Bijbelplaatjes
met teksten - 01
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Klik hier voor OVERZICHT
VAN DEZE SERIE
Klik hier voor BIJBELVERHALEN
IN BEELD
Zending in ons land - wie had dat ooit gedacht
In het
bijbelboek Lukas, hoofdstuk 2, lezen we over de Romeinse keizer
Augustus. In de tijd dat hij regeerde werd Jezus Christus geboren in
Bethlehem.
Keizer Augustus was een machtige keizer die veel landen veroverde. Zijn
legers trokken ook naar het noorden van Europa. Zo kwamen ze in het
gebied dat we nu Nederland noemen. De rivier de Rijn werd de
noordelijke grens van het Romeinse rijk van Augustus. Ten noorden van
de Rijn woonden de Friezen. Hun gebied werd niet bezet door de
Romeinse legers, maar de Friezen moesten wel
voortdurend rekening houden met wat de Romeinen wilden.
De Bijbel vertelt ons over het leven van Jezus en wat Hij voor
de mensen heeft gedaan.
Hij stierf aan een kruis en stond op uit de dood. Door in Hem te
geloven en daarnaar te leven, zijn we gered en kunnen we voor
altijd bij God zijn. Na Zijn
opstanding gaf Jezus aan Zijn discipelen (vgelingen) opdracht
om overal dit goede nieuws (Evangelie) door te geven en aan de mensen
uit te leggen hoe ook zij discipel van Jezus kunnen
worden. Jezus zei: "Ga dan heen, onderwijs al de vken, doop hen in de
Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest; en leer hen
onderhouden alles wat Ik u geboden heb." (Mattheüs hoofdstuk
28, vers 19).
Na het Pinksterfeest - toen de discipelen de Heilige Geest hadden
ontvangen - gingen zij erop uit om deze opdracht van
Jezus uit te voeren. Zo verspreidde
het christendom zich vanuit Jeruzalem over vele
landen. De Romeinen waren hier niet blij mee
en stopten de christenen in de
gevangenis of, erger, vermoordden hen. Dit veranderde onder
keizer Constantijn de Grote. In 313 zei hij in een soort wet
- het Edict van Milaan - dat alle christenen in vrijheid
mochten geloven in de God van de Bijbel. Zij werden niet meer
gevangengezet of gedood. In enkele grote steden gingen
nu christenen wonen die de kerk gingen leiden. Deze mensen
noemen we bisschoppen. De bisschoppen werkten alleen in de
steden en niet in de dorpjes. Op het platteland wisten nog weinig
mensen van het Evangelie. Daar geloofden de meeste mensen in
allerlei zaken die niet in de Bijbel stonden en vereerden ze
afgoden.
Cumbanus
De Romeinen
werden steeds zwakker. Hun legers werden verslagen of ze vertrokken
richting Italië. Zo verdwenen de Romeinen uit
Nederland. De Franken, een ander vk dat eerst met de Romeinen had
samengewerkt, kregen toen de macht in handen. De Frankische koning
Clovis (Chlodovech) trouwde met een christin. Hij liet zich in 506 in
Reims dopen. In de noordelijke gebieden van het Frankische
rijk werd echter weinig aan evangelisatie (het vertellen over
Jezus) gedaan. De grote kerken waren vooral
in het zuiden.
Vanuit Ierland kwam de zendeling Cumbanus (zie plaatje) in 591 in het
zuidelijke Frankische gebied aan om daar te preken en kloosters te
stichten. Hier gingen monniken wonen om door hun gebed en werk
God te dienen. Het was niet eenvoudig om de mensen die niets
van het christelijk geloof wisten, te vertellen over de
Bijbel. Veel mensen hielden vast aan hun oude niet-christelijke
ideeën en gewoonten. Daar kwam bij dat er in die tijd
veel oorlogen waren, waardoor het voor de zendelingen moeilijk
was om te reizen.
Willibrord
en Bonifatius
In 690
zette zendeling Willibrord voet op het Europese vasteland. Ook
hij kwam met een schip uit Ierland. In die tijd was
er een machtig man, de Frankische hofmeier Pippijn II, die
oorlog ging voeren tegen de Friezen. Hij veroverde het gebied waar de
Friezen woonden. Hierdoor kon Willibrord met elf zendelingen
aan het werk in het noorden (het zuiden van
Friesland tot aan de Rijn). Hij vestigde zich in Trecht
(Utrecht), een kleine Frankische grensplaats. Van daaruit ging hij naar
de Friezen toe om het Evangelie te vertellen. Deze Germaanse
stammen verzetten zich tegen de pogingen om hen te bekeren tot het
christendom, omdat zij de zendelingen als vrienden van de
Frankische veroveraars zagen.
Willibrord en
zijn medewerkers vernielden de afgodsbeelden van de Friezen en ook hun
'heilige' bomen. Pippijn probeerde Willibrord op zijn eigen
manier te helpen. Hij beloofde de
landheren (die veel macht en grond hadden) heel
veel goederen en allerlei voordelen, maar dan moesten ze wel
christen worden. Eigenlijk was dit omkoperij. Liet een
landheer zich dopen, dan vgden meestal ook alle boeren en anderen in de
omgeving. Zij waren immers afhankelijk van de landheer. Als de
mensen zich niet lieten dopen, zouden ze ruzie krijgen met de
landheer! Pippijn had er groot belang bij dat zoveel mogelijk Friezen
christen werden. Hij dacht namelijk dat christelijke
Friezen niet zouden gaan vechten tegen het
christelijke Frankische Rijk.
