De Koran

Voor
iedereen die in kontakt komt met de islam is het raadzaam zich eens te
verdiepen in de tekst van de koran die voor de Islamiet zo belangrijk
is. Ook is het aan te raden verschil en overeenkomst tussen islam en
christendom te bestuderen, mocht je meer beslagen ten ijs willen komen.
Kies daarvoor de volgende link
klik hier
Door te klikken op één van de 114 soera's kan je onmiddelijk de betreffende tekst lezen.
Je kan ook door dit ducument heen scrollen om alle soera's van de Koran te lezen.
1. Het
Begin (Al-Faatihah).
2. De Koe
(Al-Baqarah).
3. Het
Huis van Imraan (Al-Imraan).
4. De
Vrouwen (An-Nisa).
5. De
Gedekte Tafel (Al-Maidah).
6. Het Vee
(Al-An'aam).
7. De
Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf).
8. De
Oorlogsbuit (Al-An'faal).
9. Berouw
(At-Taubah).
10. Jonas
(Joenos).
11. Hoed.
12. Jozef
(Joesof).
13. De
Donder (Ar-Ra'd).
14. Abraham (Ibrahiem).
15. Het
Rotsachtige Pad (Al-Hidjr).
16. De Bij
(An-Nahl).
17. De
Nachtelijke Tocht, De Kinderen van Israël (Al-Israa, Banie Israa'iel).
18. De
Spelonk (Al-Kahf).
19. Maria
(Marjam).
20. Taa
Haa.
21. De
Profeten (Al-Anmbi'jaa).
22. De
Pilgrimstocht (Al-Hadj).
23. De
Gelovigen (Al-Mominoen).
24. Het
Licht (An-Noer).
25. Het
Criterion (Al-Forqaan).
26. De
Dichters (Asj-Sjoaraa).
27. De
Mieren (An-Naml).
28. De
Vertelling (Al-Qasas).
29. De
Spin (Al-Ankaboet).
30. De
Romeinen (Ar-Roem).
31. De
Wijzen (Loqmaan).
32. De
Aanbidding (As-Sadjdah).
33. De
Confreranten (Al-Ahzaab).
34. De
Stad van Saba (Saba).
35. De
Schepper (Faatir).
36. Jaa
Sien.
37. Zij
die in de Rangen behoren (As-Saaffaat).
38. Saad.
39. De
Groepen (Az-Zomar).
40. De
Gelovige (Al-Momin).
41. Fussilat.
42. De
Consultatie (Asj-Sjoera).
43. Gouden
Juwelen (Az-Zochrof).
44. De
Rook (Ad-Dochaan).
45. Het
Knielen (Al-Djaasi'jah).
46. Bochtige Zandpaden (Al-Ahqaaf).
47. Mohammed.
48. Overwinning (Al-Fat'h).
49. De
Vertrekken aan de Binnenkant (Al-Hodjoraat).
50. Qaaf.
51. De
Winden die verspreiden (Az-Zaari'jaat).
52. De
Berg (At-Toer).
53. De
Ster (An-Nadjm).
54. De
Maan (Al-Qamar).
55. De
Meest Gracieuze (Ar-Rahmaan).
56. De
Onoverkomenlijke Gebeurtenis (Al-Waaqiah).
57. Het
Ijzer (Al-Hadied).
58. De
Vrouw die Pleit (Al-Modjaadalah).
59. De
Bijeenkomst (Al-Hasjr).
60. De
Vrouw die Ondervraagd zal worden (Al-Momtahanah).
61. De
Strijdplaats (As-Saff).
62. De
Vrijdag (Bijeenkomst) (Al-Djomo'ah).
63. De
Huichelaars (Al-Monaafiqoen).
64. Beider
Verlies en Winst (At-Taghaabon).
65. De
Scheiding (At-Talaaq).
66. Denkende dat iets Verboden is (At-Tahriem).
67. De
Dominie (Al-Molk).
68. De Pen
(Al-Qalam).
69. De
Zekere Realiteit (Al-Haaqqah).
70. De
Manieren van Ascentie (Al-Ma'aaridj).
71. Noach
(Noeh).
72. De
Djinn (Al-Djinn).
73. Gevouwen in Kleding (Al-Mozzammil).
74. Iemand
die Gebundeld is (Al-Moddassir).
75. De
Resurrectie (Al-Qi'jaamah).
76. De
Tijd, De Mensen (Ad-Dahr, Al-Insaan).
77. Zij
Die Gezonden Waren (Al-Morsalaat).
78. Het
Nieuws (An-Naba).
79. An-Naziaat.
80. Hij
Fronsde (Abasa).
81. Het
Opvouwen (At-Takwier).
82. Het
Klievende (Al-Infitaar).
83. Daden
in fraude (Al-Motaffifeen).
84. De
Splijting (Al-Insjiqaaq).
85. De
Tekens van de Zodiak (Al-Boroej).
86. De
Nachtelijke Bezoeker (At-Taariq).
87. De
Allehoogste (Al-Ala).
88. Het
Overweldigende Evenement (Al-Ghaasjijah).
89. De
Dageraad (Al-Fadjr).
90. De
Stad (Al-Balad).
91. De Zon
(Asj-Sjams).
92. De
Nacht (Al-Lail).
93. De
Glorieuze Ochtend (Ad-Dhohaa).
94. De
Expansie (Asj-Sjarh).
95. De
Vijg (At-Tien).
96. Het
Geronnen Bloed (Al-Alaq).
97. De
Waardevolle Nacht (Al-Qadr).
98. Het
Uitsluitende Bewijs (Al-Bajjinah).
99. Het
Geschud (Az-Zalzalah).
100. Zij
Die Rennen (Al-Aadi'jaat).
101. De
Dag van Oproering (Al-Qaariah).
102. Opstapelen (At-Takaasor).
103. De
Tijd door de Tijden (Al-Asr).
104. De
Schandaal Verspreider (Al-Homazah).
105. De
Olifant (Al-Fiel).
106. Qoraisj.
107. De
Noden van Buren (Al-Maa'oen).
108. Overvloed (Al-Kausar).
109. De
Ongelovigen (Al-Kaafiroen).
110. De
Overwinning (An-Nasr).
111. De
Palmvezel, De Vlam (Al-Masad, Al-Lahab).
112. Zuiverheid van Geloof (Al-Ichlaas).
113. De
Dauw (Al-Falaq).
114. De
Mensheid (An-Naas).
------------------------------------------------------------------------
Voorwoord
------------------------------------------------------------------------
In naam van Allah, de Barmhartige, de
Genadevolle.
Geprezen zij Allah de Heer der hemelen en der aarde.
De Nederlandse vertaling
De Nederlandse vertaling der Heilige Koran is sinds 1945
in behandeling geweest en heeft in deze tijd verschillende stadia doorlopen. Zij
ontmoette talrijke moeilijkheden op haar weg, doch deze werden met Allahs hulp
overwonnen.
Wij hopen dat de lezers door deze vertaling een indruk
zullen krijgen van de rijke inhoud van de Heilige Koran. Maar hier moge
opgemerkt worden, dat een vertaling altijd een vertaling blijft - en dit geldt
in versterkte mate voor de vertaling van dit Heilige Boek - en nimmer de plaats
kan innemen van de oorspronkelijke tekst.
Wij hebben echter steeds getracht de Arahische tekst in zo
goed mogelijk Nederlands weer te geven, doch dit is ons niet altijd gelukt.
Moesten wij kiezen tussen fraai Nederlands en de originele bedoeling van de
tekst, dan hebben wij ons aan de letterlijke vertaling gehouden. Dreigde de
bedoeling door een directe vertaling teloor te gaan, dan hebben wij ons van een
omschrijving bediend. Waar een oorspronkelijk vers op tweeërlei manier kon
worden uitgelegd, daar hebben wij getracht deze mogelijkheid ook in het gekozen
Nederlands tot uiting te brengen . Soms hebben wij ter verduidelijking een woord
tussen haakjes toegevoegd.
Arabische woorden welke meer dan é´n betekenis hebben,
hebben wij vertaald met een Nederlands woord, dat o.i. in het verband paste. Men
houde dit voor ogen bij vergelijking met andere vertalingen.
De schrijfwijze der Arabische woorden
Een groot probleem was de schrijfwijze der Arabische
woorden, temeer, daar de Arabische taal klanken kent, die in het Nederlands
eenvoudig niet voorkomen. Na rijp beraad hebben wij; de meest begrijpelijke vorm
gekozen, d.w.z. wij hebben de woorden phonetisch opgeschreven, zonder daarbij
gebruik te maken van phonetische codes of aparte tekens, die slechts voor de
ingewijde enkeling begrijpelijk zijn. Wij hebben getracht zoveel mogelijk lezers
te bereiken, door de meest nabijkomende Nederlandse klanken neer te
schrijven.
Stijl van de Heilige Koran
Wij willen de aandacht van de lezers, die gewend zijn aan
andersoortige lectuur, vestigen op het feit, dat de stijl van de Heilige Koran
verschilt met die van andere heilige boeken en literatuur, omdat het hier niet
gaat om een reeks van verhalen of om de biografie van de Profeet Mohammad, doch
integendeel om een volledig richtsnoer voor ons leven.
Dit gebeurt nu eens in de vorm van gelijkenissen, dan weer
in de vorm van geschiedenis der vroegere Profeten en hun tegenstanders en
evenzeer door middel van rechtstreekse aanspraak. Derhalve is het mogelijk, dat
de lezers van de Heilige Koran soms geen verband kunnen zien tussen de verzen en
hoofdstukken. Maar een aandachtige studie zal de nauwe samenhang tussen de
diverse verzen en hoofdstukken tonen.
Verzoek aan de lezers
Wij zullen de lezers zeer verplicht zijn wanneer zy ons op
de hoogte willen stellen van op- of aanmerkingen betreffende de vertaling en de
inhoud van de Heilige Koran.
Onze medewerkers
Voordat wij dit voorwoord beëindigen, willen wij onze
Nederlandse medewerkers onze hartelijke dank betuigen. Bijzondere dank menen wij
verschuldigd te zijn aan Mevr. Nasirah Zimmermann, Mevr. K. Sparenburg, Dr K. H.
E. de Jong en de Heer Abdullah van Onck, van de Ahmadiyya Moslim Missie in
Nederland.
En ons laatste woord moge klinken:
"Alle lof komt Allah toe de Heer der Werelden."
's-Gravenhage. November 1953.
The Oriental & Religious Publishing Corporation
LTD,
Rabwah, Pakistan.
1. Het Begin (Al-Faatihah)
------------------------------------------------------------------------
Het Openings Hoofdstuk van de Heilige Koran. Geopenbaard
vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 7 strofen.
1. In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
2. Alle lof zij Allah, de Heer der Werelden.
3. De Barmhartige, de Genadevolle.
4. Meester van de Dag des Oordeels.
5. U alleen aanbidden wij en U alleen smeken wij om hulp.
6. Leid ons op het rechte pad,
7. Het pad dergenen, aan wie Gij gunsten hebt geschonken -
niet dat van hen, op wie toorn is nedergedaald, noch dat der dwalenden.
------------------------------------------------------------------------
2. De Koe (Al-Baqarah)
------------------------------------------------------------------------
Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 286
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Alif Laam Miem.
2. Dit is een volmaakt Boek, daaraan is geen twijfel, een
richtsnoer voor de godvrezenden.
3. Die in het onzienlijke geloven en het gebed houden en
die weldoen met hetgeen Wij hun hebben geschonken.
4. En die geloven in hetgeen u is geopenbaard en in
hetgeen vóór u is geopenbaard, en een standvastig vertrouwen hebben in dat wat
komen zal.
5. Zij zijn het, die de leiding van hun Heer volgen en
dezen zullen slagen.
6. Zeker, zij die (de Waarheid) verwerpen, het is hun om
het even, of gij hen waarschuwt, of dat gij hen niet waarschuwt - zij zullen
niet geloven.
7. Allah heeft hun hart en oren verzegeld en over hun ogen
is een sluier; hun wacht een zware straf.
8. En er zijn mensen, die zeggen: "Wij geloven in Allah en
in de laatste Dag, hoewel zij geen gelovigen zijn."
9. Zij trachten Allah en de gelovigen te bedriegen, zij
misleiden echter niemand dan zichzelf en zij beseffen het niet.
10. Er is een ziekte in hun hart en Allah heeft die ziekte
verergerd; er wacht hun een pijnlijke straf, omdat zij plachten te liegen.
11. Wanneer hun wordt gezegd: "Richt geen onheil op aarde
aan" dan zeggen zij: "Wij zijn slechts vredestichters".
12. Pas op! Voorzeker zij zijn het die onheil stichten,
doch zij beseffen het niet.
13. En wanneer hun wordt gezegd: "Gelooft, zoals andere
mensen geloven", zeggen zij: "Zullen wij geloven, zoals de dwazen hebben
geloofd?" Ziet toe! Zij zijn het die dwaas zijn, doch zij weten het niet.
14. En wanneer zij de gelovigen ontmoeten, zeggen zij:
"Wij geloven", doch wanneer zij naar hun leiders gaan, zeggen zij: "Wij zijn
waarlijk met u, wij spotten slechts (met hen)."
15. Allah zal hun spotternij bestraffen en Hij zal hen
blindelings in hun overtreding verder laten afdwalen.
16. Zij zijn het die dwaling hebben aanvaard in ruil voor
de rechte weg, maar hun handelwijze heeft hun geen gewin gebracht, noch konden
zij worden geleid.
17. Hun toestand is als de toestand van iemand die een
vuur ontstak en toen het zijn omgeving verlichtte, nam Allah hun licht weg en
liet hen in diepe duisternis, zodat zij niet meer zien.
18. Doof, stom en blind, derhalve keren zij niet terug;
19. Of, (dat zij) bij zware regen uit de hemel waarmede
dichte duisternis, donder en bliksem komt, uit doodsangst hun vingers in de oren
steken vanwege de donderslagen. Allah omringt de ongelovigen.
20. Bijna beneemt het bliksemlicht hun het
gezichtsvermogen; telkens als het hen beschijnt, wandelen zij daarin, maar wordt
het weder donker, dan staan zij stil. En, zo Allah het wilde, zou Hij hun het
gehoor en het gezicht kunnen ontnemen, waarlijk, Allah heeft macht over alle
dingen.
21. O gij mensen, aanbidt uw Heer, die u en degenen, die
vóór u waren, schiep - opdat gij behouden zult worden.
22. Die u de aarde tot een legerstede maakte en de hemel
tot een gewelf en Die water van de wolken deed nederkomen en daardoor vruchten
voortbracht, als voedsel voor u. Plaatst derhalve geen gelijken nevens Allah,
tegen beter weten in.
23. En, indien gij in twijfel zijt omtrent hetgeen Wij aan
Onze dienaar hebben geopenbaard, probeert dan een dergelijk hoofdstuk voort te
brengen en roept uw helpers buiten Allah, als gij waarachtig zijt.
24. Doch, indien gij het niet kunt doen - en gij zult het
nimmer kunnen doen - wacht u dan voor het Vuur, dat voor de ongelovigen is
bereid, welks brandstof mensen en stenen zign.
25. En verkondig aan degenen, die geloven en goede werken
doen de blijde tijding, dat er tuinen (het paradijs) voor hen zijn, waardoorheen
rivieren vloeien. Telkens, wanneer hun van de vruchten hieruit wordt geschonken,
zullen zij zeggen: "Ziehier, hetgeen ons reeds voorheen werd gegeven"; en hun
werd het soortgelijke gegeven. En zij zullen er reine metgezellen hebben en zij
zullen er vertoeven.
26. Waarlijk, Allah acht het niet beneden zich, een mug of
iets nog kleiners als gelijkenis te stellen. Zij die geloven weten, dat dit de
Waarheid van hun Heer is, terwijl degenen, die niet geloven, zeggen:"Wat bedoelt
Allah met zulk een voorbeeld?" Velen laat Hij daardoor dwalen en velen leidt Hij
daardoor terecht - en niemand laat Hij daarmede dwalen, dan de ongehoorzamen,
27. Die het verbond met Allah breken na de bekrachtiging
er van en datgene, wat Allah gebood te verenigen, scheiden en die onheil op
aarde stichten, dezen zijn de verliezers.
28. Hoe kunt gij Allah verwerpen, terwijl gij levenloos
waart en Hij u leven schonk? Hij zal u doen sterven en daarna zal Hij u doen
herleven en dan zult gij tot Hem worden teruggebracht.
29. Hij is het, Die alles, wat op aarde is, voor u schiep:
daarna wendde Hij Zich tot de hemel en vervolmaakte deze tot zeven hemelen, want
Hij heeft kennis van alle dingen.
30. En toen uw Heer tot de engelen zeide: "Ik wil een
stedehouder op aarde plaatsen," zeiden zij: "Wilt Gij er iemand plaatsen die er
onheil zal stichten en bloed zal vergieten, terwijl wij U verheerlijken met de
lof die U toekomt en Uw Heiligheid prijzen," antwoordde Hij: "Ik weet wat gij
niet weet."
31. En Hij leerde Adam al de namen. Dan plaatste Hij (de
voorwerpen dezer) namen voor de engelen en zeide: "Noemt Mij hun namen, indien
gij in uw recht staat."
32. Zij zeiden: "Heilig zijt Gij. Wij bezitten geen
kennis, buiten hetgeen Gij ons hebt geleerd; waarlijk, Gij zijt de Alwetende, de
Alwijze.
33. Hij zeide: "O, Adam, zeg hun de namen van deze
dingen", en toen hij de namen had genoemd, zeide Hij: "Zeide Ik u niet: Waarlijk
Ik ken de geheimen der hemelen en der aarde en Ik weet, wat gij onthult en wat
gij verbergt?"
34. En toen Wij tot de engelen zeiden: "Onderwerpt u aan
Adam", onderwierpen zich allen, behalve Iblies. Hij weigerde, hij was
hoogmoedig. Hij behoorde tot de ongelovigen.
35. En Wij zeiden: "O Adam, verblijf gij met uw gade in de
tuin en eet overvloedig, waar gij ook wilt, doch nader deze boom niet, anders
zult gij tot de zondaren behoren."
36. Doch door middel van de boom verleidde Satan hen
beiden en dreef hen uit de staat waarin zij zich bevonden. En Wij zeiden: "Gaat
heen - gij zijt elkander vijandig. Er zal op aarde een tijdelijke woonplaats en
levensonderhoud voor u zijn."
37. Toen leerde Adam enkele woorden van zijn Heer. Zo
schonk Hij hem vergiffenis; gewis Hij is Berouwaanvaardend, Genadevol.
38. Wij zeiden: "Gaat allen weg van hier. En, indien er
leiding van Mij tot u komt, zullen zij, die Mijn leiding volgen, vrees noch
droefheid kennen.
39. Doch zij, die niet geloven en Onze tekenen
verloochenen, zullen de bewoners van het Vuur zijn; zij zullen daarin
verblijven.
40. "O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, welke Ik u
bewees en weest getrouw aan Mijn verbond. Ik zal Mijn verbond met u houden en
Mij alleen zult gij vrezen.
41. En gelooft in hetgeen Ik heb geopenbaard, vervullende
datgene, wat gij reeds bezit en weest niet de eersten, die het verwerpen;
verruilt evenmin mijn tekenen voor geringe prijs en zoekt bescherming in Mij
alleen.
42. En verwart de waarheid niet met de onwaarheid, noch
verbergt de waarheid tegen beter weten in.
43. En houdt het gebed en betaalt de Zakaat en bidt met
hen, die bidden.
44. Beveelt gij de mensen het goede te doen en vergeet
daarbij u zelf, hoewel gij het Boek leest? Wilt gij dan niet begrijpen?
45. Zoekt hulp door geduld en gebed; dit is inderdaad
moeilijk, behalve voor de ootmoedigen,
46. Die er zeker van zijn, dat zij hun Heer zullen
ontmoeten en dat zij tot Hem zullen wederkeren.
47. O kinderen Israëls! Gedenkt Mijn gunsten, die Ik u
bewees, dat Ik u boven de volkeren verhief.
48. En vreest de Dag, dat de ene ziel de andere niet zal
kunnen helpen, waarop voor haar noch voorspraak zal worden aanvaard, noch een
losprijs zal worden aangenomen, noch zij zullen worden geholpen.
49. En toen Wij u redden van Pharao's volk, dat u met
bittere marteling kwelde, Uw zonen dodend en uw vrouwen sparend; hierin was voor
u een zware beproeving van uw Heer.
50. En toen Wij de zee voor u spleten en u redden en
Pharao's volk lieten verdrinken, terwijl gij toezaagt.
51. En toen Wij met Mozes een tijd afspraken van veertig
nachten; toen naamt gij in zijn afwezigheid het kalf, (om het te aanbidden) en
gij werdt overtreders.
52. Daarna vergaven Wij u, opdat gij dankbaar zoudt zijn.
53. En toen gaven Wij Mozes het Boek en het oordeel des
onderscheids, opdat gij recht geleid zoudt worden.
54. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O mijn volk, gij
hebt uzelf onrecht aangedaan door het kalf te aanvaarden: derhalve keert terug
tot Uw Schepper en doodt uw eigen ik, dat is het beste voor u in het oog van uw
Schepper". Daarna wendde Hij zich genadig tot u. Voorzeker, Hij is
Berouwaanvaardend, Genadevol.
55. En toen gij zeidet: "O Mozes, wij zullen u geenszins
geloven, totdat wij Allah van aangezicht tot aangezicht zien", toen trof u een
donderslag, terwijl gij toezaagt.
56. Toen deden Wij u verrijzen na uw dood, opdat gij
dankbaar zoudt zijn.
57. En Wij deden de wolken een schaduw over u zign en
zonden u manna en kwartels, (zeggende): "Eet van de goede dingen, waarmede Wij u
hebben voorzien." Zij schaadden Ons niet, maar zij plachten hun eigen ziel te
schaden.
58. En toen Wij zeiden: "Gaat in deze stad en eet er
overvloedig, waar gij ook wilt; treedt de poort onderdanig binnen en vraagt om
vergiffenis. Wij zullen u uw fouten vergeven en Wij zullen meer geven aan
degenen, die goed doen."
59. Maar de onrechtvaardigen vervingen het woord door een
ander, dat niet tegen hen gesproken was. Daarom zonden Wij over de
onrechtvaardigen een grote straf vanuit de hemel, omdat zij plachten te
overtreden.
60. En toen Mozes om water voor zijn volk bad zeiden Wij:
"Sla op de rots met uw staf" en er ontsprongen twaalf bronnen aan, waardoor elke
stam zijn drinkplaats kende. Eet en drinkt van wat Allah heeft voortgebracht en
wandelt niet op aarde, onheil stichtende.
61. En toen gij zeidet: "O Mozes, wij verdragen niet
langer één soort voedsel, bid daarom voor ons tot uw Heer, dat Hij van hetgeen
op aarde groeit - groenten en komkommers en tarwe en linzen en uien - voor ons
voortbrenge," zeide Hij: "Zoudt gij hetgeen minderwaardig is in ruil willen
nemen voor hetgeen beter is? Gaat naar een stad, daar zult gij vinden, waarom
gij vraagt." En zij kwamen in vernedering en arrmoede en brachten Allah's toorn
over zich; dit kwam, omdat zij de tekenen van Allah verwierpen en de profeten
onrechtvaardig doodden, want zij waren ongehoorzaam en telkens weer in
overtreding.
62. Voorzeker, de gelovigen, de Joden, de Christenen en de
Sabianen - wie onder hen ook in Allah en de laatste Dag geloven en goede daden
verrichten, zullen hun beloning bij hun Heer ontvangen en er zal geen vrees over
hen komen, noch zullen zij treuren.
63. En toen Wij een verbond met u aangingen en de berg
hoog boven u verhieven, zeiden Wij: "Houdt vast, wat Wij u hebben gegeven en
bedenkt wat het bevat, zodat gij behoed zult worden."
64. Maar gij wenddet u af en, had Allah u Zijn genade en
barmhartigheid niet betoond, dan zoudt gij zeker zijn ondergegaan.
65. Gij hebt degenen onder u gekend, die inzake de Sabbath
overtraden. Alzo zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."
66. Zo maakten Wij hen tot een voorbeeld voor hen die in
die tijd leefden en voor degenen, die na hen kwamen en tot een les voor de
godvrezenden.
67. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "Waarlijk, Allah
gebiedt u, een koe te slachten", zeiden zij: "Drijft gij de spot met ons?" Hij
zeide: "Ik zoek toevlucht bij Allah, om niet tot de onwetenden te behoren."
68. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, opdat Hij het
ons duidelijk make, wat voor een koe dit moet zijn." Hij antwoordde: "Hij zegt,
dat het een koe moet zijn, noch oud, noch jong, volwassen, tussen beide in -
doet nu, wat u geboden is."
69. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij het ons
duidelijk make, welke kleur zij heeft" Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een
gele koe is met een diepe kleur, aangenaam voor hen, die haar zien."
70. Zij zeiden: "Bid voor ons tot uw Heer, dat Hij ons
mededele, hoe zij is, want al zulke koeien zien er voor ons gelijk uit; en als
Allah het wil, zullen wij juist worden geleid."
71. Hij antwoordde: "Hij zegt, dat het een koe is, die nog
nooit afgericht is geweest, om de aarde te beploegen, of de akkers te bevloeien,
een koe, gaaf en vlekkeloos." Zij zeiden: "Nu hebt gij het precies gezegd." Toen
slachtten zij haar, doch liever hadden zij het niet gedaan.
72. En toen gij trachttet een mens te doden en onder
elkander er over twisttet, was Allah de onthuller van wat gij verborgen hieldt.
73. Toen zeiden Wij: "Treft hem (de moordenaar) voor een
gedeelte van het vergrijp tegen hem (de gedode)". Aldus geeft Allah leven aan de
doden en toont u Zijn tekenen, opdat gij zult begrijpen.
74. Daarna verhardde zich uw hart. Zij zijn als stenen, of
nog harder, want er zijn stenen, waaruit stromen ontspringen en er zijn er
zeker, die splijten en er vloeit water uit. En sommige zijn er die uit vrees
voor Allah neervallen. En Allah is niet achteloos, ten opzichte van wat gij
doet.
75. Verwacht gij, dat zij u zullen geloven, terwijl een
aantal hunner het woord van Allah heeft vernomen en het verdraait, nadat zij het
hebben begrepen, tegen beter weten in.
76. Wanneer zij de gelovigen ontmoeten zeggen zij: "Wij
geloven" en wanneer zij onder elkander zijn zeggen zij: "Verhaalt gij hun, wat
Allah u heeft geopenbaard, zodat zij daardoor met u kunnen redetwisten voor uw
Heer." Wilt gij dan niet begrijpen?
77. Begrijpen zij dan niet, dat Allah weet, wat zij
verbergen en wat zij openbaar maken?
78. En sommigen hunner zijn ongeletterd; zij weten niets
van het Boek, maar hebben hun valse denkbeelden: zij vermoeden slechts.
79. Wee daarom degenen, die een boek met hun eigen handen
schrijven en dan zeggen: "Dit is van Allah", opdat zij er een onwaardige prijs
voor kunnen nemen. Wee hun dan, voor hetgeen hun handen schrijven en wee hun
voor hetgeen zij verdienen.
80. En zij zeggen: "Het Vuur zal ons slechts voor een
klein aantal dagen deren". Vraag hun: "Hebt gij dan een woord van Allah
verkregen? Dan zal Allah Zijn belofte nooit breken. Of zegt gij iets over Allah,
dat gij niet weet?
81. Voorzeker, die kwaad doet en door zijn zonden is
omringd - zij zijn de bewoners van het Vuur; daarin zullen zij verblijven.
82. Maar zij, die geloven en goede werken doen, - zij zijn
de bewoners van de Hemel, daarin zullen zij verblijven.
83. En toen Wij een verbond sloten met de kinderen
Israëls, zeiden Wij, dat gij niemand zult aanbidden, dan Allah alleen en dat gij
goed zult zijn voor uw ouders, uw verwanten, de wezen en de armen; spreekt goed
tegen de mensen en houdt het gebed en geeft de Zakaat. Doch gij wenddet u af, -
behalve weinigen onder u, en gij zijt afkerig.
84. En toen Wij een verbond met u sloten: "Gij zult uw
bloed niet vergieten noch uw volk uit hun huizen verdrijven", toen hebt Gij dit
bekrachtigd en gij waart er getuige van.
85. Toch zijt gij het volk, dat uw eigen broeders doodt en
een gedeelte van uw volk uit hun huizen verdrijft, elkaar tegen hen helpende in
zonde en overtreding. En, indien zij als gevangenen tot u terugkomen, koopt gij
hen vrij, terwijl juist hun verdrijving voor u verboden was. Gelooft gij dan
slechts in een gedeelte van het Boek en verwerpt gij een ander gedeelte? Er is
geen beloning voor degenen uwer, die zulks doen, behalve schande in dit leven;
en op de Dag van Opstanding zullen zij de strengste kastijding moeten ondergaan,
want Allah is niet onachtzaam betreffende hetgeen gij doet.
86. Dezen zijn het, die het Hiernamaals voor het
tegenwoordig leven hebben verkocht. Derhalve zal hun straf niet worden verzacht,
noch zullen zij worden geholpen.
87. Voorwaar, Wij gaven Mozes het Boek en deden
boodschappers de een na de ander zijn voetsporen volgen. En Wij gaven aan Jezus,
zoon van Maria, duidelijke tekenen en versterkten hem met de geest der
heiligheid. Telkens als een boodschapper tot u kwam, met hetgeen uw ziel niet
behaagde, hebt gij u laatdunkend gedragen, sommigen hunner hebt gij verloochend
en anderen gedood.
88. En zij zeiden: "Ons hart is verhuld." Neen, Allah
heeft hen vanwege hun ongeloof vervloekt. Weinig is derhalve hetgeen zij
geloven.
89. En toen een Boek van Allah tot hen kwam, vervullend
datgene, dat bij hen was, hoewel zij voordien om overwinning over de ongelovigen
plachten te bidden, toen dat tot hen kwam, herkenden zij dat niet en verwierpen
het. Gods vloek rust derhalve op de ongelovigen.
90. Kwaad is datgene, waarvoor zij hun ziel hebben
verkocht; daar zij verwerpen, hetgeen Allah heeft geopenbaard, er afkerig van
zijnde, dat Allah Zijn genade doet dalen over diegenen Zijner dienaren, die Hij
wil. Daardoor brachten zij toorn op toorn over zich en er is een vernederende
kastijding voor de ongelovigen.
91. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Gelooft in
hetgeen Allah heeft geopenbaard," zeggen zij: "Wij geloven slechts in hetgeen
ons is geopenbaard," maar zij verwerpen hetgeen daarna is geopenbaard, hoewel
het de Waarheid is, vervullende wat zij reeds bezaten. Zeg hun "Waarom hebt gij
dan de vroegere profeten van Allah gedood, als gij inderdaad gelovigen waart?"
92. En Mozes kwam voorzeker tot u met duidelijke tekenen,
maar gij hebt in zijn afwezigheid het (gouden) kalf genomen (om het te
aanbidden) en gij waart onrechtvaardig.
93. En toen Wij een verbond met U sloten en de berg
(Sinaï) hoog boven u verhieven, zeggende: "Houdt stevig vast, hetgeen Wij u
gegeven hebben en luistert," zeiden zij: "Wij horen, maar wij gehoorzamen niet";
hun hart was vervuld van het kalf, wegens hun ongeloof. Zeg: "Slecht is hetgeen
uw geloof u oplegt, zo gij al enig geloof bezit".
94. Zeg: "Indien het tehuis van het Hiernamaals, bij Allah
alleen voor u is, met uitsluiting van andere mensen, wenst dan eer de dood, als
gij te goeder trouw zijt".
95. Maar zij zullen deze nooit wensen, wegens het werk
hunner handen. En Allah kent de boosdoeners goed.
96. Voorzeker, gij zult hen (Joden) het meest van alle
mensen verlangend naar het leven vinden, zelfs meer dan de afgodendienaren.
Ieder van hen wenst, dat hem een leven van duizend jaren geschonken moge worden,
doch al ware hem zulk een lang leven vergund, dan zou het hem tegen de straf
toch niet beschermen. Allah ziet hetgeen zij doen.
97. Zeg: "Al wie een vijand van Gabriël is" - want
waarlijk, hij openbaarde het op Allah's bevel aan uw hart, vervullende datgene,
wat voordien kwam, een leidraad zijnde en een blijde mare voor de gelovlgen. -
98. "Al wie een vijand is van Allah en Zijn engelen en
Zijn boodschappers en Gabriël en Michaël, waarlijk, Allah is een vijand van
zulke ongelovigen."
99. En Wij hebben u voorzeker duidelijke tekenen gegeven
en niemand, dan de overtreders, verwerpt ze.
100. Hoe kwam dat? Telkens wanneer zij een verbond
aangingen, schond een gedeelte hunner het. Neen, de meesten hunner geloven niet.
101. En nu er een boodschapper van Allah tot hen is
gekomen, vervullend wat zij reeds bezaten, heeft een gedeelte der mensen van het
Boek, Allah's Boek achter zich geworpen, alsof zij het niet kenden.
102. En zij volgen dezelfde weg, die de duivels volgden
tegen de regering van Salomo - en Salomo was niet ongelovig, maar ongelovig
waren de duivels en zij leerden de mensen leugen en bedrog. En (zij handelen
naar) hetgeen aan de twee engelen, Haroet en Maroet te Babylon was geopenbaard.
Maar deze beiden leerden niemand, voordat zij hadden gezegd: "Wij zijn slechts
een beproeving; weest daarom niet ongelovig". Zo leren zij (de mensen) van hen
datgene waarmede zij een geschil maken tussen een man en zijn vrouw, maar zij
schaden er niemand mede, tenzij door Allah's bevel; maar dezen leren wat hen
schaadt en geen goed doet, hoewel zij weten, dat hij, die in deze zaken handelt
geen voordeel heeft in het Hiernamaals; slecht is hetgene waarvoor zij hun ziel
hebben verkocht; hadden zij het slechts ingezien!
103. Indien zij hadden geloofd en rechtvaardig gehandeld,
zou een schonere beloning van Allah gewis hun deel zijn geweest, hadden zij het
slechts geweten.
104. O, gij die gelooft, zegt niet: "Raainaa", maar zegt:
"Onzornaa" en luistert. Er is voor de ongelovigen een pijnlijke straf.
105. Zij die niet geloven onder de mensen van het Boek, en
de afgodendienaren, gunnen niet, dat iets goeds tot u nedergezonden wordt van uw
Heer; maar Allah kiest voor Zijn barmhartigheid, wie Hij wil en Allah is de Heer
van grote genade.
106. Welk teken Wij ook opheffen of doen vergeten,
daarvoor brengen Wij betere of daaraan gelijke. Weet gij niet, dat Allah macht
heeft over alle dingen?
107. Weet gij niet, dat het koninkrijk der hemelen en der
aarde aan Allah behoort? En buiten Allah is er geen beschermer of helper Xoor u.
108. Zoudt gij de boodschapper die tot u z werd gezonden,
willen ondervragen, zoals - Mozes voorheen werd ondervraagd? Maar wie ongeloof
in ruil neemt voor geloof, is voorzeker van het rechte pad afgedwaald.
109. Velen van de mensen van het Boek, wensen, nadat gij
gelovig geworden zijt, u uit afgunst weder tot ongelovigen te maken, nadat de
Waarheid hun is duidelijk geworden. Maar vergeeft en weest toegefelijk totdat
Allah Zijn gebod uitbrengt. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.
