Een
openbaring: De Schepping
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God:
Bijbelstudie
001 - DE SCHEPPING
Leer
God ook kennen in de natuur
Tot Hoe zit het eigenlijk met de schepping?
Bekijk eens DEZE ANIMATIE
De Schepper is de
Almachtige, die het heelal tot in de verste uithoeken bestuurt, de
grote God der goden, Heer der hemelse legerscharen, de allerhoogste, de
Oppermajesteit aan de ene kant.
Wij mensen daarintegen zijn zwakke mensen, klein, breekbaar en
machteloos.
Het evangelie: zulke nietige mensenkinderen die vertrouwelijke omgang
mogen vinden met de Almachtige. Immers, waar zijn wij veiliger dan in
de schaduw van die almachtige Schepper én Onderhouder van
hemel en aarde ?!
Veel mensen met evonzovele vragen.
Op de keper
beschouwd is het niet zo verwonderlijk dat alle mensen zich al
eeuwenlang afvragen hoe de wereld is ontstaan. Er gaat geen dag voorbij
of je wordt er bij bepaald. Zo zal het jou ook wel gaan: waar komt dit
alles om mij heen eigenlijk vandaan?
Het is even
natuurlijk dat er op die vraag al veel antwoorden bedacht zijn.
Antwoorden die onderling sterk verschillen. Er zijn bijvoorbeeld de
mythen die vroegere volken kenden. Verhalen over het ontstaan van mens
en dier, water en land. Die ver- tellingen zijn meestal sterk bepaald
door plaatselijke omstandigheden. Soms speelt een hoge berg een rol en
een andere keer staat in de verhalen de zee centraal.
Er is veel bedacht door mensen
Al die verhalen en
mythen zijn bedacht door mensen en van vader op zoon overgeleverd. Er
werden steeds nieuwe elementen aan het verhaal toegevoegd. Het zijn
fantasieën die je geen stap dichter bij de waarheid brengen.
Vaak speelden in de mythen bepaalde natuurverschijnselen een
belangrijke rol. Maar naarmate er meer begrip ontstond van de natuur,
bleef steeds minder overeind van de verhalen. De kennis van de mens nam
toe, de mythen en sagen verdwenen.

Vertel het aan de kinderen - GOD
DIE ALLES MAAKTE
Héél lang geleden was er nog helemaal
niets, alleen maar een woeste donkere leegte. Er waren geen bloemen of
bomen, geen dieren en ook geen mensen. Kun jij je dat voorstellen dat er nog geen mens bestond? Vreemd hè?
Maar weet je wie er wel bestond…God!
God was er altijd al, Hij is er nu en Hij zal er altijd zijn.
Er is nooit een moment geweest dat God er niet was.
Toen ging God iets heel moois maken, iets waar wij nu nog
steeds van mogen genieten, luister maar…
God zei: "Ik wil dat er licht is." En toen was er licht. God noemde het
licht: Dag, en het donker noemde Hij: Nacht.
Zo was er verschil tussen dag en nacht en God wilde dat het licht er voortaan altijd zou zijn.
God was er blij mee en zag dat het goed was.
Het werd donker, de nacht kwam en daarna weer het licht in de
morgen.
De eerste dag.
Toen maakte God de mooie blauwe lucht, waar de wolken langs
zweven. Dit deed Hij door het water te scheiden dat beneden was en
boven.
Die mooie luchten noemde God: Hemel. Het werd weer avond en weer morgen.
De tweede dag.
God wilde dat het woeste water zich terugtrok, zodat er ook
land zou ontstaan.
En zo gebeurde het.
Het water bruiste nog wel, maar het kon niet meer overal
komen, alleen daarwaar God het wilde.
Het samengevloeide water noemde God: Zee, en het droge land noemde Hij: Aarde.
En op die aarde zag je allemaal mooie groene puntjes
verschijnen en ze werden steeds groter. God liet prachtige bloemen,
bomen en planten groeien, in allerlei
soorten.
God was er blij mee en zag dat het goed was. Het werd avond en weer morgen.
De derde dag.
Ook maakte God de zon, de maan en duizenden sterren.
De zon heerste over de dag, ze straalde aan de blauwe hemel
en verwarmde de aarde, zodat de bloemen blij hun kopjes ophieven naar
het licht.
De maan scheen over de slapende aarde en verlichtte de
donkere nacht, samen met wel duizenden flonkerende sterren.
Nu zouden de dagen en de nachten elkaar altijd aflossen.
Ook de dagen, jaren en eeuwen zouden komen en gaan.
God was er blij mee en zag dat het goed was.
Weer kwam de avond en een nieuwe morgen.
De vierde dag.
En God wilde dat er vissen zouden zijn in de zeeën
en rivieren.
Ook wilde Hij vogels in de lucht. Zo gebeurde het.
Het water was niet leeg meer, het krioelde van levende
wezentjes, vissen en allerlei andere dieren die in het water plonsden
en speelden.
In de lucht vlogen schitterende vogels en je kon het getjilp
en gezang horen van de vogels in de bomen. Zij zongen het hoogste lied
tot eer van God, hun
Schepper.
God zegende deze dieren en gaf hun de aarde om te wonen.
Zij maakten God blij en Hij zag dat het goed was.
De avond kwam en een nieuwe morgen. De vijfde dag.
Daarna maakte God al de dieren in allerlei soorten, de wilde
dieren, het vee en de kruipende dieren. Toen was de aarde vol van
leven. Overal waren dieren, in de bergen, op de dalen, langs de
zeeën en rivieren, in de woestijnen.
Alles wat God gemaakt had maakte Hem blij en Hij zag dat het
goed was.
Maar het allermooiste moest nog komen.
Hij zei, Ik wil mensen maken die op Mij lijken, die Mij
kennen en die van Mij kunnen houden.
Toen maakte God uit het stof van de aarde de mens, het
allermooiste wezen dat op aarde bestaat en Hij blies Zijn levensadem in
de neus van de mens.
De mens mocht gaan zorgen voor Gods prachtige schepping, voor
de aarde en voor al de dieren die er op leefden.
God zegende de mens en gaf hem de hele aarde om daar op te
leven en gelukkig te zijn.
En God zag alles wat Hij gemaakt had en het maakte Hem zo
blij, want het was zeer goed!
Toen kwam de avond en weer een nieuwe morgen.
De zesde dag.
Op de zevende dag rustte God van Zijn werk.
Hij zegende die dag en maakte van de zevende dag een rustdag.
Voortaan zou de zevende dag een bijzondere dag zijn, een dag
tot eer van God.
Zo maakte God de hemel en de aarde.
Zo machtig is onze God.
Het is in onze ogen niet te begrijpen, want wij zijn maar
kleine mensjes en God is zoveel machtiger en groter.
God houdt heel veel van Zijn schepping en in het bijzonder
van de mens.
Daar hoor jij ook bij, jij bent ook een schepsel van God en
God wil niets liever dan dat Zijn kinderen gelukkig zijn.
Dat was het doel van Zijn schepping, dat mensen gelukkig
zullen leven, dicht bij Hem.
Hij houdt van jou en jij mag van Hem houden, daar word je
blij van.
Lees hier over : Het Ruime Hemelrond
Lees hier over : Dieren in de Bijbel
Lees hier over : Vogels in de Bijbel
Bekijk eens : CREATOR
Wat is de oorsprong van alle dingen ?
Die vraag is actueel. Ook vandaag aan de dag geeft
men een antwoord op die vraag. Het antwoord van de evolutietheorie.
Uitgangspunt in deze theorie is de gedachte dat het lagere, de meer
ontwikkelde vormen uit de eenvoudiger zijn voortgekomen. Uit dode
organische stof zou volgens deze theorie, in de loop van miljoenen
jaren, en door lange reeksen van vermveranderingen, uiteindelijk de
mens zijn ontstaan. Processen, waarbij toeval een grote rol speelt. De
evolutietheorie wordt op zeer verschillende manieren uitgewerkt. Maar
ondanks grote onderlinge verschillen blijft de grondgedachte
gehandhaafd.
Veronderstellingen
Als je de
evolutie-theorie nader bestudeert, blijkt al gauw dat deze leer van
veel veronderstellingen uitgaat. Veel geleerden zullen dat ook wel
erkennen. Toch houdt men, bij J gebrek aan andere verklaringen, bij
gebrek aan andere verklaringen, vast aan deze theorie. En men hoopt
vurig op het vinden van een afdoend bewijs voor de juistheid ervan. Men
hoopt nog steeds de 'missing link', de ontbrekende schakel te vinden.

Zekerheden.
Er waren mythen, er
zijn weten- schappelijke theorieën. Maar er is geen zekerheid.
Welnu, wat niemand weet, waarover wel veel gefantaseerd is, staat
duidelijk in de Bijbel. Op de eerste bladzijden. God maakt dat bekend.
Gen. 1 : 1. 'In den beginne schiep God de hemel en de aarde. ' God
schiep niet maar een oerstof, waaruit zich alles als vanzelf
ontwikkelde. Hij gaf aan elk schepsel zijn wezen, zijn gestalte, zijn
gedaante en zijn manier van leven. God schiep ook de mens. Adam en Eva.
De eerste man en vrouw. En zij mochten wonen en werken in de Hof van
Eden, het Paradijs. De Bijbel is betrouwbaar. In latere studies komen
we daar op terug. Die betrouwbaarheid geldt ook voor de eerste
hoofdstukken van de Bijbel in het boek Genesis. Wat zegt de Bijbel over
het ontstaan van de wereld?
De beschrijving van de schepping vindt je in Genesis 1 en 2.
Een kort overzicht van wat er gebeurde op de zes scheppingsdagen vindt
je hieronder.
1e dag. God schept het licht. Hij noemt het licht dag en de duisternis
nacht.
2e dag. God maakt scheiding tussen de wateren. Het uitspansel noemt Hij
hemel.
3e dag. Het water vloeit samen en het droge komt tevoorschijn. Het
droge noemt God aarde en het water noemt Hij zee. Op deze dag worden
ook de planten en de bomen geschapen.
