CHRISTELIJKE VRIJHEID

Lees de Bijbel   De Bijbel is niet een boek dat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 

Bijbelstudie 907 - CHRISTELIJKE VRIJHEID

Vrijheid voor christenen komt niet neer op het
behoren tot een machtsgroep, maar veeleer op het
binnentreden in een netwerk van vriendschap met Christus, dat hemel en aarde, continenten en leeftijden omspant

Vrijheid, woord met veel betekenissen

Bush wilde het Iraakse volk bevrijden van het dictatorsregime van Hussein. Een wetsovertreder die zijn straf heeft uitgezeten is blij als hij zijn vrijheid weer terugkrijgt. Veel jongeren willen vrij zijn van het gezag van hun ouders en willen zelf bepalen wat ze wel en niet doen.
 Samenvattend zou je kunnen zeggen dat vrijheid dus te maken heeft met regels, of beter gezegd, het niet gebonden zijn aan regels, en dat men het leven naar eigen goeddunken kan inrichten, zonder beperkingen en verplichtingen.

In het paradijs leefden Adam en Eva volkomen naar Gods wil. Dat was hun eigen keuze, niemand had hen iets opgelegd. Zij waren vrij om te doen en laten wat ze wilden, en kozen er vrijwillig, in vrijheid, voor God te dienen. Toen kwam de duivel en die zei de mens dat hij pas echt vrij zou zijn als hij van de boom van de kennis van het goed en het kwaad zou eten en zo als God zou worden. Het bleek een leugen. Uit vrije wil, in vrijheid, koos de mens van de boom te eten en verloor toen zijn vrijheid: hij werd slaaf, dienstknecht van de duivel. De mens kreeg ook een verkeerd beeld van de vrijheid: niet het ongebonden zijn betekent echte vrijheid, ongebonden zijn leidt alleen maar tot losbandigheid. Dat lijkt misschien op vrijheid, maar is ten diepste volgens de regels van de satan.

De Bijbel geeft een andere invulling aan het begrip vrijheid. Vrij zijn betekent in de Bijbel heel vaak: vrijgemaakt zijn door Jezus Christus. Doordat Hij stierf, kan de mens weer worden bevrijd uit de macht van de duivel, waar hij sinds de zondeval onder moest leven. Als je je door Gods genade bewust bent geworden dat je niet vrij bent, maar dat je verstrikt zit in de netten van satan, en dat je aan de opdracht van God niet kan voldoen, kan God je bevrijden, omdat Jezus de dood en de satan overwon. Je bent dan ook bevrijd van de wet, zoals Paulus het schrijft in 1 Tim. 1:8: “Doch wij weten, dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt; En hij dit weet, dat den rechtvaardigen de wet niet is gezet, maar den onrechtvaardigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren.”

De duivel kan dan niet meer je leven beheersen, maar je wordt opgeroepen te dienen in het Koninkrijk van God. Gods Woord roept ons op naar de wil van God te leven.
Het is niet zo dat er in de Bijbel voor elke situatie een regeltje staat, en als dat er niet staat, dat je dan gewoon kunt doen wat je zelf goed vindt. De Heilige Geest doet een beroep op onze verantwoordelijkheid. Christelijke vrijheid heet dat. Velen schrikken voor die vrijheid terug.
 Die vinden het veel gemakkelijker als alles in regels vastligt. Dan weet je waar je aan toe bent. Dan ligt het vast wat er van je verwacht wordt en heb je meer zekerheid of je het wel goed doet.

God roept ons tot mondigheid en verantwoordelijkheid

Hij roept ons op Hem lief te hebben, omdat Hij ons liefheeft. En die liefde leren we alleen maar kennen door vertrouwd te raken met de Bijbel. Door in de Bijbel te lezen kunnen we Gods wil leren kennen. De Heilige Geest kan ons leren om allerlei zaken – ook als ze niet letterlijk of zelfs helemaal niet in de Bijbel voorkomen – zelf te bedenken en toe te passen.

Het lijkt tegenstrijdig: aan de ene kant vrij, maar aan de andere kant toch gebonden. Of zoals Luther het onder woorden heeft gebracht: “Een christen is een zeer vrije heer over alle dingen, aan niemand onderworpen. En een christen is een zeer dienstvaardige knecht van allen, onderworpen aan allen.” Dit komt voort uit de opdracht om elkaar in liefde te dienen. De Catechismus zegt in vraag en antwoord 90 dat de opstanding van de nieuwe mens een ernstige lust en liefde is om naar de wil van God te leven. Dus: vrij van de zonde, maar gebonden aan de wil van God. En God beveelt liefde: “Gij zult de Heere uw God liefhebben boven alles en uw naaste als uzelven.” Op die manier kan invulling gegeven worden aan de vrijheid. Juist dankzij de vrijheid die door Christus is verkregen, kun je God en je naaste liefhebben, en kun je God en de ander ook dienen.

In Fil. 2:2-4 schrijft Paulus dat je niet op je eigen belang of welzijn uit moet zijn, maar ook op dat van anderen. Hij schrijft: “Maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de één de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen.”

We moeten dus de ander op het oog hebben. In de gemeente moeten we gaan in de weg van de liefde. Dat betekent dat je soms dingen moet laten die op zich niet verkeerd zijn. Daar heeft Paulus het ook over in Rom. 14 en 1 Kor. 8 en 10. Paulus spreekt hier over sterken en zwakken in het geloof. Die eersten kunnen misschien wel eens aanstoot geven door hun levensstijl, en Paulus roept hen dan ook op bijv. het eten van offervlees te laten, als medegelovigen daar moeite mee hebben of daardoor misschien weer aangetrokken worden tot afgoderij. Bij de bespreking van de vragen zullen we hier nog verder op ingaan.

Bij christelijke vrijheid en christelijke levensstijl speelt ook het genieten een rol. Over wat wel en niet mag, en waar je wel en niet van zou mogen genieten, zijn onder christenen grote meningsverschillen. In het licht van de eeuwigheid en het hemels Jeruzalem verbleekt alles in deze wereld. Maar het gevaar als je dat steeds blijft roepen, is dan dat je misschien helemaal niet meer kan genieten van al het mooie en goede dat God ons in deze wereld biedt. Dat is niet goed. Calvijn schrijft in de Institutie: “Waarom hebben bloemen, goud, zilver, ivoor en marmer anders hun specifieke schoonheid ontvangen?” Je màg, je móet zelfs dus genieten van al het goede en mooie in dit leven. Paulus schrijft zelfs dat er “niets verwerpelijk is, als het met dankzegging aanvaard wordt.”

CHRISTELIJKE VRIJHEID

Is er iets ter wereld, waar de mensen meer naar verlangen dan naar vrijheid? Hoeveel bevrijdingsoorlogen hebben de wereld niet doen schudden, hoeveel revoluties en maatschappelijke strijd!

 e mens houdt ervan, vrij het leven te kiezen dat hij wil leiden, en hij denkt dat ook te doen. Maar onder de invloed van Satan heeft de eens vrije mens de weg van de slavernij gekozen, toen hij in ongehoorzaamheid aan God, de vrucht van de boom van de kennis van goed en kwaad heeft gegeten, en het resultaat is geweest de onderwerping van de hele mensheid onder de macht van de duisternis, onder de tyrannie van hem die de vorst van deze wereld geworden is. De ogenschijnlijke vrijheid van de mens, zijn vermogen, om te doen wat hij wil, is dus geen werkelijke vrijheid, want zij leidt hem onder de slavernij van Satan. De werkelijke vrijheid is die van iemand die ontsnapt is aan de macht van Satan en nu volgens de verlangens van een nieuwe natuur leeft, die zijn genot vindt in het volbrengen van de wil van God. Hij, die deze volkomen bevrijding kan bewerken, is Jezus Christus, onze Bevrijder of Verlosser.

Mozes, die door God werd gebruikt om het volk van Israël uit de slavernij van Egypte te bevrijden, is het mooiste beeld van onze grote Verlosser Jezus Christus. Egypte is een beeld van deze wereld, de sfeer van de macht van Satan, de tegenstander van God en Zijn volk. De vorst van deze wereld wil dat het volk van God leeft en werkt voor vergankelijke dingen, in plaats van zich aan Gods geestelijke dienst te wijden.

Gods bedoeling is om Zijn volk van alle vormen van slavernij te bevrijden, opdat het Hem dient in afzondering van de wereld. Aan deze bevrijding biedt Satan steeds tegenstand. “Zo zag God de Israëlieten aan en God had bemoeienis met hen.” (Ex. 2:25). Toen de ellende en het lijden hun toppunt bereikten, stegen de kreten van het volk op tot God, en in antwoord op hun nood zond Hij hun een Bevrijder. Hij openbaarde zich in het brandende braambos en vertrouwde aan Mozes de bevrijding van zijn volk toe (Ex. 3).

God was besloten om met zijn kracht, Satan te weerstaan en toen de voorwerpen van zijn zorg vertrouwen in Hem stelden, was hun verlossing spoedig een blijvende werkelijkheid. En zo is het nu ook voor allen die aan Satans macht onderworpen zijn. Satan heeft de macht van de dood, maar God is een God van de levenden. Het leven dat Hij verleent, stelt alle gelovigen buiten het bereik van de tweede dood: Satan kan aan ons eeuwige leven niet raken.
 In tien vreselijke plagen openbaarde God Zijn macht aan Egypte en aan zijn goddeloze koning. In de nacht, waarin Israël het Paaslam at, bewerkte God hun verlossing uit de macht van de dood, en spoedig was hun bevrijding uit Farao’s dwingelandij een feit.