In 714
stierf
Pippijn. De Friezen onder leiding van hun koning Radboud (ook wel
Radbod of Redbad genoemd) grepen hun kans en veroverden onder meer
Utrecht op de Franken. Willibrord moest vluchten. Pippijn had een
zoon die Karel Martel
heette. Karel versloeg de Friese koning
Radboud. Zo kon Willibrord, die wel de apostel der Friezen
wordt genoemd, vanaf 719 zijn zendingswerk in het Friese gebied
voortzetten. Inmiddels was daar ook vanuit Engeland de
zendeling Wynfrith, beter bekend als Bonifatius, begonnen. Veel mensen
wilden niet naar hem luisteren omdat ook hij als een vriend van de
Franken werd gezien. In 754 werd hij door de Friezen bij Dokkum
vermoord (zie plaatje).
Willibrord
voerde op het vasteland de christelijke kalender in die door de monnik
Beda was gemaakt. Beda rekende vanaf Christus' geboorte (zoals die in
525 in Rome was berekend). Hij ging daarbij uit van
een paasdatum die steeds veranderde en bepaalde op basis
daarvan wanneer de andere christelijke feesten gevierd moesten
worden. Door de christelijke kalender kunnen we zeggen, dat we nu meer
dan "2000 jaar na de geboorte van Christus" leven. Voordat de
christelijke kalender werd gebruikt, rekende
men met de tijd dat een paus
of vorst aan de macht was. Dat zie je bijvoorbeeld in de
Bijbel nog terug. Kijk maar eens in Lucas, hoofdstuk 2, vers 2. Daar
wordt gesproken over de tijd, toen "Cyrénius
(of Quirinius) over Syrië stadhouder
was".
In 739 stierf Willibrord. Behalve de christelijke kalender liet hij ook
veel nieuwe woorden na. Sinds Willibrord kennen wij woorden als 'kerk',
'kerstmis' en 'heilig'.
Liudger
Na Willibrord
en Bonifatius kwamen er veel zendelingen uit Engeland en Ierland die in
het toenmalige Nederland het Evangelie verkondigden. Een uitzondering
hierop vormde Liudger (742-809; zie plaatje). Hij was de eerste
zendeling uit Nederland zelf. Liudger stamde uit een Fries geslacht dat
zich in de Vechtstreek vlakbij Utrecht had gevestigd. Na zijn studie
(die hij in Engeland vgde) ging hij preken in de buurt van
Dokkum en later in het noorden van Groningen. Uiteindelijk zou hij de
geschiedenis ingaan als de eerste bisschop van Munster.
Zendelingen in Liudgers tijd kregen 'hulp' van keizer Karel de
Grote bij de verspreiding van het
christendom. Hij liet iedereen doden die zich niet wilde laten
dopen. Uit angst voor de doodstraf lieten daarom heel veel mensen zich
dopen.
De kerk groeide uit tot een organisatie. Daarbij luisterde
zij vledig naar de aanwijzingen van de vorst die op
dat moment regeerde. Wilde men wat betekenen in het dagelijkse
leven, dan kon men niet om de kerk heen. De kerk en de regering van het
land werden als een eenheid beschouwd.
Alle niet-christelijke geloofsvormen en ideeën werden verboden
en verdwenen, maar het christelijke denken zoals de Bijbel het leerde,
vond echter nog onvdoende ingang bij de mensen. Velen dachten vooral:
wie Christus dient, wordt beloond met voorspoed, misschien op aarde,
maar zeker in de hemel.
Het overgaan tot het christendom was in deze tijd geen eigen keus, maar
men werd christen omdat ook anderen in de omgeving (dorpsgenoten,
familie of degene die je betaalde voor je werk) christen werden.
Reformatie
Maarten Luther
Veel mensen
konden niet lezen. De Bijbel was bovendien alleen in het Latijn
vertaald. Zelf in de Bijbel lezen, was voor de meeste gelovigen dus te
moeilijk. Zij waren afhankelijk van wat de geestelijke leiders
in de kerk zeiden. Die legden de Bijbel niet altijd op een goede manier
uit. Er ontstonden verschillende
regels, ideeën en gewoonten, die in tegenspraak waren
met wat er in de Bijbel stond.
Een voorbeeld daarvan waren aflaten. Een aflaat was een bewijs
dat men niet of minder gestraft zou worden voor de zonde die men had
begaan. De kerk verkocht deze stukken papier en verdiende er geld aan.
In 1517 schreef professor Maarten Luther 95 stellingen
(opmerkingen) tegen de aflaat en luidde daarmee een
nieuwe tijd in die de 'Reformatie' wordt
genoemd. Het werd het begin van een - in die tijd - geheel andere kijk
op de Bijbel en de leer van de kerk. De Bijbel en alle christelijke
boeken waren toen nog alleen in het Latijn beschikbaar. Luther ontdekte
in zijn Latijnse Bijbel dat het ging om 'sa fide',
'sa scriptura' en 'sa gratia'. Deze termen betekenen: alleen het
geloof, alleen de Schrift en alleen de genade. Hiermee bedoelde
Luther, dat mensen nooit een plaats in de
hemel kunnen verdienen door heel goed te leven. Ook kon men de
straf op de zonde niet ontlopen door een aflaat te
kopen. Luther ontdekte, dat in de Bijbel staat dat we moeten
geloven in Christus en wat Hij heeft gedaan (dus 'alleen het geloof').
Daarbij moeten we niet allerlei ideeën van mensen geloven,
maar alleen de Bijbel (dus 'alleen de Schrift'). Wij worden
niet gered van onze schuld en zonde omdat wij zo goed zijn,
maar alleen omdat God zo goed is en zoveel liefde heeft. Hij
schenkt vergeving en maakt ons gelukkig terwijl we het niet
verdiend hebben. Dat noemen we genade (dus 'alleen de
genade').
