Feesten en Gedenkdagen
De Feesten Des Heren
Joodse Feesten
Door het jaar heen staan
er
bijzondere dagen op onze kalender. sinds jaar en dag gaat dat zo. daar
ook zo onze aandacht aan besteden. Om je enig houvast te geven op deze
site een overzicht van de christelijke feesten. Niet dat ze allemaal
even indringend worden gevierd, maar meer dan de moeite waard om er
niet alleen mee op de hoogte te zijn maar je ook eens nader in te
verdiepen. Hieronder én hiernaast een schat aan informatie.
Veel genoegen ermee.
De kerk: plek voor veel vieringen
We
houden een behoorlijk aantal christelijke feestdagen. Maar wat houden
die
dagen eigenlijk in, behalve dat het vrije dagen zijn? Alleen maar
recreëren of...?
Israël's feesten onderscheiden zich van de feesten van de andere volken
Zij zijn de Feesten des
Heren. Door God zelf ingesteld om samen met zijn volk tijd apart te
zetten. Gezette tijden om te rusten, feest te vieren en stil te staan
bij hetgeen Hij heeft gedaan. Door de voorschriften van de feesten heen
wilde God zijn volk bekend maken wie Hij is.
Onze God is de Heer van de oogst, die ons overvloedig vrucht wil geven.
De ICAJ heeft als een van haar taken het Lichaam van Christus te
onderwijzen over het profetische belang van haar joodse wortels. Door
een beter begrip van de Feesten des Heren kunnen we komen tot een
verdieping van ons geloof en tot meer vrucht. Om die reden willen we
-aan het begin van het joodse nieuwjaar- starten met een serie:
"de Feesten des Heren".
Rosh Hashana
Rosj hasjana () is de joodse nieuwjaarsdag, die eigenlijk valt op de
eerste dag van de zevende maand, tisjri (de eerste maand is immers die
van de uittocht, nissan). Lev. 23:24 spreekt er over: ‘in de
zevende maand, op de eerste dag der maand, zult gij een rustdag hebben,
aangekondigd door bazuingeschal’ (d.i.: het blazen op de sjofar).
Volgens de traditie is de wereld geschapen op rosj hasjana, en zal die ook worden geoordeeld op rosj hasjana.
Ook deze dag begint natuurlijk ’s avonds. Na de dienst in de
synagoge wenst men elkaar toe: ‘moge u voor een goed nieuwjaar
opgeschreven zijn’. Bij de maaltijd wordt een stukje zoete appel
in honing gedoopt en gegeten, waarbij de wens uitgesproken wordt dat
het een ‘zoet’ en goed jaar zal worden.
Rosj hasjana is vooral een dag van inkeer en verootmoediging. In de
maand ervoor, Elloel, bereidt men zich al voor: er worden bijzondere
gebeden om vergeving (slichot) gezegd en er wordt al op de sjofar
geblazen.
Velen zijn gewoon om op rosj hasjana naar een zee of rivier te gaan om
daar symbolisch, Micha 7:18-20 citerend, de zonden van zich af te
schudden, de zakken en kleren uit te schudden, om ‘de zonden te
werpen in de diepten der zee’.
Rosj hasjana is zelf ook weer in zekere zin voorbereiding op de Grote
Verzoendag. Het is de eerste van ‘de tien geduchte dagen’,
ook wel ‘de tien dagen van omkeer/bekering’ genoemd. Op
rosj hasjana neemt het sjofar-blazen een centrale plaats in; op jom
kippoer klinkt het nog eens, dan als afsluiting van een bijzondere dag
en tijd.
Yom Teruah
De Dag van de Bazuinen is een van de zeven dagen in het jaar waarop er
een heilige samenkomst moest zijn (Leviticus 23). Dit is uitgegroeid
tot het Feest der Bazuinen op de 1e dag van de 7e maand, als teken dat
de Grote Verzoendag naderbij komt. Dit feest is tevens het joodse
nieuwjaarsfeest, of Rosh Hashana. Leviticus 23 geeft niet precies aan
waarom dit een gedenkdag is. Velen geloven dat God op deze dag is
begonnen met de schepping. Maar ook dat God een ram aanbood toen
Abraham zijn zoon Izaäk moest offeren (Genesis 22). In de
synagoges wordt op deze dag de geschiedenis van Abraham gelezen:
Abraham als vader van alle gelovigen!
Deze feestdag begint met nieuwe maan, als teken van omkering of nieuw
begin. Alle andere feestdagen beginnen met volle maan, halverwege de
maand. De Dag der Bazuinen wordt ook wel genoemd de Dag van Gericht of
Dag van Herinnering. Hierdoor komt de terugkeer tot God (tesjoeva)
centraal te staan in het denken van het volk. Op deze dag wordt er op
de Sjofar geblazen, een vreugdevol geluid gemaakt voor de Heer, de
Koning (Psalm 98:6). Ná deze Dag der Bazuinen volgen tien dagen
tot Grote Verzoendag.
