Een verademing: Geloofszekerheid

Lees de Bijbel   De Bijbel is niet een boek dat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen. Ontdek de bron van vrede, het Woord van God: 

Bijbelstudie 819 - Geloofszekerheid




Deutsch
de
English en français fr italiano it Nederlands nl español es português pt Norsk no svenska sv Polski pl čeština cz Slovák sk Magyar hu român ro Български bg hrvatski hr Pyсский ru Türkçe tr عربي ar

CATECHISMUS

of onderwijzing in de Christelijke leer, die in de Nederlandse Gereformeerde Kerken en Scholen geleerd wordt

 Klik om de antwoorden op de vragen te lezen, vooraan op het woord vraag plus nummer

Index tot de vragen van de Heidelberger Catechismus

Zondag 1

Vraag 1 Wat is uw enige troost, beide in leven en sterven?
Vraag 2 Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt?

DEEL 1 --- VAN DES MENSEN ELLENDE

Zondag 2

Vraag 3 Waaruit kent gij uw ellende?
Vraag 4 Wat eist de wet Gods van ons?
Vraag 5 Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?

Zondag 3

Vraag 6 Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Vraag 7 Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Vraag 8 Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?

Zondag 4

Vraag 9 Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Vraag 10 Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Vraag 11 Is dan God ook niet barmhartig?

DEEL 2 --- VAN DES MENSEN VERLOSSING

Zondag 5

Vraag 12 Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Gods tijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wij deze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
Vraag 13 Maar kunnen wij door onszelven betalen?
Vraag 14 Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?
Vraag 15 Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?

Zondag 6

Vraag 16 Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
Vraag 17 Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
Vraag 18 Maar wie is deze Middelaar, Die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is?
Vraag 19 Waaruit weet gij dat?

Zondag 7

Vraag 20 Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijk zij door Adam zijn verdoemd geworden?
Vraag 21 Wat is een waar geloof?
Vraag 22 Wat is dan een Christen nodig te geloven?
Vraag 23 Hoe luiden die Artikelen?

Zondag 8

Vraag 24 Hoe worden deze Artikelen gedeeld?
Vraag 25 Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is, waarom noemt gij den Vader, den Zoon en den Heilige Geest?

VAN GOD DEN VADER EN ONZE SCHEPPING

Zondag 9

Vraag 26 Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?

Zondag 10

Vraag 27 Wat verstaat gij door de voorzienigheids Gods?
Vraag 28 Waartoe dient ons dat wij weten dat God alles geschapen heeft en nog door Zijn voorzienigheid onderhoudt?

VAN GOD DEN ZOON EN ONZE VERLOSSING

Zondag 11

Vraag 29 Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is Zaligmaker genoemd?
Vraag 30 Geloven dan die ook aan de enigen Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelven, of ergens elders zoeken?

Zondag 12

Vraag 31 Waarom is Hij Christus, dat is een Gezalfde, genaamd?
Vraag 32 Maar waarom wordt gij een Christen genaamd?

Zondag 13

Vraag 33 Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij toch ook Gods kinderen zijn?
Vraag 34 Waarom noemt gij Hem onzen Heere?

Zondag 14

Vraag 35 Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heiligen Geest, geboren uit de maagd Maria?
Vraag 36 Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenis en geboorte van Christus?

Zondag 15

Vraag 37 Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?
Vraag 38 Waarom heeft Hij onder den rechter Pontius Pilatus geleden?
Vraag 39 Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, dan of Hij met een anderen dood gestorven ware?

Zondag 16

Vraag 40 Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen?
Vraag 41 Waarom is Hij begraven geworden?
Vraag 42 Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Vraag 43 Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Vraag 44 Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?

Zondag 17

Vraag 45 Wat nut ons de opstanding van Christus?

Zondag 18

Vraag 46 Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?
Vraag 47 Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?
Vraag 48 Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Vraag 49 Wat nut ons de hemelvaart van Christus?

Zondag 19

Vraag 50 Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
Vraag 51 Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Vraag 52 Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen de levenden en de doden?

VAN GOD DEN HEILIGEN GEEST EN ONZE HEILIGMAKING

Zondag 20

Vraag 53 Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?

Zondag 21

Vraag 54 Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?
Vraag 55 Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
Vraag 56 Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?

Zondag 22

Vraag 57 Wat troost geeft u de opstanding des vleses?
Vraag 58 Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?

VAN DE RECHTVAARDIGMAKING

Zondag 23

Vraag 59 Maar wat baat het u nu dat gij dit alles gelooft?
Vraag 60 Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Vraag 61 Waarom zegt gij dat gij alleen door het geloof rechtvaardig zijt?

Zondag 24

Vraag 62 Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheid voor God of een stuk daarvan zijn?
Vraag 63 Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans in dit en in het toekomende leven wil belonen?
Vraag 64 Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?

VAN DE SACRAMENTEN

Zondag 25

Vraag 65 Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al Zijn weldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?
Vraag 66 Wat zijn Sacramenten?
Vraag 67 Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarheen gericht of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van Jezus Christus aan het kruis, als op den enigen grond onzer zaligheid wijzen?
Vraag 68 Hoeveel Sacramenten heeft Christus in het nieuwe Verbond of Testament ingezet?

VAN DEN HEILIGEN DOOP

Zondag 26

Vraag 69 Hoe wordt gij in den Heiligen Doop vermaand en verzekerd dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Vraag 70 Wat is dat, met het bloed en den Geest van Christus gewassen te zijn?
Vraag 71 Waar heeft ons Christus toegezegd dat Hij ons zo zekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil, als wij met het doopwater gewassen worden?

Zondag 27

Vraag 72 Is dan het uiterlijke waterbad de afwassing der zonden zelve?
Vraag 73 Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
Vraag 74 Zal men ook de jonge kinderen dopen?

VAN HET HEILIG AVONDMAAL ONZES HEEREN

Zondag 28

Vraag 75 Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand en verzekerd dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht, en aan al Zijn goed gemeenschap hebt?
Vraag 76 Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christus eten en Zijn vergoten bloed drinken?
Vraag 77 Waar heeft Christus beloofd dat Hij de gelovigen zo zekerlijk alzo met Zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van dit gebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?

Zondag 29

Vraag 78 Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam lichaam en bloed van Christus?
Vraag 79 Waarom noemt dan Christus het brood Zijn lichaam en den drinkbeker Zijn bloed, of het Nieuwe Testament in Zijn bloed, en Paulus de gemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?

Zondag 30

Vraag 80 Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren en de paapse mis?
Vraag 81 Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?
Vraag 82 Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, die zich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensen aanstellen?

Zondag 31

Vraag 83 Wat zijn de sleutelen des hemelrijks?
Vraag 84 Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des heiligen Evangelies ontsloten en toegesloten?
Vraag 85 Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door den Christelijken ban?

DEEL 3 --- VAN DE DANKBAARHEID, DIE MEN GODE VOOR DE VERLOSSING SCHULDIG IS

Zondag 32

Vraag 86 Aangezien wij uit ellendigheid, zonder enige verdienste onzerzijds, alleen uit genade door Christus verlost zijn, waarom moeten wij dan nog goede werken doen?
Vraag 87 Kunnen dan niet zalig worden, die in hun goddeloos ondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?

Zondag 33

Vraag 88 In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering des mensen?
Vraag 89 Wat is de afsterving des ouden mensen?
Vraag 90 Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
Vraag 91 Maar wat zijn goede werken?

VAN DE WET

Zondag 34

Vraag 92 Hoe luidt de wet des Heeren?
Vraag 93 Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
Vraag 94 Wat gebiedt God ons in het eerste gebod?
Vraag 95 Wat is afgoderij?

Zondag 35

Vraag 96 Wat eist God in het tweede gebod?
Vraag 97 Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
Vraag 98 Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der leken niet mogen dulden?

Zondag 36

Vraag 99 Wat wil het derde gebod?
Vraag 100 Is het dan zo grote zonde, Gods Naam met zweren en vloeken te lasteren, dat God Zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel als hun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?

Zondag 37

Vraag 101 Maar mag men ook godzaliglijk bij den Naam Gods een eed zweren?
Vraag 102 Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andere schepselen een eed zweren?

Zondag 38

Vraag 103 Wat gebiedt God in het vierde gebod?

Zondag 39

Vraag 104 Wat wil God in het vijfde gebod?

Zondag 40

Vraag 105 Wat eist God in het zesde gebod?
Vraag 106 Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan te spreken?
Vraag 107 Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevoren gezegd is, niet doden?

Zondag 41

Vraag 108 Wat leert ons het zevende gebod?
Vraag 109 Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken en dergelijke schandelijkheden?

Zondag 42

Vraag 110 Wat verbiedt God in het achtste gebod?
Vraag 111 Maar wat gebiedt u God in dit gebod?

Zondag 43

Vraag 112 Wat wil het negende gebod?

Zondag 44

Vraag 113 Wat eist van ons het tiende gebod?
Vraag 114 Maar kunnen degenen die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
Vraag 115 Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?

VAN HET GEBED

Zondag 45

Vraag 116 Waarom is het gebed den Christenen van node?
Vraag 117 Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is en van Hem verhoord wordt?
Vraag 118 Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
Vraag 119 Hoe luidt dat gebed?

Zondag 46

Vraag 120 Waarom heeft ons Christus geboden God alzo aan te spreken: Onze Vader?
Vraag 121 Waarom wordt hierbij gevoegd: Die in de hemelen zijt?

Zondag 47

Vraag 122 Welke is de eerste bede?

Zondag 48

Vraag 123 Welke is de tweede bede?

Zondag 49

Vraag 124 Welke is de derde bede?

Zondag 50

Vraag 125 Welke is de vierde bede?

Zondag 51

Vraag 126 Welke is de vijfde bede?

Zondag 52

Vraag 127 Welke is de zesde bede?
Vraag 128 Hoe besluit gij uw gebed?
Vraag 129 Wat beduidt het woordeken: Amen?

Overzicht Belijdenisgeschrifte

Dordtse Leerregels

Inleiding

De Vijf Artikelen tegen de Remonstranten of Oordeel van de Nationale Synode van de Gereformeerde Kerken van de Verenigde Nederlanden, gehouden te Dordrecht in 1618 en 1619

In de naam van onze Heer en Verlosser Jezus Christus. Amen.

Onze Heer en Verlosser Jezus Christus heeft aan zijn strijdende kerk die hier ver van het vaderland in vreemdelingschap verkeert, veel bemoedigende woorden gegeven. Daaronder wordt de belofte: Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld terecht als een van de belangrijkste vertroostingen beschouwd. Deze woorden liet Christus aan zijn kerk na, toen Hij op het punt stond naar zijn Vader te gaan in het hemelse heiligdom.
De waarheid van deze kostelijke belofte wordt zichtbaar in de kerk van alle tijden. Want vanaf het begin is de kerk niet alleen bestreden door het openlijk geweld van de vijanden en de goddeloosheid van de ketters, maar ook door de verborgen listen van de verleiders.
Werkelijk, wanneer de Here haar ook maar ooit de heilzame hulp van zijn beloofde aanwezigheid had onthouden, zou zij allang door het geweld van de tirannen overweldigd zijn, of door de listen van de bedriegers naar de ondergang zijn gevoerd.
Maar de goede Herder, die zijn kudde, waarvoor Hij zijn leven gegeven heeft, zeer trouw bemint, heeft het woeden van de vervolgers steeds op tijd en door zijn uitgestrekte hand, vaak op wonderlijke wijze, bedwongen. Ook heeft Hij de slinkse methoden en bedrieglijke plannen van de verleiders ontmaskerd en verijdeld. In beide situaties bewees Hij metterdaad zijn kerk nabij te zijn.
Dit wordt ons zeer duidelijk uit de geschiedenissen van de godvrezende keizers, koningen en vorsten, die de Zoon van God zo vaak tot hulp van zijn kerk deed opstaan en in een heilige ijver voor zijn huis deed ontbranden.
Door hun dienst heeft Hij niet alleen het woeden van de tirannen binnen de perken gehouden, maar Hij heeft zijn kerk zo ook geholpen door middel van heilige synoden, wanneer zij de strijd moest aanbinden met valse leraars.
In deze synoden hebben de trouwe knechten van Christus door gemeenschappelijk gebed, overleg en inspanning zich dapper ingezet voor de kerk en de waarheid van God en zich gekeerd tegen de knechten van satan, ook al deden dezen zich voor als engelen van het licht. Christus' knechten hebben het zaad van de dwalingen en van de twist weggenomen, de kerk in de eenheid van de zuivere leer bewaard en de oprechte dienst van God ongeschonden overgeleverd aan het nageslacht.
Onze trouwe Verlosser heeft door een dergelijke weldaad zijn genadige tegenwoordigheid in deze tijd bewezen aan de kerk van Nederland, die enkele jaren in grote moeiten is geweest. Want deze kerk was door Gods machtige hand verlost van de tirannie van de roomse antichrist en van de verschrikkelijke afgoderij van het pausdom. In de gevaren van zo'n langdurige oorlog was zij vaak op wonderlijke manier bewaard. Door eensgezind vast te houden aan de ware leer en tucht tot lof van haar God was zij tot grote bloei gekomen, wat leidde tot een verbazingwekkende groei van de republiek, tot vreugde van de hele gereformeerde wereld.
Maar deze kerk hebben Jacobus Arminius (Koos Armijn) en zijn volgelingen, die de naam Remonstranten dragen, door verschillende dwalingen, zowel oude als nieuwe, bestreden, eerst onopvallend, later openlijk.
Door ergerlijke twisten en scheuringen hebben zij de kerk aanhoudend in verwarring gebracht. Daardoor ontstond er zo'n hachelijke situatie, dat de prachtig bloeiende kerken door een verschrikkelijke brand van twisten en verdeeldheden tenslotte verteerd zouden zijn, als onze barmhartige Verlosser niet tijdig tussenbeide gekomen was.
Maar geprezen zij de Here tot in eeuwigheid! Wel had Hij zijn aangezicht een ogenblik verborgen voor ons, die op veel manieren zijn verontwaardiging en toorn opgewekt hadden. Daarna heeft Hij evenwel voor de hele wereld bewezen dat Hij zijn verbond niet vergeet en het zuchten van de zijnen niet veracht.
Want toen er naar de mens gesproken nauwelijks enige hoop op redding voor handen scheen, heeft Hij de doorluchtige en hoogmogende heren, de Generale Staten van de Verenigde Nederlanden, in het hart gegeven om op advies en onder leiding van de zeer doorluchtige en dappere Prins van Oranje te besluiten dit voortwoekerende kwaad met wettige middelen te lijf te gaan.
Deze middelen hebben de eeuwen door in navolging van de apostelen en van de christelijke kerk na hen goedkeuring gevonden en zij zijn vroeger ook in de kerk van Nederland met goed resultaat gebruikt.
De Generale Staten hebben een synode uit al de provincies van hun gebied op hun gezag te Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij voor deze synode van tevoren vele voortreffelijke godgeleerde mannen gezocht en ook verkregen hadden door de welwillendheid van de grootmachtigste koning Jacobus van Groot-Brittannië, en van de doorluchtige voorsten, van de doorluchtige graven, en van de machtige republieken.
De leer van Arminius en zijn volgelingen zou dan op die indrukwekkende synode nauwkeurig onderzocht en alleen naar Gods Woord beoordeeld worden. Door het gemeenschappelijk oordeel van zoveel theologen zou dan de ware leer bevestigd en de valse verworpen worden. Zo zouden eensgezindheid, vrede en rust door Gods zegen in de Nederlandse kerken terugkeren. Over deze weldaad van God verheugen zich de Nederlandse kerken. Zij erkennen ootmoedig en roemen dankbaar de barmhartigheden van hun trouwe Verlosser.
De synode die in de naam van de Here te Dordrecht bijeen was en die vervuld was met liefde tot God en het welzijn van de kerk, heeft zich na aanroeping van Gods naam onder ede verplicht om alleen te oordelen overeenkomstig de Heilige Schrift en bij het onderzoek en de beoordeling van de aanhangige zaak met een goed en oprecht geweten te handelen. Vooraf was op gezag van de hoge overheid in alle Nederlandse kerken een algemene vast- en bededag uitgeschreven en gehouden, om door gebed Gods toorn af te wenden en zijn genadige hulp te verkrijgen. De synode heeft de belangrijkste voorstanders van deze leerstellingen gedagvaard en zij heeft met grote ijver en veel geduld zich moeite gegeven, om hen te bewegen hun opvattingen ten aanzien van de bekende vijf hoofdstukken van de leer met argumenten daarvoor zonder terughouding uiteen te zetten.
Maar zij ontkenden het recht van de synode om te oordelen en zij weigerden op gestelde vragen op een redelijke manier te antwoorden. Geen vermaningen van de synode, geen opdrachten van de welgeboren, edele Gedeputeerden van de Generale Staten, ja zelfs geen bevelen van de doorluchtige, hoogmogende Heren van de Generale Staten richtten iets bij hen uit. Daarom was de synode genoodzaakt op last van de hoogmogende Heren en volgens de gewoonte van synoden uit het verleden een andere weg in te slaan.
Vanaf dat moment heeft zij de beoordeling van de genoemde vijf leerstukken gebaseerd op de geschriften, belijdenissen en verklaringen, die voor een deel al waren gepubliceerd, voor een deel aan de synode waren voorgelegd.
Dit onderzoek is nu door Gods bijzondere genade met grote ijver, door trouwe en gewetensvolle arbeid en met algemene overeenstemming voltooid. De synode kwam daarbij tot een oordeel, waarin de zuivere, met Gods Woord overeenkomende leer betreffende de vijf leerstukken uiteengezet en de valse en met Gods Woord strijdende leer weerlegd wordt.
Deze synode heeft daarom besloten tot eer van God en tot behoud van de zuiverheid van de heilzame waarheid, tot rust van de gewetens, tot vrede en welzijn van de Nederlandse kerken het volgende oordeel openlijk uit te spreken en aan ieder bekend te maken.

Het eerste hoofdstuk van de leer
De goddelijke uitverkiezing en verwerping

Artikel 1

Alle mensen hebben in Adam gezondigd en verdienen Gods vloek en de eeuwige dood1. Daarom zou God niemand onrecht gedaan hebben, als Hij besloten had het hele menselijke geslacht aan zonde en vervloeking over te laten en vanwege de zonde te veroordelen. De apostel zegt immers: De hele wereld is voor God strafwaardig. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19, 23). En: Het loon, dat de zonde geeft, is de dood (Rom. 6:23).

Artikel 2

Maar hierin is de liefde van God geopenbaard, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld1, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft2.

Artikel 3

Om de mensen tot het geloof te brengen zendt God in zijn goedheid verkondigers van deze zeer blijde boodschap tot wie Hij wil en wanneer Hij wil1. Door hun dienst worden de mensen opgeroepen tot bekering en tot geloof in Christus, de gekruisigde2. Want hoe zullen zij geloven in Hem van wie zij niet gehoord hebben? Hoe horen zonder prediker? En hoe zal men prediken zonder gezonden te zijn? (Rom. 10:14, 15).

Artikel 4

Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God1. Maar zij die het aannemen en de Verlosser Jezus met een echt en levend geloof omhelzen, worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij ontvangen door Hem het eeuwige leven2.

Artikel 5

Van dat ongeloof is God volstrekt niet de oorzaak. De mens draagt de schuld ervan, evenals van alle andere zonden1. Daarentegen is het geloof in Jezus Christus en ook het behoud door Hem een genadegave van God, zoals geschreven is: Door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God (Ef. 2:8). Evenzo: Aan u is de genade verleend in Christus te geloven (Filip. 1:29).

Artikel 6

God schenkt in dit leven aan sommigen het geloof, terwijl Hij het aan anderen onthoudt. Dit vloeit voort uit zijn eeuwig besluit1. Want de Schrift zegt, dat al zijn werken Hem van eeuwigheid bekend zijn (Hand. 15:18), en dat Hij alles werkt naar de raad van zijn wil (Ef. 1:11).
Overeenkomstig dat besluit vermurwt Hij in zijn genade de harten van de uitverkorenen, hoe hard die ook zijn, en buigt Hij ze om te geloven. Maar volgens datzelfde besluit laat Hij hen die niet zijn uitverkoren, uit kracht van zijn rechtvaardig oordeel over aan eigen slechtheid en hardheid. Juist hier komt voor ons de ondoorgrondelijke, even barmhartige als rechtvaardige beslissing van God aan het licht, waarbij Hij onderscheid gemaakt heeft tussen mensen, die allen evenzeer verloren zondaren zijn. Dit is het besluit van de uitverkiezing en de verwerping, dat in het Woord van God geopenbaard is. Terwijl slechte, verdorven en onstandvastige mensen dit besluit verdraaien tot hun eigen verderf, ontvangen heiligen en godvrezenden daardoor een onuitsprekelijke troost.

Artikel 7

Deze uitverkiezing is een onveranderlijk voornemen van God, waardoor Hij voor de grondlegging van de wereld uit het hele menselijke geslacht - dat door eigen schuld de oorspronkelijke gerechtigheid verloren en zich in zonde en ondergang gestort heeft - een vast en groot aantal mensen in Christus tot het heil heeft uitgekozen1.
Deze uitverkorenen zijn niet beter dan anderen en zij hebben evenmin enig recht op Gods liefde, omdat zij met alle mensen aan de ellende prijsgegeven zijn. Alleen uit genade zijn zij in Christus uitverkoren overeenkomstig het vrije welbehagen van Gods wil2. God heeft Christus ook van eeuwigheid tot Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen en tot fundament van het heil gesteld. En om hen door Christus te behouden, besloot God tegelijk deze uitverkorenen aan Hem te geven en met kracht tot de gemeenschap met Christus te roepen en te trekken door zijn Woord en Geest3. Of met andere woorden: God besloot hun het geloof in Christus te schenken, hen te rechtvaardigen en te heiligen en hen, nadat zij in de gemeenschap van zijn Zoon met kracht bewaard zijn, uiteindelijk te verheerlijken. In dit alles toont God zijn barmhartigheid tot lofprijzing van de schatten van zijn roemrijke genade. Want er staat geschreven: God heeft ons immers in Christus uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid van zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde (Ef. 1:4-6). En verder: Die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).

Artikel 8

Deze uitverkiezing is niet veelsoortig, maar zij is een en dezelfde verkiezing van allen die onder oud en nieuw verbond behouden worden. De Schrift verkondigt ons immers één welbehagen, voornemen en raad van Gods wil1, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft uitverkoren tot de genade en tot de heerlijkheid, tot het behoud en tot de weg van het behoud, die Hij tevoren bereid heeft, opdat wij daarop zouden gaan2.

Artikel 9

God heeft uitverkoren niet omdat Hij tevoren in de mens geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid of een andere goede eigenschap of aanleg zag, die als oorzaak of voorwaarde in de mens, die uitverkoren zou worden, aanwezig moest zijn. Integendeel, Hij heeft uitverkoren opdat Hij geloof, gehoorzaamheid van het geloof, heiligheid enzovoort zou bewerken1. Deze uitverkiezing is dus de bron van al het goede, dat tot behoud leidt. Daaruit komen als vruchten het geloof, de heiligheid en de andere heilsgaven en tenslotte het eeuwige leven voort. De apostel getuigt immers: Hij heeft ons uitverkoren, (niet: omdat wij waren, maar:) opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1:4).

Artikel 10

De oorzaak van deze genadige uitverkiezing is alleen het welbehagen van God. Dit bestaat niet hierin, dat Hij uit alle mogelijke voorwaarden enige eigenschappen of prestaties van mensen heeft uitgekozen tot een voorwaarde voor het ontvangen van het heil. Integendeel, dit welbehagen bestaat hierin, dat Hij bepaalde personen uit de hele zondige mensheid tot zijn eigendom aangenomen heeft. Er staat immers geschreven: Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan... werd tot haar (namelijk Rebekka) gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad, maar Ezau heb Ik gehaat (Rom. 9:11-13)1. En: Allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48).

Artikel 11

Omdat God volkomen wijs, onveranderlijk, alwetend en almachtig is, kan zijn keus niet ongedaan gemaakt en opnieuw gedaan worden, en daarom kan ze ook niet veranderd, herroepen of tenietgedaan worden1. Evenmin kunnen de uitverkorenen verworpen of kan hun aantal verminderd worden.

Artikel 12

Van hun eeuwige en onveranderlijke uitverkiezing tot behoud worden de uitverkorenen, ieder op zijn tijd, verzekerd, zij het niet bij iedereen even sterk en in gelijke mate. Die zekerheid ontvangen de uitverkorenen niet, wanneer zij de verborgenheden en diepten van God nieuwsgierig doorzoeken1. Maar zij ontvangen haar, wanneer zij met een geestelijke blijdschap en heilige vreugde de onmiskenbare vruchten van de uitverkiezing, die Gods Woord aanwijst, bij zichzelf opmerken2, zoals bijvoorbeeld het ware geloof in Christus, kinderlijk ontzag voor God, droefheid naar Gods wil over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid.

Artikel 13

Wanneer Gods kinderen nu de uitverkiezing ervaren en er zeker van zijn, ontlenen zij daaraan dagelijks meer reden om zich voor God te verootmoedigen, de diepte van zijn barmhartigheid te aanbidden, zichzelf te reinigen en Hem, die hen eerst zozeer heeft liefgehad, van hun kant vurig lief te hebben1. Er is dan ook geen sprake van, dat zij door deze leer van de uitverkiezing en de overdenking ervan zouden verslappen in het onderhouden van Gods geboden, of in zondige zorgeloosheid zouden gaan leven. Dit gebeurt doorgaans naar Gods rechtvaardig oordeel met hen die op de wegen van de uitverkorenen niet willen gaan, terwijl zij zich lichtvaardig laten voorstaan op de genade van de uitverkiezing, of hun tijd verdoen met lichtzinnige praat daarover.

