" />
 
               .HOLYHOME.NL - BRON VAN VREDE
 
 
   
 

CONFRONTATIE MET HET JUDAÏSME




begin-MOZES, Jezus, Mahler, Marx, Freud en Einstein — wat hadden zij allen gemeen? Zij allen waren joden en hebben, ieder op hun eigen manier, invloed uitgeoefend op de geschiedenis en de cultuur van de mensheid. Het is heel duidelijk dat de joden al duizenden jaren een opmerkelijk volk zijn. De bijbel op zich getuigt daarvan.

In tegenstelling tot andere oude religies en culturen is het judaïsme geworteld in de geschiedenis, niet in de mythologie. Toch zouden sommigen kunnen vragen: De joden vormen maar zo’n kleine minderheid, ongeveer achttien miljoen in een wereld van ruim vijf miljard mensen, dus waarom zouden wij geïnteresseerd moeten zijn in hun religie, het judaïsme?

Waarom het judaïsme ons dient te interesseren

Eén reden is dat de wortels van de joodse religie zo’n 4000 jaar in de geschiedenis teruggaan en dat andere grote religies hun geloofsovertuigingen in meerdere of mindere mate te danken hebben aan de Geschriften van deze religie. Het christendom, gesticht door Jezus (Hebreeuws: Je·sjoe´a`), een jood uit de eerste eeuw, wortelt in de Hebreeuwse Geschriften. En wanneer iemand de Qor´aan (koran) leest, zal hem al spoedig blijken dat ook de islam veel verschuldigd is aan die geschriften (Qor´aan, soerah 2:50-58; 32:24, 25, Q). Wanneer wij dan ook de joodse religie onderzoeken, onderzoeken wij daarmee tevens de wortels van honderden andere religies en sekten.

Een tweede, zeer voorname reden is dat de joodse religie een essentiële schakel vormt in de speurtocht naar de ware God. Volgens de Hebreeuwse Geschriften aanbad Abram, de voorvader van de joden, de ware God reeds bijna 4000 jaar geleden. Het is dan ook redelijk dat wij de vraag stellen: Hoe hebben de joden en hun geloof zich ontwikkeld? — Genesis 17:18.

Hoe zijn de joden tot bestaan gekomen?

Globaal genomen zijn de joden afstammelingen van een oude, Hebreeuwssprekende tak van het Semitische ras (Genesis 10:1, 21-32; 1 Kronieken 1:17-28, 34; 2:1, 2). Bijna 4000 jaar geleden verliet hun voorvader Abram de bloeiende wereldstad Ur der Chaldeeën in Soemer en trok naar het land Kanaän, waarvan God had gezegd: "Aan uw nageslacht zal Ik dit land toewijzen" (Genesis 11:31–12:7). In Genesis 14:13 wordt hij aangeduid als "Abram, de Hebreeër," maar later werd zijn naam veranderd in Abraham (Genesis 17:4-6). De joden beschouwen hem als de stamvader van een geslachtslijn die begint bij zijn zoon Isaäk en via zijn kleinzoon Jakob loopt, wiens naam werd veranderd in Israël (Genesis 32:27-29). Israël kreeg twaalf zonen, die de grondleggers van twaalf stammen werden. Een van hen was Juda, van welke naam uiteindelijk het woord "jood" werd afgeleid. — 2 Koningen 16:6, JP.

Mettertijd werd de benaming "jood" toegepast op alle Israëlieten, niet alleen op een afstammeling van Juda (Esther 3:6; 9:20). Omdat de joodse geslachtsregisters in 70 G.T., toen de Romeinen Jeruzalem met de grond gelijkmaakten, werden vernietigd, kan geen enkele jood in deze tijd nauwkeurig vaststellen uit welke stam hij afkomstig is. Niettemin heeft de oude joodse religie zich in de loop van duizenden jaren ontwikkeld en is ze in die tijd ook veranderd. Thans wordt het judaïsme beoefend door miljoenen joden in de republiek Israël en in de diaspora (verstrooiing over de gehele wereld). Wat is de grondslag van die religie?

Mozes, de Wet en een natie

In 1943 v.G.T. koos God Abram uit als zijn speciale dienstknecht, en later zwoer hij hem een plechtige eed omdat Abram zo’n groot geloof had dat hij bereid was zijn zoon Isaäk te offeren, ook al werd dit slachtoffer uiteindelijk niet werkelijk gebracht (Genesis 12:1-3; 22:1-14). In die eed zei God: "Ik zweer bij Mijzelf, verklaart de HEER [Hebreeuws: יהוה, JHWH]: Omdat gij dit hebt gedaan en Mij uw zoon, uw lievelingszoon, niet hebt onthouden, zal Ik u Mijn zegen schenken en uw nakomelingen zo talrijk maken als de sterren aan de hemel . . . Alle natiën der aarde zullen zich zegenen door uw nakomelingen ["zaad", JP], omdat gij Mijn gebod hebt gehoorzaamd." Deze gezworen eed werd tegenover Abrahams zoon en kleinzoon herhaald, en bleef sindsdien in de stam Juda en de geslachtslijn van David. Deze strikt monotheïstische opvatting van een persoonlijke God die zich rechtstreeks met mensen inlaat, was in die oude wereld uniek, en ze werd de grondslag van de joodse religie. — Genesis 22:15-18; 26:3-5; 28:13-15; Psalm 89:4, 5, 29, 30, 36, 37 (Psalm 89:3, 4, 28, 29, 35, 36, NW).

