Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

JEZUS MET
EEN KIND
Jezus zei: Laat de kinderen tot Mij komen,
verhindert ze niet; want voor zodanigen
is het Koninkrijk Gods.
Marcus 10: 14
Enkele moeders brachten hun
kinderen bij Jezus. Zij wilden graag dat Hij ze zou aanraken, maar de
discipelen traden daartegen op.
Jezus zag het en nam hun dat kwalijk. "Laat die kinderen toch bij Mij
komen", zei Hij. "Houd ze niet tegen, want juist voor kinderen is het
Koninkrijk van God. Het is zelfs zo dat wie niet als een kind in het
Koninkrijk van God gelooft, er nooit kan komen." Hij nam de kinderen in
Zijn armen, legde Zijn handen op hun hoofd en zegende hen.
Kinderen
komen ook in de Bijbel voor
Je denkt misschien dat de Bijbel een boek is voor grote en oude mensen.
Niets is minder waar. Kinderen nemen in de Bijbel een belangrijke
plaats in. Om met het belangrijkste te beginnen. De belangrijkste
persoon uit de Bijbel, Jezus, is geboren net als iedereen als een
kleine baby. Hij groeide op als jij en ik. Hij speelde en leerde en
ging naar de tempel met Jozef en Maria. Jezus had een grote plaats voor
kinderen in Zijn hart. Vaak stelde Hij ze als voorbeeld voor grote
mensen. Tijdens zijn leven op aarde deed Jezus veel wonderen. Hij genas
bijvoorbeeld veel zieken. Heel veel van hen waren kinderen. In de
Bijbel staan ook prachtige verhalen waaruit Zijn grote liefde voor
kinderen sprak. Eén ervan kun je op deze pagina lezen: de
kinderzegening.
In het Oude Testament was ook een belangrijke plaats voor kinderen. De
grote profeet Samuël die gedurende vele jaren het volk
Israël leidde, kwam al als klein ventje in de Tabernakel. Hij
werd daar op heel jonge leeftijd door God zelf aangewezen om Zijn
profeet te zijn en Zijn volk te leiden.
Koning David werd als jongste knaap van het gezin gekozen om koning te
worden.
Abraham en Sarah kenden een groot verdriet in hun leven. Zij kregen
namelijk geen kinderen. Dat was het ergste wat je kon overkomen. Door
een wonder gaf God hen een zoon Izaak.
Trouwens, de de kinderen werden van baby af aan al opgenomen in het
verbond tussen God en Israël. De afspraak:"Ik heb jullie lief,
Ik zal jullie zegenen. Heb Mij lief en gehoorzaam Mij", gold ook al
voor de kleinsten van het volk. Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te
noemen. De Bijbel een boek alleen voor volwassenen en oude mensen? Nee
dus!
Kinderen
horen erbij
De eerste gedachte die duidelijk in de
bijbel naar voren komt is: de kinderen horen er helemaal bij. Op
meerdere plaatsen zie je dat kinderen delen in de belofte van het heil
in de lijn van de generaties. Dat gegeven is belangrijk voor de
bezinning op de plaats van het kind in de gemeente. De Bijbel laat op
een aantal plaatsen duidelijk zien dat kinderen delen in dat verbond en
in de belofte van het heil.
In Genesis 17: 7 staat: “Ik sluit een verbond met jou en met
je nakomelingen, met alle komende generaties, een eeuwigdurend verbond:
ik zal jouw God zijn en die van je nakomelingen.”
God sluit zijn verbond met Abraham en zijn nakomelingen. Het verbond is
gesloten met volwassenen én kinderen.
Dit wordt bevestigd door Petrus in Handelingen 2:39: ‘want
voor u geldt deze belofte, evenals voor uw kinderen en voor allen die
ver weg zijn en die de Heer, onze God, tot zich zal roepen.’
Kinderen delen dus in de belofte van het verbond. De bijbel laat
hiervan ook een mooi voorbeeld zien als de gevangenbewaarder van
Filippi tot geloof komt. Dit wordt beschreven in Handelingen 16:33:
“Meteen daarna werden hij en zijn huisgenoten
gedoopt”.
