet dat de Christus komt uit het geslacht van David en van het dorp Bethlehem, waar David was?

Jezus bleef dus eerst in Galiléa en ging later in het verborgene naar het feest. Hij kwam er als vreemdeling die er niet bij behoorde. Het wordt hier geen feest des Heren meer genoemd maar een feest der Joden (v. 2). Jezus ging er heen om te onder-wijzen, maar zodra er teveel notitie van Hem genomen werd, trok hij zich terug. Mensen erkennen alleen maar wat in de scholen van mensen geleerd wordt en weige-ren datgene wat God aan de zijnen leert. Op dit feest, bedoeld te zijn tot eer van God eren zij alleen de mens. Daarop sprak Jezus tot hen over hun ongehoor­zaamheid aan de wet van Mozes, waardoor zij hun land verbeurd hadden en onder Babel, Perzië, Griekenland en nu onder Rome kwamen. God had overvloedig regen beloofd voor een vruchtbaar land maar alles was dor en dood. Ze had­den de bron van levend water, God verlaten, en zich waterbakken gemaakt, die zo lek waren dat ze geen water bevatten. Daarom spreekt de Heer Jezus hun van het levend water dat zou komen door de nederdaling van de Heilige Geest voor allen die geloofden.

In de hof van Eden was er een stroom zodat de plantengroei overvloe­dig was en bui-ten de hof splitste deze stroom zich in vier rivieren, die sym­bolisch de vier evangeliën voorstellen. Ook in het koninkrijk van Christus zal er een stroom ontspringen in het heiligdom en vandaar uit alle wateren gezond maken.”De stroom van God is vol van water„. Dan zal het loofhuttenfeest met grote vreugde gevierd worden. Maar nu leven we in een tijd dat de mensen dorsten naar allerlei begeerte met een dorst die door deze wereld nooit gelest kan worden. Reeds had Jezus aan de Samaritaanse water beloofd en wie dat zou drinken zou geen dorst meer hebben. Door de gave van de Heilige Geest werd een onuitputtelijke bron geopend voor ieder die gelooft, zodat ieder, die als een hinde of hert schreeuwt naar waterstromen, deze bij Je­zus vinden kan. Zo kunnen we vervuld worden door de Heilige Geest en dat geeft kracht voor de prediking van de blijde boodschap in een dorre wereld. De verheerlijkte Christus heeft als Hoofd van Zijn ge­meente gaven gegeven en uit Zijn volheid kunnen wij grenzeloos put­ten. De Heilige Geest geeft een voorsmaak van de toekomstige vreugde. Helaas bleven de Joden doof voor deze boodschap, en gin­gen naar hun huizen terug zoals ze gekomen waren, terwijl Jezus naar de Olijfberg ging. Hierop scholden de Joden de Heer voor een Samaritaan en voor een van de duivel bezetene uit, en Jezus beves­tigde zijn eeuwige Godheid met de woorden:”Vóór Abraham werd, ben ik.„Ze wilden hem toen stenigen maar Jezus verborg zich en ging uit de tempel.

Door de Zoon die de waarheid is, worden we bevrijd en zijn we dicht bij de Vader zoals Jezus dicht bij zijn Vader is. Wij maken deel uit van het huis van God. Laat ons denken aan hoe het in zulk een huis be­hoort te zijn. De wedergeboorte van zondaars is een werk van Gods Geest in hun hart. Voorts hebben we in Johannes 4 de gave van de Heilige Geest: Gods Geest komt wonen in gelovigen die daardoor verzekerd zijn van het bezit van het eeuwig leven. In hetzelfde hoofdstuk lezen we over aanbidding in Geest en waarheid, en inder­daad aanbidding springt als een fontein op uit het hart naar Hem die boven is. In Johannes 7 hebben we geen springende fontei-nen maar waterstromen en dat is het getui­genis temidden van de woestijn dezer we-reld waar het water des levens om niet wordt aangeboden.

HOOFDSTUK 8: DE OVERSPELIGE VROUW

En ’s morgens vroeg kwam Hij opnieuw in de tempel, en al het volk kwam tot Hem; en hij ging zitten en leerde hen. En de schriftgeleer­den en de farizeeën brachten bij hem een vrouw, op overspel betrapt. En zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt op overspel. Nu heeft Mozes ons in de wet gebo­den zulke vrouwen te stenigen; u dan, wat zegt U? En dit zeiden zij om Hem te verzoeken, opdat zij Hem konden aanklagen. Maar Jezus bukte neer en schreef met zijn vinger op de grond. En toen zij Hem bleven vragen, richtte Hij Zich op en zei tot hen: Wie van u zonder zonde is, laat die het eerst een steen op haar werpen. En opnieuw bukte Hij neer en schreef op de grond. Maar toen zij dit hoorden, gingen zij weg, één voor één, te beginnen bij de oudsten tot de laatsten toe; en hij werd alleen gelaten, en de vrouw die in het midden stond. En Jezus richtte Zich op en zei tot haar: Vrouw, waar zijn? Heeft niemand u veroordeeld? En zij zei: Niemand, Heer. En Jezus zei tot haar: Ik veroordeel u ook niet; ga heen, zondig voortaan niet meer.

Waar Gods Woord ons leert dat Israël nog nooit in de rust is gekomen, (Hebr. 3 en 4) beseften de Joden dat absoluut niet. Niet alleen waren ze in slavernij onder het juk van Rome tengevolge van hun voortdu­rende ongehoorzaamheid aan de wet, maar toen de Zoon van God gekomen is, toonden ze hoezeer ze onder de macht van de duivel waren door Hem te verwerpen. Om Jezus aangaande zijn onderwor­penheid aan de wet te beproeven brachten ze een overspelige vrouw tot hem. Hun bedoeling was, hem van ongehoorzaamheid aan de wet te beschuldigen. Maar hier bemerken we, welk een triomf de genade over de wet, en de geredde zondaar over zijn aanklagers zou behalen. De Heer zegt niet, dat de wet niet van kracht is, en ook verklaart Hij zelf de overspeelster niet on­schuldig, integendeel, want de waarheid geeft bewijs van de schuld van de zondaar, ze is zondares en de wet had recht haar te veroordelen. Maar wie was er, die het vonnis van de wet kon uitvoeren? Wie zou de eerste steen werpen? Een vraag die zinvol en redelijk was. De zondaar is schuldig, en Satan klaagt hem aan, de wet veroordeelt, maar waar is de uitvoerder van het vonnis? Jezus alleen had op dat ogenblik de heiligheid, het gezag en de kracht, om het vonnis te voltrekken. Want zonde brengt het vonnis van Gods gerechtigheid over de schuldige, en behalve de Heer Jezus was er niemand die heilige handen genoeg had, om in gerechtigheid de steen te werpen. Maar Jezus zelf weigerde, als de enige die zonder zonde was, om die eerste steen te werpen. Hij weigert om het proces verdere voortgang te verlenen. In plaats daarvan boog Hij zich en schreef wat op de grond, want Hij wilde geen president zijn van een gerechtshof om zondaars te doen vonnissen. Hij was niet gekomen om te oordelen maar om te redden.Maar dan dringen zij aan en dan antwoordt Hij, dat als ze de wet dan toch willen gebruiken, ze zich maar zelf aan het oordeel van de wet moeten onderwerpen, en dan openbaart zich aan hun geweten iets van de vurige berg van Sinaï en wordt de plaats veel te heet voor hun voeten. Jezus laat iets horen van de donder en bliksems die geen zondaar kan doorstaan. Zoiets hadden ze niet verwacht. Jezus toonde dat Hijzelf de God van Sinaï was en zowel de beschuldigde als de beschuldigers beefden voor zulk een heilige berg.”Laat God toch niet met ons spreken„had Israël bij Sinaï gezegd. (Ex. 20) en op dezelfde wijze, toen Jehova wederom sprak in Jezus, werd hun geweten zo onrustig dat ze afdropen.”Wie van u zonder zonde is laat die het eerst de steen op haar werpen„. . .”Maar toen zij dit hoorden, gingen zij heen, de één na de ander, te beginnen bij de oudsten tot de laatste toe; en Jezus werd alleen gela­ten met de vrouw die in het midden stond.„Nadat Jezus zich geopen­baard had als de God van Sinaï, daar openbaart Hij zich nu als de Redder van zondaars. De vrouw had een vaag besef dat dit zo was, en was met vertrouwen en zonder hun angst aan de voeten van Jezus gebleven. Ze had al eerder gehoord van de genade, die er van de woorden en daden van Jezus uit­ging, en waar de natuurlijke mens zich van de Heilige en Waarachtige verwijderde, daar durfde zij blij­ven bij de genade van een Heiland. En zo hoorde ze de zachte stem der ontferming”Vrouw, waar zijn zij, uw beschuldigers? Heeft nie­mand u veroordeeld? En zij zei: Nie-mand Heer. En Jezus zei tot haar: Dan veroordeel Ik u ook niet; ga heen, zondig voortaan niet meer.„

HET LICHT VAN DE WERELD

Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.

Het licht, waarvan sprake is, als God «Licht» wordt genoemd is geeste­lijk en beschrijft Gods zedelijk karakter, Zijn volmaakte rein­heid, heiligheid en rechtvaardigheid. De apostel Johannes brengt de bood­schap, dat God «Licht» is. In zijn evangelie komt Gods liefde het meest op de voorgrond, omdat het zich richt tot verloren zondaars, maar in de brieven is God allereerst «Licht», en dan pas «Liefde», omdat de brieven zich richten tot Gods kinderen, die vooral tot een heilige wandel, of tot een «wandel in het licht» vermaand moeten worden.

In vroegere tijden, toen God zich op Sinaï openbaarde, was Hij om­ringd van wolken en dikke duisternis. Het goddelijk licht was ontoe­gankelijk voor de zondige mens. Het bedreigde met de dood allen, die tot God hadden durven naderen. Maar het Nieuwe Testament bood­schapt ons Gods genade, en op die grond wordt God als Licht voorge­steld en de gelovigen worden geroepen tot gemeenschap met Gods volmaakte heilig-heid, Zijn afzondering van alle zonde en Zijn hemelse reinheid.

Het is voor vele mensen niet moeilijk, om van een God die «Liefde» is, te spreken. Maar het menselijk hart is arglistig, en opdat nu Gods liefde niet als voorwendsel voor zonde gebruikt wordt, getuigt de apostel, dat God «Licht» is, een brandende naam, die op de absolute reinheid van Gods natuur wijst. In werkelijkheid sluit de naam «Liefde» ook het «Licht» in, want ware liefde verdraagt noch veront­schuldigt de zonde. En zo worden als Gods kinderen beschouwt die­genen, die in het licht wan­delen, in gemeenschap met een heilig en vlekkeloos God.

Dit leven is het «licht der mensen». Het was geen licht voor de enge­len, hoewel God «Licht» voor allen is. Maar toen in Christus het licht geopenbaard werd, paste het zich niet aan engelen, doch aan mensen aan: «mijn vermaak is met de mensen-kinderen» (Spr. 8:31)

In de natuurlijke dingen sluit het licht de duisternis uit, maar in de zedelijke wereld kan het licht tegenwoordig zijn zonder in de duister­nis door te dringen. Er zijn mensen, die niets van zijn stralen bemerkt hebben. In het menselijk hart is er noch kennis van God, noch kennis van de zondige toestand, waarin we verkeren. De mens vergelijkt zich met andere zondaars, en houdt er niet van, zich met een heilig God te vergelijken. De mens verzet zich tegen de lichtstralen, die zijn hart binnendringen, en daar het kwaad blootleggen willen. Egoïsme en trots maken, dat men zijn hart sluit, en zo blijft men in een vicieuse cirkel van leugens en illusies leven.

Toen de Heer in de wereld kwam, was Hij als een lamp; God had Hem hier neder-gezet, en had Hem op zodanige wijze onderscheiden, dat allen zijn licht konden zien schijnen. Maar opdat het stralende licht zijn uitwerking uitoefent, is voor hen, die het zien, een eenvou­dig oog, het oog van het geloof nodig. Dat is een oog, dat zich in alle eenvoud en zonder redenering op Jezus vestigt. Het ongeloof is niet eenvoudig, maar redeneert. Als het oog boos is, kan men Christus niet ontvangen en blijft de hele ziel in de duisternis. Maar zij, die het licht ontvangen, worden zelf licht. «Gij zijt het licht der wereld». (Matth. 5:14) Opdat dit licht zich helder en duidelijk openbaart, moet het eerst diep in het wezen van de gelovige doordringen. Als deze innerlijke werking uitblijft, wat bij vele belijdende Christenen het geval is, dan kunnen er wel enige uiterlijke kente-kenen zijn, doch zonder waar geloof en zonder nieuw leven. En weldra omringt de duisternis opnieuw zulk een ziel, en stort ze in een blijvende, eeuwi­ge nacht. Daarom geeft de Heer deze waar­schuwing: «Zie dan toe, dat niet het licht, dat in u is, duisternis is». (Luc. 11:35)

De wereld heeft het licht, toen het in al zijn schoonheid hier op aarde in de volmaakte Mens Christus verscheen, verworpen. Maar te mid­den van deze in duisternis gewikkelde wereld hebben de kinderen van het licht tot taak en voorrecht, Gods licht te openbaren. Om altijd vol licht te zijn, moeten we het oog steeds eenvoudig op de Heer gevestigd houden.

ABRAHAMS KINDEREN

De Joden antwoordden en zeiden tot Hem: Zeggen wij niet terecht dat U een Samaritaan bent en een demon hebt? Jezus antwoordde: Ik heb geen demon, maar Ik eer mijn Vader en u onteert Mij. Maar Ik zoek mijn heerlijkheid niet; er is Eén die haar zoekt en oordeelt. Voorwaar, voor­waar, Ik zeg u: als iemand mijn woord bewaart, zal hij de dood geenszins aanschouwen tot in eeuwigheid.

Jezus had aan de Joden nu alles wat hun noodzakelijk was verkon­digd en had dit begeleid met machtige wonderen, maar ze hadden zijn leer en hemzelf verworpen. Hier onderhoudt de Heer hen over deze verwerping van zijn woord. Hij was in hun midden gekomen om genade te openbaren, en niet om te veroordelen. Maar zij hielden vast aan de wet en aan hun afstamming van Abraham, en dit alles was gods-dienst voor de natuurlijke onbekeerde mens. Het vlees beroemt zich op aller­lei dingen als intelligentie, rijkdom, schoonheid, kracht en aardse macht, en zo wil het zich ook graag beroemen op gods­dienst. Allereerst legt men dan de nadruk op allerlei moeilijke plichten die men te ver­vullen heeft en daarna toont men dat de voor­vaders dat ook deden, en dat men ijvert voor handhaven van die tradi­ties en dat men van vernieu­wing niets wil hebben. Dit was waar voor de Joden, maar is het ook voor de heidenen, en niet minder voor de belijdende traditionele Christen­heid. Waarachtig geloof begint daar, waar God in contact treedt met ons geweten en ons hart, en dan moet onze eerste reactie wel zijn, dat we in al onze verplichtingen gefaald hebben. En dan blijft er alleen maar vergevende genade over en dat bracht Christus door zijn werk. In dit achtste hoofdstuk van Johannes vinden we het effect, dat deze leer van Christus op de natuurlijke mens heeft. De Joden waren inderdaad de afstammelingen van Abra­ham, maar geestelijk bleven ze schromelijk bij hem achter omdat ze zijn geloof niet hadden. Maar ze legden alle na­druk op hun geslachtsregister, en durfden zich nog een vrij volk noemen hoewel ze door de Romeinen geknecht waren. Ze volhardden in hun hoog­moed gebaseerd op vals vertrouwen op het vlees. De bedoeling van de Heer Jezus was om hen daarvan te bevrijden, want de godsdienst van de mens is allereerst slavernij aan een wet die niemand houden kan, en verder slavernij aan zonde en Satan.”Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: een ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde„(v. 34) Veel mensen zien wel de gevolgen van de zonde maar blijven onder het juk van de zonde. Men is verslaafd aan krachten die op het hart werken, en zo is de mens slaaf van zijn begeerte, van de wereld en van Satan. En de wet doet ons deze slavernij nog meer gevoelen. Is­raël was geroepen een huis voor God te zijn, maar door de wet waren zij slaven geworden en, zegt Jezus:”En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig„(v. 35) en als Gods Zoon ons niet bevrijdt, dan blijven we steeds onder de slavernij van de wet, die uiteindelijk ons onder het oordeel en de vloek plaatst.”Vervloekt is een ieder die niet blijft in alle dingen die in de wet beschreven zijn om die te doen.” Waar de wet van hen slaven maakt, en waar iedere meester het recht had een slaaf op elk ogenblik weg te zenden, waren ook deze Joden in dat gevaar. Maar een ieder die uit God ge­boren is, en kind of zoon van God, erkent wel dat de wet goed is en ons van zonde overtuigt, maar daarna erkennen we met dankbaarheid dat Gods genade ons van de wet bevrijdt. „Als dan de Zoon u zal vrij­maken, zult gij waarlijk vrij zijn.” (v. 36) “ . . Als gij in mijn woord blijft, zijt gij waarlijk mijn discipelen; en gij zult de waar­heid ver­staan en de waarheid zal u vrij maken.„(v. 3,32). Daarna leren we de gehoorzaamheid van Christus en Gods gerechtigheid. Maar zolang de mens zich door wetsbetrachten wil rechtvaardigen blijft hij eigenge­rechtig en heeft Gods gerechtigheid niet. De liefde van God begena­digt zondaars, die geloven. We kunnen nu tot God naderen niet op grond van wetswerken, maar op grond van het verzoeningswerk dat Jezus vol­bracht op het kruis. En door het geloof worden wij kinderen van God, met Hem verbonden door een liefdeband. Hij verwacht niets van ons en behandelt ons met liefde zoals een vader zijn kinderen behandelt. Het genot van onze vrijheid bestaat in het zich overgeven aan de zorg van onze geliefde Vader. En zulk een vrijheid heeft nooit een einde want, zegt Jezus:”De zoon blijft er eeuwig„(v. 35). En dit hangt niet af van onze werken, maar is door genade bevestigd voor de eeuwigheid. Nooit behoeven we dus bang te zijn dat we onze erfenis zullen verliezen, een angst te groter naarmate de erfenis rijker is. Wel kan het gebeuren, dat een kind mishaagd heeft aan zijn vader, en dan voelt het zich niet op zijn gemak, ook al verandert de liefde van de vader niet. Een gelovige die zondigt voelt zich ellendig omdat ons geweten zegt dat we onze geliefde Vader onteerden en Zijn Geest bedroefden. Het is dus ons voor­recht tot het huis van God te behoren en daar te blijven en onze Vader steeds beter te leren kennen en Zijn gemeenschap te genieten.

HOOFDSTUK 9: DE BLINDGEBORENE

En toen Hij voorbijging, zag Hij een mens, blind van de geboorte af. En zijn discipelen vroegen Hem aldus: Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat hij blind geboren werd? Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar de werken van God moeten in hem worden geopenbaard. Ik moet de werken werken van Hem die Mij gezonden heeft, zolang het dag is; de nacht komt wanneer niemand kan werken. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht van de wereld. Na dit gezegd te hebben spuwde Hij op de grond en maakte slijk van het speeksel en streek het slijk op zijn ogen en zei tot hem: Ga heen, was u in de vijver Siloam - wat vertaald wordt: uitgezonden. Hij dan ging weg, waste zich en kwam ziende terug. De buren dan en zij die vroeger had­den gezien dat hij een bedelaar was, zeiden: Is hij dat niet die zat te bedelen? Sommigen zeiden: Hij is het; anderen zeiden: Nee, maar hij lijkt op hem: Hoe zijn uw ogen dan geopend? Hij antwoordde en zei: de mens die Jezus heet, maakte slijk, bestreek mijn ogen en zei tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Dus ging ik weg, waste mij en kon zien. En zij zeiden tot hem: Waar is Hij? Hij zei: Ik weet het niet.

In het evangelie van Johannes wordt een grotere plaats gegeven aan deze blinde bedelaar, wiens naam zelfs niet vermeld is, dan aan enig ander persoon. De reden waarom dit verhaal in het negende hoofdstuk zo lang en gedetailleerd is, is dat hij niet alleen in Christus geloofde, maar geheel aan Zijn zijde ging staan tegenover een felle tegenstand. Waar de Heer Jezus in Johannes 8 wordt voorgesteld als het licht der we-reld, daar wordt in het negende hoofdstuk het bewijs van deze waar­heid gegeven. Daarom volbracht Hij het wonder waarbij Hij deze blindgeborene het daglicht deed aanschouwen, zoals in het elfde hoofdstuk, nadat Hij zich als de opstanding en het leven aan­kondigde, Hij dit bewees, door Lazarus uit de doden op te wekken. 

Op deze wijze vraagt Gods Zoon nooit om een waarheid te geloven, zon­der dat Hij eerst onomstotelijke feiten als grond voor geloof oplevert. De apostel Paulus geeft in 1 Kor. 15 zeven getuigenissen, op feiten berustend, om de waarheid van Christus’ opstan-ding te staven, en op grond daarvan de waarheid van de wederopstanding der gelovi-gen. Zo gaf de Heer Jezus aan Israël een overvloed van bewijzen, dat Hij inderdaad de beloofde Messias was, om daarna hen uit te nodigen in Hem te geloven. Toen de Heer Jezus met Zijn discipelen de blindge­borene ontmoette, vroegen de discipelen aan Hem:”Meester, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders; dat hij blind geboren werd?„(Joh. 9:2) Het antwoord van de Heer was:”Noch deze heeft gezon­digd, noch zijn ouders; maar dit is, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden„(v. 3) En toen Hij dit verklaard had, spuwde Hij op de grond en maakte met dit speek-sel modder, dat hij als zalf op zijn ogen aanbracht.”Zolang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld„. Daarna zei Hij tot de blinde:”Ga heen, was U in het badwater Siloam, wat „uitgezonden” betekent„. En inder­daad, na enige tijd kwam de blindgeborene ziende vandaar terug. Natuurlijk waren allen die hem kenden stomverbaasd en vroegen zich af:”Is dat niet die bedelaar die daar altijd zat?„Anderen trachtten een verkla­ring te vinden door aan een dubbelganger te denken. Het grote ge­heim van diens genezing was echter, dat hij in de Heer Jezus geloofd had, en precies deed wat Hij zei. De grote zegen van weer te kunnen zien had ook te maken met zijn direkt vertrek naar Siloam, want dit was een test voor zijn geloof, wat Paulus noemt:”gehoorzaamheid van het geloof„. (Rom. 1:5) We kunnen opmerken dat van alle blinden die genezen werden gedurende de omwandeling van de Heer op aarde, er niet twee op dezelfde wijze werden genezen. En zo zullen noch de beke­ring, noch de weg van gehoorzaamheid voor twee mensen precies het­zelfde zijn, omdat God Zijn eigen weg heeft met iedere persoon afzonderlijk. Daarom kan de klei niet tot de potten­bakker zeggen:”Waarom hebt gij mij zo gemaakt?„Aan alle omstan­ders ver-klaarde deze genezen blinde dat hij werkelijk tot nu toe de blinde bedelaar was geweest. En toen zij hem vroegen hoe hij zo genezen was, vertelde hij zijn geschiedenis zonder omhaal van woor­den:”Iemand genaamd Jezus, maakte slijk en bestreek mijn ogen, en zei tot mij: Ga heen naar Silo­am, was u. En ik ging heen en waste mij, en werd ziende.„(v. 11). Zon­der welsprekendheid vertelde hij precies wat hij ervaren had. Op deze wijze vertelde de apostel Paulus drie maal, zoals we dat in de Hande­lingen vinden, zijn bekeringsge­schiedenis. Er zit kracht in elk verhaal waarin een bekeerde vertelt hoe hij het eigendom van de Heer Jezus werd.