Israëls verdrukking in de steenbedrijven van Egypte stelt onze natuurlijke toestand voor. Slaven van de zonde, zijn wij door onze aartsvijand geknecht, en zonder enige kracht om onszelf te bevrijden. “Ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde” zegt Paulus (Rom. 7:14). Krachteloos, zonder hoop en zonder God in de wereld. Wel worstelden we, hunkerend naar vrijheid, maar zolang we op onszelf zagen, daagde er geen licht.

We hebben een Bevrijder nodig, en daarom is Christus gekomen en heeft alles volbracht wat er nodig was voor onze volkomen bevrijding. Zoals Israël, aan de Rode Zee, slechts had toe te zien, zo hebben wij slechts vertrouwen te stellen op Christus’ overwinning over de macht van Satan, om onze bevrijding te verwezenlijken.

Op het kruis heeft Christus over de hele macht van de duisternis getriomfeerd en een volkomen verlossing bewerkt. Tegen ons waren de “overheden, de machten, de wereldbeheersers van deze duisternis, de geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten.” (Ef. 6:12). Onder de leiding van Satan schenen deze machten een overwinning behaald te hebben, toen Christus door Pilatus overgeleverd was. “Dit is uw uur, en de macht van de duisternis”, had Jezus gezegd en inderdaad, weldra grepen de boze machten Hem en werd de Levensvorst door onrechtvaardige handen ontkleed, gegeseld en onder spot en hoon aan het vloekhout genageld. 

Mensen en duivelen woonden daar de schijnbare overwinning van Satan en de schijnbare nederlaag van Christus bij. Maar alles was schijn, want in werkelijkheid was het Christus die, temidden van schande, verlatenheid en dood, zijn eeuwige overwinning bevocht en behaalde. Terwijl Hij met gelatenheid de haat van de mensen onderging, was Hij de enige Overwinnaar. “Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel, en allen verlossen zou, die door angst voor de dood hun hele leven door aan de slavernij onderworpen waren.” (Hebr. 2:14,15). “Hij heeft de overheden en gezaghebbers ontwapend en openlijk ten toon gesteld en door het kruis over hen getriomfeerd.” (Kol. 2:15).

POSITIE EN CONDITIE VAN DE GELOVIGEN

“Want door één offerande heeft hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.” (Hebr. 10:14).

Het is belangrijk om de onwankelbare positie die ieder levend gelovige inneemt in Gods oog, te onderscheiden van zijn praktische toestand of conditie. De positie houdt verband met het feit dat een levend gelovige niet verloren kan gaan, omdat zijn zonden nooit meer voor Gods ogen kunnen komen. “Mijn schapen horen mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij. En ik geef hun het eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze mij gegeven heeft, is groter dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand van mijn Vader. Ik en de Vader zijn één.” (Joh. 10:27-30).

Wat betreft de conditie of praktische toestand, deze hangt op elk ogenblik af van de volgende dingen:

De gemeenschap met God.
De veroordeling van zichzelf.
De overwinning over de inwonende zonde.
Het vervuld zijn met de Heilige Geest.

DE GELOVIGE VOLMAAKT IN CHRISTUS

Het besef, dat we als gelovigen een vaste positie in Christus bezitten is hoogst belangrijk. Missen we dit bewustzijn en deze zekerheid, dan kunnen we ook geen besef hebben van onze relaties en verantwoordelijkheden. Welnu, de geestelijke zwakheid van veel gelovigen en de onzekerheid van hun wandel houdt daar verband mee. De positie houdt vaste geestelijke bezittingen in. Het allereerste wat een gelovige bezit is vrede met God. “Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij ook de toegang verkregen hebben door het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God.” (Rom. 5:1,2). 

Onze positie berust op iets wat tweeduizend jaar geleden geschied is, namelijk het vergieten van het verzoeningsbloed van Christus op het kruis, en dus is alles wat daaruit voortvloeit, onveranderlijk en een onvervreemdbaar bezit. “En u, die vroeger vervreemd en vijandig gezind waart door de boze werken, heeft hij echter nu verzoend in het lichaam van zijn vlees door de dood, om u heilig, vlekkeloos en onberispelijk voor Zich te stellen.” (Col. 1:21,22).

“Maar gij zijt niet in het vlees, maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in u woont; maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort hem niet toe... Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het, die rechtvaardigt; wie is het, die veroordeelt?" (Rom. 8:9,33).

“Of weet gij niet, dat zovelen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn, wij tot zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met hem begraven door de doop tot de dood... want dit weten wij, dat onze oude mens met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde teniet gedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen... Als wij nu met Christus gestorven zijn, dan geloven wij, dat wij ook met hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, uit de doden opgewekt, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over hem.” (Rom. 6:3,4,6,8).

“Maar God, die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, toen wij ook dood waren in de misdaden, levend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij behouden), en heeft ons mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse gewesten in Christus Jezus.” (Ef. 2:4-6).

Alles wat hier staat berust op het volbrachte verlossingswerk. Op grond daarvan 

IS DE GELOVIGE EEN NIEUWE SCHEPPING

In Christus zijn we gestorven wat de oude natuur uit Adam betreft, en zijn we nu opgestaan en in Christus gezeten in hemelse plaatsen.

“Want ons burgerschap is in de hemelen, waaruit wij ook de Heer Jezus Christus als Heiland verwachten, die het lichaam van onze vernedering veranderen zal tot gelijkvormigheid aan het lichaam van zijn heerlijkheid, overeenkomstig de werking van de macht, waarmee hij in staat is ook alle dingen aan zich te onderwerpen.” (Fil. 3:20,21).

“Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees; en als wij ook Christus naar het vlees gekend hebben, dan kennen wij hem toch nu niet meer zo. Daarom, als iemand in Christus is - EEN NIEUWE SCHEPPING; HET OUDE IS VOORBIJGEGAAN, ZIE, HET IS ALLES NIEUW GEWORDEN.” (2 Cor. 5:16,17). “Want door één offerande heeft hij voor altijd hen volmaakt, die geheiligd worden.” (Hebr. 10:14).

DE PRAKTISCHE TOE-STAND OF CONDITIE

“Als gij nu met Christus opgewekt zijt, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand van God. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus, ons leven, zal geopenbaard worden, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid. Dood dan uw leden die op de aarde zijn: Hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerten en de hebzucht, die afgodendienst is, om welke dingen de toorn van God komt over de zonen van de ongehoorzaamheid.” (Col. 3:1-6).

In deze verzen zien we het verband tussen onze hemelse positie en de praktische wandel die daaruit hoort voort te vloeien. Iemand heeft opgemerkt dat een kanarie een kanarie is, zelfs voordat hij ooit gezongen heeft. Als de positie van een gelovige zou afhangen van zijn praktische toestand, dan zouden we evengoed kunnen zeggen dat een kanarie pas een kanarie wordt, als hij mooi begint te zingen.

“Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in hem.” (2 Kor. 5:21).

De gelovige wordt door God gezien als zijnde “gerechtigheid van God in Christus”. Christus is aan Gods rechterhand in een positie van volmaakte gerechtigheid, en de gelovige wordt gezien als “IN HEM”. Daarmee hangt samen dat God de Vader van iedere gelovige is geworden, zodat we ons bevinden in een onveranderlijke relatie met God als Zijn kinderen. Dat is dus de positie van ieder die door het geloof in Christus uit God geboren is.

“Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen. Maar zovelen hem aangenomen hebben, hun gaf hij het recht kinderen van God te worden, hun die in zijn naam geloven; die niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees, niet uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn.” (Joh. 1:11-13). “Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het koninkrijk Gods niet ingaan. Wat uit het vlees geboren is, is vlees; en wat uit de Geest geboren is, is geest.” (Joh. 3:5,6).

Onze oude relatie tot Adam als nakomelingen van een ongehoorzame, is volkomen geëindigd, sinds Christus gestorven en begraven is, en wij met Hem. Uit onze onveranderlijke positie vloeien bepaalde verantwoordelijkheden voort. Niet om gered te worden, maar omdat we gered zijn. Onze nieuwe wandel geschiedt niet uit angst om onze positie en relatie te verliezen, maar omdat we van die positie en relatie verzekerd zijn.

“Ik vermaan uw dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat gij uw lichamen stelt tot een levend offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, dat is uw redelijke dienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt veranderd door de vernieuwing van uw gemoed, opdat gij beproeft, wat de goede, welbehaaglijke en volmaakte wil van God is...

De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het kwade; weest gehecht aan het goede. Wat de broederliefde betreft, weest hartelijk voor elkaar; gaat elkaar voor in eerbetoon. Weest niet traag in ijver; weest vurig van geest; dient de Heer. Verblijdt u in de hoop; weest geduldig in de verdrukking; volhardt in het gebed. Deelt mee voor de behoeften van de heiligen; legt u toe op gastvrijheid. Zegent wie u vervolgen; zegent en vervloekt niet. Verblijdt u met de blijden en weent met de wenenden. Weest onderling eensgezind; streeft niet naar hoge dingen, maar voegt u bij de nederigen.