Naast Luther waren er nog anderen die met een nieuwe kijk op
het geloof kwamen: Calvijn in Genève en Zwingli in
Zürich. Op bepaalde punten weken hun ideeën van
elkaar af. Daardoor ontstonden er verschillende groepen, zoals
de lutheranen (aanhangers van de ideeën van
Luther) en de calvinisten (aanhangers van de ideeën
van Calvijn). Ook waren er zogenoemde 'spiritualisten'. De
bekendste spiritualisten waren de anabaptisten of dopersen.
De denkbeelden van mensen zoals Calvijn en Luther werden razendsnel
verspreid. Dit kwam ook door de uitvinding van de
boekdrukkunst, waardoor boeken niet meer overgeschreven hoefden te
worden. Door al die nieuwe ideeën werd er
veel gesproken, geschreven, gelezen en gepreekt over wat nu de juiste
manier was om te geloven. Daardoor was er weinig aandacht
voor zendingswerk. De christenen vonden het ook niet zo nodig.
In de zestiende eeuw had de kerk veel
invloed op alle mensen. De kerk - rooms-kathiek, luthers of
calvinistisch - was overal aanwezig. Men vond
het daarom belangrijker om zich te richten op wat en hoe men
geloofde. Wel had de kerk de taak om, samen met de vorsten,
ervoor te zorgen dat het leven van het vk gericht was op de
eer van God.
De rooms-kathieken reageerden fel op de Reformatie. Zij vervgden de
'protestanten', zoals alle aanhangers van mensen als Luther en
Calvijn werden genoemd. Ook stelden de rooms-kathieken de
beruchte inquisitie in. Dit was een rechtbank om de
protestanten te berechten. De protestanten hadden echter ook
onderling hun ruzies, die niet altijd alleen met woorden werden
uitgevochten. Soms vervgde de ene groep protestanten een andere groep
protestanten.
Gereformeerde
Kerk
Na de beeldenstorm van 1566 trok de hertog van Alva de Nederlanden
binnen om namens Filips II orde op zaken te stellen. Hij
trad streng op en liet veel mensen oppakken en doden. Omdat de
rooms-kathieke Filips II niet aardig was voor de mensen,
werden juist meer mensen protestant. Uiteindelijk zou
- onder andere door de Nederlandse Opstand met Willem
van Oranje (ook bekend als de 'Tachtigjarige Oorlog') - de
macht van de rooms-kathieke kerk boven de rivieren gebroken worden. Het
zuiden bleef overwegend kathiek.
In 1571 vond er een synode (kerkvergadering) van
gereformeerden plaats in Emden. Daar maakten zij regels voor het
kerkelijke leven. Deze synode kan gezien worden als het begin van de
Nederlandse
Hervormde
(Gereformeerde) Kerk. Verschillende synodes vgden nog, waaronder de
bekende nationale synode van Dordrecht in 1618-1619, waarin het besluit
viel om de complete Bijbel vanuit het Hebreeuws, Aramees en
Grieks (waarin de Bijbel oorspronkelijk is geschreven) in het
Nederlands te vertalen. In 1637 kwam deze bijbelvertaling (de
'Statenvertaling') uit.
Voor het eerst
konden de mensen nu een goede vertaling van de Bijbel in hun eigen taal
lezen. Voordat de Statenvertaling er was, waren er wel wat pogingen
ondernomen om de Bijbel in het Nederlands te vertalen, maar dat waren
niet zulke nauwkeurige vertalingen.
De
Gereformeerde Kerk werd voor lange tijd de enige officieel erkende kerk
van Nederland. Haar predikanten werden betaald door de overheid. Hoewel
de Gereformeerde Kerk nooit een staatskerk was met een automatisch
lidmaatschap van iedere burger, had zij wel veel invloed op
het leven. Alle huwelijken bijvoorbeeld werden door de
gereformeerde predikanten gesloten. Praktisch elke baby werd
door hen gedoopt, of de ouders nu rooms-kathiek of gereformeerd waren
of helemaal niet geloofden. Heel het vk was dus op de een of andere
manier bij de kerk betrokken. Deze vkskerk was niet meer weg
te denken uit het dagelijkse leven, maar het aantal mensen dat
belijdenis van het geloof deed, bleef klein.
Het denken over de Bijbel en hoe men moest geloven, ontwikkelde zich
verder. In de 17e eeuw waren er heel veel mensen in de Gereformeerde
Kerk die beïnvloed werden door de ideeën
en gedachten van Engelse christenen (de zogenoemde
'puriteinen' en 'piëtisten'). Zo kwam er een nieuwe
periode, die we 'Nadere Reformatie' noemen. De aanhangers van
de Nadere Reformatie (die 'bevindelijken' worden genoemd) wilden dat er
door het vk meer naar de Bijbel werd geluisterd. Daarbij merkten ze op,
dat het geloof iets heel persoonlijks is. Een familielid,
vorst of de kerk kan niet voor jou geloven. Je moet het zelf
doen. Zij vonden dat de gelovige persoonlijk moest
ervaren dat de redding die God schenkt, ook voor hem geldt.
Na
de Franse Revolutie
Onder invloed van de 'Franse
Revutie' (1789) - een tijd in Frankrijk waarin het vk
in opstand kwam tegen de machthebbers in het land -
gingen steeds meer mensen vinden dat er
een scheiding moest komen tussen de kerk en
de staat (het land). Dit betekende onder meer dat de
kerk niet meer kon bepalen hoe het dagelijks leven in het land
geregeld moest worden. De kerk mocht zich alleen met haar
eigen zaken bemoeien. Velen gingen zich in deze tijd
'hervormd' noemen. Een gedeelte (met name de bevindelijken) liet zich
liever 'gereformeerd' noemen.