Teneinde zijn beloften aan Abraham te vervullen, legde God het fundament voor een natie door een speciaal verbond te sluiten met Abrahams nakomelingen. Dit verbond werd ingesteld door bemiddeling van Mozes, de grote Hebreeuwse leider en middelaar tussen God en Israël. Wie was Mozes, en waarom is hij voor joden zo belangrijk? Het bijbelboek Exodus vertelt ons dat hij (in 1593 v.G.T.) in Egypte werd geboren uit Israëlitische ouders, die evenals de rest van Israël in slavernij verkeerden. Hij was het "die door de HEER werd uitgekozen" om Zijn volk te bevrijden en naar Kanaän, het Beloofde Land, te leiden (Deuteronomium 6:23; 34:10). Mozes vervulde de uitermate belangrijke rol van middelaar van het door God aan Israël gegeven Wetsverbond en was bovendien hun profeet, rechter, leider en geschiedschrijver. — Exodus 2:1–3:22.

De door Israël aanvaarde Wet bestond uit de Tien Woorden of Geboden, alsmede meer dan 600 wetten die neerkwamen op een uitgebreide reeks van aanwijzingen en richtlijnen voor het dagelijks gedrag. Deze Wet had betrekking op het wereldlijke en het heilige — op zowel de fysieke en morele vereisten als de aanbidding van God.

Dit Wetsverbond, of deze religieuze grondwet, gaf vorm en inhoud aan het geloof van de oude patriarchen. Dientengevolge werden de nakomelingen van Abraham een natie die aan de dienst van God was opgedragen. Aldus begon de joodse religie definitief gestalte te krijgen en werden de joden een natie die voor de aanbidding en dienst van hun God was georganiseerd. In Exodus 19:5, 6 beloofde God hun: "Indien gij Mij getrouw zult gehoorzamen en Mijn verbond zult houden, . . . zult gij Mij een koninkrijk van priesters en een heilige natie zijn." Bijgevolg zouden de Israëlieten een ’uitverkoren volk’ worden om Gods voornemens te dienen. De vervulling van de verbondsbeloften was echter afhankelijk van de voorwaarde: ’Indien gij zult gehoorzamen.’ Die opgedragen natie had nu verplichtingen jegens haar God. Vandaar dat God op een later tijdstip (in de achtste eeuw v.G.T.) tot de joden kon zeggen: "Mijn getuigen zijt gij — verklaart de HEER [Hebreeuws: יהוה, JHWH] — Mijn knecht, die ik verkozen heb." — Jesaja 43:10, 12.

Een natie met priesters, profeten en koningen

Terwijl de natie Israël zich nog in de woestijn bevond en op weg was naar het Beloofde Land, werd er een priesterschap ingesteld in de geslachtslijn van Mozes’ broer, Aäron. Een grote verplaatsbare tent, of tabernakel, werd voor de Israëlieten de centrale plaats waar zij hun aanbidding beoefenden en slachtoffers brachten (Exodus hfdst. 26–28). Mettertijd kwam de natie Israël aan in het Beloofde Land, Kanaän, en veroverde het, zoals God had geboden (Jozua 1:2-6). Ten slotte werd er een aards koningschap ingesteld, en in 1077 v.G.T. werd David, uit de stam Juda, koning. Tijdens zijn regering werden zowel het koningschap als het priesterschap stevig bevestigd in een nieuw nationaal centrum, Jeruzalem. — 1 Samuël 8:7.

Na Davids dood bouwde zijn zoon Salomo te Jeruzalem een luisterrijke tempel, die de tabernakel verving. Omdat God een verbond met David had gesloten dat het koningschap voor eeuwig in zijn geslachtslijn zou blijven, begreep men daaruit dat er op zekere dag een gezalfde Koning, de Messias, uit Davids geslachtslijn zou komen. De profetieën gaven te kennen dat door bemiddeling van deze Messiaanse Koning, of dit "zaad", Israël en alle natiën zich in een volmaakte heerschappij zouden verheugen (Genesis 22:18, JP). Deze hoop raakte diep verankerd, en het Messiaanse karakter van de joodse religie nam vaste vorm aan. — 2 Samuël 7:8-16; Psalm 72:1-20; Jesaja 11:1-10; Zacharia 9:9, 10.