Weest niet wijs in uw eigen ogen. Vergeldt niemand kwaad met kwaad; behartigt wat goed is voor alle mensen. Zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, houdt vrede met alle mensen. Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: “Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt de Heer,” “Als dan uw vijand honger heeft, geef hem te eten; als hij dorst heeft, geef hem te drinken; want door dit te doen, zult gij vurige kolen op zijn hoofd hopen.” Laat u door het kwade niet overwinnen, maar overwin het kwade door het goede.” (Rom. 12:1,2,9-21).

“En dit is de boodschap, die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is. Als wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij wandelen in de duisternis, dan liegen wij en doen de waarheid niet. Maar als wij in het licht wandelen, zoals Hij in het licht is, dan hebben wij gemeenschap met elkaar, en het bloed van Jezus Christus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” (1 Joh. 1:5-7). “Wat u betreft, wat gij van het begin af gehoord hebt, blijve in u. Als in u blijft, wat gij van het begin af gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en in de Vader blijven.” (2:24). “Zoals Hij is, zijn wij ook in deze wereld.” (4:17).

BEVRIJD VAN DE WET

De wet, zoals God die aan Mozes gegeven heeft, is heilig, rechtvaardig en goed. “Maar wij weten dat de wet goed is, als iemand haar wettig gebruikt, en hij dit weet, dat de wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en losbandigen...” (1 Tim. 1:8).

De wet richt zich tot de onbekeerde mens, niet om hem te rechtvaardigen, maar om hem van zonde te overtuigen. Israël heeft onder de wet zijn onmacht getoond om de wet te vervullen; onder de wet wordt de zondige natuur veeleer door Satan gedreven om de heilige geboden te overtreden.

Zo wordt de natuurlijke mens, geplaatst onder de wet, een overtreder, en bovendien spreekt de wet haar vloek uit over allen die haar niet naar de letter vervullen. Zo is het juk van de wet ondraaglijk geworden voor Israël, en is dit nog steeds voor allen die zich onder haar verpletterende last plaatsen.

Paulus neemt in het zevende hoofdstuk van de Romeinenbrief het huwelijk als voorbeeld en verklaart dan dat de wet alleen maar gezag heeft over de mens, zolang hij leeft. En omdat de gelovige met Christus gestorven is, is hij bevrijd van het gezag van de wet. En dit is een grote zegen, want “vervloekt is een ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen”, zodat allen die op grond van de werken van de wet zijn, onder de vloek zijn (Gal. 3:10). De mens is van nature wettisch, dat wil zeggen dat hij de godsdienst beschouwt als een samenstel van bevelen en verboden.

Veel kinderen van God blijven lang wettisch, wat hen verhindert om ten volle van de ware genade van God, waarin ze staan, te genieten. Te weten dat we verlost zijn van de wet brengt dus een grote vreugde in onze harten, en maakt een eind aan de slavernij die niet met onze staat overeenkomt. Deze waarheid geldt evenzeer voor de gelovige uit de volken als voor iemand die zich bekeert uit het Joodse volk, want alle mensen zijn wettisch. Van het ogenblik dat onze gedachten geconcentreerd zijn op de vraag: “Wat moet ik doen en wat mag ik niet doen?” in plaats van ons bezig te houden met de rijkdom van genade die in Christus is, worden we wettisch en vallen ten prooi aan veel struikelingen en teleurstellingen, vergezeld van een kwaad geweten.

 Door het geloof kunnen we ten volle van deze kostbare waarheid genieten dat we, door onze eenwording met Christus in Zijn dood, van de wet en van het beginsel van de wet bevrijd zijn. “Om vrij te zijn heeft Christus ons vrijgemaakt; staat dan vast en laat u niet weer onder een slavenjuk brengen.” (Gal. 5:1). We zijn, als door een huwelijk, aan een ander verbonden, aan Christus, die uit de doden is opgestaan, om vruchten voor God te dragen, de vruchten van de Geest: “Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing.” (Gal. 5:22). Die vruchten voor God worden niet door onze inspanning, maar op grond van het geloof voortgebracht. De levenskracht om ze voort te brengen, is in onze verheerlijkte Bevrijder; wij hebben slechts de ogen van het geloof op Hem te richten, en te verwachten dat Hij, in genade, werken mag en tot Zijn eigen eer. Wij moeten van alle wettische pogingen afzien en op Zijn genade vertrouwen, opdat de Heilige Geest ons leidt en ons door Zijn kracht vruchten doet dragen.

BEVRIJD VAN DE WERELD

“Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem. Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.” (1 Joh. 2:15-17). “Doch van mij zij het verre te roemen dan alleen in het kruis van onze Heer Jezus Christus, door wie voor mij de wereld gekruisigd is, en ik voor de wereld.” (Gal. 6:14).

De wereld is het rijk van Satan, de vorst van deze wereld en de god van deze eeuw. De natuurlijke mens is geknecht onder zijn macht: de hele wereld ligt in de boze. Welk een troost is het te weten dat wij door onze bevrijding dood voor de wereld zijn. We zijn vereenzelvigd met Christus in zijn dood aan het kruis. De wereld is definitief veroordeeld in de dood van Christus, omdat ze de Levensvorst omgebracht heeft. Maar in Christus heeft de wereld ons ook ter dood veroordeeld. Paulus zegt dat hij voor de wereld gekruisigd is. Twee dode lichamen kunnen geen aantrekkingskracht meer op elkaar uitoefenen.

Door het geloof zien we ons steeds als met Christus door het systeem van deze wereld gekruisigd en zo verdwijnt onze sympathie voor de wereld, terwijl tevens de vriendschap die de wereld voor ons zou kunnen hebben, verdwijnt. Dit is nodig voor onze gemeenschap met de Heer, want wie een vriend van de wereld is, is een vijand van God (Jak. 4:4). Als wij door het geloof wandelen, dan verdwijnt de aantrekkingskracht die de wereld op ons tracht uit te oefenen. 

Haar verleidelijke schijn heeft geen invloed op iemand die zich met Christus gestorven acht aan de wereld. Zo is het kruis een onoverbrugbare kloof tussen de wereld en de gelovige. Wanneer we onze ongevoeligheid voor wereldse ijdelheid, roem en genietingen tonen, dan zullen we spoedig het misnoegen van de wereld ervaren, en minder moeite hebben, haar ware karakter van haat tegen God en Gods kinderen te onderscheiden.

BEVRIJD VAN DE MACHT VAN DE ZONDE

Veel gelovigen genieten maar ten dele van de zegeningen die in Christus hun deel zijn. Wanneer we ons tevreden stellen met de gedachte dat onze zonden en overtredingen weggedaan zijn, zonder naar volkomen bevrijding te jagen, dan wordt ons christelijk leven weldra zorgeloos, slordig en zelfs werelds en zondig. Dat komt omdat zelfs een waar kind van God geen kracht in zichzelf heeft om de verlangens van het vlees en de verleidingen van Satan te weerstaan. Om in gemeenschap met God te wandelen, is het dus niet voldoende, te geloven dat Christus voor onze zonden gestorven is, maar is het noodzakelijk te weten dat de gelovige met Christus gestorven is. Tot een gezegend en overwinnend geloofsleven hoort de praktische kennis van twee waarheden: 1. Christus is voor mijn zonden gestorven.

Ik ben met Christus gestorven

Onze zonden, onze slechte handelingen, zijn weggedaan, maar het beginsel van de zonde dat in ons woont, is niet weggedaan, maar woont tot de dood in ieder kind van God. De Bijbel noemt dit: “de zonde in het vlees” of de “oude mens”, de oude natuur die we van Adam hebben. Dit zondige beginsel heeft steeds de neiging om ons tot nieuwe zondige daden te leiden. Hoe kunnen we dit beletten? De macht van het zondige vlees kan slechts vernietigd worden door de macht van onze levende Bevrijder. God vergeeft deze zonde in het vlees niet, verbetert de oude mens niet, en neemt deze ook niet uit ons weg. God heeft één ding gedaan om het zondige vlees krachteloos te maken: Hij heeft de zonde in het vlees veroordeeld. Dat is één van de kostbare kanten van het kruis van Christus voor de Christen die de overwinning over de zonde in het vlees wil behalen.

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn; want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, deed God, daar Hij, door zijn eigen Zoon in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde te zenden, de zonde in het vlees heeft veroordeeld; opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.” (Rom. 8:1-4).

Wanneer we ons als met Christus gekruisigd beschouwen, dan zijn onze gedachten over onszelf in overeenstemming met Gods gedachten over ons, en in deze gemeenschap, samen met een volkomen vertrouwen in Christus, de onoverwinnelijke Bevrijder, verwezen-lijken wij de overwinning over de wil van het vlees en volbrengen de zonde niet.

BEVRIJD VAN GODSDIENSTIGE DWANG

“Laat dan niemand u oordelen op het punt van eten en drinken of inzake een feest, nieuwe maan of sabbatten, die een schaduwbeeld zijn van wat komen zou, maar het lichaam is van Christus. Laat niemand u de prijs doen missen, doordat hij zijn eigen wil doet in nederigheid en engelenverering, indringend in wat hij niet gezien heeft, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk verstand, terwijl hij niet vasthoudt aan het hoofd, uit wie het hele lichaam, door gewrichten en banden ondersteund en samengehouden, opgroeit met de Goddelijke groei.