Zij brachten hem die vroeger blind was geweest, naar de farizeeën. Nu was het sabbat op de dag dat Jezus het slijk maakte en zijn ogen opende. Ook de farizeeën zeiden: Deze mens is niet van God, want Hij houdt de sabbat niet. Maar anderen zeiden: Hoe kan een zondig mens zulke tekenen doen? En er was verdeeldheid onder hen. Zij zeiden dan opnieuw tot de blinde: Wat zegt u van Hem, omdat Hij uw ogen heeft geopend? En hij zei: Hij is een profeet. De Joden dan ge­loofden niet van hem dat hij blind was geweest en kon zien, totdat zij de ouders hadden geroepen van hem die ziende was geworden. En zij vroegen hun aldus: Is dit uw zoon, van wie u zegt dat hij blind gebo­ren is? hoe kan hij dan nu zien? Zijn ouders dan antwoordden hun en zeiden: Wij weten dat dit onze zoon is en dat hij blind geboren is; maar hoe hij nu kan zien, weten wij niet; of wie zijn ogen heeft geopend, weten wij niet; vraagt het hemzelf; hij is volwassen, hij zal voor zichzelf spreken. Dit zeiden zijn ouders, omdat zij bang voor de Joden waren; want de Joden waren al overeengekomen dat, als ie­mand Hem als Christus beleed, hij uit de synagoge zou worden ge­bannen. Daarom zeiden zijn ouders: hij is vol­wassen, vraagt het hemzelf.

Nu was de dag waarop de Heer Jezus deze blinde genas een sabbat­dag, en de om-standers brachten hem naar de Farizeeërs die ook aan de genezen blinde vroegen, hoe hij weer ziende was geworden. En weer antwoordde hij onomwonden:”Hij legde slijk op mijn ogen en ik waste mij en kon weer zien„. (v. 15). Daar hadden ze nu natuurlijk een heel kommentaar op. Want iemand die de sabbat niet eerbiedigde was niet uit God maar was een zondaar. En hoe kon zulk een zondaar nu zulk een wonder verrichten? Er ontstond groot rumoer onder deze godsdienstige leraars, en weer gingen ze naar de blindgeborene en vroegen hem:”Gij wat zegt gij van Hem, daar hij uw ogen geopend heeft?„En hij antwoordde daarop direkt:”Hij is een profeet.„Inderdaad hadden profe­ten als Elia en Eliza grote wonderen gedaan. Dit stoutmoedige antwoord bracht hen in verlegenheid, en in hun tegen­stand gingen zij ontkennen dat de man ooit blind geweest was, nu bewerend dat hij nooit genezen was. Toen werd er voorgesteld dat men zijn ouders zou roepen en ze vroegen aan hen:”Is dit uw zoon, van wie u verklaart, dat hij blind gebo­ren is, en hoe komt het dat hij nu ziet?„Nu bleken deze ouders het ge­loof van hun zoon geheel te missen, zodat de moed, om iets ten gunste van de Heer te zeggen, hun ontbrak. Ze hadden mensenvrees, en waren bang dat ze door de Joden uit hun synagoge geworpen zouden worden. Ze zochten dus een uitvlucht en antwoordden:”Wij weten, dat deze onze zoon is, en dat hij blindgeboren is; maar hoe hij nu ziet, weten wij niet, of wie zijn ogen geopend heeft, weten wij niet; hij is meerderjarig, vraag het aan hemzelf; hij kan voor zichzelf spreken.„(v. 20,23) Op deze wijze toonden zij hun ongeloof, niet alleen in Jezus maar ook in de woor­den van hun zoon. In plaats van dankbaar te zijn, getuigden zij tegen Christus en tegen hun gelovige zoon.

Zo is de mens van nature in zijn vijandschap tegen God;”de gedachte van het vlees is vijandschap tegen God„. Wat een unieke gelegenheid hadden deze ouders niet om met hun zoon gezegend en gered te wor­den, maar ze misten moedwillig deze gelegenheid. Op bekrompen, aardse manier berekenden ze, dat een waarachtig getuigenis hun een plaats in de synagoge, wat eer van mensen, zou kosten en misschien wat geldelijke schade zou berokkenen, en die prijs vonden ze te hoog. Daarmee verspeelden zij hun eeuwig heil en Gods zegen, zelfs op aarde. Velen doen aan godsdienst, zolang ze uitrekenen kunnen, dat het hun voordeel brengt, maar moeten ze er wat dan ook voor opge­ven, wat plezier, wat geld of gezelligheid dan geven ze alles op. Van de smaad­heid van Christus moeten ze niets hebben. Na dit mager suksesje met de ouders gingen de Farizeeën verder om de blindgebo­rene te ontmoe­digen in zijn getuigenis voor Christus. Ze riepen hem terug en zeiden:”Geef God de eer; wij weten, dat deze mens een zondaar is.„(v. 24). Op deze kwasi-godsdienstige aanval antwoordde de blindgeborene moedig:”Of hij een zondaar is, weet ik niet, één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie.„(v. 25). Zijn vroegere le­vensweg stond hem nog levendig voor de geest. hoe hij als een ellen­dig blind bedelaar al tastend zijn weg door Jeruzalem moest vinden, soms geholpen door iemand die medelijden had, hoe hij nooit van de zon of de mooie natuur had kunnen genieten, terwijl zijn nieuwe leven een ongekend genot was, vergroot door de kennis van Jezus; en dit alles door genade! Zo behoort het bij elk gelovige te zijn. Onze herin­nering behoort ons de tijd, waarin we niet met God wandelden voor ogen te houden in kontrast met de rust en vrede die we door het ge­loof hebben. De blijde hoop op de wederkomst van Christus verving het jagen naar aards geluk en voorspoed. Ons geweten vond rust door de vergeving onzer zonden. Waar we vroeger slaven waren van Satan in een verloren gaande wereld, daar zijn we nu vrij om Gods volmaak­te wil te doen. Zodat iedere gelovige met deze blindgeborene kan en moet zeggen:”Een ding weet ik, dat ik eerst blind was en dat ik nu zie. . .„

Zij riepen dan voor de tweede keer de mens die blind was geweest en zeiden tot hem: Geef God heerlijkheid; wij weten dat deze mens een zondaar is. Hij dan antwoordde: Of Hij een zondaar is, weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was en nu zie. Zij zeiden dat tot hem: Wat heeft Hij u gedaan? hoe heeft Hij uw ogen geopend? Hij antwoordde hun: ik heb het u al gezegd, en u hebt niet geluisterd. Waarom wilt u het opnieuw horen? Wilt u soms ook zijn discipelen worden? En zij scholden hem uit en zeiden: U bent een discipel van Hem, maar wij zijn discipelen van Mozes. Wij weten dat God tot Mozes heeft gesproken, maar wij weten niet waar Deze vandaan is. De mens antwoordde en zei tot hen: Hierin is toch iets wonderlijks, dat u niet weet waar Hij vandaan is, en toch heeft Hij mijn ogen geopend. Wij weten dat God geen zon­daars hoort, maar als iemand godvrezend is en zijn wil doet, die hoort Hij. Van eeuwigheid af is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene heeft geopend. Als Deze niet van God was, zou Hij hele­maal niets kunnen doen. Zij antwoordden en zeiden tot hem: u bent geheel in zonden geboren en leert u ons? En zij wierpen hem naar buiten.

Maar de verstokte koppige Farizeeërs hielden niet op zijn geloof op de proef te stellen.”En zij zeiden wederom tot hem: Wat heeft hij u gedaan? Hoe heeft hij uw ogen geopend?„(v. 26). Deze vragen waren dom en grof. We kunnen begrijpen dat de blindgeborene dit wel voelde, en hij ging tot de aanval over, door te vragen of zij wellicht discipelen van de Heer Jezus wilden worden op grond van nog meer inlichtingen. Hij antwoordde hun:”Ik heb het u reeds gezegd, en gij hebt niet ge­hoord. Waarom wilt gij het wederom horen? Wilt ook gij zijn discipelen worden?„(v. 27). Er zat kracht en overtuiging in deze woorden, en dat van zo’n jongbekeerde! Er zat ook oprechtheid in, want inderdaad wen­ste hij, dat allen in de Heer Jezus zouden gelo­ven. Nu waren deze trotse koppige farizeeërs wel de laatsten, om zich voor Jezus te vernederen, maar toch had de genezene de moed ze tenminste daartoe uit te nodi­gen. De kracht om zielen voor Chris­tus te winnen schuilt in onze erva­ringen met Hem. Op deze wijze wordt men een arbeider in Gods wijngaard, de mensen door eigen ervaringen overtuigend met het doel ze tot geloof in de Zoon van God te brengen. Bij het getuigenis van deze man hoorde ook, dat hij stipt aan de voorschriften van de Heer Jezus gehoor had gegeven. Alleen als we zelf gehoorzamen, kunnen we ande­ren tot geloofs-gehoor­zaamheid brengen.”Predik het woord, houd aan, tijdig of ontijdig„zegt Paulus aan zijn geestelijke zoon Timotheus. (2 Tim. 4)”De tijd uitkopende (de gelegenheden waarnemende) want de dagen zijn boos„. Laat ons elke gelegenheid om over Jezus te spreken direkt aangrijpen! Nu begonnen de farizeeërs deze getuige van Christus te beledigen en uit te schelden:”Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn dis­cipelen van Mozes. Wij weten dat God door Mozes gesproken heeft: maar van deze weten wij niet waar hij vandaan komt.„(v. 29). Deze woorden verraden hun innerlijke haat en bitterheid, maar de man liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Was er niet genoeg van Jezus be­kend om Hem eer te geven? Hij antwoordde dus:”Dat is toch wel heel wonderlijk, dat u niet weet waar hij vandaan komt, terwijl Hij toch mijn ogen geopend heeft.„(v. 30) Maar hij ging nog verder, en als grond voor zijn betoog gebruikte hij de zuivere leer van Gods Woord. Een recht­vaardig God vergeldt goed voor goed waarop hij een gezond argument baseerde:”En wij weten dat God geen zondaars hoort, maar zo iemand godvruchtig is, en Zijn wil doet, die hoort Hij. Van alle eeuw is het niet gehoord, dat iemand de ogen van een blindgeborene geopend heeft. Indien deze niet uit God was, zou hij niets kunnen doen.” (v. 31,33) Wat was het betoog van deze eenvou­dige man helder en onweerstaanbaar! Voor hem was de Heer Jezus volmaakt, rein en goed als mens, maar ook God in zijn bovenatuurlij­ke kracht tot genezen. Hierop werden de farizeeërs steeds bozer en grover en gingen ze tot schelden en vervol­ging over: „Gij zijt geheel in zonden geboren en leert gij ons? en zij wierpen hem uit.” (v. 34) Ongeloof leidt tot geloofsvervolging. De eeu­wen door hebben de menselijke godsdiensten en kerken de getuigen van de waarheid buiten geworpen. Christus heeft buiten de poort van de godsdienstige stad Jeruzalem geleden, en oprechte gelovigen zullen hun plaats vinden in afzondering van de kerkelijke systemen. „Laat ons uitgaan tot hem, buiten de legerplaats, Zijn smaadheid lijdende.” (Hebr. 13:13) Met zijn banning uit de synagoge was de geschiedenis van de blindgeborene niet afgelopen, want toen Jezus daarvan gehoord had, zocht Hij deze getrouwe getuige op en vond hem. Hij vroeg hem: „Gelooft gij in de Zoon van God?” en zijn antwoord was: „Wie is hij Heer! opdat ik in hem moge geloven?” Dit gaf de Heer de gelegenheid om zich beter aan de man bekend te maken. En Jezus zeide tot hem: „En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, die is het.”

Jezus hoorde dat zij hem naar buiten hadden geworpen en toen Hij hem gevonden had, zei Hij tot hem: Gelooft u in de Zoon van God? Hij antwoordde en zei: En Wie is Hij, Heer, opdat ik in Hem geloof? Jezus zei tot hem: U hebt Hem niet alleen gezien, maar Hij die met u spreekt, Die is het. En hij zei: Ik geloof, Heer. En hij aanbad Hem. En Jezus zei: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat zij die niet zien, zouden zien, en die zien, blind worden. En zij die van de farizeeën bij Hem waren, hoorden dit en zeiden tot Hem: Zijn wij soms ook blind? Jezus zei tot hen: Als u blind was, zou u geen zonde hebben; maar nu zegt u: Wij zien; dus blijft uw zonde.

Hiermee maakte de gelovige een stap vooruit in de kennis van de Zoon van God, zeggend: „Ik geloof, Heer!” En hij aanbad hem. Buiten de le­gerplaats bracht Hij Jezus de „offerande van zijn lippen die Zijn Naam beleden” en dat is precies wat we vandaag moeten doen (Hebr. 13:10,17). Zoals de blindgeborene de Heer Jezus dieper leerde ken­nen en een aanbidder werd, toen hij buiten het godsdienstige sys­teem van de natuurlijke mens was gekomen, zo worden we ware aanbidders in Geest en in waarheid zodra we aan Gods Woord ge­hoorzamen en ons afzonderen van een afvallig systeem dat zich Chris­telijk noemt maar het niet is. „Welk deel heeft een gelovige met een ongelovige? . . . Daarom gaat uit het midden van hen, en scheidt u af, zegt de Heer; en raakt niet aan hetgeen onrein is en Ik zal U aanne­men!” (2 Kor. 6:15,17). Twee of drie oprechte Christenen, vergaderd in de Naam van de Heer Jezus, kunnen op Zijn tegenwoordigheid rekenen. (Matth. 18:20)

HOOFDSTUK 10: DE GOEDE HERDER

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnengaat, is een herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn eigen schapen bij name en leidt ze naar buiten.Wanneer hij al zijn eigen schapen heeft uitgedre­ven, gaat hij voor hen uit; en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen. Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zij zullen van hem vluchten, omdat zij de stem van de vreemden niet kennen. Deze beeld­spraak sprak Jezus tot hen, maar zij wisten niet wat het was dat Hij tot hen sprak.

In Gods Woord spelen verschillende herders een belangrijke rol. Ver van het gewoel der wereld vervult de herder zijn nederige taak. Maar hij is temidden van een indruk-wekkende natuur en in een stilte, waarin het oor zich scherpt, om Gods stem te horen. In Egypte, beeld der wereld, waren de herders verafschuwd. Maar Mozes wordt liever herder dan hoveling, om voorbereid te worden tot de dienst van de Heer. En hij is niet het enige voorbeeld, want Abel, Abraham, Isaac, David en Amos waren herders, die de stem van de Heer vernomen hebben en die in vele gevallen een type van Christus, die zichzelf de titel van Herder gaf, geworden zijn. David verenigde zowel het herder-lijke als het koninklijke karakter van Christus. Als nederig schaapherdertje werd hij door de profeet Samuel gevonden, en verkoren, om tot koning van Israël gezalfd te worden. Vol­gens de natuur schenen Davids oudere en sterkere broeders heel wat verkieslijker, maar God ziet het hart.

Voordat hij op de troon komt, blijft David nog lange tijd bij zijn kudde en doet daar de geloofservaringen op, die hem later tot grote over­winnin­gen leidden.

Daar bij zijn kudde heeft hij God als zijn herder leren kennen.Daar heeft hij leren zingen tot lof van Hem, die de gelovige tot vrede en veiligheid leidt. Is niet de drie-en-twintigste psalm het lievelingslied van velen geworden? Gods voortdurende zorg over zijn geliefden is het thema van dit loflied. Gods oog waakt en Gods hart zorgt zonder ophouden. «Mij zal niets ontbreken». een getrouw God, vol kracht en goedheid, die ons Zijn steun verzekert temidden van de zo verander­lijke omstandigheden van het leven. God Zelf heeft zich verbonden, voor alles zorg te dragen, en dit plaatst de gelovige boven de omstan­digheden en verleent de «vrede Gods, die alle verstand te boven gaat».

«Hij doet mij nederliggen in grazige weiden». Welk een kalmte en welk een overvloed voor wie op Hem vertrouwen! «Hij verkwikt mijn ziel», zelfs wanneer de beproeving ons ternederdrukt, en we versla­gen neder­zitten, is er verfrissing, aanmoediging en kracht. Onze Herder is veel machtiger dan de dood, en zo hebben we zelfs bemoe­diging in de som­bere doodsvallei. Sterke en geduchte vijanden mogen steeds rond-dolen, Hij doet ons neerzitten aan een rijkvoorziene en veilige tafel. Gevaren dienen slechts, om Jehova’s beschermende trouw te openbaren. Voor ons is Christus zulk een Herder, en zo kun­nen we de toekomst met ver­trouwen tegemoettreden.

Niet alleen was God Israëls Herder, maar Hij noemde de dienaars, welke Hij riep, om zijn volk te leiden, ook herders. Alle geestelijke lei­ders in Israël hebben op treurige wijze gefaald. Ezechiël spreekt niet alleen van hun waardeloosheid, maar ook over Hem, die komen zou, om Israëls volmaakte Herder te zijn (Ezech. 34:3-6)

Tot vervulling van deze profetie kwam Jezus als Israëls Herder, om zijn verstrooide schapen te verzamelen. Hij zendt discipelen uit, om het volk tot zegen te zijn. Maar het resultaat van zijn arbeid in Israël is negatief geweest, het volk heeft zijn Herder en Koning, de Zoon van David, ver­worpen, en de bijeenvergadering van Israël is uitge-steld tot het duizendjarig rijk, nadat de harten zich tot Hem bekeerd zullen hebben. Maar terwijl zo Israël voor een tijdlang als kudde van het toneel ver­dwijnt, begint Christus een nieuwe kudde te verzamelen uit de volken.

Elk verloren zondaar is een verdwaald schaap, en Jezus is onver­moeid bezig, de verlorenen te zoeken en te behouden. We gingen steeds verder van God weg, totdat Christus ons is komen zoeken. Daartoe kwam de goede Herder hier beneden. Welk een vreugde voor Zijn hart, telkens als Hij een verloren schaap terugvindt!

Een schaap heeft weinig oriënteringsvermogen, en kan alleen de weg naar de stal niet terugvinden. Een paard vindt zijn stal, een hond zijn hok en een duif zijn til terug, maar een schaap moet door anderen ge­zocht worden. En zo moet God ook voor elk verloren zondaar doen. Maar welk een rust en veiligheid, als het schaap eenmaal ligt op de sterke schouder van de Herder! Zelfs als er een wolf kwam, zou deze eerst de Herder moeten doden, voordat hij het schaap verscheuren kan. En de Herder is onsterfelijk. Welk een rust temidden van een vijandige en zondige wereld, als we door Jezus naar het Vaderhuis gedragen worden. Want er staat niet, dat het schaap in de schaapskooi teruggebracht werd, maar naar het eigen huis van de Herder. Daar kan de Herder zijn grote blijdschap waardig vieren. Zo gaan wij bij onze bekering niet tot het aardse paradijs terug, niet naar een hof van Eden, waar Adam uit verjaagd werd, maar Gods liefde heeft ons de Hemel, het Vaderhuis geopend, opdat we daar eeuwig met gejuich vervuld zijn, en nu juichen de engelen telkens, als een zondaar tot bekering komt.

Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen. Allen die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en ro­vers; maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben. Ik ben de goede herder; de goe­de herder legt zijn leven af voor de schapen; wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit de schapen. En de huurling vlucht, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert. Ik ben de goede herder; en Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg mijn leven af voor de schapen. En Ik heb nog andere schapen, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik toebren­gen, en zij zullen naar mijn stem horen; en zij zullen één kudde, één herder worden. Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven afleg, opdat Ik het weer neem.Nie­mand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen en heb macht het weer te nemen. Dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen.

Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om deze woorden. En velen van hen zeiden: Hij heeft een demon en spreekt wartaal; waarom luitstert u naar Hem? Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden van een bezetene; kan een demon soms ogen van blinden openen?

Toen Hij zijn dood voorzien had, wist Hij, dat Hij uit de doden zou op­staan. Hij nam zijn leven wederom, die eerste dag der week, want: «De God des vredes, die uit de doden wederbracht de grote Herder der schapen», had zijn verzoeningswerk aanvaard en kon nu aan de schapen het leven en overvloed schenken (Joh. 10:10).

Hij had aan al Gods gedachten aangaande de Herder voldaan: gebo­ren in Bethlehem, uit de maagd Maria als Zoon van David. En nu laat hij de schapen niet in de Joodse schaapskooi, maar leidt ze uit, want in dit volk is voorlopig geen heil meer. Eenmaal buiten, zorgt Hij voor ze, leidt, voedt en beschermt ze. In de schaapskooi, onder de wet van Mozes, was er geen ware veiligheid en zeker geen voedsel. Maar buiten, on-der de genade, is er leven en overvloed. Het christendom biedt grazi­ge weiden en frisse waterbeken: stromen van levend water. De schaapskooi, de wet, was nuttig, zolang de Herder er niet was. Maar zijn komst bracht leven, vrijheid en overvloed. Door zijn dood aan het kruis heeft hij aan alles, wat nodig was, voldaan. Hij liet liever zijn leven, dan de zijnen ten prooi aan de wolf te laten. Hij kent zijn schapen en zijn schapen kennen hem. Er is een band van ge­meenschap en ver­trouwen gelegd, zij kennen de Vader en de Zoon en hebben het eeuwige leven. En nu zijn de schapen het voorwerp van de zorg zowel van de Vader als van de Zoon. En wie zou ze ooit uit de hand van de Vader kun­nen rukken? Welk een oneindig goed en trouwe Herder bezitten we in Christus!

