holyhome
bijbelstudie 218

Waar is de Kerk eigenlijk ?
Er
zijn kerken genoeg in ons land. Een kerk is gauw genóeg
gevonden. Maar daarnaast is er nog één, en nog
één. Hoe kan dat? klopt dat wel met: één
kudde, één Herder? Als al die mensen in al die
verschillende kerken allemaal naar de stem van die éne Herder
luisteren, kan er toch maar één kerk zijn? Of heeft de
Herder verschillende stemmen?
Waar is de kerk vandaag? Waar roept Christus de schapen van Zijn kudde
bijeen om ze te leiden naar het eeuwige leven ? Waar verenigt Hij de
gelovigen tot Zijn lichaam, dat Hij voedt en koestert?
De Bijbel is je Gids
Als al Zijn schapen naar Zijn stem luisterden zou er inderdaad maar
één kerk zijn. Maar horen ze wel allemaal naar Zijn stem?
Een schaap kan afdwalen van de kudde om zijn eigen weg te gaan; een
onderherder van de grote Herder kan aan het dwalen raken. En dan
sukkelt de kudde die aan hem is toevertrouwd achter hem aan, Mee de
wildemis in, Het lijkt nog een kudde, veilig en netjes bij elkaar. Maar
straks raken ze met elkaar verloren,
Dat gebeurt, Ook in de Bijbel lees je hoe leiders van het volk van God
vaak een weg insloegen die van God af leidde. En dan het volk achteraf
(1Kon.12:25-30) meenamen. en priesters die het (Sam. 2:12-17) volk van
God Zijn wegen moesten leren, gingen soms voor, in wat God juist
verbood. Er zijn 'valse' profeten (Hos. 4: 6) geweest; mannen die
zeiden dat (Mal. 2 : 6-9) zij het Woord van God brachten, maar die in
werkelijkheid hun eigen (Jer. 27: 16) ideeën hadden. In de Bijbel
is sprake (Jer. 28 : 15) van mannen die herders zouden moeten zijn,
maar die bij tijden alleen bedacht waren op eigen eer en voordeel;
mannen die de kinderen van God geestelijk lieten verkommeren (Ez. 34:
1-6).
In de tijd toen Jézus op aarde was, moest Hij Zelf felle
aanklachten uitspreken (Matth. 23: 13ev tegen de toenmalige voorgangers
(Joh.10:12-23). Jezus waarschuwt hen: 'Wie (Luc. 11: 23) met Mij niet
is, die is tegen Mij en wie met Mij niet bijeenbrengt, die verstrooit.
Tegenover hen stelt Jezus Zichzelf als de goede Herder. Er zijn steeds
weer verleiders, mensen die de (2 Tim. 2:14-26) kudde op een dwaalspoor
brengen, (2 Tim. 3:1-13) door heel de geschiedenis van de (2 Tim.
2:14-26) kerk (2 Tim. 3:1-13) (Hand. 20: 28-31). De Bijbel vermaant de
mensen trouw te ziin aan hun (2 Tim. 3:14-17) opdracht en alleen het
Woord van God te verkondigen. Daarnaast zegt de Bijbelook tegen de
schapen, de (Hebr. 13 : 9) ge1ovigen, dat zij waakzaam moeten (1 Joh. 4
: 1) ziin en moeten onderzoeken of hun (2 Joh. 1 : 10) herders
werkelijk trouw zijn.
Echte schapen laten zich willoos meevoeren. Maar de schapen van de
kudde van de grote Herder hoeven zich niet willoos te laten meenemen.
Die schapen zijn in staat om aan de hand van de Bijbel onderscheid te
maken tussen waarheid en leugen; zijn in staat om zich los te maken van
verkeerde leiding van hun herders (Openb. 18: 4). Dat moeten ze zelfs.
De Bijbel is daarbij hun gids.
Zoeken naar De Kerk
Waar let je maar al te vaak op? Op de mensen van de kerk. Op hun
karakter of op hun gedrag. Je let op het aantal mensen dat naar een
bepaalde kerk gaat, of op het aanzien van de theologen. Of je denkt bij
jezelf: als mensen van een kerk zo slecht of onmenselijk kunnen zijn,
deugt die kerk dan wel?
