De vroeg-christelijke periode in Nederland

Lees de BijbelDe vindplaats van materiaal voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs, zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te vergroten. Blijf niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in geestelijke rijkdom.

BIJBEL: bron van vrede

Lees de BijbelDe Geschiedenis van het protestantisme in Nederland

In het jaar 313 werd het christelijk geloof een toegelaten godsdienst in het Romeinse Rijk. Tot die tijd werd het vervolgd, maar in het genoemde jaar vaardigde keizer Constantijn de Grote het zogenaamde Edict van Milaan uit, waarin godsdienstvrijheid voor de christenen werd gegarandeerd. Hij had namelijk het jaar ervoor, vlak voor een grote veldslag, een droom gekregen, waarin hij een kruis zag en een stem tot hem zei: 'In dit teken zul je overwinnen.' Hij liet banieren met het teken van het kruis maken en overwon inderdaad. Hij en zijn generaal besloten daarop het christelijk geloof niet langer te vervolgen.

Zelf liet Constantijn zich pas op zijn sterfbed als christen dopen. Keizer Constantijn heeft ook andere dingen ten gunste van het christendom gedaan, zoals de bouw van de St. Pieterskerk te Rome. Hij bevorderde het gebruik van het kruis als christelijk symbool op bijvoorbeeld munten en hij maakte Constantinopel de christelijke hoofdstad van het Romeinse Rijk. Ook stelde Constantijn de zondag in als rustdag voor de christenen, wat nu nog steeds het geval is.


Het Edict van Milaan bevatte onder andere de volgende passages:

Toen ik, Constantijn Augustus, en ik, Licinius Augustus, elkaar gelukkigerwijs in de buurt van Milaan ontmoetten, en nadachten over alles wat te maken heeft met het openbaar welzijn en de veiligheid, dachten we (naast andere dingen waarvan we zagen dat ze voor het welzijn van velen zouden dienen) dat de regels die betrekking hebben op het vereren van de Godheid het eerst opgesteld zouden moeten worden, zodat we aan christenen en anderen de volledige zelfbeschikking geven om die godsdienst te volgen die ieder prefereert, zodat wat voor Godheid er ook in de hemel is, vriendelijk gezind mag zijn ten opzichte van ons en allen die onder onze regering staan. (...)

Daarom moet U weten dat het ons beliefd heeft alle voorwaarden weg te doen met betrekking tot de christenen en nu mogen allen die de christelijke godsdienst willen aanhangen, dit vrij en openlijk doen, zonder lichamelijke bestraffing. (...)

We hebben ook aan andere godsdiensten het recht op vrije en openlijke beoefening van hun eredienst gegeven in het belang van de vrede van onze tijd, zodat ieder de vrije mogelijkheid zal hebben om te aanbidden zoals hij dat wil (...).
Verder moesten ook alle gebouwen aan de christenen teruggegeven worden, die eerder door de staat onteigend en verkocht waren. Dit ging zowel over persoonlijk bezit van christenen als over de gebouwen die eigendom van de kerkelijke gemeentes waren geweest.

Christelijk geloof steeds meer bevoordeeld

Al snel daarna werd het christelijk geloof steeds meer bevoordeeld door de Romeinse keizers, omdat ze er een manier in zagen om de eenheid van staatsmacht en religieus toezicht te handhaven. Dit principe was ook voorheen een belangrijk element van de Romeinse politiek.

Het Romeinse rijk strekte zich in die tijd uit tot halverwege het huidige Nederland. De grote rivieren vormden daar de natuurlijke grens van het rijk. Ten noorden van deze grens woonden de friezen, die er hun eigen godsdienst op na hielden. Veel Romeinse nederzettingen waren er niet in de rivierenstreek, die er waren, waren vooral vestingplaatsen. De culturele grens van het rijk liep verder naar het zuiden, langs de handelsweg van Keulen via Maastricht en Tongeren naar het Kanaal.

Christelijke ambtsdragers

Toen het christendom een toegestane godsdienst werd, traden er in de grotere steden al snel christelijke ambtsdragers op. Zo hadden Keulen en Tongeren al in 314 hun eigen bisschop. Dit was de vertegenwoordiger van de Kerk in die steden, met het privilege om priesters te wijden en binnen de kerkelijke gemeenschap macht uit te oefenen. Waarschijnlijk hield zo'n bisschop zich voornamelijk met de gelovigen in de betreffende stad bezig. Op het platteland was nog weinig van het nieuwe geloof te merken.

Bisschop

De eerste bisschop in Nederland waar we iets meer van weten is Servatius (of Servaas) van Tongeren. Hij werd in Armenië geboren (ten zuiden van de Zwarte Zee), waarschijnlijk als zoon van joodse ouders. Hij was daar bekend onder zijn oosterse naam Sarbatios. Rond 340 kreeg hij de leiding over het bisdom Tongeren. Hij hield zich op internationaal niveau bezig met theologie en wilde vasthouden aan de Bijbelse notie dat Jezus van eeuwigheid af God is en dat Hij de enige Verlosser van de mensheid is. Hij hield ook streng de hand aan de zedelijke eisen die de Bijbel aan het christelijke leven stelt. Waarschijnlijk hierdoor kwam hij in conflict met zijn gelovigen te Tongeren en verhuisde hij naar het nabijgelegen Maastricht. Op 13 mei 384 stierf hij daar.
Nog steeds staat in het centrum van Maastricht de kerk van Sint Servaas, waar de stoffelijke resten van deze bisschop in een gouden kist worden bewaard. Het is de oudste kerk van Nederland en de enige Nederlandse kerk die op het graf van een heilige is gebouwd. Maastricht heeft vanaf de tijd van Servatius waarschijnlijk onafgebroken een groep van christenen gekend. In de volgende les zullen we nog over Sint Servaas te spreken komen.

Willibrord

Belangrijk in verband met ons onderwerp is Willibrord (658-739). Na een verblijf in verschillende kloosters in Engeland en Ierland kwam hij in 690 naar het Europese vasteland. De Nederlanden konden toen in twee delen worden verdeeld: ten zuiden van de rivieren heersten de christelijke Franken, ten noorden de heidense Friezen.
Willibrord kreeg van de heersende frankische koning toestemming om het christelijk geloof te verkondigen in het pas veroverde Friese gebied. Hij en twaalf metgezellen die vanuit Engeland met hem meegekomen waren, mochten zich vestigen in Trecht (Utrecht): daar zouden ze de bescherming van de frankische troepen nog genieten. Als inkomsten kregen de zendelingen tien procent van de koninklijke inkomsten uit de streken rondom Utrecht, plus de nodige steun van aanzienlijken uit Brabant. Trecht werd hiermee het geestelijke centrum van midden-Nederland. Willibrord werd de eerste bisschop van Utrecht.

Eind 714 stierf echter de frankische heerser en grepen de friezen (onder leiding van hun koning Redbad of Radboud) de kans aan om Utrecht te veroveren. Willibrord vluchtte weg uit Trecht en vestigde zich in Echternach (huidige Luxemburg). Hier had hij al in 698 een klooster gesticht op land dat hij van een edelvrouw gekregen had. Enkele jaren later (719) waren de rollen echter omgekeerd en kon Willibrord met de herbouw van de kerk te Utrecht beginnen. Uiteindelijk heeft hij ruim veertig jaar onder de friezen de boodschap van het christendom verspreid.

Willibrord voerde op het vaste land de christelijke kalender in. Deze jaartelling en de bepaling van de christelijke feestdagen was ontwikkeld door de Engelse monnik Beda. Voortaan werden de jaren geteld naar het aantal dat verlopen was sinds de geboorte van Jezus, zoals die in 525 te Rome berekend was. Op 7 november 739 stierf Willibrord in het klooster te Echternach, waar hij zijn laatste jaren had verbracht.