Maar u gelooft niet, omdat u niet tot mijn schapen behoort, zoals Ik u gezegd heb. Mijn schapen horen mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. En Ik geef hun eeuwig leven, en zij zullen geenzins verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze rukken uit mijn hand. Mijn Vader die ze Mij heeft gegeven, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader. Ik en de Vader zijn één.

Want er staat in de Schrift: ’Zie, Ik leg in Sion een uitverkoren, kost­bare hoeksteen; en wie in Hem gelooft, zal geenszins beschaamd worden’. Voor u dan die gelooft, is dit kostbare; maar voor de ongelo­vigen: „De steen die de bouwlieden hebben verworpen, deze is tot een hoeksteen geworden”, en „een steen des aanstoots en een rots der ergernis”. Daar zij ongehoorzaam zijn, stoten zij zich aan het woord, waartoe zij ook bestemd zijn.

WEDERGEBOORTE, UITVERKIEZING EN VOLHARDING

“Niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader”.

In Efeze 1:4-5 vinden wij de plaats die wij in de uitverkiezing gekre­gen hebben. “In hem heeft Hij ons immers uitverkoren vóór de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in de liefde. Hij heeft ons tevoren door Jezus Christus tot het zoonschap voor Zichzelf bestemd, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.„

In vers 4 vinden we onze plaats voor God als God. In vers 5 onze plaats voor God als Vader. En opdat we deze plaats in volmaaktheid zouden bezittten, zijn we uitverkoren in Christus. Hij bezit deze plaats krach­tens Zijn persoonlijke heerlijkheid en Zijn per-soonlijke rechten. Wij ontvangen ze in Hem. Hier hebben we de Goddelijke natuur voor ons. God is heilig in Zijn wezen, onberispelijk in Zijn handelen en Zijn natuur is liefde (1 Joh. 1:5 en 4:8,16). Wilde Hij ons in Zijn nabijheid hebben, dan moesten wij beantwoorden aan Zijn natuur. Hoe zouden bij Hem, Die te heilig is dat Hij de zonde kan zien, en Die eenmaal alles wat met de zonde in verbinding staat in de poel van vuur zal werpen, door de zonde misvormde mensen kunnen zijn? Daarom heeft Hij ons uitverkoren, opdat wij beantwoorden zouden aan Zijn eigen natuur. Maar dat is niet het enige. Wij moesten in kunnen gaan in de gevoelens van Zijn hart, in de gedachten van een God Die liefde is. Daarom is het”voor Hem in de liefde„.

Als we straks bij Hem zullen zijn, zullen we zo”heilig en onberispe­lijk voor Hem in de liefde zijn„. Dan zal alles wat nog herinnert aan de zonde bij ons weggedaan zijn; alle zwakheden, gebreken, zonden. Dan zullen we het vlees niet meer bij ons hebben. Maar God ziet ons nu ook al zo. Hij ziet ons alleen in ons nieuwe leven dat de Heer Je­zus ons gegeven heeft.”Geschapen in Christus Jezus tot goede werken, Die God te voren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wan­delen’ (Efze2:10). „Want door één offerande heeft Hij voor altijd vol­maakt degenen die geheiligd worden” (Hebr. 10:14). „Dat gelijk Hij is, ook wij zijn in deze wereld” (1 Joh. 4:17) Welk een genade voor ons arme zondige schep­selen als wij.

Allereerst moeten we er op letten, dat Gods woord nooit tegen onge­lovigen over de uitverkiezing spreekt. Aan onbekeerden wordt in de Schrift hun verloren toestand en het oordeel van God voorgesteld, en de roep van God om zich te bekeren, terwijl dan de Heer Jezus en Zijn werk voorgesteld wordt, opdat ze daarin geloven.

Als ze dan bekeerd zijn en geloven in de Heer Jezus, wordt hun gezegd dat ze uitverkoren zijn. Hoe kunnen ze dit nu weten? 1 Thes­salonicen­sen 1:2-6 geeft het antwoord. De apostel schrijft daar: „Wetende door God geliefde broeders uw verkiezing!” En hij geeft dan de reden op waardoor hij dit weet: „Want ons evangelie was bij u niet in woorden alleen, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in vele verzekerd­heid, gelijk gij weet, hoe wij onder u geweest zijn om uwentwil. En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Heer, het woord aangenomen hebbende in vele verdrukking met blijdschap des Heiligen Geestes”.

Ze hadden het Woord aangenomen en dat was het bewijs. Als iemand het evangelie aanneemt en daardoor vrede met God heeft, is dat het bewijs dat hij uitverkoren is.

Hoewel op meerdere plaatsen in Gods Woord over de uitverkiezing gesproken wordt, zie bijv. 1 Petr. 1:2; 2 Tim. 1:9; Titus 1:2 enz., wordt de leer hoofdzakelijk in Rom. 8:28-30 en Efeze 1:3-14 gevon­den.

In Rom. 8:20 en 30 staat: „Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordend, om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broede­ren. En die Hij te voren verordend heeft, die heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, die heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerecht­vaardigd heeft, die heeft Hij ook verheerlijkt”. Allereerst staat hier dus dat God van te voren personen gekend heeft. Er staat niet dat Hij hun toestand gekend heeft, hoe ze leefden, of ze zich bekeren zouden, enz. Nee, Hij kende de personen. En Efeze 1:4 zegt ons dat dit „te voren”, vóór de grondlegging van de wereld, dus in de eeuwigheid geweest is. Deze personen, niet één minder, heeft Hij te voren verordend (bestemd) om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvor­mig te zijn.

Daar hebben we de uitverkiezing! Vóór dat we geboren waren, vóór dat Adam gescha-pen was, ja zelfs vóór de schepping van hemel en aarde waarvan Gen. 1:1 spreekt, heeft God aan ons gedacht en in Zijn raadsbesluit vastgesteld dat we aan het beeld van Zijn Zoon gelijk­vor­mig zouden zijn. Van Christus zegt Gods Woord, dat Hij het beeld van de onzienlijke God is (Kol. 1:15). Hier wordt van ons gezegd dat we Zijn beeld gelijkvormig zullen zijn. Hij moet de eerstgeborene zijn onder vele broederen. Hoewel Hij dus de eerste plaats inneemt, zul­len we Hem toch gelijk zijn.

Temidden van de ontelbare dwalingen die niet alleen de kerken der christenheid, maar ook de vergaderingen van gelovigen zijn binnen­ge­drongen, is het een wonder van Gods genade dat enkelen van Gods kin­deren in de gehele waarheid bewaard worden. We hebben in Fila­delfia een overblijfsel van bewaarden, en ook Judas spreekt in zijn brief over hen die bewaard zijn door dekracht van God. (1 Petr. 1:5; Luk. 2:10 en 51; Joh. 15:10,20;17:6,12,; 2 Tim. 4:7; Openb. 3:8 en 10).

„Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die Gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren de uwen en Gij hebt ze mij gegeven; en zij hebben uw woord bewaard.”

„Dezen zijn in de wereld, en ik kom tot U, Heilige Vader, bewaar hen in uw naam die Gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn, zoals wij. Toen ik bij hen was bewaarde ik hen in uw naam. Die Gij mij gegeven hebt, heb ik bewaard en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld zou worden.”

„Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, zoals ik van de wereld niet ben. Ik vraag niet dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze. Zij zijn niet van de wereld, zoals ik van de wereld niet ben. Heilig hen door de waarheid: uw woord is de waarheid.”

„Tot een onvergankelijke, onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, in de hemelen bewaard voor u, die in de kracht van God door het geloof be­waard wordt tot de behoudenis.” De Heer heeft hen bewaard omdat ze zijn Woord en beloften in hun harten bewaarden en ernaar wandel­den.

„Geliefden, terwijl ik alle ijver had om u te schrijven over ons ge­meen­schappelijk heil, ben ik genoodzaakt u te schrijven en te verma­nen om te strijden voor het geloof, dat eenmaal aan de heiligen is overgeleverd. Want bepaalde mensen zijn binnengeslopen, die reeds lang tevoren tot dit oordeel opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade van onze God veranderen in losbandigheid en onze enige Meester en Heer, Jezus Christus, verloochenen.”

Judas begint met te spreken over de trouw van God en de aard van Zijn zorg voor de heiligen. Dit komt overeen met het gebed van de Heer Je­zus in Johannes 17. Zij waren geroepenen, geliefd door God de Vader, en in Jezus Christus bewaard.

Op die manier bewaarden de gelovigen zichzelf in het bewustzijn, de gemeenschap, en het genot van Gods liefde. Ze bleven in Zijn liefde terwijl ze hier beneden als vreemdelingen vertoefden, maar, als hun einddoel, verwachtten zij de barmhartigheid van onze Heer Jezus Chris­tus ten eeuwige leven.

BELIJDENIS OF CREDO

Belijdenis betekent dat men zegt in bepaalde Christelijke leerstukken te geloven. Een samenvatting daarvan heet ook „credo”, een latijns woord dat betekent „ik geloof”. Men wordt lidmaat van een kerk, al­lereerst door gedoopt te worden tot de Naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, en behoort dan tot de Christelijke Godsdienst, in tegenstelling tot heidendom en Jodendom, Islam, Boedhisme enz. Later wordt men als lidmaat bevestigd door ja te zeggen op de belij­denisfor­mule. Wanneer men de in-houd van het geloofsbelijdenis aan­vaardt, dan is men orthodox of rechtzinnig, verzet men er zich geheel of deels tegen, dan is men vrijzinnig. De Farizeeërs waren ortho-doxe Joden, de Sadduceeërs waren vrijzinnig. De Heer Jezus en de apos­telen hebben steeds ernstig gewaarschuwd tegen het verwarren van een orthodox belijdenis met een levend geloof. Zulk een belijdenis kan zeer ver gaan. De volgende dingen worden opgenoemd: 1. Profe­teren in Jezus’ naam. 2. Duivelen uitwerpen in Jezus’ naam. 3. Won­deren doen in Jezus’ naam (Matth. 7). 4. Het woord horen en het direkt met vreugde aanvaarden (Matth. 13:20), maar geen lijden doorstaan, gebrek aan zondebesef. 5. Het woord aanvaarden maar niet bestand zijn tegen verleidingen der wereld (Matth. 13:21). 6. Lichtdragers die de Heer als Bruidegom ver­wachten en tegemoet gaan (Math. 25). 7. Verlicht geweest zijn. 8. De hemelse gave genoten hebben. 9. Het goede woord van God gesmaakt hebben. 10. En de krachten van de toekomende eeuw. 11. Deel gekre­gen hebben aan de Heilige Geest (Hebr. 6). 12. Talen van mensen en engelen spreken. 13. Profetische gaven uitoefenen. 14. Kennis hebben van alle geheimenissen. 15. Geloof hebben om bergen te verzetten. 16. Al zijn bezit uitdelen. 17. Lichaam als martelaar laten verbranden (1 Cor. 13. zonder liefde). Van het feit, dat mensen, die schijnbaar mid­den in het werk van God een belangrijke rol speelden en geen gelovi­gen waren, hebben we de volgende voorbeelden:

1. JOAB, de zoon van Davids zuster Seruja, die samen met David de oorlogen des Heren streed, en daarin veel overwinningen behaalde, maar die absoluut niet het karakter droeg van een waar gelovige. Hij was wreed, onrechtvaardig, verraderlijk, bijvoorbeeld toen hij Absa­lom liet terugkeren. David vertrouwde aan Salomo toe, om hem wegens zijn boze daden te doden. Joab was een gewiekst man die wist dat hij altijd de zaak van David moest dienen om zijn eigen car­riëre veilig te stellen. Daarom beschermde hij David bijvoorbeeld bij de opstand van Absalom. Hoe vaak hebben niet zakelijke en sociale belangen een rol gespeeld bij kerkgaan? Maar Joabs hart was niet gehecht aan David omdat hij de gezalfde des Heren was. Wanneer een moord noodzakelijk was om de belangen van Joab te dienen, dan deinsde hij daar niet voor terug. Wan­neer David hem vraagt om hulp in de zaak van Uria, dan vinden wij geen enkel verwijt in de mond van Joab; hij weet, dat David nu nog meer in zijn macht gekomen is. Joab laat vervolgens Absalom terugkeren, maar wanneer Joab merkt dat Absalom wel eens een bedreiging voor zijn carriëre zou kunnen zijn, aarzelt hij geen ogenblik en hij zal de eerste zijn om Absalom te do­den. Joabs karakter wordt pas volledig openbaar na de dood van David. Hij maakt de fatale fout om tegen Salomo de kant van Adonija te kiezen. Als een schrander politicus had hij zich weten in te houden al de dagen van het leven van David, maar nu komt zijn open­lijke tegenstand tegen de wegen van God aan het licht en blijkt de naaste medewerker van David, de man die zovele overwinningen voor God en voor het volk bewerkt had, een tegenstander en een ongelovige te zijn, beeld van zovele levenloze belijders die men vindt in de belij­dende christenheid.

2. GEHAZI, die op de meest intieme wijze met de profeet Elisa ver­bon­den was, werd door begeerlijkheid overmeersterd en werd ge­straft met de melaatsheid waarvan Naaman genezen was (2 Kon. 5). Zijn hart was duidelijk verhard door de hebzucht, evenals dat van Judas. Gehazi had niets geleerd in de school van zijn meester die op de weg van de zelfverloochening genoot van de gemeenschap met God, en een dubbel deel van de Geest van Elia had ontvangen. Aardse belangen hadden in Gehazi de belangen van God geheel verdrongen.

De overvloedige geschenken waarmee Naaman gekomen was, werden door Satan gebruikt om Gehazi van God afvallig te maken. De begeer­te baarde de zonde van leugen en bedrog en na de zonde kwam Gods oor­deel over de dienstknecht.

Het ergste gevolg van Gehazi’s wangedrag was, dat een jonge gelovi­ge als Naaman een vervalst beeld kreeg van het karakter van Elisa, en dus van de God van Israël. Hij bedierf in Naamans ziel het beeld van de genade van God, die geheel om niet genezing, geloof en heil geschonken had. Wat men met geld koopt kan niet uit genade en om niet ontvangen worden. Gehazi werd een aanstoot voor een jong gelo­vige en Jezus zegt, dat voor wie één dezer kleinen ergert, het beter was, dat hij met een molensteen om de hals in de zee geworpen werd. Is dit een tijd, om huizen en akkers te nemen, zegt Elisa, en voegt eraan toe: „De melaatsheid van Naaman zal voor altijd zijn op u en uw nakome­lingschap”. Hebzucht is afgoderij en daarom is er voor dezul-ken alleen plaats in het eeuwige vuur.

3. JUDAS, die behoorde tot de twaalf discipelen, die allen duivelen hebben uitge-worpen en grote krachten getoond, en die geen gelovige, maar een zoon des verderfs was. Op het ogenblik dat de meeste dis­cipelen en volgelingen zijn leer niet konden verdragen, (Joh. 6:60,66) omdat ze zijn leer te hard vonden, waren Petrus en de andere disci­pe­len bij Jezus gebleven, en Judas ook, en de Heer zegt: „Eén van u is een duivel” (valse aanklager). Het is opvallend hoe ver levenloos belijdenis kan gaan. Het hart van Judas was ook, evenals dat van Gehazi, verhard door geldzucht. Hoewel zijn hart getroffen had moe­ten worden door de veelheid van liefdeblijken van de Heer, was het geld voor hem op zulke wijze een afgod geworden, dat hij dat boven alles stelde en de Heer verried. Judas’ geweten was nooit in tegen­woordigheid van God geweest.

WEDERGEBOORTE

De wedergeboorte is een werk van God, die nieuw leven en een nieuwe natuur schept in boetvaardige zondaars die dood waren in zonden en misdaden, maar die met zondebesef en geloof tot de ge­kruisigde Zoon van God komen. Dit nieuwe leven is het leven van Christus, van wie staat geschreven dat Hij gerechtigheid liefhad en onge-rechtigheid haatte. We lezen in Joh. 1:11: „Hij kwam tot het zij­ne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. Maar zovelen hem aangenomen hebben, hun gaf hij het recht kinderen van God te wor­den, hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn.” Het middel dat God gebruikt is de prediking van het woord van God door de kracht van de Heilige Geest. We lezen in Joh. 3:5: „Als ie­mand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet ingaan”. Als Nicodemus vraagt, hoe iemand wedergeboren kan worden, dan antwoordt de Heer: „En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd wor­den, opdat een ieder die in hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.” (Joh. 3:15).

De wedergeborene ontvangt nieuw leven. Dit leven heeft het karakter van de Heer Je-zus, dat vooral gekenmerkt is door liefde en heiligheid. De Heer Jezus heeft ongerech-tigheid gehaat en Paulus zegt in Rom. 12:9: „Hebt een afkeer van het kwade, weest gehecht aan het goede”. Hetgeen waarvan wij afschuw moeten hebben is allereerst het kwaad in onszelf. Door Gods Geest beseffen we dat we dood zijn in zonde en mis­daden.

Niet alleen moeten we afschuw hebben van het kwaad dat in onszelf is, maar ook van het KWAAD DAT IN DE WERELD IS. Satan die de leugenaar en de moordenaar van den beginne is, is vorst van deze wereld, en hij is de aanstichter van alle kwaad. De wereld is een sys­teem, waarin vijandschap en opstand tegen God heerst, en spoe­dig zal dit zijn hoogtepunt vinden in de regering van de anti-christ, die de wet­teloze wordt genoemd. Niet alleen heerst dit kwaad in de heidense wereld, maar ook in de christenheid (1 Tim. 4:1,2; 2 Tim. 3). Hoewel de kerken doen alsof ze alleen goede doeleinden nastre­ven, zegt de schrift dat achter de schijn van godzaligheid al het kwaad van het heidendom bedreven wordt. Als iemand wedergeboren is, ontdekt hij achter een schone schijn het kwaad. Zo komen we tot afschuw van kwaad in onze associaties of verbindingen. Sommigen behoren tot groepen die een heel hoogstaande leer hebben, maar merkt men de werkelijkheid, dan zegt ons geweten met afschuw: Ik ben in gemeenschap met kwaad, heb er deel aan, ben medeverant­woordelijk, en dit leidt tot gehoorzaamheid aan 2 Tim. 2:19: „Ieder die de naam van de Heer noemt, onttrekke zich aan ongerechtigheid”.

DE VOLHARDING DER HEILIGEN (“Als wij tenminste..”)

Het grote bewijs dat men, ondanks grote begaafdheid, toewijding en christelijke activi-teit, toch een levenloos belijder is, wordt geleverd doordat zulke mensen niet in staat zijn de christelijke wandel tot het einde vol te houden. In Mattheus 13 komen ze ten val door de beproe­vingen en de wereldse verleidingen, in Hebr. 6 gaan ze terug tot de Joodse uiterlijke godsdienst, in 1 Cor. 13 hebben ze Gods liefde niet als een blijvend bezit uitgestort door de Heilige Geest in hun harten. Daarom zijn er verschillende schriftplaatsen waarin er als het ware de voorwaarde bij staat, dat men in de christelijke wandel, in de waarheid en in gemeenschap met God bewaard wordt, tot het einde toe. Dit noemt men de volharding der heiligen. Zo lezen we in 1 Kor. 15:2: „. . . Het evangelie, waardoor gij ook behouden wordt, (als gij vasthoudt aan het woord dat ik u verkondigd heb), tenzij gij tever­geefs geloofd hebt.” En in Phil. 3:14: „. . . waartoe wij gekomen zijn, laten wij onze wandel in het zelfde spoor voortzetten. . .” Kol. 1:21: „. . . Als gij tenminste blijft in het geloof, gegrond en vast en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, dat gij gehoord hebt.” Hebr. 2:6: „Christus. . . wiens huis wij zijn, als wij tenminste de vrijmoe­digheid en het roemen in de hoop tot het einde toe onwrikbaar vasthouden. . . Want wij zijn medege­noten van Christus geworden, als wij tenminste het aanvankelijk ver­trouwen tot het einde toe onwrik­baar vasthouden.” Wanneer we ons afvragen wat de wandel is, waarin de heiligen moeten volharden, dan lezen we in Efeze 2:10: „Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Chris­tus Jezus tot goede werken, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen”. De werken waarin vrijgekochten wandelen zijn nooit die van eigen wil want God heeft ze te voren bepaald. Er is een onmiddellijk verband tussen de twee werkingen van de Heilige Geest, omdat in Rom. 8 de bevrijding uit de macht der inwonende zonde bereikt wordt door de inwoning van de Heilige Geest, en de verzegeling, tezamen met de zalving, de doop en het onderpand een gevolg is van de inwoning van de Heilige Geest.

We hebben in Romeinen 7 een wedergeboren mens, dat kunnen we herkennen aan het feit dat hij een vermaak heeft in de wet van God en het kwade verafschuwt. Maar hij is nog niet gekomen tot de totale ver­oordeling van zichzelf en daarvoor zijn al deze pijnlijke ervaringen no­dig. Hij moet nog leren uit de praktijk dat „in hem, dat wil zeggen in zijn vlees, geen goed woont” en dat de wet van Mozes hem geen kracht geeft om het goede te doen. Pas wanneer hij volkomen aan het eind van zichzelf gekomen is, dan krijgt het het verlossende antwoord van de Heer zelf, en wordt hij bevrijd door de inwoning van de Heilige Geest. En dan lezen we in 2 Kor. 2:21: „Hij nu, die ons met u beves­tigt in Christus en die ons gezalfd heeft, is God, die ons ook verzegeld en de Geest als onderpand in onze harten gegeven heeft.” Verzege­ling houdt iets definitiefs in. Men kan een gelovige die blijvend de Heilige Geest in zich heeft wonen, herkennen aan een standvastige wandel in gemeen­schap met God.”Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood„(Rom. 8:2).