Door de lossere band met de staat groeide het besef om als kerk zelf verantwoordelijk te zijn voor het doorgeven van het Evangelie buiten de kerkmuren. Natuurlijk werd het Evangelie al verspreid in het buitenland. Handelaars en veroveraars trokken naar allerlei verre landen en zendelingen vgden hen. Maar zending in Nederland was nog een uitzondering. In 1797 richtte de arts J. Th. van der Kemp het Nederlandsch Zendeling Genootschap op, 'ter voortplanting en bevordering van den Christelijken Godsdienst, bijzonder onder Heidenen'. Met de heidenen bedoelde hij alle mensen die nog geen christen waren. Het verslag van het genootschap dat in 1798 verscheen, meldde dat men dacht aan een opleiding van 'Katechizeermeesters'. Dit zijn mensen die catechisatie (onderwijs in het geloof) konden geven. Uit deze katechizeermeesters zouden dan zendelingen worden gekozen die in Nederland aan de slag zouden gaan.
Koning Willem I
Nederlandse
Hervormde Kerk
De Franse keizer Napeon veroverde heel veel gebieden, waaronder ook
Nederland. In 1813, nadat Napeon niet meer zo sterk was en zijn legers
uit veel landen waren verjaagd, werd Nederland een koninkrijk onder
koning Willem I. Hij kreeg veel invloed op de Gereformeerde Kerk, die
haar naam veranderde in de Nederlandse Hervormde Kerk. De invloed van
de koning op het kerkelijk leven werd geregeld in het
'Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het
Koninkrijk der Nederlanden'.
In het begin benoemde Willem I zelfs de leden van de synode.
De kerk werd zo georganiseerd, dat niet de gemeenten
konden bepalen hoe het er in de kerk moest toegaan, maar dat 'van
bovenaf' regels werden opgelegd. De synode had de meeste
macht. Pas in 1951 zou de Hervormde Kerk met een nieuwe kerkorde (dat
zijn regels hoe de kerk bestuurd moet worden) komen. Daarin
zouden de gemeenten een veel belangrijker
r krijgen. Toch is het denken 'van bovenaf' altijd
een kenmerk van de organisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk
gebleven.
In 1814 werd het Nederlandsch Bijbel
Genootschap opgericht om de Bijbel
goedkoop (en zo mogelijk gratis) te verspreiden.
Kerk
in beweging
Het kerkelijk
leven was in de negentiende eeuw sterk in beweging. De Verlichting, een
periode in de geschiedenis waarin nadruk werd gelegd op het
menselijk verstand, beïnvloedde ook het denken over de Bijbel
en het geloof. Heel veel mensen vonden hun eigen gedachten belangrijker
dan wat de kerk of de Bijbel leerde. Daarop kwam een
reactie: het 'Réveil'. Mensen van deze beweging
riepen op om terug te keren naar de christelijke belijdenis (door vast
te houden aan wat de Bijbel leerde) en door christelijk te
leven. De mensen van het Réveil deden heel
veel: arme mensen werden gehpen en het Evangelie werd
verteld. Er ontstonden organisaties voor landelijk jeugdwerk
en zondagsschowerk. Christelijke boeken en tijdschriften werden
verspreid en verwaarloosde jeugd werd opgevangen in
tehuizen.
Dominee Jan de
Liefde (zie het plaatje) evangeliseerde (gaf het Evangelie
door) in Amsterdam. Daaruit ontstond de vereniging 'Tot
heil des volks' (1855). Predikanten die niet
meegingen met allerlei nieuwe ideeën over hoe men moest
geloven, richtten de Confessionele Vereniging op. Zij
wilden vasthouden aan de belijdenis (de 'confessie') van de kerk.
De scheiding
van kerk en staat nam steeds vastere vormen aan. Allerlei
groepen binnen de kerk roerden zich. Er kwam ruzie tussen de
christenen, waardoor ze niet meer in één kerk bij
elkaar bleven. Kerkscheuringen vonden plaats in 1834 (de zogenoemde
'Afscheiding') en in 1886 (de zogenoemde 'Deantie'). Zo ontstonden er
naast de hervormde kerk allerlei andere kerken, die zich al dan
niet 'gereformeerd' noemden.
In 1889 werd
gekeken wie er allemaal in Nederland woonden. Daaruit bleek
dat Nederland 48,88% hervormden, 35,58% rooms-kathieken en
8,21% gereformeerden telde. Van de Nederlandse bevking was 1,47% niet
bij een kerk aangesloten.
Sommige predikanten verlieten de kerk omdat zij niet meer in God en de
Bijbel geloofden.
Anderen bleven
wel, maar onder invloed van geleerden die kritiek op de
Bijbel hadden, twijfelden zij of Jezus wel uit de
dood was opgestaan. Veel mensen gingen op een andere manier met de
Bijbel om en geloofden niet meer zoals de gereformeerde
christenen dat deden. In 1906 richtte een aantal
mensen die grote zorgen hadden over wat er in de hervormde kerk werd
verkondigd de Gereformeerde Bond
op. De Bond formuleerde zijn doelstelling in 1909 als vgt: 'komen tot
oprichting van de Hervormde Kerk uit haar diepen val, en tot
wederverkrijging van hare plaats in het midden van ons vk vanouds door
den Heere aangewezen, met vasthouding aan de Dordtsche Kerkorde van
1619.'
Mensen uit de kring van de Gereformeerde Bond hebben in 1935
de IZB opgericht.
Onkerkelijkheid
De Eerste
Wereldoorlog (1914-1918) maakte duidelijk dat de mens tot iets
verschrikkelijks in staat was. Ook in Nederland - dat buiten
de oorlog bleef - maakte deze afschuwelijke oorlog indruk.
Mensen voelden zich onzeker. Christenen hoopten dat
niet-gelovigen aandacht voor het Evangelie zouden krijgen.