Deze dagen van inkeer zijn de dagen van zelfonderzoek (chesbon
hanefesj). De ontzagwekkende dagen (jamiem noraiem) worden desondanks
vreugdevol gevierd, met vertrouwen naar de toekomst. Door zelfonderzoek
wordt het eigen falen onder ogen gezien, zonder angst voor uitstoting
uit de gemeen-schap. Men realiseert zich dat de gemeenschap pas
functioneert wanneer een ieder zijn plaats inneemt.
Heer Sabbat (sjabbat)
De sabbat valt op de zevende dag van de week. Hij gaat in op vrijdag
bij zonsondergang en eindigt op zaterdagavond een uur na zonsondergang.
Het is een dag waarop niet gewerkt mag worden, omdat God volgens het
scheppingsverhaal op de zevende dag rustte van zijn scheppingswerk (Ex.
20:11). De sabbat is een dag van ontspanning en rust. Het Hebreeuwse
werkwoord 'sjavat' betekent ook letterlijk 'rusten'.
Ex. 20:8-11 en Deut. 5:12-15
De sjabbat () neemt een heel belangrijke plaats in in het leven van de
joden. Naar het vierde gebod (Ex. 20:8-11, Deut. 5:12-15)wordt deze dag
geheiligd, apart-gezet. O.a. door ‘niet-werken’, maar
belangrijker is wat er positief gedaan wordt op deze dag, die telkens
weer rust- en hoogtepunt van de week mag zijn.
De sjabbat begint op vrijdagavond, op het tijdstip dat er drie sterren aan de hemel zichtbaar (zouden) zijn.
De mannen gaan naar de synagoge, waar de sjabbat als een Bruid en een Koningin wordt begroet. Men zingt:
Kom, mijn vriend, de Bruid tegemoet!
Laat ons de sjabbat begroeten!
De sjabbat wordt toegezongen:
Treed binnen in vrede, gij sieraad van uw man;
treed binnen in vrede en jubel;
bij de getrouwen van Israël, het eigene volk,
treed binnen, o Bruid, treed hier binnen!’
Ondertussen zorgen de vrouwen dat thuis alles klaar is voor het
sjabbatsmaal. De tafel wordt gedekt met een glanzend wit tafellaken.
Daarop komen in elk geval een kandelaar met kaarsen, een schaal of
mandje met sjabbatbroden met daarover een kleedje, een karaf wijn en
(zilveren) bekertjes, en een zoutvaatje.
Het is de taak van de vrouw om de sjabbatkaarsen aan te steken; daarmee
wordt de sjabbat thuis ingeluid. Evt. kunnen ook meisjes een kaars
aansteken en daarmee actief deelnemen aan de sjabbat-inwijding.
‘Het is de vrouw, van wie het joodse licht straalt, dus steekt
zij de kaarsen aan’!
Voor de maaltijd wordt bijzonder brood gebruikt, de challa (). Dat ligt
eerst onder een kleedje, het ‘challe-kleedje’, dat vaak
opgesierd is met tekst en/of emblemen. De challot (meervoud van challa)
zijn gevlochten broden, waarvan er op sjabbatavond twee op tafel liggen
- als een verwijzing naar het manna dat er voor de sjabbat twee keer
zoveel was als normaal. Het kleedje eroverheen wijst naar het manna,
dat bedekt was door een laag dauw.
De maaltijd begint met qiddoesj (), de ‘heiliging’. Met een
tot de rand met wijn gevulde beker op de palm van de rechterhand
citeert de huisvader Gen. 1:31-2:4, en daarna een zegenspreuk over de
wijn en over de sjabbat. En ieder zegt ‘amen’. Dan drinkt
hij uit de beker, meer dan de helft, en laat hem daarna rondgaan.
Na eerst nog een ritueel handen-wassen worden de beide gevlochten
broden opgenomen, en wordt God gedankt, ‘die het brood uit de
aarde doet voortkomen’. Dan wordt van één van de
broden rondgedeeld. De heer des huizes breekt of snijdt er stukjes af
die hij in het zout doopt (vgl. Lev. 2:13). Ieder krijgt een stukje.
Tot zover sprak alleen de heer des huizes. Nu kan er weer gewoon gepraat worden en gaat de eigenlijke maaltijd beginnen.
Sabbatsjaar en Jubeljaar
Naast de zevende dag moet
er volgens de bijbelse teksten ook eens in de zeven jaar een
sabbatsjaar worden gevierd. Schulden worden in dat jaar kwijtgescholden
en het land wordt niet ingezaaid, zodat het tot rust kan komen. Na
zeven sabbatsjaren wordt er in het vijftigste jaar een speciale vorm
van het sabbatsjaar gevierd die het 'jubeljaar' wordt genoemd. In dat
heilige jaar geldt als extra bepaling dat de Israëlitische slaven
hun vrijheid terugkrijgen.