HOOFDSTUK 11: OPWEKKING VAN LAZARUS

Nu was er iemand ziek, Lazarus van Bethanië, uit het dorp van Maria en haar zuster Martha. (Maria nu was het die de Heer met balsem heeft gezalfd en zijn voeten met haar haren afgedroogd, wier broer Lazarus ziek was.) De zusters dan zonden tot Hem de boodschap: Heer, zie, hij die U lief hebt is ziek. Toen nu Jezus dit hoorde, zei Hij: Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor wordt verheerlijkt. Jezus nu had Martha en haar zuster en Lazarus lief. Toen Hij dan hoorde dat hij ziek was, bleef Hij nog twee dagen in de plaats waar Hij was. Daarop zei Hij hierna tot zijn discipelen: Laten wij weer naar Judéa gaan. De discipelen zeiden tot Hem: Rabbi, onlangs trachtten de Joden U te stenigen en gaat U weer daarheen? Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in de dag? Als iemand overdag wandelt, struikelt hij niet, omdat hij het licht van deze wereld ziet, maar als iemand ’s nachts wandelt, struikelt hij, omdat het licht niet in hem is. Dit sprak Hij en daarna zei Hij tot hen: Onze vriend Lazarus slaapt, maar Ik ga heen om hem uit de slaap te wekken. De discipelen dan zeiden tot Hem: Heer, als hij slaapt zal hij gezond wor­den. Maar Jezus had over zijn dood gesproken, maar zij meenden dat Hij over de rust van de slaap sprak. Toen zei Jezus dan vrijuit tot hen: Lazarus is gestorven; en Ik ben blij om u dat Ik daar niet was, opdat u zult geloven; maar laten wij naar hem toe gaan. Thomas dan, Didymus geheten, zei tot zijn medediscipelen: Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.

Het grote onderwerp van het elfde hoofdstuk van Johannes is Jezus, de Zoon van God, de Opstanding en het Leven, die macht heeft, doden het leven te hergeven. Men kan er zich over verwonderen, dat Jezus, toen hij hoorde, dat zijn vriend Lazarus ziek was, niet dadelijk naar Bethanië is gegaan, om hem te genezen. Maar de gedachten van de Heer zijn niet de onze; in de omstandigheden, die het gezin van Bethanië door­maakte, was het niet de wil van God, het sterven van Lazarus te belet­ten. Een groter werk dan een genezing moest vol­bracht worden, opdat de heerlijkheid Gods door de opstanding van Lazarus geopenbaard zou worden, en opdat de Zoon van God daardoor verheerlijkt zou worden. Inderdaad, welk een heerlijkheid straalt daar aan dit graf rond de Zoon van God, veracht en gehaat als hij was door de mensen toen, op Zijn stem, het leven over de dood zegevierde!

De mens is onder de macht van de dood sedert Adams val, en bij het graf van Lazarus wilde God de macht tonen, waardoor Hij hem daar­van zou bevrijden. Dit kon niet door een eenvoudige genezing geschieden. Om leven temidden van een doodstoneel te schenken, heeft God Zijn Zoon in de wereld gezonden. Hij heeft hem gegeven, het leven in zichzelf te hebben. «Want gelijk de Vader de doden op­wekt en levend maakt, maakt ook de Zoon levend, wie Hij wil». (Joh. 5:21). Het werk, dat groter was dan de genezing van de zieke of de blinde, was de op­wekking van een dode temidden van andere doden. Het was ook met het oog op zijn discipelen, dat de Heer zijn macht van het Leven in het domein van de dood wilde ontplooien, wat ze zou bewegen, te geloven in hem, niet alleen als Messias, maar als Zoon van God, gekomen, om het leven temidden van de dood te brengen. Hijzelf, God de Schepper, had de mens op aarde geplaatst, opdat hij er gelukkig zou leven en werken, maar nu de zonde in de wereld gekomen is, en door de zonde de dood, ziet de mens zich blootgesteld aan de schrik van de dood zon­der enige verdediging. Temidden van deze toestand is Jezus, de Zoon van God, nedergedaald, om de mens uit de macht van de dood te verlos­sen. Hij is in de dood zelf gegaan, om er als overwinnaar uit te treden, opdat, door het geloof, al de zij­nen aan deze overwinning deel zouden hebben. De overwinnende macht van het leven over de dood is in Jezus, de Zoon van God in deze wereld gekomen, om het eeuwige leven te schenken aan ieder, die gelooft. Waar Israël in het vlees Gods Zoon had verworpen, daar toont Jezus, dat God ondanks dit, door de opstanding der doden en de kracht der genade, zijn zegen zou geven voor Israël en de Natiën. Toen Abraham ging om zijn zoon te offeren, toonde God, dat hij een nageslacht zou hebben door de opstanding uit de doden.”Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd Izaäk geofferd, en hij die de beloften ontvangen had, offerde zijn eniggeborene, van wie gezegd was: „In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden.” Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.” (Hebr. 11:18,19). Paulus zegt dat de opstanding van Jezus de beves­tiging is van alle zegeningen die aan de vaderen beloofd waren (Hand. 13:32-27). Als Israël alle eigen kracht zal verloren hebben, dan zal Zijn kracht hem herstellen, en dat zal als een opstanding uit de doden zijn (Rom. 11:15). De Heer zal ze uit hun graven roepen en hun dorre doodsbeenderen doen herleven. En de onvruchtbare zal huizen bou­wen en juichen. In de opwekking van Lazarus, beeld van Israël dat eerst ziek is en dan sterft, hebben we een beeld van het toekomstige herstel en de glorie van Is­raël. Jezus had Judea verlaten en was een­zaam bij de Jordaan, toen hem de boodschap bereikte dat Lazarus, de vriend te Bethanië die hij liefhad, ziek was. Maar hij bleef waar hij was totdat de ziekte zo verer­gerd was dat de dood intrad. Daarna ging Hij erheen, als Zoon van God die de doden levend maakt, de opstan­ding en het leven. Hij zei: „Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga heen om hem uit de slaap op te wekken.”

Toen Jezus dan kwam, vond Hij dat Lazarus al vier dagen in het graf was. Bethanië nu was dicht bij Jeruzalem, ongeveer vijftien stadiën daar vandaan. En velen van de Joden waren naar Martha en Maria toe gekomen om hen over hun broer te troosten. Toen Martha dan hoorde dat Jezus kwam, ging zij Hem tegemoet; maar Maria zat in huis.

Martha dan zei tot Jezus: Heer, als U hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn; maar ook nu weet ik, dat God U al wat U van God zult bidden, zal geven. Jezus zei tot haar: Je broer zal op­staan. Martha zei tot Hem: Ik weet dat hij zal opstaan in de opstan­ding op de laatste dag. Jezus zei tot haar: Ik ben de opstanding en het leven; wie in MIJ gelooft, zal leven, ook al sterft hij; en ieder die leeft en in MIJ gelooft, sterft geenszins in eeuwigheid. Geloof je dat? Zij zei tot Hem: Ja Heer, ik geloof dat U de Christus bent, de Zoon van God, die in de wereld zou komen. En na dit gezegd te hebben ging zij heen en riep haar zuster Maria in het geheim en zei: De Meester is er en Hij roept je.

We merken op, dat de twee zusters Martha en Maria herhalen: „Heer, als gij hier geweest waart, mijn broeder zou niet gestorven zijn.” (v. 21 en v. 32). Dit toonde dat zij het geheim van Gods Zoon, de opstan­ding en het leven, nog niet hadden begrepen en bezig waren met de doden. Daarom zegt Jezus: „Ik ben de opstanding en het leven; hij die in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven; en een ieder die leeft en in mij gelooft, zal niet sterven in eeuwigheid. (v. 25, 26) Waar Jezus als Zoon van David weende over Jeruzalem daar weende hij als Zoon van God over de ruïne die zonde en dood in Zijn schepping hebben aangericht. Maar daarna openbaart Hij Gods heerlijkheid door Lazarus uit de doden op te wekken. Martha zag in het bederf een hin­dernis voor de kracht van God, zoals ze eert had gedacht dat de bedoeling van Jezus was om te beletten dat mensen zouden sterven. Lazarus stond op voor de aarde, zoals Israël zal opstaan om tijdelijk de aarde te bezitten. Christenen zullen opstaan voor de hemel, om eeuwig daar te zijn. Door zijn opzien naar de hemel en zijn gebed tot de vader toonde Jezus dat hij als ge­zondene geheel van de Vader afhankelijk was. Voorts zei hij, dat zijn gebed diende om te tonen dat er volmaakte gemeenschap was tussen zijn Vader en hemzelf, zodat de menigte daarvan getuige was. Toen Lazarus naar buiten kwam zei Jezus:”Maakt hem los en laat hem heen­gaan„(v. 44). Door dit alles werd ieder overtuigd van de werkelijkheid van dit wonder. Groter nog was het wonder van de opstanding van Je­zus, want in Zijn lege graf lagen de grafdoeken op-gevouwen in een hoek.

Velen dan van de Joden die naar Maria toe waren gekomen en hadden gezien wat Hij had gedaan, geloofden in Hem; maar sommigen van hen gingen naar de farizeeën en zeiden hun wat Jezus had gedaan. De over­priesters dan en de farizeeën riepen de Raad bijeen en zei­den: Wat doen wij? want deze mens doet vele tekenen. Als wij Hem zo laten be­gaan, zullen allen in Hem geloven; en de Romeinen zullen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen. Maar één van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei tot hen: U weet niets, en u bedenkt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één mens sterft voor het volk en niet de hele natie verloren gaat. Dit nu zei hij niet uit zichzelf, maar daar hij hogepriester in dat jaar was, profe­teerde hij dat Jezus zou ster­ven voor het volk; en niet alleen voor het volk, maar opdat Hij ook de verstrooi-de kinderen van God tot één zou vergaderen. Van die dag af dan beraadslaagden zij om Hem te doden. Jezus dan wandelde niet meer vrijuit onder de Joden, maar ging van­daar naar het land bij de woestijn, naar een stad die Efraïm heette, en bleef daar met de disci­pelen.

Het pascha van de Joden nu was nabij, en velen uit het land gingen op naar Jeruzalem vóór het pascha, om zich te reinigen. Zij zochten dan Jezus en zeiden onder elkaar, terwijl zij in de tempel stonden: Wat denkt u? Zou Hij soms niet op het feest komen? De overpriesters nu en de farizeeën hadden bevelen gegeven dat, als iemand wist waar Hij was, hij het te kennen zou geven, opdat zij Hem zouden grijpen.

Velen geloofden door de opwekking van Lazarus, maar bij anderen steeg de woede ten top en ze gingen naar de Joodse leiders die Jezus wilden doden. Voor de Joodse leiders was het belangrijkste gevaar, dat, als Jezus werd aanvaard het dan met hun invloed op het volk afgelopen zou zijn.”Als wij hem zo laten begaan, zullen allen in Hem geloven; en de Romeinen zullen komen en zowel onze plaats als ons volk wegnemen.„(v. 48) Ze hadden het volk wel willen weerhouden om in hem te gelo­ven, maar dat bleek moeilijk.

Hun tweede argument was, dat de Romeinen hun beperkte nationale vrijheid geheel zouden vernietigen, hetgeen in het jaar 70 na Christus geschiedde, zodat geheel Israël over de wereld verstrooid werd. Ka­jafas, die later terwijl hij Jezus van godslastering beschuldigde, zijn kleed scheurde, gaf hier de raad aan het sanhedrin om Jezus te do­den:”Gij weet niets, en gij overlegt niet, dat het nuttiger voor ons is dat één mens sterft voor het volk, en niet het hele volk omkomt.” Achteloos denkt hij alleen aan de belangen van de volksleiders. Maar hij was on­bewust, dat hij daarbij, onder de dwang van Gods Geest toch de volledi­ge waarheid uitte. Het vergaderen van de gelovigen rondom Jezus zou geschieden door de zending van de Heilige Geest, die zou komen om de gelovigen tot één lichaam te dopen (1 Cor. 12:12,13).

HOOFDSTUK 12: ZALVING DOOR MARIA VAN BETHANIE

Jezus dan kwam zes dagen vóór het pascha in Bethanië, waar Lazarus was, de gestorvene, die Jezus uit de doden had opgewekt. Zij maak­ten daar dan een maaltijd voor Hem klaar, en Martha diende; Lazarus nu was één van hen die met Hem aanlagen. Maria dan nam een pond bal­sem van onvervalste, kostbare nardus, zalfde de voeten van Jezus en droogde zijn voeten met haar haren af; en het huis werd met de geur van de balsem vervuld. Eén van zijn discipelen echter, Judas Iskariot, zoon van Simon, die Hem zou overleveren, zei: Waarom is deze balsem niet verkocht voor driehonderd denaren en aan de ar­men gegeven? Dit zei hij echter, niet omdat hij zich om de armen bekommerde, maar om­dat hij een dief was en als degene die de beurs had, droeg wat erin werd gedaan. Jezus dan zei: Laat haar be­gaan; zij heeft dit bewaard voor de dag van mijn begrafenis. Want de armen hebt u altijd bij u, maar Mij hebt u niet altijd.

Dit ene gezin gaf temidden van een volk dat Hem verwierp aan Jezus de eer van de Vorst des Levens. „Ze richtten daar dan een maaltijd voor hem aan, en Martha diende en Lazarus was een van hen die met hem aanlagen.”

Het was de eerste dag der week, die weldra de dag van opstanding en van Christelijke eredienst zou worden. Lazarus zat aan tafel als levend getuige van de opstandings-kracht van Christus, terwijl Martha een beeld is van het dienen van Christus, en Maria van de dienst der aanbidding. Over de genodigden wordt niets gezegd; alleen is er sprake van Judas. Deze was op het punt zijn Meester te verraden en met verachting en veroordeling sprak hij over de liefdedaad van Maria voor haar Heer. Maria had wellicht zijn naderende dood voorzien en ze vond in de kost­bare nardus een middel om haar verering en liefde voor haar Heiland te uiten. Hier zalfde ze de voeten van de Heer, een eerbetoon de Zoon van God waardig, en het huis werd vervuld met de geur van de balsem. In Zijn gemeente is zulke aanbidding het hoogste wat op aarde ons deel kan zijn en hetgeen Jezus van ons verwacht. „Als de Koning aan tafel is, geeft mijn nardus zijn geur.” (Hooglied 1:12).

INTOCHT TE JERUZALEM

De volgende dag, toen de grote menigte die naar het feest was gekomen, hoorde dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij de tak­ken van de palmbomen en gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Ho­sanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer, en: De koning van Is­raël! Jezus nu vond een jonge ezel en ging erop zitten, zoals geschreven staat: „Vrees niet, dochter van Sion; zie uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen”. Dit begrepen zijn discipelen eerst niet, maar toen Jezus was verheerlijkt, toen herinnerden zij zich dat dit van Hem geschreven stond en dat zij dit met Hem hadden gedaan.

Hoewel er zulk een haat tegen Jezus was, en het besluit om hem te doden bij de lei-ders vast stond, werkte de kracht van God op een grote menigte om getuige te zijn van de intocht van Gods Zoon in Jeruzalem. De palmtakken zijn een beeld van de toekomstige rust en zegen van het volk. De menigte riep uit: „Hosanna, Gezegend hij die komt in de naam van de Heer, de koning van Israël.” Dit is een tekst uit Psalm 118 die de vestiging van het koninkrijk na de overwinning van de Messias over de natiën beschrijft. Hier wordt ook Zacharia 9:9 aangehaald: „Vrees niet, dochter van Sion, zie uw koning komt, gezeten op een ezelsveulen.” In dit evangelie vindt Hij zelf het veulen en gaat zelf daarop zitten, want in de kracht van Zoon van God komt Hij als koning van Israël Jeruzalem binnen. Ook is opvallend dat de woorden van Zacharia: „Verheug U, dochter van Sion” hier veranderd zijn in „Vrees niet, dochter van Sion”, want er school al groot gevaar in het toejuichten van Jezus; de door de leiders reeds ter dood ver­oordeelde.

DE VRAAG DER GRIEKEN

Nu waren er enkele Grieken onder hen die opgingen om op het feest te aanbidden; dezen dan gingen naar Filippus, die van Bethsaïda in Galiléa was, en vroegen hem al-dus: Heer, wij wensen Jezus te zien. Filippus kwam en zei het Andréas; Andréas en Fi-lippus kwamen en zeiden het Jezus. Maar Jezus antwoordde hun en zei: Het uur is gekomen dat de Zoon des mensen wordt verheerlijkt. Voorwaar, voor­waar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen, maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht. Wie zijn leven liefheeft, verliest het; en wie zijn leven haat in deze wereld, zal het bewaren tot het eeuwige leven. Als iemand Mij dient, laat hij Mij volgen; en waar ik ben, daar zal ook mijn dienaar zijn. Als iemand Mij dient, de Vader zal hem eren.

Bij de opwekking van Lazarus werd de Zoon van God verheerlijkt. Bij de intocht van Jeruzalem werd de Zoon van David verheerlijkt, en hier, waar de volken, de Grieken, komen, wordt de Zoon des mensen ver­heerlijkt. „Er waren enkele Grieken onder hen, die opkwamen om op het feest te aanbidden.” Dit waren geen hellenistische Joden, maar Grieken uit de volken die aangetrokken waren tot de dienst van de ware levende God te Jeruzalem. Het waren er toen maar enkelen maar zij waren een voorproef van wat geschieden zal in het Mes­siaanse koninkrijk. In be­ginsel wordt aan hun getoond wat het resul­taat zou zijn van de dood van de Zoon des mensen, niet alleen voor de bedeling van het koninkrijk maar ook voor onze huidige Christelijke bedeling. Heil zou gebracht worden door een gelovig overblijfsel naar de natiën. „Dezen dan gingen tot Filippus, die van Bethsaïda in Gali­lea was, en vroegen hem en zei­den: Heer, wij wensen Jezus te zien. Filippus kwam, en zei het An­dreas, en Andreas en Filippus kwamen en zeiden het Jezus.” Vroeger was Filippus het middel geweest om de oprechte Nathanaël te brengen tot het geloof dat Jezus Gods Zoon en koning van Israël was. Hier wor­den Filippus en Andréas gebruikt om de volken tot Jezus te brengen. In de toekomst zullen de volken door een gelovig Joods overblijfsel het evangelie van het koninkrijk leren kennen. Zonder over die toekomst te spreken ant-woordt Jezus met de betekenis van Zijn kruisdood. ”Het uur is gekomen, dat de Zoon des mensen verheerlijkt zal worden. Voorwaar, voorwaar, ik zeg U: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen, maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.„(v. 23,24). Zijn verzoe­ningsdood was voor die komende heerlijkheid nodig, want eerst zou dit sterven de deur openen voor de prediking van het evange­lie in onze huidige periode, en dat speciaal tot de volken. Jezus was nog alleen, maar na zijn kruisdood zouden ontelbare zondaars het evan­gelie geloven en aan Hem verbonden worden door de gave van de Heilige Geest. Niet alleen voor Hem, maar voor alle gelovigen geldt, dat allen die dit aardse leven in de wereld liefhebben dit zullen ver­liezen. Het is een leven vol ijdelheid, vervreemd van God, zoals de wereld is. Wie dus Jezus wil dienen, moet Hem in het lijden en de dood willen volgen. Zijn verwerping en smaad dragend in nederigheid en ootmoed kunnen ook wij vrucht dragen. Dit is de weg naar de eeu­wige glorie. En zoals de Vader zijn zoon daarvoor geëerd heeft, zal Hij ook ons als dienaars daarvoor eren. Zeker, de gedachte aan de dood was voor Hem als mens, moeilijk te dragen en Hij zei:

Nu is mijn ziel ontroerd, en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur? Maar daarom ben Ik in dit uur gekomen. Vader, verheerlijk uw naam! Er kwam dan een stem uit de hemel: ik heb hem verheer­lijkt én Ik zal hem opnieuw verheerlijken. De menigte dan die daar stond en dit had gehoord, zei dat er een donderslag was geweest. Anderen zeiden: een engel heeft tot Hem gesproken. Jezus antwoordde en zei: Niet om Mij is deze stem er geweest, maar om u. Nu is het oordeel van deze wereld; nu zal de overste van deze wereld worden buitengeworpen. En als Ik van de aarde ben verhoogd, zal Ik allen tot Mijzelf trekken.Dit nu zei Hij om aan te duiden wat voor een dood Hij zou sterven. De menigte dan antwoordde Hem: Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus tot in eeuwigheid blijft; en hoe zegt U dan dat de Zoon des mensen moet worden verhoogd; Wie is die Zoon des mensen? Jezus dan zei tot hen: Nog een korte tijd is het licht onder u; wandelt terwijl u het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalt. En wie in de duisternis wandelt, weet niet waar hij heengaat. Terwijl u het licht hebt, gelooft in het licht, opdat u zonen van het licht wordt. Dit sprak Jezus, en Hij ging weg en verborg Zich voor hen.

Maar hoewel Hij zoveel tekenen in hun bijzijn had gedaan, geloofden zij niet in Hem; opdat het woord van de profeet Jesaja werd vervuld, dat hij heeft gezegd:”Heer, wie heeft onze prediking geloofd? En aan wie is de arm van de Heer geopenbaard?„Daarom konden zij niet geloven, omdat Jesaja opnieuw heeft gezegd:”Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard, opdat zij niet met hun ogen zien en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en Ik hen gezond maak.„Dit zei Jesaja omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak. Toch ge­loofden ook zelfs velen van de overste in Hem; maar om de farizeeën beleden zij Hem niet, opdat zij niet uit de synagoge werden geban­nen; want zij hadden de eer van de mensen meer lief dan de eer van God.

Jezus nu riep en zei: Wie in Mij gelooft, gelooft niet in Mij, maar in Hem die Mij heeft gezonden. En wie Mij aanschouwt, aanschouwt Hem die Mij heeft gezonden. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat ieder die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijft. En als iemand mijn woorden hoort en niet bewaart, oordeel Ik hem niet; want ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te behouden. Wie Mij verwerpt en mijn woorden niet aan­neemt, heeft dat wat hem oordeelt: het woord dat Ik heb gesproken, dat zal hem oordelen op de laatste dag. Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken; maar de Vader die Mij heeft gezonden, die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet. En Ik weet dat zijn gebod eeuwig leven is. Wat Ik dan spreek, spreek Ik zó als de Vader Mij heeft gezegd.