Als we kijken naar de plaats van kinderen kunnen we ook het beeld van
het lichaam gebruiken. We lezen 1 Korintiërs 12: 18-25:
“God heeft nu eenmaal alle lichaamsdelen hun eigen plaats
gegeven, precies zoals hij dat wilde. 19 Als ze met elkaar slechts
één lichaamsdeel zouden vormen, zou dat dan een
lichaam zijn? 20 Het is juist zo dat er een groot aantal delen is en
dat die met elkaar één lichaam vormen. 21 Het oog
kan niet tegen de hand zeggen: ‘Ik heb je niet
nodig,’ en het hoofd kan dat evenmin tegen de voeten zeggen.
22 Integendeel, juist die delen van het lichaam die het zwakst lijken
zijn het meest noodzakelijk. 23 De delen van ons lichaam waarvoor we
ons schamen en die we liever bedekken, behandelen we zorgvuldiger en
met meer respect 24 dan die waarvoor we ons niet schamen. Die hebben
dat niet nodig.
God heeft ons lichaam zo samengesteld dat de delen die het nodig hebben
ook zorgvuldiger behandeld worden, 25 zodat het lichaam niet zijn
samenhang verliest, maar alle delen elkaar met dezelfde zorg
omringen.” Wij betrekken dit beeld vaak op de verscheidenheid
aan gaven in de gemeente. Maar het beeld zegt natuurlijk ook dat alle
leden van de gemeente een eigen volwaardige plek hebben. En daar horen
de kinderen dus ook bij. Er staat zelfs: juist die delen van het
lichaam die het zwakst lijken zijn het meest noodzakelijk…
zou je dat kunnen toepassen op de kinderen?
Kinderen
hebben hun eigen plek
De tweede gedachte die in de bijbel naar
voren komt is: de kinderen hebben hun eigen plek. We lezen Jozua
4:20-22: “Jozua richtte daar de twaalf stenen op die ze uit
de Jordaan hadden meegenomen. 21 Hij zei tegen de Israëlieten:
‘Wanneer uw kinderen later vragen wat deze stenen betekenen,
22 dan moet u hun het volgende vertellen:” 12 stenen uit de
Jordaan worden opgericht als gedenkstenen. Dit moet gedaan worden met
het oog op de kinderen. Zij zullen dit zichtbare teken zien, zodat ze
vragen gaan stellen. En welke ouder laat een vragend kind staan?
Kinderen krijgen een eigen aanpak voor
‘geloofsoverdracht’.
We kennen allemaal het gedeelte van Marcus 10:13-16. “De
mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten
aanraken, maar de leerlingen berispten hen. 14 Toen Jezus dat zag, wond
hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me
komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan
wie is zoals zij. 15 Ik verzeker jullie: wie niet als een kind
openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet
binnengaan.’ 16 Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende
hen door hun de handen op te leggen.” In dit
gedeelte vallen 2 dingen op. Jezus neemt de kinderen in zijn armen. De
meest veilige plek. Kinderen hebben het nodig om zich geborgen te
weten. Jezus geeft ze dat. Dat is een goed voorbeeld voor ons.
Daarnaast wordt een kind ten voorbeeld gesteld: Jezus doet een oproep:
Grote mensen: wordt als een kind!
Dan als laatste nog een tekst wat goed past net na Pasen. Johannes
21:15-17: “Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus
aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de
anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet
dat ik van u houd.’ Hij zei: ‘Weid mijn
lammeren.’ 16 Nog eens vroeg hij: ‘Simon, zoon van
Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja,
Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus zei: ‘Hoed
mijn schapen,’ 17 en voor de derde maal vroeg hij hem:
‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus
werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem
hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u
houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn
schapen” Jezus zegt eerst tegen Petrus:
“weid mijn lammeren”, daarna zegt Jezus:
“hoed mijn schapen”. De jongste leden van de kudde
worden het eerste genoemd. Kinderen krijgen de eerste plek. Opvallend
is dat ze als lam genoemd worden; de lammetjes mogen lammetje zijn:
geen klein schaapje, geen volwassene in zakformaat, maar lam: dartel,
speels en jong.