4e dag. God schept de zon, de maan en de sterren: De hemellichamen zijn
er om scheiding te maken tussen de dag en de nacht. Ze dienen als
aanwijzing van vaste tijden, dagen en jaren.
5e dag. God maakt de waterdieren en de vogels.
6e dag. God schept de landdieren.
7e dag. Op de laatste van de scheppingsdagen maakt Hij ook de mens. Hij
maakt hem naar Zijn beeld en naar Zijn gelijkenis. De mens moet de
heerser zijn over alles wat God geschapen heeft.
En dan staat er na de beschrijving van de schepping in Genesis I: 31
'En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. ' Je
vindt hier geen bijzonderheden over de schepping. God heeft alleen ,
dat laten opschrijven, wat wij moeten weten. Moeten weten om Hem te
kennen en te erkennen als de Schepper van alles om ons heen.
Méér vond Hij kennelijk niet nodig.
Wat mogen we wel weten?
Als je weet en gelooft dat God alles geschapen heeft, kijk je heel
anders tegen allerlei dingen aan. Achter alles om je heen, achter alles
wat geschapen is, zie je dan God zelf. Als je bijvoorbeeld door de
natuur loopt, kun je de grootheid en de almacht van God zien. En
ervaren. Zoals bijvoorbeeld de dichter van Psalm 19. In het tweede vers
van die Psalm lezen we: 'De hemelen vertel- len Gods eer, en het
uitspansel verkondigt het werk Zijner handen. ' En in Psalm 147 kun je
lezen: 'Hij geeft sneeuwals wol, Hij strooit de rijp als as, Hij werpt
Zijn ijs als stukken; wie kan bestaan voor Zijn koude?'
Behalve dat de Bijbelons vertelt dat God de maker van de wereld is,
kunnen we ook lezen dat Hij dat alles nog steeds in stand houdt en
regeert. Zelfs in onze tijd waarin alles moge- lijk lijkt, kan er geen
enkel schepsel uit eigen kracht leven. De Schepper geeft het leven. Hij
is het ook die het terug kan nemen. In het besef dat God de schepper is
van de wereld om je heen en ook die wereld in stand houdt, zul je
zorgvuldig met die schepping moeten omgaan. Niet zozeer uit eerbied
voor het leven op zichzelf, maar vooral uit eerbied voor de Maker en
Gever van het leven. Achter de schepping staat de Schepper.
Pas dus op je tellen.
Je loopt zo gauw het gevaar, dat je het leven en de natuur als
zelfstandige grootheden ziet. De Bijbel zegt het anders. In Jesaja 64 :
8 staat: 'Maar nu, Here, Gij zijt onze Vader; wij zijn het leem, Gij
zijt onze Formeerder en wij allen zijn het werk van Uw hand'. De
gedachte dat het leven op zichzelf staat is een gevolg van de leer van
de evolutie. Soms zelfs wordt, bijvoorbeeld in oosterse godsdiensten,
geleerd dat de natuur en het leven in zichzelf goddelijk zijn. Maar de
Bijbelleert ons allereerst eerbied voor God. En daaruit vloeit de
eerbied voor de natuur en het leven voort.
De plaats van de mens
Genesis 1 : 27: 'En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld
schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. De mens is de kroon op het
werk van God.
De woorden beeld en gelijkenis wijzen één zaak
aan. De beide woorden kunnen ook wel samengevat worden in het woord
evenbeeld. De woorden betekenen niet dat de mens uiterlijk op God zou
lijken of een beetje goddelijk is. Als de mens het 'evenbeeld' van God
wordt genoemd betekent dat, dat de mens is aangesteld als de levende
vertegenwoordiger van God op aarde. Uit naam van God moet hij
rechtvaardig heersen over al het geschapene. In Genesis 1 : 28 staat:
'En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt
talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der
zeeën, over het gevogelte des hemels en over al het gedierte
dat op de aarde kruipt.
Toen God overzag wat Hij geschapen had, was alles goed. Met andere
woorden: alles functioneerde zoals God dat wilde. Adam en Eva konden
hun taak volkomen uitvoeren. Niet gehinderd door enig gebrek konden ze
leven en werken. Hun leven mocht een groot feest zijn. Een feest ter
ere van hun Maker, hun God, die alles schiep tot Zijn eer.
EVOLUTIE - illusie van het evolutionisme
Inleiding
Het evolutionisme is een strekking die door onze gecultiveerde westerse
wereld algemeen aanvaard is. De doorsnee burger leeft met de gedachte
dat hij ‘van de apen’ afstamt. Daartegenover staat
het creationisme, dat veel minder populair is. Creationisten zijn
wetenschappers die geloven in de schepping door God, zoals het in de
Bijbel beschreven staat. (Genesis 1 vers 27).
1 De grenzen van de wetenschap
‘Iedere serieuze natuuronderzoeker moet wel een vorm van
religieus aanvoelen kennen. Het is namelijk bijna ondenkbaar dat de
ongelooflijk delicate samenhangen die hij ziet, door hem voor het eerst
zijn overdacht. In het onbegrijpelijke heelal openbaart zich een
grenzeloos verstand.’
(Albert Einstein, Duits-Amerikaans natuurkundige, 1879-1955)
Het mensdom heeft veel kennis vergaard. De wetenschap heeft veel
vooruitgang geboekt door het nauwkeurig onderzoeken van de natuur. In
deze geseculariseerde en positivistische tijd zijn sommige mensen
echter té enthousiast door te denken dat voor alles een
wetenschappelijke verklaring te vinden is en dat geen geheimen
onopgelost zullen blijven. Dit laatste is onwaar. Wanneer de mens
vragen heeft over zijn oorsprong en het ontstaan van de aarde en het
heelal, kan hij zijn antwoord onmogelijk vinden in de wetenschap, juist
omdat de wetenschap– de bestudering van verschijnselen op de
aarde en in het heelal – deel uitmaakt van de aarde en het
heelal. De wetenschap kan zichzelf niet verklaren. Als de wetenschap
het gebied van de oorsprong van de materie en het leven betreedt, gaat
ze haar boekje te buiten.
Dit is nu net wat het evolutionisme op een slinkse manier probeert te
doen. In haar arrogantie verwerpt ze God als rechtstreekse Schepper van
hemel en aarde en wil ze het ontstaan van de wetenschap zélf
(en dus met wetenschappelijke middelen) verklaren. Daartoe gaat ze als
volgt te werk. Eerst herleidt ze de verscheidenheid van het leven tot
een algemene cel en zegt ze dat het proces ‘van cel tot
mens’ volledig door huidige natuurwetten gestuurd wordt. Dit
wordt de evolutietheorie genoemd. Vervolgens (teruggaand in de tijd)
reduceert ze deze ‘simpele’ cel tot een brok
materie en pretendeert ze dat het proces ‘van dode materie
tot levende cel’ eveneens op wetenschappelijke wijze
verloopt. Dit is de theorie van de chemische evolutie. Het bestaan van
materie wordt ten slotte verklaard door de oerknaltheorie: het heelal
zou ontstaan zijn uit een ‘explosieve toestand van onmetelijk
grote dichtheid en hoge temperatuur’.
De argeloze leek is bevredigd en overtuigd. Op het eerste gezicht is
het evolutionisme heel aannemelijk. Op het tweede gezicht helemaal
niet. In hoofdstuk 2 en 3 worden deze drie theorieën getoetst
aan de wetenschap en zal blijken dat ze alledrie
pseudo-wetenschappelijk zijn.
Maar al zou het hele proces van materie tot mens volgens
wetenschappelijke natuurwetten verlopen, dan nog zou er
één probleem overblijven, dat al te vaak over het
hoofd gezien wordt: volgens de wet van behoud van massa kan er nooit
iets uit niets ontstaan. Het ontstaan van de aarde en het heelal zal
binnen ons wetenschappelijk systeem altijd een
‘wonder’ blijven, iets dat niet wetenschappelijk
verklaard kan worden. Het scheppingsverslag in de Bijbel is om die
reden even ‘wonderlijk’.
2 Van dode materie tot levende cel
2.1 De oerknaltheorie
We kunnen met het heelal niet experimenteren, zoals in een labo.
Astronomen kunnen alleen kennis vergaren via de lange weg van het meten
van de stralings- en deeltjesstromen, die door deeltjestellers en
telescopen op aarde en in satellieten geregistreerd worden. Nadien moet
die zeer beperkte informatie in het kader van een kosmologische theorie
geïnterpreteerd worden. Dr. Norbert Pailer, een befaamd
astronoom, zegt m.b.t. de oerknal:
‘Het is paradoxaal, dat de interpretatie van de oorsprong van
ons heelal door nieuwe feiten en theoretische gevolgtrekkingen steeds
verdachter wordt, maar des te meer door theoretische hulpconstructies
wordt ondersteund, hoezeer de feiten dit ook weerspreken.’
Edwin Hubble, de man die oorspronkelijk het heelal ‘liet
exploderen’, bekent:
‘De ontdekking van de ruimte eindigt in een nevel van
onzekerheid... We tasten zoekend langs spookachtige
meetfouten.’
In tegenstelling tot wat de meeste mensen denken, heeft het
oerknalmodel geen been om op te staan. De drie belangrijkste
‘pijlers’, namelijk de gemeten roodverschuiving van
de spectra, de microgolfachtergrond en de heliumverdeling, zijn verre
van sluitende bewijsstukken. Tal van kosmische verschijnselen blijven
onverklaarbaar.
2.1.1 Een gebeurtenis zonder oorzaak
De ultieme vraag "waardoor is de oerbal, die zich in een
‘eeuwig’ evenwicht bevond, ontploft?" heeft geen
antwoord.
2.1.2 De hoge graad van orde in de kosmos
Orde is een eigenschap van God die we terugvinden in de ontzagwekkende
kosmos. Planeten, sterren, sterrenstelsels, clusters en
superclusters,... alle getuigen ze van een kosmische
structuurhiërarchie. Het is voor de oerknaltheorie een raadsel
hoe die structuren vanzelf gevormd zouden zijn uit een expanderend gas.