Voor Israël was alle hoop voor dat ogenblik verdwenen. Niet als ko­ning van Israël, maar aan Gods rechterhand in de hemel zou de Zoon des mensen verheerlijkt worden. Ondanks de stem uit de hemel bleef het volk doof, zoals Jesaja zei:”Heer, wie heeft onze prediking ge­loofd?„. . . en:”Hij heeft hun ogen verblind en hun hart verhard.„(Jes. 53:1 en 6:9). Door Hem te kruisigen zou de wereld zichzelf veroordelen. Ook zou in dit oordeel Satan overwonnen worden en later uit de hemel gewor­pen.”En ik, als ik van de aarde verhoogd ben, zal allen tot mij trekken. En dit zei hij om aan te duiden, welk een dood hij sterven zou.„(v. 33) Het evangelie van redding en eeu­wig leven door het geloof in het bloed van het kruis kon nu over de gehele wereld gepredikt worden.

HOOFDSTUK 13: DE VOETWASSING

Vóór het feest van het pascha nu heeft Jezus, die wist dat zijn uur was gekomen dat Hij uit deze wereld zou overgaan naar de Vader en die de zijnen die in de wereld waren, had liefgehad, hen liefgehad tot het einde. En tijdens de maaltijd, toen de duivel Judas Iskariot, de zoon van Simon, al in het hart gegeven had Hem over te leveren, stond Hij, ter­wijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op en legde zijn kleren af; en Hij nam een linnen doek en omgordde Zich. Daarna goot Hij water in het bekken en begon de voeten van de disci­pelen te wassen en af te drogen met de linnen doek waarmee Hij om­gord was. Hij kwam dan tot Simon Petrus; deze zei tot Hem: Heer, wast U mijn voeten? Jezus antwoordde en zei tot hem: Wat Ik doe, weet jij nu niet, maar je zult het hierna begrijpen. Petrus zei tot Hem: U zult mijn voeten geenszins wassen tot in eeu­wigheid. Jezus antwoordde hem: Als Ik je niet was, heb je geen deel met Mij. Simon Petrus zei tot Hem: Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook mijn handen en mijn hoofd! Jezus zei tot hem: Wie gebaad is, heeft alleen nodig zich de voeten te laten wassen, maar is geheel rein. En u bent rein, maar niet allen. want Hij wist wie Hem zou overleveren; daarom zei Hij: U bent niet allen rein. toen Hij dan hun voeten gewassen en zijn kleren genomen had en weer aanlag, zei Hij tot hen: Begrijpt u wat Ik u heb gedaan? U noemt Mij Meester en Heer, en u zegt het terecht, want Ik ben het. Als dan Ik, de Heer en de Meester, uw voeten heb gewassen, dan behoort ook u elkaars voeten te wassen; want Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat ook u doet zoals Ik u heb gedaan. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: een slaaf is niet groter dan zijn heer, en een gezant niet groter dan hij die hem heeft gezonden. Als u deze dingen weet, gelukkig bent u als u ze doet. Ik spreek niet van u allen; Ik weet wie Ik heb uit-verkoren; maar de Schrift moet worden vervuld:”Hij die met MIj het brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven„. Nu al zeg Ik het u, voordat het ge­beurt, op­dat u, wanneer het gebeurt, zult geloven dat Ik het ben. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie ontvangt wie Ik ook zend, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij heeft gezonden.

Nu, Israël zich volkomen verhard getoond heeft, zien we de liefde van de Heer Jezus ten opzichte van zijn discipelen. In de volgende hoofdstukken 13 t/m 17 vinden we kostbare leerstof voor de gelovi­gen aan wie Hij Gods geheimenissen ontvouwt. Waar Mozes in de wolk op Sinai van God direkte openbaringen ontving, daar ontvouwt Jezus hier de geheimenissen voor een rijk en gezegend geestelijk leven der gelo­vigen op aarde. Deze hoofdstukken 13-17 worden wel het heilige der heiligen van het evan-gelie genoemd. Dit hoofdstuk vangt aan met de voetwassing, een beeld van wat de Heer deze tweeduizend jaar voor de gelovigen op aarde zou doen door de dienst van de Heilige Geest in de uitoefening der genade-gaven. Voetwas­sing behoorde in die landen tot de uitoefening van de gastvrijheid om de vermoeide reiziger te reinigen van het stof van de aarde, en om hem te verkwikken. De Zoon van God ontvangt vermoeide pelgrims in zijn hemelse woning, en ook Hij geeft aan Zijn uitverkorenen het volle besef dat ze daar welkom zijn met alle rechten op een vorstelijke ontvangst. Gelovigen die vrije toegang hebben tot het hemels heilig­dom, dienen door de dienst van het Woord steeds gereinigd en gehei­ligd te worden. In het Oude Testament moesten de priesters voordat ze hun dienst in het heiligdom konden verrichten zich wassen, en daartoe was er in de tabernakel in de voorhof het wasvat en in de tempel de indrukwekkende koperen zee. Dit hoofdstuk kan als volgt verdeeld worden: 1. Verzen 1-11 De voetwas­sing. 2. Verzen 12-20 Onderwijs om desgelijks te doen; 3. Verzen 21-30 Het verraad door Judas; 4. De verzen 31-38 houden zich bezig met het kruis als basis voor de heerlijkheid. De maaltijd is dezelfde als waarin het avond­maal werd ingesteld. In de nacht gaf Jezus een stuk van het paaslam aan Judas en deze verliet de maaltijd. De Heer Jezus ziet het kruis hier steeds in het licht van de hemelse glorie die daarop zou vol­gen. Hij zou naar de Vader gaan, en de zijnen op aarde laten, en al die tijd van Zijn afwezigheid zou Zijn liefde niets veranderen al die eeuwen waarin de Gemeente op aarde zou verblijven. In de hemel is Hij nu, Voorspraak bij de Vader en als een der Zijnen gezondigd heeft, is Hij getrouw en rechtvaardig om hem te reinigen, als hij zijn zonde belijdt. Op deze wijze wordt de gemeenschap met God in stand gehouden. Eerst wilde Petrus niet dat de Heer zich zo vernederde aan hun voe­ten.”Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid.„(v. 9) In zijn antwoord toont de Heer dat gelovigen geen gemeenschap met God hebben, als ze niet voortdurend door de dienst van het Woord gerei­nigd worden. Later pas zou Petrus dat begrijpen. Daarna valt Petrus in een andere dwaling en zegt:”Heer, niet alleen mijn voeten, maar ook de handen en het hoofd.„(v. 9) Het antwoord van de Heer is, dat wie eenmaal gewassen is door geloof in de gekruisigde Heiland, in beginsel geheel rein is, en alleen de voetwassing voor de wandel op aarde nodig heeft. We beseffen hier het verschil tussen het eeuwig heil, dat eens voor altijd wordt verkregen, en de dagelijkse gemeen­schap die door Gods Woord steeds in stand moet gehouden worden. Judas alleen had zelfs het eeuwig heil niet. Hij was ongelovig en onrein. Hier onderwijst de Heer ook ons, dat we een deel behoren te hebben in de wederkerige geestelijke hulp, door onze broeders met Gods Woord te helpen, speciaal als een broeder gefaald heeft in zijn wandel.Het feit dat een van zijn discipelen hem verraden zou woog zwaar op de ziel van Jezus:”Toen Jezus dit gezegd had, werd hij ontroerd in de geest en hij betuigde en zei: „Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, dat een van u mij zal overleveren.” (v. 21). Op deze wijze zou de Schrift, en speciaal Psalm 41:10. „Zelfs mijn vriend, op wie ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft zijn hiel tegen mij opgehe­ven,” vervuld worden.

HOOFDSTUK 14: HET HUIS VAN DE VADER

Laat uw hart niet ontroerd worden. U gelooft in God, gelooft ook in Mij.In het huis van mijn Vader zijn vele woningen; als het niet zo was, zou Ik het u hebben gezegd, want Ik ga heen om u plaats te bereiden. En als Ik ben heengegaan en u plaats heb bereid, kom Ik weer en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben. En waar Ik heenga, weet u, en de weg weet u. Thomas zei tot Hem: Heer, wij weten niet waar U heengaat, hoe kunnen wij de weg weten?Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. Als u Mij had gekend, zou u ook mijn Vader hebben ge­kend; en van nu aan kent u Hem en hebt Hem gezien. Pilippus zei tot Hem: heer, toon ons de Vader en het is ons genoeg.

Nu is Jezus weer geheel bezig met zijn op handen zijnde verheerlij­king na zijn dood en opstanding. Zo zal in de toekomst als de zoon van het verderf, de antichrist zal vernietigd zijn, en de Satan uit de hemel ge­worpen, de Zoon des Mensen stralen in zijn koninkrijk. In deze geze­gende Schriftplaats leert de Heer Jezus ons dat het huis van Zijn Vader ons tehuis is en zal zijn in eeuwigheid en tot die he­melse plaats is Je­zus de enige weg. „Ik ben de weg, en de waarheid en het leven. Nie­mand komt tot de Vader dan door mij.” Waar Jezus eerst ontroerd was over de dood van Lazarus, daarna over de gedachte aan zijn eigen dood, en daarna bij de gedachte aan Judas’ verraad, daar wil hij dat de harten der gelovigen niet ontroerd zijn, want alles zal uitlopen op de eeuwige vreugde van het vaderhuis. Jezus is ons daar een plaats gaan bereiden en spoedig zal Hij weder­komen om de gelovigen daar te brengen. Het zal de vreugde van Je­zus zijn, ons daar in de glorie met zich te hebben. Hij, Jezus, is de weg tot de Vader en wie Jezus gezien heeft en Hem heeft leren ken­nen, kent ook de Vader: „Gelooft gij niet dat ik in de Vader ben en de Vader in mij?” (v. 10) Ook zou de Vader verheerlijkt worden door het feit dat al wat ze zouden vragen in de naam van de Zoon, de Vader hun dit zou geven.

Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet ge­kend, Filippus? Wie Mij heeft gezien heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader? Geloof je niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek Ik niet vanuit Mijzelf, maar de Vader die in Mij blijft, Die doet de werken. Gelooft Mij dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is; en zo niet, gelooft Mij om de werken zelf. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie in Mij ge­looft , de werken die Ik doe zal hij ook doen, en hij zal grotere doen dan deze, omdat Ik heenga naar de Vader. En alles wat u zult bidden in mijn naam, dat zal Ik doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt. Als u Mij iets zult bidden in mijn naam, Ik zal het doen.

KOMST VAN DE HEILIGE GEEST

De gave van de Heilige Geest was een verdere grote troost gedurende de afwezigheid van hun Meester. De persoonlijke tegenwoordigheid van de Heilige Geest zou de persoonlijke tegenwoordigheid van de Heer Jezus op aarde vervangen en de gelovi-gen zijn geen wezen meer. De gave van de Heilige Geest is niet voor hen die op grond van de wet van Mozes gerechtvaardigd willen worden, maar voor hen die door de lief-de en genade van God gered zijn. Eén van de eerste vruch­ten daarvan is dat gelovigen elkaar leren kennen en liefhebben.

Als u Mij liefhebt, bewaart mijn geboden. En Ik zal de Vader vragen en Hij zal u een andere Trooster geven, opdat Die met u zal zijn tot in eeuwigheid: de Geest van de waarheid, die de wereld niet kan ontvan­gen, omdat zij Hem niet aanschouwt en Hem niet kent; u kent Hem, omdat Hij bij u blijft en in u zal zijn. Ik zal u geen wezen laten blijven, Ik kom tot u. Nog een korte tijd en de wereld aanschouwt Mij niet meer, maar u aanschouwt Mij; omdat Ik leef, zult ook u leven. In die dag zult u weten dat Ik in mijn Vader ben en u in Mij en Ik in u. Wie mijn gebo­den heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft, en wie Mij liefheeft, zal door mijn Vader worden geliefd, en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren. Judas, niet de Iskariot, zei tot Hem: Heer, en hoe komt het dat U zichzelf aan ons zult openbaren en niet aan de wereld? Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord bewaren, en mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken. Wie Mij niet liefheeft, bewaart mijn woorden niet; en het woord dat u hoort, is niet van Mij, maar van de Vader die Mij heeft gezonden. Deze dingen heb Ik tot u gesproken ter­wijl Ik bij u verblijf. Maar de Trooster de Heilige Geest, die de Vader zal zenden in mijn naam, Die zal u alles leren en u in herinnering brengen alles wat Ik u heb gezegd. Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld geeft, geef Ik u. Laat uw hart niet ontroerd en niet bang worden. U hebt gehoord dat Ik tot u heb gezegd: Ik ga heen en kom tot u. Als u Mij liefhad, zou u zich verblijden dat Ik naar de Vader heenga; want de Vader is groter dan Ik. En nu heb Ik het u gezegd voordat het ge­beurt, opdat u, wanneer het gebeurt, zult geloven. Ik zal niet veel meer met u spreken, want de overste van de wereld komt en heeft in Mij helemaal niets; maar opdat de wereld weet dat Ik de Vader liefheb, doe Ik ook zó als de Vader Mij heeft geboden. Staat op, laten wij hier vandaan gaan.

Er zijn zeven gevolgen van de komst en de ontvangst van de Heilige Geest. 1. Als Trooster helpt en pleit Hij als Advocaat of Voorspraak ten gunste van gelovigen te midden van een vijandige wereld; 2. Hij zou eeuwig met hen zijn, hier en later in de hemel; 3. Hij zou in hun licha­men als in een tempel wonen; 4. Hij leert ons Gods Zoon beter kennen; 5. Hij maakt ons één met de Vader en de Zoon; 6. Om te wandelen in liefde zou Gods liefde in hun harten worden uitgestort; 7. De vier evan­gelisten zouden zich door Gods Geest het leven van Je­zus zo herinneren dat ze de evangeliën schreven. Gelovigen hebben vrede in hun geweten en harten, en hun droefheid over het vertrek van de Heer Jezus zou in vreugde veranderd worden. „Als gij mij liefhadt zoudt gij u verblijden dat Ik tot de Vader ga, want mijn Vader is groter dan ik.” (v. 28) Als Mens was Jezus afhankelijk van zijn Vader zoals Psalm 16:2 zegt: „Gij zijt mijn Here, mijn goedheid reikt niet tot de Uwe.” (vert. JND)

HOOFDSTUK 15: DE WARE WIJNSTOK

Ik ben de ware wijnstok en mijn Vader is de landman. Elke rank in Mij die geen vrucht draagt, neemt Hij weg; en elke rank die vrucht draagt, die reinigt Hij, opdat zij meer vrucht draagt. U bent al rein om het woord dat ik tot u heb gesproken. Blijft in Mij, en Ik in u. Zoals de rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf als zij niet in de wijnstok blijft, zo ook u niet, als u niet in Mij blijft. Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen. Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buitenge­worpen als de rank en verdort; en men verzamelt ze en werpt ze in het vuur en zij verbranden. Als u in Mij blijft en mijn woorden in u blijven, bidt alles wat u wilt en het zal u gebeuren. Hierin is mijn Vader ver­heerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult mijn discipelen zijn. Zoals de Vader Mij heeft liefgehad, heb ook Ik u liefgehad; blijft in mijn liefde. Als u mijn geboden bewaart, zult u in mijn liefde blijven, zoals Ik de geboden van mijn Vader heb bewaard en in zijn liefde blijf.

Het beeld van de wijnstok slaat op de relatie van de discipelen op aarde met Christus. Sedert eeuwen was Israël in de Schriften als een wijnstok voorgesteld. «Gij hebt een wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven en hebt die geplant». (Psalm 80:9). De andere volken hadden geen directe betrekking met God. Van Israël verwachtte God vrucht: gehoorzaamheid aan de wet van Mozes. Maar welk een te-leurstelling: «Mijn beminde heeft een wijngaard op een vette heuvel . . . en hij heeft verwacht, dat hij goede druiven zou voortbrengen, maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht». (Jes. 5:1,2) Het waren wilde druiven, vruchten van de slechte natuur van de zondige mens. En op grond van dit slechte resultaat doet God het oordeel aankondigen over zijn volk door de mond van zijn profeten.

In Christus is de oude mens veroordeeld en terzijde gesteld. In het Jo­hannes evan-gelie betekent dit tevens dat Israël terzijde is gesteld. Christus vervangt nu Israël als Gods wijnstok op aarde. In plaats van wijnstokken te zijn, die in de aarde geplant zijn, zegt Christus, dat de discipelen door hun discipelschap ranken zijn geworden die aan de nieuwe wijnstok, aan Christus zelf, zijn verbonden. Zij zijn in Hem en kunnen vrucht dragen, als ze werkelijk en praktisch aan Hem verbon­den blijven. De Vader, de wijngaardenier, werkt aan zijn wijnstok, en reinigt die van dode ranken, hij reinigt ook de levende ranken opdat ze over­vloediger vrucht mogen dragen. In dit gedeelte gaat het om het christe­lijke belijdenis, want elk discipel is nog niet een waar gelovi­ge.

Het blijven in Christus is een verantwoordelijkheid die aan elke chris­telijke belijder is toevertrouwd en waaraan hij nooit kan voldoen zon­der genade en wedergeboorte. Ook hier zoekt de landman vrucht: in het zesde vers is geen sprake van een waar gelovige, maar van een belijder zonder leven; deze wordt buitengeworpen, omdat hij geen vrucht draagt, en zijn lot is het eeuwig vuur. Een ieder, die het Chris­tendom belijdt is een rank, maar wie niet wedergeboren is, kan geen vrucht dragen, het goddelijk leven in ons alléén kan ons vruchten voor God doen dragen. Daarin ligt het verschil met de oude wijnstok Israël, men werd Israëliet door geboorte, werd besneden, vervulde de godsdienstige plichten en bleef op de wijnstok zonder dat het hart vruchten voor God droeg; men werd slechts door moedwillige over­treding van de wet, door de dood, uit Israël afgesneden. In het vijfde en zevende vers staat: «indien gij», maar hier staat: «Indien iemand». De Heilige Geest wijst op het onderscheid tussen de gelovige disci­pelen en de uiterlijke belijder. Zij, die door vrucht te dragen, bewij­zen, dat ze een levend geloof hebben, het leven uit God, worden door de Vader gereinigd; de Vader doet zijn kinderen de tucht ondergaan, om ze te bevrijden van alles wat hen belet, meer vrucht te dragen. Door zijn woord had Jezus de Vader aan de discipelen geopenbaard, ze hadden zijn woord ontvangen en dit had ze in ware, levende ver­binding met Jezus gebracht. Elf waren levende ranken, maar Judas was een dode rank. Nadat Judas uit hun midden is weggenomen, zegt Jezus in vers 3: «Gijlieden zijt reeds rein om het woord, dat Ik tot u gesproken heb».

Dit heb Ik tot u gesproken, opdat mijn blijdschap in u is en uw blijdschap volkomen wordt. Dit is mijn gebod, dat u elkaar liefhebt zoals Ik u heb liefgehad. Niemand heeft groter liefde dan deze, dat iemand zijn leven voor zijn vrienden aflegt. U bent mijn vrienden, als u doet wat Ik u gebied. Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet wat zijn heer doet; maar Ik heb u vrienden genoemd, omdat Ik u alles wat Ik van mijn Vader heb gehoord bekend gemaakt heb. U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld dat u zou heengaan en vrucht dragen en dat uw vrucht zou blijven, opdat alles wat u de Vader zult bidden in mijn naam, Hij u dat geeft. Dit ge­bied Ik u, dat u elkaar liefhebt.

Nadat de Heer de zijnen als vrienden beschouwd heeft, noemt hij ze hier dienstknech-ten of slaven. Even als Hij zelf vijandschap van de wereld ondervond zo zullen ook allen die Hem dienen deze tegen­stand ervaren. Blijven in Jezus betekent, in een posi-tie van afhanke­lijkheid van Hem te leven, zich door Hem te laten leiden, aan Hem verbonden te blijven door gebed, schriftlezing, contact met Gods kin­deren enz. De gelovige discipel weet, dat hij uit zijn oude natuur, door zijn natuurlijke energie, wil en verstand, niets goeds voor God kan voortbrengen. Als we ons met Christus voeden, zal Christus in ons een bron van kracht, licht en leven worden en zo kunnen wij vrucht voortbrengen. Wanneer onze gedachten steeds met Hem bezig zijn, zal ons wezen naar Zijn Wezen gevormd worden, en zullen onze gedachten, woorden en werken op die van Jezus gaan lijken.

Sommigen denken, dat vruchtdragen betekent, veel christelijke ar­beid te verrichten, zielen te winnen en de aarde te doorreizen om het evan­gelie te verkondigen. Dit is evenwel slechts een heel klein on­derdeel van het vruchtdragen. Hoe dikwijls wordt vergeten, dat vruchtdragen de verandering van ons wezen naar het beeld van Chris­tus vereist. We hebben hier eigenlijk twee grote hulpbronnen voor het blijven in Jezus en het vruchtdragen, namelijk Gods Woord en het gebed. Het is niet voldoende, dat ons verstand van Gods Woord kennis neemt, maar Zijn Woord moet in ons blijven.

Als de wereld u haat, weet dat zij Mij eerder dan u heeft gehaat. Als u van de wereld was, zou de wereld het hare liefhebben; maar omdat u niet van de wereld bent, maar Ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat de wereld u. Herinnert u het woord dat Ik tot u zei: Een slaaf is niet groter dan zijn heer. Als zij Mij hebben vervolgd, zullen zij ook u vervolgen; als zij mijn woord hebben bewaard, zullen zij ook het uwe bewaren. Maar dit alles zullen zij u doen om mijn naam, omdat zij Hem niet kennen die Mij heeft gezonden. Als Ik niet was gekomen en tot hen had gesproken, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. Wie Mij haat, haat ook mijn Vader. Als Ik niet de werken onder hen had gedaan die niemand anders heeft gedaan, hadden zij geen zonde, maar nu hebben zij zowel gezien, als gehaat zowel Mij als mijn Vader. Maar het woord moet worden vervuld dat in hun wet geschreven staat: „Zij hebben mij zonder oorzaak gehaat”. Maar wanneer de Trooster is gekomen, die Ik u zal zenden van de Vader, de Geest van de waarheid die van de Vader uitgaat, zal Die van Mij getuigen. En u zult ook getuigen, omdat u van het begin af bij Mij bent.