De joden lieten zich echter beïnvloeden door de valse religie van de Kanaänieten en andere omringende natiën. Als gevolg daarvan schonden zij hun verbondsverhouding met God. Teneinde hen te corrigeren en weer op het goede pad te brengen, zond Jehovah een reeks profeten die zijn boodschappen aan het volk overbrachten. Zo werden profetieën nog een uniek kenmerk van de religie der joden, en ze vormen een groot gedeelte van de Hebreeuwse Geschriften. Maar liefst achttien boeken van de Hebreeuwse Geschriften dragen de naam van een profeet. — Jesaja 1:4-17.

In het oog springende profeten waren Jesaja, Jeremia en Ezechiël, die allen de natie waarschuwden dat er wegens haar afgodische aanbidding een straf van Jehovah zou komen. Deze straf werd voltrokken in 607 v.G.T., toen Jehovah wegens Israëls afvalligheid Babylon, de destijds overheersende wereldmacht, toestond de stad Jeruzalem en haar tempel omver te werpen en de natie in gevangenschap te voeren. Dit was het bewijs dat de profeten het met hun voorzeggingen bij het rechte eind hadden gehad, en Israëls zeventigjarige ballingschap gedurende het grootste deel van de zesde eeuw v.G.T. is een historisch gedocumenteerd feit. — 2 Kronieken 36:20, 21; Jeremia 25:11, 12; Daniël 9:2.

In 539 v.G.T. versloeg Cyrus de Pers Babylon en stond hij de joden toe zich weer in hun land te vestigen en de tempel in Jeruzalem te herbouwen. Hoewel een overblijfsel gunstig reageerde, bleef de meerderheid van de joden onder de invloed van het Babylonische bestel. Later werden de joden beïnvloed door de Perzische cultuur. Dientengevolge ontstonden er joodse nederzettingen in het Midden-Oosten en rondom de Middellandse Zee. In elke gemeenschap kwam een nieuwe vorm van aanbidding tot bestaan, waarbij de synagoge, een gemeentelijk centrum voor de joden in elke stad, een belangrijke rol speelde. Natuurlijk kwam door deze regeling de herbouwde tempel in Jeruzalem minder in de belangstelling te staan. De overal verspreide joden vormden nu werkelijk een diaspora. — Ezra 2:64, 65.

Het judaïsme verschijnt in een Grieks gewaad

Tegen de vierde eeuw v.G.T. verkeerde de joodse gemeenschap in een toestand van instabiliteit en daardoor viel ze ten prooi aan de golven van een niet-joodse cultuur die de wereld rond de Middellandse Zee en de landen daarbuiten overspoelde. De wateren vonden hun oorsprong in Griekenland, en het judaïsme kwam eruit te voorschijn in een hellenistisch gewaad.

In 332 v.G.T. veroverde de Griekse generaal Alexander de Grote in een bliksemveldtocht het Midden-Oosten en werd door de joden verwelkomd toen hij te Jeruzalem kwam. Alexanders opvolgers zetten zijn helleniseringsplan voort en doordrenkten alle delen van het rijk met de Griekse taal, cultuur en filosofie. Het gevolg was dat de Griekse en de joodse cultuur een versmeltingsproces ondergingen dat verrassende gevolgen zou hebben.

De joden in de diaspora begonnen Grieks te spreken in plaats van Hebreeuws. Daarom werd er tegen het begin van de derde eeuw v.G.T. een begin gemaakt met de eerste vertaling van de Hebreeuwse Geschriften in het Grieks, de Septuaginta genaamd, en door middel van die vertaling leerden vele niet-joden de joodse religie respecteren en kennen, ja, sommige werden zelfs daartoe bekeerd. De joden daarentegen raakten vertrouwd met het Griekse denken, en sommige werden zelfs filosofen, iets geheel nieuws voor de joden. Een voorbeeld daarvan is Philo van Alexandrië uit de eerste eeuw G.T., die trachtte het judaïsme te verklaren in termen van de Griekse filosofie, alsof de twee dezelfde fundamentele waarheden tot uitdrukking brachten.

De joodse auteur Max Dimont vat deze periode van wisselwerking tussen de Griekse en de joodse cultuur samen met de woorden: "Verrijkt met platonisch denken, aristotelische logica en euclidische wetenschap gingen joodse geleerden nieuwe methoden toepassen in hun studie van de thora. . . . Zij gingen ertoe over de Griekse rede toe te voegen aan de joodse openbaring." De gebeurtenissen die zouden plaatsvinden onder de Romeinse heerschappij, die het Griekse Rijk en vervolgens in het jaar 63 v.G.T. Jeruzalem opslokte, zouden de weg banen voor zelfs nog belangrijkere veranderingen.