2.1.3 Zware elementen op grote afstand
Het is bewezen dat tot in de verst verwijderde quasars koolstof en
andere zware elementen aanwezig zijn. Dit dwingt de voorstanders van de
oerknaltheorie te veronderstellen dat er ongeveer een miljard jaar na
de oerknal, toen de eerste quasars opdoken, al meerdere generaties van
zware, koolstof producerende sterren moeten hebben bestaan. Tot op
heden ontbreekt hiervan elk spoor.
Hoe dieper de astronomen bij hun waarnemingen in de ruimte doordringen
of – om in het model te blijven – hoe dichter ze
bij de oerknal komen, des te minder koolstof ze zouden moeten
aantreffen. Elke verder weg liggende quasar met zware elementen stelt
de oerknaltheorie zwaar op de proef.
2.2 De chemische-evolutietheorie
Evolutionisten geloven in ‘spontane generatie’.
Volgens hen ontstonden vier tot vijf miljard jaar geleden door toedoen
van ultraviolet licht, bliksem en vulkanisme grote organische moleculen
uit kleine organische moleculen zoals methaan, ammoniak, waterstof,
koolstof en stikstof. De grote moleculen werden door de regen
neergespoeld in een ‘oersoep’ waaruit de eerste
eiwitten en de eerste levende cellen zich ontwikkelden.
Chemische evolutie is gebaseerd op blind toeval maar toch nemen
evolutionisten aan dat alle processen zich ten gunste van de chemische
evolutie hebben afgespeeld. Hiertoe moet aan de volgende voorwaarden
worden voldaan:
Bliksem en zonlicht mag kleinere moleculen wel samenvoegen maar mag de
grotere moleculen niet afbreken.
Het water moet zich op bepaalde momenten vermengen met de organische
moleculen, en op andere momenten – wanneer het de theorie
goed uitkomt – net niet.
De juiste moleculen moeten in de juiste hoeveelheden, in de juiste
volgorde en op het juiste moment aanwezig zijn.
Om een functioneel celmetabolisme te verzekeren, is er rond de cel een
halfdoorlaatbaar membraan nodig die welbepaalde voedingsstoffen opneemt
en afvalstoffen afgeeft. Dit membraan is op zijn beurt ook gemaakt van
eiwitmoleculen, die alleen samenwerken als ze bij elkaar worden
gehouden door... een halfdoorlaatbaar membraan.
Voor de ‘vertaling’ van het ‘4-letterig
genalfabet’ naar het ‘20-letterig
amonizuuralfabet’ zijn bijzonder gespecialiseerde
‘vertaaleiwitten’ nodig. Deze eiwitten kunnen
alleen gevormd zijn m.b.v. van andere eiwitten die op hun beurt alleen
kunnen gevormd zijn door... vertaaleiwitten.
Er moet een perfecte structuur aanwezig zijn en alle stoffen moeten op
elkaar afgestemd zijn. Omdat losse eiwitten elkaars vijanden zijn en
elkaar automatisch uitschakelen, moet elk eiwit vanaf het begin zijn
eigen vastgestelde plaats hebben.
Aangezien een cel heel snel afsterft, moet het vanaf het begin al
voorzien zijn van een celdelingmechanisme om zich te kunnen
voortplanten. Anders was de voorafgaande moeite tevergeefs geweest.
Zo kan het rijtje nog langer gemaakt worden. Op zichzelf genomen zijn
geen van de stappen helemaal onmogelijk. In principe is alles mogelijk;
het is alleen uiterst onwaarschijnlijk. Zelfs om een eenvoudig eiwit,
bestaande uit 100 aminozuren, samen te stellen, zijn er al 20100 of
ongeveer 10130 mogelijkheden. Aangezien de hoogste schatting van de
ouderdom van de aarde 1017 seconden bedraagt, is de statistische
waarschijnlijkheid voor het ontstaan van het juiste eiwit zo klein, dat
ze mag beschouwd worden als nihil. Toch blijven evolutionisten geloven
dat alles mogelijk is, ‘als je het toeval maar voldoendetijd
geeft’ (zie hoofdstuk 5).
3 Van cel tot mens: de evolutietheorie
Inleiding
Een sluitend bewijs voor de evolutietheorie bestaat niet. Daar is
iedereen het mee eens. Er zouden daarentegen wel heel wat overtuigende
aanwijzingen voor evolutie zijn, komende uit verschillende takken van
de wetenschap. Alles schijnt naar dat ene punt te wijzen: evolutie. In
het volgende hoofdstuk zullen we verschillende disciplines van de
wetenschap aan het woord laten en zien wat ze ons werkelijk leren.
3.1 Genetica
3.1.1 Enkele begrippen
3.1.1.1 Micro-evolutie
Micro-evolutie is de variëteit binnen de grenzen van dezelfde
soort t.g.v. recombinatie van stukjes chromosoom bij de bevruchting.
Micro-evolutie is eigenlijk geen evolutie. Het is louter een tot uiting
komen van een reeds bestaand repertoire van genetische variatie. Er is
absoluut geen genengroei. (Zie ook onder 3.1.1.3 Variatie.)
3.1.1.2 Macro-evolutie
Macro-evolutie is evolutie over de grenzen van de soorten heen. Dit is
wat men doorgaans verstaat onder ‘evolutie’.
Macro-evolutie wordt niet waargenomen in de natuur.
3.1.1.3 Variatie
Variatie is de genetische verscheidenheid op vlak van
lichaamseigenschappen zoals gestalte, oogkleur, enz. Er worden geen
genen toegevoegd, noch verwijderd, noch herschikt. Het algemene
bouwplan verandert dus niet. Voor de ingewijden: de allelen veranderen,
de genen niet. (Zie ook onder 3.1.1.1 Micro-evolutie.)
3.1.1.4 Mutatie
Een mutatie is een afwijking in de genen door inwerking van UV-, X-, of
kosmische stralen of door chemische stoffen. Er worden geen genen
toegevoegd, wel vernietigd of (in het beste geval) herschikt. De
genencombinatie verandert dus wel, maar steeds in de negatieve zin! In
normale omstandigheden werpen ze geen voordelen af.
Er is echter een klein percentage gevallen in de natuur waar een
mutatie toch positief of neutraal kan uitdraaien. Het dier zoekt gewoon
een andere omgeving op waar het geen hinder ondervindt van zijn
afwijking.02 Een voorbeeld daarvan is de pigmentloze ijsbeer die niet
opvalt in sneeuwgebieden.
Merk op dat alle mutaties in essentie negatief blijven! Alle levende
organismen op aarde worden mettertijd genetisch armer. Volgens de
genetica is er in de natuur geen constructief maar een destructief
proces aan de gang. Ook de mens degenereert. Gemiddeld komt per mens
één mutatie voor, zoals kleurenblindheid,
bloederziekte, of één of andere allergie.
3.1.1.5 Natuurlijke selectie
Natuurlijke selectie (‘het overleven van de
sterkste’) is in zekere zin ook negatief omdat het variatie
tegenwerkt. Het zal bepaalde variatievormen uitschakelen en aldus elke
populatie homogener en eentoniger maken.
3.1.2 Historisch overzicht:de evolutie van de evolutietheorie
± 2000 jaar geleden: Griekse filosofen met evolutionistische
ideeën.
1809: Lamarck: publiceerde als eerste zijn evolutionistische gedachten.
1859: Darwin:
Op de Galapagoseilanden trof hij een grote variatie vinken- en
schildpaddensoorten aan die hem deed besluiten dat elke soort afstamt
van een andere, primitievere soort. Hij zag dus micro-evolutie en
veronderstelde macro-evolutie. Als biologisch mechanisme voor die
macro-evolutie gaf hij ‘variatie’ en
‘natuurlijke selectie’ op. Variatie berust op
toeval en natuurlijke selectie zou een positieve richting aan dat
toeval moeten geven.
1865: de wetten van Mendel:.
Variatie is eindig. Het komt volgens een vast, zelfs te voorspellen
patroon tot stand en gaat de grenzen van de soort niet te buiten.
Mendels bevindingen werden in zijn tijd niet au sérieux
genomen.
1901: De Vries: ontdekt mutaties
1919: Morgan: ontdekt wetten i.v.m. mutaties
De jaren 30: neodarwinisten:mutatie i.p.v. variatie.
Zij deden een beroep op natuurlijke selectie en het kleine percentage
‘positieve’ mutaties (zie hierboven) als mechanisme
voor macro-evolutie. Ze beweerden (onterecht) dat die 1% mutaties op
lange termijn macro-evolutie kunnen teweegbrengen.
1940: Goldschmidt en Schindewolf: sprongmutaties i.p.v. een serie
minuscule mutaties.
Zij verwachtten van hun denkbeeldige
‘sprongmutaties’ dat de evolutie plots een
aanzienlijk stuk verder zouden brengen door het produceren van een
‘hopeful monster’: zeg maar zoiets als een vogel
uit een reptieleëi.03
De jaren 70: Gould en Eldredge: punctualisme i.p.v. gradualisme.
Zij rakelden de theorie van Goldschmidt en Schindewolf terug op en
lanceerden het begrip ‘punctuated equilibrium’
(onderbroken evenwicht): evolutie verloopt met sprongen, afgewisseld
met lange perioden van stasis.04
1980: Chicagoconferentie van leidende evolutionisten:
‘De centrale vraag van de Chicagoconferentie was of de
mechanismen die ten grondslag liggen aan de micro-evolutie, kunnen
worden geëxtrapoleerd om de verschijnselen van de
macro-evolutie te verklaren. Met het risico de standpunten van enige
personen tijdens de bijeenkomst geweld aan te doen kan als antwoord een
duidelijk ‘Nee’ worden gegeven.’05
Lewin schrijft ook dat ‘de besprekingen af en toe onordelijk
en zelfs heftig waren,’ en dat ‘vele personen van
mening waren dat de bijeenkomst een keerpunt in de geschiedenis van het
evolutiedenken was.’