HOOFDSTUK 16

Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u niet ten val komt. Zij zullen u uit de synagoge bannen, ja, het uur komt, dat ieder die u doodt, zal me­nen God een dienst te bewijzen. En dit zullen zij u doen, omdat zij de Vader niet hebben gekend noch Mij. Maar deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat wanneer hun uur gekomen is, u zich zult herinneren dat Ik ze u heb gezegd; maar deze dingen heb Ik u niet van het begin af gezegd, omdat Ik bij u was.

HET WERK VAN DE TROOSTER

Maar nu ga Ik heen naar Hem die Mij heeft gezonden, en niemand van u vraagt Mij: Waar gaat U heen? Maar omdat Ik deze dingen tot u heb gesproken, heeft de droefheid uw hart vervuld. Maar Ik zeg u de waar­heid: het is nuttig voor u dat Ik wegga; want als Ik niet wegga, zal de Trooster niet tot u komen, maar als Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden. En als Die is gekomen, zal Hij de wereld overtuigen van zonde en van gerechtigheid en van oordeel; van zonde, omdat zij in Mij niet geloven; van gerechtigheid, omdat Ik naar de Vader heenga en u Mij niet meer aanschouwt; en van oordeel, omdat de overste van deze wereld is geoordeeld.

Nog veel heb Ik u te zeggen, maar u kunt het nu niet dragen. Maar wan­neer Hij is gekomen, de Geest van de waarheid, zal Hij u in de hele waarheid leiden; want Hij zal vanuit Zichzelf niet spreken, maar alles wat Hij zal horen, zal Hij spreken en de toekomstige dingen zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal uit het mijne nemen en het u verkondigen. Alles wat de Vader heeft, is het mijne; daarom heb Ik gezegd dat Hij uit het mijne neemt en het u zal ver­kondigen.

Ook hier spreekt de Heer van de tegenstand van de wereld, maar gelo­vigen zijn door Hem meer dan overwinnaars. De Heilige Geest zou komen, om de wereld te overtui-gen van zonde, gerechtigheid en oor­deel. 1. Van zonde, omdat ze in mij niet geloven. Tijdens zijn rondwan­deling had de Heer vooral ongeloof ontmoet. De Heilige Geest getuigt dat Hij, die hier gekruisigd werd, nu aan Gods rechter­hand troont. En zo wordt de verschrikkelijke ernst van zonde bekend. 2. Van gerechtigheid, omdat Ik tot mijn Vader ga, en gij mij niet meer ziet. Ogenschijnlijk had de wereld een overwinning behaald toen Je­zus ter dood gebracht werd. Waar is recht als het onrecht zegeviert? Maar door de verheerlijking van de Heer Jezus aan de rechterhand van de Vader zegevierde de gerechtigheid. Welnu de Heilige Geest kwam om met kracht van deze verheerlijking getuigenis af te leggen. 3. Van oordeel, omdat de overste van deze wereld geoordeeld is (v. 11). Reeds heerste Satan over de mensen door hun begeerten, maar toen het hem gelukte om de hele wereld tegen Jezus op te hitsen, kon men hem terecht de overste van deze wereld noemen.

Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet meer; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien. Sommigen dan van zijn discipelen zeiden tot elkaar: Wat is dit, dat Hij tot ons zegt: Een korte tijd, en u aanschouwt Mij niet; en nog eens een korte tijd, en u zult Mij zien; en omdat Ik heenga tot de Vader? Zij zeiden dan: Wat is dit, dat Hij zegt: Een korte tijd? Wij weten niet waarover Hij spreekt. Jezus wist dat zij Hem dit wilden vragen en zei tot hen: Daarnaar zoekt u met elkaar, dat Ik gezegd heb: Een korte tijd en u aanschouwt Mij niet; en nog eens een korte tijd en u zult Mij zien? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u dat u zult wenen en weeklagen, maar de wereld zal zich verblijden; u zult bedroefd zijn, maar uw droefheid zal tot blijdschap worden. Wanneer een vrouw baart, heeft zij droefheid omdat haar uur gekomen is; maar wanneer zij het kind heeft gebaard, denkt zij niet meer aan de benauwdheid, de blijdschap dat een mens in de wereld is geboren. Ook u hebt dan nu wel droefheid; maar Ik zal u weerzien en uw hart zal zich verblijden en niemand neemt uw blijdschap van u weg.

Door zichzelf vrijwillig in de dood te geven en zijn leven wederom te nemen, had Jezus aan Satan zijn machtigste wapen en dat is de dood, ontnomen. Niet alleen getuigt de Heilige Geest tegenover de wereld, maar onderwijst ook de gelovigen, evenals in die tijd de discipelen. Dit onderwerp betreft voor de gelovigen vooral drie dingen; 1. De Heilige Geest geeft zodanig onderwijs dat de gelovige in alle waar­heid wordt geleid. Steeds onderwijst Gods Geest op volmaakt gelijke wijze als Gods Woord; 2. Ook openbaart Hij ons de dingen die komen zullen, en is dus de Geest van de profetie. De apostelen en speciaal Johannes in de Openbaring verkondigen alles wat deze wereld en Israël te wachten staat; 3. De Heilige Geest verheerlijkt de Persoon van de Heer Jezus en toont alle glorie die de Vader hem als Erfgenaam van het heelal gegeven heeft.

En in die dag zult u Mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: alles wat u de Vader zult bidden in mijn naam, zal Hij u geven. Tot nu toe hebt u niets gebeden in mijn naam; bidt en u zult ontvangen, opdat uw blijdschap volkomen zal zijn. Dit heb Ik in beelden tot u gesproken. Er komt een uur dat ik niet meer in beelden tot u zal spreken, maar u vrij­uit over de Vader zal verkondigen. Op die dag zult u in mijn naam bid­den; en Ik zeg u niet dat Ik de Vader voor u zal vragen, want de Vader Zelf heeft u lief, omdat u Mij hebt liefgehad en geloofd hebt dat Ik van God ben uitgegaan. Ik ben van de Vader uit­gegaan en ben in de wereld gekomen; Ik verlaat de wereld weer en ga heen naar de Vader. Zijn discipelen zeiden: Zie, nu spreekt U vrij­uit en gebruikt geen beeld­spraak. Nu weten wij dat U alles weet en niet nodig hebt dat iemand U vraagt. Hierom geloven wij dat U van God bent uitgegaan. Jezus antwoordde hun: Gelooft u nu? Zie, er komt een uur en het is gekomen, dat u verstrooid zult worden, ieder naar het zijne, en u Mij alleen zult laten; en toch ben Ik niet alleen, omdat de Vader met Mij is. Dit heb Ik tot u gesproken, opdat u in Mij vrede hebt. In de wereld hebtu verdruk­king, maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.

In de verzen 16-22 kondigt de Heer de gevolgen van zijn dood, op­standing en hemel-vaart aan. En in de verzen 23-28 leert hij hun te bid­den tot de Vader in de naam van de Heer Jezus. Voorts legt Jezus de nadruk op vier grote heilsfeiten. 1. Dat hij van de Vader uitgegaan was; 2. Dat hij in de wereld gekomen was; 3. Dat hij de wereld weer zou verlaten; 4. Dat hij heen zou gaan tot de Vader. Gods Zoon is uit de he­mel neergekomen op een zondige en Gode vijandige wereld, om daar als offer voor de zonde te sterven, opdat allen die geloven, het eeuwige leven ontvangen. Nu is Hij naar de Vader teruggekeerd om aan allen die hij behouden heeft, dezelfde woonplaats, dezelfde zegeningen en dezelfde relaties te geven, die hij zelf als verheerlijkt Mens door zijn verzoeningswerk verkregen heeft. Ze zouden verdruk­king in de wereld hebben maar waar Satan een overwonnen vijand is, zouden ze de grote zegen van de overwinning genieten.

H0OFDSTUK 17: HET GEBED VAN JEZUS

In dit hoofdstuk vinden we niet meer de woorden die de Heer Jezus tot zijn discipelen richtte, maar de discipelen hoorden wat hij tot zijn Vader sprak. De Heer Jezus ziet hier vooruit naar de tijd dat hij aan het kruis gestorven zou zijn, en waarin de gelovigen van dit verlos­singswerk de vruchten zouden plukken. De gelovigen worden hier gezien als een gift die de Vader aan zijn Zoon gegeven heeft: „opdat hij eeuwig leven geeft aan allen die Gij hem gegeven heeft.” (v. 2). Met deze woorden beval de Heer Jezus zijn elf discipelen aan de zorg van zijn Vader aan. Het feit dat in vers 12 Judas wordt genoemd, be­wijst dat het hierom de elf apos­telen gaat.

Dit sprak Jezus en Hij hief zijn ogen op naar de hemel en zei: Vader, het uur is gekomen: verheerlijk uw Zoon opdat uw Zoon u verheer­lijkt; zoals U hem macht hebt gegeven over alle vlees, opdat alles wat U Hem gegeven hebt, Hij hun eeuwig leven geeft. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus die U hebt gezonden. Ik heb U verheerlijkt op de aarde, terwijl Ik het werk heb voleindigd dat U mij te doen hebt gegeven; en nu, verheerlijk Mij, U, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid die Ik bij U had voordat de wereld was.

Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld hebt gegeven. Zij waren de uwen en U hebt ze Mij gegeven; en zij hebben uw woord bewaard. Nu hebben zij erkend dat alles wat U Mij hebt gegeven, van U is. Want de woorden die U Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven en zij hebben aangenomen en waarlijk erkend dat Ik van U ben uitgegaan, en zij hebben geloofd dat U Mij hebt gezonden.

Nadat de Heer, hoewel Hij vlak voor Zijn lijden stond, in volkomen vrede Zich alleen bezig houdt met de belangen van de Zijnen, hen getroost en gesterkt heeft, wendt Hij Zich nu in het gebed tot de Vader voor hen. Zij zijn toehoorders bij dit wondervolle gebed, dat eigenlijk niet meer tot de wereld behoort; het is om zo te zeggen een voorbeeld van de werkzaamheid van de Heer bij de Vader in de hemel ten behoeve van de Zijnen, terwijl zij nog in de wereld zijn. Zij horen ook tegelijker­tijd, hoe innig en eeuwig de Zijnen door Hem en door de Vader geliefd zijn; de Vader heeft ze Hem uit de wereld gegeven en Hij van Zijn kant vertrouwt ze nu weer aan de Vader toe om hen trouw te bewaren in de wereld tot aan het einde. De Heer sprak deze woor­den dus nog in de wereld, opdat de Zijnen zouden weten, hoe trouw zij geliefd en behoed worden door de Vader en door de Zoon en opdat zo Zijn blijdschap in hen zou zijn (vers 13). Welk een groot voorrecht is het ook door dit ge­bed te vernemen welk een plaats wij hebben, zowel in het hart van de Heer, alsook in het hart van God de Vader! Het gebed zelf kunnen wij in vier delen verdelen:

De verzen 1-5 hebben betrekking op de Heer Jezus Zelf. De verzen 6-13 hebben betrekking op de discipelen aan wie de Vadernaam bekend ge­maakt is en die de woorden van de Vader door Hem ontvangen had­den, zodat zij zich konden verblijden in de zegeningen die hun heer­lijke posi­tie meebracht. De verzen 14-21 spreken van de versterking, die de ge­lovigen door hun verbinding met de Vader voortaan in de wereld hebben. De verzen 22-26 delen mee, welk een hoog en heer­lijk lot de gelovigen geschonken is, daar ze met Hem voor tijd en eeuwigheid verbonden zijn.

Ik vraag voor hen; niet voor de wereld vraag Ik, maar voor hen die U Mij hebt gegeven; want zij zijn de uwen (en al het mijne is het uwe en het uwe het mijne), en Ik ben in hen verheerlijkt. En Ik ben niet meer in de wereld, en zij zijn in de wereld, en Ik kom tot U, Heilige Vader: bewaar hen in uw naam die U Mij hebt gegeven, opdat zij één zijn zoals Wij. Toen Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam. Hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik bewaakt en niemand van hen is verloren gegaan dan de zoon van het verderf, opdat de Schrift vervuld werd. Maar nu kom Ik tot U en spreek dit in de wereld, opdat zij mijn blijdschap volkomen hebben in zichzelf. Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft hen gehaat, omdat zij niet van de wereld zijn, zoals Ik niet van de wereld ben. Ik vraag niet dat U hen uit de wereld wegneemt, maar dat U hen bewaart voor de boze. Zij zijn niet van de wereld, zoals ik niet van de wereld ben. Heilig hen door de waarheid: uw woord is de waarheid. Zoals U Mij in de wereld hebt gezonden, heb ook Ik hen in de wereld gezonden.

(v. 4 en 11) De Heer had op grond van Zijn gehoorzaamheid van God de Vader „macht ontvangen over alle vlees”, om tegelijk allen die God Hem uit de wereld gegeven had, het eeuwige leven te schenken. Wie God de Vader en de Zoon, Die de beloofde Verlosser is, kent, bezit het eeuwige leven. Dan horen we de heerlijke woorden: „Ik heb u verheerlijkt op de aarde; Ik heb het werk voleindigd” (v. 4). Op grond van deze beide grote feiten: dat de Heer de Vader verheerlijkt heeft, waar allen zonder uit­zondering Hem veronteerd hadden, en dat Hij het werk der verlossing volbracht heeft, dat Hij alleen volbrengen kon, zijn wij verlost en hebben God tot Vader; wij staan met Christus als kinderen in dezelfde positie. Nu bidt de Zoon de Vader om Hem op grond van zijn werk als mens te verheerlijken aan zijn rechterhand met de heerlijkkheid, die Hij als de Zoon Gods reeds van eeuwigheid af bezat (vgl. Fil. 2:6-11).

Vers 6-13: Nu spreekt de Heer tot de Vader over de Zijnen en zegt: „Ik heb hun Uw naam geopenbaard”. Het is de Vadernaam. God had Zich aan Abraham, die onder afgodendienaren leefde, geopenbaard als de Almacahtige (Gen. 17:1) en aan Zijn knecht Mozes als Jehovah de Eeu­wige, Onwankelbare (Ex. 3:14,15); maar Jezus heeft ons God als Vader geopenbaard en degenen die in Hem geloofden, gemaakt tot Gods kin­deren (Joh. 1:12,18;20:17). Bovendien heeft de Heer aan de Zijnen, die God Hem uit de wereld gegeven heeft, Zijn woord gegeven. Dat zijn twee grote zegeningen: God tot Vader te hebben en Zijn Woord te bezit­ten.

Dan geeft de Heer drie gronden aan, waarom Hij voor de Zijnen tot de Vader bidt: 1e. „Zij zijn de Uwen”. 2e. „Ik ben in hen verheerlijkt”. 3e. „Zij zijn in de wereld, en Ik ben niet meer in de wereld” (v. 9-11). Daarna richt Hij Zijn eerste bede tot de Vader: „Heilige Vader, bewaar hen in Uw naam” (v. 11).

Vers 14-21: De gelovigen bezitten het Woord van God, de Vader, temid­den van de wereld en ze zijn niet van de wereld; daarom onder­vinden zij de haat van de wereld (Vers 14-16, vgl. met Joh. 15:19, 20 en 1 Joh. 3:1, 13). Hoe ernstig dat de Heer tweemaal zegt, dat de Zijnen niet van de wereld zijn, zoals Hij niet van de wereld is (v. 13, 16). Daarom nu twee nieuwe beden: „Bewaar hen voor de boze!” ;„Heilig hen door de waarheid!” (v. 15 en 17).

De waarheid (het Woord Gods) zondert af en reinigt steeds meer en meer van alle soort kwaad (vgl. Ef. 5:26). Heiligheid en waarheid moe­ten de kenmerken zijn van de gelovigen als Gods getuigen in de wereld (vgl. Openb. 3:7, waar de Heer Zich noemt „De Heilige en Waarachtige”). Zoals Hij door de Vader in de wereld gezonden werd, om Hem hier te openbaren en van Hem te getuigen, zo heeft Hij nu de Zij­nen in de wereld gezonden met hetzelfde doel (vers 18). En als de Heer ervan spreekt dat Hij Zichzelf voor de Zijnen heiligt, denkt Hij aan Zijn heengaan naar de hemel (vgl. vers 19 met Hebr. 7:26). Door Zijn tronen in de hemel zijn allen die in Hem geloven en daarom met Hem verenigd zijn, volkomen van de wereld afgezonderd („geheiligd”).

En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd zijn door de waar­heid. En Ik vraag niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, zoals U, Vader, in Mij en Ik in U, opdat ook zij in Ons één zijn, opdat de wereld gelooft dat U MIJ hebt gezonden. En de heerlijkheid die U Mij hebt gegeven, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn zoals Wij één zijn: Ik in hen en U in Mij; opdat zij volmaakt zijn tot één, opdat de wereld erkent dat U Mij hebt gezonden en hen hebt liefgehad zoals U Mij hebt liefgehad. Vader, wat U Mij hebt gegeven _Ik wil dat waar Ik ben, ook zij bij Mij zijn, opdat zij mijn heerlijkheid aanschouwen die U Mij hebt gegeven, omdat U Mij hebt liefgehad vóór de grondlegging van de wereld. Rechtvaardige Vader, _ en de wereld heeft U niet ge­kend, maar Ik heb U gekend, en dezen hebben erkend dat U Mij hebt gezonden. En Ik heb hun uw naam bekend gemaakt en en zal die bekend maken, opdat de liefde waarmee U Mij hebt liefgehad, in hen is en Ik in hen.

Vers 22-26: Hier horen wij de laatste bede van de Heer: de Zijnen wil Hij bij Zich hebben in gelijke heerlijkheid. „Vader, Ik wil enz.” (vers 24). Het verlangen van de Heer is niet bevredigd, voor Hij de Zijnen daar heeft, waar Hij is. Eén heerlijkheid delen wij met Hem (die Hij iin de verlossing voor ons verworven heeft), de andere, Zijn persoon­lijke heer­lijkheid, die Hij als de Zoon van het welbehagen en van de liefde van God, de Vader eeuwig genoot, zullen wij zien (vers 22 en 24). Dat is ons wonderbaar heerlijk en eeuwig deel! En de wereld zelf zal eens moeten erkennen dat de verlosten evenzo door de Vader geliefd worden als Hij, de Zoon! (vers 23). Als de Heer daarna aan de wereld denkt, zegt Hij: „Rechtvaardige Vader” (vers 25). Als HIj voor Zichzelf spreekt, zegt Hij alleen: „Vader”; spreekt Hij over de Zijnen, dan zegt Hij: „Heilige Vader”. De wereld zal god in Zijn gerechtigheid moeten aanschouwen. Ten slotte zegt de Heer nog in Zijn gebed tot God dat Hij de heerlijke inhoud van Zijn Vadernaam nog steeds meer aan de Zijnen bekend maken wil en zo Zijn Vaderliefde voortdurend op de hele weg door de wereld te genieten wil geven (v. 26).

DE EENHEID DER APOSTELEN

De geestelijke eenheid van de apostelen blijkt uit hun geschriften, waarin ze op geen enkel punt van leer of van het leven elkaar tegen­spreken. Deze eenheid is goddelijk van oorsprong en karakter: „Opdat zij één zijn, zoals Wij”. Dat is de apostolische eenheid. Veel van wat de Heer Jezus hier vraagt is ook toepasselijk op alle gelovi­gen. „Heilig hen door de waarheid. Uw Woord is de waarheid” (vers 17). Menselijke gedachten worden door goddelijke vervangen. De vreugde van de Heer Jezus was, dat Hij temidden van haat en vervol­ging de gemeenschap met zijn Vader genoot. Deze vreugde temidden van haat vraagt hij ook voor de discipelen en voor alle gelovigen. De woorden: „Ik heilig mijzelf voor hen,” betekenen dat de Heer Jezus als Mens ten hemel gevaren is en vandaar bekend maakte dat alle gelovigen met Hem verbonden waren in deze hemelse positie. (Hebr. 7:26) „Opdat ook zij geheiligd mogen zijn door de waarheid. (v. 19)

DE EENHEID DER GELOVIGEN

Verder hebben we het gebed voor alle gelovigen van onze periode. De Heer vraagt:”Opdat zij allen één zijn.„(v. 21) Deze familie-eenheid is vandaag uiterlijk niet zichtbaar. Eenheid heeft met de fusie van kerken en groepen niets te maken. Er is één lichaam en één Geest, want hoewel er gelovigen in alle groepen en kerken zijn behoren ze in Gods oog tot dit ene lichaam.

DE EENHEID IN HEERLIJKHEID

De derde vorm van eenheid is voor de toekomst wanneer alle gelovi­gen bij de Heer zullen zijn. Dan is de eenheid uiterlijk en innerlijk volmaakt, en dat zal de heilige stad nieuw Jeruzalem zijn. Daar de familie-eenheid bestemd was om als getuigenis tegenover de wereld te dienen, kwam deze alleen voor in de eerste dagen van de jonge gemeente te Jeruza­lem, toen allen één hart en één ziel waren. Helaas is de familie-eenheid nu verloren maar de eenheid van het lichaam bestaat nog en kan uitge­drukt worden door het breken van het brood aan de Tafel van de Heer. Dit is echter de leer van Paulus, terwijl Johannes nooit verder gaat dan de familie-eenheid en over de ge­meente geen openbaring had. Hier hebben we dus de toekomstige eenheid in de heerlijkheid, dan zullen alle gelovigen volmaakt zijn in één. Hier vraagt Jezus om de verheerlij­king van de gelovigen die Hem spoedig tegemoet zullen gaan in de lucht. (1 Cor. 15:52 en 1 Thes. 4:16) Terwijl we daarmee het oordeel hebben over een wereld die God als rechtvaardige Vader niet wilde kennen.

