Een oude onderwijzing
De
Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God. Dit geldt nu maar
indertijd ook in de 16e eeuw. Uit die tijd komt onderstaand
geschrift ZIEKENTROOST VAN CORNELIS VAN HILLE.
'Ziekentroost'
De Ziekentroost was vroeger een veel gelezen en geprezen geschrift. In onze tijd is het vrijwel uit het zicht verdwenen. In dit oude reformatorische geschrift zien we en proeven we de betekenis daarvan voor de verwerking van ziekte en de begeleiding van stervenden, een vlag die de lading niet helemaal dekte.
In deze zogenaamde Ziekentroost werd echter geen enkele aandacht geschonken aan de mogelijkheid van genezing. Er werd alleen aangemoedigd lijdelijk in de ziekte te berusten en zich voor te bereiden op het sterven.
1. Van de verdorvenheid en ellende des mensen
Nadat Adam recht en goed geschapen was, te weten, heilig, rechtvaardig, onsterfelijk, en tot een heer gezet over alle schepselen, welke God geschapen had, is hij niet lang in dezen staat gebleven, maar is door de listigheid van den satan, en zijn eigen ongehoorzaamheid, van deze schone heerlijkheid vervallen, en heeft alzo het verderf van den tijdelijken en eeuwigen dood over ons allen gebracht. Dit is de erfzonde, waarvan David in den psalm spreekt, zeggende: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Desgelijks zegt ook Paulus tot de Romeinen, dat door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.
» Top2. Door Adam zijn alle mensen in den dood gekomen
Want zo haast als Adam aldus gevallen was, is hij terstond in een zekere vervloeking gekomen, gelijk wij lezen in Genesis, waar God zegt: Zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens; en in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeren. Waaruit wij zekerlijk weten dat alles wat leven ontvangt, eenmaal moet sterven. Dit getuigt David duidelijk, zeggende: Wat man leeft er die den dood niet zien zal? Want Sálomo zegt: De levenden weten dat zij sterven zullen. Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende. En in Hebreeën staat geschreven dat het den mensen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel. Want, gelijk de Schrift zegt, wij zullen allen den dood sterven, en wezen als het water, dat ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. Want onze dagen (zegt Job) zijn als de dagen des dagloners en lichter dan een loper. En wij varen (spreekt Mozes) daarheen als een stroom. Ja, gelijk een blad dat de wind verdrijft, en een droge stoppel, en een kleed dat de mot opeet. Want het stof keert wederom tot aarde, als het geweest is; en de geest weder tot God, Die hem gegeven heeft. Gelijk Job zegt: Leem zijn wij en tot stof moeten wij wederkeren. Insgelijks zegt ook Jakobus, dat des mensen leven is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt. Ja, onze leeftijd vaart weg gelijk een wolk, en vergaat gelijk een nevel, en verdwijnt ook gelijk een schaduw. En ook Petrus zegt (aanhalende uit Jesaja) dat alle vlees is als gras, en alle heerlijkheid des mensen als een bloem van het gras; het gras is verdord en zijn bloem is afgevallen. Wederom zegt Jezus Sirach: Het verbond van eeuwigheid is dit: Gij zult den dood sterven. Gelijk een groenend blad op een dichten boom: enige werpt hij af, en andere doet hij uitspruiten; alzo is het met het geslacht des vleses en des bloeds; het een sterft en het ander wordt geboren. Gelijk Sálomo zegt: Alles heeft een bestemden tijd; er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven.
» Top3. Van den gezetten tijd des mensen
En deze tijd staat in des Heeren hand; gelijk Job zegt: Zijn dagen zijn bestemd, en het getal zijner maanden is bij God, en Hij heeft zijn bepalingen gemaakt, die hij niet overgaan zal. Hetwelk ook Paulus zegt, dat God bescheiden heeft de tijden tevoren geordineerd, en de bepalingen van hun woning. En David zegt dat God onze dagen een handbreed gesteld heeft, en onze leeftijd als niets voor Hem is; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Want onze dagen zijn lichter dan een weversspoel, en dan een loper. Ook zijn wij hier maar gasten en vreemdelingen voor een kleinen tijd. Want aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar; of zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaar; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen. En als wij lang leven, zo leven wij honderd jaren. Gelijk een druppel water is, vergeleken met het water van de zee, even weinig zijn onze jaren, vergeleken met de eeuwigheid. En Petrus zegt dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag. Alzo zijn onze jaren, te rekenen bij de eeuwigheid.