1982: ter gelegenheid van de honderjarige herdenking van
Darwins’ sterfdag:
‘De waarheid is dat wij een eeuw na Darwins dood nog steeds
niet het geringste bewijs of ook maar een plausibele voorstelling ervan
hebben hoe de evolutie werkelijk heeft plaatsgevonden -, en in de
laatste jaren heeft dat tot een buitengewone reeks controversen in de
hele wereld geleid... De evolutionisten onder elkaar bevinden zich
bijna in oorlogstoestand. Er hebben zich allerlei soorten van sekten
gevormd die een of andere wijziging in Darwin voorstaan of zich
zogenaamd ‘terugtrekken in het Lamarckisme’... Hoe
en waarom (de vermeende) evolutie werkelijk plaatsvond, daarvan hebben
wij niet de geringste voorstelling en wij zullen haar waarschijnlijk
ook nooit krijgen. Het zal eenvoudig Gods geheim blijven.’06
3.2 Moleculaire biologie
Het cytochroom C is een eiwit dat nodig is bij de ademhaling van alle
planten en dieren en dat uit 100 aminozuren is opgebouwd. Het is zo dat
het verschil in de aminozuurvolgorde van het cytochroom C van
verschillende diergroepen groter wordt naarmate de uiterlijke
verschillen tussen de diergroepen groter worden. De aminozuurvolgorde
bij paard en hond – twee zoogdieren die nauw met elkaar
verwant zijn – verschilt 6%. Bij paard en schildpad
– twee heel verschillende dieren – is het verschil
in volgorde groter, namelijk 22%.
Dit feit wordt aangehaald als bewijs dat er evolutie is. Wat je niet
leest in evolutieboeken, is het volgende. Als we het cytochroom C van
totaal verschillende organismen vergelijken met het cytochroom C van
een bacterie en een vis, stellen we vast dat de verschillen ongeveer
even groot zijn.
Er is dus geen enkele soort die kan gelden als overgangsvorm. Een
opgaande lijn van primitief naar meer ontwikkeld, van vis over amfibie
en reptiel naar zoogdier, bestaat helemaal niet. Geen enkele diergroep
kan gezien worden als voorouder van een andere groep. Elke groep is op
zichzelf staand en uniek. (Zie ook 3.5.2)
3.3 Anatomie
3.3.1 Homologe organen
Een vergelijkende studie van organen van gewervelde dieren leidt tot de
vaststelling dat er een zekere overeenkomst in de structuur bestaat. Op
grond van dit wetenschappelijke feit ordenen evolutionisten de
organismen trapsgewijs in een systeem en zeggen dan: ‘ziehier
een aanwijzing voor evolutie’. Deze interpretatie van de
werkelijkheid is allesbehalve wetenschappelijk.
Daar alle organismen leven op dezelfde aarde, onderhevig zijn aan
dezelfde zwaartekracht en andere natuurwetten, dezelfde lucht inademen,
hetzelfde water drinken, enz. is het alleen maar redelijk dat een wijze
Schepper ze alle zou ontwerpen volgens hetzelfde basispatroon en waar
nodig wijzigingen zou aanbrengen.
Nu we toch aan het vergelijken zijn, even het volgende. Stel dat een
buitenaards wezen onze aarde bezoekt en een studie maakt van ons
schoeisel. Hij zou sportschoenen zien, sandalen, klompen, schoenen met
veters, schoenen zonder veters, pantoffels, enz. Hij zou ze kunnen
classificeren volgens een geordend systeem en vervolgens besluiten:
‘dit schoeisel heeft zich uit elkaar ontwikkeld!’
Deze redenering is ongerijmd.
De overeenkomst in het bouwplan vormt zelfs een driedubbel probleem
voor de evolutietheorie. Het is op grond van toeval niet te verklaren
dat er binnen een organisme zoveel gelijkenissen bestaan tussen
bijvoorbeeld voor- en achterpoten en tussen voor- en achterpoten
onderling. Hoe is het mogelijk dat dezelfde structuren vier keer door
blind toeval onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan?
3.3.2 Rudimentaire organen
Rudimentaire organen zijn organen waarvan men denkt dat ze geen functie
hebben. Evolutionisten noemen ze ‘restanten van
vroeger’ en zien hierin een aanwijzing voor evolutie.
Deze conclusie is ongegrond. Geen enkel orgaan in het lichaam moet
beschouwd worden als nutteloos. Vroeger dachten geleerden dat de mens
meer dan honderd rudimentaire organen had, zoals amandelen,
lymfeklieren, de blindedarm, de schildklier, enz. Naarmate onze kennis
echter toeneemt, neemt het aantal rudimentaire organen af...
Overigens, als rudimentaire organen toch zouden bestaan en vroeger wel
een lichaamsfunctie zouden hebben, zou dit een bewijs zijn van
degeneratie (zie 3.1), niet van een opwaartse evolutie. Er moet bewezen
worden dat organismen nieuwe organen krijgen, niet dat zij oude
verliezen.
3.4 Embryologie
Toen de Duitser Häckel op het einde van de 19de eeuw de
oppervlakkige gelijkenis tussen embryo’s van verschillende
organismen waarnam, zocht hij hierin een bewijs voor de
evolutietheorie. Hij meende dat de embryonale ontwikkeling van de mens
een korte herhaling zou zijn van de evolutie van eencellige tot mens.
Hij vond de gedachte zo fascinerend, dat hij het ‘de
fundamentele wet van de biogenesis’ noemde. Om zijn idee
kracht bij te zetten, stelde hij embryo-diagrammen op. Later bleek dat
deze vervalst waren.
Ook bij Häckel was de wens de vader van de gedachte. Het is
nuchter bekeken maar heel normaal dat verschillende organismen in het
embryonale stadium uiterlijk op elkaar gelijken. Ieder meercellig
organisme op aarde moet namelijk beginnen met één
cel, die zich daarna begint te delen en te differentiëren. Dit
blijkt gewoon de beste oplossing te zijn om bepaalde lichaamsdelen te
laten ontwikkelen.
Sir Arthur Keith, bestuurslid van het ‘Royal College of
Surgeons of England’ en voormalig lid van het Koninklijk
Antropologisch instituut, heeft verklaard:
‘Er werd verwacht, dat het embryo de stadia van zijn
voorouders uit het dierenrijk van de laagste tot de hoogste vorm
opnieuw zou doorlopen. Nu de verschijningsvormen van het embryo in alle
stadia bekend zijn, is het algemeen gevoelen er een van teleurstelling;
het menselijk embryo is in geen enkel stadium als van de apen. Het
embryo van een zoogdier gelijkt nooit op dat van een worm, een vis of
een reptiel. De embryologie voert geen enkele bewijsvorm
vóór de evolutiehypothese aan.’
3.5 Paleontologie
De paleontologie is de wetenschap die zich bezighoudt met de studie van
fossielen. De zuivere en wetenschappelijke paleontologie spreekt in het
voordeel van de zondvloed (zie hoofdstuk 4). De vooringenomen en
pseudo-wetenschappelijke paleontologie spreekt in het voordeel van de
evolutieleer. Deze laatste zullen we onder dit punt ontmaskeren.
3.5.1 Een verkeerde datering van fossielen
3.5.1.1 De datering aan de hand van gidsfossielen
Gidsfossielen zijn fossielen die over de hele wereld en –
naar men aanneemt – in slechts één
soort aardlaag voorkomen. Volgens evolutionisten zijn het
overblijfselen van planten of dieren die in een bepaald tijdperk
geleefd hebben en daarna zijn uitgestorven. Ze fungeren als maatstaf
voor de datering van andere fossielen:
‘Wanneer in een vreemde formatie een gidsfossiel gevonden
wordt, is het gemakkelijk die speciale gesteentelaag te dateren en te
correleren met andere afzettingen op verre afstanden, die dezelfde
soort bevatten.’07
De volgende feiten tonen de onbetrouwbaarheid van deze datering aan:
3.5.1.1.1 circelredenering tussen bevooroordeelde paleontologen en
geochronologen
Geochronologen bepalen de leeftijd van de aardlagen door de fossielen
die erin gevonden worden, terwijl paleontologen de leeftijd van de
fossielen bepalen door de aardlagen waarin zij gevonden worden. Eerst
gaat men er dus van uit dat de evolutietheorie waar is en dat de
fossielen in een bepaalde volgorde – van eenvoudig naar
complex – moeten verschijnen. Daarna worden dezelfde
fossielen gebruikt om de evolutietheorie te bewijzen.
3.5.1.1.2 ‘levende gidsfossielen’
Af en toe ontdekt men ‘levende gidsfossielen’:
gidsfossielen waarvan plots levende exemplaren opduiken. Tot 1938
bewees een vondst van de Coelacanthus bijvoorbeeld dat een aardlaag 70
tot 220 miljoen jaar oud was, omdat deze vis nooit in een later
tijdperk werd gevonden... totdat men in 1938 en later deze soort levend
aantrof in de buurt van Madagascar! Een laag waarvan de evolutionisten
zeggen dat hij 200 miljoen jaar oud is, kan dus ook 5000 jaar geleden
gevormd zijn.
3.5.1.2 Radiometrische datering
Het dateren van gesteenten en fossielen m.b.v. radioactieve stoffen
kwam pas in gebruik, nadat de hele geologische tijdsindeling van de
evolutie al was uitgewerkt m.b.v. gidsfossielen. Omdat het werd
ingevoegd in een bestaand systeem, kan het niet gelden als een
onafhankelijke dateringsmethode. Dr. Morris zegt in dat verband:
‘Er zijn zoveel bronnen van mogelijke fouten of verkeerde
interpretatie bij de radioactieve datering, dat de meeste van zulke
data verworpen worden en helemaal nooit gebruikt worden, vooral wanneer
zij niet overeenstemmen met de vroeger overeengekomen data.’