Artikel 14

Deze leer van de goddelijke uitverkiezing is naar Gods wijze raad door de profeten, Christus zelf en de apostelen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond verkondigd en daarna in de Heilige Schrift beschreven en overgeleverd1. Daarom moet deze leer ook nu op de juiste tijd en plaats onderwezen worden in Gods kerk - want juist aan haar is zij toevertrouwd - met onderscheidingsvermogen, eerbiedig en heilig2, zonder nieuwsgierig naspeuren van de wegen van de Allerhoogste, tot eer van Gods heilige naam en tot een levende troost van zijn volk.

Artikel 15

Het voorrecht van deze eeuwige en onverdiende genade van onze uitverkiezing wijst de Heilige Schrift ons bovenal aan, wanneer zij verder getuigt, dat niet alle mensen zijn uitverkoren. Sommigen is God namelijk in zijn eeuwige uitverkiezing voorbijgegaan1. Dit zijn de mensen over wie God naar zijn volkomen vrij, rechtvaardig, onberispelijk en onveranderlijk welbehagen besloten heeft, hen in de gemeenschappelijke ellende te laten, waarin zij zichzelf door hun eigen schuld gestort hebben. God besloot hun het heilbrengend geloof en de genade van de bekering niet te schenken, maar hen op hun eigen wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel te laten2 en hen tenslotte niet alleen om hun ongeloof, maar ook om alle andere zonden te veroordelen en voor eeuwig te straffen, en daarin zijn rechtvaardigheid te tonen. Dit is het besluit van de verwerping, dat God beslist niet maakt tot de bewerker van de zonde - dat is een godslasterlijke gedachte! - maar dat Hem stelt tot de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige Rechter en Wreker ervan.

Artikel 16

Nu zijn er mensen die het levend geloof in Christus of het vertrouwen met hart en ziel, een goed geweten voor God, het leven in de kinderlijke gehoorzaamheid en het roemen in God door Christus nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken1. Toch gebruiken zij de middelen, waardoor God naar zijn belofte dit alles in ons bewerkt. Zij moeten zich niet laten ontmoedigen, wanneer zij over de verwerping horen spreken en evenmin zichzelf tot de verworpenen rekenen. Integendeel, zij moeten de middelen trouw blijven gebruiken, vurig verlangen naar de tijd van overvloediger genade en die eerbiedig en ootmoedig verwachten.
Zij die ernstig verlangen zich tot God te bekeren, Hem alleen te behagen en uit het lichaam des doods verlost te worden2, maar toch nog niet zo ver in het gelovig leven voor de Here kunnen komen, als zij wel wilden, behoren voor deze leer van de verwerping al helemaal niet bevreesd te worden. De barmhartige God heeft immers beloofd, dat Hij de walmende vlaspit niet zal uitdoven en het geknakte riet niet zal verbreken3. Maar deze leer is wel degelijk schrikaanjagend voor hen die met God en Christus de Verlosser geen rekening houden, opgaan in de zorgen van de wereld en zich laten beheersen door zondige begeerten4 - tenminste zolang zij zich niet ernstig tot God bekeren.

Artikel 17

Over de wil van God kunnen wij ons alleen uitspreken op grond van zijn eigen Woord. Dit verzekert ons ervan, dat de kinderen van de gelovigen heilig zijn, niet van nature, maar uit kracht van het genadeverbond, waartoe zij met hun ouders behoren1.

Daarom moeten godvrezende ouders niet twijfelen aan de uitverkiezing en het behoud van hun kinderen, die God zeer jong uit dit leven wegneemt.

Artikel 18

Aan hen die over deze genade van de onverdiende uitverkiezing en over de strengheid van de rechtvaardige verwerping opstandig spreken, houden wij deze uitspraak van de apostel voor: Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? (Rom. 9:20)1. En deze van onze Verlosser: Staat het mij niet vrij met het mijne te doen, wat ik wil? (Matt. 20:15). Maar wij aanbidden deze heilsgeheimen eerbiedig en roepen met de apostel uit: O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk zijn wegen! Want: wie heeft de zin des Heren gekend? Of wie is Hem tot raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst iets gegeven, waarvoor hij vergoeding ontvangen moet? Want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen: Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen. (Rom. 11:33-36).

Veroordeling van de dwalingen waardoor de Nederlandse kerken een tijdlang in opschudding gebracht zijn

Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer over de uitverkiezing en verwerping veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:

1. God wil de mensen redden die tot geloof zullen komen en zullen volharden in dat geloof en de gehoorzaamheid van het geloof. Deze wil van God is het volledige besluit van de uitverkiezing tot behoud en iets anders is hierover in het Woord van God niet geopenbaard.

Met deze leer misleiden zij de eenvoudige mensen en gaan zij duidelijk tegen de Heilige Schrift in. Want de Schrift getuigt, dat God niet alleen hen die tot geloof zullen komen, wil redden, maar dat Hij ook een vast aantal mensen van eeuwigheid uitgekozen heeft. In dit leven schenkt Hij hun in onderscheiding van anderen het geloof in Christus en de volharding. Er staat immers geschreven: Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt (Joh. 17:6). En: allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48). En: Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1:4).

2. Gods uitverkiezing tot het eeuwige leven is veelsoortig. Er is een algemene, onbepaalde uitverkiezing en een bijzondere, bepaalde uitverkiezing. Deze laatste is weer onderverdeeld in een onvolkomen en volkomen verkiezing. De onvolkomen verkiezing kan herroepen worden: die is niet definitief en ze is gebonden aan bepaalde voorwaarden. De volkomen uitverkiezing daarentegen kan niet herroepen worden: zij is definitief en onvoorwaardelijk. En ook: er is een uitverkiezing tot het geloof en een andere uitverkiezing tot het behoud. Dit betekent dat de uitverkiezing tot het rechtvaardigmakend geloof nog niet hoeft in te houden de beslissende uitverkiezing tot het behoud.

Dit is een uitvinding van het menselijk brein, die buiten de Schrift om verzonnen is. Daardoor wordt de leer van de uitverkiezing verminkt en de gouden keten van ons behoud verbroken: die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).

3. Wanneer de Schrift in haar leer van de uitverkiezing spreekt over het welbehagen en voornemen van God, bedoelt zij niet dat God een vast aantal mensen boven anderen uitverkoren heeft. Nee, uit alle mogelijke voorwaarden (waaronder ook de werken der wet), anders gezegd: uit het geheel van de bestaande mogelijkheden heeft God als voorwaarde voor behoud uitgekozen de in zichzelf niet verdienstelijke daad van het geloof en de onvolmaakte gehoorzaamheid van het geloof. Deze onvolmaakte gehoorzaamheid wil Hij in zijn genade laten doorgaan voor volkomen, en waardig keuren om met het eeuwige leven beloond te worden.

Met deze gevaarlijke dwaling worden Gods welbehagen en Christus' verdienste van kracht beroofd. Ook worden de mensen door zinloze vragen afgetrokken van de waarheid van de rechtvaardiging uit genade en van de eenvoud van de Schrift. En de apostel wordt ervan beschuldigd, dat hij onwaarheid spreekt, wanneer hij zegt: Die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus gegeven is voor eeuwige tijden. (2 Tim. 1:9).

4. Bij de uitverkiezing tot geloof moet de mens eerst aan de volgende voorwaarden voldoen: hij moet het licht der natuur goed gebruiken; hij moet vroom, ootmoedig en nederig zijn en geschikt voor het eeuwige leven.

Alsof de uitverkiezing ook maar enigszins van deze dingen afhankelijk zou zijn! Deze dwaling lijkt bedenkelijk veel op die van Pelagius en is in strijd met de leer van de apostel, die schrijft: - trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns - God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmee Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen, mee levend gemaakt met Christus - door genade zijt gij behouden - en heeft ons mee opgewekt en ons mee een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom van zijn genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme (Ef. 2:3-9).

5. De onvolkomen en niet-definitieve uitverkiezing van bepaalde personen tot behoud is hierop gegrond, dat God van tevoren zag dat zij voor kortere of langere tijd zouden geloven, zich bekeren en heilig en godvrezend zouden leven. Maar hun volkomen en definitieve uitverkiezing is daarop gegrond, dat God van tevoren zag dat zij tot het einde toe zouden volharden in geloof, bekering en een heilig en godvrezend leven. Dit is de ‘genadige en evangelische waardigheid' waardoor hij die uitverkoren wordt, zich onderscheidt van hem die niet uitverkoren wordt. Daarom zijn het geloof, de gehoorzaamheid van het geloof, de heiligheid, godsvrucht en volharding geen vrucht van de onveranderlijke uitverkiezing tot de heerlijkheid. Nee, dit zijn voorwaarden, die God vooraf gesteld heeft en waarvan Hij ook vooraf gezien heeft, dat eraan voldaan zou worden door hen die definitief uitgekozen zouden worden. Alleen op deze gronden vindt de onveranderlijke uitverkiezing tot heerlijkheid plaats.

Dit nu is in strijd met de hele Schrift, die ons op tal van plaatsen de volgende en soortgelijke uitspraken inscherpt: Opdat het verkiezend voornemen van God zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan, dat Hij riep (Rom. 9:11); en allen die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof (Hand. 13:48); Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren voor de grondlegging van de wereld, opdat wij heilig zouden zijn (Ef. 1:4); niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen (Joh. 15:16); indien het nu door genade is, dan is het niet meer uit werken (Rom. 11:6); hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).

6. De uitverkiezing tot behoud is niet in alle gevallen onveranderlijk; sommige uitverkorenen kunnen ondanks een besluit van God verloren gaan en gaan ook werkelijk voor eeuwig verloren.

Door deze grove dwaling stellen zij God als een veranderlijke God voor en doen zij de troost teniet die de godvrezenden putten uit de vastheid van hun uitverkiezing. Ook spreken zij de Heilige Schrift tegen, die leert, dat de uitverkorenen niet verleid kunnen worden (Matt. 24:24); dat Christus van alles wat de Vader Hem gegeven heeft, niet verloren laat gaan (Joh. 6:39); dat God hen die Hij tevoren bestemd heeft, geroepen en gerechtvaardigd heeft, ook heeft verheerlijkt (Rom. 8:30).

7. Er is in dit leven geen vrucht en geen ervaring van de onveranderlijke uitverkiezing tot heerlijkheid, en ook geen zekerheid daarover; als wij er al zeker van zijn, is dat afhankelijk van een veranderlijke en onzekere voorwaarde.

Nu is het al dwaas om over een onzekere zekerheid te spreken, maar het is bovendien ook in strijd met wat de heiligen ondervinden. Op grond van de ervaring van hun uitverkiezing verheugen zij zich met de apostel en prijzen deze weldaad van God, terwijl zij zich overeenkomstig Christus' aansporing met de discipelen verblijden dat hun namen in de hemel staan opgetekend1. Ook stellen zij de ervaring van hun uitverkiezing tegenover de vurige pijlen van de aanvechtingen van de duivel, wanneer zij vragen: Wie zal uitverkorenen van God beschuldigen? (Rom. 8:33).

8. God heeft niet enkel op grond van zijn rechtvaardige wil besloten iemand te laten blijven in de gevallen staat van Adam en daarmee in de staat van zonde en veroordeling van alle mensen. Evenmin besloot Hij enkel op grond van zijn rechtvaardige wil iemand bij het schenken van de genade, die voor het geloof en de bekering nodig is, over te slaan.

Vast staat echter: Hij ontfermt Zich dus over wie Hij wil en Hij verhardt wie Hij wil (Rom. 9:18). En ook dit: Het is u gegeven de geheimenissen van het koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven (Matt. 13:11). Evenzo: Ik dank U, Vader, Heer van de hemel en de aarde, dat Gij deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt, doch aan kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want zo is het een welbehagen geweest voor U (Matt. 11:25, 26).

9. De reden waarom God het evangelie liever aan het ene volk dan aan het andere laat verkondigen, moet niet enkel en alleen in het welbehagen van God gezocht worden, maar daarin, dat het ene volk beter is en meer recht heeft op Gods liefde dan het andere volk waaraan het evangelie niet wordt bekendgemaakt.

Mozes ontkent dit, wanneer hij het volk Israel als volgt aanspreekt: Zie, van de HERE, uw God, is de hemel, ja, de hemel der hemelen, de aarde en alles wat daarop is; alleen aan uw vaderen heeft de HERE Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is (Deut. 10:14, 15). En Christus zegt: Wee u, Chorazin, wee u, Betsaida! Want indien in Tyrus en Sidon die krachten waren geschied, welke in u geschied zijn, reeds lang zouden zij zich in zak en as bekeerd hebben (Matt. 11:21).

Het tweede hoofdstuk van de leer
De dood van Christus en onze verlossing daardoor

Artikel 1

God is niet alleen volkomen barmhartig, maar ook volkomen rechtvaardig1. Nu eist zijn gerechtigheid - zo heeft Hij Zich in zijn Woord geopenbaard - dat onze zonden, tegen zijn oneindige majesteit bedreven, in tijd en eeuwigheid naar ziel en lichaam worden gestraft. Aan deze straffen kunnen wij alleen ontkomen, als aan Gods gerechtigheid wordt voldaan.

Artikel 2

Maar omdat wij zelf niet in staat zijn die voldoening te geven en ons van Gods toorn te bevrijden, heeft God uit onmetelijke barmhartigheid ons zijn eniggeboren Zoon als Borg gegeven1. Deze is voor ons en in onze plaats aan het kruis tot zonde gemaakt en een vloek geworden om voor ons te voldoen2.

Artikel 3

De kruisdood van Gods Zoon is het enige offer en de volledige betaling voor de zonde1. De kracht en de waarde ervan zijn oneindig en daarom is deze dood meer dan genoeg om de zonden van de hele wereld te verzoenen2.

Artikel 4

Deze dood is zo krachtig en waardevol, omdat de Persoon die hem ondergaan heeft, niet alleen een echt en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, die met de Vader en de Heilige Geest eeuwig en oneindig God is1 - zo immers moest onze Verlosser ook zijn. Bovendien is Christus' dood zo krachtig en waardevol, omdat Hij bij zijn sterven heeft ervaren de toorn van God en de vervloeking die wij door onze zonden verdiend hadden2.

Artikel 5

De belofte van het evangelie is nu, dat ieder die in de gekruisigde Christus gelooft, niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft1. Aan alle volken en mensen tot wie God naar zijn welbehagen het evangelie zendt, moet zonder onderscheid deze belofte openlijk verkondigd worden met het bevel zich te bekeren en te geloven2.

Artikel 6

Velen die door het evangelie geroepen zijn, bekeren zich niet en geloven niet in Christus; zij gaan in ongeloof ten onder1. Maar dit komt niet doordat Christus' offer aan het kruis gebrekkig of ontoereikend zou zijn; het is hun eigen schuld2.

Artikel 7

Maar allen die echt geloven en door Christus' dood van zonde en ondergang bevrijd en behouden worden, ontvangen deze weldaad alleen op grond van Gods genade1. Deze genade, die God aan niemand verschuldigd is, heeft Hij hun in Christus van eeuwigheid gegeven.

Artikel 8

Want dit is het soevereine raadsplan, de genadige wil en het voornemen van God de Vader geweest, dat de levendmakende en reddende kracht van de kostbare dood van zijn Zoon ten goede zou komen aan alle uitverkorenen1, om alleen hun het rechtvaardigend geloof te schenken en hen daardoor met vaste hand tot het volle heil te brengen. Anders gezegd: God heeft gewild dat Christus door zijn bloedstorting aan het kruis (waarmee Hij aan het nieuwe verbond rechtskracht verleend heeft)2 uit alle volken, stammen, geslachten en talen3 met kracht al diegenen - en hen alleen - zou verlossen, die de Vader van eeuwigheid tot het heil uitverkoren en aan zijn Zoon gegeven heeft. God heeft ook gewild dat Christus aan dezen het geloof zou schenken4, dat Hij - evenals de overige reddende gaven van de Heilige Geest - door zijn dood voor hen verworven heeft. God heeft eveneens gewild dat Hij hen door zijn bloed zou reinigen van al hun zonden5, zowel van hun erfzonde als van de zonden die zij voor of na het ontvangen van het geloof zouden bedrijven. En ook was het Gods wil dat Hij hen tot het einde toe trouw zou bewaren en hen tenslotte stralend zonder vlek of rimpel voor Zich zou plaatsen6.

Artikel 9

Dit raadsplan dat voortkomt uit Gods eeuwige liefde voor de uitverkorenen, is van het begin van de wereld tot vandaag toe met kracht vervuld en zal ook voortaan vervuld worden, ondanks de tegenstand van de poorten van het dodenrijk1. Zo zullen de uitverkorenen - ieder op zijn tijd - bijeen vergaderd worden en zal er altijd een kerk van gelovigen zijn, die gefundeerd is in Christus' bloed2. Zij heeft Christus, haar verlosser, die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het kruis zijn leven gegeven heeft3, standvastig lief, zij dient Hem met volharding en prijst Hem nu en in alle eeuwigheid. Amen.

Veroordeling van de dwalingen

Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:

1. God de Vader heeft zijn Zoon ertoe bestemd, aan het kruis te sterven, zonder dat daaraan een vast raadsbesluit ten grondslag lag om ook iemand te redden die Hij bij name kende. Zelfs al zou dus de verlossing die Christus heeft verdiend, nooit het persoonlijk eigendom van een mens zijn geworden, dan was geen enkele afbreuk gedaan aan de noodzaak, het nut en de waarde van wat Christus door zijn dood verdiend heeft. Deze zouden in elk opzicht volmaakt, volledig en onaangetast blijven.

Deze bewering betekent een belediging voor de wijsheid van de Vader en de verdienste van Jezus Christus en zij is in strijd met de Schrift. Want onze Verlosser zegt: Ik zet mijn leven in voor de schapen en Ik ken ze (Joh. 10:15, 27). En de profeet Jesaja zegt over de verlosser: Wanneer hij zichzelf ten schuldoffer gesteld zal hebben, zal hij nakomelingen zien en een lang leven hebben en het voornemen van de HERE zal door zijn hand voortgang hebben (Jes. 53:10).
Tenslotte ontkracht deze bewering het artikel van de geloofsbelijdenis, waarin wij belijden een heilige, algemene, christelijke kerk.

2. Het doel van de dood van Christus is niet geweest dat Hij het nieuwe verbond van de genade daadwerkelijk door zijn bloed rechtskracht zou verlenen. Nee, het was alleen maar de bedoeling dat Hij voor de Vader formeel het recht zou verwerven om opnieuw met de mensen een verbond te sluiten, dat - al naar 't God believen zou - een verbond van genade of van werken zou kunnen zijn.

Dit is in strijd met de Schrift, die leert dat Christus Borg en Middelaar is geworden van een beter verbond, namelijk het nieuwe. Zij leert ook dat een testament pas van kracht is, wanneer iemand gestorven is1.

3. Christus heeft door zijn voldoening voor niemand met zekerheid het behoud verdiend, evenmin als het geloof, waardoor deze voldoening van Christus iemands deel wordt en hem metterdaad tot behoud strekt. Christus heeft de Vader alleen maar de mogelijkheid gegeven of Hem ten volle bereidwillig gemaakt om met de mensen een nieuw begin te maken en nieuwe voorwaarden, welke dan ook, voor te schrijven. Het voldoen aan deze voorwaarden zou dan van de vrije wil van de mens afhangen. Zodoende zou het mogelijk geweest zijn dat of niemand of iedereen aan die voorwaarden voldeed.

Zij die dit leren hebben wel een erg lage dunk van de dood Christus en zij hebben totaal geen oog voor de voornaamste vrucht of weldaad die door deze dood verkregen is. Zij diepen de ketterij van Pelagius weer op uit de hel.

4. Het nieuwe verbond van de genade, dat God de Vader door de dood van Christus met de mensen heeft kunnen sluiten, bestaat niet hierin dat wij door het geloof, voor zover het de verdienste van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en behouden worden. Nee, het bestaat hierin, dat God ervan afziet om volkomen gehoorzaamheid aan de wet te eisen. Hij beschouwt het geloof zelf en de gehoorzaamheid van het geloof - hoe onvolmaakt ook - als de volmaakte gehoorzaamheid aan de wet. Hij acht ze in zijn genade waard om met het eeuwige leven beloond te worden.

Zij die dit leren, spreken de Schrift tegen: Zij worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed (Rom. 3:24, 25). Zij voeren met de goddeloze Socinus een nieuwe en vreemde leer in over de rechtvaardiging van de mens voor God, in strijd met het eenparig gevoelen van heel de kerk.

5. Alle mensen zijn door God aangenomen, zodat zij met God verzoend zijn en delen in de genade van het verbond. Daarom is niemand vanwege de erfzonde aan het eeuwig oordeel onderworpen en ook zal niemand daarom veroordeeld worden. Alle mensen zijn vrij van de schuld van deze zonde.

Deze gedachte strijdt tegen de Schrift, die zegt dat wij van nature kinderen des toorns zijn (Ef. 2:3).

6. God heeft, voor zover het aan Hem ligt, aan alle mensen de weldaden die door de dood van Christus verkregen worden, in gelijke mate willen schenken. Wanneer sommigen aan de vergeving van de zonden en het eeuwige leven deel krijgen en anderen niet, hangt dit verschil af van de vrije wil, die ingaat op de genade, welke zonder onderscheid aangeboden wordt. Het genoemde verschil hangt niet af van een bijzondere gave van Gods barmhartigheid, die zo krachtig in de mensen zou werken, dat dezen zich - in tegenstelling tot anderen - die genade eigen zouden maken.

Zij die dit leren, misbruiken het onderscheid tussen verwerving en toepassing van het heil, om zo bij argeloze en onervaren mensen deze mening ingang te doen vinden. Terwijl zij doen alsof zij dit onderscheid op een juiste manier naar voren brengen, proberen zij intussen het volk het dodelijke gif van de pelagiaanse dwalingen toe te dienen.

7. Christus kon en moest niet sterven voor hen die God zo bijzonder liefheeft en tot het eeuwige leven heeft uitverkoren. Hij is dan ook niet voor hen gestorven, want zulke mensen hebben de dood van Christus niet nodig.

Zij die dit leren, spreken de apostel tegen, dat de Zoon van God mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgeleverd (Gal. 2:20). Evenzo: Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, namelijk voor hen (Rom. 8:33, 34). En de Verlosser zegt zelf: Ik zet mijn leven in voor de schapen (Joh. 10:15). En: Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, gelijk Ik u heb liefgehad. Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden (Joh. 15:12, 13).

Het derde en vierde hoofdstuk van de leer
De verdorvenheid van de mens en zijn bekering tot God

Artikel 1

De mens is oorspronkelijk naar het beeld van God geschapen1. Hij was in zijn verstand gesierd met ware en heilzame kennis van zijn Schepper en van de geestelijke dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al zijn verlangens met zuiverheid. Hij was dus volkomen heilig. Maar op het ingeven van de duivel is hij uit eigen vrije wil van God afgeweken en daardoor heeft hij zich van deze uitnemende gaven beroofd2. In plaats daarvan heeft hij over zich gehaald, wat zijn verstand betreft, blindheid, verschrikkelijke duisternis en een onbetrouwbaar en verdorven oordeel; wat zijn wil en hart aangaat, slechtheid, opstandigheid en hardnekkigheid; en bovendien in al zijn verlangens onzuiverheid3.

Artikel 2

Zoals de mens was na de val, zo werden ook zijn kinderen: de verdorven mens bracht verdorven kinderen voort1. Op deze wijze is naar Gods rechtvaardig oordeel de verdorvenheid van Adam gekomen over al zijn nakomelingen - uitgezonderd alleen Christus2 - en dit niet door navolging, zoals de pelagianen vroeger beweerden, maar door voortplanting van de verdorven natuur.

Artikel 3

Daarom worden alle mensen in zonde ontvangen: Gods toorn rust al op hen, wanneer zij geboren worden1. Zij zijn niet in staat ook maar iets voor hun behoud te doen, maar zij zijn uit op het kwaad, dood in zonden en slaven van de zonde2. Zij willen noch kunnen terugkeren tot God en evenmin kunnen zij in hun verdorven natuur verbetering brengen of zich daarop richten, zonder de genade van de Heilige Geest, die opnieuw geboren doet worden3.

Artikel 4

Wel is er na de zondeval nog iets van het licht der natuur in de mens overgebleven. Hierdoor behoudt hij enige kennis van God, van de natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen wat past en niet past en ook geeft hij er wel enigszins blijk van zich fatsoenlijk en ordelijk te willen gedragen1. Maar de mens kan door dit licht der natuur beslist niet tot heilbrengende kennis van God komen en zich tot Hem bekeren; hij kan immers niet eens in het dagelijkse leven dit licht op de juiste manier gebruiken. Sterker nog, hij vertroebelt het - wat dit licht ook wezen mag - op allerlei manieren en hij houdt het in ongerechtigheid ten onder2. Daarom wordt hem elke verontschuldiging tegenover God ontnomen.