Jezus
echter vond de kinderen belangrijk genoeg om te zegenen en als
voorbeeld stellen
Luc.9
:46
Jezus,die wist wat zij in hun hart dachten, nam een kind bij de
hand en liet het naast zich staan ‘Wie in mijn naam een kind
gastvrij ontvangt,
ontvangt mij en wie mij ontvangt, ontvangt Hem die Mij gezonden heeft.
Want
de kleinste van jullie allemaal die is het grootst.’
Luc.18:17
Wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt
als een kind, zal het
voorzeker niet binnengaan.
Matt.18:
3-5
Voorwaar ik zeg U, wanneer gij u niet bekeert en wordt als de
kinderen zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan.
Wie
nu zichzelf gering zal achten als een kind, die is het grootste in het
Koninkrijk
der hemelen. En een ieder, die zulk een kind ontvangt in mijn naam,
ontvangt
Mij
· laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet; want
voor zodanigen is
het Koninkrijk Gods
Een
verhaal over de kinderzegening van Jezus:
"Heb je 't al gehoord? Jezus is in onze stad."
Het nieuws dat Hij er is verspreidt zich als een lopend vuurtje. Jezus,
van Hem heeft iedereen in Israël wel gehoord. Vriend en vijand
kennen Hem. Ze weten van Zijn wijze lessen, zijn verhalen die Hij
steeds vertelt om de mensen te leren hoe ze gelukkig kunnen leven.
Velen houden van Hem en volgen Hem op de voet. Of ze volgen uit
nieuwsgierigheid, want als Hij in de buurt is, gebeurt er altijd wel
iets.
Mensen die doof waren laat Hij weer horen. Verlamde mensen gingen weer
lopend weg. Ja, zelfs doden heeft Hij opgewekt: een jongen uit
Naïn en een 12-jarig meisje uit Kapernaüm. Nu begrijp
je wel waarom die roep "Jezus is in de stad" veel mensen op de been
brengt. Ook de moeders in het stadje horen het. Hun kinderen komen met
het bericht thuis.
De moeders denken:"Dit is de kans, zo'n mogelijkheid krijgen we
misschien nooit meer." Wat willen ze dan? De moeders weten van de
liefde van Jezus voor alle mensen: oude, zieke, slechte, en arme
mensen, maar vooral voor kinderen heeft Hij een grote plaats in Zijn
hart. Als Jezus hun kinderen zou zegenen en aaraken... Dat zou het
beste zijn wat hen zou kunnen overkomen. Dan zouden hun kinderen
gelukkig zijn.
Binnen de kortste keren komt er een verzameling moeders naar Jezus toe
en met hen een heleboel kinderen: kleuters, grote jongens en meisjes.
Ook dragen ze baby's op de arm. "We gaan naar Jezus toe", hebben ze hun
kinderen verteld. Hij zal jullie aanraken en zegenen, Kom!"
Te midden van een groepje mensen zien ze Hem al. De kinderen lopen al
vooruit, huppelen Hem tegemoet. Maar dan opeens! Boze stemmen... "Wat
zijn jullie van plan? Wat moet dat met al die kinderen hier?" En als de
moeders willen uitleggen wat de reden is van hun bezoek, worden ze boos
in de rede gevallen.
"Ga maar gerust terug, want voor kinderen heeft de Heer vast geen tijd.
Je ziet toch dat Hij al in gesprek is!" Wie zijn dat, die mannen die zo
onvriendelijk doen? Je zal het niet geloven. Het zijn
leerlingen (discipelen) van Jezus. De 12 mannen die door Hem
zijn uitgekozen om met Hem mee te gaan en als het ware bij Hem op
school te komen. Je zou haast zeggen dat ze dan maar bitter weinig van
Jezus geleerd hebben!