110. En onderhoudt het gebed en betaalt de Za'kaat; het
goede dat gij vooruit zendt voor uzelf, gij zult het bij Allah vinden.
Voorzeker, Allah ziet al hetgeen gij doet.
111. En zij zeggen: "Niemand, behalve de Joden en de
Christenen, zal ooit de Eemel binnengaan." Dat zijn hun ijdele wensen. Zeg:
"Toont uw bewijs, aJs gij waarachtig zijt".
112. Neen, wie zich volledig aan Allah onderwerpt en goede
daden verricht, zal zijn beloning bij zijn Heer hebben. Vrees noch droefheid zal
over hem komen.
113. De Joden zeggen: "De Christenen hebben geen ware
grondslag en de Christenen zeggen: "De Joden hebben geen ware grondslag",
terwijl zij beiden hetzelfde Boek lezen. Hetzelfde zeggen degenen, die geen
kennis hebben. Maar Allah zal op de Dag der Opstanding uitspraak doen in hun
geschil.
114. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die verbiedt, dat
de naam van Allah wordt verheerlijkt in Allah's bedehuizen en deze tracht te
vernietigen? Zij behoorden (de bedehuizen) slechts in vreze binnen te gaan. Er
is schande over hen in deze wereld en er zal een grote straf voor hen zijn in
het Hiernamaals.
115. En aan Allah behoort het Oosten en het Westen;
waarheen gij u ook wendt, daar zal het Aangezicht van Allah zijn. Zeker, Allah
is Alomvattend, Alwetend.
116. En zij zeggen: "Allah heeft Zich een zoon verwekt.
Heilig is Hij. Neen, alles, wat in de hemelen en op aarde is, behoort Hem toe en
alles gehoorzaamt Hem.
117. Wondere Schepper van de hemelen en aarde. Wanneer Hij
iets besluit, zegt Hij slechts: "Wees" en het wordt".
118. En de onwetenden zeggen: "Waarom spreekt Allah niet
tot ons, of, komt er geen teken tot ons?" Zo spraken ook degenen, die vóór hen
waren. Hun harten zijn aan elkander gelijk. Wij hebben de tekenen voorzeker
duidelijk gemaakt, voor een volk, dat standvastig gelooft.
119. Voorzeker Wij hebben u als drager van blijde
tijdingen en waarschuwer gezonden met de Waarheid. En gij zult niet
verantwoordelijk worden gesteld voor de bewoners der hel.
120. En de Joden en de Christenen zullen u nooit welgezind
zijn, tenzij gij hun godsdienst belijdt. Zeg: "Voorzeker, Allah's leiding is de
Merkelijke leiding". En, indien gij hun wensen volgt, nadat de kennis tot u is
gekomen, zult gij aan Allah Vriend noch Helper hebben.
121. Zij, wie Wij het Boek hebben gegeven, volgen het na,
zoals het behoort te worden nagevolgd; dezen zijn het, die er in geloven. En die
er niet in geloven, zullen de verliezers zijn.
122. O, gij kinderen Israëls, gedenkt Mijn gunsten die Ik
u bewees, dat Ik u boven die volkeren verhief.
123. En vreest de Dag, waarop geen ziel een andere ziel
van nut kan zijn, waarop geen losprijs van haar zal worden aanvaard, geen
voorspraak haar zal baten, noch zullen zij worden geholpen.
124. En toen Abrahams Heer hem met zekere opdrachten
beproefde en Abraham deze vervulde, zeide Hij: "Ik zal u tot leider der mensen
maken". Abraham vroeg: "En ook aran onder mijn nakomelingen?" Hij zeide: "Mijn
verbond betreft de overtreders niet".
125. En toen Wij het Huis tot een plaats van verzameling
voor de mensheid en een toevluchtsoord maakten, zeggende: "Neemt de plaats van
Abraham als een plaats voor gebed". En Wij geboden Abraham en Ismaël, zeggende:
"Reinigt Mijn Huis voor degenen, die de ommegang verrichten en voor degenen, die
er toegewijd in verblijven en voor degenen, die zich neder buigen en zich ter
aarde werpen.
126. En toen Abraham bad: "Mijn Heer, maak deze plaats
toch tot een oord van vrede en geef vruchten aan haar bewoners, die aan Allah en
de laatste dag geloven", zeide Hij: "Ik zal voor een korte tijd ook aan hem, die
niet gelooft weldaden schenken, daarna zal Ik hem in het Vuur drijven: het is
een slechte verblijfplaats".
127. En toen Abraham en Ismaël de muren van het Huis
optrokken, biddende: "Heer, aanvaard dit van ons, want Gij zijt de Alhorende, de
Alwetende,
128. Heer, maak ons beiden aan U onderdanig en maak van
ons nageslacht een volk, dat U onderdanig zij. En toon ons onze wijzen van
aanbidding en wend U met barmhartigheid tot ons, zeker, Gij zijt
Berouwaanvaardend en Genadevol.
129. Heer, doe onder hen een boodschapper opstaan, die hun
Uw tekenen zal verkondigen en hun het Boek en de Wijsheid zal verklaren en hen
zal louteren. Voorzeker, Gij zijt de Almachtige, de Alwijze.
130. En wie zal zich van het geloof van Abraham afwenden,
behalve hij, die dwaas tegen zichzelf handelt? Voorzeker, Wij hebben hem in deze
wereld uitverkoren en in de volgende zal hij gewis onder de rechtvaardigen zijn.
131. Toen zijn Heer tot hem zeide: "Onderwerp U", zeide
hij: "Ik heb mij aan de Heer der Werelden onderworpen".
132. En hetzelfde legde Abraham aan zijn zonen op en Jacob
deed desgelijks, zeggende: "O mijn zonen, Allah heeft waarlijk dit geloof voor u
verkozen, sterft daarom niet, tenzij gij Moslims zijt."
133. Of waart gij aanwezig, toen de dood tot Jacob kwam en
hij tot zijn zonen zeide: "Wat zult gij na mij aanbidden?" Zij antwoordden: "Wij
zullen uw God aanbidden, de God uwer vaderen, Abraham, Ismaël en Izaäk, de enige
God, aan Hem zijn wij onderworpen".
134. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is,
hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient en gij zult niet
worden ondervraagd over hetgeen zij plachten te doen.
135. En zij zeggen: "Weest Joden of Christenen, dan zult
gij worden geleid". Zeg (hun): "Neen, maar (volg) de godsdienst van Abraham, de
oprechte: hij behoorde niet tot de afgodendienaren".
136. Zegt: "Wij geloven in Allah en in hetgeen ons is
geopenbaard en in hetgeen tot Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob en de stammen werd
nedergezonden en in hetgeen aan Mozes en Jezus werd gegeven en in hetgeen aan
alle andere profeten werd gegeven door hun Heer. Wij maken geen onderscheid
tussen hen en aan Hem onderwerpen wij ons.
137. En indien zij geloven, zoals gij hebt geloofd, dan
zijn zij juist geleid, maar indien zij zich afwenden, dan zijn zij in verzet;
Allah zal u zeker voldoende zijn tegen hen, want Hij is de Alhorende, de
Alwetende.
138. Maakt Allah's kleur tot de uwe en wie is beter in
kleur, dan Allah? Hem alleen aanbidden wij.
139. Zeg: "Twist gij met ons omtrent Allah, terwijl Hij uw
Heer en onze Heer is? En voor ons zijn onze werken en voor u uw werken. En Hem
alleen zijn wij oprecht toegewijd.
140. Zegt gij, dat Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en
de stammen Joden of Christenen waren? Zeg: "Weet gij het beter of Allah?" En wie
is onrechtvaardiger, dan hij, die een getuigenis verbergt, die hij van Allah
heeft? En Allah is niet onbekend met hetgeen gij doet.
141. Dit is een volk, dat is heengegaan: voor hen is,
hetgeen zij verdienden en voor u is, hetgeen gij verdient; en gij zult niet
worden ondervraagd over hetgeen zij deden.
142. De dwazen onder het volk zullen zeggen: "Wat heeft
hen van hun Qiblah, die zij volgden, afgekeerd?" Zeg: "Aan Allah behoort het
Oosten en het Westen. Hij leidt, wie Hij wil naar het rechte pad".
143. En zo hebben Wij u tot een verheven volk gemaakt,
opdat gij getuige zult zijn tegenover de mensen en de Gezant zij een getuige
tegenover u. Wij bepaalden de Qiblah, die gij volgdet slechts, opdat Wij hem,
die de gezant van Allah volgt, onderscheiden van degene die hem de rug toekeert.
En dit is inderdaad zeer moeilijk, behalve voor hen, die Allah heeft geleid. En
Allah zal u uw geloof niet doen verliezen; voorzeker, Allah is Liefderijk en
Genadevol jegens de mensen.
144. Waarlijk, Wij zien uw aangezicht zich naar de hemel
wenden, daarom zullen Wij u tot beheerder maken van de Qiblah, die u behaagt.
Wend daarom uw aanaangezicht naar de Heilige Moskee en waar gij ook moogt zijn,
wendt uw aangezicht daarheen. En voorzeker, zij wie het Boek is gegeven, weten,
dat dit de Waarheid is van hun Heer; Allah is niet achteloos ten aanzien van wat
zij doen.
145. Zelfs al bracht gij elk teken aan degenen aan wie het
Boek is gegeven, zouden zij nooit uw Qiblah volgen, noch kunt gij hun Qiblah
volgen, noch zijn er onder hen, die de Qiblah van anderen volgen. En indien gij
aan hun wens zoudt voldoen, nadat kennis tot u is gekomen, zoudt gij zeker tot
de onrechtvaardigen behoren.
146. Degenen aan wie Wij het Boek hebben gegeven erkennen
dit, zoals zij hun zonen erkennen, maar voorzeker, sommigen hunner verbergen de
Waarheid tegen beter weten in.
147. De Waarheid is van uw Heer, schaar u daarom niet
onder hen die twijfelen.
148. Iedereen heeft een richting, waarheen hij zich wendt,
wedijvert daarom met elkander in goede werken. Waar gij ook zijt, Allah zal u
allen tezamen brengen. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.
149. Vanwaar gij ook komt, wend uw aangezicht naar de
Heilige Moskee, want dat is inderdaad de Waarheid van uw Heer. En Allah is niet
achteloos ten aanzien van hetgeen gij doet.
150. Vanwaar gij ook komt, wend uw aangezicht naar de
Heilige Moskee; waar gij ook zijt, wendt uw aangezicht daarheen, opdat de
mensen, met uitzondering van de onrechtvaardigen geen bezwaar tegen u mogen
aanvoeren - vreest hen dus niet, maar vreest Mij - en opdat Ik Mijn gunst aan u
moge voltooien en opdat gij juist geleid moogt worden.
151. Omdat Wij uit uw midden een boodschapper hebben
gezonden, die u Onze tekenen verkondigt, u zuivert, u het Boek en de Wijsheid
onderwijst en u leert, hetgeen gij niet wist.
152. Gedenkt Mij daarom en Ik zal u gedenken en weest Mij
dankbaar en weest Mij niet ondankbaar.
153. O, gij die gelooft, zoekt hulp met geduld en gebed;
voorzeker, Allah is met de geduldigen.
154. En zegt niet van degenen, die voor Allah's zaak zijn
gedood, dat zij dood zijn - neen, zij leven, maar gij bemerkt het niet.
155. En Wij zullen u een weinig beproeven door vrees,
honger, verlies van bezittingen, levens en vruchten; maar verkondig blijde
tijdingen aan de geduldigen,
156. Zij die, wanneer een rampspoed hen achterhaalt,
zeggen: "Voorzeker, wij zijn van Allah en tot Hem zullen wij wederkeren".
157. Dezen zijn het, op wie de zegeningen en de
barmhartigheid van hun Heer rusten en dezen zijn het, die de rechte weg volgen.
158. Voorzeker, Safaa en Marwah zijn onder de tekenen van
Allah. Er rust derhalve op hem, die de Hadj (pelgrimstocht) doet, of (of soms)
de Omrah verricht, geen blaam, indien hij om beiden (heen) loopt. En wie
vrijwillig goed doet, voorzeker, Allah is Waarderend, Alwetend.
159. Voorzeker, degenen, die hetgeen Wij aan tekenen en
leiding hebben nedergezonden, verbergen, nadat Wij zein het Boek aan de mensen
duidelijk hebben gemaakt, zijn het, die Allah vervloekt en zij die het recht
hebben te vervloeken, vervloeken hen ook.
160. Maar zij, die berouw hebben en zich beteren en (de
Waarheid) verkondigen, dezen zijn het, tot wie Ik Mij met vergiffenis wend - Ik
ben Berouwaanvaardend, Genadevol.
161. Voorzeker, die verwerpen en als ongelovigen sterven,
over hen zal de vloek komen van Allah en van de engelen en van alle mensen.
162. Daarin zullen zij blijven. Hun straf zal niet worden
verlicht, noch zal hun uitstel worden verleend.
163. En uw God is één God, er is geen God buiten Hem, de
Barmhartige, de Genadevolle.
164. Voorwaar, in de schepping der hemelen en der aarde en
in de wisseling van nacht en dag en in de schepen die de zee bevaren, met
datgene wat de mensen tot voordeel strekt; en in het water dat Allah van de
hemel nederzendt, waarmede Hij de aarde doet herleven na haar dood en daarop
alle soorten dieren verspreidt, en in de verandering der winden, en in de wolken
die tussen de hemel en de aarde in dienst zijn gesteld, zijn inderdaad tekenen
voor een volk, dat begrijpt.
165. Onder de mensen zijn er, die voorwerpen van
aanbidding buiten Allah nemen en ze liefhebben, zoals zij Allah behoren lief te
hebben. Maar zij die geloven zijn sterker in hun liefde voor Allah. En als zij
die overtreden (nu) de tijd kunnen zien wanneer zij de straf zullen zien, (dan
zouden zij beseffen) dat alle macht aan Allah toebehoort en dat Allah streng is
in het straffen.
166. Wanneer de leiders hun volgelingen zullen verzaken en
de straf zullen bemerken en al hun banden zullen worden verbroken,
167. Zullen de volgelingen zeggen: "Indien wij slechts
terug konden keren, zouden wij hen verzaken, zoals zij ons hebben verzaakt". Zo
zal Allah aan hen hun werken tonen tot wroeging en zij zullen het Vuur niet
kunnen ontkomen.
168. O gij mensen, eet van hetgeen geoorloofd en goed is
op aarde en treedt niet in de voetstappen van Satan; voorzeker, hij is voor u
een openlijke vijand.
169. Hij gebiedt u alleen, wat kwaad en wat onrein is en
dat gij over Allah zegt, wat gij niet weet.
170. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Volgt hetgeen
Allah heeft geopenbaard", zeggen zij: "Neen, wij zullen datgene volgen, wat wij
onze vaderen zagen volgen". Zelfs al hadden hun vaderen in het geheel geen
verstand en volgden zij ook de rechte weg niet?
171. De ongelovigen gelijken op hem, die schreeuwt naar
hetgeen niets hoort, het blijft een roep en een schreeuw. Zij zijn doof, stom en
blind, zij begrijpen dus niet.
172. O gij die gelooft, eet van de goede dingen, waarmede
Wij u hebben voorzien en dankt Allah, indien gij Hem alleen aanbidt.
173. Hij heeft u slechts het gestorvene, het bloed, het
varkensvlees en datgene, waarover een andere naam, dan die van Allah is
uitgeroepen, verboden. Maar hij, die gedwongen is en dit niet wenst en geen
overtreder is, op hem rust geen zonde. Want Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
174. Voorzeker, zij, die datgene verbergen, wat Allah
heeft geopenbaard, namelijk het Boek en het voor een geringe prijs verruilen,
vullen hun buik met niets, dan Vuur. Allah zal op de Dag der Opstanding niet tot
hen spreken, noch zal Hij hen rein achten. Er wacht hun een pijnlijke straf.
175. Zij zijn het, die dwaling in ruil voor leiding hebben
aanvaard en straf voor vergiffenis. Hoe groot is hun overmoed tegenover het
Vuur!
176. Dit komt, omdat Allah het Boek met de Waarheid heeft
nedergezonden en voorzeker, zij, die tegen het Boek ingaan, zijn in verregaand
verzet.
177. Het is geen deugd, dat gij uw gezicht naar het Oosten
of naar het Westen wendt, maar waarlijke deugd is in hem, die in Allah, de
Laatste Dag, de engelen, het Boek en de profeten gelooft en die van zijn
vermogen geeft uit liefde voor Hem aan de verwanten, de wezen, de armen, de
reiziger, de bedelaars en voor het vrijkopen van slaven en die het gebed
onderhoudt en de Zakaat betaalt; verder in degenen, die hun belofte nakomen,
wanneer zij een belofte doen en de geduldigen in armoede, in kwellingen en in
oorlogstijd; dezen zijn het, die bewezen hebben, waarachtig te zijn en dezen
zijn vromen.
178. O gij die gelooft, vergelding inzake doodslag is u
voorgeschreven: de vrije man tegen de vrije man, de slaaf tegen de slaaf en de
vrouw tegen de vrouw. Maar, indien iemand kwijtschelding is verleend door zijn
broeder, dan moet de eis billijk zijn, en betaling moet hem worden gedaan met
goedheid. Dit is verzachting en barmhartigheid van uw Heer. Wie daarna
overtreedt, hem wacht een pijnlijke straf.
179. En in vergelding is leven voor u, o mensen van
begrip, zodat gij behouden zult worden.
180. Het is u voorgeschreven, dat wanneer de dood tot één
uwer komt, en hij een vermogen nalaat, hij een testament opmake voor ouders en
naaste familieleden, billijkerwijze. Dit is een verplichting voor de
godvruchtigen.
181. En hij, die het vervalst nadat hij het heeft gehoord,
de schuld er van zal gewis op hem rusten, die dat verandert. Waarlijk, Allah is
Alhorend, Alwetend.
182. Maar hij die vreest, dat degene, die het testament
maakte, partijdig werd, of een fout heeft begaan, en die een schikking treft
(tussen de belanghebbenden), die zal daarmede geen zonde begaan. Voorzeker,
Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
183. O, gij gelovigen, het vasten is u voorgeschreven,
zoals het degenen die vóór u waren was voorgeschreven, opdat gij vroom zult
zijn.
184. Voor een zeker aantal dagen (zult gij vasten) maar
wie onder u ziek is, of op reis, vaste een aantal andere dagen - er is een
losprijs voor degenen, die niet kunnen vasten - het voeden van een arme. Maar
hij, die vrijwillig goed doet, het zal beter voor hem zijn. Het vasten is goed
voor u, indien gij het beseft.
185. De maand Ramadaan is die, waarin de Koran als een
richtsnoer voor de mensen werd nedergezonden en als duidelijke bewijzen van
leiding en onderscheid. Wie onder u daarom deze maand beleeft, laat hem daarin
vasten. Maar wie onder u ziek of op reis is, een aantal andere dagen. Allah
wenst gemak voor u en geen ongemak, en opdat gij het aantal zult voltooien en
opdat gij Allah's grootheid zult prijzen, omdat Hij u terecht heeft geleid en
opdat gij dankbaar zult zijn.
186. En wanneer Mijn dienaren u over Mij vragen, zeg dan:
"Ik ben nabij. Ik verhoor het gebed van de smekeling, wanneer hij Mij aanroept."
Daarom moeten zij naar Mij luisteren en in Mij geloven, opdat zij geleid zullen
worden.
187. Het is u veroorloofd, om op de nacht van het vasten
tot uw vrouwen in te gaan. Zij zijn een gewaad voor u en gij zijt haar een
gewaad. Allah weet, dat gij onrechtvaardig hebt gehandeld tegenover uzelf en
heeft Zich met barmhartigheid tot u gewend en u verlichting geschonken. Daarom
moogt gij nu tot haar ingaan en betrachten, hetgeen Allah u heeft verordend; en
eet en drinkt, totdat bij de dageraad de witte draad zich onderscheidt van de
zwarte draad. Voltooit dan het vasten tot het vallen van de avond. En verbreng
uw tijd niet met uw vrouwen wanneer u in de Moskeeën ??? houdt. Dit zijn de
beperkingen van Allah - dus nadert deze niet. Zo zet Allah zijn geboden uiteen
voor de mensen, opdat zij vroom zullen zijn.
188. En verteert uw rijkdommen niet onder elkander door
valse middelen en brengt ze niet naar de rechters, opdat gij een deel der
rijkdommen der mensen in zonde kunt verteren, tegen beter weten in.
189. Zij vragen u betreffende de nieuwe manen. Zeg: "Zij
zijn tijdsaanwijzingen voor de mensen en voor de bedevaart." Het is geen deugd,
dat gij de huizen binnengaat aan de achterzijde: maar deugdzaamheid is in hem,
die Allah vreest. Dus gaat de huizen door de deuren binnen en vreest, Allah,
opdat gij zult slagen.
190. En strijdt voor de zaak van Allah tegen degenen, die
tegen u strijden, maar overschrijdt de grens niet. Voorzeker, Allah heeft de
overtreders niet lief.
191. En doodt hen, waar gij hen ook ontmoet en drijft hen
uit, vanwaar zij u hebben uitgedreven; want vervolging is erger dan doden. En
bevecht hen niet nabij de heilige Moskee, voordat zij u daarin bevechten. Maar
indien zij u bevechten, bevecht hen dan - zo is de vergelding voor de
ongelovigen.
192. Maar als zij ophouden, dan is Allah zeker
Vergevensgezind, Genadevol.
193. En bestrijdt hen, totdat er geen vervolging meer is
en de godsdienst alleen voor Allah wordt. Maar indien zij (met strijden)
ophouden, dan is er geen vijandelijkheid meer toegestaan, behalve tegen de
onrechtvaardigen.
194. De heilige maand voor de heilige maand! Er is (een
wet van) vergelding voor alle heilige dingen. Wie daarom agressief tegen u
handelt, vergeldt hem naarmate hij tegen u heeft gedaan. En vreest Allah en
weet, dat Allah met de godvruchtzgen is.
195. En besteedt uw bezit voor de zaak van Allah en stort
u niet met uw eigen handen in het verderf doch doet goed: voorzeker, Allah heeft
hen lief, die goed doen.
196. En voleindigt de Hadj (pilgrimstocht) en Omrah, ter
wille van Allah, maar als gij verhinderd zijt, brengt dan het offer, dat
gemakkelijk verkrijgbaar is en scheert uw hoofd niet, voordat het offer zijn
bestemming heeft bereikt. En wie onder u ziek is of een kwaal in het hoofd
heeft, moet een losprijs geven, óf door te vasten, óf door aalmoezen te geven,
óf door een offer te brengen. En wanneer gij veilig zijt, moet hij die gebruik
maakt van Omrah, tegelijk met de Hadj een offer brengen, dat gemakkelijk
verkrijgbaar is. Maar degenen, die geen (offer) kunnen vinden, moeten drie dagen
gedurende de bedevaart vasten en zeven dagen, wanneer (men) terugkeert; dit is
tien dagen in het geheel. Dit is voor hem, wiens familie niet dicht bij de
Heilige Moskee woont. En vreest Allah en weet, dat Allah streng is in het
straffen.
197. De maanden der bedevaart zijn bekend, dus, wie
besluit ter bedevaart te gaan in deze maanden, bedenke, dat er geen onreine
taal, noch enige overtreding, noch enige twist gedurende de bedevaart mag zijn.
En wat gij ook aan goeds doet, Allah weet het. En rust u uit met het nodige,
maar de beste uitrusting is godsvrucht. En vreest Mij alleen, o mensen van
begrip.
198. Het is voor u geen zonde, wanneer gij de overvloed
van uw Heer zoekt. Maar, wanneer gij van (de berg ) Arafaat weggaat, gedenkt dan
Allah te het Sacrale Monument en gedenkt Hem, omdat Hij u heeft geleid, terwijl
gij voordien tot de dwalenden behoordet.
199. Gaat dan voort, vanwaar het volk voortgaat en zoekt
vergiffenis van Allah; Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
200. En wanneer gij uw wijdingen hebt verricht, gedenkt
dan Allah, zoals gij uw vaderen gedenkt en zelfs meer dan dat. En er zijn
mensen, die zeggen: "Onze Heer, schenk ons (veel) in deze wereld", maar voor hen
is er geen aandeel in het Hiernamaals.
201. Sommigen hunner zeggen: "Onze Heer, schenk ons het
goede in deze wereld, alsook in de komende wereld en bescherm ons voor de
marteling van het Vuur."
202. Voor dezen zal er een aandeel zijn wegens hetgeen zij
hebben verdiend. En Allah is vlug in het verrekenen.
203. En gedenkt Allah gedurende het vastgestelde aantal
dagen, maar wie na twee dagen zich haast (om te vertrekken) het zal voor hem
geen zonde zijn en wie achterblijft, ook voor hem zal het geen zonde zijn. Dit
geldt voor hem, die God vreest. Vreest Allah en weet, dat gij voor Hem zult
worden verzameld.
204. En onder de mensen is iemand, wiens spreken over dit
leven u zou behagen en hij stelt Allah tot getuige voor wat in zijn hart is en
toch is hij de meest twistzieke.
205. Wanneer hij gezag heeft, gaat hij in het land rond,
om er wanorde te stichten en de oogst en het nageslacht (van de mens) te
vernietigen, maar Allah houdt niet van wanorde.
206. En wanneer er tegen hem wordt gezegd: "Vrees Allah",
dan spoort de trots hem aan tot verdere zonde. Daarom is de hel goed genoeg voor
hem en voorzeker, deze is een kwade rustplaats.
207. En onder de mensen is iemand, die zich weggeeft,
Allah's welbehagen zoekende; Allah is goedertieren jegens Zijn dienaren.
208. O gij die gelooft, komt in volledige overgave en
volgt de voetstappen van Satan niet; hij is voorzeker uw verklaarde vijand.
209. Maar indien gij uitglijdt nadat de duidelijke tekenen
tot u zijn gekomen, weet dan, dat Allah Almachtig, Alwijs is.
210. Zij wachten op niets anders, dan dat Allah en de
engelen in de schaduw der wolken tot hen komen en dat de zaak beslist wordt. En
tot Allah worden alle dingen teruggebracht.
211. Vraag de kinderen Israëls, hoeveel duidelijke tekenen
Wij hun hebben gegeven. Maar hij die de gunst van Allah verandert, nadat zij tot
hem is gekomen, (wete) dat Allah streng is in het straffen.
212. Het leven dezer wereld is voor de ongelovigen
schoonschijnend gemaakt en zij bespotten de gelovigen. Maar de godvrezenden
zullen boven hen verheven zijn op de dag der opstanding: Allah schenkt Zijn
gaven overvloedig aan wie Hij wil.
213. De mensheid was één gemeenschap. Daarna verwekte
Allah profeten als brengers van goede tijdingen en als waarschuwers en zond met
hen het Boek neder, dat de waarheid bevatte, om onder de mensen te richten over
datgene waarin zij verschilden. En niemand verschilde er over, dan degenen aan
wie het (Boek) was gegeven, nadat duidelijke tekenen tot hen waren gekomen, -
uit afgunst jegens elkander. Dan heeft Allah door Zijn gebod de gelovigen geleid
betreffende de waarheid, waarover zij hot oneens waren; en Allah leidt naar het
rechte pad, wie Hij wil.
214. Denkt gij dat gij de Hemel zult binnengaan, terwijl
cle toestand dergenen, die vóór u gingen, nog niet over u is gekomen? Armoede en
tegenslagen kwamen over hen en zij werden hevig geschokt, totdat de boodschapper
en de gelovigen met hem zeiden: "Wanneer komt Allah's hulp?" Ja, voorzeker, de
hulp van Allah is nabij.
215. Zij vragen u, wat zij moeten besteden. Zeg hun:
"Welke rijkdom gij ook weggeeft, het moet zijn voor ouders, naaste verwanten,
wezen, behoeftigen en reizigers. En welke weldaad gij ook doet - Allah weet het
goed.
216. Vechten is u geboden ofschoon gij er afkerig van
zijt; maar het kan zijn, dat gij tegenzin hebt in iets terwijl het goed voor u
is en het kan zijn, dat u iets behaagt terwijl het slecht voor u is. Allah weet
het en gij weet het niet.
217. Zij vragen u omtrent het vechten in de heilige maand.
Zeg: "Het vechten hierin is een grote overtreding, maar de mensen van de weg van
Allah af te houden en Hem ondankbaar te zijn en (de toegang tot) de Heilige
Moskee (te verhinderen) en haar mensen er van te verdrijven, is bij Allah een
grotere zonde; en vervolging is erger dan doden." En zij zullen niet ophouden, u
te bevechten, totdat zij u van uw geloof hebben afgebracht, als zij kunnen. Maar
wie onder u zich van zijn geloof afkeert en sterft als een ongelovige - diens
werken zullen tevergeefs zijn in deze wereld en in de toekomende. Dezulken zijn
de bewoners van het Vuur en zij zullen daarin verblijven.
218. Zij, die geloven en zij die voor de zaak van Allah
hun land verlaten en er voor ijveren, zijn het, die Allah's barmhartigheid
verwachten en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
219. Zij vragen u omtrent wijn en kansspel. Zeg hun: "In
beide is groot nadeel en ook enig voordeel voor de mensen, maar het nadeel is
groter dan het voordeel." En zij vragen u, wat zij moeten weggeven. Zeg hun:
"Hetgeen gij kunt missen." Zo maakt Allah u Zijn geboden duidelijk, opdat gij
over deze en de volgende wereld zult nadenken.
220. En zij vragen u omtrent de wezen. Zeg hun: "De
bevordering van hun welzijn is een goede daad. En als gij met hen omgaat zijn
zij uw broeders. En Allah weet de kwaadstichters van de vredestichters te
onderscheiden. En indien Allah het had gewild, zou Hij het u moeilijk hebben
gemaakt. Voorzeker, Allah is Almachtig, Alwijs.
221. En huwt geen afgodendienaressen voordat zij geloven;
waarlijk een gelovige slavin is beter, dan een afgodendienares, ofschoon zij u
moge behagen. En huwt haar (gelovige vrouwen) niet aan afgodendienaren uit,
voordat zij geloven; waarlijk een gelovige slaaf is beter, dan een
afgodendienaar, ofschoon hij u moge behagen. Zij noden tot het Vuur, maar Allah
noodt u tot de Hemel en tot vergiffenis door Zijn gebod. En Hij maakt Zijn
tekenen aan de mensen duidelijk, opdat zij lering zullen trekken.
222. En zij vragen u omtrent de menstruatie. Zeg (hun):
"Het is iets schadelijks, blijft dus gedurende de menstruatie van de vrouwen weg
en gaat niet tot haar in, voordat zij hersteld zijn. Maar wanneer zij zich
hebben gereinigd, gaat tot haar in, zoals Allah het u heeft bevolen. Allah
bemint hen, die zich tot Hem wenden en zich rein houden.
223. Uw vrouwen zijn een akker voor u - komt daarom tot uw
akker, zoals het u behaagt en doet goed voor uzelf en vreest Allah en weet, dat
gij Hem zult ontmoeten en geef goede tijdingen aan de gelovigen.
224. En verschuilt u niet achter Allah met uw eden om u te
onthouden van het goeddoen en het rechtvaardig handelen en het stichten van
vrede tussen de mensen. Allah is Alhorend, Alwetend.
225. Allah zal u niet ter verantwoording roepen voor uw
ijdele eden, maar Hij zal u ter verantwoording roepen voor hetgeen uw hart heeft
verdiend. Allah is Vergevensgezind, Verdraagzaam.
226. Voor hen, die onthouding zweren jegens hun vrouwen is
de wachtperiode vier maanden; als zij echter ervan terugkomen, voorzeker, dan is
Allah Vergevensgezind, Genadevol.
227. En indien zij besluiten tot echtscheiding voorzeker
Allah is Alhorend, Alwetend.
228. De gescheiden vrouwen moeten drie menstruatieperioden
wachten; en het is haar niet geoorloofd, hetgeen Allah in haar baarmoeder heeft
geschapen, te verbergen, indien zij in Allah en de laatste dag geloven; en haar
echtgenoten hebben het recht, haar (intussen) terug te nemen, indien zij
verzoening wensen. En vóór haar geldt hetzelfde als tegen haar, hetgeen billijk
is, de mannen hebben voorrang boven haar, Allah is Machtig, Alwijs.
229. Is de echtscheiding twee keer geschied, behoud haar
dan op behoorlijke wijze of zend haar met vriendelijkheid weg. En het is u niet
geoorloofd, iets te nemen van hetgeen gij haar hebt gegeven, tenzij beiden
vrezen, Allah's bepalingen niet in acht te kunnen nemen. Indien gij
(familieleden) vreest, dat zij Allah's bepalingen niet in acht kunnen nemen, dan
zal er voor geen van hen beiden zonde zijn in hetgeen zij teruggeeft om daardoor
vrij te worden. Dit zijn de door Allah voorgeschreven beperkingen, overschrijdt
ze daarom niet; wie de door Allah voorgeschreven grenzen overschrijden, zijn
overtreders.
230. Indien hij van haar (ten derden male) scheidt, is zij
voor hem niet meer geoorloofd, voordat ze een andere echtgenoot heeft gehuwd en
indien deze van haar scheidt, zal het voor hen geen zonde zijn, tot elkander
terug te keren, indien zij er van overtuigd zijn, dat zij de door Allah
voorgeschreven beperkingen in acht zullen nemen. Dit zijn Allah's bepalingen,
welke Hij aan de mensen, die kennis hebben duidelijk maakt.
231. En wanneer gij van uw vrouwen scheidt en zij het
einde van de haar voorgeschreven periode bereiken, behoudt haar dan op een
behoorlijke manier, of zendt haar op een betamelijke manier weg, maar behoudt
haar niet tot haar nadeel, waardoor gij de perken te buiten gaat. Wie zulks
doet, doet gewis zijn eigen ziel onrecht. En drijft niet de spot met Allah's
geboden en gedenkt Allah's gunst aan u en (gedenkt) het Boek en de wijsheid, die
Hij u heeft nedergezonden, waarmede Hij u vermaant. En vreest Allah en weet, dat
Allah de Kenner is van alle dingen.
232. En wanneer gij van vrouwen scheidt en zij het einde
van haar wachtperiode hebben bereikt, verhindert haar niet, haar (aanstaande)
man te huwen, als zij met elkander op de gebruikelijke wijze tot overeenstemming
zijn gekomen. Dit is een vermaning voor hem, die onder u in Allah en de laatste
dag gelooft. Het is beter en reiner voor u; Allah weet en gij niet.
233. Moeders (gescheiden vrouwen) zullen haar kinderen
twee volle jaren zogen, dit is voor hen, die de zoogtijd wensen te voltooien. En
op de vader rust de zorg voor voedsel en kleding voor haar volgens gebruik. Geen
ziel wordt belast boven haar vermogen. De moeder zal geen leed worden aangedaan
wegens haar kind, noch zal de vader leed worden aangedaan wegens zijn kind en
hetzelfde geldt voor de erfgenaam. Als beiden besluiten, het kind te spenen door
wederzijdse overeenkomst en overleg, rust er geen schuld op hen. En als gij
verkiest, een min voor uw kinderen te nemen, zal er geen blaam op u rusten, mits
gij hetgeen gij overeenkomt naar billijkheid betaalt. En vreest Allan en weet,
dat Allah ziet, wat gij doet.