» Top4. Van den val en de ellendigheid des mensen
Dewijl wij nu, volgens de Heilige Schrift, allen sterven moeten, wie zou niet hartelijk naar den dood verlangen, als wij zien in wat staat en verderf wij door Adam gekomen zijn, te weten, in alle ongerechtigheid, tegenspoed en lijden; zodat wij boos zijn, en tot boosheid geneigd, van der jeugd en jonkheid af. Want, gelijk Paulus zegt, wij zijn van nature kinderen des toorns, en onbekwaam tot enig goed, en van onszelven niets hebbende dan zonde. Gelijk ook David zegt: Er is niemand die goed doet; allen zijn zij afgeweken; tezamen zijn zij onnut geworden. Want het goede, dat wij willen, doen wij niet; en dat om de zonde, die in ons woont. Van deze inwonende zonde getuigt David, dat wij in ongerechtigheid geboren en in zonde ontvangen zijn, en daarin voortgaan. Want het gedichtsel van des mensen hart is boos van zijn jeugd aan.
» Top5. Van de verlossing des mensen
Dewijl wij nu aldus in den toorn Gods en in de schaduw des doods, ja, in de hel en verdoemenis liggen, zo is ons Christus, het Licht der wereld, verschenen, en de Zon der gerechtigheid opgegaan; Welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking; en heeft ons mede levend gemaakt, daar wij dood waren door de misdaden en de zonden; en heeft ons die vergeven, en uitgewist het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, en datzelve uit het midden weggenomen en aan het kruis genageld; waardoor Hij over al onze vijanden getriomfeerd heeft, als den dood, den duivel, de hel en de verdoemenis der wet, gelijk God door den profeet Hoséa gezegd heeft: Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Maar Gode zij dank, Die ons de overwinning geeft door Jezus Christus. Die ook (naar de belofte Gods) den duivel den kop heeft vermorzeld, in wiens macht wij gevangen lagen, door de overtreding der zonden.
» Top6. Christus is onze Verlossing
Zo heeft nu God, om ons daaruit te verlossen, Zijn allerliefste Pand gegeven, namelijk Zijn enigen geliefden Zoon, in Wien de Vader een welbehagen heeft, en gebiedt Hem te horen; Dien Hij tot een Verzoening en Rantsoen gegeven heeft. Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Insgelijks: Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem. En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen (zegt Christus), den enigen waarachtigen God, en Jezus Christus, Dien Gij gezonden hebt. Hij is de waarachtige Messias, Die in de wereld gekomen is, in de volheid des tijds; waarachtig God, om de heerschappij des satans te verbreken; en waarachtig mens, om onze Middelaar voor God te wezen, opdat Hij ons, die onder de wet gevangen lagen, verlossen zou. Hij is het onbesmette Lam, Dat voor onze smetten geslacht en geofferd is, tot een verzoening voor al onze zonden, gelijk Jesaja duidelijk getuigt. En Hij, Die rijk was, is om onzentwil arm geworden, opdat wij door Zijn armoede rijk zouden worden. Want al Zijn goederen heeft Hij ons geschonken, al Zijn weldaden, al Zijn gerechtigheid, verdiensten en heiligheid. En hiervoor moeten wij Hem met het geloof omhelzen, en met liefde en gehoorzaamheid dankbaar zijn. En wie zou Hem niet liefhebben, Die ons eerst liefgehad heeft? Toen wij nog Zijn vijanden waren, heeft Hij ons verlost en verzoend, hoeveel te meer zullen wij behouden worden door Zijn leven, nu wij Zijn vrienden geworden zijn! Want hoe zou iemand meer liefde hebben, dan dat hij zijn leven voor zijn vrienden zette? Hetwelk Christus als een goede herder bewezen heeft, doordat Hij Zijn Vader gehoorzaam is geweest tot den dood, ja, tot den dood des kruises; en is een weinig minder geworden dan de engelen vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zou; waarom Hij met heerlijkheid en eer is gekroond. Ook is Hij de waarachtige Samaritaan, Die olie en wijn in onze wonden gegoten heeft; dat is, dat Hij Zijn dierbaar bloed voor onze zonden vergoten, en ons met zulk een duren prijs gekocht heeft. Want (zegt Petrus) wij zijn niet door zilver of goud verlost, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Want wij zijn niet verlost door het bloed der bokken en kalveren, maar Hij is door Zijn eigen bloed eenmaal ingegaan in het heiligdom, een eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende. Die ons ook getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon Zijner liefde, in Wien wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden.