Lev. 25 en Deut. 15
De sjofár
De sjofar () is een hoorn
van een ram of geit, evt. van een berggeit, antilope of gazelle, waar
een soort muziekinstrument van gemaakt is. Het woord sjofar is
doorgaans vertaald met ‘bazuin’.
In de Bijbel gaat het over de bazuin o.a. in: Ex. 19:16.19, 20:18 (toen
de Here zich openbaarde en zijn wet gaf op de Sinaï), Lev. 25:9v
(bazuingeschal kondigt het jubeljaar aan), Num. 29:1 (nieuwjaar, rosj
hasjana, heet hier jom teróea, ‘dag des geklanks’),
Joz. 6 (het bazuingeschal rond Jericho), Hosea 5:8, Joël 2:1, Amos
3:6 (als een alarm-roep), Zef. 1:16, 1 Kor. 14:8 (als oorlogsgeluid en
oproep tot strijd), Ps. 47:6, 98:6, 150:3, 1 Kron. 15:28 (naast andere
muziekinstrumenten), 1 Kor. 15:52, 1 Tess. 4:16 (aankondiging van de
Dag des Heren), Opb. 8, 9, 11:15 (zeven engelen blazen op de bazuin).
De sjofar wordt door de joden gebruikt bij bijzondere gelegenheden (zo
werd de sjofar geblazen in de 6-daagse oorlog, bij de
‘Klaagmuur’, toen de oude Stad veroverd was), en jaarlijks
op en rond rosj hasjana (naar Lev. 23:24, z.b.).
Het ‘bazuingeschal’ roept dan op tot bezinning en tot denken aan het oordeel dat komt:
Ontwaakt, gij slapers, uit uw slaap,
gij die sluimert uit uw sluimering!
Onderzoekt uw daden en keert boetvaardig om!
Gedenkt uw Schepper!
Er wordt op verschillende manieren geblazen:
teki’a = één lange toon, langgerekte stoot, oproep tot bezinning
sjewariem = stotterende toon, 3 korte stoten, oproep tot vernietiging van het kwaad
teroe’a = serie korte tonen, verbrokkelde stoot, symboliseert vernietiging van het kwaad
teki’a (nog eens) = langgerekte stoot: weest waakzaam!
Klik op één van bovenstaande woorden om het geluid te horen!
De drie pelgrimsfeesten
Driemaal per jaar trekt men
tijdens de pelgrimsfeesten (Pesach, Wekenfeest en Loofhuttenfeest) naar
Jeruzalem om te offeren in de tempel.
Pesach en het feest van het Ongedesemde brood (Matsot)
De viering van Pesach (Joods paasfeest) herinnert aan de uittocht uit
Egypte. Op de veertiende dag van de eerste maand wordt het pesachoffer
bereid. Tegenwoordig begint deze viering ’s avonds met de
sedermaaltijd. Ieder onderdeel van deze maaltijd herinnert aan de
slavernij in Egypte en de uittocht naar het beloofde land. Na Pesach
eet men zeven dagen lang matses, brood dat geen gist bevat, omdat Mozes
en de Israëlieten dit ook aten vlak voor hun vlucht uit Egypte.
Dit wordt het feest van het Ongedesemde brood genoemd. Op de eerste dag
van die week werd de eerste opbrengst van de gersteoogst geofferd als
teken dat het oogstseizoen kon beginnen.
Pesach
Pesach is het eerste feest in het voorjaar en markeert de overgang van
winter naar zomer, van donker naar licht, van gebondenheid naar
vrijheid. Dit feest verwijst naar de daden van God in de bevrijding van
zijn volk uit Egypte. Het woord Pesach komt van een werkwoord pasach,
dat betekent: voorbijgaan, over iets heen springen. Pesach is dus
zoiets als: feest van het sparend voorbijgaan. Het gedeelte van Exodus
12:1-13 gaat over het sparend voorbijgaan van God aan zijn volk.
Voordat God zijn volk gaat verlossen uit Egypte, verkondigt Hij aan
Mozes zijn plannen met Israël, namelijk Israëls verlossing
uit de plagen van Egypte, Exodus 1:18-27. Het woord plaag,
‘oth’, betekent teken. De Egyptenaren kregen door de plagen
verschillende tekenen van God, om te laten zien dat God groter is dan
de goden van Egypte.
Pesach is ook een teken van opstand tegen Egypte. Israël slacht nu
een lam, wat een symbool was van goddelijkheid voor Egypte. En
Israël slacht dit lam nog wel op klaarlichte dag en openlijk
brengen zij het bloed aan op de deurposten, als verzetsdaad. Wanneer
Israël uiteindelijk het slavenhuis van Egypte verlaat, krijgen ze
hun loon alsnog betaald. Egypte overlaat hen met geschenken, om maar te
zorgen dat Israël vertrekt. Hiermee is het loon van 430 jaar
slavenarbeid betaald.