Poging kerstening Friezen

Inmiddels had in 716 een Engelse monnik met de naam Wynfrith (674-754) geprobeerd onder de friezen het christelijk geloof bekend te maken. Wynfrith was een zeer intelligente man, die bijvoorbeeld de eerste Latijnse grammatica in het Engels op schrift stelde. Aangezien het christelijk geloof echter het geloof van hun vijanden de franken was en de friezen op dit moment aan de winnende hand waren, vond Wynfrith geen gehoor. Hij keerde naar Engeland terug. In 719 kreeg hij van de paus een nieuw werkgebied (Zuid-Duitsland) en een nieuwe naam: Bonifatius.

In hetzelfde jaar stierf echter de heerser der friezen en Bonifatius maakte van de gelegenheid gebruik om samen met Willibrord het evangelie te verkondigen in Noord-Nederland en in gebieden in Duitsland. Hij leerde van Willibrord het belang van goede contacten met wereldlijke en kerkelijke leiders. Eind 722 werd Bonifatius bisschop in Duitsland. Hij kan als de grondlegger van de kerkelijke organisatie in Duitsland worden beschouwd. In 744 stichtte hij een klooster te Fulda, even ten noordoosten van Frankfurt a.M., Duitsland.


Aan het eind van zijn leven kwam Bonifatius nog even terug naar Nederland. In de zomer van 753 predikte hij ten westen van de Lauwerszee onder de friezen, samen met onder andere zijn leerling Eoba, de toenmalige bisschop van Utrecht. De winter van dat jaar brachten ze samen in de bisschopsstad door, het volgende voorjaar trokken ze opnieuw naar het noorden.


Op de morgen van 5 juni 754 (Pinkstermorgen) werd het kamp van Bonifatius in de buurt van Dokkum door friezen overvallen. Bonifatius was precies een doopplechtigheid aan het voorbereiden. Zijn metgezellen wilden de aanvallers te lijf gaan, maar Bonifatius verbood dat. Hij stierf door het zwaard, evenals meer dan vijftig van zijn metgezellen. Bonifatius' lichaam werd overgebracht naar het klooster te Fulda dat hij zelf gesticht had.


Ludger

Als laatste moeten we de eerste inlandse Nederlandse zendeling noemen. Liudger (742-26 maart 809) was zijn naam en hij stamde uit een fries geslacht. Toen zijn ouders zich tot het christelijk geloof bekeerden, moesten zij uit hun geboortestad vluchten en ze vestigden zich in de buurt van de stad Utrecht. Liudger heeft als elfjarige jongen de oude Bonifatius nog horen preken. Hij studeerde in Utrecht en in Engeland, kwam daarna terug om een tijd lang in de noordelijke streken van Nederland het christelijk geloof te verspreiden.

Volgens de overlevering maakte hij in de huidige provincie Groningen zijn beroemdste bekeerling, de blinde heldenzanger Bernlef. Liudger genas hem, doopte hem en bracht hem ertoe zijn nieuwe geloof te gaan bezingen. Aan het eind van de achtste eeuw riep Karel de Grote deze prediker naar Duitsland. Hij werkte in de omgeving van de stad Münster, waar hij in 793 een klooster stichtte. In 805 werd hij de eerste bisschop van Münster. Hij is begraven in een voorstad van het huidige Essen.


Tegen de tijd dat Liudger stierf is de tijd van de rondtrekkende predikers voorbij. De kerk is geïnstitutionaliseerd en alle werk moet voortaan volgens de voorschriften plaatsvinden.

Het christelijk geloof werd aldus met veel moed en uithoudingsvermogen algemeen bekend gemaakt door rondtrekkende predikers, voornamelijk vanuit Engeland. Tussen 835 en 900 werden de Nederlandse steden jaar op jaar geplunderd en vernietigd door de Noormannen. Na 900 moet het christelijk geloof opnieuw proberen wortel te schieten in de Nederlandse bodem. Via het inmiddels opgekomen kloosterwezen ging dat redelijk snel en effectief. Via deze centra van geloof, wetenschap en cultuur werd de cultuur diepgaand beinvloed. Hoe dit tot uiting kwam in de literatuur van die tijd zullen we in de volgende les bezien.

Voorspel

1. Luther en Calvijn

Op 31 oktober 1517, 's middags tegen 12 uur gaat Luther naar de Slotkerk te Wittenberg en slaat aan de hoofddeur vijfennegentig stellingen over de aflaat aan. Hij nodigt een ieder uit om met hem van gedachten te wisselen over de uitspraken die hij daarin doet. Luther stelt in de stellingen vast, dat de vergeving van zonden alleen afhangt van verootmoediging en geloof in God. Hij bestrijdt de mening, dat vergeving van zonden binnen de competentie van de Kerk valt en bijvoorbeeld via het kopen van een aflaat te krijgen zou zijn.


Luther is tot deze mening gekomen na veel Bijbellezen, omdat hij er niet zeker van was, dat hij een leven kon leiden, zoals dat een kloosterling (zoals hij zelf was) betaamt. Door het lezen komt hij erachter dat God ons niet aanneemt op grond van de dingen die wij voor hem doen, maar op grond van het geloof in Jezus Christus. Hij keert zich met zijn stellingen dan ook niet in de eerste plaats tegen het kerkelijk gezag, hij wil alleen dat de leer van de kerk wordt herzien. De Bijbel moet een centrale plaats krijgen, niet de Kerk.

Zijn stellingen worden afgeschreven en door het hele land verspreid. Hun scherpe toon en de eenvoudige bewoording (na vertaling in het Duits) zorgden ervoor, dat de stellingen van Luther zich snel verspreidden. De Kerk reageerde snel en scherp. Toen Luther zijn stellingen niet wilde herzien, werden hij en zijn volgelingen op 1 januari 1521 uitgesloten van de Kerk. Het protestantisme was geboren.

In de jaren 30 en 40 van diezelfde eeuw trad de Fransman Jean Chauvin op in Geneve. Wij kennen hem beter als Johannes Calvijn. Hij systematiseerde de geloofsleer die in de Bijbel te vinden is, maar op een nieuwe manier. Bij alles plaatste hij God op de voorgrond in plaats van de Kerk, zoals dat toen gebruikelijk was. Ook het openbare leven wilde Calvijn reformeren, meer aanpassen aan zijn strenge normen en waarden. Zijn ideeën hebben de meeste invloed gehad op de ontwikkeling van het Nederlandse protestantisme.

De Reformatie

  
Religieus conflict

De Reformatie, die ook wel Hervorming wordt genoemd, staat onder leiding van Maarten Luther en Johannes Calvijn. De Rooms-katholieke kerk en ook vorst Karel V wijzen de nieuwe beweging af. De stroming slaat vooral aan in Noord- en West-Europa, in landen als Nederland en Duitsland. In Nederland leidt de Reformatie tot de Opstand, waarbij de Nederlanden zich losmaken van het Habsburgse Rijk.

De Reformatie richt zich vooral tegen de macht en rijksdom van de katholieke kerk. Men wil door middel van hervormingen het geloof terugbrengen naar datgene dat in de Bijbel beschreven staat. Daarmee ondermijnen de aanhangers het woord van de Paus. Het is niet de bedoeling van de hervormers om een nieuwe kerk te stichten, zij hebben slechts veranderingen binnen de bestaande religie voor ogen. Toch vindt er een scheuring binnen de kerk plaats en ontstaan nieuwe kerken.

Het belang van de reformatie

In onze huidige tijd zien we veel manieren van alternatief "gemeente-zijn" . Heel vaak is het op de keper beschouwd behoorlijk "mensgecentreerd". Hierdoor functioneert de verkondiging niet meer zoals het , genadevol, zou kunnen.

Daarom hier een oprechte aandacht
: De vijf "strijdkreten" van de Reformatie

SOLA SCRIPTURA - Aleen de Bijbel


SOLA CHRISTI - Aleen door Christus

SOLA FIDE - Aleen door het Geloof

SOLA GRATIA - Aleen door Genade

SOLI DEO GLORIA - Aleen God de eer

2. Kettervervolging


De eerste stad in de Nederlanden waar bekend raakte dat de theologische hoogleraar Maarten Luther zijn stellingen had verkondigd, was Antwerpen. Duitse kooplieden brachten het nieuws mee. In de lente van 1518 waren er al geschriften van Luther te Antwerpen te koop.