Daarom gingen meer mensen zich met evangelisatiewerk
bezighouden. Zo begon de 'centraal bond voor inwendige zending en
christelijk philanthropische inrichtingen' in 1925 met zijn
werk. Johan de Heer evangeliseerde met een witte tent en werd
later bekend door zijn liederenbundel.
De 'verzuiling' kwam op. Dit hield in dat elke groep haar
eigen verenigingen, schen, bladen en een eigen radio-omroep kreeg. Zo
was er de NCRV als omroep voor de protestanten, de
KRO voor de rooms-kathieken en de VARA voor de socialisten
(mensen die streefden naar een samenleving waarin
iedereen gelijk was. Zij kwamen op voor de arbeiders die niet zoveel
verdienden).
In 1930 telde Nederland bijna acht miljoen inwoners. De bevking groeide
snel en de steden werden steeds groter. Dat had allerlei gevgen: mensen
in de kerk kenden elkaar niet zo goed meer. Ook lette men minder op
elkaar.
De hervormde kerk was door de jaren heen vooral een kerk
geworden van mensen die niet heel rijk, maar ook niet heel arm waren.
De meeste hervormden verdienden hun geld als bijvoorbeeld
winkelier, ambtenaar of onderwijzer. De arme landarbeiders
voelden zich daarom niet zo thuis in de hervormde kerk. Verplicht lid
zijn van een kerk (om daarvan geld te kunnen ontvangen als men
arm was) hoefde niet meer, want de overheid ging meer doen in
de armenzorg. Hierdoor viel voor velen de noodzaak weg om lid
van een kerk te zijn. De onkerkelijkheid groeide. In 1930 was
14,42% van de Nederlanders niet bij een kerk aangesloten.
De
wereld in
In en na de Tweede Wereldoorlog (die in 1945 eindigde) leefde bij velen
de gedachte dat er iets moest veranderen, ook in de kerk. Men vond dat
de kerk zich niet moest terugtrekken in haar eigen wereldje,
maar van zich moest laten horen in het dagelijkse
leven. Ook mocht het evangelisatiewerk niet overgelaten worden aan
enkele enthousiaste gemeenteleden, zoals tot dan toe was gebeurd. Nee,
het zendingswerk was een taak voor heel de kerk. In 1945
werd het hervormde instituut 'Kerk en Wereld' in het
leven geroepen. Hier werden werkers in kerkelijke arbeid
('wika's') opgeleid om mensen die weinig of niets van het
Evangelie wisten, te bereiken.
De hervormde kerk kreeg een nieuwe kerkorde in 1951. Ook
daarin stond, dat de kerk zich meer moest bemoeien met alles wat er in
de wereld speelde.
Er veranderde heel veel na de oorlog. De bevking groeide verder, er
kwamen meer steden, meer fabrieken. De uitvinding van de televisie
zorgde ervoor dat wat er aan de andere kant van de wereld gebeurde,
bekend werd in de huiskamers van de mensen. Mensen hoorden daardoor
meer over allerlei godsdiensten en ideeën. Wat geleerde mensen
zeiden en dachten (de wetenschap), werd door veel mensen belangrijker
gevonden dan wat in de Bijbel stond. Hierdoor kwam
er minder aandacht voor het christelijk
geloof en de kerk. Veel mensen gingen zelf bepalen
wat goed en fout is en luisterden niet naar wat in de kerken gezegd
werd. Heel veel mensen verlieten de kerk
(ontkerkelijking). In 1960 ging bijna de helft van de
Amsterdammers niet meer naar de kerk.
Een evangelist (iemand die aan andere mensen het Evangelie doorgeeft) van de IZB schreef vijf jaar daarvoor: "Ik vrees dat het nog wel eens waar kon worden, wat één van mijn onderwijzers op de lagere scho veertig jaar geleden reeds opmerkte: 'Jongens, wij zenden zendelingen naar de heidenlanden [de landen waar niemand van de Bijbel weet], nu misschien moeten ze nog eens uit de heidenlanden van nu, later komen om hier het Evangelie te brengen." Met andere woorden, in Nederland groeiden zoveel mensen op die niets van de Bijbel weten, dat er vanuit andere landen mensen zouden komen om hier te evangeliseren (over Jezus vertellen). En dat gebeurde inderdaad. Vanuit Amerika kwamen diverse predikers naar Nederland. Mensen die ziek waren, konden tijdens de bijeenkomsten van deze evangelisten voor hun genezing laten bidden.
Beroemd zijn
de bijeenkomsten van T.L. Osborn, die in 1958 op het
Haagse
Malieveld (zie plaatje) velen wist aan te spreken. Osborn kan
gerekend worden tot de pinksterchristenen. Dit zijn christenen die
sterke nadruk leggen op de persoon en het werk van de Heilige Geest in
de gelovigen. Vooral na de oorlog kwamen er nog andere groepen
christenen in Nederland bij, zoals de evangelische gemeenten.
Daar zongen ze tijdens de diensten niet uit een psalmboek en gebruikten
ze gitaar en drumstel in plaats van het kerkorgel.
Het leven in een eigen 'zuil' (met eigen organisaties, krant,
vereniging enzovoort) werd door veel mensen in de jaren zestig als
steeds minder belangrijk ervaren. De Nederlanders werden
steeds rijker en konden daardoor meer doen. Ook kregen ze meer vrije
tijd, omdat de meesten niet meer op zaterdag hoefden te werken.
Velen trokken er in het weekend op uit, waardoor het
bezoeken van de kerkdiensten ook terugliep. In
1971 was 22,5% van de Nederlanders niet bij een kerk
aangesloten. En dat aantal zou alleen maar groeien.