De eerste Pesach is de historische uittocht uit Egypte, met het
begin van de reis door de woestijn naar het land van belofte, Exodus
12. De tweede Pesach was bij de oprichting van de tent der samenkomst,
de Tabernakel, in de woestijn, Numeri 9:15. Aan het eind van de
woestijntocht werd onder Jozua een Pesach gevierd, bij de intocht van
het beloofde land, Jozua 5:10-11. Daarmee markeert Pesach belangrijke
gebeurtenissen van het volk.
Sinds de verwoesting van de Tempel worden er geen lammetjes meer
geslacht en vindt het Pesachfeest voornamelijk thuis plaats, met een
Sedermaaltijd als hoogtepunt. De Sedermaaltijd mag pas ’s avonds
worden gegeten. Op tafel staan de flessen wijn en de Sederschotel met
een ei, een bot, bittere kruiden, klei/leem en 3 ongezuurde broden. Het
ei, baitsa, herinnert aan de extra offers in de tempel. Het bot,
zeroah, herinnert aan het paaslam, de bittere kruiden, maror,
herinneren aan de bittere slaventijd en charoset symboliseert de
klei/leem voor de tichels in Egypte.
In het NT wordt de verbinding gelegd naar Jezus als het Offerlam, 1
Corinthe 5:7. Jezus vierde met zijn discipelen de Sedermaaltijd, waarin
Hij het Avondmaal instelde. Ná de instelling van het Heilig
Avondmaal ging Jezus naar Gethsemané. Bij Zijn gebed vroeg Hij
de discipelen samen met Hem te waken. Het was nl. Pesachnacht, de nacht
van waken, maar de discipelen waren niet in staat om dat te doen, Jezus
moest dit alleen volbrengen.
Dat Jezus als slot van Pesach uitriep: “Het is
volbracht”, heeft een belangrijke betekenis om iets af te
sluiten. De hogepriester was gewoon, om bij het Pesachfeest ná
het avondoffer deze woorden uit te spreken, als teken dat het offer
aanvaard was en de zonden vergeven waren. Zo moest ook Jezus dit
uitroepen, als teken van werkelijke afsluiting en definitieve
verlossing. Door het offer van Jezus als hèt Pesachlam, is er
voor ons nieuwe hoop. Wij mogen als verloste mensen vanuit Pesach leven.
Feest der Eerstelingen
om Habikkurim, of het Feest
der Eerstelingen, maakt het feest van Pesach compleet. Op zich was
Israël vertrouwd met de gedachte van de Eersteling, Begoor. De
eerstgeborene van mens en dier waren heilig voor de Heer, Ex. 13:2. Met
Pesach stond de eerstgeborene, de eerstelingen van de oogst, Bikkurim,
centraal. Deze zijn heilig voor de Heer en worden aan Hem aangeboden.
Tijdens de woestijnreis werd het volk gevoed door het manna, het
ongezuurde brood uit de hemel. In het beloofde land moest men dit feest
vieren, Joz. 5:10-12. De priester moest een schoof van de eerstelingen
van het land, tarwe en gerst, bewegen voor het aangezicht van God, op
de dag na de sabbath. Men kon pas eten van de eerste-lingenoogst, nadat
deze eerste schoof aan God was geofferd. De schoof der Eerstelingen is
onderscheiden van de oogst der Eerstelingen, Ex. 23:16. Deze schoof is
de heraut van de oogst. De oogst met Pesach, gerst, en de oogst met
Wekenfeest, tarwe, zijn beide voorlopers van de uiteindelijke oogst met
Loofhuttenfeest. Vanaf het Feest der Eerstelingen moest Israël de
Omertelling uitvoeren.
Tussen het Feest der Eerstelingen en Shavuot (Pinksteren) zit 50 dagen.
Bij het Feest der Eerstelingen werd de eerste schoof van het land
gehaald, als begin van de voorjaarsoogst of vroege oogst. Met Shavuot
wordt het laatste van de voorjaarsoogst binnengehaald. Daartussen
liggen 50 dagen. Zoals de Eerstelingen een belofte van wat komt
inhouden, zo is het tellen van de Omer een tijd van verwach-ting. Niet
alleen voor de landbouw, als verwachting naar de vroege oogst, maar
vooral een verwachting naar de dag van bevrijding. Bij het tellen van
de Omer, de 50 dagen, wordt soms Ps. 67 geciteerd, omdat het bestaat
uit 7 verzen en 49 woorden.
In het NT moesten de discipelen, na de Hemelvaart in Jeruzalem blijven,
totdat zij de Trooster zouden ontvangen, niet vele dagen na dezen. Als
joodse mannen zullen zij de omertelling misschien in dit licht hebben
gezien, dat God zijn Heilige Geest uit de hemel zou sturen op Shavuot,
het latere Pinksterfeest? In het NT is Christus de Heer van de oogst.
In dit feest is Hijzelf de schoof der Eerstelingen, 1 Cor. 15:20-23.