Als gij met Christus de eerste beginselen van de wereld zijt afgestorven, waarom onderwerpt gij u, alsof gij in de wereld leefdet, aan inzettingen: raak niet en smaak niet en roer niet aan, (dingen die alle door het gebruik te loor gaan), naar de geboden en leringen van mensen, (die wel een schijn van wijsheid hebben in eigenwillige godsdienst, in nederigheid en gestrengheid tegen het lichaam, daaraan geen eer bewijzend) tot bevrediging van het vlees?” (Kol. 2:16-23).

Het woord “godsdienst”, dat wij dikwijls gebruiken, komt maar vijfmaal in de Bijbel voor. Godsdienstigheid is nog geen “vroomheid”, want aanbidders van afgoden zijn allen godsdienstig, evenals Kaïn. De godsdienst heeft de natuur van de mens als uitgangspunt, evenals zijn verstand en zijn geheugen en bijgevolg zal de wereld, die zo geheel beantwoordt aan alles wat van de mens is, ook hierin niet nalaten een voedsel aan te bieden, dat zijn natuur bevredigt.

Zij die zeer gevoelig zijn voor tere indrukken, die liefde bezitten voor het schone, zullen aangetrokken worden door harmonieuze muziek, imposante ceremonieën, godsdienstige gewoonten. Anderen, die een meer onafhankelijke natuur hebben en een open karakter, zullen in de vrijzinnigheid alles vinden, wat met hun gedachten en gevoelens overeenkomt. En anderzijds, als iemand een koud karakter heeft, zal een strenge orthodoxie hem aanstaan. 

Als men zeer nauwgezet en gewetensvol is, weinig waarde aan zichzelf hecht en meent op de een of andere wijze boete te moeten doen - ook aan deze verlangens kan in dit systeem worden voldaan. En zo is er nog veel meer. Er zijn dus geloven, leerstellingen en partijen voor iedere vorm van religieus gevoel van het vlees.

Welk systeem zou aannemelijker en volmaakter kunnen zijn? Niets is er vergeten. Het bevat genoeg zogenaamde vreugde en voldoening om de hele mensheid steeds bezig te houden en tot op een zekere hoogte tevreden te stellen. Rusteloos zoeken de harten naar wat hen kan vervullen, de geesten zijn bedrijvig bezig en als er iets misgaat, haast men zich tot iets anders. Zelfs de beproeving en de dood zijn in het systeem van de wereld niet vergeten: Men is voorbereid op begrafenissen, kleding en bezoeken in dagen van rouw, op woorden van medegevoel en een woord voor allen die het maar aangaat, zodat de wereld in staat is zich altijd weer te verheffen boven de pijnen en de moeiten, en over te gaan tot de orde van de dag. Satan, de “god van deze wereld”, de “overste van de macht der lucht”, is de meester van dit systeem.

 Hij is er de energie, de genie en de overste van. Toen Christus op aarde was, bood de duivel Hem “alle koninkrijken van de aarde aan en hun heerlijkheid”, want, zo zei hij, “ze zijn mij gegeven en ik geef ze aan wie ik wil... ALS U ZICH DUS NEERBUIGT VOOR MIJ, ZULLEN ZE DE UWE ZIJN.” Hier is het gordijn opgeheven en de ware oorsprong van alle menselijke godsdienst duidelijk aan de kaak gesteld. De Bijbel spreekt van satan als van een die “vol wijsheid en volmaakt in schoonheid” was (Ezech. 28:12) en die zichzelf verandert in een “engel van het licht” (2 Kor. 11:14). Wie kan er zich dan over verwonderen dat zelfs de meest bedachtzame misleid en bedrogen wordt?
 Hoe weinig zijn er die, door het Woord van God en de zalving van de Heilige Geest, geopende ogen hebben om het ware karakter van de godsdienstige wereld te zien!

Velen menen ontkomen te zijn aan de strik van wereldsgezindheid en hebben wat men noemt “de genietingen van de wereld” losgelaten. Ze zijn leden van verschillende kerken geworden, of van godsdienstige verenigingen, zonder te onderscheiden dat ze zich, nog net als voorheen, in het systeem van deze wereld bevinden. De satan, die de overste is, heeft hen alleen van de ene afdeling in de andere doen overgaan, om hun verontruste gewetens gerust te stellen en daardoor te veroorzaken dat ze zeer tevreden met zichzelf zijn...

DE BEVRIJDING VAN HET LICHAAM

“Daarom hebben wij altijd goede moed, en weten, dat wij zolang wij in het lichaam wonen, niet bij de Heer wonen, (want wij wandelen door geloof, niet door aanschouwen); maar wij hebben goede moed en willen liever ons verblijf in het lichaam verlaten en bij de Heer wonen.” (2 Kor. 5:6,7). “En dat niet alleen, maar ook wijzelf, die de eerstelingen van de Geest hebben, ook wijzelf zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing van ons lichaam. Want wij zijn behouden geworden in hoop.” (Rom. 8:23).

De gelovige draagt hier op aarde steeds het vlees met zich mee, het zondige beginsel dat steeds dreigt hem de straling van Gods aangezicht te ontroven. Het kan ons dus niet verwonderen dat het zijn innigste verlangen is om voor altijd van deze oude natuur bevrijd, en met de Heer te zijn. De uiteindelijke bevrijding van het sterfelijke lichaam heeft plaats, óf bij de wederkomst van de Heer, óf bij het sterven van de gelovige. Dan doet het vergankelijke onvergankelijkheid aan, en het sterfelijke onsterfelijkheid (1 Kor. 15:53). Wanneer we uit de doden zullen opstaan, of wanneer de Heer komt, dan worden we met een nieuw en heerlijk lichaam overkleed, waaraan geen zonde kleeft, noch sterfelijkheid, noch zwakheid, vermoeidheid of pijn.

Wanneer we dan Christus, de Bevrijder, van aangezicht tot aangezicht zullen zien, zullen we volledig van Zijn overwinning aan het kruis genieten. Nu zuchten we en klagen we nog in onze aardse tent, maar weldra zal deze plaats maken voor een betere woning, die niet met handen gebouwd is, maar eeuwig, in de hemelen. We zullen dan aan de verheerlijkte Christus gelijkvormig zijn.

ROMEINEN 3 - 8

“Wat dan? Zijn wij uitnemender? Volstrekt niet. Wij hebben immers tevoren zowel Joden als Grieken beschuldigd, dat zij allen onder de zonde zijn, zoals geschreven staat: Er is geen rechtvaardige, ook niet één; er is niemand die verstandig is; er is niemand die God zoekt; allen zijn zij afgeweken; allen samen zijn zij onnut geworden; er is niemand die goed doet, er is er zelfs niet één.” (Rom. 3:9-11). “Maar nu is, zonder wet, gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan de wet en de profeten getuigen, namelijk gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus tot allen, en over allen die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en bereiken de heerlijkheid van God niet, en worden om niet gerechtvaardigd door zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is. Hem heeft God gesteld tot een genadetroon door geloof in zijn bloed.” (vs. 21-25).

Oorlogen, zedeloosheid en ander kwaad bewijzen wel dat de wereld sinds de kruisiging van Christus niets beter geworden is, ondanks eeuwenlange prediking van het evangelie. Alles wat de wet kan doen, is het bewijs leveren, dat allen zondaars zijn en schromelijk jegens God zijn tekort gekomen. En wat was Gods antwoord op al deze boosheid? De gave van Zijn eigen geliefde Zoon en op grond van Zijn offer alleen kan gerechtigheid worden aangeboden: "Gerechtigheid van God door geloof in Jezus Christus TOT ALLEN en OVER ALLEN die geloven...” Het offer van Christus splijt de mensen in twee soorten.

TOT allen betekent dat het offer van Christus toereikend is voor de hele wereld, voor alle mensen uit alle tijden, daarom kan het evangelie aan ALLEN verkondigd worden.
OVER allen die geloven. Helaas wordt echter de hele wereld niet gered, want velen wijzen het evangelie met verachting af. Daarom is de rechtvaardiging ALLEEN voor hen die de Heer Jezus als hun persoonlijk Verlosser in geloof hebben aangenomen.

Het tweeledig karakter van het kruisoffer wordt geïllustreerd door de twee bokken die op de grote verzoendag geofferd werden volgens Leviticus 16. Het bloed van de eerste, geslachte bok werd in Gods tegenwoordigheid gesprenkeld, wat betekent dat het offer van Christus voldaan heeft aan alle eisen van Gods heiligheid en gerechtigheid. Op grond hiervan kan het evangelie aan alle mensen verkondigd worden.

Maar in de tweede bok vinden we de noodzakelijkheid van het PERSOONLIJK GELOOF, want op die bok werden de zonden van het volk beleden, en door handoplegging overgedragen. Daarna werd deze bok in de woestijn, een land van eeuwige vergetelheid gezonden, en zo zijn de zonden van de gelovigen verder van God verwijderd dan het Oosten van het Westen is (Ps. 103:12). Christus stierf voor de wereld, en hoewel ze Hem verwerpen, zal hij over de wereld heersen, want dit recht verkreeg Hij op het kruis als Mens. Maar hij stierf voor de ZONDEN van de gelovigen. De genadetroon was de plaats waar men tot God kon naderen, en rechtvaardiging is de vrije gift van Gods genade. “Opdat Hij rechtvaardig zij, en hem rechtvaardige, die uit het geloof in Jezus is.” (v. 26).