Verschillende
zendingsmanieren
Zowel vanuit de kerken als vanuit de evangelische
christenen werden pogingen gedaan om het Evangelie in
Nederland te verspreiden. In veel kerken werden evangelisatiecommissies
opgericht. Zij probeerden zoveel mogelijk gemeenteleden te betrekken
bij het zendingswerk in Nederland en gingen zelf ook aan de slag om
mensen over God te vertellen.
Lees ook eens: Handleiding Evangelisatie
De Evangelische Omroep
werd opgericht om via radio en tv het Evangelie door te
geven.
Verschillende organisaties ontwikkelden in de loop der
jaren allerlei evangelisatiematerialen. Bekende
evangelisatiebladen zijn ECHO
(uitgave van de IZB en de Christelijke Gereformeerde Kerken) en de
Elisabethbode (uitgave van Stichting Elisabethbode, nu EB
Media). Ook verscheen het blad 'Open Deur' dat nu door mensen
uit verschillende kerken wordt gemaakt.
Youth for Christ begon
in de jaren zestig de 'koffiebar': een plek waar christenen en niet-
christenen in
een ongedwongen sfeer konden praten over het Evangelie. De
internationale evangelisatieorganisatie Campus Crusade for Christ
vestigde zich in 1969 in Nederland onder de naam 'Instituut voor
Evangelisatie' (later 'Agapè'
geheten). Het Instituut voor Evangelisatie organiseerde in de jaren
tachtig de
Er is hoop'-evangelisatieacties. Ook kwam het Instituut voor
Evangelisatie met de film 'Jesus', een verfilming van het
Lucasevangelie, die nog steeds veel gebruikt wordt.
In 1970 werd
door de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk het 'Hervormd
Evangelisch Beraad' (HEB) in het leven geroepen. Ook het
HEB hield zich met evangelisatiewerk bezig.
De ontkerkelijking in Nederland ging door en de invloed van de kerk op
het dagelijks leven werd steeds kleiner. De kerken gingen nadenken over
nieuwe manieren om het Evangelie door te geven. Er
werden allerlei cursussen voor gemeenteleden
ontwikkeld, zodat zij konden leren hoe zij hun onkerkelijke
buren konden bereiken met de boodschap van de
Bijbel. Ook werden er onderzoeken gedaan en rapporten
geschreven over de manier waarop in Nederland het Evangelie moest
worden verspreid.
In
1996 begon de IZB, samen met de Evangelische Alliantie en
Youth for Christ, met de Alpha-cursus.
Dat is een cursus van tien avonden en een weekend en is
bedoeld als beginnerscursus over het christelijke geloof. Deze
evangelisatiemethode sprak duizenden mensen aan. Zij vgden de
Alpha-cursus en velen kwamen tot geloof. Inmiddels is de Alpha-cursus
ondergebracht in een aparte stichting. Als vervg op de
Alpha-cursus - maar ook los daarvan - konden kerken en gemeenten
gebruik gaan maken van het Emmaüs-materiaal.
Dit materiaal kwam, evenals de Alpha-cursus, uit Engeland en werd door
de IZB, de Christelijke Gereformeerde Kerken en de Gereformeerd Kerken
Vrijgemaakt vertaald en bewerkt.

Veel
Nederlanders zijn niet met de Bijbel opgegroeid. De taal van de
Bijbel vinden zij erg moeilijk. Voor deze mensen is
de Bijbel in de afgelopen tientallen jaren opnieuw vertaald in
het Nederlands. Bekend zijn de 'Groot
Nieuws Bijbel', 'Het
Boek' (waarin de bijbelteksten in
gewoon Nederlands worden naverteld) en de in 2004 uitgekomen Nieuwe
Bijbel Vertaling. Door de komst van
Turken en Marokkanen en later asielzoekers kwam er
ook aandacht voor het evangelisatiewerk onder moslims. Onder
meer Stichting Evangelie
en Moslims en Stichting Gave
gingen zich hiervoor inzetten.
Meedoen
De kerkverlating bleef maar doorgaan. In 1960 ging 56 procent
van de Nederlanders geregeld naar de kerk. In 2005 was dat aantal
gedaald tot 12 procent. Bijna twee op de drie Nederlanders noemt
zich op dit moment buitenkerkelijk.
In 2004 gingen de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken
in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der
Nederlanden samen in de Protestantse Kerk in Nederland.
De synode (het bestuur) van de Protestantse Kerk in
Nederland vindt het evangelisatiewerk - en dus ook wat de IZB
doet - heel belangrijk. Aan materialen,
ideeën en manieren om het Evangelie door te geven is
geen gebrek. Nog wel aan mensen die willen
meedoen. Zodat heel veel mensen het Evangelie horen en gaan
geloven. De Bijbel spreekt daarom over een 'oogst' van nieuwe
christenen, die binnengehaald moeten worden. Laten we
daarom aan zoveel mogelijk mensen het Evangelie
doorgeven.
Toen zei Jezus
tot Zijn discipelen: "De oogst is wel groot, maar er zijn weinig
arbeiders (werkers). Bidt daarom de Heer van de oogst of Hij
arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen."
Mattheüs,
hoofdstuk 9, vers 37 en 38.
Lees
hier eens verder : bediening van verzoening aan traditionele en
seculiere mensen
download : Zending in het voetspoor van Christus - boek van Lesslie
Newbigin
Samenvattingvan het boek:
Evangelisatie is geen project van ons maar een aankondiging
van
Gods nieuws 13 Het nieuws is dat God regeert: Jezus is gekomen. 14 Dat
nieuws moet je geloven, je moet daarover een beslissing nemen, bekeert
u want het koninkrijk van God is nabij. Geloof het evangelie. 14 Je
zult het niet zien, geloof het 15. Dit geloof is gave en roeping van
God 16 De tegenwoordigheid van Gods heerschappij is niet zo duidelijk
17. Het evangelie is dat het koninkrijk nabij is. 18. Waarom komt dit
bij Paulus en de tegenwoordige evangelisatie zo weinig aan de orde?