Als je op zo'n manier naar een kerk zoekt is dat een heel gevaarlijk
zoeken. Want in een kerk waar de herders de kudde doen dwalen kunnen
toch veel mensen zijn, fijne mensen. In een kerk waar het Woord van God
trouw wordt verkondigd kun je afknappen op onaardige en ongenietbare
mensen. Je zult door al dat menselijke heen moeten kijken. Om dat te
zien, waarop het aankomt. En als je dat dan ziet, is het ook weer niet
zo moeilijk de goede keuze te maken. Je kunt zelfs zeggen dat het heel
gemakkelijk is om te onderscheiden of een kerk 'vals' is of 'waar', dat
wil zeggen of een kerk terecht of tenonrechte 'kerk' heet. Maar dan
moet je niet naar de personen in die kerk kijken.
Als het gaat over het onderscheid tussen 'waar en vals' moet je alleen
letten op wat de kerk via de dienst van de onderherders, de
voorgangers, gééft aan de mensen in die kerk. De vraag
is: kun je in die kerk werkelijk de stem van Jezus horen, is er de
échte herderlijke zorg? I
Hoe is Dé Kerk te herkennen?
De kerk waarin het Woord van God in trouw wordt verkondigd is te
herkennen aan de juiste manier waarop dat Woord wordt gepredikt. Die
prediking moet zuiver zijn, eerlijk het Woord van God uitleggen naar
zijn eigen inhoud en zijn eigen samenhang. Predikanten en ouderlingen
in die kerk mogen niet zeggen: dit vind Ik ervan. Ze moeten eerlijk
kunnen zeggen: dit vindt God ervan, zó staat .het in Zijn Woord.
Lees daar maar .en daar; verbind maar het één met het
ander. Als predikers dat niet meer in alle oprechtheid kunnen zeggen,
of het niet meer willen, dan brengen zij als herders niet meer, samen
met Christus, de kudde bijeen. Dan is de kerk geen veilige plaats meer
voor de schapen. En vooral ;~ niet meer voor de lammeren in de kudde,
de kinderen. Want die lammeren zijn nog niet in staat om zelf
onderscheid te maken. Daarom moeten vooral zij de zuivere stem van de
Herder horen.
Naast het gepredikte Woord heeft Christus ook zichtbare hulpmiddelen
als ondersteuning van het persoonlijk geloof gegeven. Die worden in de
kerk aangeduid met het woord 'sacramenten'. De kerk is ook daaraan te
herkennen: de sacramenten moeten er op de goede manier gebruikt worden.
Jezus heeft twee hulpmiddelen aan zijn volgelingen gegeven: de Doop en
het Avondmaal. Het is belangrijk te weten wanneer Jezus de sacramenten
heeft ingesteld.
(Matth, 26:26v) In de nacht waarin Hij verraden (1 Cor. 10) werd door
Judas, vierde Jezus laatste Pascha samen met Zijn discipelen. Het
Pascha werd op bevel van God ieder jaar gevierd op de herdenkingsdag
van de bevrijding van Egypte. Tijdens die maaltijd werd een lam
gegeten, dat een symbool was van het paaslam dat de Israëlieten
(Ex. 12: 1-16) ten redde van de dood. Maar nu zal Jezus Zichzelf gaan
offeren als het ware Paaslam, aan het kruis.
Daarom (1 Cor. 5 : 7) gaat Hij aan het einde van de maaltijd met Zijn
discipelen iets heel nieuws en wonderlijks doen. Hij neemt een stuk
brood, breekt dat, geeft elk van Zijn discipelen een stuk en zegt dan:
'Neemt, eet, dit is Mijn lichaam, doet dit tot Mijn gedachtenis'
.Daarna laat Hij een beker wijn rondgaan, terwijl Hij zegt: 'Deze beker
is het nieuwe verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die
drinkt, tot Mijn gedachtenis'. Paulus zal aan die woorden ter
verduidelijking later toevoegen: 'Want zo dikwijls gij dit brood eet en
de beker drinkt verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt' .