» Top7. Wij moeten tot Christus onze toevlucht nemen
Aangezien wij dit zeker weten, dat wij zonder enige verdienste onzerzijds (want wij hebben er geen; waarom wij onnutte dienstknechten zijn), alleen door den dood en de wederopstanding van Christus, de eeuwige zaligheid verkrijgen, zo laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd. En naardien wij elk ogenblik hulp van node hebben, zo moeten wij tot Hem gaan. Want Hij zegt bij den profeet David: Roep Mij aan in den dag der benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen. En: Al kon een moeder haar zuigeling vergeten, zo zal Ik toch u niet vergeten. Gelijk Christus Zelf in het Evangelie zegt: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven, en gij zult rust vinden voor uw zielen. Tot wien zullen wij anders heengaan? Hij heeft de woorden des eeuwigen levens; en het leven is in Hem geopenbaard. Hij is het hemelse Manna, Dat onze zielen eeuwiglijk verzadigt; het hemelse Brood; wie Daarvan door het geloof eet, zal nimmermeer hongeren, en wie Zijn bloed drinkt, zal nimmermeer dorsten.
» Top8. Christus is de Fontein des eeuwigen levens
Wederom roept Christus bij Johannes duidelijk, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de Schrift zegt, stromen des levenden waters zullen uit zijn buik vloeien. En dit zeide Hij van den Heiligen Geest. Zo wie gedronken zal hebben van dat levende water, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. Gelijk God door den profeet Jesaja zegt: O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Daarom, laat ons tot deze Fontein gaan om onzen dorst te lessen; en niet tot gebroken bakken, die geen water houden. Want uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade. Want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.
» Top9. Christus is onze Middelaar
Hij is de waarachtige Middelaar, Die tussen God en ons staat, om onze Voorspraak te wezen tegen al onze beschuldigers; want er is één Middelaar Gods en der mensen, te weten de Mens Christus Jezus. En daarom is Hij de Middelaar des Nieuwen Testaments, opdat, de dood daartussen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn, de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden. Waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden. En Johannes, hiermede overeenkomende, zegt: Indien iemand gezondigd heeft, wij hebben een Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus, den Rechtvaardige; en Hij is een Verzoening voor onze zonden; en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der gehele wereld; te weten, voor alle volken en natiën der gehele wereld, die zich waarachtig tot God bekeren; want het Lam is van den beginne geslacht voor de gelovigen; gelijk Christus Zelf zegt dat Abraham Zijn dag heeft gezien en verblijd is geweest.
» Top10. Van de rechtvaardigmaking
Zo is dan God geen aannemer des persoons. Want God is niet alleen een God der Joden, maar ook der heidenen; nademaal Hij een enig God is, Die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit het geloof, en de voorhuid door het geloof. Want door het geloof worden wij gerechtvaardigd, zonder de werken der wet. Gelijk ook David den mens zalig spreekt, welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken, zeggende: Welgelukzalig is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is. Welgelukzalig is de mens dien de Heere de ongerechtigheid niet toerekent.
» Top11. Christus bidt voor ons
Zo dan, wij nu, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus; door Denwelken wij hebben den toegang met vertrouwen, om in te gaan in het heiligdom door Zijn bloed, waardoor Hij vrede gemaakt heeft tussen God en ons. Want Hij is onze waarachtige Vrede, zodat wij nu niet meer hebben te vrezen. Want Paulus zegt: Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het Die rechtvaardig maakt. Wie is het die verdoemt? Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, enz.? Daarom, al hebben wij de dagelijkse dadelijke zonde en andere in ons blijvende, zo moeten wij niet kleinmoedig wezen. Want Jesaja zegt: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol. En dit geschiedt door Christus, Die ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Waarvan de Doop een teken is; en het Avondmaal is ons ook een teken, dat wij verlost zijn door de offerande van Christus, eenmaal aan het kruis geschied, opdat Hij ons verlossen zou van den toekomenden toorn en van alle ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken, waardoor God geprezen worde.