Omdat Jezus het koninkrijk is. Het koninkrijk van God heeft een
menselijk gezicht, een menselijke naam. Jezus van Nazareth. 19 Het
evangelie, het goede nieuws wordt ons aangezegd. Het nieuws is dat de
heerschappij van God, tegenwoordig in Jezus, ons allemaal onder het
oordeel en in dezelfde daad gebracht heeft, ons allemaal onder zijn
zegen gebracht heeft. Bij het kruis zijn geen zijn geen onschuldige
partijen. Daar weten we dat we allemaal schuldig zijn en toch allemaal
vergeven, geliefd, bevrijd zijn. Het goede nieuws is, dat we
vrijgemaakt zijn. Het is vanuit deze reëel geschonken
vrijheid,
dat we in gerechtigheid en barmhartigheid kunnen handelen.21Vroeger
werd Jezus gepreekt losgekoppeld van het koninkrijk. Dan beperk je
geloven tot persoonlijke verlossing en laat je het openbare leven voor
satan. En als je het koninkrijk predikt zonder Jezus breng je een lege
ideogie 21. De loskoppeling van Jezus en het koninkrijk maakte ook wel
dat men over het koninkrijk van God sprak als over vooruitgang van de
maatschappij 20. In Jezus is het koninkrijk tegenwoordig en hij
verkondigt het 22 Hoe is het koninkrijk tegenwoordig in Jezus? 22 Jezus
stuurt discipelen uit om te genezen (Mat.10:1) en zegt dan het
koninkrijk der hemelen is nabij. De prediking is de interpretatie van
het gebeurde. 23 Daden zonder woorden zijn stom, woorden zonder daden
zijn stom 23 Onze inspanningen, daden van gerechtigheid en
barmhartigheid zijn op zijn best tekenen van het koninkrijk om mannen
en vrouwen te helpen zich te bekeren en te gaan geloven in de realiteit
van het koninkrijk 24. De kerk is alleen trouw aan haar roepring als ze
een teken, een instrument en een voorsmaak is van het koninkrijk.
25 Een vraag over het koninkrijk: een belofte van de Geest
Hand.
1:6-8
6 Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here,
herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? 7 Hij
zeide
tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten,
waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, 8 maar gij
zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij
zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en
tot het uiterste der aarde.
Bent
u optimistisch over de kerk? Die vraag is niet terzake. Ik geloof in de
opstanding. Het evangelie is nieuws over het koninkrijk dat je gelooft
of niet gelooft. 30 Herstelt u in deze tijd het koningschap? 29
Antwoord: het is niet jullie project. En antwoord is: De heilige Geest
zal komen en jullie zullen getuigen. De Geest is het beloofde voorschot
van het koninkrijk. Vgl voor ‘Geest als voorschot’
Rom.5:23, 2 Kor. 1:22, Ef. 1:14. Een voorschot is concreet, werkelijk
deel van wat straks vkomen, veel groters, komt. Zo is het een belofte.
Dit concrete voorschot (de uitgestorte Geest) maakt de kerk getuige van
het koninkrijk. Dat voorschot nu al maakt dat het getuigenis geen taak
van de kerk is maar een gave. En dat maakt dat evangelisatie
overstromen is.31 Vgl Jes. 43:8:11 De Heer getuigt zelf. En
Israël
getuigt ook aan de natiën. De Geest getuigt (Joh.15:26,27) en
de
discipelen getuigen ook. Getuigen van de machtige daden van God. in het
OT en NT (Vgl. 1 Petr. 2:9. KvL) Niet alleen in OT, ook in NT is het
God die de grote initiatiefnemer bij de zending 33. Bij zending en
evangelisatie is verder steeds belangrijk de aanwezigheid van een
gelovige, dienende, vierende gemeente van mensen, die intens betrokken
zijn bij het gewonen leven van hun omgeving. Tegelijk was wezenlijk het
werk van de Geest in het leven van de gemeente door de gelovige woorden
en daden van haar leden dat doorwerkte in de gemeenschap. 34 Het is dus
niet zo dat de kerk een opdracht heeft en de Geest die helpt vtooien.
35 Paulus geeft ook nergens zo’n opdracht. Zelf kan hij niet
zwijgen over Jezus, maar hij bezwaart daarmee niet het geweten van zijn
lezers. Evangelisatie vloeit voort uit een belofte, ze is er de
vervulling van: Gij zult mijn getuigen zijn als de heilige Geest over u
komt. 35. Delen in het lijden: getuigen van de opstanding
Joh.
20:19-23
19 Toen het dan avond was op die eerste dag der week en ter plaatse,
waar de discipelen zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees
voor de Joden, kwam Jezus en stond in hun midden en zeide tot hen:
Vrede zij u! 20 En na dit gezegd te hebben toonde Hij hun zijn handen
en zijn zijde. De discipelen dan waren verblijd, toen zij de Here
zagen. 21 [Jezus] dan zeide nogmaals tot hen: Vrede zij u! Gelijk de
Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. 22 En na dit gezegd te hebben,
blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de heilige Geest. 23 Wie
gij hun zonden kwijtscheldt, die zijn ze kwijtgeschden; wie gij ze
toerekent, die zijn ze toegerekend.
De discipelen hadden de deuren achter zich dicht gedaan, maar
Jezus zendt hen de wereld in. 37 Ze zijn niet alleen, Hij is in hun
midden. Zoals de vader mij zond zend ik jullie. Ga door met wat ik kwam
doen. In deze zending bestaat het leven van de kerk. 37 Zoals de vader
mij zond zend ik jullie. En Hij toonde hun zijn handen en zijn zijde.