HOOFDSTUK 18

Het evangelie van Johannes kan in vier delen verdeeld worden. 1. De komst van Gods Zoon in de wereld hoofdstuk 1-2. 2. Zijn bemoeienis­sen en gesprekken met Israël hfst. 3-12. 3. Onderwijs aan de gelovi­gen en gebed hfst. 13-17. 4. Zijn dood en opstanding hfst. 18-21. We zijn hier gekomen tot het lijden en sterven van Jezus. Eigenlijk komt zijn per­soonlijk lijden en de verschrikkelijke behandeling door de mensen in dit evangelie het minst uit, want als Gods Zoon stond hij boven wat mensen Hem aandeden, toen Hij door de wereld verworpen was. Zijn gaan naar Jeruzalem werd onderbroken door zijn verblijf in Bethanië, waar Hij gezalfd werd voor zijn begrafenis. Van alles wat hij van de zondige mensen te lijden zou hebben, vertelde Hij vooraf niets aan zijn discipe­len. In zijn gebed is het alsof Gethesemane, het kruis en het graf al voorbij waren, zoals in Hoofdstuk 13 reeds staat, dat Hij weldra uit deze wereld weer naar Zijn Vader zou terugkeren. Zo was Zijn geest niet bezig met Zijn lijden, maar met de hemel en Zijn Vader die Hem ver­wachtte. Zo is er geen sprake van het avondmaal, herinnering aan zijn lijden, maar van Zijn hemels leven en dienst. In alles wist Hij vooraf dat Hij overwinnaar zou zijn van de macht der duisternis, en zo kon Hij hen versterken en bemoedigen. In Zijn vrede konden ze al die lijdensdagen doorbrengen. Hij ontmoette de macht der duisternis toen Hij zelf uit het hemels heiligdom kwam. Bij Lukas komt in Gethsemane een engel hem versterken, want daar is Hij vooral als Mens getekend, maar hier is daar geen sprake van. Toen hier de bende met Judas aan het hoofd Hem kwam gevangen nemen, zei Hij eerst: Wie zoekt gij, en toen zij zeiden”Jezus de Nazarener„antwoordde Hij:”Ik ben het„en onmiddellijk val­len allen onder de macht van zijn Godheid ter aarde. Daarna zegt Hij:”Als gij dan mij zoekt, laat dezen heengaan„(v. 8). De discipelen gaan en geheel alleen gaat Jezus naar Golgotha. Alles toont zijn goddelijke grootheid en volmaaktheid zoals we in Psalm 36 over Jehova lezen. Dit alles spreekt over de grootheid en majesteit van God in al zijn wegen en bemoeienissen met ons. We vinden dus de Heer Jezus aan gene zijde van de beek Kedron, de plaats waarlangs David eens vluchtte voor zijn zoon Absalom, en waar hij doortrok met tranen en bedekt gelaat en blootsvoets om de Olijfberg te beklimmen, terwijl hij in Jeruzalem ver­raden werd (2 Sam. 15). Zeker zal Jezus, die dikwijls op die plaats ver­toefde aan zijn vader David gedacht hebben. Als de bende ter aarde valt is het wel duidelijk dat niemand hem het leven kon bene­men en dat Hij het vrijwillig gaf voor ons. Vuur uit de hemel kon deze hoofdman, Judas en zijn vijftig verteren, zoals in 1 Koningen 1. Als het Jezus behaagd had, zou die bende daar vandaag nog liggen, maar het verzoeningswerk moest volbracht worden, en dus liet hij toe dat ze weer opstonden, hem grepen en brachten naar de hogepriester Annas, de schoonvader van Kajafas. Daar in de binnenhof werd Petrus helaas gevonden op de weg van de goddelozen, zich met hen aan hetzelfde vuur warmend, en daar moet hij, na zijn verloochening de Heer Jezus weer alléén laten. Voor de hogepriester kan Hij, de vol­maakte in gedachte, woord en daad hun vragen:”Als ik verkeerd gesproken heb, getuig van het verkeerde, maar als ik goed gesproken heb, waarom slaat gij mij?„(v. 23)

Nadat Jezus dit gezegd had, ging Hij uit met zijn discipelen over de beek Kedron, waar een tuin was die Hij met zijn discipelen inging.

En ook Judas, die Hem overleverde, kende de plaats, omdat Jezus daar dikwijls met zijn discipelen samenkwam. Judas dan nam de legerafde­ling en de dienaars van de overpriesters en de farizeeën mee en kwam daar met lantarens, fakkels en wapens. Jezus dan, die alles wist wat over Hem zou komen, ging uit en zei tot hen: Wie zoekt u? Zij antwoord­den Hem: Jezus de Nazoreeër. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem overleverde, stond ook bij hen. Toen Hij dan tot hen zei: ik ben het, deinsden zij terug en vielen op de grond. Hij vroeg hun dan op­nieuw: Wie zoekt u? En zij zeiden: Jezus de Na­zoreeër. Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat Ik het ben; als u dan Mij zoekt, laat dezen heengaan; opdat het woord vervuld werd dat Hij had gezegd: Uit hen die U Mij hebt gegeven, heb Ik helemaal nie­mand verloren. Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het en trof de slaaf van de hoge­priester en sloeg zijn rechteroor af. De naam van de slaaf nu was Mal­chus. Jezus dan zei tot Petrus: steek het zwaard in de schede; de drinkbeker die de Vader Mij heeft gegeven, zou Ik die soms niet drinken?

Tevergeefs had het sanhedrin valse beschuldigingen tegen Christus gezocht. De valse getuigen spraken elkaar tegen. Het gevolg daarvan was, dat Jezus werd verworpen, niet op grond van het valse getuige­nis der mensen, maar op grond van het waarachtig getuigenis van God. Christus was gekomen om van de waarheid getuigenis af te leg­gen, en Hij legde getuigenis af tot de dood. Hij kon, noch wilde de waarheid betref-fende zichzelf, ontkennen. Inderdaad was Hij de Mes­sias, Zoon van de Gezegende. Hij had zijn mond niet geopend om de valse getuigen tegen te spreken, maar Hij wilde de waarheid van Zijn persoonlijke heerlijkheid niet verbergen. Maar welk een duis-ternis, waar zulk een verheven waarheid met haat ontvangen en als lastering wordt be­schouwd!

In Christus heeft God ons liefgehad, zoals slechts de Vader, die God is, kan liefhebben. De liefde van de Vader is een ondoorgrondelijke liefde, dieper en wijder dan de oceaan. De Zoon heeft deze liefde geopenbaard: ,,Een ieder, die de Zoon heeft gezien, heeft de Vader gezien..” In Hem vermag ieder kind van God het de Vader te kennen.

De twee bokken op de grote verzoendag (Lev. 16) geven twee zijden van één feit: de dood van Christus op het kruis. In de ene zien we Gods eer gehandhaafd, en in de andere de zonden opzij gezet. Zoals vroeger het lot de bok aanwees, die geslacht zou worden, is het lot voor de Heer op het heilig offer gevallen, opdat God volkomen ver­heerlijkt zou worden betreffende de zonde in zijn wijdste betekenis en God vrij zou zijn, om in genade te handelen tegenover allen, en het evangelie aan allen te prediken. Maar in de tweede bok, die in de woestijn werd gezonden, hebben wij de vergiffenis van het volk.

Zij dan leidden Jezus van Kajafas naar het pretorium; en het was ’s-morgens vroeg. En zij gingen niet in het pretorium, opdat zij niet zouden worden verontreinigd, maar het pascha zouden eten. Pilatus dan ging tot hen naar buiten en zei: Welke beschuldiging brengt u tegen deze mens in? Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Als Hij geen boos­doener was, zouden wij Hem niet aan u hebben overgeleverd. Pilatus dan zei tot hen: Neemt u Hem en oordeelt Hem naar uw wet. De Joden dan zeiden tot hem: Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen; opdat het woord van Jezus vervuld werd dat Hij had gezegd, toen Hij aanduidde wat voor een dood Hij zou sterven. Pila­tus dan ging opnieuw in het pretorium en riep Jezus en zei tot Hem: Bent U de ko­ning der Joden? Jezus antwoordde: Zegt u dit uit uzelf, of hebben ande­ren het u van Mij gezegd? Pilatus antwoordde: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij over­geleverd; wat hebt U gedaan? Jezus antwoordde: Mijn konin-krijk is niet van deze wereld. Als mijn koninkrijk van deze wereld was, zouden mijn dienaars hebben gestreden, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; maar nu is mijn koninkrijk niet van hier. Pilatus dan zei tot Hem: Bent U dus toch een koning? Jezus antwoordde: U zegt het, Ik ben een koning. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik van de waarheid zou getuigen. Ieder die uit de waarheid is, hoort naar mijn stem. Pilatus zei tot Hem: Wat is waarheid? En toen hij dit had gezegd, ging hij opnieuw naar buiten naar de Joden en zei tot hen: Ik vind geen enkele schuld in Hem. Maar u hebt een gewoonte dat ik u op het pas­cha iemand loslaat. Wilt u dan dat ik u de koning der Joden loslaat? Zij dan riepen opnieuw en zeiden: Niet Hem, maar Barabbas!

Barabbas nu was een rover.

HOOFDSTUK 19: DE KRUISIGING

Het verhoor door Herodes wordt hier niet verhaald, zodat we Jezus terugvinden bij Pilatus, die van plan was om Jezus uit de handen van de Joden te bevrijden. Jezus gaf hier het goede getuigenis voor Pila­tus die zeer verwonderd was, zo iemand te ontmoe-ten. Meer en meer werd Pilatus overtuigd dat Jezus onschuldig was, ook na de droom van zijn vrouw, maar er was in zijn hart zulk een liefde voor de wereld waarin hij zulk een hoge en eervolle positie bekleedde dat eindelijk deze liefde voor de wereld de sterke stem van zijn overtuigd geweten verdrong. De stem van de wereld klonk luider dan de stem van zijn geweten. Eerst verzekerde hij de Joden, dat hijzelf geen enkele schuld in Jezus vond, maar met luide kreten drongen ze zo aan dat hij eindelijk toegaf en Jezus overgaf om gekruisigd te worden. Alleen geloof kan de wereld overwinnen, de beste morele overtuiging kan dat niet. Joden en volken gingen nu samen als vertegenwoordigers van een boze wereld om de Vorst des Levens, de Heer der heerlijk­heid te kruisigen. De wereld in het hart van Pilatus kende de Heer Jezus niet, en Pilatus moest ervaren dat satan, de god dezer wereld in Jezus niets voor zijn belangen gevon­den had. Op Pilatus’ vraag:”Zijt gij de koning der Joden? . . “ antwoordde Jezus: „Zegt gij dit uit uzelf, of hebben anderen het u van mij gezegd?” De bedoeling van de Heer was te weten of Pilatus hier zelf pal stond voor de rechten van de keizer in Judea, of dat hij alleen maar de aanklacht van de Joden herhaalde. Twijfelde Pilatus aan zijn on­derwerping aan de Keizer dan kon hij een doorslaand bewijs geven dat hij nooit opstand tegen de keizer onderwees. Want toen de menigte Hem koning wilde maken had Hij zich in de eenzaamheid der bergen terugge­trokken. In niets stond Hij tegen Rome op. Want door hun zonde moesten de Joden een geldstuk gebruiken met het beeld van de keizer erop en Jezus had op de rechtmatig-heid daarvan gewezen. Jeruzalem moest door de heidenen vertreden worden tot in de toekomst, de tijden der heidenen vervuld zullen zijn, na Israëls bekering en herstel. Het antwoord van Pilatus was. „Ben ik een Jood? Uw volk en de overpriester hebben u aan mij overgeleverd; wat hebt gij gedaan?” (v. 35) Hiermee werd duidelijk, dat de Joden alléén Jezus doden wilden, en Pilatus niet. Israël verwierp zijn Koning, en liet hem door Rome doden.

Toen nam Pilatus dan Jezus en geselde Hem. En de soldaten vloch­ten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en wierpen Hem een purperen mantel om, en zij traden op Hem toe en zeiden: Ge­groet, koning der Joden. En zij gaven Hem slagen in het gezicht. En Pilatus ging opnieuw naar buiten en zei tot hen: Zie, ik breng Hem tot u naar buiten, opdat u weet dat ik geen enkele schuld in Hem vind. Jezus dan ging naar buiten met de doornenkroon op en het purperen kleed aan. En hij zei tot hen: Zie de mens! Toen dan de overpriesters en de die­naars Hem zagen, riepen zij aldus: Kruisig Hem, kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Neemt u Hem en kruisigt Hem, want ik vind geen schuld in Hem. De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet behoort Hij te sterven, omdat HIj zichzelf Gods Zoon heeft gemnaakt.

Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog banger; en hij ging opnieuw in het pretorium en zei tot Jezus: Waar bent U vandaan? Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zei tot Hem Spreekt U niet tegen mij? Weet U niet, dat ik macht heb U los te laten en macht heb U te kruisigen? Jezus antwoordde hem: U zou geen enkele macht tegen Mij hebben, als het u niet van boven was gegeven; daarom heeft hij die Mij aan u heeft overgeleverd, een grotere zonde. Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten; maar de Joden riepen aldus: Als u Deze loslaat, bent u geen vriend van de keizer; ieder die zich koning maakt, weerspreekt de keizer. Toen Pilatus dan deze woorden hoorde, leidde hij Jezus naar buiten en ging op de rechter­stoel zitten op de plaats die Lithostrótos heeft en in het Hebreeuws Gabbatha. Nu was het de voorbereiding van het pascha; het was on­geveer het zesde uur. En hij zei tot de Joden: Zie, uw koning! Zij dan riepen: Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem! Pilatus zei tot hen: Moet ik uw koning kruisi­gen? De overpriesters antwoordden: Wij hebben geen koning dan de keizer. Toen leverde hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.

Voorlopig zou dus het koinkrijk van Christus niet op aarde zijn. Ongelo­vig Israël kan Zijn volk niet zijn. Maar toch handhaafde Jezus zijn titel van koning der Joden en beleed dit openlijk aan Pilatus. Op zijn vraag: „Zijt gij dan een koning?” antwoordde Hij met zijn goed, oprecht belij­denis voor Pilatus. Hoewel de arbeiders Hem uit de wijngaard wierpen, was Hij toch de Erfgenaam. Hij was gezalfd om in Sion te heersen, maar de burgers zeiden: „We willen niet dat deze koning over ons is.” Het kruis en de opstanding zouden weldra bewijs leveren van zijn goddelij­ke en koninklijke heerlijk-heid. Hier hebben we weer de bespotting van Jezus door de soldaten. Daarna zwicht Pilatus voor de aandrang der Joden, die hem betichten dat hij geen vriend van de keizer zou zijn als hij Jezus losliet. Hier zien we Jezus zijn eigen kruis dragen tot Gol-go­tha.

Aleen Johannes geeft de discussie tussen Pilatus en de Joden over het opschrift op het kruis: „Jezus de Nazarener, de koning der Joden.” Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en haar zuster en Maria Mag­delena. Door zijn moeder aan Johannes toe te vertrouwen legde Jezus zijn menselijke liefde neder. Zijn gehele leven was hij getrouw geweest aan de liefde tot zijn moeder. Voortaan zou Maria met Jezus verbonden zijn zoals alle gelovigen dat zijn: „Wie de Heer aanhangt is één geest met Hem.” (1 Cor. 6:17)

Hierna zei Jezus, die wist dat nu alles was volbracht, opdat de Schrift werd vervuld: Ik heb dorst! Er stond een vat vol zure wijn, en zij vulden een spons met zure wijn, omlegden die met hysop en brach­ten die aan zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn had genomen, zei Hij: Het is volbracht! En Hij boog zijn hoofd en gaf zijn geest over.

Opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op de sabbat, daar het de voorbereiding was (want de dag van die sabbat was groot), ver­zochten de Joden dan Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggeno­men zouden worden. De soldaten dan kwamen en braken wel de benen van de eerste en van de andere die met Hem waren gekruisigd; maar toen zij bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al was gestorven, braken zij zijn benen niet. Maar één van de soldaten door­stak zijn zijde met een speer en terstond kwam er bloed en water uit. En hij die het heeft ge­zien, getuigt het en zijn getuigenis is waar; en hij weet dat hij zegt wat waar is, opdat ook u gelooft. Want deze din­gen zijn gebeurd opdat de Schrift vervuld wordt: „Geen been van Hem zal worden verbrijzeld”.En weer een ander Schrifwoord zegt: „Zij zullen zien op Hem die zij hebben doorstoken”.

Na de dood van de Heer doorstak een soldaat zijn zijde met een speer, en er kwam bloed en water uit, zoals Johannes later schreef: „Want drie zijn er, die getuigen, de Geest en het water en het bloed, en de drie zijn eenstemmig.” (1 Johannes 5:8-12) En wat leert ons dat getuigenis? „En dit is het getuigenis: dat God ons eeuwig leven gegeven heeft en dit leven is in zijn Zoon.” Het rode bloed nam onze zonden, die zo rood waren als scharlaken weg, en het water bewaart ons in heilige gemeen­schap met God. Israël zal eens zijn littekens zien en zich bekeren. Je­zus was met de rijke in zijn dood. Nadat Je­zus zijn bloed had uitgestort, tot volkomen uitdelging der zonden, heeft Hij dit bloed in Gods tegen­woordigheid gebracht en de besprenging uitgeoefend. Het bloed van het Lam heeft zulk een hoge waarde in Gods ogen, dat Hij tengevolge van dit bloed en op grond van Zijn gerechtigheid alle zonden kan vergeven en de zondaar kan ontvangen als volmaakt rechtvaardig in Christus. Het werk van Chris­tus voor ons is absoluut en eeuwig volkomen. Wij zijn niet gered door de waarde die wij aan het bloed hechten, maar eenvou­dig door het bloed. Door zijn dood op het kruis heeft Hij op beslissende wijze krachteloos gemaakt degene, die de macht van de dood had. Daarna is Jezus opgestaan, tonend, welk een overwining Hij volbracht had.

BEGRAFENIS VAN JEZUS

Jozef van Arimathea en Nicodemus, die nu geloofden, maakten zich tot beelden van Israël dat zich in de toekomst zal bekeren. Eerst had­den ze grote vrees voor dat onge-lovige volk en voor de dreigementen van de synagoge, en hadden de Heer tijdens zijn leven niet kunnen begeleiden.

Maar tenslotte getuigden zij openlijk van hun geloof, nadat ze aanschouwd hadden Hem die de Joden doorstoken hadden. Eens zal het zo zijn met de inwoners van Jeruzalem als ze een rouwklacht over Hem zullen aanheffen als over een eniggeboren Zoon. In de hof van Eden had Adam toegang tot de boom des levens, maar hij verkoos de dood boven het leven. Hier in de tweede hof, die van Jozef van Arima­thea, was de straf voor Adams zonde al gedragen. Jezus stierf zonder ooit de verbo­den vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad gegeten te hebben. Eden was een lusthof, deze hof was een kerkhof.

HOOFDSTUK 20

Maar Jezus bracht het leven en de onsterfelijkheid aan het licht, zo­dat opnieuw in het paradijs van God, een boom van eeuwig leven is. Want er ging een morgen aanbreken, waarop deze grafplaats getuige werd van de opstanding en de overwin-ning over Satan, dood en hades door de Zoon van God, basis van een eeuwig en overwinnend leven voor allen die geloven. Jezus is opgestaan, de kop van de slang was vermorzeld, want door de dood had hij de macht van Satan, die de macht van de dood had vernietigd. Alle mensen hebben het ware leven, de relatie met God verloren. Temidden van een wereld waar de dood heerst, heeft de levende God gewerkt, om nieuw leven te scheppen, en dit op grond van de opstanding van Jezus. De derde dag was die waarop Abraham zijn zoon als uit de dood terugontving. Ook is de derde dag de dag van het beloofde herstel van Israël volgens Hosea 6:2, twee dagen betekenen hier 2000 jaar waarin Israël onder de volken verstrooid zou zijn. Het was ook op de derde dag dat Jona door de vis op het droge werd gede­poneerd, eveneens een beeld van Israël. Op deze derde dag vinden we Maria Magdalena bij het graf om het lichaam van Jezus te zoeken. Christus is opgestaan!

Welk een onvergelijkbaar feit! Zo zichtbaar en zo tastbaar was het, dat het gedrag der discipelen duidelijk bewijst, dat het geen visioen van dwepers was. Ze verwachtten immers helemaal niet meer, dat Jezus op zou staan. Toen ze het nieuws vernamen, wilde geen enkele er iets van geloven! Al hun hoop was vervlogen en alles was trooste­loos duister in hun ogen. Bij het nieuws van zijn opstanding waren ze hevig ,,ontsteld..” (Luk. 24:22) En zelfs, toen Jezus persoonlijk in hun midden verscheen, wilden ze niet geloven en dachten ze een geest te zien.

De opstanding van Jezus Christus is de basis van het evangelie, de grondslag van het Christendom. Ons eeuwig behoud staat of valt met dit feit. Als we buigen voor de onomstotelijke bewijzen van de op­standing van Christus, dan bezitten we door het geloof de eeuwige resultaten van Zijn overwinning.

Na Maria Magdalena komen ook Petrus en Johannes. Ze vonden daar niet wat ze zochten, maar wel de bewijzen van zijn overwinning over de macht van de dood. Desondanks waren de discipelen vol van twij­fels. Maria Magdalena zag twee engelen in het graf, de een aan het hoofd en de ander aan de voeten, op de plek waar Jezus gelegen had. Daarna ontmoette ze Jezus zelf maar dacht dat hij een tuinman was en zei: „Heer, als ge hem weggedragen hebt zeg mij waar gij hem gelegd hebt en ik zal hem wegnemen!” Maar ze had de opgestane Heer ontmoet, en toen Hij haar naam uitsprak herkende ze Hem als haar Meester. Dade­lijk bracht de Heer haar tot een dieper kennis van Hemzelf. Dit evange­lie tekent Gods Zoon temidden van een hemelse familie: „Ga heen naar mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God,” (v. 17) waarop Maria deze boodschap aan de dis­cipelen ging brengen. In psalm 22 had de Geest van Christus gezegd: „Ik zal uw naam aan mijn broeders ver­kondigen.” Inderdaad zien we diezelfde dag het bezoek van de Eerstgeborene aan zijn broeders. Op deze wijze had hij ook beloofd tegenwoordig te zijn temidden van twee of drie die in Zijn naam ver­gaderd waren (Matth 18:20), „Zoals mijn Vader mij gezonden heeft, zend Ik ook u”. (v. 21) Ze worden de wereld in gezonden met een boodschap van liefde en genade, vergiffenis van zonden en eeuwig leven. Deze laatste opdracht vinden we in de vier evangeliën steeds in verband met het speciale evangelie. Mattheus toont de almacht van Jezus; alle volken moeten onderwezen worden. Markus toont de dienst van het evangelie-prediken en dopen; wie niet gelooft zal ver­loren gaan. In Lukas worden alle gelovigen als getuigen naar alle volken der wereld gezonden. Hier, in Johannes vinden we Je­zus die hemels leven blaast in de zijnen, en ze uitzendt, niet vanuit Jeru­zalem maar uitgezonden van de Vader. De boodschap aan Thomas is eigenlijk een boodschap aan de Joden, die eerst willen zien en dan pas geloven. Zij, die geloofd hebben zonder te zien hebben een hoge­re, bevoorrechte positie, dat is die van de Gemeente van Christus in de huidige periode. Zoals Thomas na acht dagen niet alleen de Heer kon zien maar ook zijn vinger in zijn littekens leggen, zo zal Israël eens zien op Hem die zij doorstoken hebben; ze zullen daar geloven en in zegen op aarde hersteld worden. Terwijl Israël de aarde zal bewonen, de voe­tenbank van de koning, zal de gemeente met Jezus zitten op de troon van het heelal.