234. En diegenen uwer, die sterven en vrouwen achterlaten,
(hun vrouwen) moeten vier maanden en tien dagen wachten. Wanneer zij het einde
der wachtperiode hebben bereikt, zal er op u geen zonde rusten voor hetgeen zij
voor zichzelf op behoorlijke wijze doen; Allah weet, wat gij doet.
235. En er zal geen schuld op u rusten, indien gii niet
rechtstreeks spreekt over een huwelijksaanzoek aan die vrouwen, of indien gij
dit in uw gedachten verborgen houdt. Allah weet, dat gij het haar zult zeggen.
Maar belooft haar niets in het geheim tenzij gij op de goede wijze spreekt. En
besluit niet tot de huwelijksband, voordat de voorgeschreven wachttijd ten einde
is. En weet, dat Allah weet, wat in uw gedachten is en vreest derhalve voor Hem
en weet, dat Allah Vergevensgezind, Verdraagzaam is.
236. Het zal voor u geen zonde zijn, indien gij van uw
vrouw scheidt, voordat gij haar hebt benaderd of voor haar een bruidsschat hebt
vastgesteld. Maar maakt een voorziening voor haar, de rijke naar zijn middelen
en de arme naar zijn middelen, een gebruikelijke voorziening - dit is een
verplichting voor de deugdzamen.
237. En indien gij van haar scheidt, voor gij haar hebt
benaderd maar haar een bruidsschat hebt toegekend, (geeft) dan de helft van
hetgeen gij hebt vastgesteld, tenzij zij het u kwijtschelden, of degene, die de
huwelijksband in handen heeft het u zou kwijtschelden. En, indien gij
kwijtscheldt is dit dichter bij de godsvrucht. En vergeet niet, elkander goed te
doen. Voorzeker, Allah ziet, wat gij doet.
238. Waakt over uw gebeden en het tussengebed en stelt u
ootmoedig voor Allah.
239. Als gij in gevaar verkeert, bidt dan lopende of
rijdende, maar wanneer gij veilig zijt, gedenkt dan Allah, zoals Hij u heeft
geleerd, wat gij niet wist.
240. En degenen uwer, die wanneer zij sterven vrouwen
achterlaten, moeten voor hun vrouwen een testament maken voor hun
levensonderhoud gedurende één jaar, zonder dat zij worden uitgezet. Doch indien
zij weggaan zal er geen schuld op u rusten, wegens datgene, wat zij omtrent
zichzelf op behoorlijke wijze doen. En Allah is Almachtig, Alwijs.
241. En er moet voor de gescheiden vrouwen een billijke
voorziening zijn, dit is een verplichting voor de godvruchtigen.
242. Zo zet Allah Zijn geboden uiteen, opdat gij zult
begrijpen.
243. Weet gij niet van degenen, die uit angst voor de dood
hun huizen verlieten - het waren er duizenden. Allah zeide tot hen: "Sterft" en
dan schonk Hij hun leven. Voorzeker, Allah is genadig jegens de mensen, maar de
meeste mensen zijn ondankbaar.
244. Strijdt voor de zaak van Allah en weet, dat Allah
Alhorend, Alwetend is.
245. Wie aan Allah het goede deel afstaat, Hij zal het
voor hem vele malen vermenigvuldigen en Allah vermindert en vermeerdert en tot
Hem zult gij worden teruggebracht.
246. Weet gij niet van de leiders der kinderen Israëls na
Mozes, toen zij tot één hunner profeten zeiden: "Stel ons een koning aan, opdat
wij ter wille van Allah kunnen strijden." Hij zeide: "Is het niet
waarschijnlijk, dat gij niet zult willen vechten, wanneer het u wordt
voorgeschreven?" Zij zeiden: "Welke reden hebben wij om ons van het vechten voor
Allah's zaak te willen onthouden, wanneer wij van onze huizen en onze kinderen
zijn verdreven?" Maar, toen het vechten hun werd bevolen, wendden zij zich af,
met uitzondering van een klein aantal hunner; Allah kent de overtreders goed.
247. En hun profeet zeide tot hen: "Waarlijk, Allah heeft
Taloet (Saul) als koning over u aangesteld." Zij zeiden: "Hoe kan hij over ons
regeren, terwijl wij meer recht op heerschappij hebben dan hij en hem geen
overvloed van rijkdommen is gegeven?" Hij zeide: "Voorzeker, Allah heeft hem
boven u gekozen en heeft hem overvloedig toegerust met kennis en kracht." En
Allah geeft Zijn heerschappij aan wie Hij wil en Allah is Milddadig, Alwetend.
248. En hun profeet zeide tot hen: "Het teken van zijn
heerschappij is, dat u een hart zal worden gegeven, waarin de kalmte van uw Heer
zal zijn, het beste van de nalatenschap der volgelingen van Mozes en der
volgelingen van Aäron, (een hart) door de engelen gebracht. Voorzeker, hierin is
voor u een teken, als gij gelovigen zijt."
249. En toen Taloet met de strijdkrachten uitrukte, zeide
hij: "Voorzeker, Allah zal u door een stroom beproeven: dus hij die er van
drinkt, is niet met mij, behalve wanneer hij maar een handvol neemt, en hij die
er niets van neemt, is zeker met mij." Maar behoudens enigen hunner dronken zij
er van. En toen zij de rivier overstaken, hij en de gelovigen met hem - zeiden
zij: "Wij hebben vandaag geen macht over Djaloet (Goliath) en zijn
strijdkrachten." Maar zij, die er zeker van waren, dat zij Allah zouden
ontmoeten, zeiden: "Hoevele kleine groepen hebben niet onder Allah's bevel over
een grote groep gezegevierd." En Allah is met de geduldigen.
250. En toen zij uitgingen om Djaloet en zijn
strijdkrachten te ontmoeten, zeiden zij: "Onze Heer, stort geduld over ons uit
en maak onze voetstappen vast en help ons tegen het ongelovige volk!"
251. Zo versloegen zij hen door het gebod van Allah en
David doodde Djaloet en Allah gaf hem heerschappij en wijsheid en onderwees hem,
hetgeen Hij wilde. Had Allah sommige mensen niet door anderen laten
terugdrijven, dan zou de aarde verdorven zijn. Maar Allah is genadig jegens de
werelden.
252. Dit zijn de tekenen van Allah. Wij dragen ze u voor
naar waarheid. Voorzeker, gij zijt één der boodschappers.
253. Van deze boodschappers hebbell wij sommigen boven
anderen verheven; tot sommigen hunner sprak Allah en sommigen hunner verhief Hij
in rang. En Wij gaven Jezus, zoon van Maria duidelijke tekenen en versterkten
hem met de geest der heiligheid. En indien Allah wilde, zouden zij, die na hem
kwamen, elkander niet hebben bestreden, nadat de duidelijke tekenen tot hen
waren gekomen, maar zij twistten, daar sommigen hunner geloofden en anderen
verwierpen. En indien Allah wilde, zouden zij elkander niet hebben bestreden,
maar Allah doet, wat Hij wil.
254. O, gij die gelooft, geeft van hetgeen Wij u hebben
geschonken, voordat de dag komt, waarop noch handel, noch vriendschap, noch
voorspraak zal zijn; en de ongelovigen zijn de onrechtvaardigen.
255. Allah! Er is geen God dan Hij, de Levende, de
Zelfbestaande. Sluimer, noch slaap overmant Hem. Al wat in de hemelen en wat op
aarde is, behoort Hem. Wie kan bij Hem bemiddelen zonder Zijn verlof? Hij kent
hetgeen voor hen is en wat achter hen is en zij kunnen niets van Zijn kennis
omvatten, dan wat Hij wil. Zijn troon strekt zich uit over hemelen en aarde en
het waken over beide vermoeit Hem niet; Hij is de Verhevene, de Grote.
256. Er is geen dwang in de godsdienst. Voorzeker, het
juiste pad is van dwaling onderscheiden; derhalve, hij die de duivel verloochent
en in Allah gelooft, heeft een sterk houvast gegrepen, dat onbreekbaar is. Allah
is Alhorend, Alwetend.
257. Allah is de Vriend dergenen, die geloven; Hij brengt
hen uit de duisternis tot het licht. Maar de vrienden der ongelovigen zijn de
duivelen, zij brengen hen uit het licht in de duisternis; dezen zijn de bewoners
van het vuur, daarin zullen zij wonen.
258. Hebt gij niet vernomen van hem, die met Abraham over
zijn Heer redetwistte, omdat Allah hem het koninkrijk had gegeven? Toen Abraham
zeide: "Mijn Heer is Hij, die het leven geeft en doet sterven", zeide hij: "Ik
geef leven en doe sterven." Abraham zeide: "Nu, Allah doet de zon van het Oosten
opgaan, doet gij haar van het Westen opgaan." Daarop verstomde de ongelovige in
verbazing. En Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.
259. Of, gelijk degene, die langs een stad komende, welke
was ingestort, uitriep: "Hoe zal Allah haar doen herleven na haar vernietiging?"
Toen deed Allah hem sterven voor honderd jaren; daarna wekte Hij hem op en
zeide: "Hoelang zijt gij hier reeds?" Hij antwoordde: "Ik ben een dag, of een
gedeelte van een dag gebleven." Hij zeide: "Neen, gij zijt honderd jaren
gebleven. Kijk nu naar uw voedsel en uw drank; zij zijn niet bedorven. En kijk
naar uw ezel; (dit is) opdat Wij u tot een teken voor de mensen maken. En kijk
naar de beenderen, hoe Wij ze in elkaar zetten en ze daarna met vlees bekleden."
En toen hem dit duidelijk werd zeide hij: "Ik weet, dat Allah macht heeft over
alle dingen."
260. En toen Abraham zeide: "Mijn Heer, toon mij, hoe Gij
de doden tot leven opwekt." Hij zeide: "Gelooft gij dan niet?" Hij zeide: "Ja,
maar opdat mijn hart rustig zij." Hij antwoordde: "Neem vier vogels en maak ze
aan u gehecht. Zet dan ieder hunner op een heuvel; roep hen dan; ze zullen
haastig tot u komen. En weet, dat Allah Almachtig, Alwijs is.
261. De gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen voor de
zaak van Allah besteden, is als de gelijkenis van een graankorrel, die zeven
aren voortbrengt, in elke aar honderd korrels. Allah vermeerdert voor wie Hij
wil; Allah is Alomvattend, Alwetend.
262. Zij, die hun rijkdommen ter wille van Allah besteden,
en het besteden niet doen volgen door (anderen) te verwijten of te krenken, voor
hen is er beloning bij hun Heer en zij zullen geen vrees hebben, noch zullen zij
treuren.
263. Een vriendelijk woord en vergiffenis schenken is
beter, dan liefdadigheid, gevolgd door krenking. En Allah is Zichzelf genoeg,
Verdraagzaam.
264. O, gij die gelooft, maakt uw aalmoezen niet
waardeloos door verwijt of krenking, zoals hij, die zijn rijkdommen weggeeft, om
op te vallen bij de mensen en hij gelooft niet in Allah en de laatste dag. Hij
is als een gladde rots, die met aarde is bedekt, waarop een stortregen valt,
welke haar kaal achterlaat. Zij hebben geen macht over wat zij verdienen. En
Allah leidt het ongelovige volk niet.
265. En de gelijkenis van degenen, die hun rijkdommen
weggeven, Allah's welbehagen zoekende en hun ziel versterkende, is als een tuin
op hooggelegen grond, die bij regen tweevoudig vruchten voortbrengt. En als er
geen regen op valt, dan is dauw voldoende. Allah ziet, wat gij doet.
266. Zou iemand uwer wensen dat er voor hem een tuin was
met palmbomen en wijnstokken waardoor beken vloeien en waarin voor hem allerlei
vruchten groeien, terwijl hij oud is en een zwak nakomelingschap heeft, en dat
hem (de tuin) een vurige wervelwind treft en hem verschroeit? Zo zet Allah u
Zijn woorden uiteen, op dat gij tot nadenken zult komen.
267. O, gij die gelooft, geeft van de goede dingen weg,
die gij hebt verdiend en van hetgeen Wij voor u uit de aarde voortbrengen en
zoekt niet hetgeen slecht is, om er van weg te geven, wanneer gij het zelf niet
zoudt nemen, tenzij oogluikend; en weet, dat Allah Zichzelf-genoeg, Geprezen is.
268. Satan dreigt u met armoede en gelast u hetgeen slecht
is, terwijl Allah uit Zichzelf u vergiffenis en overvloed belooft; en Allah is
Overvloedig-gevend, Alwetend.
269. Hij schenkt wijsheid aan wie Hij wil en wie wijsheid
is geschonken is inderdaad overvloedig begiftigd en niemand trekt er lering uit,
behalve zij, die begrip hebben.
270. En alles wat gij geeft en elke gelofte, die gij
aflegt, voorzeker Allah weet het; er is geen hulp voor de onrechtvaardigen.
271. Als gij openlijk aalmoezen geeft is het goed, maar
als gij dit in stilte doet en aan de armen geeft is het beter voor u en Hij zal
de fouten van u wegnemen. En Allah weet, wat gij doet.
272. Hen te leiden is niet uw plicht, maar Allah leidt wie
Hij wil. En welke rijkdommen gij ook weggeeft, het komt u ten goede en gij geeft
alleen om Allah's welbehagen te zoeken. En welke rijkdommen gij ook besteedt,
het zal u ten volle worden terugbetaald en u zal geen onrecht worden aangedaan.
273. (Aalmoezen zijn) voor de armen, die gebonden zijn
(door hun dienst) aan Allah, en in het land niet kunnen rondtrekken. De
onwetende beschouwt hen als rijken wegens hun hescheidenheid. Gij zult hen aan
hun tekenen herkennen, daar zij niet op een opdringerige wijze bij de mensen
vragen. En welke rijkdommen gij ook besteedt, voorzeker, Allah weet het goed.
274. Zij, die hun rijkdommen nacht en dag, heimelijk of
openlijk weggeven, ontvangen hun beloning van hun Heer; zij zullen niet vrezen,
noch zullen zij treuren.
275. Degenen, die woekerwinst maken, verrijzen zoals
iemand, die door Satan met krankzinnigheid is geslagen. Dat komt, omdat zij
zeggen: "Handel is gelijk aan rente", terwijl Allah de heeft wettig en de rente
onwettig heeft verklaard. Die daarom een vermaning van zijn Heer krijgt en er
mee ophoudt, hem zal toebehoren, hetgeen hij vroeger heeft ontvangen en zijn
zaak is bij Allah. En zij, die terugvallen, zij zijn de mensen van het Vuur,
daarin zullen zij vertoeven.
276. Allah schaft de rente af en doet de weldadigheid
toenemen. En Allah heeft niet lief alle ondankbaren en zondaren.
277. Voorzeker, zij die geloven en goede daden doen en het
gebed houden en de Zakaat betalen, hun beloning is bij hun Heer en voor hen is
geen vrees, noch zullen zij treuren.
278. O, gij die gelooft, vreest Allah en doet afstand van
de rest van de rente, als gij gelovigen zijt.
279. Maar indien gij dit niet doet, bereidt u dan ten
oorlog met Allah en Zijn boodschapper; indien gij berouw hebt is voor u het
oorspronkelijke kapitaal: zo zult gij geen onrecht doen, noch zal u onrecht
worden aangedaan.
280. En indien iemand in verlegenheid is, laat er dan
uitstel zijn tot het hem past. En wanneer gij kwijtscheldt is het beter voor u;
wist gij het slechts.
281. En vreest de dag, waarop gij tot Allah zult worden
teruggebracht; dan zal aan elke ziel ten volle worden betaald hetgeen zij heeft
verdiend; en onrecht zal hen niet worden aangedaan.
282. O, gij die gelooft, wanneer gij van elkander leent
voor een vastgestelde periode, schrijft het dan op. Laat een schrijver het naar
waarheid in uw bijzijn optekenen en geen schrijver moet weigeren, te schrijven,
zoals Allah hem heeft onderwezen; laat hem daarom schrijven en laat de
schuldenaar dicteren en hij moet Allah, zijn Heer vrezen en niets daaraan
afdoen. Maar, indien de schuldenaar weinig verstand heeft, of zwak is, of zelf
niet kan dicteren, laat dan zijn zaakwaarnemer eerlijk dicteren. En roept van
onder uw mannen twee getuigen en als er geen twee mannen zijn, dan één man en
twee vrouwen van degenen, die u als getuigen aanstaan, zodat, wanneer één der
twee vrouwen zich zou vergissen, de ene de andere indachtig moge maken. En de
getuigen mogen niet weigeren, wanneer zij worden gedaagd. En wordt het schrijven
niet moe, of het weinig of veel zij, betreffende de vervaltijd. Dit is in
Allah's ogen eerder rechtvaardig, het maakt het getuigenis zekerder en weerhoudt
u van twijfel. Maar wanneer het contante handel is, die gij onderling drijft,
zal het geen blaam voor u zijn, als gij het niet neerschrijft. En hebt getuigen,
wanneer gij aan elkander verkoopt en de schrijver en de getuigen mag geen leed
worden aangedaan. En indien gij zulks doet, zal het zeker overtreding van u
zijn. Vreest Allah. Allah schenkt u kennis en Allah weet alle dingen goed.
283. En indien gij op reis zijt en geen schrijver vindt,
laat er dan een onderpand voor worden gegeven. En indien één uwer de ander iets
toevertrouwt, laat dan degene aan wie het toevertrouwd is, het toevertrouwde
teruggeven en laat hem Allah zijn Heer vrezen. Verbergt geen getuigenis; en wie
dat wel doet diens hart is zeker zondig en Allah weet goed, wat gij doet.
284. Aan Allah behoort wat in de hemelen en wat op de
aarde is; en indien gij openbaart hetgeen in uw innerlijk is of het verborgen
houdt, Allah zal u er rekenschap voor vragen; dan zal Hij vergeven wie Hij wil
en straffen, wie Hij wil. Allah heeft macht over alle dingen.
285. Deze boodschapper gelooft in hetgeen hem van zijn
Heer is geopenbaard en ook de gelovigen, allen geloven in Allah, Zijn engelen,
Zijn boeken en Zijn boodschappers, zeggende: "Wij maken geen verschil tussen
Zijn boodschappers"; en zij zeggen: "Wij hebben gehoord en gehoorzaamd, Heer,
wij vragen U vergiffenis en tot U is (onze) terugkeer."
286. Allah belast geen ziel boven haar vermogen. Voor haar
is wat zij verdient en tegen haar is ook wat zij verdient. "Onze Heer, straf ons
niet als wij vergeten of een fout hebben begaan, Heer, en belast ons niet, zoals
Gij degenen, die vóór ons waren hebt belast; onze Heer belast ons niet met
datgene, waarvoor wij de kracht niet hebben (het te dragen), wis onze fouten uit
en schenk ons vergiffenis en wees ons barmhartig; Gij zijt onze Meester, help
ons daarom tegen het ongelovige volk."
------------------------------------------------------------------------
3. Het Huis van Imraan (Al-Imraan)
------------------------------------------------------------------------
Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 200
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Alif Laam Miem.
2. Allah! Er is geen God, dan Hij, de Levende, de
Zelfbestaande.
3. Hij heeft u het Boek met de waarheid nedergezonden,
vervullende, hetgeen er aan voorafgaat en Hij zond voordien de Torah en het
Evangelie als leiding voor het volk en Hij heeft het Verschil geopenbaard.
4. Voorzeker, zij, die de tekenen van Allah verwerpen,
zullen een strenge straf ontvangen; Allah is machtig, de Heer der Vergelding.
5. Voorzeker, er is niets op aarde of in de hemelen voor
Allah verborgern.
6. Hij is het, Die u in de baarmoeder vormt zoals Hij wil;
er is geen God dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.
7. Hij is het, Die u het Boek heeft nedergezonden; er zijn
verzen in, die onoverdrachtelijk zijn, zij vormen de grondslag van het Boek, en
er zijn andere (verzen), die zinnebeeldig zijn. Maar degenen in wier hart
dwaling is, volgen die, welke zinnebeeldig (bedoeld) zijn en zoeken tweedracht
en de verkeerde uitleg. En niemand kent de juiste uitleg dan Allah en degenen,
die vast gegrondvest zijn in kennis, die zeggen: "Wij geloven er in; het geheel
is van onze Heer"; en niemand trekt er lering uit, dan zij, die begrip hebben.
8. "Onze Heer, laat ons hart niet afdwalen nadat Gij ons
hebt geleid en schenk ons Uw barmhartigheid; waarlijk, Gij zijt de Milddadige.
9. Onze Heer, Gij zijt het, Die de mensen zal verzamelen
op de Dag, waaraan geen twijfel is; voorzeker, Allah breekt de belofte niet."
10. Voorzeker zullen de bezittingen en kinderen der
ongelovigen hun tegen Allah in het geheel niet baten: dezen zullen brandstof
voor het Vuur zijn,
11. Op de wijze van Pharao's volk en degenen, die vóór hen
waren. Zij verloochenden Onze tekenen, dus strafte Allah hen voor hun zonden;
Allah is streng in het straffen.
12. Zeg tot de ongelovigen: "Gij zult worden
terneergeslagen en in de hel worden verzameld, dit is een kwade rustplaats.
13. Voorzeker was er voor u een teken in de twee legers
die elkander ontmoetten, het ene leger vechtend voor de zaak van Allah en het
andere ongelovig, dezen zagen de anderen voor hun eigen ogen dubbel zo talrijk
als zijzelf. En Allah versterkt met Zijn hulp, wie Hij wil. Daarin is zeker een
les voor hen, die ogen hebben.
14. Voor de mensen is de liefde tot begeerten
schoonschijnend gemaakt, vrouwen, kinderen, stapels goud en zilver, raspaarden,
vee en akkers. Dat is de voorziening van het leven dezer wereld, maar Allah is
het, bij Wie het juiste einddoel ligt.
15. Zeg: "Zal ik u over iets beters inlichten dan over dit
alles?" Voor degenen, die God vrezen, zijn er tuinen bij hun Heer, waar doorheen
rivieren stromen; daar zullen zij vertoeven en voor hen zijn reine metgezellen,
alsmede Allah's welbehagen. En Allah ziet Zijn dienaren.
16. Hen die zeggen: "Onze Heer, voorzeker hebben wij
geloofd, vergeef ons daarom onze zonden en red ons van de straf van het Vuur."
17. En de geduldigen, de waarachtigen, de gehoorzamen en
zij die wel doen en zij die vergiffenis vragen in de morgenstond.
18. Allah getuigt, dat er geen God is dan Hij en de
engelen en degenen, die kennis bezitten, getuigen dit eveneens, handhavende de
rechtvaardigheid: er is geen God dan Hij, de Almachtige, de Alwijze.
19. Gewis, de ware godsdienst voor Allah is de Islam. En
degenen, aan wie het Boek was gegeven, verschilden eerst onderling uit afgunst,
nadat kennis tot hen was gekomen. En wie de tekenen van Allah verwerpt, (wete)
dat Allah vlug is in het verrekenen.
20. En zeg wanneer zij met u redetwisten: "Ik, en degenen
die mij volgen hebben zich aan Allah onderworpen." En zeg tot degenen aan wie
het Boek is gegeven en tot de onwetenden: "Hebt gij u onderworpen?" Als zij zich
onderwerpen, dan zijn zij op de rechte weg, maar indien zij zich afwenden, dan
is uw plicht slechts de duidelijke verkondiging ervan; en Allah ziet zijn
dienaren.
21. Voorzeker, degenen, die de tekenen van Allah verwerpen
en de profeten ten onrechte doden en ook trachten de mensen te doden welke tot
rechtvaardigheid aanmanen, verkondig hun een pijnlijke straf.
22. Dezen zijn het wier daden in deze wereld en voor het
Hiernamaals verloren zijn gegaan; er zal geen hulp zijn voor hen.
23. Kent gij niet degenen, aan wie een gedeelte van het
Boek werd gegeven? Zij worden tot het Boek van Allah geroepen, opdat het onder
hen rechter zij; dan wendt zich een gedeelte hunner af terwijl zij afkerig zijn.
24. Dat komt, doordat zij zeggen: "Het Vuur zal ons
slechts voor een luttel aantal dagen deren." En wat zij plachten te verzinnen,
heeft hen in hun godsdienst bedrogen.
25. Hoe zal het dan zijn, wanneer Wij hen verzamelen op de
Dag, waarover geen twijfel bestaat en waarop elke ziel voor hetgeen zij verdient
ten volle zal worden betaald en hun geen onrecht zal worden aangedaan.
26. Zeg: "O, Allah, Heer van het Koninkrijk, Gij geeft
heerschappij aan wie Gij wilt en neemt terug van wie Gij wilt. Gij verheft, wie
Gij wilt en vernedert, wie Gij wilt. Slechts in Uw hand is het goede. En Gij
hebt macht over alle dingen.
27. Gij doet de nacht in de dag overgaan en de dag in de
nacht. En Gij brengt het levende uit het dode voort en Gij brengt het dode uit
het levende voort. En Gij geeft onbeperkt aan wie Gij wilt."
28. Laat de gelovigen geen ongelovigen als vrienden
verkiezen boven de gelovigen - en wie dat doet heeft geen deel aan Allah, tenzij
gij u zorgvuldig voor hen hoedt. En Allah waarschuwt u voor Hemzelf en tot Allah
zullen allen wederkeren.
29. Zeg: "Of gij dat wat in uw hart is verbergt of
onthult, Allah weet het en Hij weet wat in de hemelen en op aarde is. Allah
heeft de macht over alle dingen.
30. (Gedenkt) de Dag, waarop iedere ziel zich geplaatst
zal vinden tegenover het goede dat zij heeft verricht en het kwade dat zij heeft
gedaan, dan zal zij wensen dat er een grote afstand ware tussen haar en het
kwade. En Allah waarschuwt u voor Hemzelf. En Allah is liefderijk jegens Zijn
dienaren.
31. Zeg: "Indien gij Allah liefhebt, volgt mij, Allah zal
u liefhebben en uw zonden vergeven. Allah is Vergevensgezind, Genadig."
32. Zeg: "Gehoorzaamt Allah en de boodschapper", maar als
zij zich afwenden, dan heeft Allah de ongelovigen niet lief.
33. Allah verkoos Adam en Noach en de nakomelingen van
Abraham en de nakomelingen van Imraan boven de volkeren.
34. Afstammelingen, de een van de ander. En Allah is
Alhorend, Alwetend.
35. Toen de vrouw van Imraan zeide: "Ik draag aan U op wat
in mijn baarmoeder is, dat het vrij zal zijn (om U te dienen), aanvaard het van
mij, Gij zijt gewis Alhorend, Alwetend."
36. Maar, toen zij er van verlost was, zeide zij: "Mijn
Heer, ik ben verlost van een meisje." - Allah wist het beste wat zij
voortbracht. "En de man is niet gelijk aan de vrouw. En ik heb haar Maria
genoemd en ik stel haar en haar nageslacht onder Uw bescherming tegen Satan, de
verworpene."
37. Daarom nam haar Heer haar (Maria) met welbehagen aan
en deed haar goed opgroeien en vertrouwde haar aan Zacharia toe. Telkens,
wanneer Zacharia bij haar in de kamer ging, vond hij voedsel bij haar. Hij
zeide: "O, Maria, waar hebt gij dit vandaan?" Zij antwoordde: "Het komt van
Allah." Voorzeker, Allah geeft volop aan wie Hij wil.
38. Toen bad Zacharia tot zijn Heer: "Mijn Heer geef mij
een rein nageslacht; voorzeker, Gij verhoort het gebed."
39. En de engelen riepen tot hem, terwijl hij in de kamer
stond te bidden: "Allah geeft u de blijde tijding over Johannes, die Allah's
woord zal vervullen - en hij zal edel, kuis en een profeet onder de
rechtvaardigen zijn.
40. Hij zeide: "Heer, hoe zal er een zoon voor mij zijn,
waar ouderdom al over mij gekomen en mijn vrouw onvruchtbaar is?" Hij
antwoordde: "Zo doet Allah, wat Hij wil."
41. Hij zeide: "Heer, geef mij een teken." Hij antwoordde:
"Uw teken zal zijn, dat gij drie dagen slechts door gebaar tot de mensen zult
spreken. Gedenk uw Heer vaak en verheerlijk Hem 's avonds en 's morgens."
42. Toen zeiden de engelen: "O, Maria, Allah heeft u
uitverkoren en u gereinigd en u boven de vrouwen aller vollkeren uitverkoren."
43. "O, Maria, wees uw Heer gehoorzaam en werp u neder en
aanbid met degenen, die aanbidden."
44. Dit is een van de tijdingen van het ongeziene, die wij
u openbaren. En gij waart niet bij hen toen zij lootten (om te zien), wie hunner
de voogd van Maria zou zijn, noch waart gij bij hen, toen zij met elkander
redetwistten.
45. Toen de engelen zeiden: "O, Maria, waarlijk, Allah
geeft u blijde tijding door Zijn woord: Zijn naam zal zijn: de Messias, Jezus,
zoon van Maria, geëerd in deze wereld en in de volgende en hij zal tot hen
behoren die in Gods nabijheid zijn.
46. En hij zal tot het volk spreken in de wieg en op
middelbare leeftijd en hij zal één der rechtvaardigen zijn."
47. Zij zeide: "Heer, hoe zal ik een zoon hebben, daar
geen man mij heeft benaderd?" Hij zeide: "Zo schept Allah, wat Hij wil. Wanneer
Hij iets beslist, zegt Hij daartoe slechts: "Wees" en het wordt.
48. "En Hij zal hem het Boek (de goddelijke Wet) en de
Wijsheid en de Torah en het Evangelie onderwijzen."
49. En hij zal een boodschapper voor de kinderen Israëls
zijn. "Ik kom tot u met een teken van uw Heer; ik zal u uit klei de vorm van een
vogel maken, dan adem ik daarin en hij zal een vogel worden, door Allah's gebod.
En ik genees de blinden en de melaatsen en doe de doden herleven en ik deel u
mede, wat gij zult eten en wat gij in uw huizen zult opslaan. Voorzeker, daarin
is voor u een teken, indien gij gelovigen zijt."
50. Ik kom tot u met een teken van uw Heer bevestigende
wat vóór mij was, namelijk, de Torah en om u iets, van wat u was verboden toe te
staan; vreest daarom Allah en gehoorzaamt mij.
51. Voorzeker, Allah is mijn Heer en uw Heer; aanbidt Hem
daarom, dit is het rechte pad."
52. Toen Jezus hun (der Israëlieten) ongeloof bemerkte,
zeide hij: "Wie zullen mijn helpers zijn terwille van Allah?" De discipelen
antwoordden: "Wij zijn de helpers van Allah. Wij geloven in Allah. En getuigt
gij dat wij Moslims zijn."
53. "Onze Heer, wij geloven in hetgeen Gij hebt
geopenbaard en volgen deze boodschapper. Schrijf ons onder hen die getuigen."
54. En zij maakten plannen (tegen Jezus). Allah maakte ook
plannen (tegen hen), maar Allah voorziet het beste.
55. Toen Allah zeide: "O, Jezus, ik zal u doen sterven en
u tot Mij; opheffen en u zuiveren van de ongelovigen en zal uw volgelingen tot
de laatste dag over hen doen zegevieren die u niet geloven; dan zal uw terugkeer
tot Mij zijn en Ik zal onder u rechtspreken over datgeen waarin gij verschildet.
56. Doch de ongelovigen zal Ik in deze wereld en in de
volgende streng straffen en zij zullen geen helpers hebben."
57. De gelovigen die goede werken verrichten zal Ik volle
beloning toekennen. Maar Allah heeft de onrechtvaardigen niet lief.
58. Dat is hetgeen Wij u van de tekenen en de wijze
vermaning meedelen.
59. Voorzeker, het geval van Jezus is bij Allah hetzelfde
als dat van Adam. Hij (Allah) schiep hem uit stof en zeide: "Wees" en hij werd.
60. De waarheid is van uw Heer, behoort daarom niet tot
degenen, die twijfelen.
61. Zou men nu met u over hem (Jezus) redetwisten, nadat
de kennis tot u gekomen is, zeg dan: "Kom, laat ons onze kinderen en uw kinderen
en onze vrouwen en uw vrouwen en ons volk en uw volk roepen; laat ons daarna
vurig bidden en de vloek van Allah roepen over degenen, die liegen."
62. Dit is voorzeker de ware uitleg, en er is geen God dan
Allah en waarlijk, Hij is de Almachtige, de Alwijze.
63. Doch indien zij zich afwenden, Allah kent de
onheilstichters toch goed.
64. Zeg: "O, mensen van het Boek, komt tot één woord,
waarin wij met elkander overeenstemmen: dat wij niemand dan Allah aanbidden en
dat wij niets met Hem vereenzelvigen en dat sommigen onzer geen anderen tot
goden nemen, buiten Allah." Maar, als zij zich afwenden, zegt dan: "Getuigt, dat
wij Moslims zijn."
65. O, mensen van het Boek, waarom redetwist gij over
Abraham, wanneer de Torah en het Evangelie eerst na hem werden geopenbaard? Wilt
gij dan niet begrijpen?
66. Ziet, gij twist over hetgeen, waarvan gij kennis hebt.
Waarom twist gij dan (eveneens) over hetgeen, waarvan gij geen kennis hebt?
Allah weet en gij weet niet.
67. Abraham was noch een Jood, noch een Christen, maar hij
was een oprecht Moslim. En hij behoorde niet tot de afgodendienaren.
68. Voorzeker, zij die Abraham het dichtst nabijkomen,
zijn degenen, die hem volgen; en deze profeet en de gelovigen; en Allah is de
Vriend der gelovigen.
69. Een deel der mensen van het Boek zou u gaarne willen
doen dwalen, maar zij doen niemand dwalen dan zichzelf; en zij beseffen het
niet.
70. O, mensen van het Boek, waarom verwerpt gij de tekenen
van Allah terwijl gij er getuige van zijt?
71. O, mensen van het Boek, waarom verwart gij de waarheid
met de leugen en verbergt de waarheid tegen beter weten in?
72. En een gedeelte der mensen van het Boek zegt: "Gelooft
in hetgeen de gelovigen (Moslirns) is geopenbaard, in de vroege ochtendstond en
verwerpt het aan het einde van de dag; misschien keren zij wel terug."
73. "En gelooft niet, behalve in hem, die uw godsdienst
belijdt. - Zeg: "Voorzeker, de ware leiding is Allah's leiding - dat iemand zal
worden gegeven, als aan u werd gegeven, anders zullen zij met u redetwisten bij
uw Heer." Zeg: "Genade is in Allah's hand. Hij schenkt deze aan wie Hij wil". En
Allah is Milddadig, Alwetend.
74. Hij geeft Zijn genade aan wie Hij wil. Allah is de
Heer van grote genade.
75. Onder de mensen van het Boek is hij, die, als gij hem
een schat toevertrouwt, u deze zal teruggeven, en er zijn er onder, die, als gij
hun een dinar toevertrouwt, deze niet aan u zullen teruggeven, tenzij gij er
voortdurend om vraagt. Dat komt, omdat zij (de Joden) zeggen: "Wij zijn niet
aansprakelijk voor de zaak van de ongeletterden." Daarmede uiten zij tegen beter
weten in een leugen tegen Allah.
76. Neen, maar wie zijn belofte vervult en vreest -
voorwaar, Allah heeft de godvrezenden lief.