Het judaïsme onder Romeinse heerschappij

Het judaïsme uit de eerste eeuw van de gewone tijdrekening verkeerde in een uniek stadium. Max Dimont verklaart dat het balanceerde tussen "de denkwijze van Griekenland en het zwaard van Rome". De joodse verwachtingen waren hooggespannen tengevolge van de politieke onderdrukking en de interpretaties van Messiaanse profetieën, in het bijzonder die van Daniël. De joden waren in groeperingen verdeeld. De Farizeeën hechtten meer belang aan een mondelinge wet  dan aan slachtoffers in de tempel. De Sadduceeën legden de nadruk op de belangrijkheid van de tempel en het priesterschap. Verder waren er de Essenen, de Zeloten en de Herodianen. Allen waren het in religieus en filosofisch opzicht oneens met elkaar. De joodse leiders werden rabbi’s (meesters, leraren) genoemd, die wegens hun kennis van de Wet een steeds groter aanzien verwierven en zich ontwikkelden tot een nieuw type geestelijke leider.

Interne en externe verdeeldheden bleven echter in het judaïsme, vooral in het land Israël, bestaan. Ten slotte brak er een openlijke opstand tegen Rome uit, en in 70 G.T. belegerden Romeinse troepen Jeruzalem, verwoestten de stad, legden haar tempel in de as en verstrooiden haar inwoners. Uiteindelijk werd Jeruzalem voor de joden tot algeheel verboden terrein verklaard. Zonder tempel, zonder land en met een volk dat door heel het Romeinse Rijk verspreid was, had het judaïsme, om zich te kunnen handhaven, behoefte aan een nieuwe religieuze uitdrukkingsvorm.

Met de verwoesting van de tempel verdwenen de Sadduceeën van het toneel, en de mondelinge wet die de Farizeeën hadden voorgestaan, werd het belangrijkste attribuut van een nieuw, rabbijns judaïsme. Intensievere studie, gebed en vrome werken namen de plaats in van de tempeloffers en de pelgrimsreizen. Aldus kon het judaïsme overal, op elk tijdstip en in ieder cultureel milieu worden beoefend. De rabbi’s stelden deze mondelinge wet niet alleen op schrift maar vervaardigden er ook commentaren bij, en vervolgens commentaren op de commentaren, en dit alles te zamen kwam bekend te staan als de talmoed.

Wat was het gevolg van deze diverse invloeden? Max Dimont zegt in zijn boek Jews, God and History dat hoewel de Farizeeën de fakkel van de joodse ideologie en religie bleven dragen, "de fakkel zelf door de Griekse filosofen was ontstoken". Hoewel een groot deel van de talmoed uiterst wettisch was, weerspiegelden de daarin geboden illustraties en uitleggingen de duidelijke invloed van de Griekse filosofie. Griekse religieuze opvattingen bijvoorbeeld, zoals de onsterfelijke ziel, werden in joodse termen uitgedrukt. Ja, in dat nieuwe rabbijnse tijdperk groeide onder de joden de eerbied voor de talmoed — tegen die tijd een mengeling van wettische en Griekse filosofie — totdat de joden tegen de middeleeuwen meer eer aan de talmoed toekenden dan aan de bijbel zelf.

Het judaïsme tijdens de middeleeuwen

Tijdens de middeleeuwen (van ca. 500 tot 1500 G.T.) verrezen er twee onderscheiden joodse gemeenschappen — de Sefardische joden, die een bloeiend bestaan leidden onder de moslimheerschappij in Spanje, en de Asjkenazische joden in Midden- en Oost-Europa. Beide gemeenschappen brachten rabbijnse geleerden voort wier geschriften en gedachten tot op deze dag de basis vormen voor de joodse religieuze interpretatie. Het is interessant dat veel van de gewoonten en religieuze gebruiken die thans binnen het judaïsme gangbaar zijn, feitelijk hun begin vonden in de middeleeuwen.

In de twaalfde eeuw kwam er een golf van uitwijzingen van joden uit diverse landen op gang. Zoals de Israëlische auteur Abba Eban in My People — The Story of the Jews uiteenzet: "In elk land . . . dat onder de eenzijdige invloed van de Katholieke Kerk viel, is het verhaal hetzelfde: ontstellende vernedering, foltering, massamoord en uitwijzing." Ten slotte volgde in 1492 ook Spanje, dat weer onder katholieke heerschappij was gekomen, en gaf bevel tot uitwijzing van alle joden uit zijn grondgebied. Zo waren tegen het einde van de vijftiende eeuw de joden uit vrijwel heel West-Europa verdreven en gevlucht naar Oost-Europa en landen rond de Middellandse Zee.