» Top12. Wij behoren naar den dood te verlangen
Wij moeten uit dit lichaam verhuizen, eer wij bij den Heere komen Dit nu zekerlijk wetende, dat wij door Christus met God verzoend zijn, zo behoren wij (volgens Gods Woord) een volkomen begeerte te hebben om ontslagen te zijn van dit sterfelijk lichaam, waardoor wij moeten komen tot de heerlijke erfenis van alle kinderen Gods, welke ons in de hemelen bereid is. Ditzelfde heeft ook Paulus, dat door God uitverkoren vat, begeerd, waar hij zegt: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods en der zonde? Voorts zegt hij nog: Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, dat eeuwig in de hemelsen is. En wij verlangen daarmede overkleed te worden. En wij hebben altijd goeden moed, en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere. Daarom hebben wij meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen. Nog zegt Paulus: Want wij weten dat het ganse schepsel met ons zucht; en niet alleen dit, maar ook wij zelven, die de eerstelingen des Geestes hebben, zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing onzes lichaams. En dewijl wij gasten en vreemdelingen zijn op de aarde, wie zou niet te huis in zijn vaderland begeren te wezen? Want wij wandelen hier door het geloof en niet door aanschouwen; want wij zien nu door een spiegel in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; wij zullen Hem zien gelijk Hij is. Wie zou niet verlangen naar deze aanschouwing, dewijl wij zien dat de heilige mannen Gods daarnaar verlangd hebben? Gelijk wij in den psalm aldus lezen: Gelijk een hert dat gejaagd is, schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen? Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God? Deze onuitsprekelijk heerlijke aanschouwing van God is zo groot (gelijk de profeet getuigt), dat geen oog heeft gezien, en geen oor heeft gehoord, en in geens mensen hart is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die Hem liefhebben. Wederom zegt David: Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid. Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o Heere der heirscharen! Welgelukzalig zijn zij die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. En wij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten. Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht. Dit is de heerlijke woning waar Christus bij Johannes van zegt: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om u plaats te bereiden; en Ik kom weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben. Te weten, in dat nieuwe Jeruzalem, dat geen zon of maan behoeft; want de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is haar Kaars. Daar zal God alle tranen van onze ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; die de laatste vijand is, welken de Heere aan Zijn voeten onderwerpen zal. Daar heeft God een heerlijke bruiloft bereid, waar wij met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten aan de tafel des Heeren. En zalig zijn zij die geroepen zijn tot het avondmaal van de bruiloft des Lams.
» Top13. Waar wij heengaan, als wij van hier verscheiden
Tot dit avondmaal nu kunnen wij niet komen dan door den dood. Daarom zegt Paulus: Het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. En zodra de gelovigen vanhier scheiden, gaan zij in de eeuwige rust, gelijk Christus zegt: Waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn. En wederom: Die Mijn woord hoort, en gelooft Hem Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven. Hetgeen ook duidelijk te bemerken is in den moordenaar, toen hij gebeden en gezegd heeft: Heere, gedenk mijner als Gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn; waarop hem Christus heeft geantwoord: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn. Daarom zegt Paulus wél (hiermede overeenkomende): Ik heb begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn. Sálomo zegt ook dat het stof weder tot aarde keert, als het geweest is; maar de geest weder tot God, Die hem gegeven heeft. Hetwelk ook duidelijk blijkt in het voorbeeld van Henoch en Elía, die beiden werden opgenomen in den hemel; waar ons burgerschap en onze wandel is; waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan Zijn heerlijk lichaam.
» Top14. Wij moeten sterven, eer wij verheerlijkt worden
En tot deze verheerlijking kunnen wij niet komen dan door veel lijden. Hiervan zegt Jezus Sirach een schoon woord: Mijn kind (zegt hij), indien gij komt om den Heere te dienen, zo bereid uw ziel tot aanvechting. In welken gij u verheugen zult, nu een weinig tijds bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen. Maar de God aller genade, Die ons geroepen heeft tot Zijn eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, Die zal u volmaken, bevestigen, versterken en funderen. Wederom zegt Paulus: Zo wij met Christus lijden, zo zullen wij ook met Hem verheerlijkt worden. Want het lijden dezes tegenwoordigen tijds is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden. Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijgaat, werkt ons een gans zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid. En David zegt: Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Daarom, verblijdt u als gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus; opdat gij ook in de openbaring Zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen. En Christus heeft ook buiten de poort geleden; zo laat ons dan tot Hem uitgaan, Zijn smaadheid dragende. Want daarin heeft ons Christus een voorbeeld nagelaten, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen. Wederom zegt Petrus: Dewijl Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde. Voorts zegt ook Jakobus: Mijne broeders, acht het voor grote vreugde wanneer gij in velerlei verzoekingen valt. En Paulus zegt ook: Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; en de hoop beschaamt niet. Daarom moeten wij de kastijding des Heeren niet klein achten, als wij van Hem bestraft worden; want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt. Dit kan men ook zien in Hebreeën 12, doorlopend. Daarom, weest lankmoedig, en versterkt uw harten; want de toekomst des Heeren genaakt. Neemt ook tot een voorbeeld des lijdens en der lankmoedigheid de profeten. Wij houden hen gelukzalig die verdragen hebben; want wij hebben gehoord de verdraagzaamheid van Job, en het einde des Heeren gezien; die ons een voorbeeld der volstandigheid nagelaten hebben. Want wij zien dat Christus Jezus met heerlijkheid is gekroond geweest, vanwege het lijden des doods. Daarom zegt Christus ook: Die volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden. En Paulus zegt: Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere geven zal; en niet alleen mij, maar ook allen die Zijn verschijning liefgehad hebben. Insgelijks zegt Jakobus: Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zal hij de kroon des levens ontvangen, welke de Heere beloofd heeft dengenen die Hem liefhebben.
