Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Jezus geneest een blinde (Marcus 10: 46-52)
46
Ze kwamen in Jericho. Toen hij met zijn leerlingen en gevolgd door een
grote menigte weer uit Jericho vertrok, zat daar een blinde bedelaar
langs de weg, een zekere Bartimeüs, de zoon van Timeüs. 47
Toen hij hoorde dat Jezus uit Nazaret voorbijkwam, begon hij te
schreeuwen: ‘Zoon van David, Jezus, heb medelijden met
mij!’ 48 De omstanders snauwden hem toe dat hij zijn mond moest
houden, maar hij schreeuwde des te harder: ‘Zoon van David, heb
medelijden met mij!’ 49 Jezus bleef staan en zei: ‘Roep
hem.’ Ze riepen de blinde en zeiden tegen hem: ‘Houd moed,
sta op, hij roept u.’ 50 Hij gooide zijn mantel af, sprong op en
ging naar Jezus. 51 Jezus vroeg hem: ‘Wat wilt u dat ik voor u
doe?’ De blinde antwoordde: ‘Rabboeni, zorg dat ik weer kan
zien.’ 52 Jezus zei tegen hem: ‘Ga heen, uw geloof heeft u
gered.’ En meteen kon hij weer zien en hij volgde hem op zijn
weg.
De genezing van een blinde man
Toen vroegen ze: ‘Hoe zijn je ogen opengegaan?’ Hij zei: ‘Iemand die Jezus heet, maakte wat modder,
streek die op mijn ogen en zei: “Ga naar Siloam om u te wassen.” Ik ging erheen, en toen ik me
gewassen had kon ik zien.’ - Johannes 9: 10, 11
LICHT DER WERELD
Wie lichamelijk of geestelijk niet helemaal
gezond is, moet niet alleen dat euvel dragen maar wordt meestal ook
anders bejegend door hen die zich voor volledig gezond houden. Een
zieke herinnert ons aan eigen broosheid, een oude herinnert ons aan
eigen eindigheid. Wie zwakzinnig is wordt liever gemeden. Want hoe met
zo iemand om te gaan? Wie doof is of stom of blind wekt wel medelijden
maar meer wrevel. Wij verkeren immers liever met gezonde mensen die
daarenboven zo mogelijk
geslaagd zijn en in aanzien staan. Zich verbinden met zwak maakt zwak,
zich verbinden met sterk maakt sterk. Zo de redenering –
menselijk, al te menselijk.
Terwijl wij in onze tijd geen zwakke om zijn kwaal zullen veroordelen,
gingen mensen in Jesus’ tijd ervan uit dat kwalen het gevolg zijn
van zonden, door de persoon zelf bedreven of door zijn voorgeslacht.
Doven of stommen of blinden van toen werden niet alleen gemeden maar
ook verstoten.
Bij verlating van de tempel ziet Jesus een man die blind is vanaf
geboorte en Zijn leerlingen vragen Hem naar de oorzaak van die
blindheid. Jesus antwoordt hun (Jo 9,3): ‘Noch hij noch zijn
ouders hebben gezondigd. De heerlijkheid Gods evenwel moet aan hem
worden geopenbaard.’ -- Jesus wendt de blinde man aan om Gods
heerlijkheid te tonen. Hij geneest de blinde en de blinde zal getuigen
van Hem Die het licht der mensen is (cf. Jo 1,4), Die het gezicht van
de eeuwige God, van de
eeuwige heerlijkheid is. ‘Zo lang Ik in de wereld ben’,
vervolgt Jesus (Jo 9, 5), ‘ben Ik het licht der wereld’.
Eerder al had Hij gezegd (Jo 8,12): ‘Ik ben het licht der wereld.
Wie Mij volgt, zal niet dwalen in duisternis, maar gewaar worden het
licht van het leven.’ In Hem immers was leven – licht der
mensen, licht dat schijnt in duisternis (cf. Jo 1, 4-5), levenslicht.
Daarom is Jesus de levensweg die de waarheid straalt (cf. Jo 14,6).
Daarom herneemt Hij nog eens (cf. Jo 12,35-36): ‘Gaat uw weg
zolang gij het licht hebt, opdat het duister u niet overvalt. Gelooft
in het licht, opdat gij kinderen van het licht wordt. Wie in de
duisternis loopt weet niet waarheen hij geraakt.’
Licht en duisternis, verlichting en verblinding, aanvaarding en
afwijzing van Jesus als de Mensenzoon, als de Messias, als de Christus
– dat behelst de vertelling van de blindgeborene het hele negende
hoofdstuk van het Joannes-evangelie (cf. 9,1-41) lang.
In andere evangeliën horen we de zieke Jesus smeken om medelijden
en dus om genezing. De Heer betoont dan medelijden en geneest en voegt
toe dat het geloof in Hem de genezing heeft teweeg gebracht. Het
verrichte wonder bevestigt de geloofsdaad van de smekeling. Hier bij
Joannes horen we geen smeking van de zieke. Ongevraagd kennelijk
geneest Jesus de blinde. En in hetgeen de genezen blinde overkomt,
schildert de evangelist het licht van het geloof en de duisternis van
het
ongeloof – de openheid van de overgave in zien en de verstarring van betweterij in verblinding. Wat geschiedt?
Eenmaal genezen vragen buren en anderen aan de nu ziende man hoe zijn
ogen geopend zijn. Hij doet zijn relaas en zij vragen waar Jesus
gebleven is. De genezene weet niet waar die mens is (Jo 9,12).
Nu brengen zij hem bij de farizeeën die op hun beurt vragen hoe hij het gezicht heeft gekregen.