Artikel 5

Wat geldt van het licht der natuur, geldt in dit opzicht ook van de wet van de Tien Geboden, die God door Mozes in het bijzonder aan de joden gegeven heeft. Want de wet legt wel de grootheid van de zonde bloot en ze overtuigt de mens steeds meer van zijn schuld1, maar zij wijst het redmiddel niet aan en ook geeft zij geen kracht om uit deze ellende te komen. En doordat zij door het vlees krachteloos geworden is en de overtreder onder de vloek laat blijven, kan de mens door de wet de heilbrengende genade niet verkrijgen2.

Artikel 6

Wat dan het licht der natuur en de wet niet tot stand kunnen brengen, dat doet God door de kracht van de Heilige Geest en door het woord of de bediening van de verzoening: het evangelie van de Messias1. Het heeft God behaagd de gelovigen zowel onder het oude als onder het nieuwe verbond daardoor te behouden2.

Artikel 7

Nu onder het nieuwe verbond het onderscheid tussen de volken is opgeheven, heeft God het heilgeheim van zijn wil aan meer mensen geopenbaard dan onder het oude verbond1. De grond voor dit verschil moet men niet hierin zoeken, dat het ene volk voortreffelijker is dan het andere of het licht der natuur beter gebruikt, maar in het soevereine welbehagen en de onverdiende liefde van God2. Daarom moeten zij aan wie zo'n grote genade te beurt valt - zonder dat zij het verdienen, ja zelfs tegen al wat zij verdienen in - haar met een nederig en dankbaar hart erkennen. Maar ten aanzien van de anderen, wie deze genade niet te beurt valt, moeten zij, met de apostel, de strengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden en die in geen geval nieuwsgierig onderzoeken3.

Artikel 8

Allen die door het evangelie worden geroepen, worden in volle ernst geroepen. Want God laat in zijn Woord in volle ernst en ondubbelzinnig zien wat Hem aangenaam is: dat zij die geroepen worden, tot Hem komen. Even echt gemeend belooft Hij allen die tot Hem komen en geloven, de rust voor hun ziel en het eeuwige leven1.

Artikel 9

Velen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen niet en worden niet bekeerd1. Dit is niet te wijten aan het evangelie of aan Christus, die door het evangelie aangeboden wordt, evenmin aan God, die door het evangelie roept en zelfs verschillende gaven schenkt aan de mensen die Hij roept2. De schuld ligt bij henzelf: sommigen zijn achteloos en nemen het Woord des levens niet aan; anderen nemen het wel aan, maar laten het niet toe in hun hart en daardoor keren zij zich weer af na de vluchtige blijdschap van het tijdelijk geloof; nog anderen verstikken het zaad van het Woord onder de dorens van de zorgen en genoegens van de wereld en brengen geen vruchten voort. Dit leert onze Verlosser in de gelijkenis van het zaad3.

Artikel 10

Anderen die door de bediening van het evangelie geroepen zijn, komen wel en worden bekeerd. Dit moet men niet aan de mens toeschrijven1, alsof hij zich door zijn vrije wil zou onderscheiden van anderen aan wie even grote of voldoende genade tot geloof en bekering geschonken is (zoals de hoogmoedige ketterij van Pelagius zegt). Men moet dit aan God toeschrijven: evenals Hij de zijnen van eeuwigheid in Christus heeft uitverkoren, roept Hij hen in dit leven met kracht, schenkt hun geloof en bekering, verlost hen uit de macht van de duisternis en brengt hen over in het rijk van zijn Zoon2. God doet dit alles, opdat zij de grote daden zouden verkondigen van Hem die hen uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht, en opdat zij niet in zichzelf, maar in de Here zouden roemen, zoals de geschriften van de apostelen op tal van plaatsen getuigen3.

Artikel 11

Wanneer God dit welbehagen in de uitverkorenen uitvoert en in hen de ware bekering tot stand brengt, laat Hij hun niet alleen het evangelie door middel van de prediking horen en hun verstand door de Heilige Geest zo sterk verlichten, dat zij goed begrijpen en onderscheiden wat Gods Geest hun wil leren1. Maar Hij dringt ook door tot in het diepst van de mens met de krachtige werking van diezelfde Geest, die wedergeboorte werkt2; Hij opent het gesloten hart3, Hij maakt het harde zacht, Hij besnijdt het onbesnedene4, Hij vernieuwt de wil: van dood maak Hij hem levend, van slecht goed, van onwillig gewillig, van weerbarstig gehoorzaam. Hij brengt de wil zover en geeft deze zoveel kracht, dat hij als een goede boom vruchten van goede werken kan voortbrengen5.

Artikel 12

Dit is de wedergeboorte, de vernieuwing, nieuwe schepping, opwekking uit de dood en levendmaking, die God zonder ons in ons tot stand brengt en waarover in de Schrift zo indrukwekkend gesproken wordt1. God brengt deze wedergeboorte niet tot stand door alleen te laten prediken of een appel op ons te doen. Zij geschiedt niet op zo'n manier dat de mens, wanneer God voor zijn deel het werk voltooid heeft, nog steeds bij machte is al dan niet wedergeboren en bekeerd te worden. Nee, het is een volstrekt bovennatuurlijke, zeer krachtige en tegelijk zeer liefdevolle, wonderbare, verborgen en onuitsprekelijke werking. Deze is naar het getuigenis van de Schrift, die ingegeven is door dezelfde God die dit bewerkt, niet minder krachtig dan zijn werk bij de schepping of de opwekking van doden2. Daardoor worden allen bij wie God op deze bewonderenswaardige wijze in het hart werkt, volstrekt zeker en met kracht wedergeboren en gaan zij metterdaad geloven. En wanneer de wil vernieuwd is, wordt hij niet alleen door God geleid en bewogen; maar door God in beweging gebracht, werkt hij ook zelf3. Daarom wordt terecht gezegd dat de mens zelf gelooft en zich bekeert door de genade, die hij ontvangen heeft.

Artikel 13

Hoe dit in zijn werk gaat, kunnen de gelovigen in dit leven niet volledig begrijpen1. Intussen vinden zij rust in de wetenschap en ervaring, dat zij door deze genade van God van harte geloven en hun Verlosser liefhebben2.

Artikel 14

Het geloof is dus een gave van God1. Dat wil niet zeggen dat God het de mens aanbiedt, die met dit aanbod vervolgens doen kan wat hij wil, maar dat Hij het metterdaad de mens schenkt, ingeeft en instort. Evenmin is het zo, dat God alleen maar de kracht om te geloven zou geven en daarna de toestemming of het daadwerkelijk geloven verwacht van de vrije wil van de mens. Want Hij die zowel het willen als het werken in ons werkt2, ja alles in allen tot stand brengt, Hij is het immers die zowel de wil om te geloven als het geloof zelf in de mens bewerkt.

Artikel 15

Deze genade is God aan niemand verschuldigd. Want wat zou Hij verschuldigd zijn aan iemand die Hem niet eerst iets kan geven dat beloond zou moeten worden1? Nog sterker, wat zou God verschuldigd zijn aan hem die zelf niets anders te bieden heeft dan zonde en leugen? Wie deze genade ontvangt, is dus alleen aan God eeuwige dankbaarheid verschuldigd en hij brengt Hem die dank dan ook. Wie deze genade niet ontvangt, bekommert zich in het geheel niet om deze geestelijke dingen en gaat op in zijn eigen leven, of hij beroemt zich in zijn zorgeloosheid ten onrechte op wat hij toch niet heeft2. Verder moet men naar het voorbeeld van de apostelen over hen die openlijk hun geloof belijden en hun leven beteren, gunstig oordelen en spreken3, want het diepst van het hart is ons onbekend. Wat anderen betreft, die nog niet geroepen zijn, voor hen moet men tot God bidden, die het niet zijnde tot aanzijn roept. In geen geval moeten wij ons hoogmoedig jegens hen gedragen, alsof wij onszelf onderscheiden hadden4.

Artikel 16

De mens is ondanks de zondeval mens gebleven, toegerust met verstand en wil, en de zonde, die het hele menselijke geslacht heeft doordrongen, heeft de natuur van de mens niet weggenomen, maar verdorven en geestelijk gedood1. De goddelijke genade van de wedergeboorte werkt dan ook niet in de mensen alsof zij stokken en blokken waren en zij vernietigt de wil met zijn eigenschappen niet en dwingt de mens niet tegen wil en dank. Maar zij maakt de wil levend, geneest, herstelt hem en buigt hem liefdevol en tegelijk krachtig2. Waar eerst de hardnekkige tegenstand van het vlees de mens helemaal beheerste, begint nu door de Geest een gewillige en oprechte gehoorzaamheid de overhand te krijgen. Daarin bestaat de geestelijke vernieuwing en de ware vrijheid van onze wil. Ja, indien de Heilige Geest die al het goede zo bewonderenswaardig werkt, niet op deze wijze met ons handelde, zou er voor de mens geen enkele hoop overblijven. Want hoe zou hij ooit uit de zonde waarin hij gevallen is, kunnen opstaan door zijn vrije wil, waardoor hij zich in het verderf heeft gestort, toen hij nog stond!

Artikel 17

De almachtige werking van God waardoor Hij ons natuurlijk leven voortbrengt en in stand houdt, sluit het gebruik van middelen niet uit, maar vereist die juist1. Daarmee heeft God immers naar zijn oneindige wijsheid en goedheid zijn kracht willen uitoefenen. Zo is het ook met de bovennatuurlijke werking van God waardoor Hij ons opnieuw geboren doet worden: deze sluit niet uit en neemt evenmin weg het gebruik van het evangelie, dat de wijze God tot zaad van de wedergeboorte en voedsel voor de ziel bestemd heeft2. De apostelen en de leraars die hen hebben nagevolgd, hebben het volk over deze genade van God eerbiedig onderwezen om God te eren en alle menselijke hoogmoed neer te drukken. Intussen hebben zij toch niet nagelaten, de mensen met het heilig onderwijs van het evangelie te houden onder de bediening van het Woord, van de sacramenten en van de kerkelijke tucht3.
Daarom moeten ook nu zij die in de gemeente onderwijzen of onderwezen worden, het beslist niet wagen God te verzoeken, door te scheiden wat Hij naar zijn welbehagen voor altijd heeft willen samenvoegen4. Want door al dat onderwijs wordt de genade geschonken en hoe meer wij ons inzetten bij het volbrengen van onze roeping, des te heerlijker openbaart zich het heilzaam werk van God in ons en zo gaat zijn werk des te voorspoediger voort5.
Zowel om de middelen als om de heilbrengende vrucht en kracht daarvan komt alleen aan deze God toe alle eer tot in eeuwigheid. Amen.

Veroordeling van de dwalingen

Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:

1. Men kan strikt genomen niet beweren dat de erfzonde op zichzelf zo verschrikkelijk is, dat het hele menselijke geslacht erom veroordeeld zou moeten worden, of straf in tijd en eeuwigheid verdiend zou hebben.

Zij die dit leren, komen in strijd met wat de apostel zegt: Daarom, gelijk door een mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben (Rom. 5:12). En: Want het oordeel leidde van een overtreding tot veroordeling (Rom. 5:16). En: Want het loon dat de zonde geeft, is de dood (Rom. 6:23).

2. Toen de mens geschapen werd, konden in zijn wil de gaven van de menselijke geest, de goede eigenschappen en deugden, zoals goedheid, heiligheid en rechtvaardigheid, niet aanwezig zijn. Daarom konden zij door de zondeval ook niet van de wil gescheiden worden.

Dit is in strijd met de beschrijving van de mens als het beeld van God, zoals de apostel die geeft in Ef. 4:24. Daar zegt hij dat dit bestaat in gerechtigheid en heiligheid, die toch beide ongetwijfeld in de wil zetelen.

3. In de geestelijke dood werden de goede gaven van de menselijke geest niet gescheiden van de wil. Want de wil op zich is nooit door de zonde aangetast, maar hij wordt alleen gehinderd door de duisternis van het verstand en de wispelturigheid van de gevoelens. Wanneer deze belemmeringen weggenomen zijn, kan de wil zijn vrije aangeboren kracht weer uitoefenen. Dat wil zeggen: de wil kan uit eigen kracht bij iedere gelegenheid het goede al dan niet willen en kiezen.

Dit is een niet eerder verkondigde dwaling, die ertoe leidt dat men hoog opgeeft van de krachten van de vrije wil, in strijd met het spreken van de profeet: Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het (Jer. 17:9); en van de apostel: Ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten (Ef. 2:3).

4. De mens die niet opnieuw geboren is, is eigenlijk niet helemaal dood in de zonde. Hij mist de krachten om het goede te doen ook niet helemaal. Maar hij kan nog hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en het leven. Ook kan hij nog brengen het offer van een verslagen en gebroken geest, dat God aangenaam is.

Deze beweringen zijn in strijd met de duidelijke uitspraken van de Schrift: Gij waart dood door uw overtredingen en zonden (Ef. 2:1, 5). Evenzo: Al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten, was te allen tijde slechts boos (Gen. 6:5; 8:21). Bovendien, alleen van de wedergeborenen en van hen die zalig gesproken worden, geldt dat zij hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende en naar het leven, en dat zij God een offerande van een verbroken geest brengen (Matt. 5:6 en Ps. 51:19).

5. De door de zonde ontaarde, nog niet bekeerde mens kan de algemene genade - daaronder verstaan zij het licht der natuur - of de gaven die na de zondeval nog in hem overgebleven zijn, zo goed gebruiken, dat hij daardoor langzamerhand en stap voor stap een grotere genade kan verwerven, namelijk de evangelische of reddende genade en uiteindelijk de redding zelf. Wij moeten ons dit zo voorstellen dat God Zich van zijn kant bereid toont, Christus aan alle mensen te openbaren, omdat Hij immers ruimschoots en krachtig de middelen verschaft die nodig zijn om Christus te leren kennen en tot geloof en bekering te komen.

Niet alleen de ervaring in alle tijden, maar ook de Schrift getuigt dat dit met de waarheid strijdt: Hij heeft Jakob zijn woorden bekend gemaakt, Israel zijn inzettingen en zijn verordeningen. Aldus heeft Hij aan geen enkel volk gedaan, en zijn verordeningen kennen zij niet (Ps. 147:19, 20); Hij heeft ten tijde van de geslachten die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan (Hand. 14:16). En: Zij - namelijk Paulus en de zijnen - werden door de Heilige Geest verhinderd het woord in Asia te spreken; en bij Mysie gekomen, poogden zij naar Bitynie te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe (Hand. 16:6, 7).

6. Wanneer de mens zich metterdaad bekeert, kunnen door God geen nieuwe kwaliteiten, krachten of gaven aan de wil geschonken worden. Het geloof - waarmee onze bekering begint en waaraan wij de naam gelovigen danken - is dan ook niet een kwaliteit of gave die God schenkt, maar alleen een daad van de mens. Men kan slechts over een gave spreken, voorzover het betreft het vermogen om tot geloof te komen.

Zij die dit leren, spreken de Heilige Schrift tegen, die getuigt dat God nieuwe gaven in onze harten uitstort, namelijk geloof, gehoorzaamheid en de ondervinding van zijn liefde: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven (Jer. 31:33). En: Want Ik zal water gieten op het dorstige en beken op het droge; Ik zal mijn Geest uitgieten op uw nakroost (Jes. 44:3). En: De liefde van God is in onze harten uitgestort door de Heilige Geest, die ons gegeven is (Rom. 5:5). Dit is ook in strijd met de ononderbroken praktijk van Gods kerk, die, zoals de profeet zegt, bidt: Bekeer mij, dan zal ik mij bekeren (Jer. 31:18).

7. De genade waardoor wij tot God bekeerd worden, is niets anders dan een vriendelijk appèl op ons. Sommigen leggen dit zo uit: de meest humane werkwijze bij de bekering van de mens, die tegelijk het best past bij zijn natuur, is die waarbij God met een appel tot de mens komt. Er is geen enkele reden waarom deze appellerende genade niet voldoende zou zijn, om natuurlijke mensen tot geestelijke te maken. Ja, God brengt de instemming van de wil op geen andere manier tot stand dan door zo op het gevoel in te werken. De kracht van Gods werking, waardoor zij die van de satan overtreft, bestaat hierin, dat God eeuwige en de satan slechts tijdelijke gaven belooft.

Dit is volstrekt pelagiaans en in strijd met heel de Heilige Schrift. Deze kent bij de bekering van de mens nog een andere, veel krachtiger en goddelijker werking van de Heilige Geest: Een nieuw hart zal Ik u geven en een nieuwe geest in uw binnenste; het hart van steen zal Ik uit uw lichaam verwijderen en Ik zal u een hart van vlees geven (Ezech. 36:26).

8. Bij de wedergeboorte van de mens gebruikt God zijn almachtige kracht niet zo, dat Hij daardoor de wil van de mens feilloos en met overmacht buigt tot geloof en bekering. Maar als God bij zijn genadewerk alles wat Hij aanwendt bij de bekering van de mens, gedaan heeft, kan de mens zich toch tegen God en de Heilige Geest verzetten, terwijl God beoogt door de wedergeboorte juist hem tot een nieuwe mens te maken. Ja, zo verzet de mens zich ook inderdaad vaak, waardoor hij zijn eigen wedergeboorte helemaal verhindert. Op deze manier beslist de mens zelf of hij al dan niet wedergeboren zal worden.

Dit betekent niets anders dan dat men bij onze bekering de kracht van Gods genade helemaal uitschakelt. Men maakt de werking van de almachtige God ondergeschikt aan de menselijke wil. Dit is in strijd met wat de apostelen leren: Overweldigend groot is zijn kracht aan ons die geloven (Ef. 1:19), en dat God met kracht alle welgevallen in het goede en het werk van het geloof volmaakt (2 Tess. 1:11), en dat zijn goddelijke kracht ons met alles wat tot leven en godsvrucht strekt, heeft begiftigd (2 Petr. 1:3).

9. De genade en de vrije wil brengen samen, elk voor zijn deel, het begin van de bekering tot stand, waarbij niet de genade voorop gaat. Dit betekent: bij de bekering helpt God de menselijke wil pas krachtig, nadat deze zichzelf in beweging zet en zich op de bekering richt.

De oude kerk heeft deze leer allang geleden in de pelagianen veroordeeld op grond van de woorden van de apostel: Het hangt dus niet daarvan af, of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die Zich ontfermt (Rom. 9:16). Evenzo: Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet ontvangen hebt? (1 Kor. 4:7); want het is God, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt (Fil. 2:13).

Het vijfde hoofdstuk van de leer
De volharding van de heiligen

Artikel 1

Degenen die God naar zijn voornemen roept tot de gemeenschap met zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, en door de Heilige Geest opnieuw geboren doet worden, verlost Hij wel van de tirannie en slavernij van de zonde1. Maar Hij verlost hen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam der zonde2.

Artikel 2

Hierdoor zondigen zij in hun zwakheid elke dag weer en zelfs aan de beste werken van de heiligen kleven gebreken1. Dit geeft hun voortdurend reden zich voor God te verootmoedigen en hun toevlucht tot de gekruisigde Christus te nemen2. Ook gaan zij daardoor steeds meer het vlees doden door de Geest der gebeden en door zich te oefenen in een godvrezend leven en zij verlangen vurig naar het bereiken van de volmaaktheid3. Dit doen zij, tot zij, verlost uit het lichaam des doods, met het Lam van God in de hemelen zullen regeren4.

Artikel 3

Doordat deze zonden nog in hen overgebleven zijn en bovendien de wereld en de satan hen steeds aanvechten1, zouden de bekeerden in de genade niet staande kunnen blijven, als zij aan zichzelf werden overgelaten. Maar God is trouw2: barmhartig bevestigt Hij hen in de genade, die hun eenmaal is gegeven, en tot het einde toe bewaart Hij hen daarin met kracht3.

Artikel 4

Gods macht waardoor Hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, is zo groot, dat zij niet door het vlees overwonnen kan worden1. Toch werkt God bij de leiding van hun leven niet altijd zo in de bekeerden, dat zij in sommige gevallen door hun eigen schuld niet zouden kunnen afdwalen van de weg waarop zij genadig geleid worden; zij worden dan verleid door hun zondige begeerten en volgen die. Daarom moeten zij voortdurend waken en bidden, dat zij niet in verzoekingen geleid worden2. Wanneer zij dit niet doen, bestaat niet alleen de mogelijkheid dat zij door het vlees, de wereld en de satan meegesleept worden en tot zware en afschuwelijke zonden gebracht worden, maar gebeurt het ook werkelijk dat zij daarin - en God laat dit rechtvaardig toe - soms worden meegesleept. Dit wordt ons duidelijk aangetoond in de Schrift, waar beschreven staat, hoe treurig David, Petrus en andere heiligen in zonde gevallen zijn3.

Artikel 5

Met zulke grove zonden wekken zij Gods toon in hoge mate op; zij verdienen opnieuw de dood; zij bedroeven de Heilige Geest; zij oefenen zich een tijdlang niet meer in het geloof; zij brengen grote schade toe aan hun geweten en ervaren soms voor een tijd de genade niet meer1. Eerst wanneer zij door ernstig berouw op de goede weg terugkeren, doet God zijn vaderlijk aangezicht weer over hen lichten2.

Artikel 6

Want God, die rijk is aan barmhartigheid, neemt naar het onveranderlijk voornemen van de uitverkiezing de Heilige Geest niet helemaal van de zijnen weg, zelfs niet wanneer zij zo treurig in zonde zijn gevallen1. Hij laat hen ook niet zo diep vallen, dat zij de genade van de aanneming tot kinderen en de staat van de rechtvaardiging verliezen, of dat zij de zonde tot de dood of de zonde tegen de Heilige Geest bedrijven en helemaal door God verlaten, zich in de eeuwige ondergang storten2.

Artikel 7

Want ten eerste bewaart God, wanneer zij zo diep vallen, nog in hen zijn onvergankelijk zaad, waaruit zij opnieuw geboren zijn, zodat dit niet vergaat of weggeworpen wordt1. Verder vernieuwt Hij hen zeker en met kracht door zijn Woord en Geest, zodat zij zich bekeren2: zij krijgen van harte en naar Gods wil verdriet over deze zonden; zij begeren en ontvangen door het geloof en met een verbroken hart vergeving door het bloed van de Middelaar; zij ervaren opnieuw de genade van God, die nu met hen verzoend is; zij aanbidden zijn barmhartigheid en trouw en spannen zich voortaan des te meer in om hun behoud met vrees en beven te bewerken3.

Artikel 8

Niet aan hun eigen verdiensten of krachten, maar aan de genadige barmhartigheid van God hebben zij het te danken, dat zij niet helemaal van het geloof en de genade vervreemden, of voorgoed in hun zonden blijven en zo verloren gaan. Dit zou, wat hen betreft, niet alleen heel goed mogelijk zijn, het zou ongetwijfeld ook gebeuren. Maar wat God betreft, kan dit beslist niet. Want zijn raadsplan kan niet veranderd, zijn belofte niet gebroken en de roeping naar zijn voornemen niet herroepen worden; evenmin kunnen Christus' verdienste, voorbede en bewaring krachteloos gemaakt worden en ook de verzegeling met de Heilige Geest kan niet verijdeld of vernietigd worden1.

Artikel 9

De gelovigen kunnen voor zichzelf zeker zijn van deze bewaring der uitverkorenen tot behoud en van de volharding der ware gelovigen in het geloof1. En zij hebben die zekerheid ook, naarmate zij vast geloven dat zij ware, levende leden van de kerk zijn en altijd zullen blijven, en dat zij vergeving van de zonden en een eeuwig leven hebben.

Artikel 10

Deze zekerheid komt dus niet voort uit een of andere speciale openbaring zonder of buiten het Woord, maar uit het geloof in Gods beloften, die Hij in zijn Woord zo overvloedig tot onze troost geopenbaard heeft. Zij komt ook voort uit het getuigenis van de Heilige Geest, die met onze geest getuigt, dat wij Gods kinderen en erfgenamen zijn1, en tenslotte hieruit, dat de gelovigen zich met heilige ernst toeleggen op een goed geweten en goede werken2. En als Gods uitverkorenen in deze wereld de vaste troost dat zij de overwinning zullen behouden, moesten missen en zonder dit onbedrieglijke onderpand van de eeuwige heerlijkheid moesten leven, dan zouden zij de beklagenswaardigste van alle mensen zijn3.

Artikel 11

Intussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven tegen allerlei zondige twijfel te strijden hebben en in zware aanvechting dit volle geloofsvertrouwen en deze zekerheid van de volharding niet altijd voelen. Maar God, de Vader van alle vertroosting, laat hen niet boven vermogen verzocht worden, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen en Hij maakt door de Heilige Geest hen weer zeker van de volharding1.

Artikel 12

Deze zekerheid van de volharding verleidt de ware gelovigen beslist niet tot hoogmoed en zondige zorgeloosheid. Integendeel, hieruit komen voort nederigheid, kinderlijke eerbied, een godvrezend leven, vurige gebeden, standvastigheid in alle strijd, in het kruisdragen en in het belijden van de waarheid en ook blijvende blijdschap in God1. Het overdenken van die weldaad is voor hen juist een aansporing zich ernstig en voortdurend te oefenen in dankbaarheid en goede werken2. Dit blijkt immers uit de getuigenissen van de Schrift en de voorbeelden van de heiligen.