77. Die een geringe prijs (het wereldse) in ruil nemen
voor hun verbond met Allah en voor hun eed, voor dezen is er geen voordeel in
het Hiernamaals en Allah zal niet tot hen spreken, noch hen aanzien op de Dag
des Oordeels, noch zal Hij hen als rein beschouwen en er zal een smartelijke
straf voor hen zijn.
78. En voorzeker, onder hen zijn er, die hun tong
verdraaien, terwijl zij het Boek voordragen, opdat gij het van het Boek moogt
achten, hoewel het niet van het Boek is. En zij zeggen: "Dit is van Allah,"
ofschoon het niet van Allah is en zij uiten een leugen tegen Allah, tegen beter
weten in.
79. Het betaamt een mens niet, als Allah hem het Boek en
de macht en het profeetschap geeft, dat hij dan tot de mensen zou zeggen: "Weest
mijn dienaren buiten Allah''; maar (veeleer): "Weest aanbidders van de Heer,
daar gij het Boek onderwijst en zelf bestudeert."
80. Noch zal hij u gebieden de engelen en de profeten als
goden te aanvaarden. Zou hij u ongeloof bevelen, nadat gij Moslims werd?
81. En toen Allah met de profeten een verbond sloot, zeide
Hij: "Voorwaar, Ik heb u het Boek en de Wijsheid geschonken en daarna zal een
boodschapper tot u komen, vervullend hetgeen bij u is, in hem zult gij geloven
en hem zult gij helpen." En Hij zeide: "Hebt gij bekrachtigd en daarmede Mijn
verbond aanvaard?" Zij antwoordden: "Wij bekrachtigen het." Hij zeide: "Getuigt
dan en Ik ben met u onder de getuigen."
82. Maar die zich hierna terugtrekken, (zij) zijn
voorzeker de overtreders.
83. Zoeken zij een godsdienst anders, dan die van Allah,
terwijl al hetgeen in de hemelen en op aarde is zich willens of onwillens aan
Hem moet onderwerpen? En tot Hem zullen zij worden teruggebracht.
84. Zeg: "Wij geloven in Allah en in hetgeen ons werd
geopenbaard en hetgeen werd geopenbaard aan Abraham, Ismaël, Izaäk, Jacob, en de
stammen en hetgeen aan Mozes en Jezus en de profeten door hun Heer werd gegeven.
Wij maken geen onderscheid tussen wie dan ook van hen. Aan Hem alleen
onderwerpen wij ons.
85. En wie een andere godsdienst zoekt dan de Islam, het
zal van hem niet worden aanvaard en hij zal in het Hiernamaals onder de
verliezers zijn.
86. Hoe zal Allah een volk leiden, dat heeft verworpen, na
te hebben geloofd, en de getuigenis te hebben afgelegd dat de boodschapper
waarachtig was en nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren gekomen? Allah
leidt het onrechtvaardige volk niet.
87. De vergelding van dezulken is slechts, dat de vloek
van Allah, de engelen en de mensen, op hen rust.
88. Zij zullen daaronder blijven. Hun straf zal niet
worden verlicht, noch zal hun uitstel worden verleend.
89. Behalve degenen die daarna berouw hebben en zich
verbeteren. Allah is voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
90. Voorzeker, degenen die terugvallen na te hebben
geloofd en dan in ongeloof toenemen: hun berouw zal niet worden aanvaard, dezen
zijn de dwalenden.
91. Degenen die ongelovig zijn en als ongelovigen sterven,
van geen hunner zal een aarde vol goud worden aanvaard als hij zich daarmede zou
willen vrijkopen. Dezen zijn het wie een smartelijke straf wacht en er zullen
voor hen geen helpers zijn.
92. Gij zult stellig geen goedheid bereiken, tenzij gij
mededeelt van hetgeen u lief is en wat gij ook besteedt. Allah weet dit
eveneens.
93. Alle voedsel was de kinderen Israëls geoorloofd,
uitgezonderd hetgeen Israël zichzelf verbood voordat de Torah was nedergezonden.
Zeg: "Komt met de Torah en leest haar als gij waarachtig zijt."
94. Degenen die hierna een leugen verzinnen tegen Allah,
zijn de onrechtvaardigen.
95. Zeg: "Allah heeft de waarheid gesproken; volgt daarom
de godsdienst van Abraham, de oprechte, hij behoorde niet tot de
afgodendienaren.
96. Voorzeker, het eerste huis dat voor de mensheid
bestemd werd, is dat te Bekka (Mekka) vol van zegeningen en als richtsnoer voor
alle werelden.
97. Daarin zijn duidelijke tekenen: het is de plaats van
Abraham en wie het binnengaat is in vrede. En de bedevaart naar het Huis is door
Allah aan de mensen opgelegd die er een weg naartoe kunnen vinden. En wie niet
gelooft, Allah is voorzeker Onafhankelijk van alle werelden.
98. Zeg: "O, mensen van het Boek, waarom verwerpt gij de
tekenen van Allah, terwijl Allah ziet hetgeen gij doet?"
99. Zeg: "O, mensen van het Boek waarom houdt gij de
mensen af van het (rechte) pad van Allah en wenst gij het krom te maken, terwijl
gij er getuige van zijt? Allah is niet onachtzaam over hetgeen gij doet.
100. O gij die gelooft, als gij sommigen hunner wie het
Boek is gegeven gehoorzaamt, zullen zij u weer tot ongelovigen maken, nadat gij
hebt geloofd.
101. Hoe kunt gij verwerpen, terwijl u de tekenen van
Allah worden voorgedragen en Zijn boodschapper onder u aan wezig is? En hij, die
zich aan Allah vasthoudt, is inderdaad naar het rechte pad geleid.
102. O gij die gelooft, vreest Allah zoals het behoort en
sterft niet, tenzij gij Moslim zijt.
103. En houdt u allen tezamen vast aan het koord van Allah
en weest niet verdeeld en gedenkt de gunst van Allah, die Hij u bewees toen gij
vijanden waart en Hij uw harten verenigde, zo werdt gij door Zijn gunst broeders
en gij waart aan de rand van een vuurput en Hij redde u er van. Zo legt Allah u
Zijn geboden uit opdat gij zult worden geleid.
104. En laat er een groep onder u zijn die tot goedheid
aanspoort en tot rechtvaardigheid maant en het kwade verbiedt; dezen zijn het
die zullen slagen.
105. En weest niet als degenen, die verdeeld waren en van
mening verschilden nadat de duidelijke bewijzen tot hen waren, gekomen. Voor hen
zal er een zware straf zijn.
106. Op den dag, waarop sommige gezichten verlicht en
andere gezichten verduisterd zullen zign. Wat hen betreft, wier gezicht
verduisterd zal zijn: "Hebt gij verworpen, nadat gij hadt geloofd? Ondergaat dan
de straf, omdat gij placht te verwerpen".
107. Maar degenen wier gezicht verlicht zal zijn, dezen
zullen Allah's barmhartigheid smaken; daarin zullen zij verblijven.
108. Dit zijn de tekenen van Allah welke wij u naar
waarheid voordragen; Allah wenst de werelden geen kwaad toe.
109. En aan Allah behoort al hetgeen in de hemelen en al
hetgeen op aarde is en tot Allah worden alle dingen teruggebracht.
110. Gij (Moslims) zijt het beste volk dat voor de
mensheid (ter lering) is verwekt; gij gebiedt wat goed is, verbiedt wat kwaad is
en gelooft in Allah. En, indien de mensen van het Boek hadden geloofd, zou het
zeker beter voor hen zijn geweest. Sommigen hunner zijn gelovigen, maar de
meesten hunner zijn overtreders.
111. Zij kunnen u niet schaden, alleen enige moeilijkheid
bezorgen en als zij tegen u vechten zullen zij u spoedig hun rug tonen. Dan
zullen zij niet worden geholpen.
112. Waar zij zich ook bevinden, worden zij door
vernedering getroffen, tenzij zij een verbond met Allah of een verbond met
andere volkeren hebben. Zij keerden terug met Allah's toorn en werden door
armoede getroffen. Dat kwam, doordat zij de tekenen van Allah verwierpen en de
profeten onrechtvaardig doodden. Dat kwam, doordat zij ongehoorzaam waren en
(zijn gebod) overtraden.
113. Zij zijn niet allen gelijk. Onder de mensen van het
Boek is een oprechte groep, die het Woord van Allah in de uren van de nacht
opzegt en zich met het gelaat ter aarde werpt.
114. Zij geloven in Allah en de laatste Dag en gebieden
het goede en verbieden het kwade en wedijveren met elkander in goede werken.
Dezen behoren tot de rechtvaardigen.
115. En het goede dat zij doen, zal niet worden ontkend en
Allah kent de Godvrezenden.
116. Voorzeker, degenen die verwerpen hun bezittingen noch
kinderen zullen hun iets kunnen baten tegen Allah en dezen worden de bewoners
van het Vuur. Zij zullen daarin verblijven.
117. De gelijkenis van hetgeen zij voor het tegenwoordige
leven besteden is als de wind, gepaard aan een hevige koude, die de oogst treft
van een volk, dat zichzelf onrecht heeft aangedaan en deze vernietigt. En Allah
had hun geen onrecht aangedaan, maar zij doen zichzelf onrecht aan.
118. O gij die gelooft, neemt buiten uw volk geen ander
tot intieme vrienden; zij zullen niet in gebreke blijven u te benadelen. Zij
houden van leedvermaak. Nijd laten zij blijken en wat hun innerlijk verbergt is
nog erger. Wij hebben u onze geboden duidelijk gemaakt, indien gij ze wilt
begrijpen.
119. Ziet, gij hebt hen lief, maar zij hebben u niet lief.
En gij gelooft in het gehele Boek; wanneer zij u ontmoeten zeggen zij: "Wij
geloven." maar wanneer zij alleen zijn, bijten zij op hun vingertoppen van
razernij over u. Zeg: "Sterft in uw razernij." Waarlijk, Allah weet goed wat in
de harter is.
120. Als u iets goeds overkomt verdriet het hen en als u
iets kwaads overkomt verheugen zij zich er over. Maar, indien gij geduldig
blijft en God vreest, zullen hun plannen u in het geheel niet schaden;
voorzeker, Allah weet hetgeen zij doen.
121. Toen gij in de vroege morgen van uw huisgezin
wegtrokt om de gelovigen hun plaatsen voor het gevecht aan te wijzen, - Allah is
Alhorend, Alwetend. -
122. Toen wilden twee uwer groepen lafheid tonen, hoewel
Allah hun Vriend was. En in Allah behoren de gelovigen te vertrouwen.
123. En Allah had u reeds bij Badr geholpen, terwijl gij
machteloos waart. Vreest daarom Allah, opdat gij dankbaar zult zijn.
124. Toen gij tot de gelovigen zeidet: "Zal het niet
genoeg voor u zijn, dat uw Heer u met drie duizend nedergezonden engelen zal
helpen?
125. Ja, indien gij geduldig en rechtvaardit zijt en zij
(de ongelovigen) u dadelijk in wilde vaart aanvallen, zal uw Heer u met vijf
duizend nedergezonden engelen bijstaan."
126. En Allah heeft het alleen als blijde boodschap voor u
gemaakt om uw hart daardoor gerust te stellen en hulp komt slechts van Allah, de
Almachtige, de Alwijze.
127. Opdat Hij een deel der ongelovigen kon afsnijden en
hen vernederen, zodat zij onverrichter zake zouden teruggaan.
128. Gij hebt met de zaak niets uitstaande: Hij (Allah)
moge Zich in barmhartigheid tot hen wenden of hen straffen, voorzeker zij zijn
de boosdoeners.
129. En aan Allah behoort al hetgeen in de hemelen en al
hetgeen op aarde is. Hij vergeeft wie Hij wil en Hij straft wie Hij wil en Allah
is Vergevensgezind, Genadevol.
130. O gij die gelooft, neemt geen rente, daar (deze)
aanleiding geeft tot eindeloze vermeerdering (van bezit) en vreest Allah, opdat
gij moogt slagen.
131. En vreest het Vuur dat voor de ongelovigen is bereid.
132. En gehoorzaamt Allah en de boodschapper, zodat u
barmhartigheid moge worden betoond.
133. Wedijvert met elkaar in het vragen om vergiffenis van
uw Heer en om het paradijs, welks uitgestrektheid de hemelen en de aarde is,
bereid voor de godvrezenden,
134. Zij, die in voorspoed en in tegenspoed wel doen en
zij, die toorn onderdrukken en mensen vergeven; Allah heeft hen die goed doen,
lief.
135. En zij, die wanneer zij een slechte daad begaan of
zichzelf onrecht aandoen Allah gedenken en om vergiffenis vragen voor hun zonden
- wie kan deze zonden vergeven buiten Allah? - en niet volharden in hun
(slechte) daden tegen beter weten in,
136. Dezen zijn het, wier loon vergiffenis is van hun
Heer; in tuinen waar doorheen rivieren stromen zullen zij vertoeven; hoe goed is
het loon van degenen die werken.
137. Voorzeker, vóór u zijn verschillende volkeren
voorbijgegaan, reist daarom over de aarde en ziet, hoe het einde was van
degenen, die loochenden.
138. Dit is een duidelijke verklaring voor de mensen, een
leiding en vermaning voor de godvrezenden.
139. Verslapt noch treurt; gij zult zeker overwinnaar
worden, als gij gelovig blijft.
140. Als gij (Moslims) letsel krijgt (in de strijd); dat
volk (de tegenstander) is reeds een dergelijk letsel overkomen. Zulke dagen
laten Wij onder de mensen wisselen, opdat Allah degenen, die geloven
onderscheide en uit uw midden getuigen (martelaren) neme en Allah heeft de
onrechtvaardigen niet lief.
141. Opdat Allah de gelovigen moge louteren en de
ongelovigen vernietigen.
142. Denkt gij, dat gij het paradijs moogt binnengaan,
terwijl Allah degenen uwer die strijden en standvastig zijn nog niet heeft
onderscheiden?
143. En gij placht deze dood te wensen voordat gij hem
ontmoettet, nu hebt gij hem gezien en gij staart er naar.
144. En Mohammed is slechts een boodschapper. Waarlijk,
alle boodschappers vóór hem zijn heengegaan. Zult gij u dan op de hielen omkeren
als hij sterft of gedood wordt? Hij, die zich omkeert zal aan Allah in het
geheel geen schade berokkenen. En Allah zal de dankbaren gewis belonen.
145. Geen ziel kan sterven zonder Allah's toestemming,
daar de tijd is vastgesteld. En wie de beloning van de tegenwoordige wereld
wenst, zullen Wij er van geven; en wie de beloning van het Hiernamaals wenst,
hem zullen Wij daar van geven en Wij zullen de dankbaren gewis belonen.
146. Er zijn vele profeten geweest aan wier zijden
talrijke aanbidders van de Heer streden. Zij verslapten door niets wat hen op de
weg van Allah overkwam, noch verzwakten zij, noch vernederden zij zich. En Allah
heeft de geduldigen lief.
147. En hun woord was slechts: "Onze Heer, vergeef ons
onze zonden en de buitensporigheden in ons gedrag en maak ons standvastig en
help ons tegen het ongelovige volk."
148. Daarom gaf Allah hun de beloning van deze wereld,
alsmede een goede beloning in de volgende en Allah heeft degenen die goeddoen,
lief.
149. O gij die gelooft, als gij de ongelovigen
gehoorzaamt, zullen zij u doen omkeren (op het goede pad); dan zult gij als
verliezers terugkomen.
150. Neen, Allah is uw Beschermer en Hij is de Beste der
helpers.
151. Wij zullen de harten der ongelovigen met ontzag
vervullen omdat zij aan Allah deelgenoten toeschrijven waarvoor Hij geen gezag
heeft nedergezonden. Hun verblijfplaats is het Vuur en slecht is de woning der
overtreders.
152. En Allah heeft Zijn belofte aan u gehouden, toen gij
hen met Zijn verlof dooddet totdat gij onstandvastig werdt en het over het gebod
onder elkander oneens werdt en gij niet gehoorzaamdet, nadat Hij u hetgeen u
behaagde had laten zien. Onder u waren er die deze tegenwoordige wereld
begeerden en er waren onder u die het Hiernamaals begeerden. Toen wendde Hij u
van hen af, opdat Hij u mocht beproeven; maar Hij heeft het u vergeven. Allah is
Genadevol jegens de gelovigen.
153. Toen gij wegvluchttet en naar niemand omzaagt,
terwijl de boodschapper u van verre nariep, gaf Hij u smart op smart, opdat gij
niet zoudt treuren over hetgeen was verloren, noch over hetgeen met u gebeurde.
En Allah is goed op de hoogte van hetgeen gij doet.
154. Toen zond Hij na de smart een vredige sluimer over u
neder, die een deel uwer overviel en het andere deel was bezorgd over zichzelf,
terwijl zij ten onrechte, over Allah de gedachte der onwetendheid koesterden.
Zij zeiden: "Hebben wij iets met de zaak uit te staan?" Zeg: "De zaak is geheel
in Allah's handen." Zij verbergen in hun gedachten hetgeen zij niet aan u
onthullen; zij zeggen: "Als de zaak in onze handen was geweest zouden wij hier
niet hebben moeten vechten." Zeg: "Indien gij in uw huizen waart gebleven,
zouden zij wie het strijden was bevolen, zeker naar de plaats waar zij zouden
sterven, zijn gegaan, opdat Allah mocht beproeven wat in uw innerlijk was en
louteren wat in uw hart was. Allah weet, wat in het innerlijk is.
155. Voorzeker, diegenen onder u die op de dag waarop de
twee scharen elkander ontmoetten, omkeerden, werden door Satan wegens hun daden
aan het wankelen gebracht. Maar Allah heeft het hen vergeven. Voorwaar, Allah is
Vergevensgezind, Verdraagzaam.
156. O gij die gelooft, weest niet als de ongelovigen die
over hun broeders, wanneer zij door het land reizen of ten strijde trekken,
zeggen: "Waren zij bij ons gebleven, zij zouden niet zijn gestorven of gedood;
opdat Allah dit tot een oorzaak van wroeging in hun (der ongelovigen) hart moge
maken. Allah geeft leven en veroorzaakt de dood; Allah ziet, wat gij doet.
157. En als gij voor de zaak van Allah wordt gedood of
sterft, zal Allah's vergiffenis en barmhartigheid zeker beter zijn, dan hetgeen
zij bijeengaren.
158. En indien gij sterft of gedood wordt, voorzeker, tot
Allah zult gij worden teruggebracht.
159. Door de barmhartigheid van Allah zijt gij (de
Profeet) zachtmoedig jegens hen (gelovigen); als gij ruw en hardvochtig waart
geweest zouden zij zich zeker uit uw omgeving hebben verwijderd. Vergeef hen
daarom en vraag voor hen vergiffenis en raadpleeg hen in belangrijke zaken en
wanneer gij vastbesloten zijt, leg dan uw vertrouwen in Allah. Voorzeker, Allah
heeft degenen lief die vertrouwen in Hem hebben.
160. Als Allah u helpt, zal niemand u overweldigen, maar
als Hij u verlaat, wie is er dan die u buiten Hem kan helpen? In Allah zullen de
gelovigen hun vertrouwen leggen.
161. En het betaamt een profeet niet oneerlijk te
handelen; wie oneerlijk handelt zal op de Dag der Opstanding zijn oneerlijke
handelingen met zich meebrengen. Dan zal iedere ziel ten volle worden vergolden
naar hetgeen zij verdiende, - toch zal hun geen onrecht worden aangedaan.
162. Is hij die het behagen van Allah zoekt en hij die de
toorn van Allah tot zich trekt en wiens verblijfplaats de hel is, gelijk? Deze
(laatste) is een slechte bestemming.
163. Zij hebben bij Allah graden en Allah ziet wat zij
doen.
164. Voorwaar, Allah heeft de gelovigen een gunst bewezen,
daar Hij een boodschapper uit hun midden opwekte, die hun Zijn tekenen
verkondigt, hen loutert en hun het Boek en de wijsheid onderwijst, hoewel zij
voordien duidelijk dwaalden.
165. Wanneer u rampspoed overkomt - en gij hadt het
dubbele er van aangedaan (aan uw vijanden) - zegt gij: "Vanwaar komt dit?" Zeg:
"Het komt door uzelf." Voorwaar, Allah heeft macht over alle dingen.
166. En hetgeen u op de dag waarop de twee partijen
elkander ontmoetten, is overkomen, geschiedde met Allah's verlof en dit was om
de gelovigen te onderscheiden,
167. En opdat Hij de huichelaars mocht doen onderkennen.
En er werd tot hen gezegd: "Komt en vecht voor Allah's zaak en verdedigt u." Zij
zeiden: "Als wij wisten dat het vechten was, zouden wij u zeker hebben gevolgd."
Zij stonden op die dag dichter bij het ongeloof dan bij het geloof. Zij zeggen
met hun mond wat niet in hun hart is. Doch Allah weet goed wat zij verbergen.
168. Degenen, die omtrent hun broeders zeiden terwijl zij
zelf achterbleven: "Als zij ons hadden gehoorzaamd, zouden zij niet zijn
gedood." Zeg: "Wendt dan de dood van uzelf af, als gij waarheid spreekt."
169. En denkt niet over degenen, die terwille van Allah
zijn gedood, als doden. Neen, zij zijn levend en bij hun Heer worden hun gaven
geschonken.
170. Jubelend, over hetgeen Allah hun van Zijn overvloed
heeft gegeven, zich verblijdend over degenen die achterbleven, en hen nog niet
hebben ingehaald, dat er geen vrees over hen zal komen, noch dat zij zullen
treuren.
171. Zij verheugen zich over Allah's gunst en Zijn
overvloed en dat Allah de beloning der gelovigen niet verloren doet gaan.
172. Degenen, die de roep van Allah en de boodschapper
beantwoordden, nadat zij gewond waren - diegenen hunner, die goeddoen en
rechtvaardig handelen, zullen een grote beloning ontvangen.
173. En toen de mensen tot hen zeiden: "De volkeren hebben
zich tegen u verzameld, vreest hen daarom," vermeerderde dit hun geloof en zij
antwoordden: "Allah is ons genoeg en Hij is een uitstekende Beschermer."
174. Daarom keerden zij met de gunst en genade van Allah
terug, geen kwaad had hen aangeraakt en zij volgden Allah's welbehagen; en Allah
is de Heer van grote overvloed.
175. Satan alleen maakt zijn vrienden bang: vreest dezen
niet maar vreest Mij, als gij gelovigen zijt.
176. En laat degenen, die vlug tot ongeloof vervallen, u
niet verdrieten; voorzeker, zij kunnen Allah niets aandoen. Allah wil hen aan
het toekomstig leven geen deel doen hebben, er zal voor hen een strenge straf
zijn.
177. Waarlijk, degenen die het ongeloof hebben aanvaard in
ruil voor het geloof, kunnen Allah niets aandoen; hen wacht een pijnlijke straf.
178. En laat de ongelovigen niet denken dat het uitstel,
dat Wij hun geven, goed voor hen is; Wij geven hun slechts uitstel, zodat zij in
zonde toenemen; er zal voor hen een vernederende straf zijn.
179. Allah is niet zo dat Hij de gelovigen in de toestand
laat waarin zij verkeren, totdat Hij de kwaden van de goeden scheidt, noch is
Allah zo, dat Hij u het ongeziene bekend maakt. Maar Allah kiest tot Zijn
boodschappers, wie Hij wil. Gelooft daarom in Allah en Zijn boodschappers. Als
gij gelooft en rechtvaardig zijt, zal er een grote beloning voor u zijn.
180. En laat degenen, die gierig zijn, ten opzichte van
wat Allah hun van Zijn overvloed heeft gegeven, niet denken, dat het goed voor
hen is, neen, het is slecht voor hen. Hetgene, waarmee zij gierig zijn zal op de
Dag der Opstanding als een halsband om hun nek worden gelegd. En aan Allah
behoort het erfdeel der hemelen en der aarde en Allah is goed op de hoogte van
hetgeen gij doet.
181. En voorzeker, Allah heeft de uiting gehoord van
degenen, die zeiden: "Allah is arm en wij zijn rijk." Wij zullen hetgeen zij
hebben gezegd en hun pogingen om de profeten onrechtvaardig te doden, optekenen
en Wij zullen zeggen: "Ondergaat de straf van het branden."
182. Dit is hetgeen gij hebt verdiend: Allah is in het
geheel niet onrechtvaardig jegens zijn dienaren.
183. En degenen, die zeggen: "Allah heeft ons opgedragen
in geen boodschapper te geloven, voordat deze ons een offer brengt dat door het
vuur wordt verteerd", zeg hun: "Er zijn reeds vóór mij boodschappers tot u
gekomen met duidelijke tekenen en met hetgeen, waarover gij spreekt. Waarom
trachttet gij hen dan te doden, als gij eerlijk zijt?"
184. En wanneer men u (de profeet) verloochent, (weet dan)
dat er eveneens boodschappers vóór u verloochend werden die met duidelijke
tekenen en geschriften en het stralende Boek kwamen.
185. Elke ziel zal de dood ondergaan. En voorzeker zal u
op de Dag der Opstanding uw beloning ten volle worden uitbetaald. Wie daarom van
het Vuur wordt verwijderd en de Hemel binnengelaten, heeft inderdaad zijn doel
bereikt. Het leven dezer wereld is niets dan een middel tot bedrog.
186. Gij zult zeker worden beproefd in uw bezittingen en
in uzelf en gij zult gewis vele pijnlijke dingen horen van degenen, aan wie het
Boek was gegeven vóór u en van degenen, die afgoderij bedrijven. Maar als gij
geduldig blijft en rechtvaardig handelt, dat is waarlijk een zaak van
vastberadenheid.
187. En toen Allah een verbond sloot met degenen, die het
Boek gegeven was, zeide Hij: "Gij zult dit aan de mensen bekend maken en het
niet verbergen." Maar zij verwaarloosden dat voor luttel gewin. Kwaad was
hetgeen zij in ruil namen.
188. Degenen die juichen over hetgeen zij hebben gedaan en
gaarne worden geroemd voor hetgene zij niet deden, denkt niet, dat zij veilig
zijn voor straf. Er wacht hen een pijnlijke kastijding.
189. En aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en
der aarde en Allah heeft macht over alle dingen.
190. Er zijn voorzeker in de schepping der hemelen en der
aarde en in de wisseling van dag en nacht tekenen voor mensen van begrip.
191. Zij die staande, zittende en op hun zijden liggende
Ailah gedenken, en nadenken over de schepping der hemelen en der aarde,
zeggende: "Onze Heer, Gij hebt dit niet tevergeefs geschapen; neen, heilig zijt
Gij; red ons daarom van de straf van het Vuur.
192. Onze Heer, wie Gij het Vuur doet ingaan, hem hebt Gij
voorzeker vernederd. En de onrechtvaardigen zullen geen helper vinden.
193. Onze Heer, wij hebben een prediker gehoord, die
opriep tot het geloof: 'Gelooft in de Heer' en wij hebben geloofd. Onze Heer,
vergeef ons daarom onze zonden en bedek onze zwakheden en doe ons sterven met de
rechtvaardigen.
194. Onze Heer, schenk ons hetgeen Gij ons door Uw
boodschappers hebt beloofd en verneder ons niet op de Dag der Opstanding.
Voorzeker, Gij breekt de belofte niet."
195. En hun Heer verhoorde hen, zeggende: "Ik zal het werk
van iedere werker onder u, hetzij man of vrouw, niet verloren doen gaan. - Gij
behoort tot elkander. - En Ik zal van hen, die hun land verlieten en van hun
huizen zijn verjaagd en voor Mijn zaak zign vervolgd en die hebben gevochten en
zijn gedood, de fouten zeker bedekken en zal hen tuinen doen binnengaan, waar
doorheen rivieren stromen: een beloning van Allah en bij Allah is de beste
beloning."
196. Laat de bewegingen der ongelovigen in het land u niet
bedriegen.
197. Het is een gering voordeel voor hen; daarna zal de
hel hun tehuis zijn en slecht is deze rustplaats.
198. Maar zij, die hun Heer vrezen, zullen tuinen hebben,
waar doorheen rivieren stromen, daarin zullen zij vertoeven als onthaal van
Allah. En hetgeen bij Allah is, is voor de rechtvaardigen beter.
199. En voorzeker, onder de mensen van het Boek zijn er,
die in Allah en in hetgeen u is geopenbaard en in hetgeen tot hen was
neergedaald, geloven, zich voor Allah verootmoedigend. Zij ruilen de tekenen van
Allah niet in voor een geringe prijs. Dezen zijn het, die hun beloning bij hun
Heer zullen ontvangen. Voorzeker, Allah is vlug in het verrekenen.
200. O, gij die gelooft, blijft geduldig en spoort anderen
aan volhardend te zijn en blijft op uw hoede en vreest Allah, opdat gij zult
slagen.
------------------------------------------------------------------------
4. De Vrouwen (An-Nisa)
------------------------------------------------------------------------
Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 176
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. O, gij mensen, vreest uw Heer, Die u van één enkele
ziel schiep en daaruit haar gezellin schiep en uit hen beiden mannen en vrouwen
verspreidde en vreest Allah in Wiens naam gij een beroep op elkander doet en
(weest plichtsgetrouw) betreffende de familiebanden. Voorwaar, Allah is Bewaker
over u.
2. En geeft de wezen hun eigendom en verruilt het slechte
(van u) niet voor het goede (van hen) noch verbruikt hun eigendom met het uwe.
Voorzeker, dat is een grote zonde.
3. En als gij vreest dat gij niet rechtschapen zult zijn
bij het behandelen der wezen, huwt dan vrouwen die u behagen, twee of drie, of
vier en als gij vreest, dat gij niet rechtvaardig zult handelen, dan één of wat
uw rechter handen bezitten. Dat is voor u de beste weg, om onrechtvaardigheid te
voorkomen.
4. En geeft de vrouwen gewillig haar huwelijksgift. Maar
als zij naar haar eigen behagen u er een gedeelte van kwijtschelden, geniet het
dan met genoegen en heilzaam gevolg.
5. En geeft eigendom, dat Allah als middel van bestaan
heeft gegeven niet aan de dwazen (in eigen beheer), maar voedt hen er mee en
kleedt hen en spreekt vriendelijke woorden tot hen.
6. En ondervraagt de wezen, wanneer zij de huwbare
leeftijd bereikt hebben: als gij in hen rijpheid van verstand vindt stelt hun
dan hun eigendom ter hand; en verteert het niet in buitensporigheid en haast,
omdat zij opgroeien. En laat hij, die rijk is zich onthouden en laat hij die arm
is naar billijkheid er gebruik van maken. En wanneer gij hun eigendommen
overhandigt, neemt er dan getuigen bij. Allah is toereikend om rekenschap te
vragen.
7. Er is voor mannen een aandeel van hetgeen hun ouders en
bloedverwanten nalaten en er is voor vrouwen een aandeel van hetgeen hun ouders
en bloedverwanten nalaten, of het weinig of veel zij: een vastgesteld gedeelte.
8. Wanneer verwanten en wezen en de armen bij de verdeling
(der erfenis) aanwezig zijn, geeft hun er iets van en spreekt vriendelijke
woorden tot hen.
9. En laat hen Allah vrezen, die, indien zij hun eigen
zwakke nageslacht mochten achterlaten, bezorgd zouden zijn. Laat hen Allah
daarom vrezen en laat hen het juiste woord spreken.
10. Voorzeker, zij, die het eigendom van wezen
onrechtvaardig verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een
laaiend Vuur branden.
11. Allah gebiedt u aangaande uw kinderen: voor het
mannelijke kind evenveel als het deel van twee vrouwelijke kinderen, maar als er
alleen meisjes zijn, meer dan twee, dan is er voor haar tweederde van de
nalatenschap en als er slechts één is, voor haar is de helft. En voor elk zijner
ouders is er een zesde deel der erfenis, als hij een kind heeft, maar als hij
geen kind heeft en zijn ouders van hem erven, dan is er voor zijn moeder een
derde deel en als hij broeders en zusters heeft, dan is er voor zijn moeder een
zesde deel na de betaling van enig legaat, dat hij heeft nagelaten of van (niet
vereffende) schuld. Uw ouders en uw kinderen, gij weet niet, wie van hen u het
meest tot heil is. Dit is vastgesteld door Allah. Voorzeker, Allah is Alwetend,
Alwijs.
12. En gij zult de helft hebben van hetgeen uw vrouwen
nalaten, indien zij geen kind hebben, maar indien zij een kind hebben, is er
voor u een vierde van hetgeen zij nalaten na de betaling van enig legaat, dat
zij hebben nagelaten of van schuld. En zij zullen een vierde hebben van hetgeen
gij nalaat, als gij geen kind hebt, maar als gij een kind hebt, zo is er voor
hen een achtste deel van hetgeen gij nalaat, na de betaling van enig legaat of
van onverrekende schuld. En indien er een man of een vrouw is, van wie wordt
geërfd en deze is ouderloos en kinderloos en heeft een broeder of een zuster,
dan is er voor elk hunner een zesde deel. Maar als er meer dan dezen zijn, dan
zijn zij deelgenoten in een derde na de betaling van enig legaat, dat is
nagelaten of van schuld, zonder benadeling. Dit is gebod van Allah en Allah is
Alwetend, Verdraagzaam.
13. Dit zijn de door Allah vastgestelde bepalingen en wie
Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt, Hij zal hem tuinen doen binnengaan, waar
doorheen rivieren stromen, daar zullen zij in verblijven en dat is een grote
zegepraal.
14. En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt en
Zijn grenzen overschrijdt zal Hij het Vuur doen binnengaan; hij zal daarin
verblijven en dit zal voor hem een vernederende straf zijn.
15. En voor degenen uwer vrouwen, die zich aan ontucht
schuldig maken, roept vier uwer als getuigen tegen haar en als zij getuigen,
sluit haar dan in de huizen op, totdat de dood haar achterhaalt, of totdat Allah
haar een weg opent.
16. En als twee temiffen van u zich hieraan schuldig
maken, straft hen beiden. En als zij berouw hebben en zich verbeteren, laat hen
dan met rust, voorzeker, Allah is Berouwaanvaardend, Genadevol.
17. Waarlijk, berouw bestaat bij Allah alleen van degenen,
die in onwetendheid kwaad doen en dan daarna berouw hebben. Dezen zijn het, tot
wie Allah Zich met barmhartigheid wendt; en Allah is Alwetend, Alwijs.
18. Er is geen (aanvaarding van) berouw voor degene, die
kwaad doet, totdat de dood hem in het gezicht staart en hij zegt: 'Ik heb
berouw;' noch voor degenen die als ongelovigen sterven. Dezen zijn het, voor wie
Wij een pijnlijke straf hebben bereid.
19. O, gij die gelooft, het is u niet geoorloofd, vrouwen
te erven tegen haar wil, noch moogt gij haar tegenhouden opdat gij een gedeelte
van wat gij haar hebt gegeven, moogt terugnemen, tenzij zij schuldig zijn aan
een schandelijk kwaad; en blijft met haar vriendelijk omgaan en als gij afkeer
van haar hebt, kan het zijn, dat gij afkeer hebt van iets, waarin Allah veel
goeds kan hebben gelegd.
20. En indien gij een vrouw in plaats van een andere wenst
te nemen en gij hebt één harer een schat gegeven, neemt er niets van terug. Wilt
gij het door laster en een klaarblijkelijk zondige manier nemen?
21. En hoe kunt gij het nemen, wanneer de een uwer tot de
andere is ingegaan en zij een sterk verbond met u hebben gesloten?