Gods rechtvaardigheid werd duidelijk getoond toen hij de Heer Jezus uit de doden opwekte, en door de Heilige Geest: “En als die gekomen is, zal hij de wereld overtuigen van zonde, van gerechtigheid en van oordeel; - van gerechtigheid, omdat ik tot mijn Vader heenga en gij mij niet meer ziet.” (Joh. 16:8-10). Gods genade sluit alle eigenroem van mensen uit, want alles berust op het volbrachte werk van Christus, en op niets uit ons. Zonder werken, zonder met zilver of goud te betalen, ontvangen wij het behoud en de heerlijkheid als vrucht van Zijn verlossingswerk: “Wij stellen dus vast, dat de mens gerechtvaardigd wordt door geloof, zonder werken van de wet.” (v. 28). Christus droeg de vloek waaronder Jood en heiden lagen.

“En Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend... Het is echter niet alleen ter wille van hem geschreven, dat het hem toegerekend werd, maar ook ter wille van ons, wie het zal toegerekend worden, ons, die geloven in Hem, die Jezus, onze Heer, uit de doden heeft opgewekt, die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.” (Rom. 4:3,23-25).

Door het geloof ontvangen we:
Rechtvaardiging als genade van God.
Bevrijding van de macht van Satan, zonde en wet.
Vrije toegang tot God als aanbidders.
De levende hoop op de komende heerlijkheid.
Al deze zegeningen zijn weggelegd voor hen “die geloven in Hem, die Jezus, onze Heer, uit de doden heeft opgewekt, die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.”

ROMEINEN  5

“Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij ook de toegang verkregen hebben door het geloof tot deze genade, waarin wij staan, en wij roemen in de hoop op de heerlijkheid van God. En dat niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten, dat de verdrukking volharding werkt, en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop; en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, die ons gegeven is. Want toen wij nog krachteloos waren, is Christus te rechter tijd voor goddelozen gestorven. Want ternauwernood zal iemand voor een rechtvaardige sterven; immers voor de goede zal misschien iemand de moed hebben te sterven.

Maar God bevestigt zijn liefde tot ons hierin, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren. Veel meer dan zullen wij, nu wij gerechtvaardigd zijn door zijn bloed, door hem behouden worden van de toorn. Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood van zijn Zoon, veel meer zullen wij, nu wij verzoend zijn, behouden worden door zijn leven. En dat niet alleen, maar wij roemen ook in God, door onze Heer Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.” (Rom. 5:1-11).

Ons heil berust niet op onze werken, maar ook niet op onze geloofservaringen. De eerste vijf verzen van dit hoofdstuk sommen de gezegende gevolgen van onze rechtvaardiging op, terwijl de hoofdstukken 6 - 8 onze ervaringen als gelovigen behandelen. Tot hoofdstuk 5:11 gaat het over ZONDEN (zondige daden), hierna vinden we de ZONDE als inwonend beginsel, de oude mens of Adam, een onverbeterlijke zondige natuur.

In de eerste 11 verzen vinden we:
Onze vrede met God gebaseerd op het werk van Christus.
Onze toegang tot God als kinderen tot hun Vader.
De hoop op de heerlijkheid Gods, onze lichtende toekomst.

Deze hoop is wel nodig temidden van een God-hatende wereld, waar Satan ons tegenstaat en waar we beproevingen en verdrukkingen te wachten hebben. God gebruikt deze verdrukkingen als een soort leerschool, waarin we leren van de hemelse dingen te genieten, zodat we ons met blijdschap aan Gods volmaakte wil onderwerpen.

Wanneer we weten dat onze zonden vergeven, en dat we gerechtvaardigd zijn, dan kan de Heilige Geest ongehinderd in ons woning komen maken, zodat we deel hebben aan de goddelijke natuur die liefde is.

Gods liefde bleek uit het feit dat Christus voor ons stierf toen we nog onmachtig tot enig goed en vijanden van God waren (v. 6-8). Welk een zekerheid geeft ons dit, dat God ons niet meer los zal laten, want als Hij vijanden zo lief had, dat Hij zijn Zoon voor hen overgaf, dan zal hij zeker blijven zorgen voor Zijn geliefde kinderen. Veel meer, nu wij verzoend zijn, zullen wij behouden worden door Zijn levende kracht! Dit alles brengt lof en dank in onze harten: Wij roemen ook in God door onze Heer Jezus Christus, door wie wij nu de verzoening ontvangen hebben.

“Daarom, zoals door één mens de zonde in de wereld is gekomen en door de zonde de dood, en zo de dood tot alle mensen is doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben...; (want tot aan de wet was er zonde in de wereld, maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is; toch heeft de dood geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen die niet gezondigd hadden door te overtreden zoals Adam, die een voorbeeld is van hem die komen zou. Doch het is met de genadegave niet zoals met de overtreding. Want als door de misdaad van de ene de velen gestorven zijn, veel meer is de genade van God en de gave in genade, die door één mens Jezus Christus is, overvloedig geweest over de velen. 

En het is met de gave niet zo als met het zondigen van de éne. Want het oordeel was uit één daad tot veroordeling, maar de genadegave is uit vele overtredingen tot rechtvaardiging. Want als door de overtreding van de éne de dood geheerst heeft door die éne, veel meer zullen zij, die de overvloed van de genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, in het leven heersen door de éne, Jezus Christus.) - zoals dus door één overtreding de gevolgen daarvan zich uitstrekken tot alle mensen tot veroordeling, zo ook strekken door één gerechtigheid de gevolgen daarvan zich uit tot alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. 

Want zoals door de ongehoorzaamheid van de éne mens de velen tot zondaars gesteld zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van de éne de velen tot rechtvaardigen gesteld worden. Maar de wet is daarbij gekomen, opdat de overtreding zou toenemen; en waar de zonde toenam, daar is de genade meer dan overvloedig geworden; opdat, zoals de zonde geheerst heeft door de dood, zo ook de genade zou heersen door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.” (Rom. 5:12-21).

Van vers 12 af krijgen we een nieuw onderwerp. Het gaat niet meer over de door ons begane zondige DADEN, maar om de in ons wonende oude natuur, wegens onze afstamming van Adam, die stamvader werd van kinderen van ongehoorzaamheid. Van Adam tot Mozes, 2500 jaar lang, was er geen wet, maar het feit dat alle mensen stierven bewijst wel, dat ze zondaars waren. Het is voor velen moeilijk te begrijpen dat door de zonde van één mens zovele miljoenen in ellende, oorlog en ziekte stierven, maar anderzijds is er het evangelie, waarin zonder werken, geld of goed, vergeving en eeuwig leven worden aangeboden.

Nu leven we in de tijd van de genade, en hiervoor geldt: “Opdat, zoals de zonde geheerst heeft door de dood, zo ook de genade zou heersen door gerechtigheid tot het eeuwige leven, door Jezus Christus, onze Heer.” (vs. 21). Op het kruis bereikte de zonde van de mens zijn triest hoogtepunt. Maar: “Waar de zonde overvloediger werd, daar is de genade meer dan overvloedig geworden”. Iets was er hoger en sterker dan de boosheid van de mensen, die de Levensvorst kruisigden, en dat was Gods liefde en genade, en deze hebben het van het rijk van de duisternis gewonnen, zodat nu de gelovige vergeving van zonden heeft en het eeuwige leven, en bovendien, niet alleen in de toekomst, maar reeds in dit leven kunnen we onze overwinning ervaren over Satan, wereld, vlees, zonde en dood, en als Christus als koning zal heersen, zullen wij met Hem heerschappij voeren over het heelal.

Christus heeft God verheerlijkt - door genade, door het geloof in Zijn werk aan het kruis wordt de zondaar gerechtvaardigd, en door diezelfde genade binnengevoerd in die heerlijkheid die nu reeds het deel van Christus is en die spoedig ook ons deel zal zijn.

ROMEINEN 6

“Wat zullen wij dan zeggen? Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade overvloediger wordt? Volstrekt niet! Hoe zouden wij, die der zonde gestorven zijn, nog daarin leven? Of weet gij niet, dat zovelen wij tot Christus Jezus gedoopt zijn, wij tot zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want als wij met hem één gemaakt zijn in de gelijkheid van zijn dood, dan zullen wij het ook zijn in zijn opstanding; want dit weten wij, dat onze oude mens met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen. Want wie gestorven is, is gerechtvaardigd van de zonde. Als wij nu met Christus gestorven zijn, dan geloven wij, dat wij ook met hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, uit de doden opgewekt, niet meer sterft; de dood heerst niet meer over hem.”

We zagen dat Adam en Christus beiden het hoofd zijn van een mensenfamilie. Adam werd voorvader van de ongehoorzamen, Christus de eersteling van de gehoorzamen. In dit hoofdstuk zullen we zien dat elk wedergeboren mens uit twee naturen bestaat, de oude, die uit Adam stamt en de nieuwe die we door het geloof in Christus verkrijgen. De oude natuur wordt ook de oude mens, de zonde, de zonde in het vlees, het vlees, het eigen ik, de wet van de zonde genoemd, en kan slechts zondigen, terwijl de nieuwe mens die geschapen is naar het beeld van de zondeloze Christus, niet zondigen kan (1 Joh. 3:9).