De enigen die tot 1530 notie van deze stroming namen, waren de drukkers (voornamelijk uit handelsoogpunt, soms ook vanwege persoonlijke overtuiging) en enkele vooruitstrevende groepen van denkende mannen. Door deze discussies raakten steeds meer mensen geinteresseerd in wat de Bijbel nu precies te zeggen had. Er werden heel wat Bijbels of delen van Bijbels uitgegeven, gekocht en gelezen. Vervolgens werden daar dan weer boeken over geschreven, die door de boekdrukkers werden uitgegeven. Zo was de net uitgevonden boekdrukkunst een belangrijke factor in de verspreiding van de Reformatie.

Intussen was ook de politiek zich steeds meer met de kwestie gaan bemoeien. Op 29 april 1550 werd er een plakkaat uitgevaardigd, dat de doodstraf stelde op iedere discussie over de Bijbel door leken. Dit kon de ontwikkeling echter niet tegenhouden, dat door het hele land groepen aanhangers van de Reformatie bij elkaar kwamen om de eredienst en het kerkelijk leven volgens de nieuwe inzichten vorm te geven.

Langzamerhand drong ook Calvijns faam door en begonnen predikers ook volgens zijn methode de Bijbel uit te leggen en toe te passen.

3. Alva en Willem van Oranje

De protestanten noemden zichzelf inmiddels 'gereformeerden,' oftewel degenen die hun gemeente naar de leer van de Reformatie hadden omgevormd. Ze begonnen buiten de bebouwde kom bijeen te komen, het zgn hagepreken. Of ze kwamen in woonhuizen bijeen om samen een gedeelte uit de Bijbel te bespreken. Vaak was hier geen priester bij aanwezig, maar werd de bijeenkomst geleid door een belezen middenstander. Hier en daar eisten de protestanten zelfs kerkgebouwen op.

In de zomer van 1566 ontlaadde de tegenstelling tussen protestant en katholiek zich in een golf van verwoestingen, gericht tegen rooms-katholieke kerken en kapellen. De vernietiging betrof alles wat te maken had met de gebruikelijke eredienst. Aangezien vooral de beelden in de kerken het moesten ontgelden, kreeg deze periode de naam 'beeldenstorm.' Het ging de beeldenstormers erom, een ruimte te krijgen om hun erediensten te houden. Het was geen door de gereformeerden georganiseerde actie, maar ze keurden het ook niet af.

De regering besloot daarop tot een strafoefening. In 1567 arriveerde de hertog van Alva in de Nederlanden om de verantwoordelijken op te pakken en de macht van de RK kerk te herstellen. De stadhouder van Holland, Willem van Oranje Nassau kwam daartegen in het geweer. Hij had een lutherse opvoeding genoten door zijn Duitse ouders en was grootgebracht met het idee dat een heerser zich niet mag mengen in het geloofsleven van zijn onderdanen. Onder Willem van Oranje organiseerde de opstand tegen de Spaanse overheersers zich onder de naam van geuzen. Met name de gereformeerden toonden zich actief, daar zij het dubbele juk van Spaanse en katholieke overheersing van zich wilden werpen.

Officieel begin

1. Emden 1571

Tussen 4 en 13 oktober 1571 kwamen te Emden (Duitsland) 29 predikanten en ouderlingen van Nederlandse gemeenten bijeen. Ze wilden een gemeenschappelijke lijn uitzetten voor de structuur van de Gereformeerde Kerk in de Nederlanden. Zeer belangrijk en opvallend was het eerste artikel van hun kerkorde: "Geen kerk (d.i. plaatselijke gemeente) zal over andere, geen dienaar (des Woords) over dienaren, geen ouderling over ouderlingen, geen diaken over diakenen voorrang of heerschappij uitoefenen, maar veeleer zal elk zich wachten voor alle verdenking daarvan en gelegenheid daartoe." Er is dus geen hiërarchie zoals in de RK kerk.

Het verband tussen de gemeenten wordt in stand gehouden door elke twee jaar een dergelijke vergadering (nationale synode) bijeen te roepen. In het andere jaar moest elke regio een provinciale synodevergadering houden. Eens per kwartaal of per halfjaar zouden bij elkaar in de buurt liggende kerken met elkaar moeten overleggen in een classisvergadering. De kerkenraad moest minstens eens per week bijeenkomen. In geen enkele vergadering mochten de predikanten in de meerderheid zijn.

Als basis van het geloofsleven werd de leer van de Bijbel genomen. Als leerboeken voor het geloofsonderricht mochten de Heidelbergse Catechismus of de Catechismus van Geneve (van Calvijn) gebruikt worden, deze laatste alleen in Franstalige gemeenten. Eventueel mocht ook een andere catechismus gebruikt worden, mits die in overeenstemming met Gods Woord was.

Deze synode kan gezien worden als het begin van de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk.

2. Opkomst van het protestantisme

Zowel de overtuigde protestanten als de overtuigde katholieken vormden waarschijnlijk een minderheid in het land. De meerderheid bleef het liefst neutraal, tot zou blijken welk van de partijen het machtigste was. Ook de overheden probeerden een ieder te vriend te houden en een middenweg te zoeken. Dat werd ze door geen van de partijen in dank afgenomen.

De protestanten wilden geen nieuwe kerk stichten, maar de oude hervormen. Op plaatsen waar zij in de meerderheid waren, riepen zij daarbij vaak de hulp van de overheid in. Wie zich niet wilde hervormen, moest door de overheid uit zijn dienst ontzet worden, zonder echter daarbij in lichaam of goed beschadigd te worden. Zo zou er dan plaats komen voor de ideeën van de Reformatie.

Op 8 november 1576 sloten de vertegenwoordigers van verschillende Nederlandse gewesten in Gent een verbond, de zogenaamde Pacificatie van Gent. De ondertekenaars verbonden zich om elkaar bij te staan bij het verdrijven van de Spaanse overheersers en een zekere mate van zelfbestuur te herstellen. In Holland en Zeeland mogen de gereformeerden hun godsdienst vrij belijden, maar ze mogen niets ondernemen tegen het katholicisme in de overige gewesten.

De overheid in deze gewesten legde geen geloofsvorm op aan de bevolking, lieten de gewetens vrij en controleerden de kerkgang niet. Het bleef bij bevoorrechting van de gereformeerden door toekenning van gebouwen en fondsen die aan rooms-katholieken werden ontnomen.

3. Eerste nationale synode op Nederlandse bodem: Dordrecht 1578

Op 3 juni 1578 begon de eerste officiële nationale synode van de 'Nederlandischen Duytschen ende Walschen Kerken.' 53 deelnemers kwamen in Dordrecht bijeen, onder hen ook vertegenwoordigers van Nederlandse gemeenten in Duitsland en Engeland.

Opnieuw werd vastgelegd dat er geen hiërarchie bestond in het besturen van de kerk, evenals in Emden. Er waren wel meerdere vergaderingen, maar geen hogere. Als algemeen beginsel werd geformuleerd, dat een zaak alleen dan in een meerdere vergadering aanhangig wordt gemaakt als deze op een mindere vergadering niet kon worden afgehandeld, of als de zaak de kerken in het algemeen aangaat.

Ook de verhouding met de overheid werd opnieuw onder de loep genomen. Voor hun financiering waren de gemeenten afhankelijk van de overheid. Dat zagen zij ook als een taak van de overheid. Maar de synode onderstreepte tevens de zelfstandigheid van de kerk bij het beroepen van predikanten en het kiezen van ouderlingen en diakenen. In de praktijk zou echter de overheid ook leden naar de kerkeraden en de kerkvergaderingen delegeren.