De moeders zijn teleurgesteld en de gezichten van de kinderen staan
beteuterd. Maar, dan horen ze een stem zeggen:"Maar mannen, wat doen
jullie nou toch? Laat de kinderen bij Mij komen, want juist voor hen is
Mijn Koninkrijk, het Koninkrijk der Hemelen. Wie niet gelooft zo
eenvoudig als een kind zal Mijn Rijk niet binnen kunnen gaan. Komen
jullie maar hoor!"
Blij rennen de kinderen naar Jezus toe en Hij vangt ze op in Zijn
armen. Eén voor één raakt Hij ze aan,
neemt de kleintjes op schoot. Hij lacht en praat met ze. De moeders
kijken met blijde ogen toe. De leerlingen van Jezus staan op een
afstandje beschaamd toe te kijken. Wat moeten ze nog veel leren! En de
kinderen weten en voelen het: Deze Heer Jezus houdt van ons!
In de 'echte' Bijbel staat bovenstaand verhaal geschreven in
Matteüs 19 vers 13 t/m 15.
Vaak schrijft men dit als volgt: Matteüs 19: 13-15.
Hoe zoek je dit op in de Bijbel?
Allereerst zoek je in het Nieuwe Testament het eerste boek
Matteüs op. Dan zoek je hoofdstuk 19 op en als je dat hebt
volg je de nummers waarmee dat hoofdstuk is onderverdeeld. Je zoekt dan
13 op en daar begint het stukje dat gaat over de kinderzegening. Het
gaat door t/m vers 15.
De
Bijbel over kinderen
Kinderen nemen in de Bijbel een grote plaats in. Sla eens een
concordantie op en kijk hoe vaak het woord 'kind' in de
Bijbel voorkomt. Kinderen zijn belangrijk voor God. Kinderen worden in
de Bijbel gekoesterd, bemind en gerespecteerd,
maar niet geïdealiseerd. Zo kun je de plek van het kind in de
Bijbel - denk ik - kort weergeven.
Kinderzegen
In het Nederlands kunnen wre het kind met allerlei verschillende
woorden aanduiden, afhankelijk van de leeftijd (baby,
peuter, kleuter, puber enz.). In het Hebreeuws van het Oude Testament
is dat niet anders: een bewijs van de grote
belangstelling die de Bijbel voor het kind heeft.
Die belangstelling is niet alleen te verklaren uit de cultuur van die
tijd, maar heeft te maken met God zelf: kinderen zijn zijn
zegen. Als God aan het begin tegen de mens en z'n vrouw zegt: 'Weest
vruchtbaar en wordt talrijk’, roept Hij zelf als het
ware al een welkom toe aan alle kinderen die op de aarde zullen komen:
er is alle ruimte voor hen in Gods wereld (Gen.
1:28). Gods belangrijkste beloften in de Bijbel gaan over het krijgen
van kinderen: bij Abraham, bij Isaak, bij Zacharias en
Elisabet, bij Maria. Aan Israël belooft Hij de 'vrucht van de
schoot' als een van de belangrijkste zegeningen die ze zullen
ontvangen als ze zijn geboden onderhouden (Deut. 28; Ps. 128).
Kinderloosheid
Kinderloosheid is in de Bijbel iets heel ergs. De onvruchtbaarheid van
Sara kenmerkt heel het leven in Abrahams tenten.
Rebekka's onvruchtbaarheid is een zaak van gebed voor Isaak Tussen de
twee zussen Rachel en Lea ontstaat een enorme
jaloezie en rivaliteit: 'Geef mij kinderen; zo niet, dan sterf ik',
zegt Rachel tegen Jakob (Gen. 30: l). De Bijbel tekent het
verdriet van de kinderloze Hanna, juist ook onder de vernedering van
haar kinderrijke 'mededingster' Perninna: Hanna kan
geen hap meer door haar keel krijgen en huilt zich leeg bij God (1 Sam.
l). Mensen vechten met elkaar en met God om
kinderen.