Toen het dan avond was op die eerste dag van de week, en de deuren waar de discipelen waren, wegens hun vrees voor de Joden waren gesloten, kwam Jezus, ging in het midden staan en zei tot hen: Vrede zij u! En toen Hij dit had gezegd, toonde Hij hun zijn handen en zijn zijde. De discipelen dan verblijdden zich toen zij de Heer zagen. Je­zus dan zei opnieuw tot hen: Vrede zij u! En toen Hij dit had gezegd, blies Hij in hen en zei tot hen: Ontvangt de Heilige Geest. wie u ook de zon­den vergeeft, zij zijn hun vergeven; wie u ook de zonden houdt, zij zijn hun gehouden. Thomas nu, één van de twaalf, die Didymus heette, was niet bij hen toen Jezus kwam. De andere discipelen dan zeiden tot hem: Wij hebben de Heer gezien! Maar hij zei tot hen: Als ik in zijn handen niet het teken van de nagels zie en mijn vinger steek in het teken van de nagels en mijn hand steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven. En na acht dagen waren zijn discipelen weer bin­nen en Thomas was bij hen. Jezus kwam terwijl de deuren gesloten waren, ging in het midden staan en zei: Vrede zij u! Daarna zei Hij tot Thomas: Breng je vinger hier en zie mijn handen, en breng je hand en steek die in mijn zijde, en wees niet ongelovig maar gelovig. Thomas antwoordde en zei tot Hem: MijnHeer en mijn God! Jezus zei tot hem: Omdat je Mij hebt gezien, heb je geloofd? Gelukkig zij die niet gezien en toch geloofd hebben.

HOOFDSTUK 21: AAN DE ZEE VAN TIBERIAS

Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw aan de discipelen bij de zee van Tiberias; en Hij openbaarde Zich zo: er waren bijeen Simon Petrus, Thomas die Didymus heette, Nathanaël die uit Kana in Galiléa was, de zonen van Zebedeus en twee anderen van zijn disci­pelen. Simon Petrus zei tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u mee. Zij gingen naar buiten en stapten in het schip; en in die nacht vingen zij niets. En toen het al vroeg in de morgen was, stond Jezus op het strand; de discipelen wisten echter niet dat het Jezus was. Jezus dan zei tot hen: Kinderen, hebt u soms iets te eten? Zij antwoordden Hem: Nee. Hij nu zei tot hen: werpt het net uit aan de rechterkant van het schip en u zult vinden. Zij dan wierpen het uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte van de vis­sen. Die discipel dan die Jezus liefhad, zei tot Petrus: Het is de Heer! Toen Simon Petrus dan hoorde dat het de Heer was, omgordde hij zich het opperkleed (want hij was onge­kleed), en wierp zich in de zee. De andere discipelen nu kwamen met het scheepje (want zij waren niet ver van het land, maar slechts onge­veer tweehonderd el), terwijl zij het net met de vissen sleepten. Toen zij dan aan land waren gegaan, zagen zij een kolenvuur liggen en vis daarop liggen en brood. Jezus zei tot hen: Brengt de vissen die u nu hebt gevangen. Simon Petrus ging op en trok het net op het land, vol grote vissen, honderddrieënvijftig; en hoewel het er zoveel waren, scheurde het net niet. Toen zij dan hadden ontbeten, zei Jezus tot Si­mon Petrus: Si­mon, zoon van Johannes, heb je Mij meer lief dan dezen? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Weid mijn lammeren. Hij zei opnieuw tot hem, voor de tweede keer: Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief? Hij zei tot Hem: Ja Heer, U weet dat ik van U houd. Hij zei tot hem: Hoed mijn schapen. Hij zei tot hem voor de derde keer: Simon, zoon van Johannes, houd je van Mij? Petrus werd bedroefd omdat Hij voor de derde keer tot hem zei: Houd je van Mij? En hij zei tot Hem: Heer, U weet alles, U weet dat ik van U houd. Jezus zei tot hem: Weid mijn schapen.

We leren hier hoe de Heer gezorgd heeft dat er herderlijke zorg voor zijn gemeente op aarde zou zijn. In het begin van dit hoofdstuk vinden we de apostelen bezig met het-zelfde werk zoals ze dat deden voordat de Heer Jezus hen riep. Petrus en de zonen van Zebedeus zijn weer bezig met vissen. Toen de Heer een wonderbare visvangst gegeven had waren al hun netten gebroken, een beeld van ongelovig Israël. Nu, na de opstan­ding, verschijnt de Heer en geeft hun een tweede wonderbare visvangst waarvan ze een feestmaal kunnen bereiden, en nu bleven de netten heel. Het was Zijn derde verschijning. De eerste was op de dag van zijn opstanding, de tweede acht dagen later, met Thomas erbij. Hier bij de derde geeft hij een voorsmaak van de toekomstige zegen van Israël, dat weldra vrucht zal dragen voor God. Omdat Petrus oprecht in de Heer geloofde, was hij niet bang, met Jezus alléén te zijn, hoewel hij Hem driemaal verloochend had. Jezus volbracht in het hart van Petrus nu een dieper werk van liefde en genade door hem in gemeenschap met zichzelf en in de herderlijke dienst te herstellen. Jezus had voor hem gebeden, dat zijn geloof niet mocht ophouden. De drievoudige ver­loochening krijgt hier een drievoudig echo in de woorden: „Hebt gij mij lief?” en daarna voorzegt Hij, dat Petrus zijn getuigenis met de marte­laarsdood zou bezege­len.Daarna voegt hij eraan toe: „Volg Mij”. Zoals Hij eens zei: „Waar Ik heenga kunt gij mij nu niet volgen, maar gij zult mij later volgen.” (Joh. 13:36). Zodra Johannes Petrus ziet volgen, staat hij op en volgt ook Jezus. Op een vraag van Petrus zegt Jezus, dat deze discipel niet als martelaar zou sterven maar gebruikt zou worden, om in de Open­baring van Johannes, de wederkomt van de Heer Jezus te beschrij­ven. Zo zien we beide knechten van Jezus hun Meester volgen, en het is als of een wolk hen uit ons gezichtsveld wegneemt. Verdere beschrijving over hun einde is ons niet bekend. Mocht een ieder van ons Jezus volgen, want het werkelijke einde van ons zal de glorie zijn, een plaats in het huis van de Vader. Hij kwam voor ons neder op aarde, wij gaan met Hem op in de hemel. Het geloof wacht de Zoon van God van de hemel om Hem te ontmoeten in de lucht en voor eeu­wig met Hem te zijn.

WANNEER SCHREEF JOHANNES?

De geschriften van Paulus en Johannes, apostelen van Jezus Chris­tus, zijn voor ontelbare gelovigen tot eeuwige zegen geweest. Bij beiden staat de heerlijkheid van de persoon en het werk van Jezus Christus centraal. Behalve veel overeenkomsten zijn er ook duidelijke verschil­len. Johannes beschrijft hoe God zelf in de mens Christus Jezus, het vleesgeworden Woord, uit de hemel op aarde gekomen is, terwijl Paulus beschrijft hoe wij, die in Hem geloven, in Christus tot in de hoogste hemelen verheven worden. Ook op het punt van eenheid en gemeen­schap is er een groot verschil tussen wat Paulus beschrijft en wat Jo­hannes onderwijst, hoewel er een volmaakte harmonie en geen enkele tegenspraak is. Paulus brengt de eenheid van de ge­meente der gelo-vi­gen als lichaam en bruid van Christus, terwijl Jo­hannes de familieëen­heid brengt waarin God de Vader der gelovigen is en wij als kinderen van God de broeders van de Heer Jezus genoemd worden. Paulus schreef zijn brieven lang voordat Johannes zijn geschriften schreef. Paulus legde als bekwaam bouwmeester het fundament voor de ge­meente waarvan Christus zelf de belangrijkste hoeksteen is. Nadat op deze wijze zowel in Asia, Macedonië, Achaje en Italië vele gemeenten gevormd waren, trad tegen het einde van de dienst van Paulus helaas verval op. Voordat Paulus zijn loop beëin­digd had, keerden alle door hem gevormde gemeenten in Asia, zijn belangrijkste arbeidsterrein, zich van hem af. Johannes begon te schrijven toen alle gemeenten het door Paulus beschreven karakter reeds verloren hadden. We willen hier aanhalen wat J.N. Darby over deze dingen schrijft:

“Wat betreft Petrus en Paulus hebben wij schriftuurlijk gezag om hen respektievelijk te beschouwen als de apostel van de besnedenen en de apostel van de onbesnedenen. Petrus en de twaalven bleven in Jeruza­lem toen de discipelen verstrooid werden en, hoewel God er­voor waakte, dat de eenheid gehandhaafd bleef, zetten zij het werk van Christus voort in het overblijfsel van Israël en vergaderden de verloren schapen van het huis Israëls bijeen tot een gemeente op aarde. Nadat Paulus de bediening van de gemeente heeft ontvangen, alsmede de bediening van het evangelie aan de hele schepping die onder de hemel is (Kol. 1), legt hij als een wijs bouwmeester het fundament. Petrus doet ons als pelgrims op weg gaan om de opge­stane Christus te volgen naar de erfenis die boven is. Hoewel Paulus dit erkent, zoals in Filippi 3, toont hij ons in de volle ontwikkeling van zijn leer de heiligen gezeten in de hemelse gewesten in Christus, erfgenamen van alle din­gen, waarvan Hij erfgenaam is.

Dit alles staat in verbinding met deze bedeling en is zeer leerzaam. Maar Johannes neemt een andere plaats in. Hij spreekt niet over bede­lingen en voert de heilige, noch zelfs de Heer Zelf, niet in de hemel, hoewel hij het feit enkele malen noemt (zoals in Joh. 13:1; 14:1; 17:24; 20:17). Jezus is voor hem een Goddelijk Persoon, het vlees-geworden Woord, die God en zijn Vader openbaart, eeuwig leven dat neergedaald is op aarde. De brief van Johannes behandelt het vraagstuk van ons deelhebben aan dit leven en het karakter ervan.

Maar aan het eind van het Evangelie, nadat Hij het zenden van de Trooster na zijn heengaan heeft aangekondigd, ontvouwt Christus (zij het op een geheimzinnige wijze) aan de discipelen de voortzetting van Gods handelingen met de aarde, waarvan Johannes door zijn bedie­ning de vertegenwoordiger is, die de openbaring van Christus op aarde bij zijn eerste komst verbindt met zijn openbaring bij zijn tweede komst; de Persoon van Christus en het eeuwige leven in Hem zijn daarbij de blij­vende zekerheid en het levende zaad van God, ter­wijl wat de bedeling betreft alles verdorven was en in verwarring en verval. Als alles uiterlijk in wanorde zou zijn, dan zou het eeuwige leven nog hetzelfde zijn.

De verwoesting van Jeruzalem vormde een gewichtig tijdstip wat deze dingen betreft, omdat de joodse gemeente als zodanig gevormd op de Pinksterdag, had opgehouden te bestaan (ja zelfs al vóór dit tijdstip); alleen de gerechtelijke handeling werd toen uitgevoerd. De christenen waren gewaarschuwd de legerplaats te verlaten. De breuk van het Christendom met het Jodendom werd voltooid. Christus kon de gemeen­te, die gesticht was in het overblijfsel van de Joden, niet langer be­schouwen als zijn eigen zetel van het aardse gezag. Dit was zedelijk waar vanaf Hand. 3, waar de joodse leiders het getuigenis verwierpen van een verheerlijkte Christus die zou terugkeren, zoals zij ook een vernederde Christus hadden verworpen. Hand. 7 sluit bij monde van Stefanus Gods handelingen met hen in getuigenis af en de hemelse bijeenvergadering begint, als zijn geest in de hoge ontvan­gen is. De verwoesting van Jeruzalem sloot de joodse geschiedenis gerechtelijk af. Maar helaas! de gemeente, zoals Paulus die eveneens gevestigd had, was al van zijn eerste staat afgevallen en kon in geen enkel opzicht de gevallen erfenis van Israël overnemen. Allen zoeken hun eigen belang, niet dat van Jezus Christus, zegt Paulus. Allen die in Asia waren - Efeze, de geliefde plaats waar heel Asia het woord van God gehoord had - hadden hem verlaten. Degenen die speciaal gebracht waren op de plaats van de gemeente, met volledig begrip van zaken, konden die plaats niet behouden in de kracht van het ge­loof. Inderdaad, de verbor­genheid van de wetteloosheid was al eerder aan het werk en zou doorwerken en toenemen, totdat wat uiteindelijk afval tegenhield, zou zijn weggenomen.

Hier in deze toestand van algemene verwording en verval, begint de bediening van Johannes. Er was standvastigheid in de Persoon van Christus, eerst wat betreft het eeuwige leven, maar ook wat betreft de wegen van God op aarde. Als de gemeente uit zijn mond gespuwd zou worden, zou Hij de trouwe getuige zijn, het begin van de schepping Gods. Laten we de verbindingen hiermee in zijn Evangelie nagaan.

In Joh. 20 hebben wij, zoals elders in bijzonderheden is opgemerkt, een beeld van Gods wegen vanaf de opstanding van Christus, totdat we komen bij het overblijfsel van Israël in de laatste dagen, voorge­steld door de blik van Thomas op de Doorstokene en het geloven door aanschouwen. In hoofdstuk 21 hebben we behalve het overblijfsel de volledige bijeenvergadering in het duizendjarig rijk. Dan wordt aan het eind van het hoofdstuk de bijzondere bediening van Petrus en Johannes uiteengezet, hoewel op bedekte wijze. De schapen van Je­zus uit de besnijdenis worden toevertrouwd aan Petrus; maar deze bediening zou een einde nemen evenals die van Christus. De gemeen­te zou niet ge­sticht worden op deze grond, evenmin als Israël. Hier was er geen blij­ven totdat Christus zou komen. Paulus wordt natuur­lijk op geen enkele wijze genoemd. Voor hem behoorde de gemeente tot de hemel en was het lichaam van Christus, het huis van God. Hij was een bouwmeester. De bediening van Petrus werd in feite af­gesloten en de gemeente uit de besnijdenis zonder herder achtergela­ten, voordat de verwoesting van Jeruzalem voor altijd een einde maakte aan elke dergelijke verbinding. Dan stelt Petrus een vraag over Johannes. De Heer antwoordt op een duidelijk bedekte wijze maar stelt, als iets dat Petrus die Hem had te volgen niet aanging, het einde van de bediening van Johannes zover uit, dat die mogelijkerwijs zou kunnen duren tot de wederkomst van Chris­tus. Nu is de Bruidegom in werkelijkheid uitgebleven: maar de dienst en de bediening van Johannes door het woord (wat alles was wat over­bleef en geen apostel die persoonlijke zorg droeg) duurden wel voort tot de wederkomst van Christus. Johannes was geen bouwmeester zoals Paulus; er was geen bedeling aan hem toevertrouwd. Hij was verbon­den met de gemeente in haar aardse structuur zoals Petrus, niet in haar „Efeze” - of hemelse structuur; hij was niet de dienaar van de besnijde­nis, maar zette het aardse systeem voort onder de heidenen, alleen vasthoudend aan de Persoon van Christus. Zijn bijzondere taak was te getuigen van de Persoon van Christus, op aarde gekomen met Goddelij­ke aanspraak erop - macht over alle vlees. Dit verbrak niet de schakels met Israël, zoals in de bediening van Paulus, maar verhief de macht die alles bijeenhield in de Persoon van Christus tot een hoogte, die de macht dwars door alle verborgen tijden of machten deed voortduren tot de vestiging ervan over de wereld aan het einde; het sloot Israël als zodanig niet uit, maar vergrootte het gebied van de uitoefening van de macht van Christus om die over de wereld te stel­len en vestigde die niet in Israël als de bron ervan, al zou die macht Israël zelf op zijn eigen plaats kunnen bevestigen vanuit een hemelse machtsbron.”

Zoals de ketting van een veerpont alleen aan de uiteinden zichtbaar is, terwijl het lan-ge middenstuk onzichtbaar op de rivierbedding ligt, zo werd de eenheid van het lichaam van Christus die wel alle eeuwen door bestaan heeft, alleen zichtbaar als een duidelijk getuigenis aan het begin van de geschiedenis van het christendom, maar ging als zichtbaar getuigenis verloren bij het heengaan van de apostel Paulus. Toen deze eenheid niet meer zichtbaar was en het gezag van Christus als enig Hoofd vervangen werd door dwaalleraren en bischoppelijke heersers, was de gemeente als zodanig geruïneerd en in het jaar 100 trad alge­meen de zich katholiek noemende kerk op onder de overhee­rsing van bischoppen en uiteindelijk van Pausen.

De apostel Johannes werd nauwelijks nog in enige gemeente ontvan­gen en in die tijd schreef hij zijn evangelie, de Openbaring, en zijn brieven. De gemeente komt in zijn geschriften niet meer voor als kanaal voor veiligheid en verlossing, of als een weg tot eeuwig heil, maar al Gods liefde voor arme zondaren is geconcentreerd in de per­soon van Christus en zijn volbrachte werk op Golgotha. Daar de brieven van Paulus aan de geschriften van Johannes voorafgingen, waren deze brieven zowel bij Petrus als Johannes bekend, zoals we in 2 Petr. 3:15,16 lezen. Om de eenheid, zowel onder Gods kinderen als in de gemeente te handhaven, hebben wij de Nieuw Testamentische geboden van de Heer.

We lezen in 1 Cor. 14:37: „Als iemand meent een profeet te zijn of geestelijk, laat hij erkennen, dat wat ik u schrijf een gebod van de Heer is.”

„Want gij weet, welke bevelen wij u gegeven hebben door de Heer Je­zus”. (1 Thess 4:2) Aan het eind van zijn brieven geeft de apostel aller­lei praktische geboden voor het christelijke leven. Als Johannes spreekt over de geboden, dan behoren daartoe ook de geboden die door de an­dere apostelen zijn gegeven. „Wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die mij liefheeft; en wie mij liefheeft zal door mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben en mijzelf aan hem openba­ren.”(Joh. 14:21)

„Wie zegt: ik ken Hem, en zijn geboden niet bewaart, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet” (1 Joh. 2:4). „Hieraan weten wij dat wij de kinderen van God liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijn geboden bewaren. Want dit is de liefde van God, dat wij zijn geboden bewaren; en zijn geboden zijn niet zwaar.” (1 Joh. 5:2-3) De wet van Mozes diende voor ongelovigen om - indien een mens in staat was geweest daaraan te gehoorzamen - het leven te kunnen ontvangen. De geboden van de Heer Jezus zijn gegeven om Gods kinderen in liefde, eenheid en gemeenschap te doen wandelen, zonder geschillen over wat mag of wat niet mag. Van ongeveer het einde van de eerste eeuw na Christus af konden gelovigen als ze ge­hoorzaamden aan de voor hen geldende geboden van Christus, indi­vidueel genieten van de gemeen­schap met de Vader en de Zoon. De praktische basis voor de orde van de gemeente was door de ruïne daarvan vervallen. We kunnen begrijpen waarom in de geschriften van Johannes geen sprake is van de instelling van het avondmaal en dat het onderwerp van de gemeente er niet in behandeld wordt zoals bij Paulus.

Deutsch
de
English en français fr italiano it Nederlands nl español es português pt Norsk no svenska sv Polski pl čeština cz Slovák sk Magyar hu român ro Български bg hrvatski hr Pyсский ru Türkçe tr عربي ar

       

Heer, wees mijn Gids  -  Come, Now Is The Time To Worship

                              

INFO: DE WEG - DE WAARHEIDHET LEVENFILM - AUDIO

 Meld aub een 'dode link'onder vermelding van de pagina waarop

Please report a ' dead link' onder mention of the page on which

Wie zoekt zal vinden           


www Holyhome.nl

Boeiende Series :

Kijk ook eens op: * Bible Study: The Bible alone!

* L'étude biblique: Rien que la Bible!

* Bibelstudium: Allein die Bibel!

* Software voor Bijbelstudie

Read and Hear the Holy Bible in over 40 languages:


De Statenvertaling is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het boek der boeken Een stempel gedrukt op de Nederlandse cultuur:


  Webmaster    Assistente

Successfull checked XHTML 1.0 !

Successfull checked CSS version 3!

Waard om te weten :

Een hartelijk welkom op de site
Deze pagina printen
Sitemap
Wie zoekt zal vinden


Vragen naar de weg
Leerzame antwoorden op levens- en geloofsvragen

Hebreeën 4:12 zegt: "Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden"Lees eens: Het zwijgen van God

God heeft zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Lees eens:  God's Liefde

Meer weten over de Psalmen, gezangen, liturgieën, belijdenisgeschriften: Catechismus, Dordtse Leerregels en veel andere informatie? . Kijk opOnline-bijbel.nl

Bible-people - stories of famous men and women in the Bible
Bible-archaeology - archaeological evidence and the Bible
Bible-art - paintings and artworks of Bible events
Bible-top ten - ways to hell, films, heroes, villains, murders....
Bible-architecture - houses, palaces, fortresses
Women in the Bible -
 great women of the Bible
The Life of Jesus Christ - story, paintings, maps


Read more for Study - (Apocrypha, Historic Works, Pseudepigrapha, Old Testament Apocrypha, New Testament Apocrypha, New Testament Discoveries, Commentary, New Testament Pseudepigrapha, Egyptian, Babylonian, Ugaritic, Dead Sea Scrolls (NL-uitleg over de rollen)

Bijbel voor Slechtzienden Online       en ook:  Begrippenlijst   -1-   -2-



Spirit24 omdat er meer is