Artikel 13

Bij hen die weer opgericht worden, nadat zij in zonde gevallen zijn, herleeft het vertrouwen te zullen volharden. Maar dat veroorzaakt zeker geen zorgeloosheid en slordigheid in de dienst van God. Nee, zij zorgen er juist des te meer voor, nauwgezet op de wegen van de Here te blijven1. Deze zijn immers van tevoren bereid, opdat zij door daarop te wandelen, de zekerheid van hun volharding mogen bewaren. Dan zal het aangezicht van God, die met hen verzoend is, zich niet weer van hen afkeren wegens misbruik van zijn vaderlijke goedheid. Daardoor zouden zij in nog grotere geestelijke benauwdheid terechtkomen. Want wanneer zij die God vrezen, zijn vriendelijk aangezicht zien, is dat hun zoeter dan het leven, maar wanneer God zijn aangezicht verbergt, is dat hun bitterder dan de dood2.

Artikel 14

Nu heeft het God behaagd zijn genadewerk in ons te beginnen door de prediking van het evangelie. Evenzo wil Hij het instandhouden, voortzetten en voltooien door het laten horen, lezen en overdenken van het evangelie, door aansporingen, dreigementen, beloften en ook door het gebruik van de heilige sacramenten1.

Artikel 15

Deze leer dat de ware gelovigen en heiligen zullen volharden en daar zeker van mogen zijn, heeft God tot eer van zijn naam en tot troost van allen die Hem vrezen, zeer overvloedig in zijn Woord geopenbaard en Hij prent die in de harten van de gelovigen in1.
Weliswaar wordt deze leer door het vlees niet begrepen, door de satan gehaat, door de wereld bespot, door onkundige mensen en huichelaars misbruikt en door dwaalgeesten bestreden, maar de bruid van Christus heeft haar altijd als een schat van oneindige waarde innig liefgehad en standvastig verdedigd2. God zal ervoor zorgen, dat zij dit ook zal blijven doen; tegen Hem kan geen plan iets uitrichten en is geen enkele macht opgewassen3.
Deze enige God, Vader, Zoon en Heilige Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen4.

Veroordeling van de dwalingen

Na deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer veroordeelt de synode de dwalingen van hen die het volgende leren:

1. De volharding van de ware gelovigen is geen vrucht van de uitverkiezing of een geschenk van God, dat door de dood van Christus verdiend is. Nee, zij is een voorwaarde van het nieuwe verbond, waaraan de mens door zijn vrije wil moet voldoen, voordat hij - zoals zij dat noemen - definitief uitgekozen en gerechtvaardigd wordt.

De Heilige Schrift getuigt echter dat de volharding het gevolg is van de uitverkiezing en dat zij door de kracht van Christus' dood, opstanding en voorbede aan de uitverkorenen gegeven wordt: Het uitverkoren deel heeft het verkregen en de overigen zijn verhard (Rom. 11:7). Evenzo: Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt; wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is de opgewekte, die aan de rechterhand van God is, die ook voor ons pleit. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? (Rom. 8:32-35).

2. God schenkt aan de gelovige mens wel voldoende krachten om te volharden en Hij is bereid die krachten in hem in stand te houden, wanneer deze mens zijn plicht verstaat. Maar wanneer alles wat nodig is om in het geloof te volharden en wat God gebruiken wil om het geloof in stand te houden in het werk gesteld is, dan hangt het toch nog altijd van de vrije beslissing van de menselijke wil af, of hij volhardt of niet.

Dit is nu duidelijk een pelagiaanse streek! Terwijl deze opvatting bedoelt de mensen vrij te maken, maakt zij hen tot rovers van Gods eer. Zij is in strijd met wat het Evangelie overal leert. Dit ontneemt de mens alle stof tot roemen en kent de eer voor dit geschenk alleen aan Gods genade toe. Ook gaat deze opvatting in tegen het getuigenis van de apostel: Hij zal u ook bevestigen tot het einde, zodat gij onberispelijk zult zijn op de dag van onze Here Jezus Christus (1 Kor 1:8).

3. Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn, kunnen niet alleen het rechtvaardigend geloof evenals de genade en het behoud helemaal en voorgoed verliezen, maar zij verliezen deze inderdaad ook vaak en gaan dan voor eeuwig verloren.

Deze opvatting maakt de genade van rechtvaardiging en wedergeboorte en de voortdurende bewaring door Christus krachteloos. Zij is in strijd met het stellige spreken van de apostel Paulus, dat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is. Veel meer zullen wij daarom, thans door zijn bloed gerechtvaardigd, door Hem behouden worden van de toorn (Rom. 5:8, 9). Zij gaat ook in tegen wat de apostel Johannes zegt: Een ieder die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren (1 Joh. 3:9). En tegen de woorden van Jezus Christus: Ik geef mijn schapen eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van mijn Vader (Joh. 10:28, 29).

4. Zij die echt geloven en opnieuw geboren zijn, kunnen zondigen tot de dood of tegen de Heilige Geest.

Dit is niet juist. De apostel Johannes spreekt in 1Joh. 5:16, 17 wel over hen die zondigen tot de dood, en hij verbiedt voor hen te bidden, maar dezelfde apostel voegt daar in vers 18 direct aan toe: Wij weten, dat een ieder die uit God geboren is, niet zondigt (namelijk tot de dood); want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem (1Joh. 5:18).

5. Zonder een bijzondere openbaring kan de mens er in dit leven niet zeker van zijn, dat hij in de toekomst in het geloof zal volharden.

Door deze leer wordt de vaste troost van de ware gelovigen in dit leven weggenomen en worden de onzekerheden van de roomsen weer in de kerk ingevoerd. Overal ontleent de Heilige Schrift deze zekerheid aan de kenmerken die eigen zijn aan Gods kinderen, en aan de zeer betrouwbare beloften van God, en niet aan een bijzondere en buitengewone openbaring. Vooral is te wijzen op wat de apostel Paulus zegt: Geen schepsel zal ons kunnen scheiden van Gods liefde, welke is in Christus Jezus, onze Here (Rom. 8:39). En Johannes zegt: En wie zijn geboden bewaart, blijft in Hem en Hij in hem. En hieraan onderkennen wij, dat Hij in ons blijft: aan de Geest, die Hij ons gegeven heeft (1 Joh. 3:24).

6. De leer dat de gelovige zeker kan zijn van zijn volharding en zijn behoud, is naar haar aard een oorkussen voor het vlees. Zij is schadelijk voor de vroomheid, goede zeden, gebeden en alles wat verder tot de praktijk van een godvrezend leven behoort. Twijfel aan de volharding valt daarentegen te prijzen.

Wie dit beweren, tonen daarmee de kracht van Gods genade en de werking van de Heilige Geest, die in ons woont, niet te kennen. Ook spreken zij de apostel Johannes tegen, die uitdrukkelijk het tegenovergestelde leert: Geliefden, nu zijn wij Gods kinderen en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is (1Joh. 3:2, 3). Bovendien wordt deze leer weerlegd door de voorbeelden van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament: zij waren zeker van hun volharding en behoud, en toch zijn zij blijven bidden en zich ook verder blijven oefenen in de godsvrucht.

7. Het geloof van de mensen die slechts tijdelijk geloven, verschilt alleen in duur van het rechtvaardigend en heilbrengend geloof.

Christus zelf wijst duidelijk op nog drie verschillen tussen hen die slechts tijdelijk geloven en de ware gelovigen. In Matt. 13:20 e.v. en Luc. 8:13 e.v. zegt Hij dat wie tijdelijk geloven, het zaad ontvangen in steenachtige grond; zij zijn zonder wortel en brengen geen vrucht voort. Maar de ware gelovigen ontvangen het zaad in goede aarde of in een goed hart; zij bezitten een sterke wortel en brengen zonder ophouden, zij het in verschillende mate, hun vruchten voort.

8. Wanneer de mens zijn eerste wedergeboorte verloren heeft, is het niet ongerijmd, dat hij opnieuw, ja verscheidene keren wedergeboren wordt.

Zij loochenen door deze leer dat het zaad van God, waardoor wij wedergeboren worden, onvergankelijk is. Dit gaat in tegen het getuigenis van de apostel Petrus, die zegt dat wij elkaar moeten liefhebben als wedergeboren, en niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad (1 Petr. 1:23).

9. Christus heeft volstrekt niet gebeden dat de gelovigen tot het einde in het geloof zouden volharden.

Zij die dit leren, spreken Christus zelf tegen, die tot Petrus zegt: Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken (Luc. 22:32). Ook spreken zij de evangelist Johannes tegen, die getuigt dat Christus gebeden heeft niet alleen voor de apostelen, maar ook voor allen die door hun woord geloven zouden: Heilige Vader, bewaar hen in uw naam; Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart voor de boze (Joh. 17:11, 15, 20).

Slotwoord

Dit is de duidelijke, eenvoudige en eerlijke uiteenzetting van de rechtzinnige leer over de Vijf Artikelen, waarover in Nederland verschil van mening bestaat, met daarbij de veroordeling van de dwalingen, waardoor de Nederlandse kerken een tijdlang in opschudding zijn gebracht. De synode is van oordeel, dat deze uiteenzetting en veroordeling aan het Woord van God ontleend zijn en met de belijdenis van de gereformeerde kerken overeenstemmen. Hieruit blijkt onmiskenbaar, dat zij - wie dit het allerminst paste - in strijd met alle waarheid, redelijkheid en liefde gehandeld hebben die het volk hebben willen wijsmaken:

- De leer van de gereformeerde kerken over de voorbeschikking en wat daarmee verband houdt, vervreemdt door haar aard en strekking de harten van de mensen van alle vroomheid en de dienst van God.

- Zij is een oorkussen voor het vlees en de duivel en een vesting van de satan, van waaruit hij alle mensen belaagt, de meesten verwondt en velen met de pijlen van wanhoop of zorgeloosheid dodelijk treft.

- Deze leer maakt God tot bewerker van de zonde, tot een onrechtvaardige God, een tiran en huichelaar en zij is niet anders dan een vernieuwd stoïcisme, manicheïsme, libertinisme en mohammedanisme.

- Zij brengt de mensen tot zondige zorgeloosheid, doordat zij zichzelf gaan wijsmaken, dat het voor het behoud van de uitverkorenen er niet op aankomt, hoe zij leven en dat zij daarom ook rustig allerlei afschuwelijke misdaden mogen bedrijven.

- Al hadden zij die verworpen zijn, echt alle werken van de heiligen gedaan, het zou niet kunnen bijdragen aan hun behoud.

- Met deze leer wordt beweerd, dat God enkel en alleen door zijn wilsbeschikking en zonder te letten op, of rekening te houden met enige zonde, het grootste deel van de wereld voorbeschikt en geschapen heeft tot de eeuwige ondergang.

- De verwerping is op dezelfde manier de oorzaak van het ongeloof en de goddeloosheid als de verkiezing de bron van het geloof en de goede werken is.

- Veel onschuldige kinderen van de gelovigen rukt God van de moederborst weg en werpt ze als een tiran in het helse vuur, zonder dat het bloed van Christus, de doop of het gebed van de kerk bij de doop hen kan helpen.

En zo is er nog veel meer, dat de gereformeerde kerken niet alleen niet belijden, maar ook van harte en vol afschuw verwerpen.
Daarom bezweert deze synode van Dordrecht in de naam van de Here allen die de naam van onze Verlosser Jezus Christus godvrezend aanroepen, dat zij over het geloof van de gereformeerde kerken niet moeten oordelen op grond van lasterpraat, die van hier en daar bijeen geraapt is. Ook niet op grond van persoonlijke uitspraken van sommige oude of nieuwe leraren; dergelijke uitspraken worden vaak ook nog te kwader trouw aangehaald, verminkt en verkeerd uitgelegd. Maar over het geloof van de gereformeerde kerken moeten zij oordelen op grond van de publieke belijdenisgeschriften van de kerken zelf en op grond van deze uiteenzetting van de rechtzinnige leer, die door alle leden van de hele synode met volledige eenstemmigheid is vastgesteld.

Vervolgens vermaant deze synode de lasteraars ernstig, om te bedenken wat voor zwaar oordeel van God zij op zich laden, wanneer zij tegen zoveel kerken en de belijdenisgeschriften van zoveel kerken een vals getuigenis spreken, de gewetens van de zwakken in het geloof verontrusten en proberen de gemeenschap van de ware gelovigen bij velen verdacht te maken.

Tenslotte spoort deze synode alle mededienaars in de prediking van het evangelie van Christus aan, zich bij het behandelen van deze leer in scholen en kerken godvrezend en vroom te gedragen. Zij dienen zich daarbij, zowel mondeling als schriftelijk te richten op de eer van God, de heiliging van het leven en de vertroosting van de verslagen harten van de gelovigen. Zij behoren zich in hun denken en spreken over deze leer te houden aan de Schrift naar de overeenstemming van het geloof. Zij dienen zich tenslotte van elke manier van spreken te onthouden, die de grenzen van de duidelijke boodschap van de Heilige Schrift te buiten gaat en die aan de mensen die brutaal spitsvondige redeneringen verzinnen, goede grond zou kunnen geven, om de leer van de gereformeerde kerken te beschimpen of te belasteren.

Wij bidden dat de Zoon van God, Jezus Christus, die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader, aan de mensen gaven schenkt, ons in de waarheid heiligt; dat Hij hen die afgedwaald zijn, tot de waarheid terugbrengt; dat Hij de lasteraars van de gezonde leer de mond snoert en dat Hij aan de trouwe dienaars van zijn Woord de Geest van wijsheid en inzicht geeft, zodat alles wat zij zeggen, zal strekken tot eer van God en tot opbouw van hun hoorders.
Amen.

Heidelbergse Catechismus
Hieronder wordt de volledige catechismus getoond.

HC - Vraag en antwoord 1

Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakers JEZUS CHRISTUS eigen ben , die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alleheerschappij des duivels verlost heeft en alzo bewaart , dat zonder denwil mijns hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan , ja ook, dat mijalle ding tot mijn zaligheid dienen moet , waarom Hij mij ook door ZijnHeilige Geest van het eeuwige leven verzekert , en Hem voortaan te leven vanharte willig en bereid maakt.

HC - Vraag en antwoord 2

Hoe veel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezetroost zaliglijk leven en sterven moogt?
Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere: hoe ik van al mijn zonden verlost worde. En ten derde: hoeik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.

HC - Vraag en antwoord 3

Waaruit kent gij uw ellende?
Uit de wet Gods.

HC - Vraag en antwoord 4

Wat eist de wet Gods van ons?
Dat leert ons CHRISTUS in een hoofdsom, Matth.22:37‑40: Gijzult liefhebben den Heere uw God met geheel uw hart, en met geheel uw ziel, enmet geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grotegebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben alsuzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten..

HC - Vraag en antwoord 5

Kunt gij dit alles volkomenlijk houden?
Neen ik ; want ik ben van nature geneigd, GOD en mijn naaste tehaten.

HC - Vraag en antwoord 6

Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Neen Hij; maar God heeft den mens goed , en naar Zijn evenbeeldgeschapen , dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid,opdat hij God zijnSchepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwigezaligheid leven zou,om Hem te loven en te prijzen.

HC - Vraag en antwoord 7

Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adamen Eva, in het Paradijs , waar onze natuur a; zo is verdorven geworden, datwij allen in zonde ontvangen en geboren worden.

HC - Vraag en antwoord 8

Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaamzijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij ; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeborenworden.

HC - Vraag en antwoord 9

Doet dan God den mens onrecht, dat Hij in zijn wet van hemeist, wat hij niet doen kan?
Neen Hij ; want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij datkon doen ; maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door hetingeven des duivels , van deze gaven beroofd.

HC - Vraag en antwoord 10

Wil God zulke ongehoorzamheid en afval ongestraft laten?
Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt zich schrikkelijk beideover de aangeborene en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardigoordeel tijdelijk en eeuwiglijk ; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt iseen iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet,om dat te doen.

HC - Vraag en antwoord 11

Is dan God ook niet barmhartig?
God is wel barmhartig , maar Hij is ook rechtvaardig : daaromzo eist zijn gerechtigheid, dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteitGods gedaan is, ook met de hoogste, dat is, met de eeuwige straf aan lichaam enziel gestraft worde.

HC - Vraag en antwoord 12

Aangezien wij dan naar het rechtvaardig oordeel Godstijdelijke en eeuwige straf verdiend hebben, is er enig middel, waardoor wijdeze straf zouden kunnen ontgaan en wederom tot genade komen?
God wil, dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede ; daarommoeten wij aan haar, òf door onszelf, òf door een ander, volkomenlijk betalen.

HC - Vraag en antwoord 13

Maar kunnen wij door onszelf betalen?
In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijksmeerder.

HC - Vraag en antwoord 14

Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, datvoor ons betale?
Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuldstraffen, die de mens gemaakt heeft ; ten andere zo kan ook geen blootschepsel den last van den eeuwige toorn GODS tegen de zonde dragen en andereschepselen daarvan verlossen.

HC - Vraag en antwoord 15

Wat moeten wij dan voor een Middelaar en Verlosser zoeken?
Zulk een, die waarachtig en rechtvaardig mens is,ennochtans ook sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtigGod is.

HC - Vraag en antwoord 16

Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur,die gezondigd had, voor de zonde betaalde ; en dat een mens, zelf zondaarzijnde, niet kon voor anderen betalen.

HC - Vraag en antwoord 17

Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid , den last van den toornGods , aan zijn mensheid zou kunnen dragen , en ons de gerechtigheid enhet leven zou kunnen verwerven en wedergeven.

HC - Vraag en antwoord 18

Maar wie is deze Middelaar, die tegelijk waarachtig God en een waarachtig rechtvaardig mens is? .
Onze Heere Jezus Christus , die ons van God tot wijsheid,rechtvaardigheid, heiligmaking, en tot een volkomen verlossing geschonken is.

HC - Vraag en antwoord 19

Waaruit weet gij dat?
Uit het Heilig Evangelie,hetwelk God zelf eerstelijk in hetParadijs heeft geopenbaard , en daarna door de heilige Patriarchen enProfeten laten verkondigen, en door de offerande en andere ceremoniën derWet laten voorbeelden ,en ten laatste door zijn eniggeboren Zoon vervuld.

HC - Vraag en antwoord 20

Worden dan alle mensen wederom door Christus zalig, gelijkzij door Adam zijn verdoemd geworden?
Neen zij , maar alleen degenen, die Hem door een waar geloofworden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.

HC - Vraag en antwoord 21

Wat is een waar geloof?
Een waar geloof is een stellig weten of kennis, waardoor ik allesvoor waarachtig houd, dat ons God in Zijn Woord geopenbaard heeft , maar ookeen vast vertrouwen , hetwelk de Heilige Geest door het Evangelie in mijnhart werkt , dat niet alleen anderen, maar ook mij vergeving der zonden,eeuwige gerechtigheid en zaligheid van God geschonken is, uit louter genade,alleen om der verdienste van Christus wil.

HC - Vraag en antwoord 22

Wat is dan een Christen nodig te geloven?
Al wat ons in het Evangelie beloofd wordt , hetwelk ons deArtikelen van ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof in een hoofdsomleren.

HC - Vraag en antwoord 23

Hoe luiden die Artikelen?
Antw:Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des Hemels en der aarde.En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Heere;die ontvangen van den Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle;ten derden dage wederom opgestaan van de doden;opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods des almachtigen Vaders;van waar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.Ik geloof in den Heiligen Geest.Ik geloof één heilige, algemene, Christelijke Kerk, de gemeenschap der heiligen;vergeving der zonden;wederopstanding des vleses;en een eeuwig leven.

HC - Vraag en antwoord 24

Hoe worden deze Artikelen gedeeld?
In drie delen: Het eerste, is van God den Vader en onze schepping.Het andere, van God den Zoon en onze verlossing. Het derde, van God den HeiligenGeest en onze heiligmaking.

HC - Vraag en antwoord 25

Aangezien er maar een enig Goddelijk Wezen is , waaromnoemt gij den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest?
Omdat God zich alzo in Zijn Woord geopenbaard heeft , dat dezedrie onderscheiden Personen de enige,waarachtige en eeuwige God zijn.

HC - Vraag en antwoord 26

Wat gelooft gij met deze woorden: Ik geloof in God denVader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde?
Dat de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, die hemel enaarde, met al wat er in is, uit niet geschapen heeft , die ook door zijneeuwigen raad en voorzienigheid ze nog onderhoudt en regeert , om zijns ZoonsChristus' wil mijn God en mijn Vader is ; op welken ik alzo vertrouw, dat ikniet twijfel, of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der zielverzorgen , en ook al het kwaad, dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mijten beste keren ; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God , en ook.

HC - Vraag en antwoord 27

Wat verstaat gij door de voorzienigheid Gods?
De almachtige en alom tegenwoordige kracht Gods , door welke Hijhemel en aarde, mitsgaders alle schepselen, gelijk als met zijn hand nogonderhoudt, en alzo regeert , dat loof en gras, regen en droogte ,vruchtbare en onvruchtbare jaren,spijze en drank, gezondheid en krankheid,rijkdom en armoede , en alle dingen, niet bij geval, maar van zijn vaderlijkehand ons toekomen.

HC - Vraag en antwoord 28

Waartoe dient ons dat wij weten, dat God alles geschapenheeft en nog door zijn voorzienigheid onderhoudt?
Dat wij in allen tegenspoed geduldig , in voorspoed dankbaarzijn mogen , en in alles, dat ons nog toekomen kan, een goed toevoorzichthebben op onzen getrouwen God en Vader , dat ons geen schepsel van zijnliefde scheiden zal , aangezien alle schepselen alzo in zijn hand zijn, datzij tegen zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.

HC - Vraag en antwoord 29

Waarom wordt de Zone Gods Jezus, dat is, Zaligmaker,genoend?
Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost ;daarbenevens,dat bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

HC - Vraag en antwoord 30

Geloven dan die ook aan den enigen Zaligmaker Jezus, diehun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf,of ergens elders zoeken?
Neen zij; maar zij verloochenen met de daad den enigen Heiland enZaligmaker Jezus, ofschoon zij met den mond in Hem roemen ; want van tweeënéén; òf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, òf die dezen Zaligmakermet waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid vannode is.

HC - Vraag en antwoord 31

Waarom is Hij Christus, dat is, een Gezalfde, genaamd?
Omdat Hij van God den Vader verordineerd is, met den Heiligen Geestgezalfd , tot onzen hoogsten Profeet en Leraar , die ons den verborgenraad en wil Gods van onze verlossing volkomenlijk geopenbaard heeft ; en totonzen enigen Hogepriester , die ons met de enige offerande zijns lichaamsverlost heeft , en voor ons met zijn voorbidding steeds tussen treedt bij denVader ; en tot onzen eeuwigen Koning, die ons met zijn Woord en Geestregeert, en ons bij de verworven verlossing beschut en behoudt.

HC - Vraag en antwoord 32

Maar waarom wordt gij een Christen genaamd ?
Omdat ik door het geloof een lidmaat van Christus en alsozijner zalving deelachtig ben , opdat ik zijn naam belijde , en mijzelftot een levend dankoffer Hem offere , en met een vrije en goede consciëntiein dit leven tegen de zonde en den duivel strijde , en hiernamaals ineeuwigheid met Hem over alle schepselen regere.

HC - Vraag en antwoord 33

Waarom is Hij Gods eniggeboren Zoon genaamd, zo wij tochGods kinderen zijn?
Daarom, dat Christus alleen de eeuwige natuurlijke Zone Gods is, maar wij zijn om zijnentwil uit genade tot kinderen Gods aangenomen.

HC - Vraag en antwoord 34

Waarom noemt gij Hem onze Heere?
Omdat Hij ons met lichaam en ziel van al onze zonden, niet met goudof met zilver,maar met zijn dierbaar bloed gekocht, en van alle heerschappij desduivels verlost heeft, en ons alzo zich tot een eigen gemaakt.

HC - Vraag en antwoord 35

Wat is dat gezegd: Die ontvangen is van den Heilige Geest,geboren uit de maagd Maria?
Dat de eeuwige Zone Gods, die waarachtig en eeuwig God is , enblijft , de ware menselijke natuur, uit het vlees en bloed der maagd Maria, door de werking des Heiligen Geestes, aangenomen heeft , opdat Hij ookhet ware zaad Davids zij , zijn broederen in alles gelijk , uitgenomen dezonde.

HC - Vraag en antwoord 36

Wat nuttigheid verkrijgt gij door de heilige ontvangenisen geboorte van Christus?
Dat Hij onze Middelaar is , en met zijn onschuld en volkomenheiligheid mijn zonde, waarin ik ontvangen en geboren ben, voor Gods aangezichtbedekt.

HC - Vraag en antwoord 37

Wat verstaat gij door het woordeken: Geleden?
Dat Hij aan lichaam en ziel, den ganse tijd zijns levens op deaarde, maar inzonderheid aan het einde zijns levens, de toorn Gods tegen dezonde des gansen menselijken geslachts gedragen heeft , opdat Hij met zijnlijden, als met het enige zoenoffer , ons lichaam en onze ziel van de eeuwigeverdoemenis verloste , en ons Gods genade, gerechtigheid en het eeuwige levenverwierf.

HC - Vraag en antwoord 38

Waarom heeft Hij onder de rechter Pontius Pilatus geleden?
Opdat Hij, onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeldzijnde , ons daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons gaan zou,bevrijdde.