» Top15. Wij moeten vromelijk strijden tegen onze vijanden
Om deze kroon der rechtvaardigheid te verkrijgen, moeten wij vromelijk strijden tegen al onze vijanden, die ons van alle zijden aanvechten; en inzonderheid tegen de listige omleidingen des duivels. Trekt daarom daartegen aan de gehele wapenrusting Gods, waarmede gij den duivel met al zijn macht kunt wederstaan. Van dien strijd zegt ook Petrus, dat de duivel omgaat als een briesende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden; denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof; en hij zal van u vlieden. Doch deze overwinning en dezen wederstand hebben wij van God door Christus, Die den satan onder onze voeten verplettert, in wiens macht en strikken wij gevangen lagen. Hij is de overste dezer wereld, dien Christus buitengeworpen heeft; en alzo hebben wij door Hem de overwinning gekregen, en zijn die ook deelachtig door ons geloof. Hij is de oude slang, die ons zoekt te verslinden; die ook onze eerste ouders verslonden heeft, en ook ons nog in de verzenen bijt; waarom hij ook een mensenmoorder van den beginne genaamd is.
» Top16. Wij moeten bidden en waken
Daarom moeten wij tegen zijn listige moordenarij naarstig op onze hoede zijn, gelijk Petrus zegt: Zijt dan nuchter en waakt. Want, gelijk Christus zegt, wij weten niet in welke ure de Heere komen zal. Maar weet dit, dat zo de heer des huizes geweten had in welke nachtwake de dief komen zou, hij zou gewaakt hebben en zou zijn huis niet hebben laten doorgraven. Daarom, zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen. Maar als wij beginnen onze mededienstknechten te slaan en te eten en te drinken met de dronkaards, zo zal de Heere komen, en ons in stukken houwen, en ons deel zal wezen met de geveinsden; daar zal wening en knersing der tanden zijn; waar de worm nimmermeer sterft en het vuur niet uitgeblust wordt. Want wij weten zeer wel, dat de dag des Heeren alzo zal komen gelijk een dief in den nacht; want wanneer wij zullen zeggen: Het is vrede, dan zal een haastig verderf ons overkomen, gelijk de barensnood een bevruchte vrouw. Daarom, wacht uzelven, dat uw harten niet te eniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens overkome. Want gelijk een strik zal hij over ons komen, of gelijk de bliksem, die plotseling geschiedt. Waakt dan te allen tijde, biddende dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden al deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den Zoon des mensen.
» Top17. Van het geloof en de goede werken
Maar deze waardigheid, om te staan voor den Zoon des mensen, bestaat in een rein, onbevlekt en onwankelbaar geloof, dat door de liefde werkt, waarmede wij Christus met al Zijn verdiensten en weldaden ontvangen en omhelzen. Welk geloof wij moeten tonen door een rein leven, gelijk Jakobus zegt. En van deze reinheid zegt Christus bij Matthéüs, hfdst. 5: Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien. En de voornaamste reinheid ligt in het hart; want, gelijk Christus zegt, uit het hart komen voort doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen. Deze zijn het die den mens ontreinigen. Daarom, jaagt na de vrucht des Geestes, welke is: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid, gerechtigheid en waarheid. Daarom, tenzij dat wij wederom geboren worden, wij kunnen in het Koninkrijk Gods niet ingaan. Ja, gelijk Christus zegt: Indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens (te weten in boosheid), zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. Daar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt; gelijk ook Paulus duidelijk getuigt.