3.5.1.2.1 de koolstof-14-methode
Uit stikstof en neutronen ontstaat in de atmosfeer radioactieve
koolstof onder invloed van kosmische straling. Die radioactieve
koolstof (C-14) zit – evenals gewone koolstof (C-12)
– in het CO2 dat door planten wordt opgenomen en komt via de
planten ook terecht in het lichaam van de dieren. Wanneer een plant of
dier sterft, houdt de koolstofstroom op en valt de radioactieve
koolstof mettertijd uiteen in gewone koolstof. Om nu de verstreken tijd
te berekenen sinds het afsterven van het organisme moeten 3 factoren
gekend zijn:
1. de oorspronkelijke verhouding C-14 tot C-12
Deze waarde is niet gekend. Recente metingen schijnen er op te wijzen
dat er tegenwoordig 25 % meer C-14 wordt gemaakt dan dat er vervalt.
Dit heeft alles te maken met de intensiteit van de kosmische straling.
Deze is op zijn beurt afhankelijk van o.m. het aardmagnetisme en de
hoeveelheid water in de atmosfeer. Het bombardement van kosmische
straling wordt door het aardmagnetisch veld afgebogen en wordt door
waterdamp afgeschermd van de aarde. Aangezien
vóór de zondvloed het aardmagnetisch veld sterker
was (zie 5.2) en er meer waterdamp in de atmosfeer aanwezig was (zie
4.1.1), was de intensiteit van de kosmische straling kleiner en zat er
bijgevolg veel minder C-14 in de atmosfeer.
Evolutionisten veronderstellen echter dat de oorspronkelijke verhouding
C-14 tot C-12 dezelfde was als in nu levende organismen. Daarom zijn
hun bekomen ouderdoms-bepalingen vaak veel te hoog.
2. de vervalsnelheid van C-14
Er wordt aangenomen dat deze constant is: om de 5730 jaar vervalt de
helft C-14 tot C-12. Tenminste, dat is wat nu gemeten wordt. De
vervalsnelheid kan opgedreven geweest zijn door bijvoorbeeld de
ontploffing van een ster in de buurt van onze planeet. Een grotere
vervalsnelheid zou een minder hoge ouderdom opleveren.
3. de huidige verhouding C-14 tot C-12
Deze waarde is wel gekend.
3.5.1.2.2 de uraniummethode
De uranium-loodmethode wordt gebruikt voor bepalingen van hoge ouderdom
omdat het radioactieve uranium een kleine vervalsnelheid heeft;
radioactief uranium vervalt tot lood met een halveringstijd van 1016
jaar.
Ook aan deze methode kleven enkele bezwaren. Net zoals bij de
C-14-methode is de oorspronkelijke hoeveelheid uranium niet gekend en
is het mogelijk dat de vervalsnelheid veranderlijk geweest is. Maar wat
meer is, is het feit dat geen enkel systeem in de natuur gesloten is.
Enerzijds wordt uranium in een gesteente gemakkelijk door water
weggespoeld. Anderzijds neemt gewoon lood gemakkelijk kleine deeltjes
(vrije neutronen) op van de omliggende rotsen zodat het bijzondere lood
ontstaat dat van uranium afkomstig is. Door het wegspoelen van uranium
en het veranderen van lood lijkt het dat er veel uranium is
uiteengevallen en dat de rotsen dus heel oud zijn.
3.5.1.2.3 de kaliummethode en de rubidiummethode
De kalium-argonmethode en de rubidium-strontiummethode worden geijkt op
de uranium-loodmethode en zijn dus even onbetrouwbaar. Zo leverde
modern vulkanisch gesteente, in 1801 gevormd bij Hawaï, met de
kalium-argonmethode een ouderdom op van meer dan 1 miljard jaar.
3.5.1.3 Conclusie
- De kalium- en de rubidiummethode zijn geijkt op de uraniummethode.
- De uraniummethode is geijkt op de datering met gidsfossielen.
- De datering met gidsfossielen is geijkt op de evolutietheorie.
3.5.2 Geen tussenvormen
Het is vreemd dat het evolutieproces in de loop van miljoenen jaren
organismen zoals sponzen, kwallen, zeesterren, wormen en slakken elk
als een apart staaltje zou afgeleverd hebben en dat deze
‘primitieve’ maar desondanks hedendaagse organismen
sinds al die tijd op dat niveau zouden hebben blijven hangen.
Het is opmerkelijk en tegelijk verdacht dat voor het opstellen van de
evolutiestamboom men zijn toevlucht neemt tot hedendaagse –
eventueel recentelijk uitgestorven – organismen die tot een
welbepaalde afgegrensde klasse behoren. De echte overgangsvormen tussen
eencelligen en meercelligen, vis en amfibie, reptiel en zoogdier, of
wat dan ook, ontbreken gewoonweg. (Zie ook 3.2)
Charles Darwin vroeg zich af:
‘Als er volgens deze theorie onnoemelijk veel overgangsvormen
moeten hebben bestaan, waarom vinden we ze dan niet ingebed in de
diverse lagen van de aardkorst?’
Hij gaf de onvolmaaktheid van de geologische registratie als reden op.
De geologische registratie is nu echter al behoorlijk geperfectioneerd,
zodat deze verklaring op dit moment onbevredigend is. J. Adler en J.
Carey schreven in hun verslag van de Chicagoconferentie van leidende
evolutionisten in oktober 1980:
‘De aanwijzingen uit de fossielen leiden nu op overweldigende
wijze van het klassieke darwinisme vandaan dat de meeste Amerikanen op
de middelbare scholen geleerd hebben... Hoe meer de wetenschappers naar
overgangsvormen tussen de soorten gezocht hebben, des te meer werden
zij gefrustreerd.’
De weinige overgangsvormen die aangedragen worden, kunnen weerlegd
worden en zijn niet overtuigend. De skeletten die aangedragen zijn als
zijnde ‘de schakels tussen aapmens en mens’ zijn
opgegraven onder louche en twijfelachtige omstandigheden.
In dit bestek zou het te ver voeren een volledige bespreking van deze
kandidaat-overgangsvormen te geven.
3.6 Conclusie
We hebben gezien dat de evolutieleer over de hele lijn faalt. Feitelijk
volstaat reeds het falen op het genetische basisniveau om ze volledig
te verwerpen. Het probleem is dat in deze tijd met een groot
informatie-aanbod geen enkele wetenschapper nog
méér dan één vakgebied kan
overzien. Specialisten zijn zich wel degelijk bewust van de zwakheden
van de evolutietheorie wat hun eigen vakgebied betreft, maar blijven
zich troosten met de gedachte dat de andere vakgebieden althans genoeg
bewijzen voor evolutie opleveren.
4 De zondvloed
Wie Genesis 6 tot 8 er op naleest, weet dat de zondvloed een
wereldwijde catastrofe was en dat ze in totaal meer dan een jaar
duurde. Het was niet zomaar een lokale overstroming. Stormwinden,
kolkende watermassa’s, vulkanen en aardbevingen vernietigden
de hele toenmalige bevolking, exclusief acht mensen en de dieren in de
ark.
4.1 Het lenteachtige klimaat vóór de zondvloed
4.1.1 'Wateren en wateren'
‘En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der
wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren.’
(Genesis 1:6)
De atmosfeer van de aarde – de wateren boven het uitspansel
– was vóór de zondvloed anders dan nu.
Ze bevatte bijzonder veel waterdamp waardoor de leefomstandigheden op
aarde ideaal waren. Door de warmte en grote vochtigheid groeiden
planten zeer goed, temeer omdat er een ideale hoeveelheid CO2 in de
lucht zat: waarschijnlijk tien maal zoveel als nu. De atmosfeer vormde
een ‘waterdichte’ bescherming tegen ultraviolette
en kosmische stralingen. Bijgevolg werd de vorming van C-14 belemmerd
(zie 3.5.1.2.1). Er traden ook geen schadelijke mutaties op en de
verouderingsprocessen verliepen zeer langzaam. Uit de
geslachtsregisters van Genesis 5 en 11 blijkt dat sommige voorvaders
van Noach meer dan 900 jaar oud werden. (zie Bijlage 1) De mensen waren
toen ook groter: ‘De reuzen waren in die dagen op de
aarde,...’ (Genesis 6:4a). Ook dieren werden groter dan nu,
vooral reptielen omdat deze dieren hun hele leven lang blijven
doorgroeien.
4.1.2 Fossielen van tropische dieren overal ter wereld
Tropische dieren zoals leeuwen, olifanten, antilopen, enz. schijnen
eens over het gehele aardoppervlak geleefd te hebben. In Europa kwamen
apen, olifanten en nijlpaarden voor. Zelfs op de Zuidpool moet er ooit
een subtropisch klimaat geheerst hebben.
4.2 Het grote fossielenarchief en het vlugge ontstaan van sedimenten
Fossilisatie is in principe een zeldzaam voorkomend proces. In normale
omstandigheden worden organische resten opgeruimd door de natuur en
valt er geen spoor meer te bekennen. Slechts in uitzonderlijke gevallen
zal een organisme na het afsterven fossiliseren, namelijk wanneer het
snel bedekt wordt met sediment en bijgevolg afgesloten wordt van
zuurstof.
Toch is de omvang van het fossielenarchief enorm groot. Als verklaring
hiervoor geven evolutionisten de hoge ouderdom van de aarde op. Dit is
een actualistische redering: bij het reconstrueren van het verleden
wordt er van uitgegaan dat alle huidig waarneembare verschijnselen zich
steeds op dezelfde manier en heel geleidelijk voordoen. Deze uitleg
klinkt logisch en acceptabel. Creationisten verwijzen naar de
zondvloed; dit is een catastrofistische redenering en is –
wegens de gegeven feiten – nog méér
logisch en acceptabel.