De gereformeerde kerk werd uiteindelijk de publieke kerk van Nederland, de enige officieel erkende kerk. Daarom had zij als taak alle kinderen te dopen, ongeacht het geloof van de ouders. Ook de huwelijken werden door de predikanten gesloten, ongeacht het geloof van het echtpaar. Zo fungeerde de kerk dus als een deel van de overheid. Maar de gereformeerde kerk werd geen staatskerk: er was geen automatisch lidmaatschap. Het eigenlijke lidmaatschap bleef gebonden aan specifieke voorwaarden van persoonlijke keuze en officiële toelating. Het aantal belijdende leden van de kerk bleef dan ook relatief klein.

Interne strijd

1. Remonstranten en contra-remonstranten

In het jaar 1604 ontstond er aan de universiteit te Leiden een verschil van mening tussen twee hoogleraren in de theologie: Arminius en Gomarus. Volgens het universitair lesrooster moest het onderwerp van de uitverkiezing aan bod komen.

 
Arminius legde dit theologische leerstuk als volgt uit: God heeft besloten om degenen die zich tot Hem keren en in Hem geloven, in genade te ontvangen en hen zalig te maken. Wie niet voor God kiest, wordt door Hem verworpen. Ofwel: wie voor God kiest, wordt door God ontvangen. (De mens kiest voor God)

Gomarus daarentegen legde in navolging van Calvijn de nadruk op het werk van God. Hij geeft aan sommigen geloof, aan anderen niet. God is niet van mensen afhankelijk, bovendien zijn Gods wegen voor mensen niet altijd te begrijpen. Ofwel: God heeft mensen uitgekozen, die Hij wil ontvangen. Waarom, dat kunnen wij niet bevatten. (God kiest voor de mens)

Arminius vond dat zijn leer in overeenstemming met de Bijbel was, zijn tegenstanders vonden van niet. Ook de politiek ging zich ermee bemoeien en deze stelde voor dat een nationale synode de leer (en ook de kerkorde) aan een grondig onderzoek zouden onderwerpen. Dat was tegen het zere been van Gomarus en de zijnen, die de uitspraken van Arminius juist op grond van de al vastgelegde leer wilde beoordelen. De strijd sleepte een aantal jaren voort, tot Arminius overleed op 19 oktober 1609.

Het standpunt van Arminius werd door nog zo'n 40 predikanten gedeeld. In januari 1610 dienden deze predikanten een verzoekschrift bij de staten van Holland in, een zogenaamde remonstrantie. Zij vroegen de overheid om een nationale synode bijeen te roepen, waar 5 punten van leerstellige aard besproken zouden kunnen worden. Ze wilden een revisie van de geloofsbelijdenis en de catechismus, zodat hun standpunt daarin duidelijker naar voren zou komen.

De overheid legde hun standpunten voor aan de verschillende classisvergaderingen met het voorstel om deze te accepteren en verdere discussie te staken. Dit viel niet in goede aarde, vooral niet omdat volgens de algemene opvatting de overheid zich niet had te mengen in de leer van de kerk. Wie het met de remonstrantie eens was, noemde zich voortaan remonstrants, de overigen waren contraremonstrants.

 Het werd een nationaal conflict, dat de natie in twee groepen verdeelde. Het ging allang niet meer alleen over leerstellige verschillen. Het ging ook over de mate van inmenging van de overheid in geloofszaken. Lokale politici zagen wel iets in het standpunt van de remonstranten, dat hun macht zou vergroten. De Staten-Generaal wilden echter niet dat de invloed aan de provincies en steden te groot zou worden, zodat zij meer aan de kant van de contraremonstranten stonden. Deze splitsing had dus niet veel meer te maken met de oorspronkelijke discussie tussen twee theologen. Er ontstonden zelfs relletjes.

De stadhouder Maurits had het toen voor het zeggen in de Staten van Holland. Hij wilde zich niet mengen in kerkaangelegenheden, maar zag zich op den duur gedwongen een standpunt in te nemen. Hij wendde zich af van zijn remonstrantse hofprediker en koos voor het standpunt van de contraremonstranten. Belangrijkste afweging was waarschijnlijk, dat hij de eenheid tussen de gewesten wilde handhaven en niet het gevaar wilde lopen dat het land in verschillende stukken zou scheuren. Hij wendde zijn macht aan en in oktober 1617 werd het voorstel aangenomen, dat de Staten-Generaal (dus de overheid) een nationale kerksynode zou bijeenroepen en bekostigen.

2. Synode van Dordrecht 1618-19

Op dinsdag 13 november 1618 komt de synode voor het eerst bijeen te Dordrecht. Er zijn 37 Nederlandse predikanten en 19 ouderlingen aanwezig, verder 5 professoren in de theologie, 26 vertegenwoordigers van buitenlandse kerken en 18 afgevaardigden namens de Staten-Generaal. Voertaal van de vergaderingen is het Latijn. Slechts 3 van de afgevaardigden behoren tot de richting van de remonstranten.

Deze vergadering riep een groep van 13 remonstrantse predikanten op om een verdediging van hun standpunten te geven. De synode zou daar dan een oordeel over vellen. Dit was natuurlijk niet naar de zin van de remonstranten: ze wilden geen oordeel, ze wilden een discussie. Omdat de remonstranten continu de gang van zaken op de vergadering ter discussie wilden stellen, maar niet inhoudelijk op het leergeschil ingingen, stuurde de voorzitter van de vergadering hen uiteindelijk naar huis.

Daarna bogen verschillende (internationaal samengestelde) commissies zich over de opvattingen van de remonstranten. Ze stelden een aantal leerregels op, waarin de rechte leer werd samengevat. Op 6 mei 1619 werden deze zogenaamde Dordtse leerregels plechtig voorgelezen en tot officieel belijdenisdocument van de gereformeerden in Nederland verklaard. Er waren nu drie geschriften die de leer van de kerk samenvatten: de Heidelbergse Catechismus, de Nederlandse geloofsbelijdenis en de Dordtse leerregels. Samen worden ze de drie formulieren van enigheid genoemd. (De tekst van deze geschriften is hier gratis te downloaden) Alle predikanten moesten voortaan deze drie geschriften ondertekenen en zich aan de inhoud er van houden. De predikanten die dit weigerden, werden uit hun ambt ontzet. Ze verenigden zich in de Remonstrantse Broederschap, die tot de dag van vandaag nog bestaat.

De synode van Dordrecht hield zich ook nog met enkele andere zaken bezig. Zo gaf ze opdracht tot een vertaling van de Bijbel vanuit de oorspronkelijke talen in het Nederlands. Over deze zogenaamde Statenvertaling zullen we een andere keer nog uitgebreid spreken.

Ook over de verhouding tot de overheid spraken de Nederlandse synodeleden zich uit (de buitenlandse leden waren toen al naar huis). Ze verwachtten van de overheid het handhaven en verdedigen van het de protestantse leer, met achterstelling van andersdenkenden. Als tegenprestatie zal de kerk haar leden tot goede burgers opvoeden.

Verandering van structuur

1. Scheiding van kerk en staat

We maken nu een grote sprong in de tijd. Het is er ons in deze cursus om te doen, de huidige situatie van de Hervormde Kerk in Nederland te begrijpen. We zijn daarom niet volledig, maar noemen alleen de markante punten in de geschiedenis.

We gaan naar het jaar 1795. In Frankrijk heeft dan al de revolutie plaatsgevonden (1789). Vrijheid, gelijkheid, broederschap - dat is de leus. Het gewone volk duldt geen overheersing meer: geen God en geen meester. De Fransen willen de hele wereld van het onrecht bevrijden en trekken dus in 1795 ook Nederland gewapenderhand binnen. De Bataafse Republiek werd uitgeroepen, geregeerd door een Nationale Vergadering.

Op 23 mei 1796 stelde een rooms-katholiek volksvertegenwoordiger voor om kerk en staat te scheiden. Er moest nog wat gediscussieerd worden, maar op 5 augustus werd vastgesteld dat er geen bevoorrechte of heersende kerk meer geduld kan worden in Nederland. Het luiden van kerkklokken werd verboden. De Hervormde Kerk zou op den duur (na een overgangsregeling) zelf haar predikanten en instituten moeten gaan financieren. Dat was een schok, want tot nu toe ontving de kerk haar meeste inkomsten via de staat.