HC - Vraag en antwoord 39

Heeft dat iets meer in, dat Hij gekruisigd is geweest, danof Hij met een anderen dood gestorven was?
Ja het; want daardoor ben ik zeker, dat Hij de vervloeking, die opmij lag, op zich geladen heeft , dewijl de dood des kruises van God vervloektwas.

HC - Vraag en antwoord 40

Waarom heeft Christus zich tot in de dood moetenvernederen?
Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods , nietanders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.

HC - Vraag en antwoord 41

Waarom is Hij begraven geworden?
Omdat daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorvenwas.

HC - Vraag en antwoord 42

Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, datwij ook moeten streven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden , maar alleen eenafsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

HC - Vraag en antwoord 43

Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerandeen den dood van Christus aan het kruis?
Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood enbegraven wordt , opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

HC - Vraag en antwoord 44

Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mijganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door zijn onuitsprekelijkebenauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijnganse lijden , gezonken was, mij van dehelse benauwdheid en pijn verlost heeft.

HC - Vraag en antwoord 45

Wat nut ons de opstanding van Christus?
Ten eerste, heeft Hij door zijn opstanding den dood overwonnen,opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door zijn dood ons verworpen had, kondeelachtig maken. Ten andere, worden ook wij door zijn kracht opgewekt toteen nieuw leven. Ten derde, is ons de opstanding van Christus een zeker pandonzer zalige opstanding.

HC - Vraag en antwoord 46

Wat verstaat gij daarmede: Opgevaren ten hemel?
Dat Christus voor de ogen zijner jongeren van de aarde ten hemel isopgeheven , en dat Hij ons ten goede daar is , totdat Hij wederkomt om teoordelen de levenden en de doden.

HC - Vraag en antwoord 47

Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld,gelijk Hij beloofd heeft ?
Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar zijn menselijkenatuur is Hij niet meer op aarde ; maar naar zijn Godheid, majesteit, genadeen Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.

HC - Vraag en antwoord 48

Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is,worden dan de twee naturen in Christus niet van elkander gescheiden?
Ganselijk niet; want dewijl de Godheid door niets kan ingeslotenworden en overal tegenwoordig is , zo moet volgen, dat zij wel buiten haaraangenomen mens is , en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk methaar verenigd blijft.

HC - Vraag en antwoord 49

Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
Ten eerste, dat Hij in den hemel voor het aangezicht zijns Vadersonze Voorspreker is. Ten andere, dat wij ons vlees in den hemel tot eenzeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, zijn lidmaten, ook tot zich zalnemen. Ten derde, dat Hij ons zijn Geest tot een tegenpand zendt , doorwiens kracht wij zoeken dat daarboven is, waar Christus is, zittende terrechterhand Gods, en niet dat op de aarde is.

HC - Vraag en antwoord 50

Waarom wordt daarbij gezet: Zittende ter rechterhand Gods?
Dewijl Christus daarom ten hemel gevaren is, opdat Hij zichzelfdaar bewijze als het Hoofd zijner Christelijke Kerk , door wien de Vader alleding regeert.

HC - Vraag en antwoord 51

Wat nuttigheid brengt ons deze heerlijkheid van ons Hoofd Christus?
Eerstelijk, dat Hij door zijn Heiligen Geest in ons, zijn lidmaten,de hemelse gaven uitgiet. Daarna, dat Hij ons met zijn macht tegen allevijanden beschut en bewaart.

HC - Vraag en antwoord 52

Wat troost u de wederkomst van Christus om te oordelen delevenden en de doden?
Dat ik in alle droefenis en vervolging met opgerichten hoofde evenDenzelfde, die zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al denvloek van mij weggenomen heeft, tot een Rechter uit den hemel verwachte , dieal zijn en mijn vijanden in de eeuwige verdoemenis werpen , maar mij met alleuitverkorenen tot zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid nemen zal.

HC - Vraag en antwoord 53

Wat gelooft gij van den Heiligen Geest?
Eerstelijk, dat Hij te zamen met den Vader en den Zoon waarachtigen eeuwig God is. Ten andere, dat Hij ook mij gegeven is , opdat Hij mijdoor een waar geloof Christus en al zijn weldaden deelachtig make , mijtrooste , en bij mij eeuwiglijk blijve.

HC - Vraag en antwoord 54

Wat gelooft gij van de heilige algemene Christelijke Kerk?
Dat de Zone Gods uit het ganse menselijke geslacht zich eengemeente, tot het eeuwige leven uitverkoren , door zijn Geest en Woord ,in enigheid des waren geloofs , van den beginne der wereld tot aan het einde, vergadert, beschermt en onderhoudt ; en dat ik daarvan een levendlidmaat ben , en eeuwig zal blijven.

HC - Vraag en antwoord 55

Wat verstaat gij door de gemeenschap der heiligen?
Eerstelijk, dat de gelovigen, allen en een iegelijk, als lidmatenaan den Heere Christus en al zijn schatten en gaven gemeenschap hebben. Tenandere, dat elk zich moet schuldig weten, zijn gaven ten nutte en ter zaligheidder andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden.

HC - Vraag en antwoord 56

Wat gelooft gij van de vergeving der zonden?
Dat God, om des genoegdoens van Christus' wil, al mijn zonden, ookmijn zondige aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb ,nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christusschenken , opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome.

HC - Vraag en antwoord 57

Wat troost geeft u de opstanding des vleses?
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus,haar Hoofd, zal opgenomen worden , maar dat ook dit mijn vlees, door dekracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan hetheerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.

HC - Vraag en antwoord 58

Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?
Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hartgevoel , ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen ooggezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat,om God daarin eeuwiglijk te prijzen.

HC - Vraag en antwoord 59

Maar wat baat het u nu, dat gij dit alles gelooft?
Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben, en een erfgenaam deseeuwigen levens.

HC - Vraag en antwoord 60

Hoe zijt gij rechtvaardig voor God?
Alleen door een waar geloof in Jezus Christus ; alzo dat, al ishet dat mij mijn consciëntie aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Godszwaarlijk gezondigd en geen daarvan gehouden heb , en nog steeds tot alleboosheid geneigd ben , nochtans God, zonder enige verdienste mijnerzijds ,uit louter genade mij de volkomen genoegdoening , gerechtigheid enheiligheid van Christus schenkt en toerekent , evenals had ik nooit zondegehad noch gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, dieChristus voor mij volbracht heeft , in zoverre ik zulke weldaad met eengelovig hart aanneem.

HC - Vraag en antwoord 61

Waarom zegt gij, dat gij alleen door het geloofrechtvaardig zijt?
Niet, dat ik vanwege de waardigheid mijns geloofs Gode aangenaamben; maar daarom, dat alleen de genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid vanChristus mijn gerechtigheid voor God is , en dat ik die niet ander dan alleendoor het geloof aannemen en mij toeeigene kan.

HC - Vraag en antwoord 62

Maar waarom kunnen onze goede werken niet de gerechtigheidvoor God of een stuk daarvan zijn?
Daarom, dat de gerechtigheid, die voor Gods gericht bestaan kan,gans volkomen en der wet Gods in alle stukken gelijkvormig zijn moet , en datook onze beste werken in dit leven alle onvolkomen en met zonden bevlekt zijn.

HC - Vraag en antwoord 63

Hoe? Verdienen onze goede werken niet, die God nochtans indit en in het toekomende leven wil belonen?
Deze beloning geschiedt niet uit verdienste, maar uit genade.

HC - Vraag en antwoord 64

Maar maakt deze leer niet zorgeloze en goddeloze mensen?
Neen zij; want het is onmogelijk, dat, zo wie Christus door eenwaarachtig geloof ingeplant is, niet zou voortbrengen vruchten der dankbaarheid.

HC - Vraag en antwoord 65

Aangezien dan alleen het geloof ons Christus en al zijnweldaden deelachtig maakt, vanwaar komt zulk geloof?
Van den Heiligen Geest , die het geloof in onze harten werktdoor de verkondiging des Heiligen Evangelies, en het sterkt door het gebruik vande Sacramenten.

HC - Vraag en antwoord 66

Wat zijn Sacramenten?
De Sacramenten zijn heilige zichtbare waartekenen en zegelen, vanGod ingezet, opdat Hij ons door het gebruik daarvan de belofte des Evangeliesdes te beter te verstaan geve en verzegele; namelijk, dat Hij ons vanwege hetenige slachtoffer van Christus, aan het kruis volbracht, vergeving der zonden enhet eeuwige leven uit genade schenkt.

HC - Vraag en antwoord 67

Zijn dan beide, het Woord en de Sacramenten, daarhenengericht, of daartoe verordend, dat zij ons geloof op de offerande van JezusChristus aan het kruis, als op den enigen grond onzer zaligheid ?
Ja zij toch; want de Heilige Geest leert ons in het Evangelie, enverzekert ons door de Sacramenten, dat onze volkomen zaligheid in de enigeofferande van Christus staat, die voor ons aan het kruis geschied is.

HC - Vraag en antwoord 68

Hoeveel Sacramenten heeft CHRISTUS in het nieuwe Verbondof Testament ingezet?
Twee, namelijk den Heiligen Doop en het Heilige Avondmaal.

HC - Vraag en antwoord 69

Hoe wordt gij in den Heiligen Doop vermaand en verzekerd,dat de enige offerande van Christus, aan het kruis geschied, u ten goede komt?
Alzo, dat Christus dit uitwendige waterbad ingezet en daarbijtoegezegd heeft , dat ik zo zekerlijk met zijn bloed en Geest van deonreinheid mijner ziel, dat is, van al mijn zonden, gewassen ben , al ikuitwendig met het water, hetwelk de onzuiverheid des lichaams pleegt weg tenemen, gewassen ben.

HC - Vraag en antwoord 70

Wat is dat,met het bloed en den Geest van Christusgewassen te zijn?
Het is vergeving der zonden van God uit genade te hebben om desbloeds van Christus' wil, hetwelk Hij in zijn offerande aan het kruis voor onsuitgestort heeft ; daarna ook, door den Heiligen Geest vernieuwd en totlidmaten van Christus geheiligd te zijn, opdat wij hoe langer hoe meer derzonden afsterven, en in een Godzalig, onstraffelijk leven wandelen.

HC - Vraag en antwoord 71

Waar heeft ons Christus toegezegd, dat Hij ons zozekerlijk met Zijn bloed en Geest wassen wil,als wij met het Doopwater gewassenworden?
In de inzetting des Doops, welke a;zo luidt: Gaat dan henen,onderwijst al de volken, hen dopende in den Naam des Vaders, en des Zoons, endes Heiligen Geestes; Matth.28:19. En: Die geloofd zal hebben en gedoopt zalzijn, zal zalig worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden;Mark.16:16. Deze belofte wordt ook herhaald, waar de Schrift den Doop het badder wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt; Titus.3:5,.22:16.

HC - Vraag en antwoord 72

Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zondenzelf?
Neen het ; want alleen het bloed van Jezus Christus en deHeilige Geest reinigt ons van alle zonden.

HC - Vraag en antwoord 73

Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad derwedergeboorte en de afwassing der zonden?
God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleenom ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams met water,alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomenworden , maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waartekenwil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassenzijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

HC - Vraag en antwoord 74

Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbondGods en in zijn gemeente begrepen zijn , en dat hun door Christus' bloed deverlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, nietminder dan den volwassenen toegezegd wordt , zo moeten zij ook door den Doop,als door het teken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van dekinderen der ongelovigen onderscheiden worden , gelijk in het oude Verbond ofTestament door de Besnijdenis geschied is , voor dewelke in het nieuweVerbond de Doop ingezet is.

HC - Vraag en antwoord 75

Hoe wordt gij in het Heilig Avondmaal vermaand enverzekerd, dat gij aan de enige offerande van Christus, aan het kruis volbracht,en aan al zijn goed gemeenschap hebt?
Alzo, dat Christus mij en allen gelovigen tot zijn gedachtenis vandit gebroken brood te eten en van dezen drinkbeker te drinken bevolen heeft, endaarbij ook beloofd heeft :
eerstelijk,dat zijn lichaam zo zekerlijk voor mij aan het kruis geofferd en gebroken enzijn bloed voor mij vergoten is, als ik met de ogen zie, dat het brood desHeeren mij gebroken en de drinkbeker mij medegedeeld wordt;
enten andere, dat Hijzelf mijn ziel met zijn gekruisigd lichaam en vergoten bloedzo zekerlijk tot het eeuwige leven spijst en laaft, als ik het brood en dendrinkbeker des Heeren uit des dienaars hand ontvang en met den mond geniet.

HC - Vraag en antwoord 76

Wat is dat te zeggen, het gekruisigde lichaam van Christuseten en zijn vergoten bloed drinken?
Het is niet alleen met een gelovig hart het ganse lijden en stervenvan Christus aannemen en daardoor vergeving der zonden en het eeuwige levenverkrijgen , maar ook daarbenevens door den Heiligen Geest, die èn inChristus èn in ons woont, alzo met zijn heilig lichaam hoe langer hoe meerverenigd worden , dat wij, al is het, dat Christus in den hemel is en wijop aarde zijn, nochtans vlees van zijn vlees en been van zijn gebeente zijn ,en dat wij door één Geest eeuwiglijk leven en geregeerd worden.

HC - Vraag en antwoord 77

Waar heeft Christus beloofd, dat Hij de gelovigen zozekerlijk alzo met zijn lichaam en bloed wil spijzen en laven, als zij van ditgebroken brood eten en van dezen drinkbeker drinken?
In de inzetting des Avondmaals, welke alzo luidt :
DeHeere Jezus, in den nacht, in welken Hij verraden werd, nam het brood, en alsHij gedankt had, brak Hij het, en zeide: Neemt, eet; dat is mijn lichaam, datvoor u gebroken wordt; doet dat tot mijn gedachtenis. Desgelijks nam Hij ook dendrinkbeker, na het eten des Avondmaals, en zeide: Deze drinkbeker is het nieuweTestament in mijn bloed; doet dat, zo dikwijls als gij dien zult drinken, totmijn gedachtenis. Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezendrinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt; 1Kor. 11 : 23-26.
Dezetoezegging wordt ook herhaald door den Heiligen Paulus, waar hij spreekt: Dedrinkbeker der dankzegging, dien wij dankzeggende zegenen, is die niet eengemeenschap des bloeds van Christus? Het brood, dat wij breken, is dat niet deslichaams van Christus? Want één brood is het, zo zijn wij velen één lichaam,dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn, 1 Kor. 10: 16, 27.

HC - Vraag en antwoord 78

Wordt dan uit brood en wijn het wezenlijk lichaam en bloedvan Christus?
Neen ; maar gelijk het water in den Doop niet in het bloed vanChristus veranderd wordt, noch de afwassing der zonden zelf is , alzo wordt ook het broodin het Avondmaal niet het lichaam van Christus zelf , hoewel het naar denaard en de eigenschap der Sacramenten het lichaam van Christus Jezus genaamdwordt.

HC - Vraag en antwoord 79

Waarom noemt dan Christus het brood zijn lichaam en dendrinkbeker zijn bloed, of het nieuwe Testament in zijn bloed, en Paulus degemeenschap des lichaams en bloeds van Christus?
Christus spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, nietalleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk als brood en wijn dit tijdelijkleven onderhouden, alzo ook zijn gekruisigd lichaam en zijn vergoten bloed dewaarachtige spijs en drank zijn, waardoor onze zielen ten eeuwigen leven gevoedworden ;maarveelmeer om ons door deze zichtbare tekenen en panden te verzekeren, dat wij zowaarachtiglijk zijns waren lichaams en bloeds door de werking des HeiligenGeestes deelachtig worden, als wij deze heilige waartekenen met denlichamelijken mond tot zijn gedachtenis ontvangen , en dat al zijn lijden engehoorzaamheid zo zekerlijk onze eigene is, als hadden wijzelf in onze eigenpersoon alles geleden en Gode voor onze zonden genoeg gedaan.

HC - Vraag en antwoord 80

Wat onderscheid is er tussen het Avondmaal des Heeren ende Paapse Mis?
Het Avondmaal des Heeren betuigt ons, dat wij volkomen vergevingvan al onze zonden hebben door de énige offerande van Jezus Christus, dieHijzelf eenmaal aan het kruis volbracht heeft , en dat wij door den HeiligenGeest Christus worden ingelijfd , die nu naar zijn menselijke natuur niet opde aarde, maar in den hemel is, ter rechterhand Gods zijns Vaders , en daarvan ons wil aangebeden zijn.Maarde Mis leert, dat de levenden en de doden niet door het lijden van Christusvergeving der zonden hebben, tenzij dat Christus nog dagelijks voor hen van deMispriesters geofferd worde, en dat Christus lichamelijk onder de gestalte desbroods en wijns is, en daarom ook daarin moet aangebeden worden; en alzo is deMis in den grond ander niet, dan een verloochening der enige offerande en deslijdens van Jezus Christus, en een vervloekte afgoderij.

HC - Vraag en antwoord 81

Voor wie is het Avondmaal des Heeren ingesteld?
Voor degenen, die zichzelf vanwege hun zonden mishagen, en nochtansvertrouwen, dat deze hun om Christus' wil vergeven zijn, en dat ook deoverblijvende zwakheid met zijn lijden en sterven bedekt is; die ook begeren,hoe langer hoe meer hun geloof te sterken en hun leven te beteren. Maar dehypocrieten en die zich niet met waren harte tot God bekeren, die eten endrinken zichzelf een oordeel.

HC - Vraag en antwoord 82

Zal men ook diegenen tot dit Avondmaal laten komen, diezich met hun belijdenis en hun leven als ongelovige en goddeloze mensenaanstellen?
Neen; want alzo wordt het verbond Gods ontheiligd, en zijn toornover de ganse gemeente verwekt. Daarom is de Christelijke Kerk schuldig,naar de ordening van Christus en van zijn Apostelen, zulken, totdat zij beteringhuns levens bewijzen, door de Sleutelen des hemelrijks uit te sluiten.

HC - Vraag en antwoord 83

Wat zijn de Sleutelen des hemelrijks?
De verkondiging des Heiligen Evangelies en de Christelijke ban ofuitsluiting uit de Christelijke gemeente, door welke twee stukken het hemelrijkden gelovigen opengedaan, en den ongelovigen toegesloten wordt.

HC - Vraag en antwoord 84

Hoe wordt het hemelrijk door de prediking des HeiligenEvangelies ontsloten en toegesloten?
Alzo, als, volgens het bevel van Christus, aan de gelovigen, allenen een iegelijk, verkondigd en openlijk betuigd wordt, dat hun, zo dikwijls alszij de beloftenis des Evangelies met een waar geloof aannemen, waarachtiglijk alhun zonden van God, om der verdiensten van Christus' wil, vergeven zijn;daarentegen allen ongelovigen, en die zich niet van harte bekeren, verkondigd enbetuigd wordt, dat de toorn Gods en de eeuwige verdoemenis op hen ligt, zolangals zij zich niet bekeren ; naar welk getuigenis des Evangelies God zaloordelen, beide in dit en in het toekomende leven.

HC - Vraag en antwoord 85

Hoe wordt het hemelrijk toegesloten en ontsloten door denChristelijken ban?
Alzo, als, volgens het bevel van Christus, degenen, die onder denChristelijken naam onchristelijke leer of leven voeren, nadat zij, ettelijkemalen broederlijk vermaand zijnde, van hun dwalingen of hun schandelijk levenniet willen aflaten, der gemeente, of degenen die van de gemeente daartoeverordineerd zijn, aangebracht worden, en, zo zij aan de vermaning zich nietstoren, van henlieden door het verbieden der Sacramenten uit de Christelijkegemeente, en van God zelf uit het Rijk van Christus gesloten worden; en wederomals lidmaten van Christus en van zijn gemeente aangenomen, zo wanneer zijwaarachtige verbetering beloven en bewijzen.

HC - Vraag en antwoord 86

Aangezien wij uit onze ellendigheid, zonder enigeverdienste onzerzijds, alleen uit genade, door Christus verlost zijn, waarommoeten wij dan nog goede werken doen?
Daarom, dat Christus, nadat Hij ons met zijn bloed gekocht envrijgemaakt heeft, ons ook door zijn Heiligen Geest tot zijn evenbeeldvernieuwt, opdat wij ons met ons ganse leven Gode dankbaar voor zijn weldadenbewijzen , en Hij door ons geprezen worde. Daarna ook, dat elk bijzichzelf van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij , en dat door onzenGodzaligen wandel onze naasten ook voor Christus gewonnen worden.

HC - Vraag en antwoord 87

Kunnen dan die niet zalig worden, die, in hun goddeloosondankbaar leven voortvarende, zich tot God niet bekeren?
In generlei wijze; want de Schrift zegt, dat geen onkuise,afgodendienaar, echtbreker, dief, geldgierige, dronkaard, lasteraar, noch rover,noch dergelijke, het rijk Gods beërven zal.

HC - Vraag en antwoord 88

In hoeveel stukken bestaat de waarachtige bekering desmensen?
In twee stukken: in de afsterving des ouden, en in de opstandingdes nieuwen mensen.

HC - Vraag en antwoord 89

Wat is de afsterving des ouden mensen?
Het is een hartelijk leedwezen, dat wij God door onze zondenvertoornd hebben, en die hoe langer hoe meer haten en vlieden.

HC - Vraag en antwoord 90

Wat is de opstanding des nieuwen mensen?
Het is een hartelijke vreugde in God door Christus , en lust enliefde om naar den wil Gods in alle goede werken te leven.

HC - Vraag en antwoord 91

Maar wat zijn goede werken?
Alleen die uit waar geloof , naar de wet Gods , alleen Hemter ere geschieden , en niet die op ons goeddunken of op.

HC - Vraag en antwoord 92

Hoe luidt de wet des Heeren?
God sprak al deze woorden, Exod. 20: 1-17, Deut. 5:6-21: Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis,uitgeleid heb.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van hetgeen dat bovenin den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen datin de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hendienen: want Ik, de Heere, uw God, ben een ijverig God, die de misdaad dervaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen,die Mij haten; en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebbenen mijn geboden onderhouden.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult den naam des Heeren, uws Gods, niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zalniet onschuldig houden, die zijn naam ijdellijk gebruikt.

HC - Vraag en antwoord 92

Gedenktden Sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werkdoen; maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren, uws Gods. Dan zult gij geenwerk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uwdienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poorten is. Want in zesdagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarinis, en Hij rustte ten zevenden dage. Daarom zegende de Heere den Sabbatdag, enheiligde denzelven.

HC - Vraag en antwoord 92

Eertuw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u deHeere, uw God, geeft.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult niet doodslaan.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult niet echtbreken.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult niet stelen.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

HC - Vraag en antwoord 92

Gijzult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw,noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel,noch iets, dat uws naasten is.

HC - Vraag en antwoord 93

Hoe worden deze tien geboden gedeeld?
In twee tafelen ; waarvan de eerste leert, hoe wij ons jegensGod zullen houden; de andere wat wij onzen naaste schuldig zijn.

HC - Vraag en antwoord 94

Wat gebiedt God in het eerste gebod?
Dat ik, zo lief als mij mijner ziele zaligheid is, alle afgoderij, toverij, waarzegging, superstitie of bijgeloof , aanroeping van deheiligen of van andere schepselen , mijde en vliede, en den enigen waren Godrecht lere kennen , Hem alleen vertrouwe , in alle ootmoedigheid enlijdzaamheid mij Hem alleen alles goeds verwachte, Hem van ganser harteliefhebbe , vreze en ere , alzo, dat ik eer van alle schepselen afgaen die varen late, dan dat ik in het allerminste tegen zijn wil doe.

HC - Vraag en antwoord 95

Wat is afgoderij?
Afgoderij is, in de plaats des enigen waren Gods, die zich in zijnWoord geopenbaard heeft, of benevens Hem, iets anders verzinnen of hebben,waarop de mens zijn vertrouwen zet.

HC - Vraag en antwoord 96

Wat eist God in het tweede gebod?
Dat wij God in generlei wijze afbeelden , en op geen anderewijze vereren, dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.

HC - Vraag en antwoord 97

Mag men dan ganselijk geen beelden maken?
God kan noch mag in generlei wijze afgebeeld worden. Maar deschepselen, al is het dat zij mogen afgebeeld worden, zo verbiedt toch God, hungebeeltenis te maken en te hebben, om die te vereren, of God daardoor te dienen.

HC - Vraag en antwoord 98

Maar zou men de beelden in de kerken als boeken der lekenniet mogen dulden?
Neen; want wij moeten niet wijzer zijn dan God, dewelke zijnChristenen niet door stomme beelden , maar door de levende verkondiging zijnsWoords wil onderwezen hebben.

HC - Vraag en antwoord 99

Wat wil het derde gebod?
Dat wij niet alleen met vloeken of met valsen eed , maar ook met onnodig zweren, den naam Gods niet lasteren noch misbruiken, noch ons met ons stilzwijgen en toezien zulke verschrikkelijke zonden deelachtig maken; en in het kort, dat wij den heiligen naam Gods anders niet dan met vrees en eerbied gebruiken, opdat Hij van ons recht beleden, aangeroepen, en in al onze woorden en werken geprezen worde.

HC - Vraag en antwoord 100

Is het dan zo grote zonde, Gods naam met zweren envloeken te lasteren, dat God zich ook over diegenen vertoornt, die, zoveel alshun mogelijk is, het vloeken en zweren niet helpen weren en verbieden?
Ja gewisselijk ; want er is geen groter zonde, noch die God meervertoornt, dan de lastering zijn naams; waarom Hij die ook met den dood testraffen bevolen heeft.