4.2.1 Massagraven
Bij Los Angeles liggen tienduizenden soorten planten en dieren uit
verschillende klimaten en tijdperken bij elkaar. In Californië
liggen over een oppervlakte van 10 km² meer dan 1 miljard
vissen gefossiliseerd. In Siberië zijn massa’s
mammoeten (meer dan 1 miljoen!) bewaard gebleven, vaak met voedsel nog
in hun muil. Op elk continent zijn massagraven van dinosaurussen
gevonden. In China bijvoorbeeld is op 4000 meter hoogte (!) 70 ton
dinosaurusfossielen gevonden. In België liggen tienduizenden
dinosaurusbotten en hele skeletten opgestapeld in een laag van 30 meter
dik. Door de evolutietheorie zijn nooit bevredigende verklaringen voor
zulke massagraven gegeven.
4.2.2 Steenkool- en olielagen
Uitgestrekte steenkool- en olielagen getuigen van respectievelijk een
weelderige plantengroei en een overvloedige dierenbevolking waaraan
eensklaps een einde is gekomen. Steenkoollagen kunnen onmogelijk
ontstaan zijn door een langzame opeenhoping van bladeren en resten van
bomen in een moeras.
4.2.3 Gigantische dinosaurusfossielen en bomen dwars door meerdere
lagen heen
Op vele plaatsen in de wereld zijn versteende bomen gevonden die dwars
door meerdere steenkoollagen heen steken of zelfs op de kop staan. Zo
heeft men bij Newcastle een fossiele boom van 18 meter lengte gevonden,
die schuin door 10 steenkoollagen heen stak. Dit is een bewijs dat de
lagen snel na elkaar zijn ontstaan want anders was de boom in
tussentijd verrot.
Hetzelfde geldt voor de reusachtige dinosaurusfossielen. Zelfs als
zo’n enorm schepsel op zijn zij ligt, is het soms nog 5 meter
hoog. Als de aardlaag millimeter na millimeter zou zijn ontstaan, zou
het al lang zijn weggerot voordat het helemaal bedekt was.
4.3 De volgorde van de fossielen in de geologische kolom
De volgorde van de fossielen in de geologische kolom is grosso modo
dezelfde als die waarin dier en mens zijn verzwolgen door de zondvloed:
eerst de zeedieren, dan de amfibieën, gevolgd door de trage
landdieren, en tenslotte vogels, zoogdieren en mensen die, vertrekkend
naar hoger gelegen gebieden, als laatste overweldigd werden door het
wassende water.
4.4 Aardlagen
Het is opmerkelijk dat 75 % van de aardlagen op het land gevormd zijn
door water. Er zijn ook aardlagen die op zichzelf speciale geologische
fenomenen zijn en die getuigen van de zondvloed. Enkele voorbeelden:
4.4.1 De Grand Canyon
De Grand Canyon bestaat uit perfect horizontale aardlagen met een
totale dikte van 1500 meter. De Coloradorivier heeft er scherpe en
symmetrische meanders achtergelaten. Dit kan enkel gebeurd zijn wanneer
de bodem nog zacht was omdat in harde rotsen een rivier niet
symmetrisch kan meanderen en tegelijkertijd een diepe geul kan
uitslijten. De Grand Canyon is dus waarschijnlijk gevormd in de loop
van enkele maanden.
4.4.2 Aardlagen op de Matterhorn en de Mythentop
Op de Zwitserse bergen Matterhorn en Mythentop liggen eveneens oude
aardlagen boven jongere aardlagen. Enkel de top van de bergen is
verschoven en er zijn geen breukvlakken te zien. De enige manier waarop
de verschuiving gebeurd kan zijn is door een bedekking met water, toen
de lagen nog zacht waren.
Evolutionisten daarentegen geloven niet in een overstroming van bergen
en sommigen opperen dat de Matterhorn, samen met andere bergen, zomaar
over een afstand van zo’n 100 km is verschoven tot op de plek
waar hij nu ligt. De Mythentop zou zelfs helemaal uit Afrika zijn komen
schuiven.
4.5 Enkele gevolgen van de zondvloed
4.5.1 De continentendrift
In deze tijd nemen wetenschappers een uit elkaar drijven van de
continenten waar. Deze kleine beweging is slechts de nasleep van de
veel grotere beweging tijdens en/of na de zondvloed.08
4.5.2 De schuine stand van de aardas
‘Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst,
koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht, niet
ophouden.’ (Genesis 8:22)
Deze tekst komt na de beschrijving van de zondvloed en suggereert dat
vanaf dat moment de afwisseling van de seizoenen van start is gegaan of
dat m.a.w. de aardas een hoek aan van 23°27’ heeft
aangenomen.
4.5.3 Een ijlere atmosfeer en diepere oceanen
‘..., op die dag braken alle kolken der grote waterdiepte
open en werden de sluizen des hemels geopend.’ (Genesis 7:11b)
Het water waaruit de zondvloed putte was niet alleen afkomstig van de
wateren onder het uitspansel maar ook van die erboven. Bijgevolg werd
de dichtheid van de atmosfeer kleiner en de hoeveelheid water op aarde
groter. Vandaag is meer dan 70% van het aardoppervlak bedekt met water
en een enorme hoeveelheid water ligt onder de vorm van ijs opgestapeld
in de poolgebieden.
4.5.4 Het ontstaan van regen
‘Mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij
van het verbond tussen Mij en de aarde.’ (Genesis 9:13)
De regenboog, die Noach en zijn gezin nog nooit eerder hadden gezien,
wijst op het ontstaan van regen. Omdat de lucht
vóór de zondvloed verzadigd was aan waterdamp,
werd de aarde bevochtigd door een zware dauw.
‘..., want de HERE God had het niet op de aarde doen regenen,
en er was geen mens om de aardbodem te bewerken maar een damp steeg op
uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem.’ (Genesis
2:5b-6)
4.5.5 IJstijden?
Het is mogelijk dat de zondvloed gepaard ging met bewegende
ijsmassa’s of dat ze gevolgd werd door koudere periodes, maar
dit betekent daarom nog niet dat er ijstijden en tussenijstijden van
duizenden jaren hebben plaatsgevonden.
In Australië is aangetoond dat 55 miljard m³ grof
sedimentatiegesteente dat vroeger beschouwd werd als een
gletsjerafzetting van een ijstijd, in feite gevormd werd door
modderstromen onder water. Morenen, gegroefde rotsen, afgeslepen
rotsblokken, zwerfkeien op kilometers hoge bergen,… al deze
verschijnselen kunnen het best verklaard worden door de werking van een
wereldwijde watervloed zoals beschreven is in de Bijbel.
4.5.6 Een moeizame aanpassing aan het nieuwe klimaat
De afstammelingen van de zonen van Noach gingen zich elk in een gebied
vestigen. De nakomelingen van Sem trokken naar Mesopotamië,
die van Jafet naar Europa en die van Cham naar Egypte en Afrika. Ze
waren het nieuwe, ongure klimaat niet gewoon en hadden moeilijkheden om
beschutting en voedsel te vinden. Beetje bij beetje leerden ze
werktuigen vervaardigen, eerst uit steen, daarna uit metaal. Ze werden
genoodzaakt om intensief voedingsgewassen te telen en vee te houden. De
eerste landbouwactiviteiten vindt men terug bij Semitische volkeren, in
de zogenaamde ‘vruchtbare sikkel’.09
4.6 Zondvloedverhalen bij volken over de hele wereld
Bij in totaal meer dan 80 volken en stammen, verspreid over de hele
wereld (Australië, China, India, Noord-Amerika, Peru,
Scandinavië, ...) zijn zondvloedverhalen aangetroffen. Zonder
dat ze de laatste duizenden jaren contact met elkaar gehad hebben,
vertellen ze allemaal het verhaal van een man die zijn familie of
vrienden m.b.v. een soort boot redt uit een grote watervloed, waarbij
dieren ook een rol spelen.
5 De ouderdom van de aarde
Volgens de Bijbel is de aarde minder dan 10.000 jaar oud. Daarentegen
wordt – onder invloed van het evolutionisme –
doorgaans een ouderdom van de aarde van ongeveer 5 miljard jaar
onderwezen.
In hoofdstuk 2 hebben we gezien dat chemische evolutie veel tijd eist:
‘Alles is mogelijk als je het toeval maar voldoende tijd
geeft.’ Ook voor de evolutie van cel tot mens willen
evolutionisten graag een hoge ouderdom van de aarde: ‘Gegeven
dat micro-evolutie wordt waargenomen en de kennis dat de aarde
miljarden jaren oud is, mag ervan uit worden gegaan dat er
macro-evolutie is.’10 M.a.w.: volgens sommige
evolutionistisch ingestelde genetici is ‘micro + tijd =
macro’. Afgezien van het feit dat die stelling op zich geen
steek houdt (zie 3.1), is die tijd hen niet gegund. Ziehier de feiten.
5.1 Weinig helium
Bij het uiteenvallen van uranium tot lood wordt helium gevormd. Dit
helium ontsnapt na verloop van tijd uit het gesteente waarin het is
ontstaan en komt zo in de atmosfeer terecht. Maar de hoeveelheid helium
in de atmosfeer is zo klein, dat dit kan zijn ontstaan in amper een
paar duizend jaar. Indien het uiteenvallen van uranium al 5 miljard
jaar bezig zou zijn, dan zou er 100.000 maal zoveel helium in de
atmosfeer aanwezig moeten zijn.
5.2 Het aardmagnetisme in verval
Het is een feit – hoewel niet algemeen gepubliceerd
– dat het aardmagnetisch veld tamelijk snel aan het vervallen
is. Sinds 1835 zijn gegevens bekend over het magnetisch veld van de
aarde (zie Bijlage 2). Uit deze gegevens kan men afleiden dat het
aardmagnetisme elke 1400 jaar halveert. 10.000 jaar geleden moet het
magnetisch veld van de aarde even sterk geweest zijn als van een
‘magnetische ster’. Een aarde die ouder is dan
20.000 jaar is onmogelijk aangezien de energie, gepaard gaande met het
aardmagnetisme, zo groot zou zijn dat de aardkern gewoonweg niet bij
elkaar zou hebben kunnen blijven.