Opnieuw doet de man zijn relaas. Jesus had op de grond gespuwd, het
speeksel vermengd met aarde en zo slijk gemaakt en daarmee de ogen van
de blinde bestreken. Voorts had Hij hem opgedragen zich te wassen in de
vijver van de Gezondene (Silóam). En in de wassing was hij
ziende geworden.
De farizeeën geloven de man niet. Enerzijds geloven ze toch al
niet in woorden en daden van Jesus, omdat ze niet kunnen geloven in
Jesus als de Messias. En wie dat wel zou geloven, zouden zij uit de
synagoge bannen (cf. Jo 9,22). Anderzijds hebben ze hier een reden bij
de hand in ongeloof te kunnen volharden: Het is sabbat. Jesus heeft
slijk bereid op sabbat. Wie de sabbat niet onderhoudt, is zondig. Een
zondaar kan geen wonder verrichten. Klaarblijkelijk is de man helemaal
niet blind
geweest. Zijn ouders worden erbij gehaald. Zij bevestigen dat hij hun
zoon is – blind geboren. Nog eens ondervragen de farizeeën
de genezene die hun al had verklaard Jesus voor profeet te houden.
In de tweede ondervraging gaat hij over tot getuigen (Jo 9,32-33):
‘Nog nooit heeft men gehoord dat iemand de ogen van een
blindgeborene heeft geopend. Als deze man niet van God zou zijn, had
Hij beslist niets kunnen uitrichten.’ Woedend werpen de
farizeeën de man buiten. Hem houdend voor Jesus’ leerling
stoten zij hem uit.
Jesus doet de blinde de ogen openen zodat hij kan zien. Maar in het
openen van de lijfelijke ogen doet Hij meteen de geestelijke ogen
openen. In het geschenk van het licht van de ogen schenkt Jesus in enen
het levenslicht – het licht der wereld. En de farizeeën?
Naar het lijf nimmer blind, blijken zij immer blind naar de geest.
Geketend in de letterlijkheid van de wet blijken zij gevangen in het
eigen gelijk.
De genezen man ziet de zon en in het zien van de zon ziet hij Jesus, de
eeuwige zon waarvan de tijdelijke zon het licht ontvangt. En wat brengt
hem die openbaring? Buitenwerping, uitstoting, uitbanning.
Na tegen het sabbat-gebod de slijk-arbeid te hebben verricht was Jesus naar elders gegaan.
Gewoonlijk twisten de farizeeën met Jesus. Dit maal niet met Hem
Zelf maar met de van Hem getuigende voorheen blinde maar nu te beter
ziende man. Buitengeworpen hoort Jesus van hem en treft hem en vraagt
(cf. Jo 9,35.38): ‘Gelooft ge in de Mensenzoon?’ Zich voor
Hem neerwerpend antwoordt de genezen blinde: ‘Ik geloof,
Heer.’ – Niet meer noemt hij Hem mens of profeet maar door
de kniebuiging belijdt hij Hem als Heer en God. Zo Theodor, bisschop
van Heraclea. En Augustinus, bisschop van Hippo: Hem erkennend niet
slechts als Mensenzoon zoals voorheen maar tevens als Gods Zoon Die het
vlees heeft aangenomen zegt hij: ‘Ik geloof, Heer.’
Jesus Christus is in de wereld gekomen – het licht dat de
duisternis niet kan aanvaarden (Jo 1,5) – opdat de niet-zienden
zouden zien en de zienden zouden blind worden (cf. Jo 9,39). Bij die
ontmoeting tussen Genezer en genezene zijn kennelijk weer
farizeeën in nabijheid (Jo 9,40-41). Zij vragen: ‘Zijn wij
soms blind?’ En bevestigend antwoordt Jesus: ‘Als gij blind
waart [zoals de blindgeborene die Ik heb genezen], zoudt ge geen zonde
hebben. Maar gij zegt te zien [terwijl gij voor het licht der wereld
blind zijt], daarom blijft gij in zonde.’
De blindgeborene is om zijn getuigenis van Christus uitgestoten.
Navolging van Christus beduidt uitstoting om Christus. Zo was het toen.
Zo was het niet in tijden toen eenieder in onze streken zich minder of
meer christen noemde. Die tijden van gemak en gezapigheid zijn
inmiddels evenwel voorbij.
Het heidense fundamentalisme rukt op en blijkt hardnekkig. De islam in
kracht wint, het christendom in lauwheid verliest. Getuigen van
Christus in openbaarheid wordt esoterische kwestie in de omgeving die
elke overtuiging relativeert, elke waarheid ontkent, elk geloof gelijk
stelt. Uitstoting van Christus Zelf als Zoon van God in onze streken
luidt het einde van onze eigen beschaving in.
Wij wachten als toen in het oude Byzantium – naar de dichter
Kaváfis – op anderen die krachtiger zijn dan christenen
heden, heidenen dus die beter weten en moslims die dieper geloven.
Nochtans is geen christen van zijn plicht ontslagen te getuigen van
Christus. Hebben we het lef ons te ontdoen van de wapens van de
duisternis [meegaan met de halfzachte samenleving] en ons te omgorden
met de wapens van het licht [getuigenis van Jesus Christus en navolging
van Jesus Christus] – naar Paulus (Rom 13,12)? We kennen eens te
meer minder het onderscheid tussen de vruchten van de duisternis en de
vruchten van het licht, omdat we ons door betrekkelijkheid van
gezamenlijke luiheid in slaap of ten minste in sluimering hebben laten
wiegen.
Laat daarom zoals toen in Jesus’tijd het speeksel van geloof zich
nu verbinden met het hart van getuigenis. Zo kan eindelijk ook in onze
streken onverschrokkenheid terugkeren in getuigenis van het licht,
vermits wij weten dat alles wat aan het licht wordt gebracht, in licht
tot helderheid komt en zo zelf licht wordt ( Ef 5,13-14).