HC - Vraag en antwoord 101

Maar mag men ook Godzaliglijk bij den naam Gods een eedzweren?
Ja, als het de Overheid van haar overdanen, of anderszins ook denood vordert, om trouw en waarheid daardoor te bevestigen, en dat tot Gods eeren des naasten heil; want zulk eedzweren is in Gods Woord gegrond , en daaromook van de heiligen in het Oude en Nieuwe Testament recht gebruikt geweest.

HC - Vraag en antwoord 102

Mag men ook bij de heiligen, of bij enige andereschepselen, een eed zweren?
Neen; want een rechten eed zweren is God aanroepen, dat Hij, alsdie alleen het hart kent, der waarheid getuigenis wil geven, en mij straffe,indien ik valselijk zweer ; welke eer aan geen schepsel toebehoort.

HC - Vraag en antwoord 103

Wat gebiedt God in het vierde gebod?
Eerstelijk, dat de kerkedienst, of het predikambt, en de scholenonderhouden worden , en dat ik, inzonderheid op den Sabbat, dat is, op denrustdag, tot de gemeente Gods naarstiglijk kome , om Gods Woord te horen ,de Sacramenten te gebruiken , God den Heere openlijk aan te roepen , enden armen Christelijke handreiking te doen ; ten andere, dat ik al de dagenmijns levens van mijn boze werken ruste, den Heere door zijn Geest in mij werkenlate, en alzo den eeuwigen Sabbat in dit leven aanvange.

HC - Vraag en antwoord 104

Wat wil God in het vijfde gebod?
Dat ik mijn vader en mijn moeder, en allen die over mij gesteldzijn, alle eer, liefde en trouw bewijze, en mij hunner goede leer en straf metbehoorlijke gehoorzaamheid onderwerpe , en ook met hun zwakheid en gebrekengeduld hebbe , aangezien het Gode belieft, ons door hun hand te regeren.

HC - Vraag en antwoord 105

Wat eist God in het zesde gebod?
Dat ik mijn naaste noch met gedachten, noch met woorden of eniggebaar, veel minder met de daad, door mijzelf of door anderen ontere, hate,kwetse of dode ; maar dat ik alle wraakgierigheid aflegge ; ook mijzelfniet kwetse of moedwilliglijk in enig gevaar begeve ; waarom ook de Overheidhet zwaard draagt om den doodslag te weren.

HC - Vraag en antwoord 106

Maar dit gebod schijnt alleen van het doodslaan tespreken?
God, verbiedende den doodslag, leert ons, dat Hij den wortel desdoodslags, als nijd , haat , toorn en wraakgierigheid, haat en zulksalles voor een doodslag houdt.

HC - Vraag en antwoord 107

Maar is het genoeg, dat wij onzen naaste, zoals tevorengezegd is, niet doden?
Neen; want God, verbiedende den nijd, haat en toorn, gebiedt, datwij onzen naaste liefhebben als onszelf , en jegens hem geduld, vrede,zachtmoedigheid, barmhartigheid en alle vriendelijkheid bewijzen , zijnschade, zoveel als ons mogelijk is, afkeren , en ook onzen vijanden goed doen.

HC - Vraag en antwoord 108

Wat leert ons het zevende gebod?
Dat alle onkuisheid van God vervloekt is , en dat wij daarom,haar van hart vijand zijnde , kuis en ingetogen leven moeten , hetzij inden heiligen huwelijken staat of daarbuiten.

HC - Vraag en antwoord 109

Verbiedt God in dit gebod niet meer dan echtbreken endergelijke schandelijkheden?
Dewijl ons lichaam en ziel tempelen des Heiligen Geestes zijn, zowil Hij, dat wij ze beide zuiver en heilig bewaren; daarom verbiedt Hij alleonkuise daden, gebaren, woorden , gedachten, lusten , en wat den mensdaartoe trekken kan.

HC - Vraag en antwoord 110

Wat verbiedt God in het achtste gebod?
God verbiedt niet alleen dat stelen en roven , hetwelk deOverheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen,waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen , hetzij metgeweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar , munt,woeker , of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook allegierigheid , alle misbruik en verkwisting zijner gaven.

HC - Vraag en antwoord 111

Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hemalzo handele, al ik wilde, dat men met mij handelde ; daarenboven ook, dat iktrouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.

HC - Vraag en antwoord 112

Wat wil het negende gebod?
Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve , niemand zijnwoorden verdraaie , geen achterklapper of lasteraar zij , niemandlichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen ; maar allerlei liegenen bedriegen, als eigen werken des duivels , vermijde, tenzij dat ik denzwaren toorn Gods op mij laden wil ; insgelijks, dat ik in het gericht enalle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde ;ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

HC - Vraag en antwoord 113

Wat eist van ons het tiende gebod?
Dat ook de de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in onshart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganser harte aller zondenvijand zijn en kust tot alle gerechtigheid hebben.

HC - Vraag en antwoord 114

Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, dezegeboden volkomenlijk houden?
Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit levenzijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid ; doch alzo, datzij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de gebodenGods beginnen te leven.

HC - Vraag en antwoord 115

Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien gebodenprediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langerhoe meer leren kennen , en des te begeriger zijn, om de vergeving der zondenen de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophoudenons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoelanger hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot dezevoorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.

HC - Vraag en antwoord 116

Waarom is het gebed den Christenen van node?
Daarom dat het het voornaamste stuk der dankbaarheid is, welke Godvan ons vordert , en dat God zijn genade en den Heiligen Geest alleen aandiegenen geven wil, die Hem met hartelijke zuchten zonder ophouden daarom biddenen daarvoor danken.

HC - Vraag en antwoord 117

Wat behoort tot zulk een gebed, dat Gode aangenaam is envan Hem verhoord wordt?
Eerstelijk, dat wij alleen den enigen waren God, die zich in zijnWoord ons geopenbaard heeft , om al hetgeen dat Hij ons geboden heeft tebidden , van harte aanroepen. Ten andere, dat wij onzen nood enellendigheid recht en grondig kennen , opdat wij ons voor het aangezichtzijner majesteit verootmoedigen. Ten derde, dat wij dezen vasten grond heben, dat Hij ons gebed, niettegenstaande wij zulks onwaardig zijn, om des HeerenChristus' wil zekerlijk wil verhoren , gelijk Hij ons in zijn Woord beloofdheeft.

HC - Vraag en antwoord 118

Wat heeft ons God bevolen van Hem te bidden?
Alle geestelijke en lichamelijke nooddrukt , welke de HeereChristus begrepen heeft in het gebed,dat Hij ons zelf geleerd heeft.

HC - Vraag en antwoord 119

Hoe luidt dat gebed?
Onze Vader, die in de hemelen zijt;
Uw naam worde geheiligd.
Uw koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijks brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.

HC - Vraag en antwoord 120

Waarom heeft ons Christus geboden, God alzo aan tespreken: Onze Vader?
Opdat Hij van stonde aan, in het begin onzes gebeds, in ons dekinderlijke vrees en toevoorzicht tot God verwekke, welke beide de grond onzesgebeds zijn, namelijk, dat God onze Vader door Christus geworden is, en dat Hijons veel minder afslaan zal hetgeen dat wij Hem met een recht geloof bidden, danonze vaders ons aardse dingen ontzeggen.

HC - Vraag en antwoord 121

Waarom wordt hier bijgevoegd: Die in de hemelen zijt?
Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet aardselijk denken ,en van zijn almachtigheid alle nooddruft des lichaams en der ziel verwachten.

HC - Vraag en antwoord 122

Welke is de eerste bede?
Uw naam worde geheiligd. Dat is: Geef ons eerstelijk, dat wij Urecht kennen , en U in al uw werken, in welke uw almachtigheid, wijsheid,goedheid, gerechtigheid, barmhartigheid en waarheid klaarlijk schijnt, heiligen,roemen en prijzen ; daarna ook dat wij al ons leven, gedachten, woorden enwerken, alzo schikken en richten, dat uw naam om onzentwille niet gelasterd,maar geëerd en geprezen worde.

HC - Vraag en antwoord 123

Welke is de tweede bede?
Uw koninkrijk kome. Dat is: Regeer ons alzo door uw Woord en uwGeest, dat wij ons hoe langer hoe meer aan U onderwerpen ; bewaar envermeerder uw kerk ; verstoor de werken des duivels en alle geweld, dat zichtegen U verheft, mitsgaders alle boze raadslagen, die tegen uw Heilig Woordbedacht worden ; totdat de volkomenheid uws Rijks kome , waarin Gij alleszult zijn in allen.

HC - Vraag en antwoord 124

Welke is de derde bede?
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. Datis: Geef, dat wij en alle mensen onzen eigen wil verzaken , en uw wil, diealleen goed is, zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn ; opdat alzo eeniegelijk zijn ambt en beroep zo gewilliglijk en getrouwelijk moge bedienen enuitvoeren , als de engelen in den hemel doen.

HC - Vraag en antwoord 125

Welke is de vierde bede?
Geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is: Wil ons met alle nooddruft des lichaams verzorgen , opdat wij daardoor erkennen, dat Gij deenige oorsprong alles goeds zijt , en dat noch onze zorg en arbeid, noch uwgaven, zonder uw zegen ons gedijen , en dat wij derhalve ons vertrouwen vanalle schepselen aftrekken en op U alleen stellen.

HC - Vraag en antwoord 126

Welke is de vijfde bede?
Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. Dat is: Wil ons, armen zondaren, al onze misdaden, en ook deboosheid, die ons altijd aanhangt, om des bloeds van Christus' wil niettoerekenen , gelijk wij ook dit getuigenis uwer genade in ons bevinden, datons ganse voornemen is, onzen naaste van harte te vergeven.

HC - Vraag en antwoord 127

Welke is de zesde bede?
Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Dat is:Dewijl wij van onszelf alzo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik zouden kunnenbestaan , en daartoe onze doodsvijanden, de duivel , de wereld , en onseigen vlees , niet ophouden ons aan te vechten, zo wil ons toch staandehouden en sterken door de kracht uws Heiligen Geestes, opdat wij in dezengeestelijken strijd niet onderliggen , maar altijd sterken wederstand doen,totdat wij eindelijk ten enenmale de overhand behouden.

HC - Vraag en antwoord 128

Hoe besluit gij uw gebed?
Want uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Dat is: Zulks alles bidden wij van U, daarom, dat Gij, als onzeKoning en aller dingen machtig, ons alles goeds te geven den wil en het vermogenhebt , en dat alles, opdat daardoor, niet wij, maar uw heilige naameeuwiglijk geprezen worde.

HC - Vraag en antwoord 129

Wat beduidt het woordeken: Amen?
Amen wil zeggen: Het zal waar en zeker zijn. Want mijn gebed is veel zekerder van God gehoord, dan ik in mijn hart gevoel, dat ik zulks van Hem begeer.


Nederlandse Geloofsbelijdenis   [ zie ook hier ]

Artikel 1
De enige God

Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er ëën God is,
een geheel enig en eenvoudig geestelijk wezen.
Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig.
Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed, en een zeer overvloedige bron van al het goede.

Artikel 2
Hoe wij God kennen

Wij kennen Hem door twee middelen.
Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de hele wereld.
Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin alle schepselen,
groot en klein, de letters zijn, die ons te aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden,
namelijk zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Rom. 1 : 20.
Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke verontschuldiging te ontnemen.

Ten tweede maakt Hij Zichzelf nog duidelijker en volkomener aan ons bekend door zijn heilig en goddelijk Woord,
namelijk voor zover dat voor ons in dit leven nodig is tot zijn eer en tot behoud van de zijnen.

Artikel 3
Het Woord van God

Wij belijden dat dit Woord van God niet is voortgekomen uit de wil van een mens,
maar dat mensen, door de Heilige Geest gedreven,
van Godswege gesproken hebben, zoals de apostel Petrus zegt (2 Petr.1 : 21).

Daarna heeft God in zijn bijzondere zorg voor ons en ons behoud zijn knechten,
de profeten en apostelen, geboden zijn geopenbaarde Woord op Schrift te stellen,
en zelf heeft Hij met zijn vinger de twee tafelen van de wet geschreven.
Hierom noemen wij zulke geschriften heilige en goddelijke Schriften.

Artikel 4
De canonieke boeken

Wij onderscheiden in de Heilige Schrift twee delen:
het Oude en het Nieuwe Testament.
Dit zijn canonieke boeken, waartegen niets valt in te brengen.

Hiertoe worden in Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament:
de vijf boeken van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium;
Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuël, 1 en 2 Koningen, 1 en 2 Kronieken,
Ezra, Nehemia, Ester, Job, de Psalmen van David,
de drie boeken van Salomo, namelijk Spreuken, Prediker en Hooglied;
de vier grote profeten: Jesaja, Jeremia (met de Klaagliederen), Ezechiël en Daniël;
vervolgens de twaalf kleine profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja,
Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggaï, Zacharia en Maleachi.

De boeken van het Nieuwe Testament: de vier evangelisten Matteüs, Marcus, Lukas en Johannes;
de Handelingen der Apostelen;
de dertien brieven van de apostel Paulus, namelijk aan de Romeinen, twee aan de Korintiërs,
aan de Galaten, aan de Efeziërs, aan de Filippenzen, aan de Kolossenzen,
twee aan de Tessalonicenzen, twee aan Timoteüs,
aan Titus, aan Filemon; de brief aan de Hebreeën;
de zeven overige brieven, namelijk de brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie van Johannes, de brief van Judas; de Openbaring van de apostel Johannes.

Artikel 5
Het gezag van de Heilige Schrift

Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek,
om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen.
En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten.

Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent,
maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn.
Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf.
Want zelfs blinden kunnen tasten datde dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren.

Artikel 6
Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken

Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apocriefe,
namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judit,
het boek Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de Toevoegingen aan het boek Ester,
het Gebed van de drie mannen in het vuur, de Geschiedenis van Susanna,
van Bel en de draak, het Gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën.

De kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken.
Zij hebben echter niet zo'n kracht en gezag, dat men door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof of van de christelijke godsdienst zou kunnen bevestigen;
laat staan dat zij het gezag van de andere, de heilige boeken, zouden kunnen verminderen.

Artikel 7
De volkomenheid van de Heilige Schrift

Wij geloven dat deze Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat de mens moet geloven om behouden te worden.
Daarin heeft God uitvoerig beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen.
Daarom is het de mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift;
zelfs niet een engel uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt (Gal. 1 : 8).
Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af te doen (Deut. 12 : 32).
Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt, volmaakt en in alle opzichten volledig is.

Men mag ook geen geschriften van mensen, hoe heilig de schrijvers ook geweest zijn,
op één lijn stellen met de goddelijke Schriften,
ook de gewoonte niet met Gods waarheid - want de waarheid gaat boven alles -, evenmin het grote aantal,
de ouderdom, de ononderbroken voortgang in de tijden of de opvolging van personen, of de concilies,
decreten of besluiten.
Want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars (Ps. 116 : 11) en ijdeler dan de ijdelheid zelf.

Daarom verwerpen wij uit de grond van ons hart alles wat met deze onfeilbare regel niet overeenkomt.
Zo hebben de apostelen het ons geleerd: Beproeft de geesten of zij uit God zijn

(1 Joh. 4 : 1). En: Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis (2 Joh. : 10).

Artikel 8
De Heilige Drieëenheid

Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in éénGod een geheel enig wezen is,
waarin drie Personen zijn, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.
Deze zijn werkelijk en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen.

De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen.
De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader.
De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon.

Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is.
Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen,
maar toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn.
Het is dus duidelijk dat de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is;
dat eveneens de Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is.

Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd.
Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de Heilige Geest niet,
maar alleen de Zoon.
De Vader is nooit zonder de Zoon en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest,
want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen.
Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid.

Artikel 9
Het getuigenis van de Schrift voor deze leer

Wij weten dit alles zowel uit het getuigenis van de Heilige Schrift als uit de werkingen van deze Personen,
voornamelijk uit die welke wij in onszelf ervaren.

Het getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige Driëenheid te geloven,
is op vele plaatsen in het Oude Testament te vinden.
We behoeven ze niet op te sommen, maar dienen slechts een zorgvuldige keus te maken.
In Gen. 1:26-27 zegt God: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, enzovoort.
En God schiep de mens naar zijn beeld, man en vrouw schiep Hij hen.
Eveneens in Gen. 3:22: Zie, de mens is geworden als Onzer één.
Daaruit blijkt dat er meer dan een Persoon in de Godheid is, want Hij zegt: Laat Ons mensen maken naar ons beeld;
en Hij wijst daarna de eenheid aan, als Hij zegt: God schiep.
Weliswaar zegt Hij niet hoeveel Personen er zijn, maar wat voor ons enigszins duister is in het Oude Testament, dat is zeer helder in het Nieuwe.
Want toen onze Here gedoopt werd in de Jordaan, werd de stem van de Vader gehoord, die zei:
Deze is mijn Zoon, de geliefde (Mat.3 : 17); terwijl de Zoon werd gezien in het water en de Heilige Geest verscheen in de gedaante van een duif.

Bovendien heeft Christus voor de doop van alle gelovigen deze formule gegeven:
Doopt al de volken in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest (Mat. 28:19).
In het Evangelie naar Lucas spreekt de engel Gabriel tot Maria, de moeder van de Here, aldus:
De Heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen;
daarom zal ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon van God genoemd worden (Luc. 1 : 35).
Eveneens: De genade van de Here Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u (2 Kor. 13 : 13). *

Op al deze plaatsen wordt ons duidelijk geleerd dat er drie Personen zijn in één enig goddelijk Wezen.
En hoewel deze leer het menselijk verstand ver te boven gaat, geloven wij die nu op grond van het Woord en verwachten wij dat wij de volle kennis en vrucht ervan in de hemel zullen genieten.

Verder moeten wij ook letten op het eigen werk dat ieder van deze drie Personen aan ons verricht:
de Vader wordt genoemd onze Schepper door zijn kracht;
de Zoon is onze Heiland en Verlosser door zijn bloed;
de Heilige Geest is onze Heiligmaker, doordat Hij woont in ons hart.
Deze leer van de Heilige Drieëenheid heeft de ware kerk altijd gehandhaafd, van de tijd van de apostelen af tot nu toe,
tegenover joden, mohammedanen en valse christenen
en ketters als Marcion, Mani, Praxeas, Sabellius, Paulus van Samosata, Arius en dergelijke.
De vaderen hebben hen terecht veroordeeld.
Daarom aanvaarden wij in dezen graag de drie oecumenische geloofsbelijdenissen,
namelijk de Apostolische, die van Nicea en van Athanasius,
en eveneens wat de vaderen in overeenstemming daarmee hebben vastgesteld.

* De generale Synode van Heemse 1984-1985 verwijderde op deze plaats de volgende woorden: "En: Drie zijn er die getuigen in de hemel: de Vader, het Woord en de Heilige Geest; en deze drie zijn één." De verwijzing naar 1 Joh 5 : 7b is omstreden, omdat deze tekst in de oude handschriften niet wordt gevonden.

Artikel 10
De godheid van Jezus Christus

Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht.
Hij is niet gemaakt of geschapen - want dan zou Hij een schepsel zijn - maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk.
De Schrift noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr. 1 : 3).

Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid.
De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer wij ze met elkaar vergelijken.

Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen, en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt.
De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft.
Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden.
De profeet Micha zegt dan ook: Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Mich. 5 : 1).
En de brief aan de Hebreeën: Hij is zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr.7 : 3).

Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden en dienen.

Artikel 11
De godheid van de Heilige Geest

Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van eeuwigheid van de Vader en de Zoon uitgaat.
Hij is niet gemaakt of geschapen en ook niet voortgebracht;
wij kunnen alleen maar zeggen: Hij gaat van beiden uit.
In orde is Hij de derde Persoon van de Drieëenheid, van éénzelfde wezen, majesteit en heerlijkheid als de Vader en de Zoon, echt en eeuwig God, zoals de Heilige Schriften ons leren.

Artikel 12
De schepping van de wereld; de engelen

Wij geloven dat de Vader door zijn Woord - dat is door zijn Zoon - de hemel, de aarde en alle schepselen uit niets heeft geschapen, toen het Hem goeddacht.
Ook heeft Hij aan elk schepsel zijn wezen en gedaante gegeven en zijn eigen taak om zijn Schepper te dienen.
Ook nu nog houdt Hij ze alle in stand en regeert ze overeenkomstig zijn eeuwige voorzienigheid en door zijn oneindige kracht, opdat zij de mens dienen, zodat de mens zijn God kan dienen.

Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om zijn gezanten te zijn en zijn uitverkorenen te dienen.
Sommigen van die engelen zijn uit die verheven staat waarin God hen geschapen had, in het eeuwige verderf gevallen, maar door Gods genade hebben anderen volhard en zijn in hun oorspronkelijke staat staande gebleven.
De duivelen en boze geesten zijn zo verdorven, dat zij vijanden van God en van al het goede zijn.
Uit alle macht loeren zij als moordenaars op de kerk en elk van haar leden, om alles door hun bedriegerijen te vernielen en te verwoesten.
Zij zijn daarom door hun eigen slechtheid veroordeeld tot de eeuwige ondergang en verwachten dagelijks hun verschrikkelijke pijnigingen.

Wat dit betreft verwerpen en verfoeien wij de dwaling van de Sadduceeën, die loochenen dat er geesten en engelen zijn.
En ook de dwaling van de manicheeërs, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelf hebben en van nature slecht zijn; zij ontkennen dat de duivelen slecht zijn geworden.

Artikel 13
Gods voorzienigheid

Wij geloven dat deze goede God, nadat Hij alle dingen geschapen had,
ze niet aan zichzelf heeft overgelaten, of aan het toeval of het lot heeft prijsgegeven,
maar ze overeenkomstig zijn heilige wil zo leidt en regeert, dat in deze wereld niets gebeurt zonder zijn beschikking.
Toch is God niet de bewerker van de zonde die gedaan wordt, en evenmin draagt Hij er de schuld van.
Want zijn macht en goedheid zijn zó groot en gaan ons begrip zo te boven, dat Hij zijn werk zeer goed en rechtvaardig beschikt en doet, ook al handelen de duivelen en goddelozen onrechtvaardig.
En al wat in zijn doen het menselijk verstand te boven gaat, willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, verder dan ons begrip reikt.
Maar in alle ootmoed en eerbied aanbidden wij de rechtvaardige beslissingen van God, die voor ons verborgen zijn.
Wij stellen ons ermee tevreden, dat wij leerlingen van Christus zijn, om slechts te leren wat Hij ons onderwijst door zijn Woord, zonder deze grenzen te overschrijden.

Deze leer schenkt ons een onuitsprekelijke troost, als wij erdoor leren verstaan dat ons niets bij toeval kan gebeuren,
maar dat alles ons alleen overkomt door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader.
Hij waakt over ons met een vaderlijke zorg, terwijl Hij zó over alle schepselen heerst,
dat niet één haar van ons hoofd - want die zijn alle geteld -
en niet één musje ter aarde zal vallen zonder de wil van onze Vader (Matt.10 : 29-30).
Hierop stellen wij ons vertrouwen, omdat wij weten dat Hij de duivelen en al onze vijanden in toom houdt en zij ons zonder zijn toelating en wil niet kunnen schaden.

Daarom verwerpen wij de verfoeilijke dwaling van de epicureeërs,
die zeggen, dat God Zich nergens mee bemoeit en alles aan het toeval overlaat.

Artikel 14
De schepping van de mens; zijn val en zijn verdorvenheid

Wij geloven dat God de mens uit het stof van de aarde geschapen heeft en hem gemaakt en gevormd heeft naar zijn beeld en gelijkenis:
goed, rechtvaardig en heilig, zodat hij met zijn wil in alles overeen kon stemmen met de wil van God.
Maar toen de mens in die eervolle positie verkeerde, heeft hij er geen acht op geslagen en zijn bevoorrechte plaats niet erkend.
Hij heeft zich, door gehoor te geven aan het woord van de duivel, willens en wetens aan de zonde onderworpen en daarmee aan de dood en de vervloeking.
Want het gebod ten leven dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden en door zijn zonde heeft hij de gemeenschap met God, die zijn ware leven was, verbroken.
Zo heeft hij zijn hele natuur verdorven en daarmee de lichamelijke en geestelijke dood verdiend.
Doordat hij in al zijn doen en laten goddeloos, verkeerd en ontaard is geworden, heeft hij alle voortreffelijke gaven die hij van God had ontvangen, verloren.
Hij heeft daarvan niets overgehouden dan geringe sporen, die niettemin voldoende zijn om de mens iedere verontschuldiging te ontnemen.
Al het licht in ons is immers in duisternis veranderd, zoals de Schrift ons leert:
Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet gegrepen (Joh. 1 : 5).
Hier noemt te apostel Johannes de mensen duisternis.

Daarom verwerpen wij al wat men in strijd hiermee leert over de vrije wil van de mens,
omdat de mens slechts een slaaf van de zonde is en niets kan aannemen,
of het moet hem uit de hemel gegeven zijn (Joh. 3 : 27).
Want wie zal zich erop beroemen uit eigen kracht iets goeds te kunnen doen, daar Christus immers zegt:
Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekt (Joh. 6 : 44)?
Wie zal wijzen op zijn eigen wil, als hij weet dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God (Rom. 8 : 7)?
Wie zal de moed hebben te spreken over eigen kennis,
wanneer hij inziet dat een ongeestelijk mens niet aanvaardt wat van Gods Geest is (1 Kor. 2 : 14)?
Kortom, wie zal ook maar één eigen denkbeeld naar voren brengen,
wanneer hij weet dat wij niet bekwaam zijn iets uit onszelf te denken, maar dat onze bekwaamheid Gods werk is(2 Kor. 3 : 5)?