» Top18. De wet Gods eist van ons, volkomen te zijn
Dewijl nu de wet Gods deze volkomenheid van ons eist (gelijk geschreven staat: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen; gelijk ook Jakobus zegt: Wie in één struikelt, is schuldig geworden aan alle; wederom: Wie de wet doet, die zal door dezelve leven), maar wij het allerminste gebod niet volkomenlijk kunnen volbrengen, gelijk de wijze man zegt: Als wij menen voldaan te hebben, zo beginnen wij slechts (en al ware het, dat wij het alles deden, zo doen wij slechts hetgeen wij schuldig zijn); waarom wij door de wet onder Gods rechtvaardigen toorn verdoemd liggen; zo hebben wij hiertegen een zekere remedie en middel, namelijk Christus, Die ons (gelijk Paulus zegt) verlost heeft van den vloek der wet, en aan de gerechtigheid Gods voor ons voldaan heeft, vrede makende, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, namelijk de wet der geboden in inzettingen bestaande; en onze misdaden heeft vergeven, en het handschrift heeft uitgewist en aan het kruis genageld. En voor deze grote liefde van Christus behoren wij Hem weder lief te hebben, en dankbaar te zijn met goede werken, en in Hem waarachtig te geloven, dat Hij ons al deze schone weldaden geschonken heeft. Want die tot God komt, moet geloven dat Hij is, en een Beloner is dergenen die Hem zoeken. Want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Zo besluiten wij dan dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet. En al moeten wij met Christus wat lijden, zo moeten wij niet kleinmoedig wezen; want wij zien dat Christus Zelf, toen Hij om onze eigen zonden geslagen was, niet wedergeslagen, maar geduldig geleden heeft.
» Top19. Van den voorspoed der goddelozen
En al is het dat de goddelozen in groten voorspoed leven, gelijk David en de profeten getuigen, zo moeten wij ons niet verwonderen en ook niet struikelen, maar ons vertroosten, verzekerd zijnde dat hun einde de eeuwige dood is; Hij rukt hen uit als schapen, dat zij geslacht worden. Daarom is het verwonderlijk dat de gelovigen niet nog meer tegenspoed hebben, vanwege de heerlijke vreugde, die voor hen bereid is; en daarentegen, dat de goddelozen niet nog meer voorspoed hebben, dan zij doen, om de gruwelijke verdoemenis, die voor hen aanstaande is. Daarom, al is het dat de beproeving der gelovigen ongelijk is aan die der goddelozen, zo kan ook de opstanding der doden ongelijk wezen.
» Top20. Van de verrijzenis der doden
En hierin hebben wij een groten troost, dat alle gelovigen ten jongsten dage zullen opstaan. En Paulus, dit betogende, zegt: Indien er geen opstanding der doden is, zo is Christus ook niet opgewekt; zo is ook onze prediking ijdel, en wij worden bevonden valse getuigen (1 Kor. 15, doorlopend). En omtrent de wijze der opstanding kunnen wij duidelijk zien bij Ezechiël, hfdst. 37, hoe wij met vlees en been zullen opstaan. En Job zegt ook duidelijk: Ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. Insgelijks zegt Jesaja, dat de aarde en de zee hun doden geven zullen, die in haar geslapen hebben; want Christus is de Opstanding, de Eersteling dergenen die ontslapen zijn. Doch ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geen hoop hebben. Want indien wij geloven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem. Want dat zeggen wij u door het woord des Heeren, dat wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep, met de stem des archangels en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; daarna wij die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht.
» Top21. Van het laatste oordeel
Alwaar wij moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad. Dan zal Christus de schapen van de bokken scheiden. En de schapen worden aan Zijn rechterhand gesteld, die de lieflijke stem zullen horen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Daar zullen wij met grote vrijmoedigheid staan voor het aangezicht dergenen die ons benauwd hebben. Daar zullen wij blinken gelijk de zon, in het Rijk van onzen Vader. Daar zullen wij komen tot de menigte van de vele duizenden der engelen. Daar zullen wij met Hem heersen van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen. Zalig zijn zij die in het boek des levens geschreven zijn.
» Top22. Sommige troostelijke uitspraken der Heilige Schrift, om in doodsnood te bidden
» Top23. Hier volgen insgelijks nog sommige uitspraken, dienende voor de kranken in hun uiterste
Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven; en gij zult rust vinden voor uw zielen. Help nu met Simon van Cyréne Zijn kruis dragen. Ga nu buiten de legerplaats Zijn smaadheid helpen dragen. Laat ons nu één uur met Hem waken, opdat wij niet in verzoeking komen. Nu moet gij den drinkbeker drinken dien Christus gedronken heeft; waarom Hij bloedige droppelen gezweet heeft, om dien te ontgaan; maar bad dat Zijns Vaders wil geschieden zou. Zeg nu met den moordenaar: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. O God, zijt mij zondaar genadig. Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner. O Heere Jezus, ontvang mijn geest. Ik verlang naar U; wanneer zal ik Uw lieflijk aanschijn aanschouwen? Want mijn ziel dorst naar U, als een dorstig land. O Heere, Gij zijt mij het leven, en het sterven is mij gewin. Ik heb een begeerte om ontbonden te worden en met U te zijn. Ik ellendig mens, wanneer zult Gij mij verlossen uit dit lichaam der zonde? Het is mij beter te sterven dan te leven. Doch, Heere, Uw wil geschiede. Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. Dit altemaal vergunne ons God, onze lieve Vader, door de verdiensten van Zijn lieven Zoon, onzen Heere Jezus Christus. Amen

WIE WAS CORNELIS VAN HILLE?