Op 1 mei 1798 trad een nieuwe grondwet in werking. Iedere burger heeft voortaan het recht om God te dienen naar de overtuiging van zijn hart, de staat is hierin neutraal. In de additionele artikelen wordt geregeld, dat de predikanten en theologische hoogleraren nog drie jaar een staatsinkomen krijgen, daarna moet de kerk dat zelf regelen. Het plaatselijk bewind moet de kerkgebouwen verdelen over de verschillende geloofsgenootschappen. Vaak werd het gebouw aan één gemeente geschonken, die dan de anderen met geld (naar evenredigheid van het aantal leden) moest 'uitkopen.' Maar de kerktorens en de klokken bleven eigendom van de burgerlijke gemeente.

In november 1799 neemt Napoleon Bonaparte echter de macht over in Frankrijk. De regering werd vernieuwd en de staat zou de traktaten van predikanten en hoogleraars voorlopig doorbetalen. Zo bleef de hervormde kerk een groot financieel debâcle bespaard.

2. Besturenkerk onder staatstoezicht

In 1813 stortte het rijk van Napoleon in en wordt Nederland een Koninkrijk onder Willem I. Nu werd weer vastgelegd dat de staat betaalt voor de openbare Godsdienst in het land. De protestanten in Nederland noemden zich inmiddels Hervormd, een vernederlandsing van het oorspronkelijke Gereformeerd. Gereformeerd noemden zich alleen diegenen, die aan de Bijbelse leer en de drie formulieren van enigheid onverkort wilden vasthouden. Net als in veel andere zaken onderwierp Willem I ook de 'openbare godsdienst' direct aan de kroon. Op 1 april 1816 onderging bij Koninklijk Besluit de structuur van de Nederlandse Hervormde Kerk een ingrijpende wijziging. Toen werd namelijk het 'Algemeen Reglement voor het bestuur der Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden' van kracht.

Uit de naam valt al op dat het hier met name om het bestuur, de organisatie van de kerk ging. De kerk werd hiërarchisch opgebouwd: de synode was de baas, daaronder stonden de provinciale vergaderingen, daaronder weer de kerkenraad. Al deze vergaderingen werden als bestuursorganen beschouwd: met de inhoud van de leer moest men zich maar niet bemoeien, dat gaf toch maar geschillen en ruzies. De eerste leden van al deze besturen werden door de koning aangewezen. In 1852 werd deze laatste regeling teruggedraaid: voortaan koos de gemeente de kerkenraad, uit hun midden kwamen de leden van de provinciale kerkvergadering voort, daaruit weer de synodeleden. Deze hiërarchische opbouw van het kerkelijk leven is tot op de dag van vandaag nog merkbaar in de Nederlandse Hervormde Kerk, al is de kerkorde in 1951 gewijzigd en is het systeem van mindere en meerdere vergaderingen weer hersteld. In de praktijk blijkt toch het hiërarchisch denken steeds weer de boventoon te voeren.

Afsplitsingen

Vanaf de synode te Emden bestond er eigenlijk maar één kerkgenootschap dat als kerk van de reformatie kan worden beschouwd, namelijk de Hervormde Kerk. Natuurlijk bestonden er binnen en buiten deze kerk ook splintergroepen met een geloofsopvatting die op bepaalde punten afweek van deze hoofdstroom. Er was een kleine groep gelovigen die zich uitsluitend op Luthers werk baseerde, de Lutherse Kerk. Ook waren er enkele groepen die alleen volwassenen doopten en nog enkele andere groepen. De invloed van het reformatorisch gedachtegoed op de Nederlandse cultuur kwam echter vrijwel uitsluitend van de hervormde Kerk.

In 1834 begint een periode van afsplitsingen. Deze leiden tot de grote verscheidenheid aan gereformeerden en hervormden die zo kenmerkend is voor de Nederlandse situatie.

1. Afscheiding

De eerste afsplitsing is de zogenaamde Afscheiding. We schrijven het jaar 1829. Hendrik de Cock is predikant te Ulrum en krijgt van zijn gemeenteleden te horen dat zijn prediking diepgang mist (een thema dat we vaker tegenkomen). De Cock neemt de kritiek serieus en gaat zich meer verdiepen in de geschriften van Calvijn en de formulieren van enigheid. Hij herkent er de Bijbelse boodschap in, maar komt er tegelijkertijd achter dat er heel wat verkondigd wordt in de kerken, dat de toets aan de formulieren niet kan doorstaan.

Nu had de Hervormde Kerk zich over deze formulieren inmiddels wat terughoudender uitgesproken. Als een predikant deze formulieren ondertekende, gaf hij aan dat hij achter de principes van deze formulieren kon staan - het ging niet om de tekst, maar om het idee.

De Cock en ook heel wat kerkmensen vonden dat wat al te vrij. Toen De Cock steeds duidelijker naar de lijn van de formulieren ging preken, stroomden de gelovigen uit de wijde omgeving naar zijn kerk toe. Veel ouders lieten hun kinderen liever door De Cock dopen dan door de plaatselijke predikant, omdat ze moesten beloven het kind op te voeden naar de leer die in de doopgemeente werd verkondigd. Ze herkende bij De Cock de Bijbelse leer, die ze in hun eigen gemeente misten.

Vooral vanwege kritiek op zijn collega-predikanten werd De Cock op 19 december 1833 (dus net voor Kerst) door het provinciaal kerkbestuur geschorst. Hij moest twee jaar zijn mond houden. Dat was echter niet naar de zin van De Cock en hij hield zich hier dan ook niet aan. Het kerkbestuur zette hem een half jaar later af, maar daar kon de kerkenraad van Ulrum zich niet in vinden. Wat is dat voor een kerkbestuur, dat een predikant afzet die volgens de officiële belijdenisgeschriften preekt?

Op 13 oktober 1834 stelde de kerkenraad een Acte van afscheiding of wederkering op. Ze verklaarden hierin zich af te scheiden van de Hervormde Kerk. Deze kerk hield zich niet meer aan haar belijdenis en was daarom een valse kerk. De gemeente te Ulrum hield vast aan de basisprincipes en was dus de wettige voortzetting van de kerk. De gemeente verklaarde met iedereen gemeenschap te willen oefenen die zich net als zij aan de drie formulieren van enigheid hield.

Er volgden meer gemeenten in het jaar erop, met in totaal een paar duizend leden. Begin 1836 belegden deze gemeenten hun eigen vergadering om tot de stichting van een eigen kerkgenootschap te komen. Ze dachten aan de naam Christelijke Gereformeerde kerk onder het kruis in Nederland. Let op de term 'gereformeerd,' die wijst op het willen vasthouden aan de belijdenisgeschriften. 'Onder het kruis' betekent dat de gemeenten lijden onder deze situatie en ze het liever anders zouden zien. Koning Willem I was echter niet van zins een ander kerkgenootschap toe te staan dat het woord gereformeerd gebruikte. In zijn visie was hervormd en gereformeerd hetzelfde, dus de naam was al bezet.

Er ontstond een tweespalt tussen de afgescheiden gemeenten. Sommigen wilden door de overheid erkend worden als kerkgenootschap en kozen voor de naam Christelijke afgescheiden gemeenten. Anderen beriepen zich op de synode van Dordrecht van 1618/19. Zij waren de voortzetting van de kerk die toen de synode had gehouden, dus ze hoefden helemaal niet opnieuw erkend te worden door de overheid. Bovendien wilden zij alleen de kerkorde van de Dordrecht (en niet het Algemeen Reglement) als hun reglement erkennen. Ze noemden zich Gereformeerde kerk onder het kruis. Toen de overheid later geen directe invloed meer op de kerk wilde uitoefenen, maakte ze zich ook niet meer druk over de naamgeving. De twee soorten afgescheiden gemeenten sloten zich voor het grootste deel bij elkaar aan en vormden vanaf toen de Christelijk Gereformeerde kerk. Hiernaast bleven enkele gereformeerde gemeenten onder het kruis bestaan.