We vinden hier de grote beginselen, volgens welke de gelovige bevrijd kan worden van de macht van de inwonende zonde. Bij de leer van het behoud door genade (Romeinen 1-5), is er geen sprake van de wandel van de gelovigen, maar in de hoofdstukken 6 - 8 wel, en dan blijkt dat deze wandel afhangt van ons geloof in het feit dat we met Christus gestorven en opgestaan zijn.

De apostel weerlegt eerst de dwaalleer die zegt: “Als alles vergeven wordt, kunnen we rustig doorzondigen.” Hij antwoordt: “Zouden wij in de zonde blijven, opdat de genade overvloediger wordt? VOLSTREKT NIET!”
Niet alleen droeg Christus op het kruis al onze zonden, verkeerde daden, maar in Zijn kruisdood zien wij de oude mens, het zondige beginsel in ons, ter dood veroordeeld met Christus: “Hoe zouden wij, die der zonde gestorven zijn, nog daarin leven?” (v. 2).

In de grondtekst staat niet dat wij IN zijn dood, maar dat wij TOT Zijn dood gedoopt zijn: “Wij zijn dan met hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit de doden opgewekt is door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.” (v. 4). Het woord TOT drukt uit dat men gedoopt wordt OM DEEL TE HEBBEN AAN ZIJN DOOD. Pas als men tot een persoonlijk geloof komt, heeft men deel aan Christus. “Want dit weten wij, dat onze oude mens met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan (letterlijk: “van zijn kracht beroofd”) zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen.” (v. 6). Deze waarheid moet dagelijks in geloof aanvaard en zo voortdurend effect hebben.

Omdat ik tot Christus gedoopt ben - om deel te hebben met Hem, in overeenstemming met de waarheid die ligt opgesloten in de openbaring die we van Hem hebben - ben ik gedoopt om deel te hebben aan zijn dood. Hij is gestorven aan de zonde. Hij heeft voor eeuwig afgerekend daarmee. Toen Hij stierf, verliet Hij die geen zonde kende die toestand van leven in vlees en bloed, waarmee in ons de zonde verbonden was; waarin wij zondaars waren; en waarin Hij, de Zondeloze, in een gedaante gelijk aan het zondige vlees en als een offer voor de zonde, tot zonde gemaakt werd voor ons. We zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood. We hebben deel aan de dood, we gaan erin door de doop, die een beeld is van de dood. Opdat, zoals Christus werd opgewekt vanuit de doden door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.

BASISPOSITIE VAN IEDERE GELOVIGE

“Want wat zijn sterven betreft, is hij eens voor altijd der zonde gestorven, maar wat hij leeft, leeft hij voor God. Zo ook gij, houdt u voor de zonde dood, maar voor God levend in Christus Jezus. Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen. En stelt uw leden niet voor de zonde tot werktuigen van de ongerechtigheid, maar stelt uzelf voor God als uit de doden levend geworden, en uw leden voor God tot werktuigen van de gerechtigheid. Want de zonde zal over u niet heersen; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.” (Rom. 6:10-14).

MET CHRISTUS GEKRUISIGD, BEGRAVEN EN OPGESTAAN

Daarom, omdat we zo met Christus gestorven zijn - openlijk door de doop, in werkelijkheid doordat we Hem als ons leven hebben die stierf - geloven we ook dat we met Hem zullen leven. We behoren tot die andere wereld waar Hij leeft in de opstanding. De kracht van het leven waarin Hij leeft is ons deel. We geloven dit, daar we weten dat Christus, nu Hij is opgewekt uit de doden, niet meer sterft. Zijn overwinning over de dood is volkomen en definitief; de dood heeft geen heerschappij meer over Hem. Dat is de reden dat we zeker zijn van de opstanding, namelijk wegens deze volledige overwinning over de dood, waarin Hij in genade voor ons inging. 

Door het geloof zijn we met Hem in de dood gegaan. We delen daarin in overeenstemming met Zijn deel daarin. De kracht van Zijn leven van liefde bracht Hem daar. In Zijn sterven stierf Hij der zonde. Hij daalde liever neer zelfs tot in de dood, dan dat Hij zou falen in het handhaven van de heerlijkheid van God. Tot de dood en zelfs in de dood had Hij te maken met de zonde, hoewel er geen enkele zonde in Hem was, en met verzoeking. Maar daar in de dood heeft Hij voor eeuwig met alle zonde afgerekend. Wij sterven der zonde door deel te hebben in Zijn dood.

Als we zo eengemaakt zijn met Hem in de gelijkheid van Zijn dood, dan zullen we ook in die van Zijn opstanding ingaan. We zien hier dat de opstanding een gevolg is dat hij afleidt als een feit, geen verborgen deelhebben aan de zaak. Want dit weten we in de eerste plaats (als de grote grondslag van alles), dat onze oude mens - dat in ons wat pleit voor de zonde als de vrucht van de volmaakte genade van God: “Laten wij voortzondigen omdat alles genade is...” - gekruisigd is met Christus. Opdat het hele lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, zodat we de zonde niet meer zouden dienen.

We moeten het ook ervoor houden - want het is door het geloof - dat we voor de zonde dood zijn en levend voor God, met geen ander levensdoel dan God, in Christus Jezus. Ik moet mezelf dood beschouwen. Ik heb het recht daartoe, omdat Christus voor mij gestorven is. En omdat Hij nu voor eeuwig leeft voor God, heb ik mezelf te beschouwen als iemand die, door het leven dat ik leef voor Hem, de zonde verlaten heeft waaraan ik gestorven ben. Want dit is de Christus die ik ken, geen Christus die op aarde leeft in verbinding met mij overeenkomstig de natuur waarin ik leef hier beneden. 

In die natuur heb ik bewezen een zondaar te zijn, en is aangetoond dat ik ongeschikt ben voor een echte relatie met Hem. Hij is gestorven voor mij als levend in dat leven, en door de opstanding is Hij binnengegaan in een nieuwe levensstaat buiten de vorige. Daar ken ik Hem als gelovige. Ik heb deel aan de dood en aan het leven door Hem die is opgestaan. Ik heb gerechtigheid door het geloof, maar gerechtigheid omdat ik deelheb aan een gestorven en opgewekte Christus, omdat ik dus door het geloof voor de zonde dood ben.

Wel bestaat de oude mens nog, en we herbergen die tot de dood of de wederkomst van Christus, maar elk recht om ons te overheersen is verdwenen: “Zo ook gij, houdt u voor de zonde dood, maar voor God levend in Christus Jezus. Laat dan de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen.” (v. 11,12). Het geloof houdt hiermee rekening als met een absoluut vaststaand feit. Bevrijding van de macht van de zonde berust op ons geloof in deze feiten.

Gods genade biedt ons dus, zonder tegenprestatie onzerzijds, het volgende aan:

HET LEVEN, ontvangen bij de wedergeboorte. Zoals één blik op de koperen slang leven gaf, zo is er leven en heil door één gelovige blik van de zondaar op de gekruisigde Heiland.

 DE KRACHT. Is men door het geloof verzekerd van eeuwig leven, dan komt de Heilige Geest in ons woning maken.

EEN VOORWERP. De opgestane en verheerlijkte Christus wordt het middelpunt van al onze verlangens. We zoeken Hem te behagen, en in ware vrijheid gehoorzamen we met blijdschap aan Gods wil, zoals Jezus dit op volmaakte wijze deed.

Niet de wet van Mozes, maar enkele honderden geboden en vermaningen van het Nieuwe Testament gaan nu ons leven beheersen. In dit hoofdstuk hebben we de beginselen van de bevrijding, Romeinen 8 beschrijft de KRACHT waardoor de bevrijding praktisch wordt verwezenlijkt. Vrijheid houdt algehele onderwerping aan Gods wil in, en Gods wil is onze heiligmaking.

Het ideaal van de wereldse vrijheid is om hun begeerten ongebreideld uit te leven, en zo worden alle mensen willige slaven van Satan met als vrucht oorlogsgeweld en zedeloosheid. “Welke vrucht hadt gij dan toen van de dingen waarover gij u nu schaamt? Immers het einde daarvan is de dood. Maar nu, van de zonde vrijgemaakt en slaven van God geworden, hebt gij uw vrucht tot heiliging, en het einde het eeuwige leven. Want het loon van de zonde is de dood; maar de genadegave van God is het eeuwige leven in Christus Jezus, onze Heer.” (v. 21-23).

We vatten dit hoofdstuk in de volgende punten samen: 

Het is absurd te denken dat gelovigen voortzondigen.
Want zij zijn met Christus voor de zonde gestorven.
Ons nieuwe leven is dat van de opgestane Christus.
We moeten praktisch steeds rekening houden hiermee.
Onder de genade heeft de zonde geen macht zoals onder de wet.
Ware vrijheid wordt alleen genoten in gehoorzaamheid.
Het resultaat is heiligheid en eeuwige heerlijkheid.

ROMEINEN 7 - NIET ONDER DE WET

“Weet gij niet, broeders, (ik spreek immers tot hen die weten wat een wet is), dat de wet heerst over de mens, zolang hij leeft? Want de gehuwde vrouw is door de wet verbonden aan haar man, zolang hij leeft; maar is de man gestorven, dan is zij vrij van de wet die haar aan de man bond. Daarom zal zij een overspeelster genoemd worden, als zij bij het leven van haar man de vrouw van een andere man wordt; maar als de man gestorven is, is zij vrij van de wet, zodat zij geen overspeelster is, als zij de vrouw van een andere man wordt. 