Een
beloning voor hun ouders
'Kinderen zijn een geschenk van de Heer: met hen beloont Hij de ouders'
(Ps. 127:3, Groot Nieuws). Die beloning gaat
zelfs door tot de grootouders: 'Kleinkinderen zijn voor de grootouders
de kroon op hun leven' (Spr. 17:6, GN). Ook al
leefde Israël veel meer in familieverband dan wij, het laatste
is voor ons heel herkenbaar: opa en oma die trots zijn op hun
kleinkinderen.
Hoewel kinderen er niet zijn om voor hun ouders te zorgen, maar ouders
voor hun kinderen (2 Kor. 12:14), toch ben je
gezegend als God je kinderen geeft: zij kunnen jouw bedrijf
voortzetten, ze staan om je heen en komen voor je op in
moeilijke dagen (Ps. 127).
Het
kind als kind
Het kind mag in de Bijbel kind zijn. jakob vraagt Esau begrip voor het
feit dat kinderen nou één keer niet zo snel kunnen
lopen als volwassenen: 'Mijn heer weet dat de kinderen teer zijn' (Gen.
33:13 14). En Mozes herinnert de Israëlieten eraan,
hoe de Here hen tijdens de jaren in de woestijn heeft gedragen zoals
een man z'n kind draagt (Deut. 1:31): de extra
behoedzaamheid van een vader voor z'n kind dat nog niet zo groot en
sterk is als hij. 'Zoals een vader zich ontfermt over
z'n kinderen' (Ps. 103:13): God zelf weet van de extra aandacht en zorg
die een kind nodig heeft, omdat het zichzelf nog
niet kan redden. Zoals Hij ook onderscheid maakt tussen de
verantwoordelijkheid van ouders en van kinderen en daarin
de kinderen ontziet, omdat het 'nog maar' kinderen zijn: 'Immers, gij
kent thans - want dit geldt niet voor uw kinderen, die
de tuchtiging van de Here, uw God, niet kennen en niet gezien hebben -
zijn grootheid, zijn sterke hand en zijn uitgestrekte
arm...' (Deut. 11:2).
Eeuwen laten volgt de apostel Paulus zijn God in dat spoor: 'wij
gedroegen ons in uw midden vriendelijk, zoals een moeder
haar eigen kinderen koestert' (1 Tess. 2:7,1l). Het kind wordt in de
Bijbel gekend en gekoesterd als kind.
U en uw
kinderen
Het kind mag kind zijn, maar de kinderen horen er voor God al wel
helemaal bij. Hij zelf is het die de kinderen voortdurend
in de aandacht brengt. Hoe vaak klinkt niet het 'u en uw kinderen' in
het Oude Testament! In de tien geboden spreekt God
de vaders aan op hun verantwoordelijkheid voor hun kinderen: 'die de
ongerechtigheid van de vaders bezoek aan de
kinderen' (Ex. 20:5) en Mozes bindt de Israëlieten op het hart
de geboden van de Here te onderhouden, 'opdat het u en
uw kinderen welga' (Deut. 4:40). Kinderen zijn 'nog maar' kinderen,
maar God is zuinig op ze en Hij wil dat de ouders
zuinig op ze zijn. Het is heel bepalend geweest voor de geschiedenis
van Israël: de kinderen die wel het land Kanaän in
zouden gaan, terwijl de ouders stierven in de woestijn.
En lees eens het verhaal over de zieke zoon van koning Jerobeam. Van
diens familie zal alleen dit kind een eervolle
begrafenis krijgen, want in heel dat ongelovige huis heeft de Here
alleen in die jongen iets goeds gevonden (1 Kon. 14).
Een kind, waarmee God Zich verbonden voelt, geïsoleerd tussen
volwassenen die hun eigen religie hebben.