Tegen deze feiten werpen evolutionisten hun
‘dynamohypothese’ op. In de aardkern zou een dynamo
zijn die elektrische stromen opwekt, nodig om het magnetisme te
bekrachtigen gedurende meer dan 4,5 miljard jaar. Ten eerste moet men
zich realiseren dat er geen mechanisme bekend is dat de elektrische
stroom zou kunnen opwekken in de dynamohypothese. Ten tweede is het zo
dat er geen echt bewijs is dat de dynamo bestaat.
5.3 De aardrotatie in verval
De rotatiesnelheid van de aarde neemt gestadig af. Indien de aarde
miljarden jaren oud zou zijn, zou de aardrotatiesnelheid vroeger zo
hoog zijn geweest dat alle land bij de evenaar zou terechtgekomen zijn
in een 10 km hoge wal.
5.4 Kosmisch stof
5.4.1 Op de aarde
Jaarlijks valt op de aarde 14 miljoen ton kosmisch stof. Dit stof bevat
2,5 % nikkel. Jaarlijks komt dus ongeveer 350.000 ton nikkel op de
aarde terecht. Wanneer we aannemen dat al dat stof door de rivieren
naar de oceanen gebracht wordt en wanneer we weten dat de oceanen
ongeveer 3.300 miljoen ton nikkel bevatten, komen we op een ouderdom
van de aarde van 9000 jaren.
5.4.2 Op de maan
Aangezien de maan ontstaan zou zijn uit dezelfde oermassa en op
hetzelfde moment als de aarde, loont het de moeite na te gaan hoe oud
de maan is. Eind jaren 60 hebben de Amerikanen dit onderzocht en kwamen
ze tot verrassende vaststellingen.
Geleerden hadden berekend dat per jaar meer dan een miljoen ton stof
uit de ruimte op de maan valt. In de waan dat de maan 5 miljard jaar
oud was, verwachtten ze een stoflaag van vele meters dik. Uit voorzorg
werden zelfs grote platte schotels onder de poten van de maanlander
geplaatst opdat hij niet al te ver in het stof zou wegzakken. Tot hun
grote verbazing troffen ze op het maanoppervlak slechts
één centimeter kosmisch stof aan!11
5.5 Korteperiodekometen
Kometen beschrijven een langgerekte baan om de zon. Elke keer als ze
dicht bij de zon komen, verliezen ze, door verdamping, een deel van hun
materiaal, hun ‘staart’. Op grond van dit verdampen
is berekend dat kometen niet langer kunnen bestaan dan ongeveer 10.000
jaar.
Om dit probleem te ontlopen, hebben evolutionistisch ingestelde
astronomen geopperd dat de korteperiodekometen in het zonnestelsel
aangevuld worden, zodat er altijd kometen om de zon draaien als deel
van het zonnestelsel. Sommige denkbeelden over de aanvulling van
kometen zijn op zijn minst gezegd vreemd, andere grenzen aan het
belachelijke. Een zo’n bizar idee is dat ze gevormd werden
door vulkanen op Jupiter; er is geen kracht bekend die de zwaartekracht
van Jupiter overwint. De meeste ideeën over het aanvullen van
kometen bevatten zoveel hiaten, dat er maar één
enige populariteit heeft gekregen – dat van Oort. Hij heeft
gesuggereerd dat er een onmetelijke wolk of schil van 200 miljard
kometen om het zonnestelsel zit en dat heel vaak onder invloed van een
passerende ster er één in het zwaartekrachtsveld
van het zonnestelsel getrokken wordt. De ‘oortwolk’
bevindt zich gemakshalve ‘buiten de grenzen van de zichtbare
waarneming’.
5.6 De lichtsnelheid
Wanneer het heelal minder dan 10.000 jaar oud is, rijst de vraag: hoe
is het mogelijk een ster te zien, die verder weg is dan 10.000
lichtjaar, want het kost meer dan 10.000 jaar voor het licht om de
afstand van die ster naar de aarde af te leggen?
Als mens is het moeilijk zich te verdiepen in deze complexe materie en
een eensluidend antwoord te vinden. Niettemin bestaat een hypothese die
zegt dat het licht zich zou verplaatsten in een gekromde ruimte, de
riemannse ruimte. Een ster die zich op een euclidische (dus
rechtlijnige) afstand van 10.000 lichtjaren bevindt, zou in de
riemannse ruimte slechts 15,7 lichtjaar van ons verwijderd zijn (zie
Bijlage 3).
Eindnoten
Eindnoot 01. Jezus Christus, de Zoon van God en de Verlosser van onze
zonden, zegt van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid, en
het Leven.” (Joh. 14:6)
Eindnoot 02. Het kan ook andersom gegaan zijn: een dier trekt naar een
bepaald gebied waar het een bepaalde lichaamseigenschap niet nodig
heeft en mettertijd verdwijnt die eigenschap dan ook.
Eindnoot 03. Bedenking: waar kan dit “hopeful
monster” een partner vandaan halen? Deze theorie is compleet
waanzinnig.
Eindnoot 04. Het punctualisme, een theorie van twee niet-genetici,
sloeg in als een bom onder de vaklui. Ze werd aanvankelijk verworpen en
scherp aangevallen door de populatiegenetici. Nu echter is het
punctualisme een goed, comfortabel onderdeel (of misschien op
z’n best een zwakke uitbreiding) van het neodarwinisme,
waarschijnlijk om het ontbreken van overgangsvormen te kunnen
verklaren. (Zie 3.5.2)
Eindnoot 05. R. Lewin, ‘Evolutionary Theory under
Fire’, Science, 21 november 1980, p. 883-887.
Eindnoot 06. The Times, 19 april 1982
Eindnoot 07. J.E. Ransom, Fossils in America, Harper en Row, New York,
1964.
Eindnoot 08. Evolutionisten geloven ook in een samenhangend continent
(Pangaea) maar zij situeren het op een ander (virtueel) moment in de
geschiedenis. Ze retropoleren de huidige bevindingen – een
beweging van 1 tot 15 cm per jaar – en komen uit op 225
miljoen jaar geleden. Bemerk het verschil tussen actualisme en
catastrofisme. (zie 4.2)
Eindnoot 09. Grotbewoners zoals de Neanderthaler en de Cro-Magnonmens
worden door evolutionisten ten onrechte aangeduid als onze evolutieve
voorouders. In werkelijkheid zouden ze in onze maatschappij nauwelijks
opvallen.
Eindnoot 10. C. Colby, The Talk. Origins Archive, Introduction to
evolutionary biology.
Eindnoot 11. Ook hadden ze verwacht dat onze kleine maan na 5 miljard
jaar volkomen afgekoeld zou zijn. De maan bleek echter een warm
hemellichaam te zijn met vloeibare kern, magnetisch veld en
maanbevingen.
Literatuurlijst
· ANDREWS, E.H., Alles uit niets, Veritas, Alphen aan den
Rijn/Brussel, 1983.
· BOS, H., ‘Pleidooi voor meer creationistisch
onderzoek’, Bijbel & Wetenschap, jaargang 22 (1997),
nr. 199, p. 206-209.
· DELDEN, J.A. van, Schepping of evolutie?, Oosterbaan
& Le cointre B.V., Goes, 1977.
· DIXON, D., De planeet aarde, Artis-Historia, Brussel,
1990.
· DOYEN, J., Evolutie weerlegd door wetenschappelijke
feiten, Stichting Moria, ?, 1978.
· FLORI, J., Évolution ou creation?, 2de druk,
Éditions S.D.T., Dammarie-lès-Lys, ?, 1974.
· GAMLIN, L., De oorsprong van het leven, Artis-Historia,
Brussel, 1988.
· GAMLIN, L., Het menselijk ras, Artis-Historia, Brussel,
1989.
· GEUNS, J., Macro/micro in de biologie, 2de druk, Plantyn,
Antwerpen/Deur-ne, 1996
· GRAAF, J. van der, Evolutie en geloof, J.H. Kok, Kampen,
1975.
· HAM, K.A., De leugen, evolutie, Biester en Abbes, Almelo,
1995.
· HOBRINK, B., Evolutie, ei zonder kip, 3de druk, Gideon,
Hoornaar, 1996.
· HOWITT, F.R., Evolutie, wetenschap of dwaling?, Gideon,
Hoornaar, ?.
· KREMER, C., Namaak en vervalsing, Artis-Historia, Brussel,
1993.
· LOEWE, L., Chemische evolutie, een onhoudbare hypothese,
Amersfoortse studies nr. 8, Stichting tot Bevordering van
Bijbelgetrouwe Wetenschap, Amersfoort, 1991.
· LOUW, C. van der, IJstijden, fantasie of werkelijkheid?,
Amersfoortse studies nr. 7, Stichting tot Bevordering van
Bijbelgetrouwe Wetenschap, Amersfoort, 1991.
· MURRIS, H.R., ‘Fossiele bodems’,
Bijbel & Wetenschap, jaargang 22 (1997), nr. 198, p. 185-187.
· NELSON, B.C., Naar hun aard, Buijten &
Schipperheijn, Amsterdam, 1972.
· OUWENEEL, W.J., De ark in de branding, 2de druk, Buijten
& Schipperheijn, Amster-dam, 1977
· OUWENEEL, W.J., Evolutieleer in het licht van modern
onderzoek, Amers-foortse studies nr. 5, Stichting tot Bevordering van
Bijbelgetrouwe Weten-schap, Amersfoort, 1990.
· OUWENEEL, W.J., Operatie supermens, 3de druk, Buijten
& Schipperheijn, Amster-dam / De vuurbaak, Groningen, 1978.
· PAILER, N., De oerknal, 2de druk, Amersfoortse studies nr.
22, J.J. Groen en Zoon, Heerenveen 1997.
· REHWINKEL, M., De zondvloed, 3de druk, Buijten &
Schipperheijn, Amster-dam, 1972.
· RITLAND, R.M., Hoe is de aarde ontstaan?, Veritas, Den
Haag, ?.
· SCHEELE, P., Degeneratie, het einde van de
evolutietheorie, 3de druk, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam,
1997.
· UTT, R.H., De natuur, ontwerp en ontwerper, Veritas, Den
Haag/Brussel, 1975.