Zo zijt ook gij, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij een ander zoudt toebehoren, aan hem die uit de doden is opgewekt, opdat wij voor God vrucht dragen. Want toen wij in het vlees waren, werkten de lusten van de zonden, die door de wet gewekt worden in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen. Maar nu zijn wij van de wet vrijgemaakt, gestorven aan dat, waarin wij gevangen waren, zodat wij dienen in nieuwheid van de geest en niet in oudheid van de letter.” (Rom. 7:1-7).

God had eens Zijn geboden aan de mens gegeven. Zij waren onverbrekelijk en voor alle mensen, zonder onderscheid, van kracht (ik spreek natuurlijk slechts van de zedelijke en niet van de ceremoniële wet). Al waren deze geboden allereerst slechts voor het volk van Israël bestemd, zij bevatten toch de rechtvaardige eisen van God aan Zijn schepsel, aan de mens in zijn natuurlijke toestand. Ieder mens, die met deze geboden bekend werd, was verplicht eraan te gehoorzamen. Voor de mens als zodanig bestaan zij heden nog in hun volle kracht. De heilige God kan Zijn eisen niet verzachten, Zijn aanspraken niet beperken.

Nu had de apostel echter kort tevoren gezegd dat de gelovigen niet onder de wet, maar onder de genade waren. Hoe kon deze schijnbaar onoplosbare tegenstrijdigheid opgehelderd worden? Dat de gelovigen niet “wetteloos” waren geworden, dat zij niet hun eigen wil, hun neigingen en lusten mochten volgen, had hij reeds ten duidelijkste bewezen. Hoe waren zij nu van de vloek van de wet bevrijd, hoe aan deze heerschappij ontkomen? Het antwoord is kort en eenvoudig. Het luidt, evenals in het vijfde en zesde hoofdstuk: door de dood.

DE GELOVIGE HEEFT TWEE NATUREN - DE WET PRIKKELT DE OUDE NATUUR TOT ZONDE

“Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Maar ik zou de zonde niet gekend hebben dan door de wet; want ook de begeerte zou ik niet gekend hebben, als de wet niet gezegd had: “Gij zult niet begeren.” Maar de zonde heeft in het gebod aanleiding gevonden om elke begeerte in mij op te wekken; want zonder wet is de zonde dood. Ik nu leefde voorheen zonder wet; maar toen het gebod kwam, leefde de zonde op, doch ik stierf. En het gebod, dat ten leven was, bleek mij de dood te brengen. Want de zonde heeft in het gebod aanleiding gevonden om mij te misleiden en door het gebod te doden. Zo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.” (v. 7-12).

DE STRIJD TUSSEN DE TWEE NATUREN

“Is dan het goede mij de dood geworden? Volstrekt niet! Maar de zonde, opdat zij zou blijken zonde te zijn, heeft door het goede mij de dood gewerkt, opdat de zonde uitermate zondig zou worden door het gebod. Want wij weten, dat de wet geestelijk is; maar ik ben vleselijk, verkocht onder de zonde. Want wat ik doe, begrijp ik niet; want niet wat ik wil, doe ik, maar wat ik haat, dat doe ik. Als ik nu dat doe, wat ik niet wil, stem ik met de wet in, dat zij goed is. Maar dan ben ik het niet meer, die het doe, maar de zonde, die in mij woont. 

Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet. Want het goede, dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. Als ik nu dat doe, wat ik niet wil, dan doe ik het niet meer, maar de zonde, die in mij woont. Zo vind ik dan deze wet voor mij: als ik het goede wil doen, is het kwade bij mij voorhanden. Want ik verlustig mij in de wet van God naar de innerlijke mens; maar ik zie in mijn leden een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn gemoed en mij tot gevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? - Ik dank God door Jezus Christus onze Heer!

Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed Gods wet, maar met het vlees de wet van de zonde.” (v. 13-26).
 De wet richtte zich tot de oude, nog levende mens, om diens begeerte enigszins in bedwang te houden. Nu echter de oude natuur met Christus gekruisigd is, kan de wet zich niet meer tot een levend gelovige richten.

Denkt een jong gelovige dat hij door het geloof in staat is geworden, de wet van Mozes te vervullen, dan zal hij de ervaring moeten doormaken dat met de wet de begeerte tot overtreding altijd meekomt. We zijn voor de wet gekruisigd. De apostel illustreert deze waarheid aan de hand van een gegeven van elke dag, de huwelijksband.

Deze band houdt stand voor God zolang de beide echtgenoten in leven zijn en wordt pas verbroken, zodra één van de twee sterft. Dan pas heeft de overlevende de vrijheid om te hertrouwen.

Wij als gelovigen kwamen onder het gezag van een nieuwe echtgenoot, niet omdat de wet stierf, maar omdat onze oude mens stierf.

“Want toen wij in het vlees waren, werkten de lusten van de zonden, die door de wet gewekt worden in onze leden, om voor de dood vrucht te dragen.” (v. 5). Ieder verbod prikkelt het vlees tot overtreding en dit verklaart, hoe Israël onder de wet schuldiger was dan zij die geen wet hadden. Welnu, in onze tijd is het onmogelijk om tegelijkertijd onder de wet en onder Christus te zijn. We kunnen alleen vrucht voor God voortbrengen, als we onze nieuwe positie in de opgestane Christus door het geloof verwezenlijken.

Wij hebben hier in Romeinen 7 een wedergeboren ziel, die zich verlustigt in de wet van God, die de wet in zijn hart geschreven heeft, en die graag in overeenstemming met Gods wet zou willen leven, maar die niet de kracht heeft, omdat hij bezig is met zichzelf, met zijn oude en nieuwe natuur, en met de wet; en het is juist die wettische gezindheid die hem belemmert om zijn bevrijding en de wandel door de Geest te realiseren.

Een onberispelijk mens als Paulus besefte dat het laatste gebod: “Gij zult niet begeren”, zijn doodvonnis betekende. Zolang wij hier op aarde leven, zal die strijd tussen de oude en nieuwe natuur blijven: “Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees, en deze staan tegenover elkaar; opdat gij niet doet wat gij wilt. Maar als gij door de Geest geleid wordt, dan zijt gij niet onder de wet.” (Gal. 5:17,18).

Jonge gelovigen lopen gevaar, ontmoedigd te worden, als hun voorgenomen levensverbetering blijkt minder succes te hebben dan ze bij hun bekering voorzien hadden. Dat komt omdat ze hun oude natuur bij lange na niet kennen, en de strijd tussen deze en de nieuwe natuur niet beseffen.

Let op dat het woord “IK” in dit hoofdstuk 30 maal voorkomt, terwijl “Christus” pas aan het eind optreedt en de Heilige Geest geheel niet. Dat komt omdat men, zolang men alleen maar bezig is met de strijd tussen de twee naturen, de blik naar binnen en niet naar boven is gericht. Men is met zichzelf bezig in plaats van met Christus door de Heilige Geest. Ook kijkt men naar andere christenen, en vindt, dat zij het er ook slecht van afbrengen.

We moeten de volgende lessen leren:

IN HET VLEES WOONT GEEN GOED. “Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.”
HET IS HET OUDE IK dat de zonde bedrijft. “Want ik verlustig mij in de wet van God naar de innerlijke mens; maar ik zie in mijn leden een andere wet, die strijd voert tegen de wet van mijn gemoed en mij tot gevangene maakt van de wet der zonde, die in mijn leden is.”
ER IS EEN NIEUW “IK”, de nieuwe mens, omdat we hier met een wedergeboren persoon te doen hebben, en deze verlangt het goede te doen. “Zo dan, ik zelf dien wel met het gemoed Gods wet, maar met het vlees de wet van de zonde.” (v. 26).
 Eindelijk beseft zo iemand dat deze innerlijke strijd hopeloos is, en begint om hulp van buitenaf te roepen. “Ik, ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood? - Ik dank God door Jezus Christus onze Heer!” (v. 24,25). De hulp waarom we riepen, wacht al op deze noodkreet en komt inderdaad van een verheerlijkte, triomferende Christus, die ons helpt door de Heilige Geest en ons bevrijdt van de macht van de inwonende zonde.

ROMEINEN 8 - KRACHT DOOR DE HEILIGE GEEST

“Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn; want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood. Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, deed God, daar Hij, door zijn eigen Zoon in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde te zenden, de zonde in het vlees heeft veroordeeld; opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.

Want zij die naar het vlees zijn, bedenken vleselijke dingen; maar zij die naar de Geest zijn, geestelijke dingen, want wat het vlees bedenkt is de dood; maar wat de Geest bedenkt is leven en vrede; omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen. Maar gij zijt niet in het vlees, maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in u woont; maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort hem niet toe. Als nu Christus in u is, dan is wel het lichaam dood vanwege de zonde, maar de Geest is leven vanwege de gerechtigheid. En als de Geest van Hem, die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in u woont, dan zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken wegens zijn Geest, die in u woont.

Zo dan, broeders, wij zijn schuldenaars, niet aan het vlees, om naar het vlees te leven; want als gij naar het vlees leeft, zult gij sterven; maar als gij door de Geest de werkingen van het lichaam doodt, zult gij leven. Want zovelen door de Geest van God geleid worden, die zijn zonen van God. Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij, om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen een geest van zoonschap, waardoor wij roepen: Abba, Vader! De Geest zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn. En zijn wij kinderen, dan ook erfgenamen: erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus, als wij inderdaad met Hem lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden.” (Rom. 8:1-17).