Het Feest der Eerstelingen symboliseert de opstanding van Christus, de
eersteling uit de doden, maar ook de hemelvaart en tevens de
wederopstanding van de heiligen, Mt. 27:52-53.
Shavuot - wekenfeest
Shavuot wordt ook wel Wekenfeest of Pinksterfeest genoemd. Dit feest
vormt het slotfeest en tevens het hoogtepunt van de voorjaarsfeesten,
Ex.19-24. Dit Wekenfeest is het feest dat God in gedachten had, toen
Hij aan Mozes vertelde dat de Farao het volk moest laten gaan, om voor
God in de woestijn een feest te houden, Ex.5:1,10:9. Na de uittocht uit
Egypte kregen de joden hun identiteit met het Wekenfeest, met de Tora
bij de berg Sinaï. Dankzij dit verbond heeft het volk eeuwenlang
zijn identiteit weten te behouden, zelfs onder verdrukking en zonder
het beloofde land. Bij de Sinaï kreeg het volk als het ware een
hart mee. Zoals Pesach en Shavuot bij elkaar horen, zo horen ook de
joodse nationaliteit en identiteit bij elkaar. Het volk werd geroepen
om een uitverkoren volk te zijn temidden der natiën, Ex.19:5, en
om een volk van priesters en een heilige natie te zijn, Ex.19:6.
Met elk Wekenfeest ontvangen schepping en geschiedenis de belofte van
hun messiaanse voltooïing. Toen Mozes de Tora aan het volk gaf,
zei men: Wij zullen doen en wij zullen luisteren, Ex. 24:7. Uiteraard
wordt er op Shavuot gelezen over de 10 Woorden op de berg Sinai. De 10
Woorden als samenvatting van de gehele Tora. Naast de Tora wordt er op
Shavuot gelezen uit de feestrol Ruth. Ruth is het type van iemand die
uit liefde tot Gods volk is toegetreden. Ruth verlaat net als Abraham
het land van haar geboorte en het huis van haar vader, Gen.12:1, om te
gaan naar een onbekend land, maar waarvan ze voelt dat God haar heen
leid. Ruth is een symbool van alle mensen, in een worsteling om
verandering. Het boek Ruth laat ook de zorg zien voor de armen en
weduwen. Maar belangrijker is, dat men hierin leest, dat de heidenen
ook tot het volk van Israel gaan behoren door de losser, Go’el.
Voor Israël is het profetisch dat de heidenen onder de
heerschappij van de Messias ook tot het volk van God gaan behoren. Dit
feest wordt ook wel het feest der Eerstelingen genoemd, als begin van
de inzameling van de heidenen. Het is veelzeggend dat iedere Joodse
eredienst na de Toralezing het Alenoe-gebed wordt gebeden, met de droom
van de uiteindelijke harmonie tussen de volkeren en God: dat alle
volkeren zich voor U buigen en elke tong bij U zal zweren. Shavuot is
hiervan het begin.
Pesach, het joodse Paasfeest, is het feest van de uittocht uit Egypte. Over de instelling ervan lezen we in Exodus 12.
Het eerste paasmaal werd gegeten in de laatste nacht in Egypte, de
nacht waarin de eerstgeborenen van Egypte werden gedood. Maar waar het
bloed van een lam aan de deurposten gestreken was ging de plaag
voorbij. Het vlees van het lam werd gegeten, met ongezuurd brood en
bittere kruiden (Ex. 12:8).
Pesach duurt zeven dagen. Het hoogtepunt is de bijzondere maaltijd op de eerste avond, de zgn. séder-maaltijd.
Séder () betekent ‘orde’; het is de term voor de
(orde van de) maaltijd, die verloopt volgens vaste lijnen, of, in
engere zin, voor de schotel midden op de
‘séder-tafel’, met de speciale ingrediënten die
een symbolische betekenis hebben.
Séder-schotel
Op de séder-schotel horen de volgende ingrediënten:
Zróa () : een botje met een beetje vlees eraan, apart gebraden, als symbool voor het paaslam.
Beetsa () : een ei, als symbool voor de maaltijd die bij het paaslam gegeten werd.
Maróór () :
bittere kruiden (mierikswortel of chèrèt (zie hieronder),
soms ook radijs), ter herinnering aan de bitterheid van het leven in
Egypte.
Chazèrèt () :
ook een ‘bitter kruid’. Het is als het jong is zoet, met
zachte bladeren. Later wordt het hard en bitter. Dat maakt het
heel passend als maroor, bitter kruid: ‘zoals
chazèrèt eerst zoet is en later bitter, zo was de houding
van de Egyptenaren tegenover onze vaderen.’
Charósèt () :
een mengsel van wijn, vruchten (bv. appels, noten, amandelen, vijgen,
dadels, granaatappels) en specerijen (bv. gember, kaneel). De kleur
doet denken aan klei (chèrès). Dus charoset doet eraan
denken dat de Israëlieten als slaven stenen moesten bakken.
arpas () : radijs of
peterselie - een teken van de lente, de vruchtbaarheid en van hoop voor
de toekomst. Het wordt in zout water (symbool voor de tranen van
Israël) gedoopt.