In alle eeuwen van onderdrukking en vervolging zijn er onder de joden in verschillende delen van de wereld velen opgestaan die zichzelf tot Messias uitriepen, en allen werden in meerdere of mindere mate aanvaard, maar steeds weer liep het op een teleurstelling uit. Tegen de zeventiende eeuw waren er nieuwe initiatieven nodig om de joden weer te bezielen en hen uit deze donkere periode te bevrijden. In het midden van de achttiende eeuw verscheen er een antwoord op de gevoelens van wanhoop die het joodse volk hadden bevangen. Dat was het chassidisme, een mengeling van mystiek en religieuze extase waaraan uiting werd gegeven in dagelijkse devotie en activiteit. In tegenstelling daarmee bood ongeveer terzelfder tijd de filosoof Moses Mendelssohn, een Duitse jood, een andere oplossing, de weg van Haskala of verlichting, die zou leiden tot wat vanuit historisch standpunt beschouwd wordt als het "moderne judaïsme".

Van "verlichting" tot het zionisme

Volgens Moses Mendelssohn (1729–1786) zouden de joden geaccepteerd worden indien zij zich ontdeden van de beperkingen die de talmoed hun oplegde en zich aanpasten aan de westerse cultuur. In zijn tijd werd hij een van de door de niet-joodse wereld meest gerespecteerde joden. Hernieuwde uitbarstingen van gewelddadig antisemitisme in de negentiende eeuw, vooral in het "christelijke" Rusland, stelden de volgelingen van deze beweging teleur, en velen richtten toen hun aandacht op het vinden van een politiek toevluchtsoord voor de joden. Zij verwierpen het denkbeeld van een persoonlijke Messias die de joden naar Israël zou terugvoeren en begonnen te werken aan de oprichting van een eigen joodse staat door andere middelen. Dit werd derhalve de idee van het zionisme: "de secularisatie van . . . het joodse messianisme", zoals een autoriteit het noemt.

De moord op zo’n zes miljoen Europese joden in de door het nazi-regime geïnspireerde holocaust (1935–1945) gaf het zionisme zijn uiteindelijke impuls en bezorgde het in de gehele wereld veel sympathie. De zionistische droom werd werkelijkheid toen in 1948 de staat Israël werd opgericht, waarmee wij zijn aangeland bij het judaïsme in onze tijd en bij de vraag: Wat geloven hedendaagse joden?

God is één

Eenvoudig gesteld is het judaïsme de religie van een volk. Een bekeerling gaat derhalve zowel tot het joodse volk als tot de joodse religie behoren. Het is een monotheïstische religie in de striktste zin van het woord en behelst het geloof dat God ingrijpt in de menselijke geschiedenis, in het bijzonder in verband met de joden. De joodse aanbidding kent verscheidene jaarlijkse feesten en diverse gebruiken.  Hoewel er geen geloofsbelijdenissen of dogma’s zijn die door alle joden worden aanvaard, vormt de belijdenis van Gods eenheid zoals deze onder woorden wordt gebracht in het sjema — een gebed dat gebaseerd is op Deuteronomium 6:4 (JP) — een centraal onderdeel van de aanbidding in de synagoge: "HOOR, O ISRAËL: DE HEER ONZE GOD, DE HEER IS ÉÉN."

Dit geloof in één God werd op het christendom en de islam overgedragen. Dr. J. H. Hertz, een rabbijn, zegt: "Deze sublieme formele verklaring van absoluut monotheïsme was een oorlogsverklaring aan het adres van alle polytheïsme . . . Op dezelfde wijze sluit het sjema de drieëenheid van de christelijke geloofsbelijdenis uit als een schending van de Eenheid van God." Maar laten wij ons nu wenden tot de joodse opvatting omtrent leven na de dood.

Dood, ziel en opstanding

Een van de fundamentele geloofsopvattingen van het moderne judaïsme is dat de mens een onsterfelijke ziel heeft die na de dood van zijn lichaam voortleeft. Maar vindt deze opvatting haar oorsprong in de bijbel? De Encyclopaedia Judaica geeft openhartig toe: "Vermoedelijk is de leerstelling van de onsterfelijkheid der ziel onder Griekse invloed het judaïsme binnengedrongen." Hierdoor werd echter een leerstellig dilemma geschapen, zoals dezelfde bron verklaart: "In wezen zijn de twee geloofsopvattingen, de opstanding en de onsterfelijkheid der ziel, met elkaar in strijd. De ene heeft betrekking op een collectieve opstanding aan het einde der dagen, d.w.z. dat de doden die in de aarde slapen uit het graf zullen verrijzen, terwijl de andere betrekking heeft op de toestand van de ziel na de dood van het lichaam." Hoe werd dit dilemma in de joodse theologie opgelost? "Men betoogde dat wanneer de persoon stierf, zijn ziel voortleefde in een ander rijk (dit gaf aanleiding tot alle geloofsopvattingen omtrent hemel en hel), terwijl zijn lichaam in het graf lag in afwachting van de fysieke opstanding van alle doden hier op aarde."