Uit deze kruisgemeenten was een nog strengere richting afgesplitst onder leiding van dominee Ledeboer. Gelovigen in deze gemeenten hielden zich aan strenge leefregels en zongen in de eredienst alleen psalmen naar een vertaling uit de Reformatietijd. In 1907 lukte het een zekere dominee Kersten om de kruisgemeenten en de ledeboerse gemeenten tot een fusie te brengen onder de naam Gereformeerde gemeenten in Nederland en in Noord-Amerika. In Noord-Amerika waren veel Nederlandse emigranten terechtgekomen, vandaar de naam. In 1953 volgde nog een afsplitsing, omdat sommige predikanten pas over het Evangelie van Jezus Christus wilden praten, als de gelovigen zich volkomen bewust waren van hun zonden. Hieruit ontstonden de Gereformeerde gemeenten in Nederland. Natuurlijk bleven ook bij de fusie van 1907 enkele gemeenten vasthouden aan de traditie: de oude gewoontes en de oude psalmberijming. Zij vormen tot op de dag van vandaag de Oud-gereformeerde gemeenten in Nederland.

2. Doleantie

Hetzelfde dat De Cock in Ulrum overkwam, gebeurde de doctor in de theologie Abraham Kuyper in 1863 te Beesd. Een eenvoudige vrouw vertelde hem, dat zijn preken nogal oppervlakkig waren en dat hij de boodschap van de Bijbel waarschijnlijk nog niet helemaal begrepen had. Ook hij ging zich in Calvijns werken verdiepen en in het werk van 17e eeuwse Nederlandse theologen die daarop voortbouwden. Langzamerhand raakte hij ervan overtuigd dat diegenen die zich aan de leer van de Bijbel en de belijdenisgeschriften wilden houden, zich moesten afzonderen van de rest van de kerk. Wat bij De Cock dus toevallig gebeurde, was bij Kuyper opzet: hij wilde de belijdende gelovigen afscheiden van de rest van de kerk, omdat de kerk alleen op grond van de belijdenis echt kerk is.
 
Kuyper werd ook politiek actief en moest daarom zijn predikantschap neerleggen. Wel bleef hij ouderling in de Hervormde kerkenraad te Amsterdam. Enkele predikanten die daar werkzaam waren, preekten niet de leer die in de belijdenis vervat is, en ook wat betreft hun catechisatie waren er twijfels bij de kerkenraad: wat leren de jongelui daar eigenlijk? Aangezien de belijdenis noodzakelijk was voor het volkomen lidmaatschap van de kerk, werd hierop door de kerkenraad bijzonder scherp gelet.

In 1885 weigerde de kerkenraad aan de catechisanten van deze predikanten de mogelijkheid om belijdenis van hun geloof te doen. Nu konden ze eventueel ook in een andere plaats belijdenis doen, maar dan moesten ze een bewijs van goed gedrag van hun eigen kerkenraad overleggen. Ook deze attesten wilde de kerkenraad van Amsterdam niet uitreiken, omdat zij de jongelui in het geheel niet als belijdend lid van de Hervormde Kerk wilden laten aannemen - dus ook niet via deze U-bochtconstructie. Zo stuurde de kerkenraad van Amsterdam (met Kuyper in hun midden) bewust op een conflict aan.

Het provinciaal kerkbestuur schreef de kerkenraad voor om de attesten uit te reiken, maar de kerkenraad weigerde. Na nog een lange procedure werden enkele predikanten en kerkeraadsleden (waaronder Kuyper) uit hun ambt ontzet. Op 1 december 1886 ging werd dit oordeel officieel. Op 16 december 1886 verklaarde de afgezette kerkenraad zich tot de 'wederopgetreden wettige kerkenraad van Amsterdam' en vormde een kerkgenootschap met de naam Nederduitse Gereformeerde kerk (dolerende). Doleren betekent klagen en drukt uit, dat de kerkeraadsleden met pijn in hun hart deze stap namen. Andere gemeenten volgden Kuyper in de opstand tegen de Hervormde synode en de afwezigheid van toezicht op wat er in de Hervormde kerk geleerd werd. Uiteindelijk gingen 76 predikaten en 200 kerkeraden mee in deze Doleantie. De Hervormde Kerk verloor 9 procent van haar leden.

Gezien de overeenkomstige standpunten van de afscheiding en de Doleantie, is het niet verwonderlijk dat de twee groepen elkaar al snel vonden. In 1892 gingen beide op in de Gereformeerde kerken in Nederland, tegenwoordig vaak gereformeerd synodaal genoemd. Enkele afscheidingsgemeenten konden zich echter niet vinden in sommige punten van de theologie van Kuyper, de grote man achter de Doleantie. Zij bleven zich christelijk gereformeerd noemen.

3. Hersteld verband en Vrijmaking

De Gereformeerde kerken in Nederland zouden met twee conflicten te maken krijgen, één in 1924 en één in 1944. De eerste betrof het zogenaamde conflict-Geelkerken. Op 23 maart 1924 preekte dominee Geelkerken over Genesis 3, het verhaal van de zondeval. Hij zei in zijn preek, dat het moeilijk te begrijpen was hoe we ons moeten voorstellen dat een slang tot Eva iets zegt. Misschien moeten we het wel zo uitleggen, dat God in de Bijbel zich uitdrukt met woorden die wij kunnen begrijpen, al is de mededeling soms symbolisch bedoeld. Een kerkganger dacht dat Geelkerken in twijfel wilde trekken of de Bijbelverhalen wel werkelijk gebeurd waren en diende een klacht in. Er volgde een kerkelijke procedure over de vraag of de slang wel of niet hoorbaar gesproken had, met als diepste punt van verschil hoe de Bijbel uitgelegd moet worden: letterlijk of symbolisch.

In 1926 kwam het geschil op de synode van de gereformeerde kerken te Assen aan de orde. De synode eiste van Geelkerken een verklaring dat hij zich zou uitspreken voor een letterlijke uitleg van de Bijbel. Geelkerken weigerde, want hij wilde dieper nadenken over hoe hij de Bijbel zag. Daarop werd hij geschorst, maar daar trok hij zich niets van aan. De synode zette hem daarop af, met voorbijgaan van de classis en de provinciale kerkvergadering. Hier wordt dus in een meerdere vergadering iets besloten, waar eerst een mindere vergadering over zou moeten beslissen. Dit schoot bij enkele predikanten in het verkeerde keelgat en ze raakten in overleg met de Hervormde Kerk of zij zich niet weer bij hen konden voegen. Er ontstonden uiteindelijk 24 Gereformeerde kerken in Nederland (in hersteld verband). In 1946 gingen deze gemeenten uiteindelijk definitief op in de Hervormde Kerk.

Het tweede grote conflict trad in 1944 op. Al in 1942 was een discussie ontstaan over enkele theologische uitspraken die Kuyper had gedaan. Vooral zijn argumentatie omtrent de doop kwam niet helemaal overeen met datgene wat de belijdenis geschriften onder woorden brachten. Het ging vooral om de vraag, op welke grond aan kleine kinderen de doop bediend mag worden. De belijdenis geschriften zeggen, dat de doop aan kinderen van gelovige ouders bediend moet worden, omdat ze tot een gezin behoren dat zich door God laat leiden (de verbondsgedachte). Kuyper ging er op grond van zijn streng systematisch denken vanuit, dat we mogen veronderstellen dat God de kinderen van gelovige ouders min of meer automatisch het geloof in hun hart meegeeft (de veronderstelde wedergeboorte).

De synode wilde de leer van Kuyper bindend voorschrijven, dus alle predikanten moesten verklaren, het hiermee eens te zijn. Met name de dominee Klaas Schilder voerde hiertegen bezwaar aan. In de eerste plaats vond hij dat de synode niet wettig kon zijn, omdat vanwege de oorlog niet alle leden aanwezig konden zijn. Verder vroeg hij zich af of de synode een bepaalde visie op de doop bindend kan voorschrijven, zeker als deze visie niet geheel in overeenstemming met de belijdenis en de Bijbel te brengen is.