Daarom hoort het woord van de apostel onwrikbaar vastgehouden te worden, dat het God is die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Filip. 2 : 13).
Want geen kennis of wil is in overeenstemming met die van God, als Christus ze niet in de mens tot stand heeft gebracht,
zoals Hij ons leert met de woorden:
Zonder Mij kunt gij niets doen (Joh.15 : 5).

Artikel 15
De erfzonde

Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde zich over heel het menselijk geslacht heeft verbreid.
Zij is een verdorvenheid van de hele natuur en een erfelijk kwaad, waarmee zelfs de kleine kinderen in de moederschoot besmet zijn.
Zij is namelijk de wortel waaruit allerlei zonden in de mens voortkomen.
Daarom is ze zo gruwelijk en afzichtelijk voor God, dat zij reden genoeg is om het menselijk geslacht te veroordelen.

Zelfs door de doop is zij niet geheel vernietigd of uitgeroeid, omdat de zonde altijd uit deze verdorvenheid ontspringt als opwellend water uit een giftige bron.
Zij wordt evenwel de kinderen van God niet toegerekend om hen te veroordelen,
maar door zijn genade en barmhartigheid vergeven, niet om de gelovigen zorgeloos in de zonde te laten voortleven,
maar om hen door het besef van deze verdorvenheid dikwijls te doen zuchten van verlangen,
uit het lichaam, dat in de macht van de dood is, verlost te worden (Rom. 7 : 24).
Op dit punt verwerpen wij de dwaling van de pelagianen, die zeggen dat de zonde slechts uit navolging ontstaat.

Artikel 16
De eeuwige uitverkiezing van God

Wij geloven dat God, toen het hele geslacht van Adam door de zonde van de eerste mens in verderf en ondergang was gestort, bewezen heeft dat Hij barmhartig en rechtvaardig is.
Barmhartig, doordat Hij diegenen uit dit verderf trekt en verlost,
die Hij in zijn eeuwige en onveranderlijke raad uit louter genade verkoren heeft in Jezus Christus,
onze Here, zonder ook maar enigszins hun werken in rekening te brengen.
Rechtvaardig, doordat Hij de anderen laat in hun val en verderf, waarin zij zichzelf gestort hebben.

Artikel 17
De belofte van de Verlosser

Wij geloven dat onze goede God, toen Hij zag dat de mens zich zo in de lichamelijke en geestelijke dood gestort had en zich volkomen rampzalig gemaakt had,
hem in zijn wonderbare wijsheid en goedheid zelf is gaan zoeken,
toen hij bevend voor Hem vluchtte. God heeft hem getroost met de belofte hem zijn Zoon te geven,
die geboren zou worden uit een vrouw (Gal. 4 : 4),
om de kop van de slang te vermorzelen (Gen.3 : 15)
en de mens voor eeuwig gelukkig te maken.

Artikel 18
De menswording van Gods Zoon

Wij belijden dus dat God de belofte die Hij aan de vaderen gegeven had bij monde van zijn heilige profeten, vervuld heeft door zijn eigen, eniggeboren en eeuwige Zoon in de wereld te zenden op de door Hem bepaalde tijd.
Deze heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen en is aan de mensen gelijk geworden (Filip. 2 : 7) door echte menselijke natuur werkelijk aan te nemen met al haar zwakheden, uitgezonderd de zonde.
Hij is ontvangen in de schoot van de gezegende maagd Maria door de kracht van de Heilige Geest, zonder toedoen van een man.
Hij heeft niet alleen de menselijke natuur aangenomen wat het lichaam betreft, maar ook een echt menselijke ziel om werkelijk mens te zijn.
Want omdat de ziel evenzeer verloren was als het lichaam, moest Hij ze beide aannemen om beide te redden.

Tegenover de ketterij van de wederdopers, die ontkennen dat Christus van zijn moeder de menselijke natuur aangenomen heeft,
belijden wij daarom dat Hij deel gekregen heeft aan het vlees en bloed van Gods kinderen (Hebr. 2 : 4);
dat Hij een vrucht van Davids lendenen is (Hand. 2 : 30),
naar het vlees voortgekomen uit het geslacht van David (Rom.1 : 3);
vrucht van Maria's schoot (Luc.1 : 42);
geboren uit een vrouw (Gal. 4 : 4);
spruit van David (Jer. 33 : 15);
scheut uit de wortel van Isaï (Jes. 11 : 1);
gesproten uit Juda (Hebr. 7 : 14);
wat het vlees betreft afkomstig uit de joden (Rom. 9 : 5);
uit het nageslacht van Abraham, omdat Hij dat heeft aangenomen en in alle opzichten aan zijn broeders gelijk is geworden met uitzondering van de zonde (Hebr. 2 : 16-17; Hebr. 4 : 15).
Zo is Hij werkelijk onze Immanuël: God met ons (Matt. 1 : 23).

Artikel 19
De twee naturen van Christus

Wij geloven dat de Persoon van de Zoon door deze ontvangenis onafscheidelijk verenigd en verbonden is met de menselijke natuur.
Er zijn dus geen twee zonen van God en geen twee personen, maar twee naturen verenigd in één Persoon, waarbij elke natuur haar onderscheiden eigenschappen behoudt.
De goddelijke natuur is altijd ongeschapen gebleven, zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr. 7 : 3), en vervult hemel en aarde.
Evenzo heeft de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is schepsel gebleven, dat wel een begin van dagen heeft, eindig is en alles behoudt wat bij een echt lichaam hoort.
Wel heeft Hij haar door zijn opstanding onsterfelijkheid gegeven, maar Hij heeft de echtheid van zijn menselijke natuur niet veranderd, omdat ons behoud en onze opstanding mee afhangen van de echtheid van zijn lichaam.
Deze twee naturen zijn zo in één Persoon verenigd, dat zij zelfs door zijn dood niet gescheiden zijn geweest.
Bij zijn sterven gaf Hij dus in de handen van zijn Vader een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet; maar toch bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, zelfs toen Hij in het graf lag.
De godheid hield niet op in Hem te zijn, evenals zij in Hem was toen Hij een klein kind was,
hoewel zij zich voor korte tijd niet openbaarde.
Daarom belijden wij dat Hij echt God en echt mens is: echt God om door zijn kracht de dood te overwinnen,
echt mens om voor ons te kunnen sterven vanwege de zwakheid van zijn vlees.

Artikel 20
Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid in Christus

Wij geloven dat God, die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, zijn Zoon gezonden heeft om de natuur waarin de ongehoorzaamheid begaan was, aan te nemen en in haar de schuld te betalen en door zijn zeer bitter lijden en sterven de straf voor de zonden te dragen.
Zo heeft God zijn rechtvaardigheid bewezen jegens zijn Zoon door onze zonden op Hem te laden.
Zijn goedheid en barmhartigheid heeft Hij uitgestort over ons, die schuldig waren en verdienden veroordeeld te worden.
Want in volkomen liefde heeft Hij zijn Zoon voor ons in de dood overgegeven en Hem opgewekt tot onze rechtvaardiging, opdat wij door Hem onsterfelijkheid en eeuwig leven zouden hebben.

Artikel 21
De voldoening door Christus

Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwig Hogepriester is naar de orde van Melchisedek, wat God met een eed heeft bevestigd.
Hij heeft Zichzelf in onze plaats voor zijn Vader gesteld, om door volkomen voldoening diens toorn te stillen.
Daartoe heeft Hij Zichzelf aan het kruis geofferd en zijn kostbaar bloed vergoten, om ons te reinigen van onze zonden, zoals de profeten hadden voorzegd.

Want er staat geschreven, dat de straf die ons de vrede aanbrengt, op de Zoon van God was en dat wij door zijn striemen genezen zijn;
dat Hij als een lam ter slachting is geleid en onder de overtreders is geteld (Jes. 53 : 5, 7 en 12);
dat Hij als een misdadiger veroordeeld is door Pontius Pilatus, hoewel deze Hem onschuldig verklaard had. Zo heeft Hij teruggegeven wat Hij niet geroofd had (Ps. 69 : 5),
en heeft Hij als rechtvaardige voor onrechtvaardigen geleden (1 Petrus 3 : 18),
zowel naar lichaam als naar ziel, zodat Hij de verschrikkelijke straf voelde die wij door onze zonden verdiend hadden, en zijn zweet als bloeddruppels werd, die op de aarde vielen (Luc. 22 : 44).
Hij heeft geroepen: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matt. 27 : 46),
en Hij heeft dit alles geleden ter wille van de vergeving van onze zonden.
Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij niets anders weten dan Jezus Christus en die gekruisigd (1 Kor. 2 : 2);
wij beschouwen alles als vuilnis, omdat de kennis van Christus Jezus, onze Here, alles te boven gaat (Filip. 3 : 8).
Wij vinden al onze troost in zijn wonden en behoeven geen enkel ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen naast dit ene,
eens voor altijd gebrachte offer, dat de gelovigen voor eeuwig tot volmaaktheid brengt (Hebr. 10 : 14).
Daarom noemt Gods engel Hem ook Jezus, dat is Verlosser, omdat Hij zijn volk zou redden van hun zonden (Matt.1 : 21).

Artikel 22
De rechtvaardiging door het geloof in Christus

Wij geloven dat de Heilige Geest, om ons ware kennis van deze grote verborgenheid te doen verwerven,
in ons hart waar geloof ontsteekt, dat Jezus Christus met al zijn verdiensten omhelst,
Hem zich toeeigent en niets meer buiten Hem zoekt. Want één van beide: òf in Jezus Christus is niet alles wat voor ons heil nodig is,
òf dit alles is wel in Hem en dan heeft hij die Jezus Christus door het geloof bezit, al zijn heil. Z
ou men dus beweren dat Christus niet genoeg is, maar dat er naast Hem nog iets anders nodig is,
dan is dat een gruwelijke godslastering.
Daaruit zou immers volgen dat Christus maar een halve Heiland is.

Daarom zeggen wij terecht met Paulus, dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken, gerechtvaardigd worden (Rom. 3 : 28).
Wij vatten dit, nauwkeurig gesproken, niet zo op, dat het geloof zelf ons rechtvaardigt, want het is slechts een middel waarmee wij Christus, onze gerechtigheid omhelzen.
Maar Jezus Christus is onze gerechtigheid, doordat Hij ons toerekent al zijn verdiensten en al zijn heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan.
En het geloof is het middel dat ons met Hem in de gemeenschap van al zijn schatten en gaven verbonden houdt.
Als deze ons eigendom zijn geworden, zijn zij meer dan voldoende om ons vrij te spreken van onze zonden.

Artikel 23
Onze gerechtigheid voor God in Christus

Wij geloven dat ons heil gelegen is in de vergeving van onze zonden om Jezus Christus' wil.
Daarin bestaat onze gerechtigheid voor God. Dat leren David en Paulus ons door te verklaren: Zalig is de mens aan wie God gerechtigheid toerekent zonder werken (Ps. 32 : 2; Rom. 4 : 6).
En dezelfde apostel zegt, dat wij om niet, anders gezegd, uit genade gerechtvaardigd zijn door de verlossing in Christus Jezus (Rom. 3 : 24). Daarom houden wij dit fundament altijd vast.
Daarin geven wij alle eer aan God, terwijl wij onszelf vernederen en belijden wat voor mensen wij zijn, zonder ons ook maar enigszins op onszelf of op onze verdiensten te laten voorstaan.
Wij steunen uitsluiten op de gehoorzaamheid van de gekruisigde Christus en rusten daarin.
En deze gehoorzaamheid is de onze, wanneer wij in Hem geloven.
Zij is voldoende om al onze ongerechtigheden te bedekken.
Zij bevrijdt ons geweten van vrees, ontzetting en verschrikking en geeft ons zo vrijmoedigheid om tot God te naderen, zonder te doen als onze eerste vader Adam, die zich bevend met vijgebladeren wilde bedekken.
En werkelijk, als wij voor God moesten verschijnen, terwijl wij, in hoe geringe mate ook, op onszelf of op enig ander schepsel zouden steunen - ach, wij zouden vergaan!
Daarom moet ieder met David zeggen: HERE, ga niet in het gericht met uw knecht,
want niemand die leeft, is voor U rechtvaardig (Ps. 143 : 2).

Artikel 24
De heiliging

Wij geloven dat dit ware geloof, in de mens verwekt door het horen van het Woord van God en door de werking van de Heilige Geest, hem opnieuw geboren doet worden en hem tot een nieuwe mens maakt.
Dit ware geloof doet hem leven in een nieuw leven en bevrijdt hem uit de slavernij van de zonde.

Daarom is er geen sprake van dat dit rechtvaardigend geloof de mensen onverschillig zou maken voor een vroom en heilig leven. Integendeel, zonder dit geloof zullen zij nooit iets doen uit liefde tot God, maar alleen uit liefde tot zichzelf en uit vrees veroordeeld te worden.
Het is dan ook onmogelijk dat dit heilig geloof in de mens niets zou uitwerken.
Wij spreken immers niet van een onvruchtbaar geloof, maar van geloof waarvan de Schrift zegt, dat het door de liefde werkt (Gal. 5 : 6).
Het beweegt de mens ertoe, zich te oefenen in de werken die God in zijn Woord geboden heeft.
Als deze werken voortkomen uit de goede wortel van het geloof, zijn ze goed en voor God aangenaam, omdat zij alle door zijn genade geheiligd zijn.

Toch worden wij niet in rekening gebracht, als het gaat om onze rechtvaardiging.
Wij worden immers gerechtvaardigd door het geloof in Christus, zelfs voor wij goede werken doen.
Anders zouden deze werken niet goed kunnen zijn, evenmin als de vrucht van een boom goed kan zijn, voordat de boom goed is.
Wij doen dus goede werken, maar niet om daarmee iets te verdienen.
Trouwens, wat zouden wij kunnen verdienen?
Wij zijn veeleer aan God dank verschuldigd voor de goede werken die wij doen, en Hij niet aan ons. Want Hij is het die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in ons werkt (Filip. 2 : 13).
Laten wij dus ter harte nemen wat geschreven staat: Zo moet ook gij, nadat gij alles gedaan hebt wat u bevolen is, zeggen:
Wij zijn nutteloze slaven; wij hebben slechts gedaan wat wij moesten doen (Luc. 17 : 10).
Toch willen wij niet ontkennen dat God de goede werken beloont, maar door zijn genade kroont Hij zijn gaven.

En verder, al doen wij goede werken, toch funderen wij daar ons heil niet op.
Want wij kunnen geen enkel werk doen of het is besmet doordat wij zondaren zijn, en verdient daarom gestraft te worden. En al konden we op één goed werk wijzen, dan is toch de gedachte aan één zonde genoeg om het verwerpelijk te maken voor Gods ogen.
Op deze wijze zouden wij altijd in twijfel leven, heen en weer geslingerd, zonder enige zekerheid,
en ons arme geweten zou altijd gekweld worden,
indien het niet steunde op de verdienste van het lijden en sterven van onze Heiland.

Artikel 25
Christus, de vervulling van de wet

Wij geloven dat de schaduwachtige eredienst van het oude verbond en de gebruiken die door de wet waren voorgeschreven, met de komst van Christus hebben afgedaan en dat zo aan al deze schaduwen een einde is gekomen.
Daarom moeten de christenen die niet langer handhaven.
Toch blijft voor ons de waarheid en de inhoud ervan in Christus Jezus, in wie zijn hun vervulling hebben.

Wel maken wij nog gebruik van de getuigenissen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen
en ook om overeenkomstig Gods wil ons leven in alle eerbaarheid in te richten tot zijn eer.

Artikel 26
Christus onze enige voorspraak

Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God dan alleen door de enige Middelaar en Voorspraak Jezus Christus, de rechtvaardige.
Hiertoe is Hij mens geworden en heeft Hij de goddelijke en menselijke natuur verenigd, om ons mensen toegang te geven tot de goddelijke majesteit.
Anders zou de toegang voor ons gesloten zijn.
Maar deze Middelaar, die de Vader ons gegeven heeft tussen Zich en ons, moet ons door zijn verhevenheid niet afschrikken, zodat wij een andere, naar eigen inzicht, zouden gaan zoeken.
Want er is niemand onder de schepselen in de hemel of op aarde die ons meer liefheeft dan Jezus Christus,
die hoewel Hij in de gestalte Gods was, Zichzelf ontledigd heeft en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen (Filip. 2 : 6-7)
en aan zijn broeders in alle opzichten gelijk geworden is (Hebr. 2 : 17). Indien wij een andere middelaar moesten zoeken, die ons gunstig gezind zou zijn, wie zouden wij dan kunnen vinden, die ons meer liefheeft dan Hij die zijn leven voor ons gegeven heeft, zelfs toen wij zijn vijanden waren (Rom. 5 : 8 en 10)?
En als wij iemand moesten zoeken die macht en aanzien heeft, wie is zo machtig en aanzienlijk als Hij die gezeten is aan de rechterhand van zijn Vader en die alle macht heeft in hemel en op aarde (Matt. 28 : 18)? En wie zal eerder verhoord worden dan de eigen zeer geliefde Zoon van God?
Het is dus enkel gebrek aan vertrouwen dat geleid heeft tot de gewoonte om de heiligen te onteren in plaats van hen te eren.
Want men doet wat zij nooit gedaan of begeerd hebben, maar wat zij onophoudelijk volgens hun plicht verworpen hebben, zoals uit hun geschriften blijkt.
Men moet onze onwaardigheid hier niet tegen inbrengen, want er is geen sprake van dat wij onze gebeden op grond van onze waardigheid voor God zouden brengen, maar wij doen dat alleen op grond van de uitnemendheid en waardigheid van onze Here Jezus Christus;zijn gerechtigheid is immers de onze door het geloof.
Daarom zegt de Schrift ons, als zij deze dwaze vrees of liever dit gebrek aan vertrouwen van ons wil wegnemen, dat Jezus Christus in alle opzichten aan zijn broeders is gelijk geworden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.
Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun die verzocht worden, te hulp komen (Hebr. 2 : 17 en 18).
En om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt de Schrift verder:
Daar wij nu een grote Hogepriester hebben, die de hemelen is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, laten wij aan die belijdenis vasthouden.
Want wij hebben geen Hogepriester die niet kan meevoelen met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op gelijke wijze als wij is verzocht geweest, doch zonder te zondigen.
Laten wij daarom met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid ontvangen en genade vinden om hulp te verkrijgen te gelegener tijd (Hebr. 4 : 14-16).
In dezelfde brief zegt de Schrift, dat wij volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laten wij dan toetreden in volle verzekerdheid van het geloof (Hebr.10 : 19 en 22).
Eveneens: Christus heeft een priesterschap dat op geen ander kan overgaan; daarom kan Hij ook volkomen behouden wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten (Hebr. 7 : 24 en 25).

Wat hebben wij dan nog meer nodig, daar Christus zelf uitdrukkelijk zegt:
Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij (Joh. 14 : 6)?
Waarom zouden wij een andere advocaat zoeken, daar het God behaagd heeft ons zijn Zoon te geven om voor ons te pleiten?
Laten wij Hem niet loslaten om een ander te nemen, of liever, om een ander te zoeken, zonder die ooit te vinden.
Want toen God Hem aan ons gaf, wist Hij heel goed dat wij zondaars waren.
Daarom roepen wij naar het gebod van Christus de hemelse Vader aan door Christus, onze enige Middelaar, zoals ons in het gebed des Heren geleerd is.
En wij zijn er zeker van dat de Vader ons zal geven al wat wij Hem bidden in Christus' naam (Joh.16 : 23).

Artikel 27
De katholieke of algemene kerk

Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk.
Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus,
gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.

Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe.
Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn.
Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is.
Zo heeft de Here gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen voor Zich bewaard, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden.

Ook is deze heilige kerk niet gevestigd in, gebonden aan, of beperkt tot een bepaalde plaats, of gebonden aan bepaalde personen, maar zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld.
Toch is zij met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.

Artikel 28
De roeping zich bij de kerk te voegen

Wij geloven dat niemand, welke positie hij ook heeft, zich van deze heilige vergadering afzijdig mag houden, om op zichzelf te blijven staan.
In deze vergadering komen immers bijeen degenen die behouden worden, en buiten haar is er geen heil.
Daarom moet ieder zich bij haar voegen en zich met haar verenigen.
Zo wordt de eenheid van de kerk bewaard; men onderwerpt zich aan haar onderwijzing en tucht, buigt de hals onder het juk van Jezus Christus en dient de opbouw van de broeders overeenkomstig de gaven die God aan allen verleend heeft, als leden van eenzelfde lichaam.

Om dit alles des te beter te kunnen onderhouden, is het volgens Gods Woord de roeping van alle gelovigen zich af te scheiden van hen die niet bij de kerk horen,
en zich bij deze vergadering te voegen op ieder plaats waar God haar gesteld heeft,
zelfs al zouden de overheden en wetten van de vorsten zich daartegen verzetten en al zou er de dood of lijfstraf op staan.

Daarom handelen allen die zich van haar afzonderen of zich niet bij haar voegen, in strijd met Gods bevel.

Artikel 29
De kenmerken van de ware kerk, van haar leden en van de valse kerk

Wij geloven dat men nauwgezet en met grote zorgvuldigheid, vanuit Gods Woord, behoort te onderscheiden welke de ware kerk is, omdat alle sekten die er tegenwoordig in de wereld zijn, zich ten onrechte kerk noemen.
Wij spreken hier niet over de huichelaars, die zich in de kerk tussen de oprechte gelovigen bevinden en toch niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk.
Maar wij bedoelen dat men het lichaam en de gemeenschap van de ware kerk moet onderscheiden van alle sekten, die beweren dat zij de kerk zijn.

De kenmerken waaraan men de ware kerk kan kennen, zijn deze: dat de kerk de zuivere prediking van het evangelie onderhoudt;dat zij de zuivere bediening van de sacramenten onderhoudt, zoals Christus die heeft ingesteld; dat de kerkelijke tucht geoefend wordt om de zonden te bestraffen.
Kortom, dat men zich richt naar het zuivere Woord van God, alles wat daarmee in strijd is verwerpt en Jezus Christus erkent als het enige Hoofd. Hieraan kan men met zekerheid de ware kerk kennen en niemand heeft het recht zich van haar af te scheiden.

Zij die bij de kerk horen, zijn te kennen aan de kenmerken van de christenen, namelijk aan het geloof en hieraan dat zij, na de enige Heiland Christus aangenomen te hebben, de zonde ontvluchten en de gerechtigheid najagen, de ware God en hun naaste liefhebben, niet naar rechts of naar links afwijken en hun oude mens met zijn werken kruisigen.
Dat wil echter niet zeggen dat er geen grote zwakheid meer in hen zou zijn, maar door de Geest strijden zij daar elke dag tegen, hun leven lang.
Zij nemen voortdurend hun toevlucht tot het bloed, de dood, het lijden en de gehoorzaamheid van de Here Jezus, in wie zij vergeving van hun zonden hebben door het geloof in Hem.

Wat de valse kerk betreft, deze schrijft aan zichzelf en haar verordeningen meer gezag toe dan aan Gods Woord en wil zich niet aan het juk van Christus onderwerpen.
Zij bedient de sacramenten niet zoals Christus in zijn Woord geboden heeft, maar naar eigen goedvinden voegt zij eraan toe en laat zij eruit we. Zij grondt zich meer op mensen dan op Christus.
Zij vervolgt hen die heilig leven naar Gods Woord en die haar bestraffen over haar zonden, hebzucht en afgoderij.

Deze twee kerken zijn gemakkelijk te kennen en van elkaar te onderscheiden.

Artikel 30
De regering van de kerk

Wij geloven dat deze ware kerk geestelijk geregeerd moet worden op de wijze die onze Here ons in zijn Woord geleerd heeft.
Er moeten dienaren of herders zijn, om Gods Woord te prediken en de sacramenten te bedienen, ook opzieners en diakenen, om met de herders een raad van de kerk te vormen.
Op die manier moeten zij de ware godsdienst onderhouden en zorgen dat de ware leer voortgang heeft, dat de overtreders op geestelijke wijze gestraft en in toom gehouden worden, en dat de armen en zij die in moeite verkeren, geholpen en getroost worden naarmate zij het nodig hebben.

Op deze wijze zal alles in de kerk in goede orde geschieden, wanneer personen gekozen worden die trouw zijn,
overeenkomstig de regel die de apostel Paulus daarvoor geeft in de brief aan Timoteüs.

Artikel 31
De ambten in de kerk

Wij geloven dat de dienaren van Gods Woord, de ouderlingen en de diakenen tot hun ambt behoren gekozen te worden in de weg van wettige verkiezing door de kerk,
onder aanroeping van Gods naam en in goede orde, zoals Gods Woord leert.

Daarom moet ieder zich er terdege voor wachten, zich met ongeoorloofde middelen in te dringen, maar hij moet de tijd afwachten dat hij door God geroepen wordt, om daarin het overtuigend bewijs te hebben dat zijn roeping van de Here komt.

Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, waar zij ook staan, gelijke macht en gelijk gezag, omdat zij allen dienaren van Jezus Christus zijn, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de kerk.

Bovendien, de heilige verordening van God mag niet geschonden worden of in verachting raken; daarom zeggen wij dat ieder voor de dienaren des Woords en de ouderlingen van de kerk bijzondere achting moet hebben om het werk dat zij doen. Ieder moet zonder morren, twist of tweedracht, zoveel mogelijk in vrede met hen leven.

Artikel 32
De orde en de tucht in de kerk

Wij geloven dat, hoewel het nuttig en goed is dat de regeerders van de kerk onderling een vaste orde instellen en handhaven om het lichaam van de kerk in stand te houden, zij zich er toch voor moeten wachten af te wijken van wat Christus, onze enige Meester, ons geboden heeft.

Daarom verwerpen wij alle menselijke bedenksels en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen en daardoor het geweten te binden en te dwingen, op welke wijze dan ook.
Wij aanvaarden dus alleen wat kan dienen om eendracht en eenheid te bevorderen en te bewaren, en allen te doen blijven bij de gehoorzaamheid aan God.

Hiervoor is vereist de uitsluiting uit de gemeenschap van de kerk overeenkomstig Gods Woord, en wat daarmee verbonden is.

Artikel 33
De sacramenten

Wij geloven dat onze goede God, omdat Hij met ons onverstand en de zwakheid van ons geloof rekening houdt, voor ons de sacramenten heeft ingesteld.
Zo wil Hij ons zijn beloften verzegelen en ons onderpanden van zijn goedgunstigheid en genade jegens ons in handen geven. Ook wil Hij zo ons geloof voeden en onderhouden.
Hij heeft de sacramenten gevoegd bij het Woord van het evangelie, om ons door middel van onze zintuigen des te beter duidelijk te maken, zowel wat Hij ons door zijn Woord te verstaan geeft, als wat Hij van binnen in ons hart doet.

Zo bekrachtigt Hij in ons het heil waaraan Hij ons deel geeft.
Want de sacramenten zijn zichtbare tekenen en zegels van een inwendige en onzichtbare zaak.
Door middel daarvan werkt God in ons door de kracht van de Heilige Geest.
Daarom zijn de tekenen niet krachteloos en zonder inhoud, zodat zij ons zouden misleiden,
want Jezus Christus is de waarheid ervan en zonder Hem zouden zij niets zijn.

Voorts hebben wij genoeg aan het aantal sacramenten dat Christus, onze Meester, voor ons heeft ingesteld, namelijk niet meer dan twee:
het sacrament van de heilige doop en dat van het heilig avondmaal van Jezus Christus.

Artikel 34
De heilige doop

Wij geloven en belijden dat Jezus Christus, die het einde van de wet is (Romeinen10 : 4),
door het vergieten van zijn bloed een eind gemaakt heeft aan elke andere bloedstorting die men zou kunnen of willen doen tot verzoening voor onze zonden.
Hij heeft de besnijdenis, waarbij bloed vloeide, afgeschaft en in plaats daarvan het sacrament van de doop ingesteld.

Hierdoor worden wij in de kerk van God opgenomen en van alle andere volken en vreemde godsdiensten afgezonderd, om helemaal het eigendom te zijn van Hem, van wie wij het merk en veldteken dragen.
Dit dient ons tot een getuigenis dat Hij eeuwig onze God en onze genadige Vader zal zijn.

Daarom heeft Christus geboden al de zijnen te dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest (Matt.28 : 19), met gewoon water.
Daarmee geeft Hij ons te verstaan: evenals het water waarmee de dopeling overgoten en voor aller ogen besprenkeld wordt, de onreinheid van het lichaam afwast, zo bewerkt het bloed van Christus hetzelfde van binnen, in de ziel, door de Heilige Geest; het besprenkelt de ziel en zuivert haar van zonden en doet ons van kinderen des toorns opnieuw geboren worden tot kinderen van God.

Wij worden evenwel niet door het water als zodanig van onze zonden gereinigd, maar door de besprenkeling met het kostbaar bloed van de Zoon van God.
Hij is onze Rode Zee, waar wij doorheen moeten gaan om te ontkomen aan de tirannie van Farao - dat is de duivel - en binnen te gaan in het geestelijke Kanaän.

De dienaren van hun kant geven ons alleen het sacrament, dat zichtbaar is, maar onze Here geeft wat door het sacrament wordt aangeduid, namelijk de onzichtbare genadegaven.
Hij wast onze ziel en reinigt haar grondig van alle onreinheden en ongerechtigheden.
Hij vernieuwt ons hart, schenkt ons volkomen troost en geeft ons vaste zekerheid van zijn vaderlijke goedheid.
Hij doet ons de nieuwe mens aan en Hij trekt ons de oude mens uit met al zijn werken.

Daarom geloven wij dat wie tot het eeuwige leven wil komen, maar eenmaal gedoopt moet worden.
De doop mag niet herhaald worden, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden.
Deze doop is immers niet alleen van waarde voor ons wanneer wij hem ontvangen en het water op ons is, maar gedurende ons hele leven.

Daarom verwerpen wij de dwaling van de wederdopers, die niet tevreden zijn met de eens ontvangen doop en die bovendien de doop van de kleine kinderen der gelovigen veroordelen.
Wij geloven daarentegen dat men hen behoort te dopen en met het teken van het verbond te verzegelen, evenals de kleine kinderen in Israël besneden werden op grond van dezelfde beloften die aan onze kinderen gedaan zijn.
Christus heeft zijn bloed even zeker vergoten om de kleine kinderen van de gelovigen te wassen, als Hij dat gedaan heeft voor de volwassenen.
Daarom behoren zij het teken en sacrament van wat Christus voor hen gedaan heeft te ontvangen, zoals de HERE in de wet gebood hun kort nadat zij geboren waren, deel te geven aan het sacrament van het lijden en sterven van Christus door het offer van een lam.
Dat was een sacrament van Jezus Christus.

Bovendien doet de doop aan onze kinderen hetzelfde wat de besnijdenis deed aan het joodse volk.
Daarom noemt de apostel Paulus de doop: de besnijdenis van Christus (Kol.2 : 11).

Artikel 35
Het heilig avondmaal

Wij geloven en belijden dat onze Heiland Jezus Christus het sacrament van het heilig avondmaal voorgeschreven en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden degenen die Hij reeds opnieuw geboren deed worden en in zijn huisgezin, dat is zijn kerk, heeft ingelijfd.

Nu hebben zij die opnieuw geboren zijn, tweeërlei leven in zich.
Het ene is lichamelijk en tijdelijk: zij hebben het van hun eerste geboorte meegebracht en alle mensen bezitten het.
Het andere is geestelijk en hemels: het wordt hun gegeven in de tweede geboorte, die geschiedt door het Woord van het evangelie in de gemeenschap met het lichaam van Christus.
Dit leven bezitten slechts Gods uitverkorenen.
Zo heeft God voor de instandhouding van het lichamelijke e aardse leven gewoon, aards brood voorgeschreven, dat allen ontvangen, zoals het leven zelf.
Maar voor het onderhouden van het geestelijke en hemelse leven, dat de gelovigen bezitten, heeft Hij hun een levend brood gezonden, dat uit de hemel neergedaald is (Joh.6 : 51), namelijk Jezus Christus.
Hij voedt en onderhoudt het geestelijke leven van de gelovigen, als Hij gegeten wordt, dat wil zeggen geestelijk toegeëigend en door het geloof ontvangen.

Om ons dit geestelijke en hemelse brood af te beelden, heeft Christus een aards en zichtbaar brood voorgeschreven als sacrament van zijn lichaam en de wijn als sacrament van zijn bloed.
Hiermee verzekert Hij ons ervan: zo zeker als wij het sacrament ontvangen en in onze handen houden en het eten en drinken met onze mond, om ons leven in stand te houden, zo zeker ontvangen wij in onze ziel door het geloof - dat de hand en mond van onze ziel is - het ware lichaam en het ware bloed van Christus, onze enige Heiland, om ons geestelijke leven in stand te houden.

Nu is het volstrekt zeker dat Jezus Christus ons zijn sacramenten niet voor niets heeft voorgeschreven.
Hij werkt dan ook in ons alles wat Hij ons door deze heilige tekenen voor ogen stelt, hoewel de wijze waarop dit geschiedt ons verstand te boven gaat, evenals de werking van de Heilige Geest verborgen is en niet te begrijpen.

Toch vergissen wij ons niet, als wij zeggen dat wat door ons gegeten en gedronken wordt, het eigen en natuurlijke lichaam en het eigen bloed van Christus is.
Maar de wijze waarop wij deze nuttigen, is niet met de mond, maar geestelijk, door het geloof.
Zo blijft Jezus Christus altijd gezeten aan de rechterhand van God, zijn Vader, in de hemel en deelt Hij Zichzelf toch aan ons mee door het geloof.
Bij dit geestelijke feestmaal geeft Christus ons deel aan Zichzelf met al zijn schatten en gaven en doet Hij ons zowel Zichzelf als de verdiensten van zijn lijden en sterven genieten.
Hij voedt, sterkt en troost onze arme, verslagen ziel door ons te eten te geven van zijn lichaam, en verkwikt en vernieuwt haar door ons te drinken te geven van zijn bloed.

Verder, hoewel het sacrament met de zaak waarvan het een teken is, verbonden is, worden beide toch niet door allen ontvangen.
De goddeloze ontvangt wel het sacrament, tot zijn veroordeling, maar niet de waarheid van het sacrament, evenals Judas en Simon de tovenaar beiden wel het sacrament ontvingen, maar niet Christus, doe daardoor voorgesteld wordt.
Hij wordt alleen het deel van de gelovigen.

Tenslotte, wij ontvangen dit heilig sacrament in de samenkomst van Gods volk met ootmoed en eerbied.
Daarbij gedenken wij samen met dankzegging de dood van Christus, onze Heiland, en doen wij belijdenis van ons geloof en van de christelijke godsdienst.
Daarom behoort niemand aan het avondmaal te gaan zonder zichzelf eerst op de juiste wijze beproefd te hebben, om, als hij van dit brood eet en uit de beker drinkt, niet tot zijn eigen oordeel te eten en te drinken (1 Kor.11 : 28 en 29).
Kortom, we worden door het gebruik van dit heilig sacrament bewogen tot een vurige liefde jegens God en onze naaste.

Daarom verwerpen wij als ontheiliging van de sacramenten alle toevoegingen en vervloekte verzinsels die de mensen erin aangebracht en ermee vermengd hebben.
En wij verklaren dat men zich tevreden moet stellen met wat Christus en zijn apostelen ons voorgeschreven hebben en dat men daarover moet spreken zoals zij erover gesproken hebben.

Artikel 36
De taak van de overheid

Wij geloven dat onze goede God om de verdorvenheid van het menselijk geslacht geboden heeft, dat er koningen, vorsten en overheden zullen zijn.
Hij wil namelijk dat de wereld geregeerd wordt door wetten en staatsregelingen, zodat de ongebondenheid van de mensen bedwongen wordt en alles in goede orde onder hen toegaat.
Hiertoe heeft Hij de overheid het zwaard in handen gegeven tot bestraffing van de slechte en bescherming van de goedemensen (Rom.13 : 4).
Haar taak is niet alleen zorg te dragen voor de openbare orde en daarover te waken, maar ook de heilige dienst van de kerk te beschermen *, en te bevorderen dat het koninkrijk van Jezus Christus komt en het Woord van het evangelie overal gepredikt wordt, zodat God door ieder geëerd en gediend wordt, zoals Hij in zijn Woord gebiedt.

Verder is ieder, welke positie hij ook heeft, verplicht zich aan de overheid te onderwerpen, belasting te betalen, haar eer en eerbied te bewijzen, haar gehoorzaam te zijn in alles wat niet in strijd is met Gods Woord, en voor haar te bidden dat de Here haar bestuurt op al haar wegen, zodat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid (1 Tim.2 :1 en 2).
Op dit punt wijzen wij de wederdopers en andere oproerige mensen af en in het algemeen allen die overheid en gezag verwerpen, de rechtsorde omver willen werpen door het invoeren van gemeenschap van goederen, en die de goede zeden die God onder de mensen heeft ingesteld, verstoren.

* De generale Synode van Utrecht 1905 verwijderde op deze plaats de volgende woorden: "om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk van den antichrist te gronde te werpen".

Artikel 37
Het laatste oordeel

Tenslotte geloven wij in overeenstemming met Gods Woord, dat als de door de Here bepaalde tijd - die aan alle schepselen onbekend is - gekomen en het getal van de uitverkorenen vol zal zijn, onze Here Jezus Christus uit de hemel zal komen, lichamelijk en zichtbaar, op dezelfde wijze als Hij naar de hemel is opgevaren (Handelingen1 : 11), met grote heerlijkheid en majesteit.
Hij zal Zich openbaren als Rechter over levenden en doden, terwijl Hij deze oude wereld in vuur en vlam zet om haar te zuiveren.

Dan zullen voor deze grote Rechter persoonlijk verschijnen alle mensen die ooit geleefd hebben: mannen, vrouwen en kinderen, gedagvaard door de stem van een aartsengel en het geklank van een goddelijke bazuin (1 Tess. 4 : 16).
Want al de gestorvenen zullen uit de aarde verrijzen en de zielen zullen verenigd worden met het eigen lichaam waarin zij geleefd hebben.
Zij die dan nog leven zullen niet sterven zoals de anderen, maar in één ogenblik veranderd worden en van vergankelijk onvergankelijk worden.
Dan zullen de boeken geopend en de doden geoordeeld worden (Openb. 20 :12)
naar wat zij in deze wereld gedaan hebben, hetzij goed hetzij kwaad (2 Kor. 5 : 10).
Ja, de mensen zullen rekenschap moeten geven van elk ijdel woord dat zij gesproken hebben (Matt.12 : 36),
al vindt de wereld zulk spreken slechts spel en tijdverdrijf.
Dan zal wat door de mensen in het verborgen bedreven is, ook hun huichelarij, openlijk voor allen aan het licht gebracht worden.

Terecht is daarom de gedachte aan dit oordeel schrikwekkend en angstaanjagend voor de slechte en goddeloze mensen, maar de rechtvaardigen en uitverkorenen verlangen er vurig naar en putten er rijke troost uit.
Hun verlossing zal dan immers helemaal voltooid worden en zij zullen dan de vruchten van hun moeitevolle arbeid ontvangen.
Hun onschuld zal dan door allen worden erkend en zij zullen zien de verschrikkelijke manier waarop God Zich wreekt op de goddelozen, die hen in deze wereld getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben.
Die zullen tot erkenning van hun schuld gebracht worden, maar alleen om gepijnigd te worden in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is (Matt. 25 : 41).

De gelovigen en uitverkorenen daarentegen zullen gekroond worden met heerlijkheid en eer.
De Zoon van God zal hun naam belijden voor God, zijn Vader (Matt.10 : 32),
en zijn uitverkoren engelen, en God zal alle tranen van hun ogen afwissen (Openb. 21 : 4).
Dan zal blijken dat hun zaak, die nu door veel rechters en overheden als ketters en goddeloos veroordeeld wordt, de zaak van de Zoon van God is.
En als een genadige beloning zal de Here hun zo'n heerlijkheid doen bezitten als in het hart van een mens nooit zou kunnen opkomen.

Daarom verwachten wij die grote dag met sterk verlangen, om ten volle te genieten de beloften van God in Jezus Christus, onze Here.

Geloofsbelijdenis van Nicea

Wij geloven in één God, de almachtige Vader,
Schepper van de hemel en de aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen.

En in één Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader voor alle eeuwen,
God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God;
geboren, niet geschapen, één van wezen met de Vader; door Hem zijn alle dingen geworden.
Terwille van ons mensen en van ons behoud is Hij neergedaald uit de hemel en vlees geworden door de Heilige Geest uit de maagd Maria en is een mens geworden.
Hij is ook voor ons gekruisigd onder Pontius Pilatus, heeft geleden, is begraven.
Op de derde dag is Hij opgestaan overeenkomstig de Schriften.
Hij is opgevaren naar de hemel, zit aan de rechterhand van de Vader en zal in heerlijkheid weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. En zijn rijk zal geen einde hebben.

En in de Heilige Geest, die Here is en levend maakt, die van de Vader en de Zoon uitgaat, die samen met de Vader en de Zoon aangebeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten.
En een heilige, algemene en apostolische kerk.
Wij belijden een doop tot vergeving van de zonden.
Wij verwachten de opstanding van de doden en het leven van de komende eeuw.

Amen


Geloofsbelijdenis van Athanasius

Al wie behouden wil worden, moet voor alles het algemeen geloof vasthouden;
als iemand dit niet volledig en ongeschonden bewaart, zal hij ongetwijfeld voor eeuwig verloren gaan.
Het algemeen geloof nu is dit, dat wij de ene God in de Drieheid en de Drieheid in de Eenheid vereren,
zonder de Personen te vermengen of het wezen te delen.
Want de Persoon van de Vader en die van de Zoon en die van de Heilige Geest zijn van elkaar onderscheiden,
maar de Vader en de Zoon en de Heilige Geest hebben één goddelijkheid, gelijke heerlijkheid, dezelfde eeuwige majesteit.
Zoals de Vader is, zo is de Zoon, zo is ook de Heilige Geest.
Ongeschapen is de Vader, ongeschapen de Zoon, ongeschapen de Heilige Geest;
eeuwig is de Vader, eeuwig de Zoon, eeuwig de Heilige Geest.
En toch zijn Zij niet drie eeuwigen, maar één eeuwige;
zoals Zij niet drie ongeschapenen of drie onmetelijken zijn, maar één ongeschapene en één onmetelijke.
Evenzo is de Vader almachtig, de Zoon almachtig, de Heilige Geest almachtig;
en toch zijn Zij niet drie almachtigen, maar één almachtige.
zo is de Vader God, de Zoon God, de Heilige Geest God;
en toch zijn Zij niet drie Goden, maar één God.
Zo is de Vader Here, de Zoon Here, de Heilige Geest Here;
en toch zijn Zij niet drie Heren, maar één Here.
Want zoals de christelijke waarheid ons noodzaakt elke Persoon afzonderlijk als God en als Here te belijden, zo belet het algemeen geloof ons van drie Goden of Heren te spreken.
De Vader is door niemand gemaakt of geschapen of voortgebracht.
De Zoon is door de Vader alleen, niet gemaakt of geschapen, maar voortgebracht.
De Heilige Geest is door de Vader en de Zoon niet gemaakt of geschapen of voortgebracht, maar Hij gaat van hen uit.
Eén Vader dus, niet drie Vaders; één Zoon, niet drie Zonen; één Heilige Geest, niet drie Heilige Geesten.
En in deze Drieéenheid is geen sprake van eerder of later, noch van meer of minder, maar alle drie Personen zijn aan elkaar gelijk in eeuwigheid en in hoedanigheid.
Daarom moet, zoals reeds gezegd werd, in alle opzichten zowel de Eenheid in de Drieheid als de Drieheid in de Eenheid vereerd worden.
Wie dus behouden wil worden, moet wat betreft de Drieëenheid deze overtuiging hebben.
Maar het is voor zijn eeuwig behoud noodzakelijk dat hij ook de vleeswording van onze Here Jezus Christus oprecht gelooft.
Het ware geloof is nu, dat wij geloven en belijden, dat onze Here Jezus Christus, Gods Zoon, God en mens is.
God is Hij uit het wezen van de Vader, voortgebracht voor de tijden, en mens is Hij uit het wezen van zijn moeder, geboren in de tijd;
volkomen God en volkomen mens, met een menselijke ziel en een menselijk lichaam;
gelijk aan de Vader naar zijn goddelijke natuur, minder dan de Vader naar zijn menselijke natuur.
En hoewel Hij God en mens is, is Hij toch niet twee, maar één Christus.
Eén is Hij, echter niet doordat zijn goddelijke natuur in de menselijke veranderde, maar doordat Hij als God de menselijke natuur aannam.
Eén is Hij, volstrekt niet door vermenging van naturen, maar door eenheid van Persoon.
Want zoals ziel en lichaam één mens zijn, zo zijn God en mens één Christus.
Hij heeft geleden voor ons behoud, is neergedaald in de hel en op de derde dag opgestaan uit de doden.
Hij is opgevaren naar de hemel en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader; vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
Bij zijn komst zullen alle mensen opstaan met hun lichaam en zij zullen rekenschap afleggen van hun daden.
En zij die het goede gedaan hebben, zullen het eeuwige leven ingaan, maar zij die het kwade gedaan hebben, het eeuwige vuur.
Dit is het algemeen geloof. Wie dit niet oprecht en standvastig gelooft, zal niet behouden kunnen worden.

Apostolische Geloofsbelijdenis

Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van de hemel en de aarde.
En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, onze Here;
die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria;
die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, neergedaald in de hel;
op de derde dag opgestaan uit de doden;
opgevaren naar de hemel, en zit aan de rechterhand van God, de almachtige Vader;
vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de Heilige Geest.
Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk, de gemeenschap der heiligen;
vergeving van de zonden;
opstanding van het vlees;
en een eeuwig leven.      

Heer, wees mijn Gids 

                              

INFO: DE WEG - DE WAARHEIDHET LEVENFILM - AUDIO


Wie zoekt zal vinden           


www Holyhome.nl

Boeiende Series :

Bijbelvertalingen
Bijbel en Kunst
Bijbels Prentenboek
Biblische Bildern
Encyclopedie
E-books en Pdf
De Heilige Schrift
Aan de voeten van Jezus
Onder de Terebint
In de Wijngaard
De Bergrede
Gelijkenissen van Jezus
Oude Schoolplaten
De Zaligsprekingen van Jezus
Vakantie tijd
Recreatie tijd
Goede Vruchten
Geestesgaven
Tijd met Jezus
Film over Jezus
Barmhartigheid
Catechese lessen
Het Onze Vader
De Tien Geboden
De Bijbel is boeiend
Bijbelverhalen in beeld
Presentaties
Bijbelse Onderwerpen
Bible Study Tools (meertalig)
Vrede van God voor jou
Oude bijbel tegels
Kijk ook eens op:

Godsdienstles
Bijbelmobiel
Bijbel Movies Online Free
Christendom Startpagina
Zingeving Startpagina
Informatie over alle kerken in Nederland: Kerkzoeker
* Bible Study: The Bible alone!

* L'étude biblique: Rien que la Bible!

* Bibelstudium: Allein die Bibel!


Materiaal voor het Digibord
Werkbladen Bijbelverhalen
OT Hebreeuws-Engels
NT Grieks-Engels
Naslagwerken
Belijdenissen
Missale Romanum + Afbeeldingen
Stripboek over Jezus
Christelijke Symbolen
Plaatjes Afbeeldingen Clipart
Evangelie op Postzegels
Harmonium Huisorgel
Godsdiensten en Religies
Prachtige klanken
Chritian Country Music
* Software voor Bijbelstudie

Read and Hear the Holy Bible in over 40 languages:


De Statenvertaling is opgenomen in de canon van de Nederlandse geschiedenis. Het boek der boeken Een stempel gedrukt op de Nederlandse cultuur:


  Webmaster    Assistente



Waard om te weten :

Een hartelijk welkom op de site
Deze pagina printen
Sitemap
Wie zoekt zal vinden



Zondag
Advent
Kerstfeest
Driekoningen
Vastentijd
Goede Vrijdag
Aswoensdag
Palmzondag
Palmpasen
De stille week
Witte donderdag
Stille zaterdag
Paaswake
Pasen - Paasfeest
Hemelvaartsdag
Pinksteren
Biddag
Dankdag
Avondmaal
Doop
Belijdenis
Oudjaarsdag
Nieuwjaarsdag
Sint Maarten
Sint Nicolaas
Halloween
Hervormingsdag
Dodenherdenking
Bevrijdingsdag
Koninginnedag
Gebedsweek
Huwelijk
Begrafenis
Vakantie
Recreatie
Feest- en Gedenkdagen
Symbolen van herkenning

Vragen naar de weg
Leerzame antwoorden op levens- en geloofsvragen

Hebreeën 4:12 zegt: "Want levend en krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen en gedachten van het hart te ontleden"Lees eens: Het zwijgen van God

God heeft zoveel liefde voor de wereld, dat Hij Zijn enige Zoon heeft gegeven; zodat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft. Lees eens:  God's Liefde

Meer weten over de Psalmen, gezangen, liturgieën, belijdenisgeschriften: Catechismus, Dordtse Leerregels en veel andere informatie? . Kijk opOnline-bijbel.nl

Bible-people - stories of famous men and women in the Bible
Bible-archaeology - archaeological evidence and the Bible
Bible-art - paintings and artworks of Bible events
Bible-top ten - ways to hell, films, heroes, villains, murders....
Bible-architecture - houses, palaces, fortresses
Women in the Bible -
 great women of the Bible
The Life of Jesus Christ - story, paintings, maps


Read more for Study - (Apocrypha, Historic Works, Pseudepigrapha, Old Testament Apocrypha, New Testament Apocrypha, New Testament Discoveries, Commentary, New Testament Pseudepigrapha, Egyptian, Babylonian, Ugaritic, Dead Sea Scrolls (NL-uitleg over de rollen)

Bijbel voor Slechtzienden Online       en ook:  Begrippenlijst   -1-   -2-



Spirit24 omdat er meer is