Correctie
nodig
Kinderen worden in de Bijbel gekoesterd, bemind en gerespecteerd, maar
nergens geïdealiseerd. Juist omdat het nog
kinderen zijn, moeten ze opgevoed worden en onderwijs krijgen. Vader en
moeder moeten vertellen: over de speciale
Paschamaaltijd (Ex. 12), over de stenen bij de Jordaan (Joz. 4), over
de wetten en voorschriften die de Here gegeven heeft
(Deut. 6). Kinderen hebben correctie nodig en het is dwaas om je kind
geen straf te willen geven (Spr. 23:13 14). 'Wie
terugdeinst voor straffen, houdt niet van z'n kind, maar wie het
liefheeft, straft het, al is het jong' (Spr. 13:24, GN). Al
moetje als ouders daarbij wel de proporties in het oog houden (Spr.
19:18). Je kunt je kinderen ook zo hard aanpakken
dat het averechts werkt (Ef. 6:4; Kol. 3:21).
Kinderen zijn een beloning van God, maar kinderen die niet de goeie weg
gaan, zijn voor hun ouders een bron van ellende
(Spr. 19: 13). 'Een wijze zoon is zijn ouders een vreugde, een dwaze
zoon bezorgt ze verdriet' (Spr. 10:1, GN).
Uit de
mond van kinderen
Kinderen horen er niet alleen al helemaal bij, ze doen ook al helemaal
mee. 'Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt
Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en
wraakgierige te doen verstommen' (Ps. 8:3). Nou was je
in Israël wel wat langer 'zuigeling' dan tegenwoordig: ook een
kind van drie jaar kon zo nog genoemd worden. Maar het
gaat toch om hele jonge kinderen. Dat wil niet zeggen dat het speciaal
de kleintjes zijn die God inschakelt, in tegenstelling
tot de groten: de hele schepping is ervoor om God groot te maken. Maar
in die hele schepping van Hem doen zelfs de
kleinsten mee. Zelfs met hun kinderlijke uitingen brengt God vijanden
tot zwijgen.
Dat zit hem niet in die kinderen. Nogmaals: de Bijbel romantiseert of
idealiseert nergens het kind, alsof kinderen een
speciaal gevoel voor God zouden hebben of speciaal geschikt voor Hem
zouden zijn. Het zit hem in God zelf, die zelfs de
kleinsten gebruiken kan en gebruiken wil voor zijn werk in de wereld.
Bij kinderen leert Hij ons de les dat Hij wel mensen
inschakelt, maar niet omdat Hij van ons afhankelijk is. Ook
kinderversjes en kindergebedjes kan Hij gebruiken als wapens
in zijn strijd.
Kinderzang
voor Jezus
Eeuwen later lopen kinderen in de tempel om Jezus heen en roepen:
'Hosanna, de zoon van David!' Overpriesters en
schriftgeleerden ergeren zich daaraan, maar dan wijst Jezus ze op die
tekst uit Psalm 8: 'Hebben jullie nooit gelezen: Uit de
mond van kleine kinderen en zuigelingen hebt U lof bereid?' (Mat. 21:15
16). De Joden wisten wel waar dat stond en hoe
die Psalm verder ging: 'om vijand en wraakgierige te doen verstommen.'
Als vijanden proberen zijn Zoon onderuit te halen,
schakelt God kinderliedjes en kinderspel in om Hem juist te eren.
Daarom moeten Jezus' leerlingen zichzelf ook niet te belangrijk vinden
om zelfs de kleinsten aandacht te geven: 'Wie één
van zulke kinderen ontvangt, ontvangt Mij' (Mar. 9:37).
Worden
als de kinderen
Voor Jezus horen de kinderen er helemaal bij: 'Laat de kinderen bij Me
komen en houdt ze niet tegen' (Luc. 18:16, GN).
Hij legt zijn handen op ze, want bij Hem tellen niet alleen mensen die
iets te brengen hebben. Hij zoekt juist mensen die hun
handen open houden om te ontvangen. 'Wie het koninkrijk niet ontvangt
als een kind, zal het voorzeker niet binnengaan'
(Luc. 18:17).