· VOORTHUIS, F.J., Vanwaar? Waartoe? Waarheen?, 7de druk,
Veritas, ‘s-Gravenhage, 1965.
· WEBSTER, C., La terre, Éditions Vie et
Santé, Dammarie-lès-Lys, 1994.
· WHITE, A.J.M., Hoe oud is de aarde?, Werkgroep Schepping,
Hengelo, 1985.
· WYSONG, R.L., The creation-evolution controversy, 5de
druk, Inquiry Press, Midland, ?, 1981.
· http://www.talkorigins.org/
(algemene
site over evolutionisme/creationisme)
HOT ITEM :
KLIMAATVERANDERING

Christen en het milieu
Op deze plek een koppeling van psalm 8 aan het onderwerp
'klimaatverandering'. Dat hier niet alleen omdat het een actueel
onderwerp is, maar ook omdat psalm 8 ons extra gevoelig maakt voor onze verantwoordelijkheden in dezen. De actualiteit
behoeft geen toelichting. Tot in de tv-journaals toe krijgen de alarmerende rapporten van
deskundigen aandacht. Minder aandacht krijgt misschien, dat over de aard van de
verandering en de oorzaak het laatste
woord nog niet gezegd is.
Veel wetenschappers wijzen de (Westerse) mensheid als de hoofdschuldige aan: onze industriële en op
consumeren ingestelde samenleving heeft door de enorme uitstoot van CO2, die nu al tientallen jaren gaande is
en die maar zo lastig is in te dammen, een broeikaseffect gecreëerd dat tot
opwarming van de aarde leidt. Maar niet alle wetenschappers denken er zo over. Sommigen wijzen op de
complexiteit van het klimaat en op eerdere grote schommelingen in de loop van tienduizenden
jaren. Ze noemen ook andere oorzaken dan de CO2-uitstoot, zoals activiteit van de zon, en
de gigantische ontbossing in Indonesië en Brazilië. Zo waarschuwen zij
ervoor om de zaak te simpel voor te stellen. Waar iedereen het echter over eens is, is dat wij mensen nu wel op
onze tellen moeten passen.
Dus: die CO2-uitstoot moet echt omlaag. En: we moeten stoppen met die
ontbossing, die alleen maar plaats vindt om geld te verdienen aan
suikerrietplantages enzovoorts. We moeten ook geld uitgeven aan dijkverzwaring in arme landen en
steden - als men dat gedaan had zou New Orleans niet zo zwaar getroffen zijn door de
orkaan Katrina! Maar nu komt het: op dit punt hebben christenen een slechte naam. Zij
lopen niet voorop als het gaat om deze 'bekering'. Zij behoorden ook niet tot de trekkers van
het milieudebat. Vreemd is dat eigenlijk. Aan de ene kant zingen wij graag psalm 8 en hebben
wij weet van de verantwoordelijkheid die daarin aan ons wordt toegekend:
U hebt hem bijna een god gemaakt, ...
Hem toevertrouwd het werk van uw handen. (vers 6, 7)
Aan de andere kant wordt in de kerk een mens heel wat eerder
vanwege een seksuele zonde aan de schandpaal genageld dan vanwege een
milieu-zonde. Hoe komt dat toch? Hebben we voor die laatste een blinde vlek? Vatten wij het
begrip 'bekering' te smal op? Of maken wij ons zo druk niet om de toekomst van onze
planeet, omdat wij onze zinnen gezet hebben op Gods nieuwe aarde?
Het verkeerde geloof
Er zijn niet-christenen die het nog ergens anders zoeken. Die zeggen:
"Dat jullie christenen zo achteraan hobbelen als het om milieuvraagstukken gaat,
heeft met jullie geloofsovertuiging te maken. Jullie hebben gewoon het
verkeerde geloof, en het verkeerde Boek!" Reeds dertig jaar geleden is de aanval geopend op - psalm 8. Vers 7,
klinkt in de NGB-vertaling anders. Niet: U hebt hem toevertrouwd het
werk van uw handen. Maar: Gij doet hem heersen over de weken van uw
handen.
Het gaat om dat woord 'heersen'. Ook in Genesis 1:28 tref je het aan,
waar de mens als opdracht mee krijgt om de aarde 'onder zijn gezag' te
brengen. Degenen die de aanval op de christenen hebben geopend zeggen: "Daar komt het vandaan dat
christenen zich zo weinig druk maken om het milieu. De natuurvolkeren voelen zich
verwant aan de natuur. Zij voelen zich één met de bomen en de dieren, en
zullen zich dan ook nooit aan de natuur vergrijpen.
Het evolutionisme onderstreept hoe waar het is, dat mensen aan bomen en
dieren verwant zijn. Inderdaad: laat de mens zich niet verbeelden dat hij
een aparte plaats inneemt in de natuur. Hij komt er uit voort en maakt er deel van uit. Als
'hogere diersoort' heeft de mens alle reden de dieren als een soort verre familieleden te
zien! Maar heel anders zien de christenen het. Op basis van wat zij lezen in Genesis 1 en
Psalm 8 voelen zij zich er boven staan, boven de bomen en de dieren. Zij zien de natuur als
onderworpen aan zichzelf. Zij voelen zich niet verwant aan de bomen en de dieren, maar
zeggen: 'Ha, ons eigendom! Wij gaan de natuur exploiteren!' Kijk eens naar Amerika. Vroeger
woonden de indianen er. Zij gingen vreedzaam met de natuur om. Toen kwamen de
christelijke blanken. Die hebben geheerst over de natuur. Met als gevolg dat zij een
milieu-puinhoop hebben aangericht!" Met andere woorden: gaat het milieu je ter harte? Kies dan het
goede geloof, en klap de Bijbel dicht.
De aanklacht weerlegd
Nu komt het erop aan. Want van tweeën
één. Òf de mensen die zo de aanval op
het christelijk geloof openen hebben gelijk, en dan moeten we
ruiterlijk toegeven dat de natuur van ons christenen weinig te verwachten heeft. Òf
ze hebben ongelijk. Maar dan - is het niet voldoende om de aanklacht theoretisch te weerleggen.
Natuurlijk - daar begint het wel mee.
Eigenlijk zie je dat al aan de Nieuwe Bijbelvertaling. Die heeft dat
woord 'heersen' vervangen door 'toevertrouwen'. Eerlijk gezegd: die woorden dekken
elkaar niet helemaal. Toch is deze vertaling wel in de geest van de Bijbel. Want - in de eerste
plaats - wat heeft Jezus ook al weer over 'heersen' gezegd? Juist: dat dat bij Hem
'dienstbaar zijn' betekent, vgl. Marcus 10:42,43. Christelijk gelezen roept psalm 8 ons op tot grote
dienstbaarheid en zorgzaamheid als het om heersen over de natuur gaat. En in de
tweede plaats: psalm 8 is gericht op de heerlijkheid van God.
HEER, onze Heer, hoe machtig is uw naam op heel de aarde (vs 2,10)
Wie echt leeft in de geest van de Bijbel, benut de natuur
niet voor zichzelf, maar kent als hoogste doel dat Gods naam groot is op aarde! Vgl. de
definitie van 'goede werken' die de Catechismus geeft in zondag 33: Werken die gedaan worden uit
geloof, tot Gods eer! En dus is dit de vraag: is Gods naam groot in die ontbossing? Is
Gods naam groot waar wij traag zijn in het verminderen van de CO2-uitstoot? Is Gods naam
groot, waar men geen geld over heeft voor het beveiligen van armen in streken met tropische
stormen?
Léven
tot Gods eer
Bekijk hier prachtige Presentatie over de Schepping
Het is dus niet
genoeg om de juiste theorie op te stellen en op die manier psalm 8 vrij
te pleiten. Er is meer nodig. Wij zullen door een christelijke
levensstijl het getuigenis moeten ondersteunen, dat Gods naam staat voor natuurbehoud en niet
voor schade aan de natuur.
Het betreft hier echt een zaak van bekering. Ik ga u niet
vertellen wat u precies doen moet. Er zijn vele websites die u en jou tips geven hoe je een
steentje kunt bijdragen. Wat ik u nu vraag, is om u in het hart te laten raken door Jezus
Christus, en in de navolging van Hem psalm 8 te lezen en toe te passen. Gelukkig: over het klimaat
heersen wij niet. Het is ons zelfs niet toevertrouwd. Maar wij hebben wel een grote
verantwoordelijkheid met betrekking tot de klimaatverandering. De eer van God is in het geding,
ook als het gaat om zaken als CO2 of ontbossing of geld voor dijkverzwaring. Het lijkt erop
dat wij uiteindelijk uitkomen bij het dilemma waarvoor Jezus ons stelt. Dienen wij God, of de
mammon - het geld? (Matteüs 6:24) Zijn wij bereid ons leven anders in te richten in
zorgzaamheid voor de ons toevertrouwde aarde, of blijft ons hoogste doel dat ons
comfort en ons gewin in stand blijven? Ik roep u op om, in de navolging van Jezus, de eer
van God boven alles te stellen en van daaruit uw verantwoordelijkheid te nemen met betrekking
tot natuur en milieu en zorg voor de armen. Kies ervoor, onze goede God te dienen, de
heiliging van zijn naam na te streven, en goede werken te doen met het oog op zijn eer.
Nadenken over schepping en evolutie ?
Lees dan de volgende
dokumenten ook eens: -1- -2- -3- -4- -5-
AFBEELDINGEN
1
"Michael Casts out all of the Fallen Angels"
2
"Satan rises from a burning lake"
3
"Satan talks to the council of Hell"
4
"The fallen Angels explor Hell"
5
Angels of Heaven blow their trumpets in victory
6
Satan takes his throne in Hell
8
Satan talks to Sin and Death
11
Chaos watches as the Rebel Angels are thrown into Hell
12
Satan is cast out of Heaven and is plunged into Hell
19
Satan is cast out the hill of Heaven and is cast in Hell's
canyons




