Matses - ongezuurde broden
Bij het Paasfeest hoort de matsa (), het ongezuurde brood. In Exodus 12:15 staat:
Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag
zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets
gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit
Israël worden uitgeroeid.
De ongezuurde broden doen denken aan de laatste maaltijd in Egypte,
waarbij er geen tijd was om het brood te laten doorzuren (Ex. 12:39).
In Deut. 16:3 wordt het genoemd: ‘brood der verdrukking’ of
‘brood der ellende’.
Paasfeest was ook een oogstfeest; daarbij past dat er een heel nieuw
begin gemaakt wordt, dus geen vermenging van het oude brood/zuurdeeg
met de nieuwe oogst.
Zoals uit de hierboven geciteerde tekst (Ex. 12:15) blijkt, mag er geen
zuurdeeg (chamééts) () gebruikt worden. Ja meer: er mag
zelfs niets meer van in huis zijn, zelfs niets meer ‘in uw gehele
gebied’ (Deut. 16:4). Het hele huis wordt gekoosjerd, koosjer
(rein, zuiver) gemaakt. Een zeer grondige ‘grote
schoonmaak’! Er moet een heel nieuw begin worden gemaakt. Er mag
dus nergens ook maar een kruimel brood of koek o.i.d. blijven liggen.
Ook alle kook- en eetgerei moet koosjer zijn. Vaak gebruikt men een
speciaal paasservies voor deze gelegenheid.
Het is gewoonte geworden om tien stukjes chamééts te
verstoppen door het hele huis, die de kinderen dan op moeten zoeken.
Paulus zinspeelt op dit ‘koosjeren’ in verband met Pesach
in 1 Kor. 5:7v:
Doet het oude zuurdeeg weg, opdat gij een vers deeg moogt zijn; gij
zijt immers ongezuurd. Want ook ons paaslam is geslacht: Christus.
Laten wij derhalve feest vieren, niet met oud zuurdeeg, noch met
zuurdeeg van slechtheid en boosheid, maar met het ongezuurde brood
van reinheid en waarheid!
Bij het Paasmaal, de sedermaaltijd, liggen drie matsót op tafel,
elk bedekt met een servet - of alledrie in een speciale hoes gedaan.
Deze lijkt op een soort sloop, is aan één kant open en
heeft van binnen drie van elkaar gescheiden lagen. Op het exemplaar uit
onze judaica-koffer staat: ‘ter ere van het feest van de
ongezuurde broden’. Er staat ook een afbeelding van drie matses
op.
De middelste matse wordt op een gegeven moment gebroken en van het
kleinste deel wordt gegeten. Het grootste stuk is de afikoman (). Dat
deel wordt in een servet of handdoek gewikkeld. De kinderen mogen
proberen de afikoman weg te nemen, zonder dat degene die de
maaltijd leidt (en die evt. zelf probeert de afikoman te
‘verstoppen’) dat merkt.
De afikoman wordt aan het eind van de maaltijd gegeten. Het werd na de
verwoesting van de tempel gezien als een symbolische heenwijzing
naar het paaslam. (Daarvoor was het laatste dat gegeten werd een
deel van het paaslam)
Het brood, dat Jezus brak bij het laatste Avondmaal zal een matse geweest zijn.
Ex. 12:1-27 en Lev. 23:4-7
Wekenfeest of Pinksterfeest (Sjavoeot)
Zeven weken na Pesach wordt de eerste tarwe geofferd in de tempel als
teken dat de oogst kan worden binnengehaald. Dit feest is later
verbonden met een herdenking van het ontvangen van de Tora (de wet) aan
de voet van de berg Sinai.
Ex. 34:22 en Lev. 23:15-16
Poeriem (deel 1)
Purimfeest
Het Purimfeest komt van het
woord Pur, wat lot betekent. Het Purimfeest is ingesteld ten tijde van
de Ballingschap.Ten tijde van koningin Esther wilde Haman het volk
vernietigen, maar God greep in (Esther 9). Haman was een Agagiet,
afstammeling van Agag, de koning van de Amalekieten en Amalek was een
afstammeling van Ezau. God heeft een eeuwigdurende strijd tegen Amalek,
omdat Amalek Israël van achteren had aangevallen toen zij door de
woestijn trokken. Ooit had Saul in de strijd tegen de Amalekieten
koning Agag moeten doden, maar dat heeft hij niet gedaan, waarop Samuel
Agag doodde.
Haman was hooggeplaatst aan het hof van Ahasverus, de koning van
Perzië. Hij wilde de Joden uitroeien. Maar Mordechai, de oom van
koningin Esther, was niet van plan te buigen voor het plan van Haman.