22. En huwt niet de vrouwen, die uw vaders huwden, met
uitzondering van wat reeds gebeurd is. Het is een slecht en afschuwelijk iets en
een verkeerde weg.
23. Verboden zijn u uw moeders en uw dochters en uw
zusters en uw vaders zusters en uw moeders zusters en uw broeders dochters en uw
zusters dochters en uw minnen en uw zoogzusters en de moeders uwer vrouwen en uw
stiefdochters, die uw beschermelingen zijn door uw vrouwen tot wie gij zijt
ingegaan, maar als gij niet tot haar zijt ingegaan zal er geen zonde op u rusten
en de vrouwen uwer eigen zonen (zign ook verboden) alsmede twee zusters tezamen
te hebben, met uitzondering van wat reeds voorbij is; gewis, Allah is
Vergevensgezind, Genadevol;
24. En getrouwde vrouwen, met uitzondering van haar, die
gij bezit. Dit is een gebod van Allah voor u. Degenen, die daar buiten vallen,
zijn u toegestaan; dat gij zoekt door middel van wat gij bezit haar behoorlijk
te huwen en geen overspel te plegen. En geeft haar een huwelijksgift, tegenover
de voordelen, die gij van haar hebt, dit is verplicht; er zal na het vaststellen
daarvan geen zonde op u rusten in alles wat gij onderling overeenkomt.
Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.
25. En wie uwer het niet kan bekostigen vrije gelovige
vrouwen te huwen, hij huwe hetgeen gij bezit, namelijk gelovige slavinnen. En
Allah kent uw geloof het beste. Gij zijt van elkander; huwt haar daarom met de
toestemming van haar meesters en geeft haar een huwelijksgift op de
gebruikelijke wijze, kuis zijnde, geen ontucht plegende, noch er heimelijke
minnaars op nahoudende. En indien zij, nadat zij gehuwd zijn zich schuldig maken
aan ontrouw - geldt voor haar de helft van de straf, die voor de vrije vrouwen
is voorgeschreven. Dit is voor degene uwer die vreest te zondigen. Maar het is
beter voor u dat gij u weerhoudt en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
26. Allah wenst u te onderrichten en te leiden naar de
paden van degenen die vóór u waren en u Zijn barmhartigheid te betonen. Allah is
Alwetend, Alwijs.
27. En Allah wenst Zich in barmhartigheid tot u te wenden,
maar zij, die hun lagere begeerte volgen, wensen dat gij ver zult afdwalen.
28. Allah wil uw last verlichten, want de mens is zwak
geschapen.
29. O, gij die gelooft, gebruikt elkanders eigendom niet
met leugen en bedrog maar handelt bij onderlinge overeenkomst. En pleeg geen
zelfmoord. Voorzeker, Allah is u Genadevol.
30. En wie dit ook doet bij wijze van overtreding en
onrechtvaardigieid, hem zullen Wij in het Vuur werpen; en dat is voor Allah
eenvoudig.
31. Als gij de grootste dingen die u verboden zijn
vermijdt, zullen Wij uw zwakheden voor u bedekken en u tot een plaats van grote
eer toelaten.
32. En begeert niet datgene, waarmede Allah sommigen uwer
boven anderen deed uitblinken. Mannen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij
hebben verdiend en vrouwen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij hebben
verdiend. En vraagt om Allah's overvloed. Waarlijk, Allah kent alle dingen.
33. En voor een ieder hebben Wij erfgenamen bepaald ten
aanzien van hetgeen de ouders en de bloedverwanten nalaten; en van degenen met
wie uw eden een overeenkomst hebben bekrachtigd, geeft ieder hunner daarom zijn
deel. Waarlijk, Allah is Bewaker over alle dingen.
34. Mannen zijn voogden over de vrouwen omdat Allah de
enen boven de anderen heeft doen uitmunten en omdat zij van hun rijkdommen
besteden. Deugdzame vrouwen zijn dus zij, die gehoorzaam zijn en heimelijk
bewaren, hetgeen Allah onder haar hoede heeft gesteld. En degenen, van wie gij
ongehoorzaamheid vreest, wijst haar terecht en laat haar in haar bedden alleen
en tuchtigt haar. Als zij u dan daarna gehoorzamen, zoekt geen weg tegen haar.
Waarlijk, Allah is Verheven, Groot.
35. En als gij een breuk tussen hen vreest, stelt dan een
scheidsrechter van zijn familie en van haar familie aan. Indien zij verzoening
wensen zal Allah deze tussen hen tot stand brengen. Voorzeker, Allah is
Alwetend, Alkennend.
36. En aanbidt Allah en vereenzelvigt niets met Hem en
bewijst vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en aan de
nabuur, die een vreemdeling is en de nabuur die een bloedverwant is en aan de
metgezel, de reiziger en aan degenen die onder uw macht zijn. Voorzeker, Allah
heeft de pochers en de opscheppers niet lief.
37. Evenmin die gierig zijn en de mensen aansporen ook
gierig te zijn en die hetgeen Allah hun van Zijn overvloed heeft gegeven,
verbergen. Wij hebben voor de ongelovigen een vernederende straf bereid,
38. En voor degenen, die hun rijkdommen besteden om door
de mensen te worden gezien en niet in Allah noch in de laatste Dag geloven. En
wie Satan als metgezel heeft, heeft een kwade metgezel.
39. Wat kan hun overkomen, indien zij in Allah en de
laatste Dag zouden geloven en hadden weggegeven van hetgeen Allah hen heeft
geschonken? Allah kent hen zeer goed.
40. Waarlijk, Allah doet in het geheel geen onrecht aan.
Als het een goede daad is vermenigvuldigt Hij deze en geeft van Zijn kant een
grote beloning.
41. En wat geschiedt, wanneer Wij een getuige van elk volk
zullen roepen en u als getuige tegen deze zullen brengen?
42. Op die Dag zullen zij, die verwierpen en de
boodschapper niet gehoorzaamden, wensen, dat de aarde met hen gelijk zou worden
gemaakt en zij zullen geen woord voor Allah kunnen verbergen.
43. O, gij die gelooft, komt niet tot het gebed als gij
bedwelmd zijt; totdat gij weet wat gij zegt, noch, wanneer gii onrein zijt tot
gij u hebt gebaad, tenzij gij onderweg zijt. En indien gij ziek zijt, of op
reis, of een uwer van de afzondering komt, of gij hebt vrouwen aangeraakt en gij
vindt geen water, neemt dan uw toevlucht tot zuivere aarde en veegt er uw
gezicht en handen mee af. Waarlijk, Allah is Inschikkelijk, Vergevensgezind.
44. Kent gij niet degenen, die deel hebben aan het Boek?
Zij geven de voorkeur aan dwaling en wensen, dat ook gij van de (rechte) weg
moogt afdwalen.
45. Allah kent uw vijanden goed. Allah is voldoende als
Vriend en Allah is toereikend als Helper.
46. Er zijn onder de Joden, die woorden uit hun verband
rukken. En zij zeggen: " Wij horen en gehoorzamen niet" en "luistert gij, zonder
te horen" en "Raainaa", terwijl zij woorden verdraaien en het geloof zoeken te
schenden. En indien zij gezegd hadden: "Wij horen en wij gehoorzamen" en "hoort
toe" en ,,Kijk ons aan" het dit beter en oprechter voor hen zijn geweest. Maar
Allah heeft hen wegens hun ongeloof vervloekt, zij geloven dus slechts weinig.
47. O, mensen van het Boek, gelooft in hetgeen Wij hebben
nedergezonden, vervullende hetgeen bij u is voordat Wij uw leiders vernietigen
en neerwerpen of hen vervloeken, zoals Wij het volk van de Sabbath vervloekten.
Allah's gebod zal volbracht worden.
48. Waarlijk, Allah vergeeft niet dat men iets met Hem
vereenzelvigt, maar Hij zal al hetgeen daarbuiten staat vergeven, wie Hij wil.
En wie iets met Allah vereenzelvigt, heeft inderdaad een zeer grote zonde
begaan.
49. Hebt gij over hen niet vernomen die zichzelf rein
achten? Neen, Allah is het, Die reinigt, wie Hij wil. Hen zal niet het minste
onrecht worden aangedaan.
50. Zie, hoe zij een leugen tegen Allah smeden. En dat is,
voorzeker, een klaarblijkelijke zonde.
51. Hebt gij degenen niet waargenomen aan wie een gedeelte
van het Boek was gegeven? Zij geloven in afgoden en duivelen en zeggen van de
ongelovigen: "Dezen zijn beter geleid op het pad dan de gelovigen."
52. Dezen zijn degenen die Allah heeft vervloekt en die
Allah vervloekt voor hen zult gij geen helper vinden.
53. Hadden zij een aandeel in het koninkrijk dan zouden
zij de mensen zelfs het geringste onthouden.
54. Of benijden zij de mensen om hetgeen Allah hun vanuit
Zijn overvloed heeft gegeven? Waarlijk, Wij gaven aan de kinderen van Abraham
het Boek en de Wijsheid en Wij gaven hun ook een groot koninkrijk.
55. En sommigen hunner geloofden er in en sommigen hunner
weerhielden anderen er van te (geloven). De hel, met het laaiende vuur is
toereikend (voor hen).
56. Gewis, degenen die Onze tekenen verwerpen zullen Wij
weldra het Vuur doen binnengaan. Wij zullen hen telkens, wanneer hun huiden zijn
verbrand, andere huiden er voor in de plaats geven; opdat zij de straf ten volle
zullen ondergaan. Waarlijk, Allah is Almachtig, Alwijs.
57. En degenen, die geloven en goede daden verrichten,
zullen Wij tuinen doen binnengaan waar doorheen rivieren stromen om er eeuwig te
vertoeven, daarin zullen zij reine metgezellen hebben en Wij zullen hen door
schaduw omringen.
58. Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te
geven aan hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen richt,
gij rechtvaardig handelt. En waarlijk, voortreffelijk is datgene, waartoe Allah
u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.
59. O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en Zijn
boodschapper en degenen, die onder u gezag hebben. En indien gij over iets
twist, verwijst het naar Allah en Zijn boodschapper, als gij gelooft in Allah en
de laatste Dag. Dit is beter en uiteindelijk het beste.
60. Kent gij niet degenen, die beweren dat zij geloven in
hetgeen u is geopenbaard en hetgeen vóór u is geopenbaard? Zij wensen recht te
zoeken bij de opstandigen ofschoon het hun was geboden, dezen te verwerpen. En
Satan wenst hen ver van het rechte pad te doen afdwalen.
61. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Komt tot hetgeen
Allah heeft nedergezonden en tot Zijn boodschapper", ziet gij dan de huichelaars
zich vol afkeer van u afwenden?
62. Hoe kan het dan dat, wanneer een rampspoed over hen
komt door hetgeen zij verdienden, zij zwerend tot u komen: "Bij Allah, wij
beoogden niets dan het goede (te doen) en verzoening?"
63. Allah weet wat in het hart van dezen is. Wend u daarom
van hen af en vermaan hen en spreek tot hen een doeltreffend woord ten bate van
henzelf.
64. Wij zenden geen boodschapper of hij moet worden
gehoorzaamd volgens Allah's gebod. Als zij tot u waren gekomen, toen zij hun
ziel onrecht hadden aangedaan en Allah om vergiffenis hadden gevraagd en de
boodschapper ook om vergiffenis voor hen had gevraagd, zouden zij Allah
voorzeker Berouwaanvaardend, Genadevol hebben bevonden.
65. Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen
zijn, voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun
hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij zich geheel en
al onderwerpen.
66. En indien Wij hun hadden geboden: "Wijdt u ten dode"
of: "verlaat uw huizen" zouden zij het met uitzondering van weinigen hunner niet
hebben gedaan en indien zij hetgeen hun gemaand was te doen, hadden gedaan, zou
het voor hen zeker goed zijn geweest en het, beste ter versterking (van hun
geloof).
67. En Wij zouden hun gewis een grote beloning van Ons
hebben gegeven.
68. En Wij zouden hen zeker op het rechte pad hebben
geleid.
69. En wie aldus Allah en deze boodschapper gehoorzaamt,
zal zijn onder degenen wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk, de
profeten, de waarachtigen, de getuigen (martelaars) en de goeden en dezen zijn
uitstekende metgezellen.
70. Dit is de genade van Allah en Allah is toereikend als
de Alwetende.
71. O, gij die gelooft, neemt uw voorzorgsmaatregelen,
rukt dan op in afzonderlijke groepen of allen tezamen.
72. En onder u is hij, die achter blijft en als u een
rampspoed overkomt, zegt hij: "Waarlijk, Allah is mij genadig geweest omdat ik
niet bij hen tegenwoordig was."
73. Maar als een genade van Allah tot u komt, zegt hij -
alsof er geen vriendschap tussen u en hem bestond - "Ware ik bij hen geweest,
dan zou ik inderdaad een groot voordeel hebben bereikt."
74. Laten derhalve zij, die hun tegenwoordig leven voor
het leven in het Hiernamaals willen offeren, voor de zaak van Allah strijden. En
wie voor de zaak van Allah strijdt, hetzij hij gedood wordt of overwint, weldra
zullen Wij hem een grote beloning geven.
75. En waarom strijdt gij niet voor de zaak van Allah en
voor de zwakken -- mannen, vrouwen en kinderen - die zeggen: "Onze Heer, neem
ons uit deze stad waarvan de bewoners onderdrukkers zijn en schenk ons een
vriend en een helper uwerzijds.
76. Zij die geloven, strijden voor de zaak van Allah, maar
de ongelovigen strijden voor de zaak van de boze. Strijdt daarom tegen de
vrienden van Satan; voorzeker, Satan's plan is zwak.
77. Ziet gij niet degenen, tot wie gezegd werd: "Weerhoudt
uw handen, houdt het gebed en betaalt de Zakaat? " En wanneer het strijden hun
is voorgeschreven, ziet, een deel hunner vreest de mensen zoals men Allah
behoort te vrezen, of zelfs nog erger en zij zeggen: "Onze Heer, waarom hebt Gij
ons het strijden voorgeschreven? Waarom hebt Gij ons niet voor een korte tijd
uitstel verleend?" Zeg: "Het voordeel van deze wereld is gering en het
Hiernamaals zal beter zijn voor hem die Allah vreest. En u zal niet het minste
onrecht worden aangedaan.
78. Waar gij ook zijt, de dood zal u achterhalen, zelfs al
waart gij in sterk gebouwde torens. En als hen iets goeds overkomt zeggen zij:
"Dit komt van Allah" en als hen iets kwaads overkomt zeggen zij: "Dit komt van
u" (van de profeet). Zeg: "Alles komt van Allah". Wat scheelt deze mensen, dat
zij het woord niet willen begrijpen?
79. Welk goed ook tot u komt, dat komt van Allah en welk
kwaad u overkomt, komt door uzelf. En wij hebben u als boodschapper tot de
mensheid gezonden; Allah is als Getuige toereikend.
80. Wie de boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad
Allah en wie zich afkeert - tot hen hebben wij u niet als bewaker gezonden.
81. En zij zeggen: "Gehoorzaamheid", maar wanneer zij van
u weggaan, smeedt een deel hunner plannen in de nacht tegen hetgeen gij hebt
gezegd. Allah tekent op, al hetgeen zij beramen gedurende de nacht. Wend u dus
van hen af en stelt uw vertrouwen in Allah alleen. Allah is toereikend als
Voogd.
82. Denken zij dan niet na over de Koran? Was deze van
iemand anders dan van Allah dan hadden zij zeker menige tegenstrijdigheid daarin
ontdekt.
83. En als er enig nieuws tot hen komt, hetzij over vrede
of over vrees, verspreiden zij het en indien zij het naar de boodschapper hadden
verwezen en naar hun gezaghebbers dan zouden degenen, die het konden verwerken,
het zeker hebben begrepen. En ware Allah's genade en Zijn barmhartigheid niet
over u, dan zoudt gij zeker met uitzondering van enkelen, Satan hebben gevolgd.
84. Strijd daarom voor de zaak van Allah - slechts gij
wordt verantwoordelijk gesteld - en spoor de gelovigen aan. Het kan zijn, dat
Allah de macht der ongelovigen zal beteugelen en Allah is sterker in macht en
streng in het opleggen van straf.
85. Wie het goede bijvalt, zal er aandeel aan hebben en
wie het kwade bijvalt zal er een gelijk aandeel aan hebben; En Aliah houdt
toezicht over alles.
86. En wanneer gij met een groet wordt begroet, groet dan
terug met een betere groet, of geeft deze althans terug. Voorzeker, Allah houdt
rekening met alle dingen.
87. Allah! Er is geen God, dan Hij. Hij zal u zeker
bijeenroepen op de Dag der Opstanding, waaromtrent geen twijfel is. En wie is
waarachtiger in Zijn woord, dan Allah?
88. Waarom zijt gij betreffende de huichelaars (in) twee
partijen (verdeeld)? Allah heeft hen neergeslagen wegens hetgeen zij verdienden.
Wenst gij hen te leiden, die Allah te gronde deed gaan? En voor hen, die Allah
doet dwalen, zult gij geen uitweg vinden.
89. Zij wensen dat gij verwerpt, evenals zij hebben
verworpen, zodat gij aan hen gelijk zult worden. Neemt derhalve geen vrienden
uit hun midden totdat zij voor de zaak van Allah werken. En indien zij tot
vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt; en
neemt vriend noch helper uit hun midden.
90. Behalve degenen die tot een volk behoren waarmee gij
een verbond gesloten hebt, of zij die tot u komen terwijl hun hart zich verzet u
te bestrijden of hun eigen volk aan te vallen. En indien Allah wilde, zou Hij
hun macht tegen u hebben gegeven; dan zouden zij zeker tegen u hebben gevochten.
Dus, als zij zich van u op een afstand houden en u niet bestrijden en u vrede
aanbieden - heeft Allah u niet toegestaan iets tegen hen te ondernemen.
91. Gij zult anderen vinden die veilig bij u willen zijn
en bij hun eigen volk; telkens wanneer zij tot vijandigheid worden opgeroepen,
doen zij blindelings mee. Als zij zich derhalve niet op een afstand van u
houden, noch u vrede aanbieden, noch hun handen terughouden, grijpt hen dan aan
en doodt hen waar gij hen ook vindt. Tegen dezen hebben Wij u duidelijk gezag
gegeven.
92. Het betaamt een gelovige niet, een andere gelovige te
doden, tenzij dit bij vergissing gebeurt. En wie een gelovige bij vergissing
doodt moet een gelovige slaaf bevrijden en bloedgeld betalen ter overhandiging
aan de erfgenamen, tenzij deze het uit liefdadigheid kwijtschelden. Maar indien
hij (de gedode) tot een u vijandig gezind volk behoort en een gelovige is, dan
moet (de overtreder) een gelovige slaaf bevrijden en als hij van een volk is
waarmede gij een verbond hebt, dan moet een bloedgeld aan zijn familie worden
betaald en een gelovige slaaf worden bevrijd. Maar wie er geen vindt, moet twee
maanden achtereenvolgens vasten - een boete van Allah. En Allah is Alwetend,
Alwijs.
93. En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding
zal de hel zijn; daarin zal hij vertoeven. Allah's toorn is op hem; Hij heeft
hem vervloekt en zal hem een grote straf bereiden.
94. O, gij die gelooft, wanneer gij voor Allah's zaak
oprukt, onderzoekt dan en zegt niet tegen iemand die u met de vredesgroet
begroet: "Gij zijt geen gelovige". Zoekt gij de goederen van dit leven? Bij
Allah zijn goede dingen in overvloed. Zo waart gij voordien maar Allah bewees u
Zijn gunst; stelt daaromtrent een nauwkeurig onderzoek in. Voorzeker, Allah
weet, wat gij doet.
95. Diegenen der gelovigen die niets doen, met
uitzondering der onbekwamen, zijn niet gelijk aan degenen die met hun rijkdommen
en hun persoon terwille van Allah strijden. Allah heeft degenen, die met hun
rijkdommen en hun persoon strijden doen uitmunten boven de rustenden en aan
ieder heeft Allah het goede beloofd. Allah zal de strijders boven de
stilzittenden doen uitblinken door een grote beloning,
96. nl. in graden, ook van vergiffenis en barmhartigheid.
En Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
97. Voorwaar de engelen zullen tot hen die ze doen
sterven, terwijl dezen hun eigen ziel onrecht aandoen, zeggen: "In welke
toestand waart gij?" Zij zullen antwoorden: "Wij waren in het land machteloos."
Zij (de engelen) zullen echter zeggen: "Was Allah's aarde u niet groot genoeg om
daarop te verhuizen?" Zij zijn het, wier tehuis de hel zal zijn en dat is een
kwade bestemming.
98. Met uitzondering van de zwakken onder de mannen en
vrouwen en kinderen, die geen middelen tot en beschikking hebben, noch een weg
kunnen vinden.
99. Dezen zijn het, wie Allah moge vergeven, want Allah is
de Inschikkelijke, de Vergevensgezinde.
100. Wie terwille van Allah vlucht, zal op aarde
toevluchtsoorden en overvloed vinden. En wie van zijn huis weggaat, zijn land
verlatend terwille van Allah en Zijn boodschapper en de dood achterhaalt hem -
zijn beloning bij Allah staat vast; Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
101. En wanneer gij door het land reist, zal het voor u
geen zonde zijn het gebed te bekorten, als gij vreest dat degenen, die niet
geloven u last zullen veroorzaken. Voorwaar, de ongelovigen zijn een openlijke
vijand voor u.
102. En wanneer gij in hun midden zijt en het gebed voor
hen leidt, laat een deel hunner bij u staan en hun wapenen meenemen. En wanneer
zij hun prostratie hebben verricht, laat hen achter u gaan en laat die andere
groep, die nog niet gebeden heeft naar voren komen en met u bidden en laat hen
hun afweermiddelen en wapenen medenemen. De ongelovigen wensen, dat gij
onachtzaam wordt op uw wapenen en uw bagage, zodat zij u plotseling overvallen.
En als gij uw wapenen opzij legt indien de regen u stoort, of indien gij ziek
zijt, zal dat voor u geen zonde zijn. Maar gij dient uw afweermiddelen steeds
mede te nemen. Voorzeker, Allah heeft voor de ongelovigen een vernederende straf
bereid.
103. Wanneer gij het gebed hebt beëindigd, gedenkt dan
Allah, staande, zittende en op uw zijde liggende. En, wanneer gij veilig zijt,
houdt het gebed, voorwaar, het gebed is de gelovigen op vastgestelde uren
opgelegd.
104. En toont geen zwakheid in de vervolging van dit
(vijandige) volk. Als gij lijdt, lijden zij ook zoals gij lijdt. Maar gij
verwacht van Allah, wat zij niet verwachten. En Allah is Alwetend, Alwijs.
105. Wij hebben u waarlijk het Boek (de Koran), dat. de
waarheid bevat, nedergezonden, opdat gij tussen de mensen zoudt richten door
hetgeen Allah u heeft onderwezen. En wees geen pleiter voor de oneerlijken.
106. En vraagt vergiffenis van Allah. Voorzeker, Allah is
Vergevensgezind, Genadevol.
107. Pleit niet voor degenen, die hun ziel onrecht
aandoen. Voorzeker, Allah heeft degene, die volkomen oneerlijk en een groot
zondaar is, niet lief.
108. Zij trachten zich voor de mensen te verbergen, maar
zij kunnen zich niet voor Allah verbergen en Hij is bij hen wanneer zij de nacht
doorbrengen met een bespreking, die Hem niet behaagt. Allah weet, wat zij doen.
109. Ziet, gij zijt degenen die in het tegenwoordige leven
voor hen pleiten. Maar wie zal bij Allah voor hen pleiten op de dag der
opstanding, of wie zal een voogd over hen zijn?
110. Wie kwaad doet of zijn ziel onrecht aandoet en daarna
Allah om vergiffenis vraagt, zal Allah Vergevensgezind, Genadevol vinden.
111. En wie een zonde begaat, begaat deze slechts jegens
zijn eigen ziel. En Allah is Alwetend, Alwijs.
112. Wie een fout of een zonde begaat en deze dan aan een
onschuldige toeschrijft, draagt voorzeker de (schuld van) lastering en
klaarblijkelijke zonde.
113. Ware Allah's genade en barmhartigheid niet over u,
dan zou een gedeelte hunner hebben besloten u te vernietigen, maar zij
vernietigen niemand dan zichzelf en zij kunnen u in het geheel niet schaden. En
Allah heeft u het Boek en de Wijsheid nedergezonden en heeft u in hetgeen gij
niet wist, onderwezen en Allah's genade aan u is groot.
114. Er steekt in de beraadslagingen (der huichelaars)
niets goeds; in tegenstelling tot diegenen die tot liefdadigheid of goedheid, of
het stichten van vrede onder de mensen aansporen. En wie dit doet wijl hij
Allah's welbehagen zoekt, hem zullen Wij een grote beloning schenken.
115. En hij, die zich tegen de boodschapper verzet nadat
diens leiding hem duidelijk is geworden en die een andere weg dan die der
gelovigen volgt, Wij zullen hem laten volgen wat hij wil en Wij zullen hem in de
hel werpen. Dat is een kwade bestemming.
116. Allah vergeeft niet dat iets met Hem vereenzelvigd
wordt en Hij zal, buiten dat, vergeven wie Hij wil. En wie iets met Allah
vereenzelvigt, is inderdaad ver afgedwaald.
117. Zij roepen buiten Hem niets aan dan godinnen dingen
en zij roepen niemand aan dan Satan, de opstandige.
118. Allah heeft hem vervloekt. En hij (Satan) zeide: "Ik
zal voorzeker een bepaald deel van uw dienaren nemen."
119. "En ik zal hen zeker doen dwalen en ijdele begeerten
in hen opwekken en ik zal hen voorzeker ophitsen en zij zullen de oren van het
vee afsnijden en ik zal hen voorzeker aansporen en zij zullen Allah's schepping
bederven." Derhalve hij, die buiten Allah Satan tot vriend neemt, zal zeker
zichtbaar verlies leiden.
120. Hij doet hun beloften en wekt begeerten en Satan
belooft hun niets dan bedrog.
121. Dezen zijn het, wier tehuis de hel is en zij zullen
voor het Vuur geen wijkplaats vinden.
122. Degenen, die geloven en goede werken verrichten,
zullen Wij in tuinen toelaten, waar doorheen rivieren stromen en zij zullen daar
voor eeuwig vertoeven. De belofte van Allah is werkelijkheid en wie is
waarachtiger in woord, dan Allah?
123. Niet naar uw wensen (de ongelovigen), noch naar de
wensen van de mensen van het Boek. Wie kwaad doet zal er voor worden gestraft en
hij zal buiten Allah vriend, noch helper vinden.
124. Maar, wie goede werken verricht, hetzij man of vrouw,
en gelovig is, zal de Hemel binnengaan en hem zal niet het geringste onrecht
worden aangedaan.
125. En wie is beter in geloof dan hij, die zich aan Allah
onderwerpt en die het goede doet en de godsdienst volgt van Abraham de oprechte?
Allah nam Abraham tot vriend.
126. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en
alles wat op aarde is en Allah omvat alle dingen.
127. En zij (de gelovigen) vragen uw uitspraak over de
vrouwen; Zeg: "Allah geeft u Zijn uitspraak over haar; alsmede hetgeen u in het
Boek (de Koran) is verkondigd over de weesmeisjes, aan wie gij het haar
toegekende niet geeft en die gij wenst te huwen en over de zwakken onder de
kinderen en dat gij de wezen rechtvaardig moet behandelen. En welke weldaad gij
ook verricht, voorzeker, Allah weet het goed.
128. Als een vrouw mishandeling of onverschilligheid van
haar man vreest, zal het geen blaam voor hen zijn als zij een verzoening met
elkander tot stand brengen - verzoening is het beste. De mensen zijn tot
gierigheid geneigd. En als gij goed doet en rechtvaardig zijt, waarlijk dan is
Allah op de hoogts van wat gij doet.
129. Gij kunt geen volkomen gelijkheid tussen vrouwen
handhaven, hoe gaarne gij het ook zoudt wensen. Maar neigt niet geheel tot één,
zodat gij de andere in onzekerheid laat. En als gij u betert en vroom zijt, dan
is Allah voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
130. En als zij scheiden, dan zal Allah hen beiden door
Zijn overvloed onafhankelijk maken; Allah is Milddadig, Alwijs.
131. Aan Allah behoort, wat in de hemelen en wat op aarde
is. En wij hebben zeker degenen aan wie vóór u het Boek werd gegeven en ook u
geboden: Allah te vrezen. Maar als gij verwerpt - voorzeker wat in de hemelen en
op de aarde is behoort aan Allah en Allah is Onafhankelijk, Lofwaardig.
132. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en
alles, wat op aarde is en Allah is voldoende als Voogd.
133. Indien Hij wil, zal Hij u, o volk, wegnemen en
anderen in uw plaats brengen en Allah heeft de volle macht, dit te doen.
134. Wie de beloning dezer wereld verlangt - bij Allah is
de beloning dezer wereld en van de volgende en Allah is Alhorend, Alziend.
135. O, gij die gelooft, weest voorstanders der
rechtvaardigheid, getuigen voor Allah, zelfs al was het tegen uzelf, of ouders
en verwanten. Hetzij rijk of arm, Allah is beter dan beiden. Volgt niet de
begeerten, opdat gij niet onrechtvaardig zult zijn. En als gij de waarheid
omzeilt of er u van afwendt, Allah is goed op de hoogte van wat gij doet.
136. O gij die gelooft, gelooft in Allah en Zijn
boodschapper en in het Boek dat Hij Zijn boodschapper heeft geopenbaard, en in
het Boek, dat Hij voordien openbaarde. En wie Allah en Zijn engelen en Zijn
Boeken en Zijn boodschappers en de laatste Dag verwerpt, is waarlijk ver
afgedwaald.
137. Voorzeker, degenen die geloven, daarna verwerpen, dan
wederom geloven dan wederom verwerpen en daarna in ongeloof toenemen, hen zal
Allah niet vergeven, noch zal Hij hen op de rechte weg leiden.
138. Verkondig de huichelaars, dat hen een pijnlijke straf
wacht.
139. Zij, die ongelovigen tot vrienden nemen liever dan
gelovigen, - zoeken zij eer bij hen hoewel alle eer aan Allah behoort?
140. En Hij heeft u reeds in het Boek ( Koran)
geopenbaard, dat wanneer gij hoort dat Allah's tekenen worden verloochend en
bespot, gij niet (eerder) met hen samen zult zijn, dan dat zij zieh met een
ander onderwerp bezig houden, anders zoudt gij hun gelijk zijn. Voorzeker, Allah
zal de huichelaars en de ongelovigen allen tezamen in de hel bijeenbrengen.
141. Degenen, die afwachten tot u een overwinning van
Allah ten deel valt, zeggen: "Waren wij niet met u?" En als de ongelovigen er
aandeel in krijgen, zeggen zij (tot hen): "Hebben wij niet de overhand over u
gekregen en u beschermd tegen de gelovigen?" Allah zal op de Dag des Oordeels
tussen u richten en Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen
doen zegevieren.
142. De huichelaars trachten Allah te bedriegen, maar Hij
zal hen voor hun bedrog straffen. En wanneer zij zich oprichten om te bidden,
staan zij loom, en tonen zich aan de mensen en gedenken Allah slechts weinig,
143. Weifelend tussen dat en dit. Zij behoren noch tot
dezen, noch tot genen. En voor hem, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg
vinden.
144. O, gij die gelooft, neemt geen ongelovigen tot
vrienden boven de gelovigen. Wilt gij Allah een duidelijk bewijs tegen uzelf
geven?
145. De huichelaars zullen zeker in de diepste diepte van
het Vuur zijn en gij zult voor hen geen helper vinden.
146. Behalve degenen, die berouw hebben en zich verbeteren
en aan Allah vasthouden en hun gehoorzaamheid zuiver houden voor Allah. Dezen
behoren tot de gelovigen. En Allah zal de gelovigen weldra een grote beloning
geven.
147. Waarom zou Allah u straffen, als gij dankbaar zijt en
gelooft? Allah is Waarderend, Alwetend.
148. Allah houdt niet van het uiten van beledigende taal
in het openbaar, behalve door iemand, die onrecht wordt aangedaan; en Allah is
Alhorend, Alwetend.
149. Of gij een goede daad openlijk verricht of deze
verbergt, of een kwaad vergeeft, Allah is voorzeker de Inschikkelijke, de
Almachtige.
150. Waarlijk, degenen die Allah en Zijn boodschappers
verwerpen en onderscheid wensen te maken tussen Allah en Zijn boodschappers,
zeggende: "Wij geloven in sommige en niet in andere," zij willen een tussenweg
volgen.
151. Dezen zijn inderdaad de ongelovigen en Wij hebben
voor de ongelovigen een vernederende straf bereid.
152. En degenen, die in Allah en al Zijn boodschappers
geloven en geen onderscheid tussen wie dan ook, maken, dezen zijn het, wie Hij
spoedig hun beloning zal geven; Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
153. De mensen van het Boek vragen u een Boek uit de hemel
op hen te doen nederdalen. Zij vroegen Mozes meer dan dit, zij zeiden: "Toon ons
Allah openlijk." Toen trof hen de bliksem wegens hun overtreding. Daarna, hoewel
duidelijke tekenen tot hen gekomen waren, namen zij toch het (gouden) kalf (ter
aanbidding) aan, doch Wij vergaven hun dat. En Wij bekleedden Mozes met
duidelijk gezag.
154. Wij verhieven de berg hoog boven hen tijdens het
verbond met hen en Wij zeiden: "Gaat de poort ootmoedig binnen" en: "Overtreedt
niet inzake de Sabbath". En Wij sloten met hen een vast verbond.
155. Om hun schending van hun verbond en de verwerping van
Allah's tekenen en het ten onrechte doden van de profeten en omdat ze zeggen:
"Onze harten zijn gesluierd" - neen, Allah heeft deze wegens hun ongeloof
verzegeld, derhalve geloven zij slechts weinig;
156. Om hun ongeloof en het uiten van een kwaadaardige
laster tegen Maria;
157. En om hun zeggen: "Wij hebben de Messias, Jezus, zoon
van Maria, de boodschapper van Allah gedood", - maar zij doodden hem niet, noch
kruisigden zij hem (ten dode), - doch het werd hun verward, en zij, die hierover
van mening verschilden zijn zeker in twijfel, zij hebben er geen kennis van doch
volgen slechts een vermoeden en zij doodden hem gewis niet,
158. Integendeel, Allah verhief hem tot Zich en Allah is
Almachtig, Alwijs.
159. Er is niemand onder de mensen van het Boek die er
niet in zal geloven vóór zijn dood. En op de Dag der Opstanding zal hij (Jezus)
getuige tegen hen zijn, -
160. En wegens de onrechtvaardigheid van de Joden en hun
weerhouden van Allah's weg, verboden Wij hen de reine dingen die ben (voordien)
waren toegestaan.
161. En om het nemen van rente, ofschoon het hun was
verboden en het onrechtvaardig opslokken van 's mensen rijkdommen, hebben Wij
voor degenen onder hen die niet geloven een pijnlijke straf bereid.
162. Maar degenen hunner, die een grondige kennis bezitten
en de gelovigen, geloven in hetgeen u is geopenbaard en hetgeen vóór u werd
nedergezonden; en degenen, die het gebed houden en degenen, die de Zakaat
betalen en degenen, die in Allah en de laatste Dag geloven, dezen zullen Wij
zeker een grote beloning geven.