De uitspraken van Jezus over kinderen zijn vaak misbruikt. 'Als u zich
niet bekeert en wordt als de kinderen...' (Mat. 18:3):
daarmee bedoelt Jezus niet een soort kinderlijk eenvoudig geloof dat
het dieper nadenken over Gods woorden en werken
uit de weg gaat. Paulus zal in z'n brieven juist oproepen tot
volwassenheid: 'Toen ik een kind was, sprak ik als een kind,
voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben
geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was' (1 Kor.
13:1 l).
We moeten geen kinderen blijven, maar als de kinderen worden. Daarmee
bedoelt Jezus dat wij ons moeten laten roepen
door God. Zoals dat kind kwam, toen Jezus riep en in het algemeen
kinderen (als het goed is) komen als ze door hun
ouders worden geroepen, zo is het voor ons nodig dat wij ons laten
roepen door God. Wij komen niet op eigen benen
Gods koninkrijk in, maar kunnen alleen binnenkomen als we in alle
bescheidenheid ons er door Jezus laten brengen. Jezus
vraagt om kinderlijke bescheidenheid: 'Wie nu zichzelf gering zal
achten als dit kind' (Mat. 18:4). Kinderen zijn soms
helemaal niet zo bescheiden, maar dat kind dat naar Jezus luisterde en
kwam, is een voorbeeld voor altijd.
Volwassen
worden
Een kind mag nog een kind zijn en praten en denken als een kind (1 Kor.
13:1 l). Maar kind zijn is niet altijd positief: je
kunt ook in het kinderlijke blijven steken! Als je groter wordt, moet
je ook volwassen worden. Petrus roept christenen die
nog maar kort geleden tot geloof zijn gekomen, op om als pasgeboren
kinderen de zuivere melk van het Evangelie in te
drinken, zodat ze daardoor mogen opgroeien(!) tot zaligheid (1 Petr.
2:2). En de Hebreënbrief vindt dat z'n lezers die al
langere tijd christen zijn, nu maar eens volwassen moeten worden: melk
is voor de zuigelingen, en het is de bedoeling dat je
toch ook eens een keer aan vast voedsel begint (Heb. 5:11 14). Elk
gezond kind wil groot worden. En gezond 'kinderlijk'
geloof wil graag ontvangen om te groeien.
Geestelijke
kinderen
Ook in het Nieuwe Testament horen de kinderen er helemaal bij: 'Voor u
is de belofte en voor uw kinderen' (Hand. 2:39).
Paulus spreekt de kinderen in twee brieven rechtstreeks aan (Ef. 6: l;
Kol. 3:20). Hij gaat er blijkbaar van uit, dat ze er
gewoon bij zijn als z'n brieven in de gemeente worden voorgelezen, ook
al zullen ze van de rest nog lang niet alles hebben
begrepen.
Met kinderloosheid ligt het in het Nieuwe Testament anders dan in het
Oude. Paulus, die geen natuurlijke kinderen had,
kreeg geestelijke kinderen. 'Timoteüs, mijn geliefd kind' (1
Tim. 1:2). De gemeenteleden in Korinte zijn voor hem z'n
kinderen, hij heeft ze door het Evangelie verwekt (1 Kor. 4:14 15). In
de gemeente van Christus wordt iets waar van
Jesaja 54:1: 'De kinderen van de eenzame zijn talrijker dan de kinderen
van de gehuwde.' In het koninkrijk dat komt, zullen
meer kinderen zijn van de ongetrouwde Paulus dan van veel echtparen.
Pleinen
vol met spelende kinderen
Als in het Oude Testament de profeet Zacharia de grote toekomst van
Jeruzalem mag aankondigen, is er ook een belofte
bij over kinderen: 'Ook zullen de pleinen van de stad vol zijn van
jongens en meisjes, die daar spelen' (Zach. 8:5). Prachtig
om naar te kijken: dat spel waar kinderen helemaal in opgaan. Iets om
naar uit te zien: een koninkrijk vol met kinderen die
ongecompliceerd en onbezorgd aan het spelen zijn.