Het Avondmaal is een herinnerings- maaltijd. Het betekent een denken
aan en het is een teken van het lijden en sterven van Jezus. Brood en
wijn zijn daarbij de tekenen die ons laten zien, wat het evangelie ons
laat horen. Het gebroken brood: teken van het gekruisigde lichaam van
Christus; de wijn: teken van Zijn vergoten bloed. Het Avondmaal
betekent ook nog meer dan een herinnering. Het is niet alleen een
teken, het is óók een garantie: wie gelovig het brood eet
en de wijn drinkt, is daardoor zeker van de vergeving van zijn zonden,
omdat Jezus daarvoor geleden heeft en gestorven is. Je weet zeker, dat
je brood eet en wijn drinkt. Zo zeker weet je ook, dat Jezus voor jouw
zonden gestorven is. Het Avondmaal versterkt je geloof.
De Doop is door Jezus ingesteld vlak (Matth. 28 :9) voordat Hij naar de
hemel ging. Ook dit sacrament is een teken én een zegel, een
garantie. Als het ware een illustratie bij het evangelie. Want kijk
maar. Het water waarmee gedoopt wordt beeldt het bloed van Jezus uit.
het water was je je schoon, lichamelljk. Zo wast het bloed van Jezus je
geestelijk schoon van de zonde. Een teken. En ook een zegel, garantie:
Je weet zeker, dat water het vuil van je lichaam wegwast. Zo zeker als
je dat weet, zo zeker mag je er ook van zijn, dat het bloed van
Christus, zijn offer aan het kruis, je zonden wegwast. Als je de
betekenis van de Doop gelovig aanvaardt.
Het Avondmaal is in het Nieuwe Testament gekomen in plaats van het
Pascha; de Doop kwam toen in de plaats van de besnijdenis. In het Oude
Testament was de besnijdenis het teken van het verbond dat God met
Abraham gesloten had. De Doop is een teken en een zegel van het verbond
van God met de gelovi- gen en hun kinderen. De Doop is de garantie voor
de gelovigen, dat ze ingelijfd zijn in het lichaam van Christus, de
kerk. In de kerk van Christus worden de sacramenten die Hij heeft
ingesteld zo gebruikt als Hij ze ingesteld heeft: een kenmerk van de
kerk is dus, dat daar de sacramenten op de juiste manier bediend
worden. Avondmaal en Doop: twee sacramenten die de gelovigen zekerheid
geven. Waar de gelovigen ook genoeg aan moeten hebben.
Méér heeft Jezus er niet ingesteld.
Er is nog een derde en laatste kenmerk waaraan je kunt zien of in de
kerk de stem van de goede Herder gehoord kan worden. Dat is de zorg
voor de schapen die dreigen af te dwalen. Dat heet de 'kerkelijke
tucht' .Dat klinkt je misschien niet zo vriendelijk in de oren. Maar
die schijn bedriegt. Kerkelijke tucht betekent zoveel als proberen
iemand die een ongeluk dreigt te krijgen tijdig tegen te houden. En wat
is er natuurlijker dan dat? Jezus zelf heeft Zijn onderherders geboden
tucht te oefenen. Vanzelfsprekend. Want Hij is de goede Herder. En de
goede Her- der wil niet dat Zijn schapen afdwalen zonder te worden
teruggeroepen. Ook al vindt het schaap zelf dat misschien helemaal niet
zo leuk, toch zal de onderherder moeten proberen het terug te halen.
Met ernstige vermaningen en dringende waarschuwingen. Zelfs al zou een
schaap zo dwars liggen, dat het van de kudde zou moeten worden
afgesneden, blijft het doel daarvan: tot inkeer brengen.
De goede Herder heeft Zijn schapen oneindig lief. Daarvan kun je in de
Matth 18:12vv lezen. De goede Herder weet het ook beter dan Zijn
schapen: Hij weet wat goed voor ze is, waar het gevaar dreigt. Hij kent
de weg. Wil Zijn kudde behouden. Wat kun je dan beter doen, dat je te
laten leiden. Door Hem.