Hij beriep zich op artikel 31 van de Dordtse kerkorde. Dit artikel luidde als volgt: Artikel 31 - Hooger beroep. Zoo iemand zich beklaagt door de uitspraak der mindere vergadering verongelijkt te zijn, dezelve zal zich op eene meerdere kerkelijke vergadering beroepen mogen; en 't gene door de meeste stemmen goedgevonden is, zal voor vast en bondig gehouden worden. Tenzij dat het bewezen worde te strijden tegen het Woord Gods, of tegen de Artikelen in deze Generale Synode besloten, zoo lang als dezelve door geene andere Generale Synode veranderd zijn. Het punt van Schilder was, dat je niet met algemene stemmen iets kunt vaststellen wat tegen Gods Woord ingaat (of er in ieder geval niet duidelijk in onderwezen wordt). Daarom mocht de synode hem de heersende Kuyperiaanse visie niet opleggen. Schilders uitleg moest zelfs van gelijke waarde gewaardeerd worden als die van Kuyper. De Nederlandse geloofsbelijdenis zegt namelijk (ook in artikel 31): Wat de dienaren des Woords betreft, zij hebben, op welke plaats zij ook zijn, gelijke macht en gezag, daar zij allen dienaren van Jezus Christus zijn, de enige algemene Bisschop en het enige Hoofd van de Kerk. De mening van Kuyper is dus niet zonder meer hoger aan te slaan dan die van Schilder, uiteindelijk heeft de Bijbel het laatste woord.

De synode hield voet bij stuk en zette Schilder af. Opnieuw een ingrijpen van de synode dus, zonder dat de classis of de provinciale kerkvergadering was geraadpleegd. Dit vroeg natuurlijk om problemen. Op 11 augustus 1944 kwam Schilder met een 'acte van vrijmaking of wederkeer,' dus net als bij de Afscheiding meer dan 100 jaar eerder. In vrijwel elke gereformeerde kerk volgden meer of minder gemeenteleden zijn voorbeeld. Zo ontstonden de Gereformeerde kerken in Nederland, onderhoudende artikel 31 der Kerkorde. Ze werden vroeger aangeduid als artikel 31-gemeenten, tegenwoordig met de term gereformeerd (vrijgemaakt).

De vrijgemaakten vormden en vormen een zeer gesloten gemeenschap: ze hebben hun eigen verenigingen, opleidingen en dergelijke meer. In 1967 ontstond daar een conflict over binnen de vrijgemaakte kerk. Er waren gemeenten die ook met andere gereformeerde stromingen wilden samenwerken, bijvoorbeeld in de politiek. Een honderdtal van deze gemeenten stelden zichzelf 'buiten verband' met de rest en splitsten zich uiteindelijk af onder de naam Nederlands Gereformeerde kerken.

4. De Gereformeerde Bond

Na al deze afsplitsingen tot slot één groep mensen die beslist binnen de Hervormde kerk wil blijven, al is ze het met de officiële uitingen van deze kerk niet altijd eens. In 1903 verscheen van de hand van een hervormd predikant een brochure over het boeddhisme. Deze predikant schreef er erg lovend over en dat gaf natuurlijk de nodige opschudding, aangezien de boeddhistische leer haaks op de christelijke staat. De hervormde synode maakte er echter geen probleem van dat een predikant zoiets schreef. Als reactie hierop (en mede op de algemene vervlakking binnen de Hervormde kerk) werd in 1906 de 'Gereformeerde bond tot vrijmaking der nederlandsch hervormde kerken' opgericht. De bond wilde terugkeer naar de formulieren van enigheid en het losmaken van plaatselijke gemeenten van het opzicht van de synode. Dat riekte wel erg veel naar een nieuwe afscheiding.

In 1909 werden de statuten en de naam van de Bond gewijzigd. Ze heette voortaan 'Gereformeerde Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Nederlandse Hervormde (Gereformeerde) Kerk.' Let weer op het gebruik van het woord gereformeerd! Men wilde binnen de Hervormde kerk actief blijven en deze reformeren door steeds weer te wijzen op de Bijbel en de formulieren van enigheid. Ze bestaat tot vandaag toe, met eigen predikanten, gemeentes en een eigen weekblad (De Waarheidsvriend), maar binnen het geheel van de Hervormde Kerk. Ze hebben ook een site op het Internet.

Tenslotte: Profielschets van een protestant

Wat is het protestantisme dan precies? Welnu, dat is een lastige vraag. 'Het' protestantisme bestaat niet en is dus moeilijk te omschrijven, temeer daar het zich‑niet‑definiëren‑laten misschien wel één van de weinige constituerende elementen van het protestantisme is, als u begrijpt wat ik bedoel. Om het met een (volgens mij van origine Joods) bon mot te zeggen: Neem één protestant en je hebt een overtuiging. Neem er twee: je hebt een kerk. Zet er een derde bij en je hebt een schisma.

In het onderstaande een bescheiden poging om het profiel van een protestantse christen te schetsen door een aantal karakteristieke trekken naar voren te halen. Het voordeel is dat het dan een sprekend gezicht wordt, het nadeel is dat door het wegvallen van de nuances het ook over kan komen als een karikatuur, hetgeen - vanzelfsprekend - niet de bedoeling is.



1. Protestant word je door bewuste keuze, niet zozeer voor de protestantse kerk (dat is een - ook binnen de protestantse kerk zelf - veel voorkomend misverstand), maar voor de God, zoals we die in de Bijbel leren kennen. Dat laatste (de referentie naar de bijbel) is natuurlijk ook een protestantse karakteristiek. maar is ook wel een beetje een nietszeggend, omdat

a. 'de bijbel' ook in protestantse middens object van vertolking en interpretatie is en verschillende facties hevig twisten over wat nou wel en wat nou niet 'bijbels' is.. èn

b. omdat de bijbel natuurlijk ook constitutief is voor elke andere christelijke kerk.

Maar zelfs als we daar rekening mee houden, dan blijft toch staande dat een protestant een overtuigd bijbels christen 'wil zijn' en daarbij altijd een min of meer bewuste keuze vraagt of veronderstelt. Gewoontechristenen of traditie-protestantisme kent de protestantse kerk wel, maar de gemiddelde protestant heeft ooit gekozen en staat ervoor.

2. Een protestant kan ook altijd min of meer verwoorden wat hij gelooft en wat niet. Hij wil de waarheid van zijn geloof weten of vinden. Geloven op gezag is hem altijd al moeilijk gevallen. Hij zal het zèlf wel beslissen: Bewijzen en argumenten op tafel! Een discussiecultuur kenmerkt de protestantse kerk. Ruzie en totaal afhaken (lidmaatschap opzeggen) gebeurt hier radicaal. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat rationalisme en protestantisme goed bij elkaar passen ('al te goed' schreef ik in een opwelling van eerlijkheid, maar dit terzijde). Door de enorme concentratie op 'het Woord' (m.n. in zijn schriftgeworden vorm) wint het redeneren het van de spiritualiteit in protestantse middens. In de protestantse wereld is het duidelijk dat het Griekse woord voor 'Woord' (logos) ook aan de basis ligt van ons woord voor logica. Eenvoudige dogmatiekjes, ouderwets (catechismussen) of moderne (Kuitert) doen het in de protestantse wereld nog steeds goed.

3. Ook karakteristiek voor protestanten is de 'andere kant' van het rationalisme, nl.: het activisme (in de zin van: 'doe-mentaliteit'). De concentratie op het woord, de leer en de preek leidt tot een duidelijke ethiek en maatschappijvisie: de teer moet immers toegepast worden. Hierbij hoort een anti-comtemplatieve moraal en wantrouwen tegenover woordeloze 'mystiek'. Zijnsondanks is de gesjeesde calvinist, Allard Pierson, door en door protestant als hij schrijft: "werk! mijmer niet..." Hier ligt m.i. het waarheidselement van de zwaar overdreven these van Max Weber, dat calvinisme oorzakelijk verbonden kan worden met het ontstaan van een arbeidsethiek die het kapitalisme heeft mogelijk gemaakt. Deze doementaliteit is ongetwijfeld één van de wortels van haar maatschappelijk succes (de ondernemingsgeest van de white, anglosaxon, male, protestant, USA).