Universitair docent Arthur Hertzberg schrijft: "In de [Hebreeuwse] bijbel zelf is de arena van ’s mensen leven deze wereld. Er is geen leerstelling van hemel en hel, alleen een groeiend begrip van een uiteindelijke opstanding der doden aan het einde der dagen." Dat is een eenvoudige en nauwkeurige verklaring van de bijbelse opvatting, namelijk, dat ’de doden niets weten’. "Want er is geen handelen, geen redeneren, geen verwerven van kennis, geen wijsheid in Sjeool [het gemeenschappelijke graf van de mensheid], waarheen gij gaat." — Prediker 9:5, 10; Daniël 12:1, 2; Jesaja 26:19.

De Encyclopaedia Judaica zegt: "In de rabbijnse periode wordt de leerstelling van de opstanding der doden beschouwd als een van de centrale leerstellingen van het judaïsme" en "dient [ze] onderscheiden te worden van het geloof in . . . de onsterfelijkheid van de ziel". In deze tijd echter wordt wél de onsterfelijkheid van de ziel door alle groeperingen van het judaïsme aanvaard, maar de opstanding der doden niet.

In tegenstelling tot de bijbel staat de talmoed, die door het hellenisme is beïnvloed, vol met verhalen over en uitleggingen en zelfs beschrijvingen van de onsterfelijke ziel. Latere joodse mystieke literatuur, de kabbala, gaat zelfs zover dat daarin reïncarnatie (transmigratie van de ziel) wordt geleerd, hetgeen in wezen een oude hindoeleer is. In het huidige Israël wordt deze opvatting in brede kring aanvaard als een joodse leer, en ze speelt ook een belangrijke rol in de chassidische geloofsopvattingen en literatuur. Martin Buber bijvoorbeeld heeft in zijn boek Chassidische vertellingen een verhaal over de ziel opgenomen uit het leerhuis van Elimelech, een rabbijn van Lizensk: "Als rabbi Abraham Jehosjoea op de Grote Verzoendag het overzicht van de dienst van de Hogepriester herhaalde en aan de plaats kwam waar staat: ’En zo sprak hij’, zei hij iedere keer niet deze woorden, maar hij zei ’En zo sprak ik’. Want hij had de tijd dat zijn ziel in een Hogepriester in Jeruzalem woonde niet vergeten."

Het reformjodendom is zelfs zover gegaan het geloof in de opstanding te verwerpen. Het heeft het woord uit reformgebedenboeken verwijderd en erkent nu uitsluitend het geloof in de onsterfelijke ziel. Hoeveel duidelijker is de bijbelse gedachte zoals die in Genesis 2:7 tot uitdrukking wordt gebracht: "De HEER God vormde de mens uit het stof van de aardbodem, en ademde in zijn neusgaten de adem des levens; en de mens werd een levende ziel" (JP). De combinatie van het lichaam en de geest, of levenskracht, vormt "een levende ziel" (Genesis 2:7; 7:22; Psalm 146:4). Het omgekeerde is ook waar: wanneer de menselijke zondaar sterft, dan sterft de ziel (Ezechiël 18:4, 20). Wanneer een mens sterft, houdt derhalve iedere vorm van bewust bestaan op. Zijn levenskracht keert terug tot God, die ze geschonken had (Prediker 3:19; 9:5, 10; 12:7). De werkelijke bijbelse hoop voor de doden is de opstanding — in het Hebreeuws techi·jath´ ham·me·thim´, of "herleving van de doden".

Hoewel deze conclusie wellicht zelfs veel joden zal verrassen, is de opstanding al duizenden jaren de ware hoop van aanbidders van de ware God. Ongeveer 3500 jaar geleden sprak de getrouwe, in ellende verkerende Job over een toekomstige tijd wanneer God hem uit Sjeool, of het graf, zou opwekken (Job 14:14, 15). De profeet Daniël kreeg eveneens de verzekering dat hij „aan het einde der dagen" zou worden opgewekt. — Daniël 12:2, 12 (13, JP; NW).

Er bestaat geen schriftuurlijke basis om te zeggen dat die getrouwe Hebreeën geloofden dat zij een onsterfelijke ziel hadden die in een hiernamaals zou voortleven. Het is duidelijk dat zij voldoende reden hadden om te geloven dat de Soevereine Heer, die de sterren van het universum telt en beheerst, ook hen zou gedenken ten tijde van de opstanding. Zij waren trouw geweest jegens hem en zijn naam. Hij zou trouw zijn jegens hen. — Psalm 18:26 (25, NW); 147:4; Jesaja 25:7, 8; 40:25, 26