Als je met een
moderne ferry om 10 uur 's avonds uit Hoek van Holland vertrekt, ben je
na ruim 10 uur varen in Engeland, in Norwich, vlak bij Harwich.
Cornelis van Hille (1540-1600) zal er langer over gedaan hebben, toen
hij in 1568 zijn geboortestad Ieper ontvluchtte richting Engeland. In
dat jaar werd hij door de Raad van Beroerten oftewel de Bloedraad bij
verstek veroordeeld tot verbanning wegens ketterse denkbeelden.
Deze Bloedraad was door Alva ingesteld in 1567, allereerst om hen te
vonnissen die hadden deelgenomen aan de Beeldenstorm van 1566. In
totaal zijn bijna 1100 mensen door die Bloedraad ter dood veroordeeld
en geëxecuteerd. Ook werden er ruim 11.000 mensen verbannen. Hun
spulletjes werden ingepikt. Boekverkoper Cornelis van Hille was
één van hen.
In Norwich werd Van Hille ouderling. Ondertussen bereidde hij zich voor
op het ambt van predikant. In 1575 werd hij bevestigd in de
vluchtelingenkerk van Yarmouth. In 1577 keerde hij terug naar
Nederland, eerst als predikant te Haamstede en Burgh in Zeeland. Later
vertrok hij naar het Vlaamse Oudenaarde. Van 1589-1598 stond hij in
Rotterdam, waar hij in 1600 overleed.
In Norwich komt Cornelis in aanraking met een boekje, getiteld 'Der
Siekentroost'. Het is in het Nederlands vertaald uit het Engels. De
Engelse schrijver had een aantal teksten uit de Bijbel bij elkaar
gezocht als troost na het sterven van zijn vrouw.
Cornelis besluit een eigen Ziekentroost samen te stellen naar Engels
voorbeeld. En niet zonder succes. En het wonderlijke van dat boekje is,
dat het altijd een particuliere uitgave is gebleven. Het is nooit door
een kerkelijke vergadering goedgekeurd. Al in de 16de eeuw werd het
opgenomen in verschillende uitgaven van het kerkboek. De bijbelteksten
in de eerste uitgaven zijn gehaald uit de Deux-Aesbijbel van 1562.
Bedenk dat we nog volop in de 16de eeuw zitten. De opvolger van de
Deux-Aes is de Statenvertaling. Die verscheen pas in 1637, 75 jaar
later. Na dat jaar 1637 werd De Ziekentroost aangepast aan de
Statenvertaling. Tot op deze uitgave is er geen andere bijbelvertaling
voor De Ziekentroost gebruikt dan die van de Statenvertaling.
De eerste druk rolt in 1571 van de persen in Norwich bij Anthony de
Solen of Solemne, een in 1567 uit Brabant gevluchte drukker. Latere
drukken zijn uit 1574 en 1576 te Dordt, in 1577 te Kleef en in 1578 te
Leiden. Ziekentroost blijkt in een behoefte te voorzien. Wegens het
succes schrijft Van Hille in 1579 een grote Ziekentroost. Dat werk
verschilt aanmerkelijk van de kleine Ziekentroost, waarover wij het
hebben. Cornelis van Hille is dezelfde als Cornelis Hillenius.
Het kan geen kwaad even stil te staan bij de tijd waarin Van Hille zijn
Ziekentroost schreef. Het was de zestiende eeuw met oorlogen en
geruchten van oorlogen, met pestepidemieën, kraamvrouwensterfte,
vervolgingen, met slechte hygiëne, chirurgijnen en kwakzalvers die
van weinig wisten, met een gemiddelde leeftijd van onder de dertig
jaar. De gouden zeventiende eeuw lag nog in het verschiet. Het was in
ieder geval een heel andere tijd dan die waarin wij nu leven. Het is
goed dat te beseffen. Daardoor begrijpen we de inhoud van De
Ziekentroost van Cornelis van Hille waarschijnlijk beter, zeker waar
hij het heeft over verlangen naar de dood.