4. Vervolgens kunnen we constateren, dat het protestantisme met zijn nadruk op de gelijkheid van ieder mens voor God (het 'algemeen priesterschap der gelovigen', noemt men dat ook wel eens, vgl. 1 Petrus 2:9) nog steeds een emanciperende werking heeft op groepen in samenleving en kerk, die door de heersende ideologie worden achtergesteld. Het Paulinische principe 'in Christus is man noch vrouw, Jood noch Griek (pars pro toto voor 'goj'), slaaf noch vrije' werkt hierin door. Het zal wel geen toeval zijn dat in de protestantse traditie de vrouw het eerst kerkelijkambtelijk is gaan meespelen, niet zonder protest (want het schriftgeworden woord wijst het expliciet af, laten we eerlijk zijn !) maar toch. Een onstuitbare vrijheidsmin en een instinctieve afkeer van alles wat zelfs maar vanuit de verte lijkt op 'hiërarchisch' denken completeren deze karaktertrek.

5. Een typische protestantse karaktertrek is dat de protestant als lid van een minderheid een groot besef van eigenheid heeft ontwikkeld. Hij is er fier op protestant te zijn. Het scheldwoord van den beginne werd zijn erenaam: geus! Tegelijk kan deze sociologische omstandigheid misschien de gevoeligheid voor andere minderheden verklaren, die tot uiting komt in een relatief goed en groot uitgebouwd diakonaal/sociaal netwerk in en vanuit de protestantse wereld. Voor een lid van een minoriteit klinkt 'recht' (iets om naar te verlangen, verlossend) anders dan voor een machthebber (iets om zijn eigen positie te handhaven, machtsmiddel). Dit geldt temeer voor een minderheid die weet wat het is om verdrukt te zijn geweest. Anderzijds vind ik deze positieve argumentatie wel erg propagandistische klinken...

6. De overtuigende, evangeliserende trek die het protestantisme wereldwijd ook kenmerkt is ook af te leiden uit het feit dat een protestant over het algemeen een doordachte overtuiging koestert, die hij/zij zich kiezend heeft toegeëigend.

Iemand die uit vrije overtuiging voor een godsdienst kiest, wil ook anderen overtuigen, al was het maar om zichzelf opnieuw te overtuigen. De vrije kerken (De Vrije Evangelische gemeenten van de B.E.Z. (Belgisch Evangelische Zending), Pinksterpemeenten etc...) en de sekten (Jehovah-getuigen, Mormonen) zijn op dit terrein tegenwoordig meer actief dan de gevestigde kerken. Dit is een opmerkelijke ontwikkeling, daar de meeste protestantse kerken over het algemeen zelf ook uit 'evangelisatie' zijn ontstaan (meestal in de tweede helft van de 19de en begin van de 20ste eeuw). De parochies van de door overheid als 'eredienst' erkende Verenigde Protestantse Kerk in België (V.P.K.B.) brengen hun overtuiging tegenwoordig meer in diakonale (sociale) en culturele verpakking naar buiten en dan ook nog bij voorkeur in oecumenisch verband. Zij zijn in dat opzicht dus echte 'traditionele' kerken geworden

Leer

De leer van het orthodoxe protestantisme, in het bijzonder wat betreft de verschillen met de Rooms-katholieke Kerk, kan worden samengevat met vijf Latijnse uitspraken:

Solus Christus: Alleen Jezus Christus

Jezus Christus, de Zoon van God en tegelijk God zelf, is de enige grondslag voor de verlossing van de mens en is de enige die de mens mag aanbidden.

Sola scriptura: Alleen de Schrift


Uitsluitend de Bijbel geldt als het Woord van God en enige bron van het geloof. De Rooms-Katholieke Kerk erkent hiernaast de Traditie.

Sola fide: Alleen door het geloof


De mens kan uitsluitend door het geloof in Jezus Christus van zijn zonden worden gered.

Sola gratia: Alleen door genade


Verlossing is een gave van God die niemand kan verdienen, maar die alleen via Jezus Christus verkregen kan worden door het geloof.

Soli Deo Gloria: Alleen eer aan God


God verdient alle eer, dus geen heiligenverering, zoals van Maria.
Wat de bijzonderheden van de leer betreft verschillen protestanten van verschillende stromingen soms sterk van mening. Ook in de invulling van de kerkdiensten bestaat een grote verscheidenheid.

Praktijk

Belangrijke praktische en uiterlijke verschillen tussen het protestantisme en het katholicisme zijn:

Binnen het protestantisme berust alle gezag bij de Bijbel (sola scriptura). Binnen het rooms-katholicisme wordt hiernaast ook het gezag van de traditie en het leergezag (apostolische successie) erkend.

Binnen de rooms-katholieke Kerkstructuur bestaat een hiërarchie met priesters, bisschoppen en een paus (episcopale structuur). Binnen het lutheranisme en het anglicisme komt deze episcopale structuur in iets gewijzigde vorm terug, maar binnen het calvinisme heeft men gekozen voor een democratische kerkstructuur met door alle kerkleden (trapsgewijs) gekozen synodes.

Binnen het katholicisme kent men een Maria- en heiligenverering. Binnen het protestantisme wordt aan hen geen bijzondere voorbiddersrol toegekend, en wordt het richten van verzoeken om voorbede aan hen als aanbidding, en daarmee als een vorm van christelijke afgodendienst, gezien: Solus Christus.

Als afgeleide hiervan verschilt ook het uiterlijk van kerken: Rooms-Katholieke Kerken zijn versierd met beelden van heiligen, afbeeldingen van Bijbelse patronen en veel andere kostbare versiering (lekenboeken), veel protestantse kerken kennen geen beelden. Protestantse kerken verschillen per stroming in de hoeveelheid versiering. Binnen het Lutheranisme is vaak wel plaats voor versieringen als muurschilderingen, binnen het calvinisme is dit veel minder (sola scriptura).

Het protestantisme kent twee sacramenten (doop en Avondmaal) in plaats van zeven binnen de rooms-katholieke Kerk, omdat de reformatoren de onderbouwing van de overige vijf onvoldoende in de Bijbel konden terugvinden (sola scriptura).

Het protestantisme gelooft dat iemands zonden vergeven worden wanneer de persoon dit oprecht tegenover God belijdt (sola gratia). Binnen het Rooms-katholicisme kan dit door het verkrijgen van de absolutie na het biechten van de zonde tegenover een priester.

Binnen het protestantisme wordt gesproken over het heilig avondmaal, binnen de Rooms-Katholieke Kerk over de Mis. Opvattingen binnen het protestantisme over het heilig avondmaal variëren per stroming. Algemeen wordt binnen het protestantisme Jezus lijden voor de zonden herdacht. Binnen het rooms-katholicisme wordt het offer van Jezus Christus bij elke Mis opnieuw tegenwoordig gesteld.
Katholieken hebben een zondagsplicht terwijl binnen het protestantisme de zondag als "dag van God voor God" gezien wordt.

Het ambt van predikant bij de protestanten is niet-sacramenteel en verenigbaar met het huwelijk, het ambt van priester bij de katholieken is sacramenteel en celibatair (behalve voor mannelijke gehuwde dominees die tot de rooms-katholieke Kerk zijn overgegaan: zij kunnen als gehuwde tot priester gewijd worden).

Binnen de meeste protestantse kerken kent men tegenwoordig vrouwelijke kerkleiders. Binnen het rooms-katholicisme nemen vrouwen eveneens leidinggevende taken waar, uitgezonderd in de sacramentele orde.
De katholieken gebruiken een hostie, altaar en wierook tijdens de dienst; de protestanten gebruiken deze elementen meestal niet.

naar top van deze pagina  

mail holyhome