De littekens van Jezus maakten de discipelen duidelijk dat het Jezus de
verlosser en overwinnaar was. De kerk is ook het gekruisigde lichaam
van Christus. Een schat in aarden vaten, 2 Kor. 4:7: in druk, in het
nauw, om raad verlegen, vervgd, het sterven van Jezus omdragende. We
zijn het echte lichaam van Jezus. Deze kerk is de bode van de zending.
De kerk is de tegenwoordigheid (voorschot) van het koninkrijk. 38, 39,
40. Jezus gaat de confrontatie aan met alle machten en overwint ze
betalend aan het kruis, zich onderwerpend aan zijn Vader, uitroepend:
het is vbracht. Hier begint in vledige kwetsbaarheid met de dood nieuw
leven. 40, 41Zijn aanspraak in kwetsbaarheid op het koningschap deed
Hij ook toen Hij op een ezel naar Jeruzalem reed. 42 Geen afzondering
van de wereld. En geen verbintenis met de wereld. Maar compromisloze
confrontatie in de kracht van het koningschap van God. Gods
heerschappij breekt in op overheden en machten zegt Paulus. Onze
prediking zal zo de wreedheid, hebzucht en verspilling van de
maatschappij aan de kaak stellen in de strijd voor gerechtigheid en
barmhartigheid. 42 Zo worden tekenen van het koninkrijk van God
opgericht. Die stellen mensen in staat nu al een voorsmaak te genieten
van de vreugde en de vrijheid van het koninkrijk en aan de gang te
blijven in het vaste vertrouwen op zijn vle verwerkelijking. 43, 44
‘Ontvangt de heilige Geest.’ De Geest speelt een
duidelijke
r in de zending. De Geest is niet werkzaam enkel in de prediking van
het woord, maar ook in elk woord en elke daad van geloof die voortkomen
uit dit nieuwe leven in Christus en heenwijzen naar de tegenwoordigheid
van Gods heerschappij. 44 Er bestaat een gebod: ‘Zend Ik ook
u’. Augustinus zei echter al: ‘God schenkt eerst
dat wat
God gebiedt’. Alleen de gave van de Geest vormt de kerk tot
zending, tot een getuigenis, en een voorsmaak van het koninkrijk. 44
Het zonden kwijtschelden en toerekenen wordt beheerst door het
‘Vrede zij u’.en het tonen van zijn littekens. De
wonden
van Christus dringen ons tot berouw en hoogmoed. Tot nederigheid. Tot
verzoening vragen. Maar Gode zij dank, Hij is niet verslagen. Ondanks
alle zonde die het leven van de kerk belaagt is er genade genezing,
vergeving, bevrijding van schuld. Het ware leven van de kerk wordt
gevonden waar zending plaatsvindt in het voetspoor van Christus, waar
de kerk inderdaad herkenbaar is als zijn lichaam. Omdat zij de
littekens van zijn lijden draagt. 46 Een gave, een opdracht en een
belofte. Mat 28:18-20
18 En Jezus trad naderbij en sprak tot hen, zeggende: Mij is gegeven
alle macht in de hemel en op [de] aarde. 19 Gaat dan henen, maakt al de
vken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vaders en des
Zoons en des Heiligen Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u
beven heb. 20 En zie, Ik ben met u al de dagen tot aan de veinding der
wereld.
Tot William Carey (1761-1834) werd deze tekst nooit als de basis tekst
voor de zending gebruikt. In het nieuwe testament wordt deze tekst zo
niet gebruikt. Pas in de laatste 2 eeuwen wordt deze tekst gebruikt en
dan in het westers protestantisme, de tijd van pitieke en economische
expansie waar de zending vaak mee verbonden was. Deze tekst los nemen
maakt haar tot een gebod, meer dan een uitdrukking van het evangelie,
een last, meer dan het werk van de Geest waarin we meegenomen worden.
47 Het tekstdeel begint niet met een gebod maar met een
overwinningskreet, vgl Ps. 93. Dat roept op: ‘wee mij als ik
het
evangelie niet verkondig’. 48 Israël, de drager van
de
belofte gaat de wereld in, die de begunstigde is. vken tot discipelen
maken. Woorden van profeten en psalmen worden werkelijkheid. 48 Bij dit
‘discipelen maken’ zijn we persoonlijk betrokken
ook in die
zin dat wij ook zelf veranderen. Of zijn we er alleen op uit om de
ander te veranderen? 50 Tot discipel maken is niet de westerse cultuur
opleggen. Het houdt in leren wat Christus geboden heeft. Dwz zien wat
de bediening van Jezus is. Niet een nieuwe code van wetten, maar een
nieuw soort van leven dat uiteindelijk sommige cultuuraspecten vrijwel
zeker onder kritiek zal stellen. 51, 52 Vken zijn geen staten, en geen
individuele mensen. Denk aan stammen, kastes, clans, enz. Let op dat
het dopen wel op personen slaat. 52 Het gezin van God kenmerkt zich
door eenheid niet door uniformiteit. Door verscheidenheid niet door
verdeeldheid. Waar liefde en vrijheid de absute waarden zijn.
Christenen uit de heidenen zijn geen doorslagen van joden maar zitten
wel in één gezin. Etnische en culturele
verscheidenheid
wordt opgenomen in de nieuwe werkelijkheid die ons in God door de Geest
geschonken is. Deze werkelijkheid is een belofte, geen bevel. Zie ik
ben met u tot het eind van de wereld. Het is de tegenwoordigheid van
een nieuwe werkelijkheid in het leven van de wereld, de
tegenwoordigheid van de opgestane Heer zelf, die de drijfkracht van de
zending is. Hij alleen is het die alle mensen tot zich kan trekken.
Joh. 12:32. 53 (deze samenvatting is geschreven door Koos van Loo)



