Het judaïsme en Gods naam

Het judaïsme leert dat hoewel Gods naam in geschreven vorm bestaat, deze te heilig is om uitgesproken te worden. Het gevolg is geweest dat de juiste uitspraak in de loop van de laatste 2000 jaar verloren is gegaan. Toch hebben de joden niet altijd zo tegenover de naam gestaan. Ongeveer 3500 jaar geleden sprak God tot Mozes en zei: "Aldus zult gij tot de Israëlieten spreken: De HEER [Hebreeuws: יהוה, JHWH], de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Isaäk en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden: Dit zal Mijn naam zijn voor eeuwig, dit Mijn titel tot in alle eeuwigheid" (Exodus 3:15; Psalm 135:13). Wat was die naam en titel? In de voetnoot van de Tanakh staat: "De naam JHWH (die volgens de overlevering wordt gelezen als Adonai, "de HEER") wordt hier in verband gebracht met het grondwoord hajah, ’zijn’." Wij hebben hier dus de heilige naam van God, het Tetragrammaton, de vier Hebreeuwse medeklinkers JHWH (Jahweh), die in hun gelatiniseerde vorm door de eeuwen heen bekend zijn komen te staan als JEHOVAH.

Door de hele geschiedenis heen hebben de joden altijd grote belangrijkheid toegekend aan Gods persoonlijke naam, hoewel de nadruk op het gebruik ervan sedert oude tijden radicaal veranderd is. In dit verband zegt dr. A. Cohen in Everyman’s Talmud: "Speciale eerbied [werd] toegekend aan ’de onderscheidende Naam’ (Sjem Hameforasj) van de Godheid die Hij aan het volk Israël had geopenbaard, te weten het tetragrammaton JHVH." De goddelijke naam werd vereerd omdat hij de persoon van God vertegenwoordigde en kenschetste. Tenslotte was het God zelf die zijn naam bekendmaakte en zijn aanbidders opdroeg die te gebruiken. Dit wordt beklemtoond doordat de naam in de Hebreeuwse bijbel 6828 maal voorkomt. Vrome joden zijn echter van mening dat het oneerbiedig is Gods persoonlijke naam uit te spreken.

Betreffende het oude rabbijnse (niet-bijbelse) verbod op het uitspreken van de naam schreef A. Marmorstein, een rabbijn, in zijn boek The Old Rabbinic Doctrine of God: "Er is een tijd geweest waarin dit verbod [om de goddelijke naam te gebruiken] onder de joden volslagen onbekend was . . . Noch in Egypte noch in Babylonië kenden of onderhielden de joden een wet die het gebruik van Gods naam, het Tetragrammaton, in de alledaagse conversatie of in begroetingen verbood. Toch bestond er vanaf de derde eeuw v.G.T. tot de derde eeuw G.T. zulk een verbod en hield men zich er deels aan." Niet alleen was het gebruik van de naam in vroeger tijden toegestaan, maar, zoals dr. Cohen zegt: "Er is een tijd geweest dat het vrije en openlijke gebruik van de Naam, zelfs door de leek, werd aanbevolen . . . Er is wel geopperd dat de aanbeveling gebaseerd was op het verlangen de Israëliet te onderscheiden van de [niet-jood]."

Wat heeft dan tot het verbod op het gebruik van de goddelijke naam geleid? Dr. Marmorstein antwoordt: "Als gevolg van zowel hellenistische [door de Griekse wereld beïnvloede] tegenstand tegen de religie van de joden als de afval van de priesters en edelen werd de regel ingevoerd en bevestigd om het Tetragrammaton niet uit te spreken in het Heiligdom [de tempel in Jeruzalem]." In hun overmatige ijver om te vermijden de naam ijdel te gebruiken, onderdrukten zij het gebruik ervan in hun spraak geheel en al en ondermijnden en verzwakten de identificatie van de ware God. Onder de gecombineerde druk van religieuze tegenstand en afval raakte de goddelijke naam bij de joden in onbruik.

Maar, zoals dr. Cohen verklaart: "In de bijbelse periode schijnt er geen gewetensbezwaar te hebben bestaan tegen het gebruik [van de goddelijke naam] in het dagelijkse spraakgebruik." De patriarch Abraham "riep de HEER bij zijn naam aan" (Genesis 12:8). De meeste schrijvers van de Hebreeuwse bijbel gebruikten de naam vrijuit maar eerbiedig helemaal tot op de tijd dat Maleachi in de vijfde eeuw v.G.T. schreef. — Ruth 1:8, 9, 17.

Het is overduidelijk dat de Hebreeën uit de oudheid de goddelijke naam wel degelijk gebruikten en uitspraken. Marmorstein erkent betreffende de verandering die later intrad: "Want in deze tijd, in de eerste helft van de derde eeuw [v.G.T.], valt er een grote verandering in het gebruik van de naam van God op te merken, die aanleiding gaf tot vele veranderingen in de joodse theologische en filosofische beschouwing, waarvan de invloeden tot op de dag van vandaag merkbaar zijn." Een van de gevolgen van het verloren gaan van de naam is dat de opvatting van een anonieme God ertoe bijgedragen heeft een theologisch vacuüm te scheppen waarin de Drieëenheidsleer van de christenheid zich gemakkelijker kon ontwikkelen. — Exodus 15:1-3.