163. Waarlijk, Wij hebben u de openbaring gezonden, zoals
Wij Noach en de profeten na hem openbaring zonden en Wij gaven een openbaring
aan Abraham en Ismaël en Izaäk en Jacob en de stammen; en aan Jezus, Job, Jonas,
Aäron en Salomo en Wij gaven David een psalmen.
164. Wij zonden boodschappers, welke Wij reeds hebben
genoemd en boodschappers welke Wij u niet hebben genoemd en Allah sprak openlijk
tot Mozes.
165. Boodschappers, brengende blijde tijding en
waarschuwende, dat de mensen geen tegenwerping tegen Allah zullen maken nadat de
boodschappers (waren gekomen). En Allah is Almachtig, Alwijs.
166. Maar Allah getuigt dat, hetgeen Hij u heeft
nedergezonden, Hij dit heeft nedergezonden met Zijn kennis en de engelen
getuigen eveneens en Allah is als getuige toereikend.
167. Zij, die verwerpen en (anderen) van Allah's weg
afhouden, zijn zeker ver afgedwaald.
168. Waarlijk degenen, die niet geloven en die
onrechtvaardig handelen, Allah zal hen niet vergeven, noch zal Hij hun een
andere weg wijzen,
169. Dan de weg der hel, waarin zij voor een lange tijd
zullen vertoeven. Dat is voor Allah gemakkelijk.
170. O mensdom, de boodschapper is inderdaad met waarheid
van uw Heer gekomen, gelooft daarom; het zal beter voor u zijn. Maar als gij
niet gelooft, voorwaar, aan Allah behoort wat in de hemelen en op aarde is en
Allah is Alwetend, Alwijs.
171. O, mensen van het Boek, overdrijft in uw godsdienst
niet en zegt van Allah niets dan de waarheid. Voorwaar, de Messias, Jezus, zoon
van Maria was slechts een boodschapper van Allah en Zijn woord tot Maria gegeven
als barmhartigheid van Hem. Gelooft dus in Allah en Zijn boodschappers en zegt
niet: "Drie (in één)." Houdt op, dat is beter voor u. Voorwaar, Allah is de
enige God. Het is verre van Zijn heiligheid, dat Hij een zoon zou hebben. Aan
Hem behoort wat in de hemelen en op aarde is en Allah is als Bewaarder afdoende.
172. Voorzeker, de Messias zal het nooit versmaden, een
dienaar van Allah te zijn, noch zullen de nabijzijnde engelen dit doen en wie
het versmaadt Hem te aanbidden, en hoogmoedig is, Hij zal hen toch allen tot
Zich roepen.
173. Maar degenen die geloven en goede werken verrichten,
zal Hij hun beloning ten volle geven en meer dan dat uit Zijn overvloed, maar
degenen die versmaadden en hoogmoedig waren, zal Hij met een pijnlijke straf
straffen; zij zullen buiten Allah vriend, noch helper voor zich vinden.
174. O, gij mensen, een duidelijk bewijs is inderdaad van
uw Heer tot u gekomen en Wij hebben een helder licht tot u nedergezonden.
175. Daarom, zij die in Allah geloven en aan Hem
vasthouden zal Hij zeker tot Zijn barmhartigheid en genade toelaten en hen op
het rechte pad tot Zich voeren.
176. Zij vragen om een uitspraak. Zeg: "Allah geeft Zijn
uitspraak betreffende "Kalalah": Indien een man sterft en geen kind achterlaat
en hij heeft een zuster, dan moet zij de helft van hetgeen hij nalaat ontvangen
en hij zal van haar erven (alles) indien zij geen kind heeft. Maar als er twee
zusters zijn, dan moeten zij twee derde van hetgeen hij nalaat ontvangen. En als
er meer zijn - zowel mannen als vrouwen - dan zal de man evenveel als het
aandeel van twee vrouwen ontvangen. Allah legt u dit uit, opdat gij niet zult
afdwalen; Allah heeft kennis van alle dingen.
------------------------------------------------------------------------
5. Het Tafel (Al-Maidah) (de gedekte tafel-eng)
------------------------------------------------------------------------
Strofe drie bevat waarschijnlijk de laatste woorden van de
Koran die werden gereveleerd. Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 120
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. O, gij die gelooft, komt uw verdragen na. Viervoetige
dieren buiten die welke u zijn aangegeven, zijn u geoorloofd; het wild is niet
geoorloofd te achten terwijl gij ter bedevaart zijt. Voorwaar, Allah gebiedt wat
Hij wil.
2. O, gij die gelooft, ontheiligt de tekenen van Allah
niet, noch de heilige maand, noch de offerdieren, noch dieren met offertekens,
noch degenen, die zich naar het heilige Huis begeven om genade van hun Heer en
Zijn welbehagen te zoeken. Maar wanneer gij u van uw pelgrimskleed ontdoet,
moogt gij jagen. En laat de vijandschap van een volk, omdat zij u de toegang tot
de heilige Moskee verhinderen, u niet tot geweld aansporen. En helpt elkander in
deugdzaamheid en vroomheid maar helpt elkander niet in zonde en overtreding. En
vreest Allah. Waarlijk, Allah is streng in het straffen.
3. Verboden is u het gestorvene, het bloed en het
varkensvlees en al waarover een andere naam dan die van Allah is aangeroepen;
hetgeen is geworgd en is doodgeslagen en hetgeen is doodgevallen of hetgeen door
de horens van dieren is gedood en hetgeen door een wild beest is aangevreten,
behalve wat gij hebt geslacht. Verder hetgeen voor afgoden is geslacht en wat
gij loot door pijlen, dit is een overtreding. Heden zullen de ongelovigen aan uw
godsdienst wanhopen. Vreest dus niet hen, maar Mij. Nu heb Ik uw godsdienst voor
u vervolmaakt, Mijn gunst aan u voltooid en de Islam voor u als godsdienst
gekozen. Maar wie door honger wordt gedwongen zonder dat hij tot de zonde is
geneigd, voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
4. Zij vragen u, wat hun geoorloofd is. Zeg: Alle goede
dingen zijn u geoorloofd en hetgeen gij dieren en roofvogels hebt geleerd
terwille van de jacht, zoals Allah u heeft onderwezen. Eet dus van hetgeen zij
voor u vangen en spreekt er Allah's Naam over uit. En vreest Allah. Voorzeker,
Allah is vlug in het verrekenen.
5. Alle goede dingen zijn u deze dag geoorloofd. Het
voedsel der mensen van het Boek is u geoorloofd en uw voedsel is hun toegestaan.
En geoorloofd zijn voor u kuise, gelovige vrouwen en kuise vrouwen uit het
midden dergenen, wie het Boek was gegeven vóór u, wanneer gij haar haar
huwelijksgift geeft, een geldig huwelijk aangaande en geen ontucht plegende,
noch heimelijk minnaressen nemende. En wie het geloof verwerpt, diens werk is
waarlijk tevergeefs en hij zal in het Hiernamaals onder de verliezers zijn.
6. O, gij die gelooft, wanneer gij u opricht tot het
gebed, wast uw gezicht en uw handen tot aan de ellebogen en wrijft uw (natte)
handen over uw hoofden en (wast) uw voeten tot aan de enkels. En als gij onrein
zijt, reinigt u. En als gij ziek of op reis zijt en een uwer komt van de
afzondering, of gij hebt vrouwen aangeraakt en gij vindt geen water, zoekt dan
uw toevlucht tot zuivere aarde en veegt daarmede uw gezicht en handen af. Allah
wenst u niet in moeilijkheden te brengen, maar Hij wenst u te reinigen en Zijn
gunst aan u te vervolmaken, opdat gij dankbaar zult zijn.
7. En gedenkt Allah's gunst aan u en het verbond dat Hij
met u sloot, toen gij zeidet: "Wij horen en wij gehoorzamen." En vreest Allah.
Voorzeker, Allah weet goed, wat in uw innerlijk is.
8. O, gij die gelooft, weest oprecht voor Allah en getuigt
met rechtvaardigheid. En laat de vijandschap van een volk u niet aansporen, om
onrechtvaardig te handelen. Weest rechtvaardig, dat is dichter bij de vroomheid
en vreest Allah, voorzeker, Allah is op de hoogte van hetgeen gij doet.
9. Allah heeft degenen, die geloven en goede daden
verrichten beloofd, dat zij vergiffenis en een grote beloning zullen verkrijgen.
10. En degenen, die niet geloven en Onze tekenen
verwerpen, zullen de bewoners der hel zijn.
11. O, gij die gelooft, gedenkt Allah's gunst aan u toen
een volk zijn handen tegen u wilde uitsteken, maar Hij weerhield hun handen en
vreest Allah. Op Allah moeten de gelovigen zich verlaten.
12. Waarlijk Allah sloot een verbond met de kinderen
Israëls en Wij verwekten twaalf leiders uit hun midden. En Allah zeide:
"Voorzeker, Ik ben met u. Indien gij het gebed houdt en de Zakaat betaalt en in
Mijn boodschappers gelooft en hen bijstaat en aan Allah's (dienst) een goede
lening verstrekt, zal Ik uw zonden van u verwijderen en u in tuinen toelaten,
waar doorheen rivieren stromen. Maar wie onder u daarna dit verwerpt, is
inderdaad van het rechte pad afgedwaald."
13. En wegens hun breken van het verbond hebben Wij hen
vervloekt en hun hart verhard. Zij rukken de woorden uit hun verband en hebben
een deel van hetgeen hun was vermaand, vergeten. En gij zult hen altijd
oneerlijk bevinden op enkelen na, derhalve vergeef hen en wend u van hen af.
Voorzeker, Allah heeft degenen, die goeddoen, lief.
14. En met degenen die zeggen: "Wij zijn Christenen,
sloten Wij (eveneens) een verbond, maar zij vergaten een deel van hetgeen hen
was voorgehouden. Daarom deden Wij vijandschap en haat onder hen ontstaan, tot
de Dag der Opstanding. Allah zal hen weldra laten weten, wat zij deden.
15. O, mensen van het Boek, Onze boodschapper is tot u
gekomen, die veel van hetgeen voor u verborgen bleef van het Boek heeft
ontsluierd en veel overgeslagen. Er is van Allah inderdaad een licht en een
duidelijk Boek tot u gekomen.
16. En Allah leidt daarmede degenen die Zijn welbehagen
zoeken op de paden van vrede en leidt hen uit de duisternis tot het licht door
Zijn gebod en leidt hen naar het rechte pad.
17. Voorzeker, zij lasteren God die zeggen: "De Messias,
zoon van Maria, is zeker Allah." Zeg: "Wie heeft dan macht tegen Allah, als Hij
de Messias, zoon van Maria en zijn moeder en allen die op aarde zijn, teniet wil
doen?" Aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der aarde en al wat
daartussen is. Hij schept wat Hij wil en Allah heeft macht over alle dingen.
18. De Joden en de Christenen zeggen: "Wij zijn Allah's
kinderen en Zijn geliefden." Zeg: "Waarom straft Hij u dan voor uw zonden? Neen,
gij zijt mensen onder degenen die Hij schiep. Hij vergeeft, wie Hij wil en Hij
straft, wie Hij wil. En aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der
aarde en wat daartussen is en tot Hem is de terugkeer.
19. O, gij mensen van het Boek, Onze boodschapper is tot u
gekomen na een onderbreking in de reeks van boodschappers, die u klaarheid
brengt, opdat gij niet zult zeggen: "Er is geen brenger van een blijde tijding
en geen waarschuwer tot ons gekomen." Waarlijk er is een brenger van een blijde
boodschap en een waarschuwer tot u gekomen. Allah heeft macht over alle dingen.
20. En toen Mozes tot zijn volk zeide: "O, mijn volk,
herinner u Allah's gunst aan u, toen Hij profeten onder u aanstelde en u
koningen aanwees en Hij u gaf, wat Hij aan niemand onder de volkeren heeft
gegeven."
21. "O, mijn volk, gaat het heilige land binnen dat Allah
voor u heeft bestemd en keert het niet de rug toe, anders zult gij verliezers
worden."
22. Zij zeiden: "O, Mozes, daarin is een trots en machtig
volk en wij zullen er niet binnengaan voordat zij er uit weggaan. En indien zij
er uit weggaan, zullen wij het binnentrekken."
23. Daarop zeiden twee mannen van degenen die hun Heer
vreesden en wie Allah Zijn gunst had bewezen: "Gaat de poort (van de stad)
binnen, hen tegemoet - wanneer gij er eenmaal binnen zijt, dan zult gij zeker
overwinnaar worden. En stelt uw vertrouwen in Allah, als gij gelovigen zijt."
24. Zij zeiden: "O, Mozes, wij zullen er stellig niet
binnengaan zolang zij er in zijn. Gaat gij en uw Heer en strijdt - wij blijven
hier zitten."
25. Hij zeide: "Mijn Heer, ik heb macht over niemand dan
over mijzelf en mijn broeder, maak daarom een onderscheid tussen ons en het
opstandige volk."
26. Allah zeide: "Voorzeker, dat (land) is voor hen voor
veertig jaren verboden; dwalende zullen zij door het land trekken. Bekommer u
daarom niet over het ongehoorzame volk."
27. En vertel naar waarheid het verhaal van de twee zonen
van Adam, toen zij een offer brachten en het van één hunner werd aangenomen en
van de ander niet. De laatstgenoemde zeide: "Ik zal u zeker doden." - De eerste
zeide: "Allah neemt alleen iets van de rechtvaardigen aan." -
28. "Als gij uw hand naar mij uitstrekt om mij te doden,
zal ik mijn hand niet naar u uitstrekken, om u te doden. Ik vrees Allah, de Heer
der Werelden.
29. Ik wens, dat gij zowel met de zonde tegen mij, als met
uw zonde terugkeert, zodat gij tot de bewoners van het Vuur zult behoren, dat is
de beloning der misdadigers."
30. Maar zijn kwade neiging dreef hem er toe zijn broeder
te doden, dus doodde hij hem en werd een der verliezers.
31. Toen zond Allah een raaf, die in de grond krabde, om
hem te beduiden, hoe het lijk van zijn broeder te verbergen. Hij zeide: "Ware ik
maar de raaf gelijk, zodat ik het lijk van mijn broeder kon verbergen." En toen
kreeg hij berouw.
32. Deswegen schreven Wij de kinderen Israëls voor, dat
wie ook een mens doodt, behalve wegens het doden van anderen of het scheppen van
wanorde in het land, het ware alsof hij het gehele mensdom had gedood, en voor
hem, die iemand het leven schenkt, alsof hij aan het gehele mensdom het leven
heeft geschonken. En voorzeker Onze boodschappers kwamen met duidelijke tekenen
tot hen en toch - werden daarna -velen hunner op aarde tot over treders.
33. De vergelding dergenen die oorlog tegen Allah en Zijn
boodschappers voeren en er naar streven wanorde in het land te scheppen, is
slechts dat zij gedood of gekruisigd worden, of dat hun handen en hun voeten de
ene rechts en de andere links, worden afgesneden, of dat zij het land worden
uitgezet. Dat zal voor hen een schande in deze wereld zijn en in het Hiernamaals
zullen zij een grote straf ontvangen.
34. Dit, met uitzondering van hen die berouw tonen,
voordat gij hen in uw macht hebt. Weet derhalve, dat Allah Vergevensgezind,
Genadevol is.
35. O gij die gelooft, vreest Allah en zoekt de weg tot
toenadering tot Hem en strijdt voor Zijn zaak, opdat gij moogt slagen.
36. Voorzeker, al hadden de ongelovigen al hetgeen op
aarde is en nog eens zoveel, om zich daarmede van de straf op de Dag der
Opstanding vrij te kopen, dan zou het van hen toch niet worden aanvaard; er
wacht hen een pijnlijke straf.
37. Zij zullen uit het vuur willen komen, maar zij zullen
er niet kunnen uitgaan en dit zal voor hen een blijvende straf zijn.
38. En snijdt de dief en de dievegge de hand af, als straf
voor wat zij misdeden, een voorbeeldige straf van Allah. Allah is Almachtig,
Alwijs.
39. Maar degene, die na zijn overtreding berouw heeft en
zich betert - Allah zal Zich gewis in barmhartigheid tot hem wenden; voorwaar,
Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
40. Weet gij niet, dat het koninkrijk der hemelen en der
aarde aan Allah toebehoort? Hij straft, wie Hij wil en Hij vergeeft, wie Hij wil
en Allah heeft macht over alle dingen.
41. O gij boodschapper, laat degenen, die gemakkelijk in
het ongeloof vervallen u niet verdrieten, n.l. zij die met hun mond zeggen: "Wij
geloven," maar in hun hart hebben zij niet geloofd. En onder de Joden zijn er
die naar een leugen zouden willen luisteren, dezen luisteren terwille van een
ander volk dat niet tot u is gekomen. Zij verdraaien woorden, nadat zij op hun
juiste plaatsen waren gezet en zeggen: "Als u dit wordt gegeven, neemt het dan
aan, maar als het u niet wordt gegeven, past dan op." En wie Allah wenst te
beproeven, gij zult hem tegen Allah stellig niets baten. Dit zijn degenen, wier
hart het Allah niet heeft behaagd te louteren; er zal voor hen schande in deze
wereld en een grote straf in het Hiernamaals zijn.
42. Zij zijn luisteraars naar leugens en verbruikers van
verboden dingen. Indien zij tot u om recht komen, spreek recht tussen hen of
wend u van hen af. En indien gij u van hen afwendt kunnen zij u in het geheel
niet schaden. En indien gij rechtspreekt, richt tussen hen met rechtvaardigheid.
Voorzeker, Allah heeft de rechtvaardigen lief.
43. Hoe zullen zij u tot rechter maken wanneer zij de
Torah bij zich hebben waarin Allah's oordeel is? Toch wenden zij zich af. En zij
zijn geen gelovigen.
44. Waarlijk, Wij zonden de Torah neder, waarin leiding en
licht was, waarmede de profeten die gehoorzaam waren recht spraken voor de Joden
en de Rabbijnen en de wetgeleerden, omdat hun de bewaking van Allah's Boek was
opgelegd en zij waren daarvan getuigen. Vreest daarom de mensen niet, doch
vreest Mij en ruilt Mijn tekenen niet in tegen het wereldse. En wie niet
rechtspreken volgens hetgeen Allah heeft nedergezonden, zij zijn ongelovigen.
45. En Wij schreven hen daarin voor: Een leven voor een
leven, oog om oog, neus om neus, oor om oor, tand om tand en (rechtvaardige)
vergelding voor wonden. En hij, die van het recht hierop afziet, dit zal een
verzoening voor zijn zonden zijn en wie niet rechtspreken bij hetgeen Allah
heeft nedergezonden, zijn onrechtvaardigen.
46. En Wij deden Jezus, zoon van Maria in hun voetsporen
treden, vervullende, hetgeen vóór hem in de Torah was (geopenbaard), en Wij
gaven hem het Evangelie, dat licht en leiding bevatte, bevestigende hetgeen
daarvóór in de Torah was en een leiding en een vermaning voor de godvrezenden.
47. En laat de mensen van het Evangelie richten naar
hetgeen Allah daarin heeft geopenbaard en wie niet richten naar hetgeen Allah
heeft geopenbaard, zijn de overtreders.
48. En Wij hebben u het Boek (de Koran) met de waarheid
geopenbaard vervullende hetgeen daarvóór in het Boek (de Bijbel) was
(verkondigd) en als bewaker daarover. Richt daarom tussen hen naar hetgeen Allah
heeft geopenbaard en volg hun boze neigingen niet tegen de waarheid die tot u is
gekomen. Voor iedereen bepaalden Wij een wet en een weg. En indien Allah had
gewild zou Hij u allen tot één volk hebben gemaakt, maar Hij wenst u te
beproeven met hetgeen Hij u heeft gegeven. Wedijvert dus met elkander in goede
werken. Tot Allah zult gij allen terugkeren, dan zal Hij u datgene mededelen,
waarover gij van mening verschilt.
49. En spreek recht tussen hen naar hetgeen Allah u heeft
geopenbaard en volg hun boze neigingen niet en wees op uw hoede dat zij u niet
afleiden van hetgeen Allah u heeft geopenbaard. Maar indien zij zich afwenden,
weet dan, dat Allah hen voor sommige hunner zonden wenst te treffen. En een
groot aantal mensen is inderdaad ongehoorzaam.
50. Wensen zij het oordeel van onwetendheid? En wie is een
betere rechter dan Allah voor een volk dat zekerheid van geloof bezit?
51. O, gij die gelooft, neemt de Joden en de Christenen
niet tot vrienden. Zij zijn elkanders vrienden. En wie uwer hen tot vrienden
neemt, is inderdaad één hunner. Voorwaar, Allah leidt het overtredende volk
niet.
52. En gij zult degenen in wier hart een ziekte is, zich
tot hen zien haasten, zeggende: "Wij vrezen, dat ons rampspoed zal overkomen."
Het is echter waarschijnlijk dat Allah een overwinning of iets anders tot stand
zal brengen. Dan zullen zij berouw hebben over hetgeen zij in hun innerlijk
verborgen.
53. En de gelovigen zullen zeggen: "Zijn dit degenen die
met hun ernstige eden bij Allah zwoeren dat zij waarlijk met u waren?" Hun
werken zijn verloren gegaan en zij zijn verliezers geworden.
54. O, gij die gelooft, wie onder u zich van zijn
godsdienst afkeert, laat hem weten, dat Allah weldra een ander volk zal
voortbrengen dat Hij zal liefhebben en die Hem zullen liefhebben vriendelijk en
nederig zijnde jegens de gelovigen en hard en streng jegens de ongelovigen. Zij
zullen voor Allah's zaak strijden en het verwijt van een berisper niet vrezen.
Dit is Allah's genade; Hij schenkt deze aan wie Hij wil en Allah is Milddadig,
Alwetend.
55. Uw vrienden zijn slechts Allah en Zijn boodschapper en
de gelovigen die het gebed houden en de Zakaat betalen en aanbidden.
56. En hij, die Allah en de boodschapper en de gelovigen
tot vrienden neemt (wete) dat de partij van Allah gewis zal zegevieren.
57. O, gij die gelooft, neemt niet degenen tot vrienden
die een spotternij en een spel maken van uw godsdienst, uit de kring dergenen
wie het Boek was gegeven vóór u, noch van de ongelovigen. En vreest Allah als
gij gelovigen zijt.
58. En zij die, wanneer gij tot het gebed roept het tot
spotternij en spel maken. Dit komt doordat zij een volk zijn dat niet begrijpt.
59. Zeg: "O, mensen van het Boek, gij haat ons slechts,
omdat wij in Allah geloven en in hetgeen ons is nedergezonden en in hetgeen
voordien was nedergezonden of doordat de meesten van u ongehoorzaam zijn."
60. Zeg: "Zal ik u vertellen over degenen wier straf bij
Allah erger is dan dit? Dezen zijn het, die Allah heeft vervloekt en over wie
Hij Zijn toorn heeft uitgestort en van wie Hij apen, zwijnen en duivelsdienaren
heeft gemaakt. Dezen zijn inderdaad in een slechte toestand en ver van het
rechte pad afgedwaald."
61. Wanneer zij tot u komen, zeggen zij: "Wij geloven,"
terwijl zij met ongeloof binnenkomen en er mee heengaan en Allah weet het beste,
wat zij verbergen.
62. En gij ziet velen hunner zich haasten om zonde te
bedrijven en overtreding en van verboden dingen te gebruiken. Het is inderdaad
slecht, wat zij doen.
63. Waarom weerhouden hun priesters en schriftgeleerden
hen niet van zondige woorden en het eten van verboden dingen? Het is inderdaad
slecht wat zij doen.
64. En de Joden zeggen: "De hand van Allah is gebonden."
Hun handen zijn gebonden en zij zijn vervloekt voor hetgeen zij zeggen. Neen,
Zijn handen zijn wijd open, Hij geeft, zoals Hij wil. En hetgeen u van uw Heer
is nedergezonden zal velen hunner in opstandigheid en ongeloof doen toenemen. En
Wij hebben vijandschap en haat onder hen gezaaid tot aan de Dag der Opstanding.
Telkens wanneer zij het oorlogsvuur ontsteken, dooft Allah het en zij pogen
wanorde te scheppen op aarde en Allah heeft de onruststokers niet lief.
65. Als de mensen van het Boek hadden geloofd en
rechtvaardig gehandeld, zouden Wij gewis hun zonden hebben vergeven en hen in
tuinen van zaligheid hebben toegelaten.
66. En als zij de Torah en het Evangelie en hetgeen hun
van hun Heer is nedergezonden, in acht hadden genomen, zouden zij zeker van wat
boven hen is en van hetgeen onder hun voeten is, hebben gegeten. Onder hen is
een groep die matig is, maar de handelwijze van velen hunner is slecht.
67. O boodschapper, verkondig hetgeen u van uw Heer is
geopenbaard en indien gij dat niet doet, dan hebt gij Zijn boodschap niet
overgebracht. Allah zal u tegen de mensen beschermen. Voorzeker, Allah leidt het
ongelovige volk niet.
68. Zeg: "O, mensen van het Boek, gij steunt op niets
voordat gij de Torah en het Evangelie en hetgeen u van uw Heer is nedergezonden,
onderhoudt. En waarlijk, hetgeen u van uw Heer is nedergezonden zal velen hunner
in opstandigheid en ongeloof doen toenemen; treurt derhalve niet over het
ongelovige volk.
69. Voorzeker, de gelovigen en de Joden en de Sabianen en
de Christenen die in Allah en de laatste Dag geloven en goede daden verrichten -
over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren.
70. Wij hebben waarlijk een verbond met de kinderen
Israëls gesloten en Wij zonden boodschappers tot hen. Maar telkens, wanneer een
boodschapper tot hen kwam met hetgeen hun hart niet wenste, behandelden zij
sommigen als leugenaars en trachtten zij sommigen te doden.
71. En zij dachten, dat er geen beproeving zou zijn,
derhalve werden zig blind en doof. Doch Allah wendde Zich in barmhartigheid tot
hen; toch werden velen weer blind en doof en Allah is waakzaam over hetgeen zij
doen.
72. Zij lasteren God, die zeggen: "Waarlijk Allah, Hij is
de Messias, de zoon van Maria," terwijl de Messias zelf zeide: "O, kinderen
Israëls, aanbidt Allah, Die mijn Heer en uw Heer is." Gewis, voor hem die iets
met Allah vereenzelvigt, heeft Allah de Hemel verboden en het Vuur zal zijn
verblijfplaats zijn. Er is voor de onrechtvaardigen geen helper.
73. Waarlijk zij lasteren God, die zeggen: "Allah is Eén
der Drie." Er is geen God dan de enige God. En indien zij niet ophouden met
hetgeen zij beweren, zal de ongelovigen een smartelijke straf overkomen.
74. Willen zij zich dan niet tot Allah wenden en om Zijn
vergiffenis vragen terwijl Allah Vergevensgezind, Genadevol is?
75. De Messias, de zoon van Maria was slechts een
boodschapper; voorzeker, alle boodschappers vóór hem zijn heengegaan. En zijn
moeder was een waarheidslievende vrouw. Zij plachten beiden voedsel tot zich te
nemen. Zie, hoe Wij de tekenen voor hen (de mensen) verduidelijken, en zie, hoe
zij zich afwenden.
76. Zeg: "Aanbidt gij naast Allah datgene wat geen macht
heeft u goed of kwaad te doen? En het is Allah, Die Alhorend, Alwetend is.
77. Zeg: "O, mensen van het Boek, overdrijft uw godsdienst
niet ten onrechte, noch volgt de neigingen van een volk dat voordien afdwaalde
en velen deed dwalen en van het rechte pad afweek.
78. Degenen onder de kinderen Israëls, die niet geloofden,
werden door de mond van David en door Jezus de zoon van Maria, vervloekt. Dit
geschiedde, omdat zij niet gehoorzaamden en plachten te overtreden.
79. Zij plachten elkander de ongerechtigheid niet te
verbieden, welke Zij begingen. Slecht is inderdaad hetgeen zij deden.
80. Gij zult velen hunner de ongelovigen tot vrienden zien
nemen. Waarlijk slecht is hetgeen zij voor zichzelf deden zodat Allah toornig op
hen is geworden en zij zullen in de straf verblijven.
81. En indien zij in Allah en deze profeet en hetgeen hem
werd geopenbaard hadden geloofd, zouden zij hen niet tot vrienden hebben
genomen, doch velen hunner zijn ongehoorzaam.
82. Waarlijk, gij zult de Joden en de afgodendienaren het
meest vijandig jegens de gelovigen vinden. En gij zult degenen die zeggen: "Wij
zijn Christenen" het vriendschappelijkst vinden jegens de gelovigen. Dit is,
wijl er onder hen geleerden en monniken zijn en wijl zij niet trots zijn.
83. En indien zij hetgeen deze boodschapper is
geopenbaard, horen, ziet gij hun ogen vol tranen vanwege de waarheid welke zij
hebben herkend. Zij zeggen: "Onze Heer, wij geloven. Reken ons daarom onder de
getuigen."
84. "En waarom zouden wij niet in Allah en in de waarheid
die tot ons is gekomen geloven en begeren dat onze Heer ons onder de
rechtvaardige mensen zou rekenen?"
85. Derhalve beloonde Allah hen voor hetgeen zij zeiden
met tuinen, waardoorheen rivieren stromen. Daarin zullen zij vertoeven en dit is
de beloning voor hen die goeddoen.
86. Maar de ongelovigen die Onze tekenen verloochenen
zullen de bewoners der hel zijn.
87. O, gij die gelooft, maakt de goede dingen die Allah
voor u wettig heeft gemaakt, niet onwettig en overtreedt niet. Waarlijk, Allah
heeft de overtreders niet lief.
88. En eet wat goed en geoorloofd is waarvan Allah u heeft
voorzien. En vreest Allah in Wie gij gelooft.
89. Allah zal u niet ter verantwoording roepen voor uw
ijdele eden, maar Hij zal u ter verantwoording roepen voor de eden welke gij in
ernst aflegt. De boetedoening er voor is: tien armen te spijzigen met het
gemiddelde voedsel waarmede gij uw huisgezinnen voedt, of hen te kleden, of het
vrijmaken van een slaaf. Maar wie dat niet kan doen zal drie dagen vasten. Dit
is de boete voor uw eden, wanneer gij zweert. Maar houdt uw eden. Zo legt Allah
u Zijn tekenen uit, opdat gij dankbaar moogt zijn.
90. O gij die gelooft, wijn en het hazardspel en afgoden
en toverpijlen zijn niet anders dan gruwelen, door Satan gewrocht. Vermijdt ze
dus, opdat gij voorspoedig moogt zijn.
91. Voorzeker, door middel van wijn en hazardspel, wenst
Satan onder u vijandschap en afgunst te zaaien en u af te houden van het
gedenken van Allah en van het gebed. Zult gij dan worden weerhouden?
92. En gehoorzaamt Allah en gehoorzaamt de boodschapper en
weest op uw hoede. Maar indien gij u afwendt, weet dan, dat op Onze boodschapper
slechts het duidelijk verkondigen rust.
93. Op de gelovigen die goede werken verrichten zal geen
zonde rusten voor hetgeen zij eten mits zij Allah vrezen en geloven en goede
werken doen en nogmaals vrezen en geloven en zelfs nogmaals vrezen en goeddoen.
En Allah heeft degenen die goeddoen lief.
94. O, gij gelovigen, voorzeker, Allah zal u beproeven
door het wild, hetwelk uw handen of lansen kunnen vangen, opdat Allah degenen
zal onderscheiden die Hem in het verborgene vrezen. Derhalve zal voor hen, die
na deze (waarschuwing) overtreden, een pijnlijke straf zijn.
95. O, gij die gelooft, doodt geen wild, terwijl gij ter
bedevaart zijt. En wie onder u het opzettelijk doodt diens vergoeding is een
huisdier gelijk aan hetgeen hij heeft gedood - twee rechtvaardige mannen onder u
zullen dat beoordelen; - hetwelk als offer naar de Kaba moet worden gebracht; of
hij moet als boetedoening (een aantal) arme mensen voeden, of een gelijk aantal
dagen vasten, opdat hij het gevolg van zijn daad zal ondergaan. Allah heeft
vergeven wat voorbij is, maar wie er in terugvalt, hem zal Allah straffen. Allah
is Machtig, de Meester der vergelding.
96. De vangst uit zee en het eten ervan is wettig voor u
als voorziening voor u zelf en de reizigers, doch zolang gij ter bedevaart zijt
is het wild van het land u verboden. En vreest Allah, tot Wie gij zult worden
verzameld.
97. Allah heeft de Kaaba, het onschendbare Huis tot behoud
van de mensheid gemaakt, alsook de heilige maand en het offer, en de kamelen met
de halsbanden. Dit is, opdat gij zult begrijpen, dat Allah weet, wat in de
hemelen en wat op aarde is en dat Allah kennis heeft van alle dingen.
98. Weet, dat Allah streng is in het straffen en dat Allah
(ook) Vergevensgezind, Genadevol is.
99. Op de boodschapper rust slechts (de plicht van) het
overbrengen (der boodschap). En Allah weet, wat gij openbaart en wat gij
verbergt.
100. Zeg: "De bozen en de goeden zijn niet gelijk,
ofschoon de overvloed der bozen u in verwondering brengt. Vreest daarom Allah, o
mensen van begrip, opdat gij moogt slagen.
101. O, gij die gelooft, vraagt niet naar dingen die u,
als zij u zullen worden geopenbaard, zullen mishagen; indien gij er naar vraagt
terwijl de Koran wordt nedergezonden, zullen zij u worden onthuld. Allah heeft
ze achterwege gelaten. En Allah is Vergevensgezind, Verdraagzaam.
102. Vóór u stelde een volk vragen omtrent zo iets -
naderhand werden zij er ongelovigen door.
103. Allah heeft geen Bahira, Saiba, Wasila of Haam
verordend, maar de ongelovigen verzinnen een leugen tegen Allah en de meesten
hunner begrijpen dit niet.
104. En wanneer er tot hen wordt gezegd: "Komt tot hetgeen
Allah heeft geopenbaard en tot de boodschapper," zeggen zij: "Voor ons is
datgene waarin wij onze vaderen zagen geloven, voldoende." Zelfs indien hun
vaderen niets wisten en geen leiding hadden?
105. O, gij die gelooft, past op uzelf. Hij die dwaalt kan
u niet schaden wanneer gij juist geleid zijt. Tot Allah zult gij allen
terugkeren, dan zal Hij u tonen wat gij gedaan hebt.
106. O, gij die gelooft, wanneer de dood één uwer nadert,
ten tijde dat gij een testament maakt, zal er een getuigenis zijn van twee uwer
rechtvaardige mannen; of van twee anderen die niet van uit uw midden zijn indien
gij door het land reist en de rampspoed des doods u overvalt. Indien gij
twijfelt, houdt hen na het gebed en laat hen zweren bij Allah, zeggende: "Wij
nemen hier geen waarde voor in ruil, hoewel hij een bloedverwant is, wij
verbergen Allah's getuigenis niet, wij zouden in dat geval tot de zondaars
behoren."
107. Maar indien ontdekt wordt, dat de twee schuldig zijn
aan zonde dan moeten twee anderen hun plaats innemen uit het midden van degenen,
tegen wie de twee eersten hebben getuigd; en de laatste twee moeten bij Allah
zweren en zeggen: "Waarlijk, ons getuigenis is oprechter dan de getuigenis van
hen (de eersten) en wij zijn geen overtreders, want dan zouden wij inderdaad tot
de onrechtvaardigen behoren."