Dit belangrijke hoofdstuk kan als volgt verdeeld worden:

Vers 1: Onze positie IN CHRISTUS.
 Vers 2 - 11: De Heilige Geest IN ONS: leven en kracht.
 De Geest van aanneming tot kinderen (v. 12 -17).
 De Heilige Geest die onze gebeden ondersteunt (v. 18 - 27).
 Gods plannen voor onze veiligheid en zegen (v. 28 - 39).

Elk gelovig Christen wordt gekenmerkt door een onwankelbare positie IN CHRISTUS. “Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn.” Hij spreekt hier niet over de kracht van het bloed in het wegdoen van de zonden (hoe bijzonder belangrijk dat bloed ook is, en de grondslag van al het overige), maar over de nieuwe positie die volkomen buiten het bereik is van alles waarop het oordeel van God van toepassing was. Christus was inderdaad onder het gevolg van de veroordeling geweest in onze plaats. Maar nu is Hij opgestaan en voor God verschenen. Zou daar sprake kunnen zijn van zonde, of van toorn, of van veroordeling? Onmogelijk! Dat was allemaal opgelost voordat Hij daarheen opvoer.

En dat is de positie van de christen in Christus. En omdat het door opstanding is, is het een echte bevrijding. Het is de kracht van een nieuw leven, waarin Christus is opgewekt uit de doden, en waaruit wij leven in Hem. Vóór Zijn kruisdood had de Heer Jezus gezegd: “Als het tarwegraan niet in de aarde valt en sterft, blijft het alleen, maar als het sterft, brengt het veel vrucht voort.” (Joh. 12:24). Na de dood, opstanding en hemelvaart, na de komst van de Heilige Geest, werden de gelovigen met Christus verbonden als Gods familie en leden van het lichaam van Christus. Dit wordt in de brieven aan de Efeziërs en Kolossenzen verder ontwikkeld. Door zijn vereniging met het verheerlijkte Hoofd in de hemel is elk gelovige in Christus, en woont de Heilige Geest in hem. En er is geen veroordeling voor hen die in Christus Jezus zijn.

De zegeningen van Rom. 5:1-11 worden hier verder ontwikkeld. Een nieuw levensbeginsel, een nieuwe KRACHT, komt in de gelovige werken: GOD, DE HEILIGE GEEST. “Want de wet van de Geest des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet van de zonde en de dood.” (v. 2). Zoals God in de neusgaten van Adam de levensadem geblazen had, zo ontvangt de gelovige een nieuwe levenskracht die heiligheid voortbrengt.

Door deze KRACHT is de gelovige in de praktijk vrijgemaakt van de in hoofdstuk 7 beschreven noodzaak, die als een wet van zonde en dood fungeerde. Wel is de oude mens in de gelovige nog aanwezig, maar zonder enig recht om zich te laten gelden. Vanuit Gods oogpunt heeft alleen de Heilige Geest recht, onze stappen te leiden. Nooit heeft de wet van Mozes heiligheid kunnen bewerken, dit wegens de zondige natuur, die tot overtreding van de wet aanspoorde. “Want wat voor de wet onmogelijk was, omdat zij door het vlees krachteloos was, deed God, daar Hij, door zijn eigen Zoon in een gedaante gelijk aan het vlees van de zonde en voor de zonde te zenden, de zonde in het vlees heeft veroordeeld; opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest.” (v. 3,4).

Tweeledig was Christus’ komst:

Hij werd de mensen gelijkvormig, om hen op het kruis de vertegenwoordigen.
Hij werd zonde voor ons gemaakt, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden.
Allereerst gaf de Heer Jezus zijn leven als losprijs, die nodig was om onze zonden kwijt te schelden. Ten tweede vertegenwoordigde de Heer Jezus een mensheid waarover slechts het doodvonnis kon uitgesproken worden.
In het blijde achtste hoofdstuk vinden we dus twee elementen die samenwerken om God te behagen, dat zijn de nieuwe natuur en de Goddelijke persoon van de Heilige Geest.

Kijken we in de praktijk rond, dan begrijpen we dat de apostel hen die naar het vlees wandelen, waarschuwt dat zulk een instelling tot geestelijke dood leidt, tot een verlies van gemeenschap met God. “Want wat het vlees bedenkt is de dood; maar wat de Geest bedenkt is leven en vrede; omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich aan de wet van God niet, want het kan dat ook niet. En zij die in het vlees zijn, kunnen God niet behagen.” (v. 6-8). 

Eigenlijk begint men pas christen te zijn, als men tonen kan dat men in de Geest is. “Als inderdaad Gods Geest in u woont; maar als iemand de Geest van Christus niet heeft, die behoort hem niet toe.” (v. 9). We zullen in de Christenheid verstomd staan over de vele twijfelgevallen, zoals de Schrift die ons voorstelt in 2 Kor. 5:3, Fil. 3:19 en Hebr. 6:4-8. Zij die tot het christelijk belijdenis behoren, maar niet wedergeboren zijn, zijn verloren.

Welnu, dit IN HET VLEES te zijn, is absoluut de christelijke positie niet en Paulus kan tot iedere gelovige zeggen: “Maar gij zijt niet in het vlees, maar in de Geest, als inderdaad Gods Geest in uw woont.” We moeten hier wel een duidelijk onderscheid maken tussen onze positie voor God die onveranderlijk is en onze praktische toestand of conditie, die aan schommelingen onderhevig kan zijn.

“De Geest zelf getuigt met onze geest, dat wij kinderen van God zijn.” (v. 16). Voor de toekomst wijst de apostel op de opstanding die door dezelfde Geest, die nu in ons woont, zal geschieden (v. 11). Op ons rust nu geen enkele verplichting om ook maar iets te doen dat niet uit de Geest maar uit het vlees zou zijn. Dit behoort al onze dagelijkse besluiten te beheersen.

De Heilige Geest wordt hier genoemd:

De Geest van God.
De Geest van Christus.
De Geest van Hem die Jezus uit de doden opwekte.

De uitdrukking “DOOD” betekent hier het verlies van gemeenschap met God, want dood houdt altijd scheiding van God in. Gelovigen gaan niet wezenlijk dood, maar ontslapen om te zijner tijd weer wakker te worden. Zoonschap van God veronderstelt een gehoorzame instelling: “Want zovelen door de Geest van God geleid worden, die zijn zonen van God.” (v. 14). Dit is geen leven van wettische slavernij, maar van vrij en dankbaar zoonschap met een vrijmoedig omgang met Hem die wij “Abba, Vader” noemen. Niet alleen is dat een zegen voor het heden, maar een belofte voor de toekomst, want als erfgenamen van God en medeërfgenamen van Christus zullen wij met Hem alles bezitten en beheren.

Deutsch
de
English en français fr italiano it Nederlands nl español es português pt Norsk no svenska sv Polski pl čeština cz Slovák sk Magyar hu român ro Български bg hrvatski hr Pyсский ru Türkçe tr عربي ar

       

Heer, wees mijn Gids  -  Come, Now Is The Time To Worship

                              

INFO: DE WEG - DE WAARHEIDHET LEVENFILM - AUDIO

 Meld aub een 'dode link'onder vermelding van de pagina waarop

Please report a ' dead link' onder mention of the page on which

Wie zoekt zal vinden           


www Holyhome.nl

Boeiende Series :

Kijk ook eens op: * Bible Study: The Bible alone!

* L'étude biblique: Rien que la Bible!

* Bibelstudium: Allein die Bibel!

* Software voor Bijbelstudie

Read and Hear the Holy Bible in over 40 languages:


De Statenvertaling is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het boek der boeken Een stempel gedrukt op de Nederlandse cultuur:


  Webmaster    Assistente

Successfull checked XHTML 1.0 !

Successfull checked CSS version 3!

Waard om te weten :

Een hartelijk welkom op de site
Deze pagina printen
Sitemap
Wie zoekt zal vinden


Vragen naar de weg
Leerzame antwoorden op levens- en geloofsvragen

Hebreeën 4:12 zegt: "Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden"Lees eens: Het zwijgen van God

God heeft zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Lees eens:  God's Liefde

Meer weten over de Psalmen, gezangen, liturgieën, belijdenisgeschriften: Catechismus, Dordtse Leerregels en veel andere informatie? . Kijk opOnline-bijbel.nl

Bible-people - stories of famous men and women in the Bible
Bible-archaeology - archaeological evidence and the Bible
Bible-art - paintings and artworks of Bible events
Bible-top ten - ways to hell, films, heroes, villains, murders....
Bible-architecture - houses, palaces, fortresses
Women in the Bible -
 great women of the Bible
The Life of Jesus Christ - story, paintings, maps


Read more for Study - (Apocrypha, Historic Works, Pseudepigrapha, Old Testament Apocrypha, New Testament Apocrypha, New Testament Discoveries, Commentary, New Testament Pseudepigrapha, Egyptian, Babylonian, Ugaritic, Dead Sea Scrolls (NL-uitleg over de rollen)

Bijbel voor Slechtzienden Online       en ook:  Begrippenlijst   -1-   -2-



Spirit24 omdat er meer is