Haman wiep het lot over de Joden in de 1e maand, Nisan, de maand van
Pesach, elke dag tot aan de 12e maand, Adar (Esther 3:7). Zijn plan was
om de Joden uit te roeien op de 13e van de maand Adar. God beschikte
het lot echter anders zodat Haman uitgeroeid werd (Esther 7:9-10). Het
volk van Israël mocht door een nieuwe wet van de koning zich
verdedigen tegen iedereen die hen iets wilde aandoen (Esther 8:3-14).
Dit Purimfeest werd vervolgens gevierd van de 13e tot de 15e Adar
(Esther 10). Dit jaar wordt het op 26 februari in Israël gevierd,
buiten Israël 1 dag langer.
Het is wonderlijk dat de naam van God niet wordt genoemd in het
bijbelboek Esther. Toch is Gods beschermende hand duidelijk
waarneembaar in de geschiedenis van Esther en het volk. Het Purimfeest
zal een feest zijn waarin er rust is van de vijanden en dat verdriet
zal veranderen in vreugde (Esther 9:17-22).
Het lotenfeest of poeriem (; poer = lot, zie Ester 3:7, 9:24) wordt gevierd in het voorjaar (maart).
Op dit feest wordt gevierd dat het joodse volk verlost is van de
jodenhater Haman, de Agagiet. Haman was bepaald niet de laatste
antisemiet - dat maakt(e) het feest steeds weer actueel.
Na eerst een vastendag (ta’aniet Ester, ‘vasten van
Ester’) komt het feest: een wel bijzonder vrolijk, uitbundig en
carnaval-achtig feest. Compleet met optochten, verkleedpartijen en
toneelstukjes. Er mag gedronken worden ‘ad-ló-jada’
- ‘totdat men niet meer weet’ (nl.: het verschil
tussen ‘gezegend zij Mordechai’ en ‘vervloekt zij
Haman’). Er worden zoete koekjes met maanzaad, zgn.
‘Hamans-flappen’ of ‘Hamansoren’ gegeten. Bij
Poeriem horen ook de sjlachmones, geschenken voor vrienden, en het
tsedaqa (‘aalmoes’) geven aan de armen (Ester 9:22).
(N.B.: wij zeggen ‘aalmoes’, dat komt van het Griekse woord
voor ‘barmhartigheid’; de joden spreken van: tsedaqá
= ‘gerechtigheid, gerechte daad’!)
Ester-rol
Op het poeriem-feest wordt
het boek Ester gelezen. In de megillat Ester, de Ester-rol, komt Gods
naam - of zelfs maar het woord ‘God’ - niet voor. Maar elke
nieuwe kolom begint met het woord hammèlèch, ‘de
koning’. Achter deze koning ziet men God als dé Koning.
Hij is het die - verborgen - de geschiedenis leidt.
De rol van Ester wordt gelezen als poeriem begint, ’s
avonds. En de volgende dag ’s morgens weer. Het lezen moet worden
gehoord in de sjoel. Zo mogelijk moet je ook zelf een
‘koosjere’, handgeschreven rol (een soort kleine tora-rol,
maar dan om één stok gewonden) hebben om mee te lezen met
de voorzanger. Maar in elk geval moet je ook horen. Als je meeleest
lees je de namen van de zonen van Haman niet zelf; dan luister je naar
de voorlezer.
Na de lezing zegt de gemeente:
Gezegend Gij, Eeuwige, onze God, Koning der wereld,
die voor ons de strijd voert,
die voor onze rechten opkomt,
voor ons wraak neemt,
onze aartsvijanden straft.
Gezegend Gij, Eeuwige,
die alle tegenstanders van Zijn volk straft,
de reddende God.
Ratel, ‘Hamandraaier’
Van oudsher is het gewoonte om bij het lezen van de Ester-rol elke keer
als de naam ‘Haman’ klinkt, op de vloer te stampen en
kabaal te maken. De kinderen nemen daarvoor een ratel mee, of speciale
hamertjes om mee op de banken te slaan. ‘Moge de naam van Haman
uitgeroeid worden!’
Poerim (deel 2)
Een gok op de toekomst
Ongeveer een maand voor Pasen, aan het begin van de lente, vieren de
joden overal Poeriem, het Lotenfeest. Uiterlijk is het een soort
combinatie van het sinterklaasfeest en carnaval. Men wisselt geschenken
uit, verorbert speciaal gebak, en houdt verkleedpartijen. Het is een
zeer uitbundig feest, waarbij men niet vies is van een drankje, en
waarbij de autoriteiten, de rabbi's incluis, het voor één
keer moeten ontgelden. Zelfs de synagoge ontkomt niet aan het
feestgedruis. Wanneer daar namelijk op deze dag de Ester-rol
voorgelezen wordt, klinkt er, telkens wanneer de naam van de booswicht
Harnan valt, een luid boegeroep, liefst nog ondersteund door enorm
geratel.