Vertel het aan de kinderen - JEZUS IS DE GOEDE HERDER
Jezus vertelde eens een heel mooi verhaal. Daarmee wilde hij de mensen iets leren, luister maar.
Er was eens een Herder van een grote kudde schapen, wel honderd. De
schapen en de lammetjes woonden in een stal en de Herder zorgde voor
Zijn schaapjes. Hij kende alle schapen bij naam en de schapen kende de
Herder, ze luisterde graag naar Hem. 's Nachts sliepen de schapen
veilig in de stal en als het morgen geworden was kwam de Herder, opende
de deur van de stal en dan mochten alle schapen naar buiten. De Herder
riep ieder schaapje bij z'n naam en zo gingen ze allemaal op weg. De
Herder ging voorop, Hij wist de weg. Hij wist ook alle mooie plekjes te
vinden waar heerlijk sappig gras groeide en lekkere kruiden, waar de
schapen zo van hielden. Hij leidde hen langs mooie kronkelende beekjes
met helder fris water, zodat de schapen daaruit konden drinken. Als de
schaapjes zich pijn deden, dan riep de Herder het schaapje en zei: "Kom
maar bij Mij, ik zal je helpen". Hij deed olie op de wond om het te
verzorgen, zodat het schaapje niet zo'n pijn meer had.
De Herder hield heel veel van Zijn schapen. Als de schaapjes maar bij
de Herder bleven, dan waren ze nooit alleen en kregen ze alles wat ze
nodig hadden.. De Herder zorgde niet alleen voor hun eten en drinken,
maar Hij zorgde er ook voor, dat de schaapjes veilig waren. Als er
wilde dieren kwamen, die de schapen kwaad wilden doen, dan pakte de
Herder zijn knots en jaagde het wilde dier weg. Dat was wel gevaarlijk,
maar dat vond de Herder niet erg. Hij had alles over voor zijn schapen,
zelfs Zijn leven.
Als het avond geworden was en de schapen hun buikjes vol hadden
gegeten, bracht de Herder de schapen weer terug naar de stal. Daar
konden ze heerlijk uit rusten van de lange vermoeiende dag. De Herder
ging zelf bij de poort van de stal staan en telde ieder schaapje dat
binnenkwam. En als er één schaapje ontbrak, dan ging Hij
dat schaapje zoeken. Al was de Herder nog zo moe, toch ging Hij weer
terug de lange weg en Hij riep telkens weer de naam van het schaapje.
Hij bleef maar roepen en wachten of Hij misschien het geblaat van het
schaapje hoorde en Hij rustte niet eerder, voordat Hij het schaapje had
gevonden. En als Hij het schaapje had gevonden, nam Hij het schaapje
heel voorzichtig in Zijn armen en bracht het terug naar de stal. Daar
verzorgde Hij het schaapje, verbond het gebroken pootje van het
schaapje, deed olie op de wonden van het schaapje en legde het dicht
bij Hem in het warme stro. Hij vertelde het schaapje dat Hij zoveel van
Hem hield en was helemaal niet boos hem.
De Herder was zo blij en gelukkig dat Hij het schaapje weer had
gevonden. Hij riep z'n buren en vrienden en vertelde hen waarom Hij zo
blij was. Hij vertelde van het schaapje dat verdwaald was en dat Hij
het weer teruggevonden had. Ja, dit was een goede Herder.
Weet je wie de Goede Herder is? Dat is Jezus. En weet je wie de
schaapjes zijn? Dat ben jij en alle mensen en kinderen van de hele
wereld. Jezus houdt heel veel van jou. Hij wil heel graag voor jou
zorgen, je mag Zijn schaapje zijn. Als je ongehoorzaam bent en wegloopt
van de Here Jezus, dan wordt Hij verdrietig. Hij zoekt dan net zo lang
totdat Hij je heeft gevonden. Bij Hem ben je veilig, net zo veilig als
een schaapje in de armen van de goede Herder. Want Jezus IS de Goede
Herder, blijf maar dicht bij Hem, daar is het goed.
|