108. Dit zal hen eerder getuigenis doen afleggen naar de
feiten, of hen doen vrezen, dat andere eden na hun eden zullen worden afgelegd.
En vreest Allah en luistert. En Allah leidt het ongehoorzame volk niet.
109. Gedenkt de dag, waarop Allah de boodschappers zal
verzamelen en zeggen: "Hoe werd gij aangenomen?" Zij zullen zeggen: "Wij hebben
geen kennis, Gij alleen zijt de Oerkenner van het verborgene."
110. Wanneer Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van Maria,
gedenk Mijn gunst aan u en uw moeder, toen Ik u met de geest van heiligheid
versterkte, dat gij als kind en op middelbare leeftijd tot het volk spraakt en
toen Ik u het Boek en de wijsheid en de Torah en het Evangelie onderwees en toen
gij door Mijn gebod uit klei de vorm van een vogel maakte, dan er in blies en
het een vogel werd door Mijn gebod; en toen gij de blinden en de melaatsen door
Mijn gebod hebt genezen en de doden opgewekt; en toen Ik de kinderen Israëls er
van weerhield, (u te doden), toen gij met duidelijke tekenen tot hen kwaamt en
degenen onder hen die verwierpen, zeiden: "Dit is niets, dan klaarblijkelijke
tovenarij."
111. "En toen Ik de discipelen bezielde om in Mij en Mijn
boodschapper te geloven, zeiden zij: "Wij geloven en getuigt Gij, dat wij ons
hebben onderworpen."
112. Toen de discipelen zeiden: "O, Jezus, zoon van Maria,
is uw Heer bij machte, ons een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel neder te
zenden?", antwoordde hij: "Vreest Allah, als gij gelovigen zijt."
113. Zij zeiden: "Wij verlangen zeer, er van te mogen eten
zodat ons hart gerustgesteld moge worden en wij mogen weten dat gij de waarheid
tot ons hebt gesproken en wij daarvan getuigen mogen zijn."
114. Jezus, de zoon van Maria, zeide: "O Allah, onze Heer,
zend ons een (met voedsel) gedekte tafel van de hemel neder, opdat het voor de
eersten en de laatsten onzer een feest moge zijn en een teken van U en tot
onderhoud van ons, want Gij zijt de Beste der onderhouders."
115. Allah zeide: "Waarlijk, Ik zal haar (de tafel) tot u
nederzenden, maar wie uwer nadien ondankbaar wordt, zal Ik zó straffen als Ik
geen ander onder de volkeren gestraft heb."
116. En wanneer Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van
Maria, hebt gij tot de mensen gezegd: 'Beschouwt mij en mijn moeder als twee
Goden naast Allah,'? zal hij antwoorden: "Heilig zijt Gij! Ik zou nooit kunnen
zeggen, waarop ik geen recht had. Indien ik het had gezegd zoudt Gij het zeker
hebben geweten. Gij weet, wat in mijn innerlijk is en ik weet niet, wat in U is.
Gij zijt de Kenner van het onzienlijke.
117. Ik zeide niets tot hen, dan hetgeen Gij mij hebt
geboden: "Aanbidt Allah, mijn Heer en uw Heer." En ik was getuige van hen,
zolang ik in hun midden verbleef, maar nadat Gij mij deedt sterven, waart Gij de
Bewaker over hen en Gij zijt Getuige van alle dingen.
118. Indien Gij hen straft, zijn zij Uw dienaren en indien
Gij hen vergeeft, zijt Gij zeker de Almachtige, de Alwijze.
119. Allah zal zeggen: "Dit is een dag waarop
waarachtigheid de waarachtigen zal baten. Voor hen zijn tuinen, waar doorheen
rivieren stromen; zij zullen daarin voor eeuwig vertoeven." Allah heeft behagen
in hen en zij hebben behagen in Hem, dit is de grote zegepraal.
120. Aan Allah behoort het koninkrijk der hemelen en der
aarde en wat daartussen is en Hij heeft macht over alle dingen.
------------------------------------------------------------------------
6. Het Vee (Al-An'aam)
------------------------------------------------------------------------
Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 165
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Alle lof komt Allah toe, Die de hemelen en de aarde
schiep en de duisternis en het licht deed ontstaan; toch stellen de ongelovigen
gelijken naast hun Heer.
2. Hij is het, Die u uit klei schiep en daarna een termijn
bepaalde. De vastgestelde termijn is bij Hem. Toch twijfelt gij.
3. En Hij is Allah in de hemelen en op aarde. Hij kent uw
innerlijk en uw uiterlijk en Hij weet, wat gij verdient.
4. En er komt van de tekenen van hun Heer geen teken tot
hen of zij wenden zich er van af.
5. Zij hebben de waarheid verloochend toen deze tot hen
kwam, maar de tijdingen waarover zij spotten zullen hen weldra bereiken.
6. Zien zij niet, hoeveel geslachten Wij vóór hen hebben
vernietigd? Wij hadden hun zulke macht op de aarde gegeven als Wij u niet hebben
geschonken en Wij zonden wolken over hen die regelmatig regen deden neerstromen
en Wij deden rivieren onder hen vloeien; daarna vernietigden Wij hen vanwege hun
zonden en deden een ander geslacht na hen ontstaan.
7. En al hadden Wij u een boek op perkament nedergezonden
en al hadden zij het met hun handen betast, zouden de ongelovigen toch hebben
gezegd: "Dit is niets dan klaarblijkelijke tovenarij."
8. Zij zeggen: "Waarom is er geen engel tot hem (de
Profeet) nedergezonden?" En indien Wij een engel zenden dan wordt de zaak
afgedaan en er wordt hun geen uitstel gegeven.
9. En als Wij een engel hadden aangesteld, zouden Wij hem
als mens hebben doen voorkomen en zo zouden Wij hetgeen zij verwarren, voor hen
nog verwarder hebben gemaakt.
10. En voorzeker de boodschappers vóór u werden ook
bespot, zo trof diegenen die bespotten, de straf voor hetgeen zij bespotten.
11. Zeg: "Gaat op aarde rond en ziet, wat het einde was
der loochenaars."
12. Zeg: "Aan wie behoort hetgeen in de hemelen en op
aarde is?" Zeg: "Aan Allah." Hij heeft het op Zich genomen, barmhartigheid te
tonen. Voorzeker Hij zal u op de Dag der Opstanding verzamelen, daaraan is geen
twijfel. Zij, die hun zielen hebben tekort gedaan, geloven niet.
13. Aan Hem behoort wat in nacht en dag bestaat. En Hij is
de Alhorende, Alwetende.
14. Zeg: "Zal ik een andere Beschermer nemen, dan Allah,
de Schepper der hemelen en der aarde, Die voedt en niet wordt gevoed?" Zeg: "Het
is mij bevolen, de eerste te zijn die zich onderwerpt." En behoort niet tot de
afgodendienaren.
15. Zeg: "Ik vrees, als ik mijn Heer niet gehoorzaam, de
straf van de grote Dag."
16. Van wie deze straf op die Dag is afgewend, Allah heeft
hem inderdaad barmhartigheid betoond. En dat is een klaarblijkelijke
overwinning.
17. En als Allah u door schade treft, is er niemand die
dit kan afwenden dan Hij; en als Hij u met weldaad omringt - Hij heeft macht
over alle dingen.
18. Hij is de Oppermachtige over Zijn dienaren en Hij is
de Alwijze, en van alles op de hoogte.
19. Zeg: "Wie is het gewichtigst als getuige?" Zeg: "Allah
is getuige tussen u en mij. En deze Koran is mij geopenbaard, opdat ik u en wie
hij bereikt, moge waarschuwen. Getuigt gij werkelijk dat er andere goden buiten
Allah zijn?" Zeg: "Ik getuig niet." Zeg: "Hij is de ene God en ik heb niets
uitstaande met datgene wat gij met Hem vereenzelvigt."
20. Degenen, wie Wij het Boek gaven, erkennen hem (de
Profeet), zoals zij hun kinderen erkennen. Maar zij, die hun ziel hebben tekort
gedaan, willen niet geloven.
21. En wie is onrechtvaardiger dan hij, die een leugen
tegen Allah uitdenkt of Zijn tekenen verloochent? Voorzeker, de onrechtvaardigen
zullen niet slagen.
22. (Gedenk) de Dag, waarop Wij hen allen zullen
verzamelen, dan zullen Wij zeggen tot degenen, die afgoderij pleegden: "Waar
zijn uw mededingers, die gij beweerdet (te bezitten)?"
23. Dan zal hun antwoord niet anders zijn dan dat zij
zeggen: "Bij Allah, onze Heer; wij waren geen afgodendienaren."
24. Zie, hoe zij tegen zichzelven liegen en hoe hetgeen
zij plachten te verzinnen voor hen verloren is gegaan.
25. Er zijn sommigen hunner, die naar u luisteren, maar
Wij hebben sluiers om hun hart gelegd en hun oren verstopt, zodat zij niet
begrijpen. En al zagen zij elk teken, zouden zij er toch niet in geloven;
wanneer zij tot u komen redetwisten zij met u, en de ongelovigen zeggen: "Dit
zijn niets dan fabelen der ouden."
26. En zij verbieden (anderen) en blijven er zelt verre
van. En zij deren niemand dan zichzelven, zij bemerken het echter niet.
27. En als gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer zij
voor het Vuur zullen worden gebracht! Zij zullen dan zeggen: "O, mochten wij
slechts worden teruggezonden, dan zouden wij de tekenen van onze Heer niet meer
verloochenen en wij zouden tot de gelovigen behoren."
28. Neen, hetgeen zij voorheen plachten te verbergen is
hun duidelijk geworden. En als zij zouden worden teruggezonden zoudden zij gewis
tot hetgeen hen was verboden terugkeren; Voorzeker zij zijn leugenaars.
29. En zij zeggen: "Er is niets dan ons leven van deze
wereld en wij kunnen niet worden opgewekt."
30. En wanneer gij het slechts zoudt kunnen zien, wanneer
zij voor hun Heer zullen worden gebracht, zal Hij zeggen: "Is dit niet de
waarheid?" Zij zullen antwoorden: "Ja zeker, bij onze Heer." Hij zal zeggen:
"Ondergaat dan de straf, omdat gij placht te verwerpen."
31. Voorzeker, zij, die de ontmoeting met Allah
verloochenen, benadelen zich, totdat het uur onverwachts over hen komt, en zij
zullen zeggen: "O, wij hebben wroeging, vanwege onze tekortkoming hierin." En
zij zullen hun lasten op hun ruggen dragen. Ziet toe, wat zij dragen is zeker
slecht.
32. Het wereldse leven is niets dan een spel en een ijdel
vermaak. Doch voor degenen die God vrezen, is het tehuis van het Hiernamaals
beter. Wilt gij dan niet begrijpen?
33. Wij weten zeer goed dat hetgeen zij zeggen u verdriet
doet, doch zij verloochenen u (profeet) niet, maar het zijn de tekenen van Allah
die de boosdoeners verwerpen.
34. Gewis, de boodschappers vóór u werden ook verloochend
en gekweld, niettemin bleven zij geduldig in datgene, waarvoor zij waren
verloochend; totdat onze hulp tot hen kwam. Er is niemand die de woorden van
Allah kan veranderen. En er zijn reeds tijdingen omtrent die boodschappers tot u
gekomen.
35. En als hun afkeer u onverdraaglijk is, breng hun dan
een teken, indien gij een opening in de aarde of een ladder naar de hemelen kunt
vinden. En indian Allah wilde zou Hij hen zeker onder één leiding hebben
verzameld. Behoor dus niet tot de onwetenden.
36. Alleen degenen die luisteren, kunnen aannemen. De
doden zal Allah opwekken en dan zullen zij tot Hem worden teruggebracht.
37. En zij zeggen: "Waarom is er over hem geen teken van
zijn Heer nedergezonden?" Zeg: "Voorzeker, Allah heeft de macht om een teken
neder te zenden." Maar de meesten hunner beseffen het niet.
38. En er is geen beest dat op de aarde kruipt, noch een
vogel die op zijn vleugels vliegt, of zij vormen gemeenschappen, zoals gij. Wij
hebben niets uit het Boek weggelaten. Dan zullen zij tot hun Heer tezamen worden
gebracht.
39. Zij, die Onze tekenen verloochenen, zijn doof en stom,
in de duisternis. Allah laat wie Hij wil dwalen en Hij plaatst op het rechte pad
wie Hij wil.
40. Zeg: "Wat denkt gij? Als de straf van Allah, of het
uur over u komt, zult gij dan iemand anders aanroepen, dan Allah, als gij
waarachtig zijt?"
41. "Neen, Hem alleen zult gij aanroepen; dan zal Hij
datgene verwijderen waarvoor gij Hem aanroept als Hij dat wil en gij zult uw
afgoderij vergeten.
42. Wij zonden inderdaad tot de volkeren die vóór u waren,
(een profeet) toen troffen Wij hen (die volkeren) met armoede en tegenspoed
opdat zij zich mochten verootmoedigen.
43. Waarom verootmoedigden zij zich niet toen Onze straf
over hen kwam? Maar hun hart was verhard en Satan deed hun schoon schijnen al
hetgeen zij verrichtten.
44. Toen zij dan hetgeen waarvoor zij waren gewaarschuwd
vergaten, openden Wij hun de poorten van alle dingen (der wereld) totdat zij
verheugd werden over hetgeen hun was gegeven, dan grepen Wij hen onverwachts aan
en zie, zij werden wanhopig.
45. Zo werd de levensader van de mensen, die slecht
handelden, afgesneden. Alle lof komt Allah toe, de Heer der Werelden.
46. Zeg: "Wat denkt gij? Als Allah uw gehoor en gezicht
zou wegnemen en uw hart zou verzegelen, wie is dan God buiten Allah die het u
kon teruggeven? Zie, hoe Wij de tekenen verklaren, toch wenden Zij zich af.
47. Zeg: "Wat denkt gij? Als de straf van Allah
onverwachts of openlijk tot u komt, zal iemand anders dan het onrechtvaardige
volk vernietigd worden?"
48. Wij zenden de boodschappers alleen als dragers van
blijde tijding en als waarschuwers. Over degenen, die geloven en zich
verbeteren, zal geen vrees komen noch zullen zij treuren.
49. En degenen, die Onze tekenen verloochenen, hen zal
straf raken, omdat zij niet gehoorzaam waren.
50. Zeg: "Ik zeg niet tot u, dat ik de schatten van Allah
bezit, noch dat ik het onzienlijke ken, noch zeg ik tot u: 'Ik ben een engel';
ik volg slechts hetgeen mij wordt geopenbaard." Zeg: "Kunnen de blinde en de
ziende gelijk zijn? Wilt gij dan niet nadenken?"
51. Waarschuw daarmede degenen die vrezen, dat zij tot hun
Heer worden verzameld, dat zij buiten Hem vriend noch bemiddelaar hebben, opdat
zij (God) mogen vrezen.
52. En verdrijf niet degenen die hun Heer morgen en avond
aanroepen, Zijn aangezicht zoekend. Gij zijt volstrekt niet verantwoordelijk
voor hen, noch zijn zij enigermate verantwoordelijk voor u. Zoudt gij hen
verdrijven, dan zult gij tot de onrechtvaardigen behoren.
53. En op deze wijze hebben Wij sommigen hunner door
anderen beproefd, zodat zij kunnen zeggen: "Zijn dezen het, die Allah onder ons
heeft begunstigd?" Kent Allah degenen die dankbaar zijn niet het beste?
54. Wanneer degenen die in Onze tekenen geloven, tot u
komen, zeg dan: "Vrede zij u." Uw Heer heeft barmhartigheid op zich genomen; dus
wie uwer in onwetendheid kwaad doet en daarna berouw heeft en zich verbetert,
(voor hem) is Hij Vergevensgezind, Genadevol.
55. En zo zetten Wij de tekenen uiteen opdat de weg der
schuldigen openbaar worde.
56. Zeg: "Het is mij verboden degenen, die gij naast Allah
aanroept, te aanbidden. Zeg: "Ik wil uw boze neigingen niet volgen. In dat geval
zal ik tot de dwalenden behoren en niet tot hen die het rechte pad volgen."
57. Zeg: "Ik ben op de rechte weg van mijn Heer en gij
verloochent die. Maar wat gij verhaast is niet in mijn macht. De beslissing
berust slechts bij Allah. Hij zet de waarheid uiteen en Hij is de beste der
seheidsrechters."
58. Zeg: "Als hetgeen gij verhaast in mijn macht was, zou
de zaak voorzeker tussen u en mij reeds zijn beslist. En Allah kent de
onrechtvaardigen met beste.
59. En bij Hem zijn de sleutels van het onzienlijke;
niemand kent dit, behalve Hij. En Hij weet wat op het land en wat in de zee is.
En er valt geen blad zonder dat Hij het weet, noch is er een korrel in de
duisternis der aarde, noch iets dat groen of droog is, zonder dat het in een
duidelijk Boek is vermeld.
60. Hij is het, Die uw ziel in de nacht neemt en weet
hetgeen gij overdag doet; daarna wekt Hij u weder op, opdat de vastgestelde
termijn moge worden voltooid. Dan is uw terugkeer tot Hem. Daarna zal Hij u
inlichten over hetgeen gij deedt.
61. Hij is oppermachtig over Zijn dienaren en Hij zendt
bewakers over u, totdat, wanneer de dood tot een uwer komt, Onze boodschappers
zijn ziel wegnemen; zij falen daarin niet.
62. Dan worden zij tot Allah, hun ware Heer teruggebracht.
Voorzeker, de beslissing ligt in Zijn handen; en Hij verrekent het snelst."
63. Zeg: "Wie verlost u van de rampen van het land en van
de zee wanneer gij Hem in nederigheid en in het geheim aanroept? (zeggende):
'Indien Hij ons hiervan redt zullen wij zeker tot de dankbaren behoren."
64. Zeg: "Allah verlost u van deze en van elke andere nood
en toch schrijft gij deelgenoten (medegoden) aan Hem toe."
65. Zeg: "Hij heeft macht om u van boven of van onder u
straf toe te zenden, u in groepen te verdelen en elkander geweld aan te laten
doen." Zie, hoe Wij de tekenen uiteenzetten opdat zij mogen begrijpen.
66. En uw volk heeft het verworpen, ofschoon het de
waarheid is. Zeg: "Ik ben geen voogd over u."
67. Er is voor elke profetie een vastgestelde tijd en gij
zult het weldra te weten komen.
68. Wanneer gij degenen ziet, die Onze tekenen bespotten,
wendt u dan van hen af, totdat zij een ander gesprek beginnen. En als Satan het
u doet vergeten zit dan niet, nadat het in uw herinnering opkomt, met het
onrechtvaardige volk bijeen.
69. En degenen die God vrezen, zijn in het geheel niet
verantwoordelijk voor hen, behalve voor de vermaning, opdat zij behoed zullen
worden.
70. Laat degenen die hun geloof tot een spel en
tijdverdrijf hebben gemaakt en wie het wereldse leven heeft bedrogen, met rust.
En waarschuw hiermee, opdat een ziel niet moge worden overgeleverd voor hetgeen
zij heeft gedaan. Zij zal naast Allah geen helper of bemiddelaar hebben. En
indien zij (zelfs) alles als losprijs zou aanbieden, zal deze van haar niet
worden aanvaard. Dezen zijn het, die zijn overgeleverd voor hetgeen zij
verdienden. Zij zullen een drank van kokend water en een smartelijke straf
ontvangen, omdat zij verwerpen.
71. Zeg: "Zullen wij naast Allah datgene aanroepen wat ons
noch bevoordelen noch schaden kan, dan worden wij, nadat Allah ons heeft geleid,
van het rechte pad verwijderd, zoals iemand die de bozen hebben neergeveld op de
aarde in een toestand van verbijstering en die metgezellen heeft die hem tot de
weg roepen, zeggende: 'Kom tot ons'?" Zeg: "De leiding van Allah is voorzeker de
enige leiding en het is ons bevolen ons aan de Heer der Werelden te
onderwerpen."
72. En: "Onderhoudt het gebed en vreest Hem, tot Wie gij
zult worden verzameld."
73. En Hij is het, Die de hemelen en de aarde in
werkelijkheid schiep. En de dag, waarop Hij zegt: "Wees", wordt het. Zijn woord
is werkelijkheid; en aan Hem behoort het koninkrijk op de Dag waarop de bazuin
zal worden geblazen. De Kenner v an het onzichtbare en het zichtbare. Hij is de
Alwijze, de Al- kennende.
74. Toen Abraham tot zijn vader Azar zeide: "Neemt gij
afgoden tot Goden? Ik zie u en uw volk in duidelijke dwaling."
75. Zo toonden Wij Abraham het koninkrijk der hemelen en
der aarde, opdat hij tot de vastgelovenden zou behoren.
76. En toen de nacht over hem kwam, zag hij een ster. Hij
zeide: "Dit is mijn Heer." Maar toen zij onderging, zeide hij: "Ik heb de
dingen, die ondergaan niet lief."
77. En toen hij de maan zag glanzen, zeide hij: "Dit is
mijn Heer." Maar toen zij onderging zeide hij: "Had mijn Heer mij niet geleid
dan zou ik zeker tot het dwalende volk behoren."
78. En toen hij de zon zag stralen zeide hij: "Dit is mijn
Heer. Dit is de grootste" Maar toen zij onderging, zeide hij: "O, mijn volk, ik
heb niets uitstaande met uw afgoden."
79. "Ik heb mijn aangezicht oprecht gewend tot Hem, Die de
hemelen en de aarde schiep en ik behoor niet tot de afgodendienaren."
80. En zijn volk redetwistte met hem. Hij zeide:
"Redetwist gij met mij omtrent Allah, terwijl Hij mij recht heeft geleid? En ik
vrees hetgeen gij met Hem vereenzelvigt niet, tenzij mijn Heer iets wenst. Mijn
Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Wilt gij er dan geen lering uit trekken?"
81. "En hoe kan ik uw afgoden vrezen, terwijl gij zelf uw
afgoderij niet vreest waarvoor Allah u geen gezag heeft nedergezonden? Wie van
de twee partijen is dan veiliger, als gij dat weet?"
82. Zij die geloven en hun geloof niet met
onrechtvaardigheid vermengen - dezen zijn het, die vrede zullen hebben want zij
zijn recht geleid.
83. En dit is onze bewijsgrond die Wij Abraham tegen zijn
volk gaven. Wij verheffen graadsgewijze, wie Wij willen. Voorzeker, Uw Heer is
Alwijs, Alwetend.
84. En Wij gaven hem Izaäk en Jacob; Wij leidden elk
hunner en voordien leidden Wij Noach en van zijn afstammelingen: David, Salomo,
Job, Jozef, Mozes en Aäron. Zo belonen Wij de goeden.
85. En Zacharia, Johannes, Jezus en Elias. Elk hunner
behoorde tot de deugdzamen.
86. En Ismaël, Elisa, Jonas en Lot; elk hunner verhieven
Wij boven de volkeren.
87. En van hun vaderen en hun kinderen en hun broederen
verkozen Wij enigen en leidden hen op het rechte pad.
88. Dit is de leiding van Allah, Hij leidt daarmede van
Zijn dienaren, wie Hij wil. En, indien zij iets naast Hem hadden aanbeden, zou
voorzeker al hetgeen zij plachten te doen, verloren zijn gegaan.
89. Dezen zijn het, wie Wij het Boek en de heerschappij en
het profetenambt gaven. Maar nu dezen er ondankbaar voor zijn, hebben Wij deze
aan een volk toevertrouwd dat er niet ondankbaar voor zal zijn.
90. Dezen zijn het, die Allah juist heeft geleid; volgt
daarom hun leiding. Zeg: "Ik vraag u er geen beloning voor. Dit is niets dan een
vermaning aan alle volkeren."
91. En zij schatten de juiste waarde van Allah niet
wanneer zij zeggen: "Allah heeft aan niemand iets geopenbaard." Zeg: "Wie
openbaarde het Boek dat Mozes bracht als licht en leiding voor de mensen - dat
gij op papieren schrijft, en bekend maakt, terwijl gij toch veel verbergt en
(waardoor) aan u is onderwezen, hetgeen gij noch uw vaderen wisten?" - Zeg:
"Allah". Laat hen dan met rust om zich met hun ledig spel te vermaken.
92. En dit Boek vol zegeningen, hebben Wij geopenbaard,
vervullende, hetgeen er aan voorafging, opdat gij de moeder der steden (Mekka)
en wat er omheen is zoudt waarschuwen. En degenen die in het Hiernamaals
geloven, geloven er in en zij waken over hun gebed.
93. En wie is onrechtvaardiger dan hij die een leugen over
Allah uitdenkt of zegt: "Het is mij geopenbaard," terwijl hem niets is
geopenbaard en die zegt: "Ik zal iets nederzenden dat gelijk is aan hetgeen
Allah heeft nedergezonden?" O, kondet gij het waarnemen, wanneer de
onrechtvaardigen in doodsstrijd zijn en de engelen hun handen uitstrekken,
(zeggende): "Geeft uw zielen op. Deze dag zal u de straf der schande worden
toegekend, voor hetgeen gij ten onrechte tegen Allah zeidet en omdat gij u
hoogmoedig van Zijn tekenen afwenddet.
94. Nu zijt gij één voor één tot Ons gekomen zoals Wij u
eerst schiepen en gij hebt, hetgeen Wij u schonken achter u gelaten en Wij zien
de bemiddelaren, waarvan gij beweerdet dat zij deelgenoten waren in uw zaken,
niet bij u. Voorzeker is nu (de band) tussen u afgesneden en hetgeen gij placht
te beweren is verloren gegaan.
95. Voorwaar, het is Allah die de graankorrel en de
dadelpit doet uitspruiten. Hij brengt de levenden uit de doden voort en is de
Voortbrenger van doden uit de levenden. Dat is Allah, waarheen wordt gij dan
afgewend?
96. Hij doet de dag aanbreken en Hij heeft de nacht voor
rust ingesteld en de zon en de maan voor het uitrekenen (der jaargetijden). Dat
is de ordening van de Almachtige, de Alwetende.
97. Hij is het, Die de sterren voor u heeft gemaakt, opdat
gij daardoor de juiste richting in de duisternissen van het land en van de zee
moogt volgen. Wij hebben de tekenen uitgelegd aan een volk, dat kennis bezit.
98. En Hij is het, Die u van uit één ziel heeft
voortgebracht en er is een verblijfplaats en een bewaarplaats voor u. Wij hebben
de tekenen verklaard aan een volk dat begrijpt.
99. En Hij is het, Die water uit de wolken nederzendt en
daardoor elke soort van groei voortbrengt. En evenzo brengen Wij daarmee groen,
waarvan Wij korenaren voortbrengen. En er komen uit de scheden van de dadelpalm
laaghangende trossen. En Wij (brengen er) wijngaarden en de olijf en de
granaatappel (mee voort) van gelijke en ongelijke soort. Kijkt naar het fruit
ervan, wanneer het vrucht zet en naar het rijpen daarvan. Hierin zijn voorzeker
tekenen voor een volk dat (wil) geloven.
100. En zij houden de djinn voor deelgenoten van Allah
ofschoon Hij dezen schiep; en zij dichten Hem, zonder kennis, zonen en dochters
toe. Heilig is Hij en verheven boven hetgeen zij Hem toeschrijven.
101. Wondere Schepper der hemelen en der aarde. Hoe kan
Hij een zoon hebben, wanneer Hij geen gemalin heeft? Hij heeft alles geschapen;
en Hij is de Kenner van alle dingen.
102. Zo is Allah, uw Heer. Er is geen God naast Hem, (Hij
is) de Schepper aller dingen, aanbidt Hem Want Hij is de Voogd over alles.
103. Ogen kunnen Hem niet bereiken; maar Hij bereikt de
ogen. Want Hij is de Ontastbare, de Alwetende.
104. "Er zijn inderdaad bewijzen van uw Heer tot u
gekomen, wie dus ziet het is voor hemzelf en wie blind wordt het is tegen
hemzelf. En ik ben geen bewaker over u."
105. En zo zetten Wij de tekenen uiteen, zodat zij zeggen:
"Gij hebt het geleerd (van iemand)", en opdat Wij het aan een volk dat kennis
heeft, mogen duidelijk maken.
106. Volg, hetgeen u van uw Heer is geopenbaard: er is
geen God naast Hem; en wend u van de afgodendienaren af.
107. En als Allah had gewild, zouden zij geen goden hebben
opgericht. Wij hebben u (de Profeet) geen bewaker over hen gemaakt, noch zijt
gij voogd over hen.
108. En scheldt degenen, die zij naast Allah aanroepen
niet uit, anders zullen zij uit nijd in hun onwetendheid Allah uitschelden. Zo
hebben Wij voor elk volk hun daden schoon doen schijnen. Dan zullen zij tot hun
Heer terugkeren en Hij zal hen inlichten over hetgeen zij plachten te doen.
109. En zij zweren hun sterkste eden bij Allah, dat,
indien er een teken tot hen zou komen, zij er gewis in zouden geloven. Zeg:
"Voorzeker, de tekenen zijn bij Allah." En wat weet gij: Wanneer de tekenen
komen, zullen zij stellig niet geloven.
110. En Wij zullen hun hart en ogen in verwarring brengen,
omdat zij er voor de eerste keer niet in geloofden en Wij zullen hen in hun
overtreding blindelings laten dwalen.
111. En zelfs al zonden Wij engelen tot hen neder en al
spraken de doden tot hen en Wij verzamelden voor hen alle dingen van aangezicht
tot aangezicht, zij zouden er niet in geloven, tenzij Allah dit wilde. Maar de
meesten hunner gedragen zich onwetend.
112. Op dezelfde wijze hebben Wij een vijand voor elke
profeet gemaakt, bozen van onder de mensen en de djinn. Zij fluisteren elkander
vergulde woorden in om te bedriegen - en als uw Heer had gewild, zouden zij het
niet hebben gedaan; laat hen daarom met rust met hetgeen zij verzinnen.
113. En opdat de harten dergenen die niet in het
Hiernamaals geloven er zich toe neigen en zij er tevreden mee mogen zijn en dat
zij mogen verdienen hetgeen zij willen verdienen.
114. Zal ik als rechter iemand anders zoeken dan Allah,
terwijl Hij het is, Die u het Boek heeft nedergezonden dat uitvoerig is
verklaard? En degenen, wie Wij het Boek gaven weten dat het van uw Heer is
nedergezonden met de waarheid; behoort daarom niet tot degenen die twijfelen.
115. En het woord van uw Heer is in waarheid en
rechtvaardigheid vervuld. Niemand kan Zijn woorden veranderen; Hij is de
Alhorende, de Alwetende.
116. En als gij het merendeel dergenen die op aarde zijn,
volgt, zullen zij u van Allah's weg doen afdwalen. Zij volgen slechts vermoedens
en zij doen niets dan gissen.
117. Voorzeker, uw Heer weet het beste wie van Zijn weg
afdwaalt en Hij kent degenen, die recht geleid zijn.
118. Eet daarom van hetgeen waarover de naam van Allah is
uitgesproken als gij in Zijn tekenen gelooft.
119. En welke reden hebt gij, dat gij niet van datgene
zoudt eten, waarover de naam van Allah is uitgesproken, terwijl Hij u reeds
heeft uitgelegd wat Hij u heeft verboden, - met uitzondering van datgene waartoe
gij gedwongen zijt. En voorzeker, velen misleiden door hun boze neigingen zonder
kennis. Waarlijk, uw Heer kent de overtreders het beste.
120. En schuwt openlijke, alsmede geheime zonden. Gewis,
degenen die zonden begaan, zal voor hetgeen zij doen, worden vergolden.
121. En eet niet van hetgeen, waarover de naam van Allah
niet is uitgesproken, want dat is zeker ongehoorzaamheid. En de bozen sporen hun
vrienden aan opdat zij met u mogen redetwisten. Als gij hen gehoorzaamt zult gij
inderdaad afgodendienaren zijn.
122. Is hij, die dood was en wie Wij het leven gaven en
voor wie Wij een licht maakten waardoor hij onder de mensen wandelt, gelijk aan
hem, wiens toestand zodanig is dat hij in de duisternissen verblijft waaruit hij
niet kan wegkomen? Zo werd voor de ongelovigen schoonschijnend gemaakt hetgeen
zij deden.
123. En zo hebben Wij in elke stad de groten tot haar
schuldigen gemaakt zodat zij er in samenspannen en zij smeden slechts tegen hun
eigen ziel, maar zij bemerken het niet.
124. En wanneer er tot hen een teken komt, zeggen zij:
"Wij zullen niet geloven voordat ons hetzelfde is gegeven als hetgeen Allah's
boodschappers is gegeven." Allah weet het beste waar Zijn boodschapte plaatsen.
Vernedering bij Allah en een strenge straf zal de overtreders voorzeker treffen,
wegens hetgeen zij beramen.
125. Wie Allah ook wenst te leiden, Hij verruimt zijn hart
voor de Islam en wie Hij wenst te laten dwalen, zijn hart maakt Hij eng en
gesloten alsof hij een hoogte aan het beklimmen was. Zo legt Allah degenen die
niet geloven, onreinheid op.
126. En dit is het rechtleidende pad van uw Heer. Wij
hebben de tekenen inderdaad verduidelijkt voor een volk dat er lering uit wil
trekken.
127. Voor hen is het Huis van Vrede (het Paradijs) bij hun
Heer en Hij is hun Vriend, wegens hetgeen zij doen.
128. De Dag, waarop Hij hen allen tezamen zal verzamelen,
(zal Hij zeggen): "O, gezelschap van djinn, gij hebt een grote hoeveelheid
mensen tot u getrokken." En hun vrienden onder de mensen zullen zeggen: "Onze
Heer, wij hebben van elkander geprofiteerd, maar nu hebben wij de termijn welke
Gij voor ons hebt vastgesteld bereikt." Hij zal zeggen: "Het Vuur is uw tehuis
waarin gij zult vertoeven, behalve wat Allah moge behagen." Voorzeker, uw Heer
is Alwijs, Alwetend.
129. En op dezelfde wijze maken Wij sommigen der
onrechtvaardigen tot vrienden voor de anderen, voor hetgeen zij verdienen.
130. O, gezelschap van djinn en mensen. Kwamen er niet uit
uw midden boodschappers tot u die u Mijn tekenen verhaalden en die u voor de
ontmoeting van deze Dag waarschuwden? Zij zullen zeggen: "Wij getuigen tegen
onszelven." Het wereldse leven bedroog hen. En zij zullen tegen zichzelf
getuigen, dat zij ongelovigen waren.
131. Dit komt, omdat uw Heer de steden niet onrechtvaardig
wilde vernietigen, terwijl de mensen er van onbewust waren.
132. En er zijn voor allen graden overeenkomstig hetgeen
zij doen en uw Heer is niet onopmerkzaam jegens hetgeen zij doen.
133. En uw Heer is Onafhankelijk, Barmhartig. En als Hij
het wil, kan Hij u wegnemen en u doen opvolgen wie Hij wil, zoals Hij u uit het
nageslacht van andere mensen deed ontstaan.
134. Hetgeen u is beloofd, zal voorzeker geschieden en gij
kunt het niet voorkomen.
135. Zeg: "O mijn volk, handel naar uw vermogen, ik handel
ook. Gij zult weldra weten voor wie de uiteindelijke beloning van het tehuis zal
zijn." Waarlijk de onrechtvaardigen slagen nooit.