De weigering om de goddelijke naam te gebruiken, doet afbreuk aan de aanbidding van de ware God. Zoals een commentator zei: "Helaas is, wanneer over God wordt gesproken als ’de Heer’, die uitdrukking, hoewel nauwkeurig, koud en kleurloos . . . Men moet bedenken dat men door JHWH of Adonai te vertalen met ’de Heer’, in veel passages van het Oude Testament een element legt van abstractie, formaliteit en afstandelijkheid die geheel vreemd is aan de oorspronkelijke tekst" (The Knowledge of God in Ancient Israel). Hoe droevig is het te moeten zien dat de verheven en betekenisvolle naam Jahweh, of Jehovah, in veel bijbelvertalingen ontbreekt, terwijl die onmiskenbaar duizenden keren in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst voorkomt! — Jesaja 43:10-12.

Verwachten de joden de Messias nog steeds?

Er zijn veel profetieën in de Hebreeuwse Geschriften waaraan joden meer dan 2000 jaar geleden hun Messiaanse hoop ontleenden. Twee Samuël 7:11-16 gaf te kennen dat de Messias uit de geslachtslijn van David zou komen. Jesaja 11:1-10 voorzei dat hij voor de gehele mensheid rechtvaardigheid en vrede zou brengen. Daniël 9:24-27 verschafte de chronologie voor de verschijning van de Messias en zijn afsnijding in de dood.

Zoals de Encyclopaedia Judaica uitlegt, waren tegen de eerste eeuw de Messiaanse verwachtingen hooggespannen. Men verwachtte dat de Messias "een charismatische nakomeling van David [zou zijn] die, naar de joden uit de Romeinse periode geloofden, door God zou worden verwekt om het heidense juk te verbreken en heerschappij te voeren over een hersteld koninkrijk Israël". De militante Messias die de joden verwachtten, kwam echter niet opdagen.

Toch heeft, zoals The New Encyclopædia Britannica opmerkt, de Messiaanse hoop een uitermate belangrijke rol gespeeld om het joodse volk in hun vele beproevingen bijeen te houden: "Het judaïsme heeft zijn overleving ongetwijfeld in grote mate te danken aan zijn standvastige geloof in de Messiaanse belofte en toekomst." Maar met de opkomst van het moderne judaïsme tussen de achttiende en negentiende eeuw gaven veel joden hun passieve verwachting van de Messias op. Uiteindelijk verloren velen tengevolge van de door het nazi-regime geïnspireerde holocaust hun geduld en hoop. Zij begonnen de Messiaanse boodschap als een remmende factor te beschouwen en gaven er daarom een nieuwe interpretatie aan, namelijk dat er louter een nieuw tijdperk van voorspoed en vrede mee wordt bedoeld. Sedertdien kan men, uitzonderingen daargelaten, bezwaarlijk zeggen dat de joden over het geheel genomen een persoonlijke Messias verwachten.

Deze overschakeling naar een niet-Messiaanse religie roept ernstige vragen op. Heeft het judaïsme het duizenden jaren bij het verkeerde eind gehad door te geloven dat de Messias een persoon zou zijn? Welke vorm van judaïsme zal iemand helpen bij zijn speurtocht naar God? Het oude judaïsme met zijn opschik van Griekse filosofie? Of een van de niet-Messiaanse vormen van judaïsme die zich gedurende de laatste 200 jaar hebben ontwikkeld? Of is er nog een andere weg, een die de Messiaanse hoop getrouw en nauwkeurig bewaart?

Met deze vragen in gedachten stellen wij oprechte joden voor het onderwerp van de Messias opnieuw te analyseren door een onderzoek in te stellen naar de beweringen ten aanzien van Jezus van Nazareth, niet zoals de christenheid hem tot dusver heeft afgeschilderd, maar zoals de joodse schrijvers van de Griekse Geschriften hem voorstellen. Daarin is een groot verschil. De religies van de christenheid hebben bijgedragen tot de joodse verwerping van Jezus door hun onbijbelse leerstelling van de Drieëenheid, die duidelijk onaanvaardbaar is voor iedere jood die grote waardering heeft voor de zuivere leer die luidt: "DE HEER ONZE GOD, DE HEER IS ÉÉN" (Deuteronomium 6:4, JP). Wij nodigen u daarom uit met een onbevangen geest het volgende hoofdstuk te lezen teneinde de Jezus van de Griekse Geschriften te leren kennen.


Google
WWW Zoeken op  Holyhome.nl
BIJBEL Gericht zoeken in de Bijbel (woorden-namen-plaatsen-vers)
 
Freelance Web Designer