De Ziekentroost
is een samenvatting van wat de Bijbel zegt over onze enige troost in
leven en vooral bij het sterven. Hij handelt in 23 hoofdstukjes over de
ellende die door Adam over alle mensen kwam, over de tijd dat ieder
moet sterven, over verlangen naar de dood, over de noodzakelijkheid van
te sterven, over de opstanding en over het eeuwige leven. Je vindt hier
de gereformeerde leer in een notedop, waarbij de nadruk ligt op het
levenseinde. Het is duidelijk bedoeld voor mensen met een ernstige
ziekte en voor zieken met de dood dichtbij. Als er over verlangen naar
de dood wordt gesproken, spelen zeker denkbeelden van Calvijn een rol:
als christen zijn we pelgrims op weg naar een beter vaderland, we staan
op een wachtpost. Als christen moeten we onszelf verloochenen, ons
kruis achter Christus aan dragen en het toekomende leven overdenken met
verachting van het tegenwoordige leven. Gelukkig is die verachting
begrensd. Er is toch veel in dit aardse leven dat we kunnen rekenen tot
de zegeningen van God. Als we het gaan vergelijken met het toekomende
leven, dan is dit aardse leven slechts een oord van ballingschap. Er is
hier op onze pelgrimsreis best veel te genieten in lekker eten en
drinken, mooie kleding, in prachtige bloemen en bomen, in gouden en
zilveren sieraden, in het liefhebben van elkaar. Maar we moeten
bezitten alsof we niets hebben, getrouwd zijn alsof we niet getrouwd
zijn (1 Kor.7:30vv).
Bijzonder is het kale gebruik van de Schrift. Er wordt weinig
uitgelegd. Het zijn voornamelijk Bijbelteksten over een bepaald
onderwerp die achter elkaar zijn gezet met een enkele verbindende
tekst. Dus Cornelis van Hille ging ervan uit dat het Woord alleen aan
het woord moet zijn, als we ernstig zieken en stervenden willen
vertroosten. Dat maakt bescheiden. Het Woord is van zichzelf zo
krachtig, dat wij met onze uitleg beter op de achtergrond kunnen
blijven: mondje dicht. Het is God Zelf die in Christus en door zijn
Geest het Woord zijn kracht verleent. Daarom is dagelijkse
Schriftlezing ook zo waardevol. Allerlei dagboekjes en commentaren,
allemaal prachtig. Maar hebben we daardoor de waarde van het kale
gebruik van de Schrift niet uit het oog verloren? Het is God die
spreekt. Denken we niet al te klein en te menselijk over zijn majesteit
en macht? Laten we dan ons gebabbel staken en eerbiedig luisteren.
Laten we Hem aan het Woord laten. Dat besef heeft diepe indruk op mij
gemaakt bij het hertalen van De Ziekentroost.
P. Biesterveld schrijft in 1903 over De Ziekentroost: 'Dit geschrift is
een duidelijk bewijs van hoeveel gewicht de vertroosting der kranken
gerekend werd. De Gereformeerden hebben geen laatste oliesel als Rome,
en zijn tegen het bedienen van het Avondmaal aan het krankbed; maar met
te groter trouw wensen zij bij de stervenssponde het vermaan en de
vertroosting uit 's Heren dierbaar Woord; het heenwijzen naar de stok
en staf, die steunen in het betreden van de doodsvallei.
(P.Biesterveld, Het Gereformeerde Kerkboek, 1903, p.320).
Ik denk dat velen bij het lezen van De Ziekentroost in een hedendaagse
vertaling zich de ogen zullen uitwrijven en zich zullen afvragen: Maar
dat is toch niet meer van deze tijd? Ik kan me die vraag goed
voorstellen. We zouden het vandaag anders zeggen. Maar wat er staat is
toch echt wel Gods Woord. Misschien dat de lezing en overdenking van De
Ziekentroost van 1571 ons vandaag de ogen kan openen voor de
betrekkelijkheid van ons aardse bestaan en ons jagen naar welvaart. En
ons ervan kan doordringen dat we op weg zijn naar iets beters.
Een accent dat wij vandaag meer zouden benadrukken is, dat we hier op
aarde een taak hebben als rentmeesters van Christus, waarbij we intens
mogen genieten van wat God ons geeft. 'Alles wat God geschapen heeft is
goed. Niets hoeft te worden verworpen als het onder dank wordt
aangenomen, want het is geheiligd door het woord van God en door het
gebed' (1 Tim4:4,5).
Maar bedenk bij het lezen steeds: De Ziekentroost is bedoeld voor
ernstig zieken en stervenden. Dan is de dimensie van het genieten van
het goede op deze aarde niet meer zo aan de orde, althans steeds minder.



