136. En zij hebben Allah een deel van de oogsten en van
het vee aangewezen, dat Hij heeft voortgebracht en zij zeggen: "Dit is voor
Allah en dit is voor onze goden," zoals zij het zich denken. Maar hetgeen voor
hun afgoden is, bereikt Allah niet, terwijl hetgeen voor Allah is, hun afgoden
wel bereikt. Slecht is hetgeen zij oordelen.
137. Op dezelfde manier hebben voor velen der
afgodendienaren hun afgoden het doden hunner kinderen schoonschijnend gemaakt,
opdat zij hen mogen vernietigen en verwarring in hun godsdienst doen ontstaan.
En als Allah het wilde, zouden zij dit niet hebben gedaan, laat hen daarom met
rust met hetgeen zij verzinnen.
138. Zij zeggen: "Dit en dat vee en die en die oogsten
zijn verboden, niemand zal er van eten, dan wie het ons belieft" - alzo beweren
zij - en er is vee, welks ruggen verboden zijn en er is vee, waarover zij de
naam van Allah niet uitspreken en zij bedenken een leugen over Hem. Hij zal hen
weldra vergelden, hetgeen zij verzinnen.
139. En zij zeggen: "Hetgeen in de baarmoeders van dit en
dat vee is, is uitsluitend voor onze mannen en is onze vrouwen verboden, maar
als het dood geboren wordt hebben zij allen er deel aan." Hij zal hen naar hun
bewering belonen. Voorzeker, Hij is Alwijs, Alwetend.
140. Zij, die hun kinderen door gebrek aan kennis uit
domheid doden en hetgeen, waarvan Allah hen heeft voorzien, onwettig maken, een
leugen over Allah smedende, zijn inderdaad afgedwaald - noch kunnen zij recht
geleid worden.
141. Hij is het, Die tuinen doet ontstaan, wel of niet
gestut en de dadelpalm en de korenvelden, waarvan de vruchten van verschillende
soorten zijn en de olijf en de granaatappel van gelijke en ongelijke soort. Eet
de vruchten ervan wanneer zij vruchten dragen, maar betaalt op de dag van de
oogst, wat Hem verschuldigd is en verkwist het niet. Voorzeker, Allah heeft de
verkwisters niet lief.
142. En Hij schiep onder het vee lastvee en slachtvee. Eet
van hetgeen Allah u heeft voorzien en volgt de voetstappen van Satan niet.
Voorzeker, hij is een openlijke vijand voor u.
143. Acht, in paren: Twee van de schapen en twee van de
geiten. Zeg: "Zijn het de twee mannelijke dieren, die Hij heeft verboden, of de
twee vrouwelijke dieren, ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke
dieren bevatten? Onderricht mij met zekerheid, indien gij waarachtig zijt."
144. En twee der kamelen en twee der runderen. Zeg: "Zijn
het de twee mannelijke dieren die Hij heeft verboden of de twee vrouwelijke
dieren ofwel, hetgeen de baarmoeders der twee vrouwelijke dieren bevatten? Waart
gij aanwezig toen Allah u dit oplegde? Wie is dan onrechtvaardiger dan hij die
een leugen over Allah bedenkt om de mensen zonder kennis te doen dwalen?"
Voorzeker, Allah leidt het onrechtvaardige volk niet.
145. Zeg: "Ik vind in hetgeen mij is geopenbaard niets,
dat een eter is verboden te eten, met uitzondering van het gestorvene of
vloeiend bloed of varkensvlees, want dit alles is onrein - of, wat in
overtreding is, waarover een andere naam dan Allah's is aangeroepen. Maar wie
door noodzaak wordt gedreven en niet begerig is noch de grens overschrijdt: uw
Heer is dan voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
146. Wij verboden de Joden alle dieren die klauwen hebben
en Wij verboden hun het vet van runderen, schapen en geiten, anders dan wat hun
ruggen of hun ingewanden dragen of hetgeen met een been is gemengd. Dit is de
vergelding, welke Wij hun voor hun opstandigheid gaven. En Wij zijn voorzeker
Waarachtig.
147. En indien zij u verloochenen zeg: "Uw Heer is de Heer
der alomvattende Barmhartigheid doch Zijn straf zal van het schuldige volk niet
worden afgewend."
148. Zij die afgoderij bedrijven, zullen zeggen: "Als
Allah het had gewild hadden wij noch onze vaderen afgoderij bedreven, noch
hadden wij iets onwettig verklaard." Op dezelfde wijze loochenden ook zij die
vóór hen waren, totdat zij Onze straf ondergingen. Zeg: "Hebt gij enige kennis?
Toont het ons dan. Gij volgt niets dan vermoedens en gij doet niets dan liegen."
149. Zeg: "Van Allah is het afdoende bewijs. Als Hij had
gewild zou Hij u zeker allen hebben geleid."
150. Zeg: "Brengt uw getuigen die getuigenis willen
afleggen, dat Allah dit heeft verboden.'' Als zij getuigen, getuig niet met hen,
noch volg de boze neigingen van degenen die Onze tekenen verloochenen en van
degenen, die niet in het Hiernamaals geloven en die medegoden aan hun Heer
toeschrijven.
151. Zeg: "Komt, ik zal u verkondigen, wat uw Heer heeft
verboden;" n.l. dat gij iets met Hem vereenzelvigt en dat gij uw ouders niet
goed behandelt en dat gij uw kinderen uit armoede doodt. - Wij zijn het, Die
voor u en voor hen zorgen - en dat gij onbetamelijke daden hetzij openlijk of in
het geheim begaat en dat gij een ziel ten onrechte doodt die Allah heilig heeft
verklaard. Dit is, hetgeen Hij u heeft bevolen, opdat gij moogt begrijpen.
152. Beheert het eigendom van de wees, voordat hij
volwassen is, niet anders dan op de beste wijze. En geeft de volle maat en het
volle gewicht met rechtvaardigheid. Wij belasten geen ziel boven haar vermogen.
En leeft, wanneer gij spreekt, rechtvaardigheid na, zelfs wanneer het een
bloedverwant betreft en vervult het verbond van Allah. Dit is, hetgeen Hij u
vermaant, opdat gij er lering uit moogt trekken.
153. En dit is het rechte pad dat tot Mij leidt. Volgt het
daarom en volgt geen andere wegen opdat zij u niet van Mijn weg afleiden.
Hiertoe vermaant Hij u, opdat gij vroom moogt zijn.
154. En Wij gaven Mozes het Boek, als voltooiing van de
gunst aan hem die goed wilde doen en een uitleg van alle dingen en een leidraad
en een barmhartigheid, opdat zij in de ontmoeting van hun Heer mochten geloven.
155. En dit is een Boek dat Wij hebben nedergezonden, vol
van zegeningen. Volgt het daarom en hoedt u, opdat u barmhartigheid mag worden
betoond.
156. Opdat gij niet zoudt zeggen: "Het Boek was alleen
geopenbaard voor twee volkeren die vóór ons leefden, en wij waren inderdaad met
de inhoud er van onbekend."
157. Of ingeval gij zoudt zeggen: "Voorzeker, als ons het
Boek was nedergezonden, zouden wij beter zijn geleid dan zij." Er is nu een
duidelijk bewijs, leiding en barmhartigheid van uw Heer tot u gekomen. Wie is
onrechtvaardiger dan hij die de tekenen van Allah verwerpt en er zich van
afkeert? Wij zullen degenen, die zich van Onze tekenen afwenden met een
vreselijke straf vergelden omdat zij zich hebben afgewend.
158. Verwachten zij niets anders dan dat engelen tot hen
zouden komen, of dat hun Heer zou verschijnen of dat enige der tekenen van uw
Heer zouden plaatshebben? Op de dag, wanneer enige der tekenen van uw Heer
zullen verschijnen, zal het geloven geen ziel baten die voorheen niet geloofde
noch iets goeds door haar geloof verdiende. Zeg: "Wacht, Wij wachten ook."
159. Degenen, die scheiding in hun godsdienst maken en
zich in secten verdelen - gij hebt met hen niets uitstaande. Hun zaak rust in
Allah's handen dan zal Hij hen bekend maken met hetgeen zij deden.
160. Wie een goede daad verricht zal tienmaal zoveel
ontvangen, maar wie een slechte daad verricht zal alleen een daaraan gelijke
vergelding ontvangen; hun zal geen onrecht worden aangedaan.
161. Zeg: "Wat mij betreft, mijn Heer heeft mij op het
rechte pad geleid - een goed geloof, de godsdienst van Abraham, de oprechte. En
hij behoorde niet tot de afgodendienaren."
162. Zeg: "Mijn gebed en mijn offer, mijn leven en mijn
dood zijn gewijd aan Allah, de Heer der Werelden."
163. "Hij heeft geen gelijken. Zo is mij bevolen en ik ben
de eerste der Moslims."
164. Zeg: "Zal ik een andere Heer begeren buiten Allah,
terwijl Hij de Heer aller dingen is?" En geen ziel handelt dan voor zichzelf
alleen, noch draagt een lastdrager de last van anderen. Dan zal uw terugkeer tot
uw Heer zijn en Hij zal u verklaren, waarover gij twisttet.
165. En Hij is het, die u op aarde tot opvolgers maakte en
Hij heeft sommigen uwer in rang boven anderen verheven, opdat Hij u door hetgeen
Hij u heeft gegeven, moge beproeven. Voorzeker, uw Heer is vlug in het straffen
en voorzeker, Hij is Vergevensgezind, Genadevol.
------------------------------------------------------------------------
7. De Verheven Plaatsen (Al-Aa'raaf)
------------------------------------------------------------------------
Geopenbaard vóór de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 206
strofen.
In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
1. Alif Laam Miem Saad.
2. (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard
- laat er daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; - dit
is een aanmaning voor de gelovigen.
3. Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt
geen andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die gij trekt.
4. Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf
overviel hen gedurende de nacht of tijdens de middagslaap.
5. Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders
dan dat zij zeiden: "Wij waren inderdaad onrechtvaardigen."
6. En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren
gezonden zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook
ondervragen.
7. Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want
Wij zijn nooit afwezig.
8. En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag
eerlijk zijn. Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen.
9. En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun
zielen tekort, omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren.
10. En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van
middelen van bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar zijt gij!
11. Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij
tot de engelen: "Onderwerpt u aan Adam" en zij onderwierpen zich, behalve
Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen.
12. (Allah) zeide: "Wat belette u, u te onderwerpen, toen
Ik u (dat) gebood?" Hij antwoordde: "Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur
en hem uit klei geschapen.
13. (Allah) zeide: "Verwijder u van hier - het is niet aan
u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die
vernederd zullen worden."
14. Hij zeide: "Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij
zullen worden opgewekt."
15. (Allah) zeide: "U is uitstel verleend."
16. Hij antwoordde: "Welnu, daar gij mij liet dwalen zal
ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad."
17. "Dan zal ik mij gewis vóór hen en achter hen en van
hun rechter en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet
dankbaar vinden."
18. (Allah) zeide: "Ga heen, veracht en verworpen. Wie
hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen."
19. "O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat
gij wilt, maar nadert deze boom niet, anders zult gij tot de onrechtvaardigen
behoren."
20. Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat
hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: "Uw Heer
heeft u deze boom alleen verboden, opdat gij geen engelen of eeuwig- levenden
zoudt worden."
21. En hij zwoer tot hen: "Ik ben voor u zeker een
oprechte raadgever."
22. Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de
boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken
met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide: "Verbood Ik u die boom
niet en zeide Ik niet tot u: 'Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u'?"
23. Zij antwoordden: "Onze Heer, wij hebben onszelf
onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen
wij zeker tot de benadeelden behoren.
24. Hij zeide: "Gaat heen, sommigen uwer zullen de
vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een
voorziening voor een bepaalde tijd."
25. Hij zeide: "Gij zult daarop leven en sterven en gij
zult daarvandaan worden opgewekt."
26. O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding
nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn, doch het
kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van Allah, opdat zij er
lering uit mogen trekken.
27. O kinderen van Adam, laat Satan u niet verleiden,
zoals hij uw ouders uit het paradijs verdreef en hen van hun kleding beroofde,
opdat hij hun hun naaktheid mocht tonen. Waarlijk, hij ziet u, hij en zijn stam,
vanwaar gij hen niet ziet. Voorzeker, Wij hebben de duivelen vrienden gemaakt
voor hen, die niet geloven.
28. En wanneer zij een slechte daad begaan, zeggen zij:
"Wij zagen dit onze vaderen doen en Allah heeft het ons bevolen." Zeg: "Allah
legt nooit slechte daden op. Zegt gij van Allah, hetgeen gij niet weet?"
29. Zeg: "Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen. En dat
gij uw aandacht behoorlijk richt, ter gelegenheid van aanbidding en Hem aanroept
in zuivere gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij u deed ontstaan, zo zult gij
wederkeren.
30. Sommigen heeft Hij geleid en bij anderen werd dwaling
hun deel. Zij hebben buiten Allah de bozen tot vrienden genomen en zij denken
dat zij recht geleid zijn.
31. O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter
gelegenheid van aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de
verkwisters zeker niet lief.
32. Zeg: "Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn
dienaren heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?" Zeg: "Zij zijn ook
voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen op de Dag der
Opstanding." Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk dat begrip heeft.
33. Zeg: "Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk
of in het geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat gij
datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft nedergezonden
en dat gij van Allah dingen zegt, die gij niet weet.
34. En er is voor elk volk een termijn en wanneer hun tijd
is gekomen kunnen zij geen uur uitstel krijgen, noch kunnen zij vooruitlopen.
35. O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw
midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen
en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij
treuren.
36. Maar zij, die Onze tekenen verloochenen en er zich
hoogmoedig van afkeren - dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij zullen
daarin vertoeven.
37. Wie is dan onrechtvaardiger dan hij, die een leugen
over Allah uit, of Zijn tekenen verloochent? Dezen zijn het, die hun lot zullen
ondergaan zoals het verordend is, als Onze boodschappers hen zullen bezoeken om
hun zielen weg te nemen; zij zullen hen vragen: "Waar is hetgeen gij naast Allah
aanriept?" Zij zullen antwoorden: "Het is verloren geraakt voor ons," en zij
zullen tegen zichzelven getuigen, dat zij ongelovig waren.
38. Hij zal zeggen: "Gaat onder de volkeren van djinn en
mensen die vóór u heengingen, het Vuur binnen." Steeds wanneer een volk er
binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer zij er allen
opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten hunner zullen
zeggen: "Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom een dubbele straf
van het Vuur." Hij (Allah) zal zeggen: "Er is voor iedereen het dubbele, maar
gij weet het niet.''
39. En de eersten hunner zullen tot de laatsten zeggen:
"Gij zijt niet boven ons verheven, smaakt daarom de straf voor al hetgeen gij
deedt."
40. Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en
er zich hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden
geopend, noch zullen zij in het paradijs komen; eer zou een kameel door het oog
van een naald gaan. En zo vergelden Wij de daden der schuldigen.
41. Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben. En zo
vergelden Wij de onrechtvaardigen.
42. Maar, die geloven en goede werken verrichten - Wij
belasten geen ziel boven haar vermogen - dezen zullen de bewoners van het
paradijs zijn, zij zullen daarin vertoeven.
43. Welke wrok er ook in hun hart moge zijn, wij zullen
deze van hen verwijderen. Er zullen rivieren voor hen vloeien. En zij zullen
zeggen: "Alle lof komt Allah toe, Die ons hiertoe heeft geleid. En als Allah ons
niet had terechtgewezen, hadden wij geen leiding kunnen vinden. De boodschappers
van onze Heer brachten inderdaad de waarheid." En er zal hen worden toegeroepen:
"Dit is het paradijs, dat u als erfdeel is gegeven, voor hetgeen gij deedt."
44. De bewoners van het paradijs zullen naar de bewoners
van de hel roepen: "Wij hebben bevonden waar te zijn, wat onze Heer ons
beloofde. Hebt gij ook bevonden, waar te zijn wat uw Heer u beloofde?" Zij
zullen zeggen: "Ja." Dan zal er een woordvoerder onder hen verkondigen: "De
vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen,
45. Die anderen van het pad van Allah weerhielden, het
oneffen wensende, en die het Hiernamaals verwierpen."
46. En er zal een scheiding tussen beiden zijn; en er
zullen op de verheven plaatsen mannen zijn die allen aan hun merktekenen
herkennen. En zij zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: "Vrede zij
over u.'' Dezen zullen het paradijs nog niet zijn binnengegaan, maar zij hopen
het.
47. En wanneer hun ogen naar de bewoners van het Vuur zijn
gericht, zullen zij zeggen: "Onze Heer, plaats ons niet onder het
onrechtvaardige volk."
48. En de bewoners van de verheven plaatsen zullen tot de
mensen die zij aan hun merktekenen herkennen roepen: "Uw aantal, noch datgene
waarover gij hoogmoedig waart, heeft u kunnen helpen."
49. Zijn dezen het aangaande welke gij hebt gezworen dat
Allah hun geen barmhartigheid zou schenken? "Gaat het paradijs binnen, er zal
geen vrees over u komen, noch zult gij treuren,"
50. En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners van
het paradijs roepen: "Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee Allah u
heeft voorzien." Zij zullen antwoorden: "Allah heeft voorzeker dit voor de
ongelovigen verboden."
51. Degenen, die hun godsdienst tot tijdverdrijf en tot
vermaak namen en wie het leven van de wereld had bedrogen, Wij zullen hen deze
Dag vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en zoals zij Onze
tekenen verwierpen.
52. En Wij hebben hun voorzeker een Boek gebracht, dat Wij
met kennis hebben uiteengezet, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat
gelooft.
53. Wachten zij slechts op (een andere) verklaring
daarvan? De Dag, waarop deze komen zal, zullen degenen die het voorheen
vergaten, zeggen: "De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de
waarheid, zullen wij dan enige bemiddelaars hebben, die voor ons zullen
bemiddelen? Of konden wij worden teruggezonden (naar de aarde), opdat wij anders
mochten doen, dan hetgeen wij deden?" Zij deden hun ziel inderdaad tekort en
hetgeen zij verzonnen is voor hen verloren gegaan.
54. Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de
aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op deTroon neder. Hij doet de
nacht de dag bedekken, die hem snel opvolgt. De zon en de maan en de sterren
zijn door Zijn gebod in dienst gesteld. Voorwaar, van Hem is de schepping en het
gebod. Gezegend is Allah, de Heer der Werelden.
55. Roept uw Heer in nederigheid en in het verborgene aan.
Hij heeft de overtreders zeker niet lief.
56. En schept geen wanorde op aarde, nadat zij is geordend
en roept Hem met vrees en hoop aan. Voorzeker, de Barmhartigheid van Allah is de
goeden nabij.
57. En Hij is het, Die de winden als blijde tijdingen voor
Zijn barmhartigheid uitzendt; totdat, wanneer zij zware wolken dragen, Wij ze
naar een dor land drijven, daarna zenden Wij er water uit neder, dan brengen Wij
alle soorten vruchten voort; zo wekken Wij de doden op, opdat gij er lering uit
moogt trekken.
58. En het goede land - de plantengroei komt er in
overvloed van voort door het gebod van zijn Heer - en hetgeen slecht is levert
alleen schaarste op. Zo wisselen Wij de tekenen af voor een volk dat dankbaar
is.
59. Wij zonden Noach tot zijn volk en hij zeide: "O, mijn
volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Ik vrees voor u de straf van
de grote Dag."
60. De leiders van zijn volk antwoordden: "Wij zien dat
gij in openlijke dwaling verkeert."
61. Hij zeide: "O, mijn volk, er is in mij geen dwaling,
doch ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden."
62. "Ik breng u de boodschappen van mijn Heer over en geef
u oprechte raad en ik weet van Allah wat gij niet weet."
63. "Verwondert gij u, dat er een aanmaning van uw Heer
tot u is gekomen door een man uit uw midden opdat hij u moge waarschuwen en
opdat gij rechtvaardig moogt worden en opdat u barmhartigheid moge worden
betoond?"
64. Maar zij verloochenden hem; Wij redden hem en degenen
die met hem in de ark waren en Wij verdronken degenen, die Onze tekenen
verwierpen. Zij waren inderdaad een verblind volk.
65. En tot (het volk van) Aad (zonden Wij) hun broeder
Hoed. Hij zeide: "O mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen andere god naast
Hem. Wilt gij dan niet (God) vrezen?"
66. De ongelovige leiders van zijn volk zeiden: "Wij zien
u als een dwaze en wij denken, dat gij tot de leugenaars behoort."
67. Hij antwoordde: "O, mijn volk, er is in mij geen
dwaasheid, maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden."
68. "Ik breng u de woorden van mijn Heer en ik ben voor u
een eerlijke raadgever."
69. "Verwondert gij u, dat er een waarschuwing van uw Heer
tot u is gekomen door een man uit uw midden, opdat hij u moge waarschuwen? " Hij
maakte u na het volk van Noach tot erfgenamen en deed u overvloedig in kracht
toenemen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah, opdat gij moogt slagen."
70. Zij zeiden: "Zijt gij tot ons gekomen opdat wij Allah
alleen moeten aanbidden en de goden die onze vaderen aanbaden zullen verlaten?
Breng ons dan hetgeen waarmede gii ons bedreigt, als gij oprecht zigt."
71. Eij antwoordde: "Straf en toorn van uw Heer hebben u
reeds getroffen. Redetwist gij met mij over namen, die gij hebt genoemd - gij en
uw vaderen - waarvoor Allah geen gezag heeft nedergezonden? Wacht dan, ik ben
met u onder de wachtenden."
72. En Wij redden hem en degenen, die met hem waren door
Onze barmhartigheid en Wij sneden de levenswortel af van degenen die Onze
tekenen verloochenden. En dezen waren geen gelovigen.
73. Naar de Samoed (kwam) hun broeder Salih. Hij zeide: "O
mijn volk, aanbidt Allah; gij hebt geen andere god naast Hem. Voorwaar er is een
duidelijk bewijs van uw Heer tot u gekomen; deze kamelin is van Allah, een teken
voor u. Laat haar daarom met rust opdat zij zich van Allah's aarde moge voeden
en doet haar geen leed, anders zal een pijnlijke straf u bereiken."
74. En herinnert u, toen Hij u na (het volk van) Aad tot
opvolgers maakte en u vestigde in het land; gij bouwdet paleizen in de vlakten
en gij hieuwt huizen uit de bergen. Gedenkt daarom de gunsten van Allah en
wandelt niet op aarde, onheil stichtend.
75. De leiders van zijn volk, die aanmatigend waren,
zeiden tot de gelovigen, die zij zwak achtten: "Weet gij zeker, dat Salih een
door zijn Heer gezondene is?" Zij antwoordden: "Wij geloven voorzeker in
hetgeen, waarmede hij gezonden is."
76. Degenen die aanmatigend waren zeiden: "Voorwaar, wij
geloven niet in hetgeen waarin gij gelooft."
77. Toen verlamden zij de kamelin en overtraden het gebod
van hun Heer en zeiden: "O, Salih, breng ons hetgeen, waarmede gij ons hebt
bedreigd, als gij tot de boodschappers behoort."
78. De aardbeving overviel hen en zij lagen uitgestrekt op
de grond in hun huizen.
79. Toen wendde Salih zich van hen af en zeide: "O, mijn
volk, ik bracht u de boodschap van mijn Heer en bood u oprechte raad aan, maar
gij houdt niet van oprechte raadgevers."
80. En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: "Pleegt gij een
gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vóór u pleegde?"
81. "Gij nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen.
Neen, gij zijt een volk dat de perken te buiten gaat."
82. Het antwoord van zijn volk was slechts: "Verdrijft hen
uit uw stad, want zij zijn mannen die zich rein willen houden."
83. Wij redden hem en zijn familie, met uitzondering van
zijn vrouw, zij behoorde tot de achterblijvenden.
84. En Wij deden een regen van stenen over hen komen. Ziet
nu wat het einde was van de schuldigen.
85. En tot Midian hun broeder Shoaib. Hij zeide: "O, mijn
volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Er is inderdaad een duidelijk
teken van uw Heer tot u gekomen. Geeft daarom volle maat en ruim gewicht en
vermindert het aan de mensen verschuldigde niet en schept geen wanorde op aarde
nadat zij geordend is. Dit is beter voor u, als gij gelovigen zijt."
86. "En wacht niet op de wegen om degenen die in Hem
geloven te bedreigen en van het pad van Allah af te houden en het oneffen te
maken. En gedenkt, hoe gij weinigen waart en Hij u vermenigvuldigde. En ziet wat
het einde was van de onruststokers."
87. "En als er een groep onder u is die gelooft in hetgeen
waarmede ik ben gezonden en een andere groep die dit niet gelooft, wacht dan
geduldig totdat Allah onder ons richt. Want Hij is de beste Rechter."
88. De leidende mannen van zijn volk die aanmatigend
waren, antwoordden: "Wij zullen u, o Shoaib, en de gelovigen met u zeker uit
onze stad verdrijven tenzij gij tot onze godsdienst terugkeert." Hij zeide:
"Zelfs al zijn wij er afkerig van?"
89. En indien wij tot uw godsdienst terugvallen, nadat
Allah ons er van heeft gered, dan hebben wij voorzeker een leugen aangaande
Allah verzonnen. En het past ons niet er naar te willen terugkeren, behalve,
wanneer Allah, onze Heer, dit zou willen. Onze Heer omvat alle dingen in Zijn
kennis. Wij hebben in Allah ons vertrouwen gelegd. Oordeel daarom, onze Heer,
tussen ons en ons volk in waarheid en Gij zijt de beste Rechter.
90. En de leidende mannen van zijn volk die niet
geloofden, zeiden: "Als gij Shoaib volgt, zult gij zeker verliezers zijn."
91. Daarom greep de aardbeving hen en zij lagen
uitgestrekt op de grond in hun huizen.
92. Degenen, die Shoaib verloochenden werden (zo
vernietigd) alsof zij er nooit in hadden gewoond. Degenen, die Shoaib van leugen
beschuldigden - zij waren de verliezers.
93. Daarna wendde hij zich van hen af en zeide: "O mijn
volk, ik heb u inderdaad de boodschap van mijn Heer overgebracht en ik gaf u
oprechte raad. Hoe moet ik dan om een ongelovig volk treuren?"
94. En Wij zonden nimmer een profeet naar een stad zonder
dat Wij het volk er van met tegenspoed en lijden troffen, opdat zij zouden
verootmoedigen.
95. Daarna verwisselden Wij het boze met het goede, totdat
zij groeiden en zeiden: "Lijden en geluk wedervoeren onze vaderen ook." Dan
grepen Wij hen plotseling terwijl zij er niet aan dachten.
96. En indien de mensen van die steden hadden geloofd en
rechtvaardig waren geweest, zouden Wij zeker zegeningen van de hemel en van de
aarde voor hen hebben gezonden, maar zij verloochenden (onze profeet); daarom
grepen Wij hen vanwege hun daden.
97. Zijn de bewoners der steden veilig voor de komst van
Onze straf over hen, 's nachts, terwijl zij slapen?
98. Of zijn de bewoners dezer steden veilig voor Onze
straf die over hen zou kunnen komen, des daags terwijl zij zich vermaken?
99. Zijn zij dan veilig voor Allah's voornemen? En niemand
waant zich veilig voor Allah's voornemen, dan het volk dat te gronde gaat.
100. Doet het degenen, die de aarde beerven na haar
(vroegere) bewoners niet inzien, dat, indien Wij het willen, Wij hen om hun
zonden treffen en hun hart verzegelen, zodat zij niet meer horen?
101. Zo waren de steden wier verhaal Wij u hebben verteld.
En voorzeker hun boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen. Doch zij
wilden niet geloven omdat zij voorheen reeds loochenden. Zo zegelt Allah het
hart der ongelovigen.
102. Wij vonden in de meesten hunner geen (trouw aan het)
verbond en Wij bevonden dat de meesten hunner overtreders waren.
103. Toen zonden Wij na hen (de vorige boodschappers)
Mozes met Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, maar zij geloofden er niet
in. Ziet hoe het einde was van de onruststokers.
104. En Mozes zeide: "O, Pharao, ik ben waarlijk een
boodschapper van de Heer der Werelden."
105. "Ik mag slechts de waarheid over Allah spreken. Ik
ben met een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen; zend daarom de kinderen
Israëls met mij mee."
106. Hij antwoordde: "Als gij inderdaad met een teken zijt
gekomen breng het naar voren als gij tot de waarachtigen behoort."
107. Hij (Mozes) wierp zijn stok neder en ziet, het was
duidelijk een slang.
108. En hij haalde zijn hand tevoorschijn en ziet, zij was
wit (geworden) voor de toeschouwers.
109. De leiders van het volk van Pharao zeiden: "Dit is
gewis een vaardige tovenaar."
110. "Hij wil u uit uw land zetten. Wat raadt gij nu aan?"
111. Zij zeiden: "Geef hem en zijn broeder tijd en zend
(intussen) omroepers de steden in,
112. Die elke vaardige tovenaar tot u zullen brengen."
113. En de tovenaars kwamen tot Pharao en zeiden: "Wij
zullen natuurlijk als wij de overhand krijgen een beloning ontvangen."
114. Hij (Pharao) antwoordde: "Ja en gij zult tot de
gunstelingen behoren."
115. Zij zeiden: "O Mozes zult gij of zullen wij het eerst
werpen?"
116. Hij antwoordde: "Werpt gij." En toen zij wierpen,
betoverden zij de ogen der mensen en deden hen vrezen en toonden hun grote
toverkunst.
117. En Wij bezielden Mozes en zeiden: "Werp uw stok
neder" en ziet, deze slokte al hetgeen zij getoverd hadden op.
118. Zo werd de waarheid bevestigd en bleek wat zij deden
ijdel te zijn.
119. Zo werden zij verslagen en vernederd.
120. En de tovenaars werden bewogen zich neder te werpen.
121. En zeiden: "Wij geloven in de Heer der Werelden."
122. "De Heer van Mozes en Aäron."
123. Pharao zeide: "Hebt gij vóór ik het u toestond in Hem
geloofd? Dit is voorzeker een complot dat gij in de stad hebt gesmeed, opdat gij
haar bewoners er uit moogt verdrijven maar gij zult het weldra te weten komen."
124. "Ik zal gewis uw handen en uw voeten aan
tegengestelde zijden (rechts en links) doen afsnijden. Dan zal ik u allen
tezamen laten kruisigen."
125. Zij antwoordden: "Wij zullen voorzeker naar onze Heer
terugkeren."
126. En gij neemt alleen wraak op ons omdat wij in de
tekenen van onze Heer hebben geloofd toen zij ons getoond werden. Onze Heer,
stort standvastigheid over ons uit en doe ons sterven terwijl wij Moslims zijn."
127. En de leiders van het volk van Pharao zeiden: "Wilt
gij Mozes en zijn volk in het land wanorde laten scheppen en u en uw goden laten
verzaken?" Hij antwoordde: "Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen sparen.
Zeker wij hebben macht over hen."
128. Mozes zeide tot zijn volk: "Zoekt de hulp van Allah
en weest geduldig. Voorzeker, de aarde behoort aan Allah. Hij geeft haar als
erfdeel aan wie Zijner dienaren Hij wil en de uiteindelijke overwinning is voor
de godvrezenden.
129. Zij antwoordden: "Wij werden vervolgd, voordat gij
tot ons kwaamt en nadat gij tot ons zijt gekomen." Hij (Mozes) zeide:
"Waarschijnlijk gaat uw Heer uw vijand vernietigen en u tot stedehouders in het
land maken, dan zal Hij zien hoe gij handelt."
130. En Wij straften het volk van Pharao door droogte en
met schaarste van vruchten, opdat zij er lering uit mochten trekken.
131. Wanneer er goeds tot hen kwam zeiden zij: "Dit komt
ons toe." En als hen kwaad overkwam, schreven zij de tegenspoed toe aan Mozes en
zijn metgezellen. Let op! Hun tegenspoed was eveneens van Allah. Maar de meesten
hunner weten het niet.
132. En zij zeiden (tot Mozes): "Welk teken gij ons ook
moogt brengen om er ons mede te betoveren, wij zullen stellig niet in u
geloven."
133. Toen zonden Wij de storm en de sprinkhanen en de
luizen en de kikvorsen en bloed over hen - als duidelijke tekenen, doch zij
gedroegen zich hoogmoedig en waren een schuldig volk.
134. En toen de straf op hen viel, zeiden zij: "O, Mozes,
bid voor ons tot uw Heer, zoals Hij u heeft beloofd. Als gij de plaag van ons
verwijdert, zullen wij u zeker geloven en wij zullen de kinderen Israëls
voorzeker met u laten gaan.
135. Maar toen Wij de straf van hen verwijderden voor een
bepaalde termijn, die zij moesten voleindigen, ziet, toen braken zij (hun
beloften.)
136. Wij straften hen derhalve en verdronken hen in zee,
omdat zij Onze tekenen verloochenden en er geen acht op sloegen.
137. En Wij deden de mensen die voor zwak werden gehouden
de oostelijke en westelijke gedeelten van het land, welke Wij zegenden, erven.
En het genadevolle woord van uw Heer werd voor de kinderen Israëls vervuld omdat
zij geduldig waren geweest; en Wij vernietigden al hetgeen Pharao en zijn volk
hadden gebouwd en al hetgeen zij hadden opgericht.
138. En Wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken
en zij kwamen tot een volk dat aan zijn afgoden was gehecht. Zij zeiden: "O,
Mozes, maak ons een god zoals dit (volk) goden heeft." Hij antwoordde: "Gij zijt
zeker een onwetend volk."
139. "Wat dezen betreft, al hetgeen waarmede zij zich
bezig houden, zal worden vernietigd en al hetgeen zij doen zal vergeefs zijn."
140. Hij zeide (verder): "Zal ik u een andere god dan
Allah zoeken, terwijl Hij u boven de volkeren heeft verheven?"
141. Toen Wij u van Pharao's volk verlosten dat u aan een
marteling onderwierp en uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin lag
voor u een zware beproeving van uw Heer.
142. En Wij maakten met Mozes een overeenkomst van dertig
nachten en vulden ze met tien nachten aan. Aldus werd de periode, die door zijn
Heer was vastgesteld tot veertig nachten aangevuld. En Mozes zeide tot zijn
broeder Aäron: "Wees mijn plaatsvervanger onder mijn volk in mijn afwezigheid en
beheer wel en volg de weg der onruststokers niet."
143. En toen Mozes op Onze vastgestelde tijd kwam en zijn
Heer tot hem sprak, zeide hij: "Mijn Heer, toon U aan mij, opdat ik U moge
aanschouwen." Hij (Allah) antwoordde: "Gij zult Mij stellig niet kunnen
aanschouwen, maar kijk naar de berg en als deze op zijn plaats blijft, dan zult
gij Mij wel kunnen zien." En toen zijn Heer Zich op de berg openbaarde, brak
deze in stukken en Mozes viel bewusteloos neder. En toen hij tot zichzelf kwam,
zeide hij: "Heilig zijt Gij, ik wend mij tot U en ik ben de eerste der
gelovigen."
144. Allah zeide: "O, Mozes, Ik heb u door Mijn
boodschappen en Mijn woord boven de volkeren uitverkoren. Houd u daarom vast aan
hetgeen Ik u heb gegeven en behoor tot de dankbaren."
145. En Wij schreven op de tafelen allerhande raad en
uitleg voor alles. Houd u er