De meeste feestelijkheden van Poeriern vinden hun verklaring ergens in
het boek Ester. Zonder dit boek is het feest ondenkbaar. In dit boek,
dat in de meest letterlijke zin het ongewisse lot van de joden in
ballingschap aan de orde stelt, komt het tot een bijna sprookjesachtig
happy-end. De uitbundige vreugde van toen herinnert men zich nog
steeds. Het is dan echter niet alleen een herinnering aan Perzische
tijden. De problematiek van het boek Ester heeft zich voor de joden in
de diaspora al talloze malen herhaald. Alle progroms ten spijt heeft
men al een paar duizend jaar anti-semitisme aan de kaak kunnen stellen,
en het overleven kunnen vieren. Het boek Ester heeft bewezen tijdloos
te zijn.
Het Ester-verhaal
Het verhaal van het boek Ester, dat uit slechts tien hoofdstukken
bestaat, speelt zich af aan het hof van de Perzische koning Ahasveros,
die maar liefst over 127 provincies regeerde. Deze koning, die al zijn
belangrijke beslissingen blijkbaar placht te nemen tijdens drinkgelagen
en braspartijen, verstoot zijn echtgenote Wasti. De jood Mordekai, de
voogd van de wees Ester, zorgt ervoor dat zijn beeldschone
protégée de plaats van die koningin kan innemen. Intussen
voorkomt Mordekai tussen de bedrijven door ook nog even een aanslag op
de koning. De koning wist van dit alles niets, maar het gaf, toen Ester
dit tijdens het zoveelste gelag openbaarde, Mordekai zoveel krediet,
dat de strijd met Haman, beschreven in het centrale gedeelte van het
verhaal, in zijn voordeel beslist kon worden. Mordekai wenste niet te
buigen voor de hovaardige grootvizier Haman, en de laatste wilde
vervolgens op een door het lot ('poer') bepaalde dag niet alleen
Mordekai, maar tegelijkertijd de hele joodse culturele minderheid laten
hangen. Wanneer Ester op het allerlaatste moment klaarheid brengt, komt
er de ommekeer in het verhaal. Mordekai neemt, in een soort
hogepriesterlijk gewaad gehuld, Hamans plaats als grootvizier in,
terwijl Haman in zak en as aan de voor Mordekai bestemde galg belandt.
Hamans volgelingen in de stad Susa en in de provincies ondergaan
vervolgens hetzelfde lot dat eerst aan de joodse minderheid toegedacht
was. De dag die door het lot voor de ondergang van de joden bepaald
was, werd er een van overleven en vreugde. Deze dag wordt tenslotte
door Ester en Mordekai tot officiële joodse feestdag in de
diaspora van Perzië uitgeroepen. Aan het einde van het verhaal,
waarvan de spanning grotendeels wordt bepaald door subtiel vertragende
herhalingen en zorgvuldig uitgewerkte contrasten, hebben de joden
ongeveer alle macht in handen.
De historische achtergrond
Wanneer het boek Ester geschreven is, weten we niet precies. Voor het
eerst wordt er rond 60 v. Chr. in 2 Makkabeeën 15,36 naar
verwezen. Taalgebruik en stijl suggereren een datum omtrent 150 v.
Chr., dezelfde tijd als waarin vergelijkbare boeken als Daniël en
Judit ontstaan moeten zijn. Dat wil zeggen dat het boek Ester ongeveer
driehonderd jaar na de erin beschreven gebeurtenissen het licht zag.
Zuiver historisch klopt er van het verhaal dan ook weinig of niets.
Alleen de algemene achtergrond waartegen de gebeurtenissen zich
afspelen, is enigszins wetenschappelijk verantwoord. Men kan het boek
Ester dan ook hooguit als een historiserende novelle betitelen. Het zal
de auteur overigens een zorg geweest zijn. Hij is niet
geïnteresseerd in een wetenschappelijk verantwoorde historische
verhandeling. Hij probeert een geschiedenis te schrijven die hopelijk
niet te mooi is om waar te zijn. Net als zijn collega-schrijvers van de
boeken Daniël en Judit transponeert onze auteur de eigen actuele
situatie van onderdrukking van het joodse volk naar een vergelijkbaar
verleden. De bijna sprookjesachtige afloop van het verhaal in het
verleden heeft tot doel het volk in de diaspora een hart onder de riem
steken, en het enig perspectief te bieden. Door elementen van het reeds
lang bestaande Poeriemachtige nieuwjaarsfeest in te bouwen in dit
verhaal, kreeg het nog extra gewicht, en werden de festiviteiten in een
vast kader geplaatst.
Volgens veel wetenschappers is de legitimatie van het poeriemfeest
zelfs de belangrijkste ontstaansreden van het Esterverhaal geweest. Het
is echter duidelijk dat het boek Ester meer is dan alleen maar een leuk
etiologisch verhaaltje. Om in de officiële joodse canon terecht te
komen was enige toegevoegde waarde wel het minste dat noodzakelijk
geacht werd.
Het boek Ester als algemene geschiedenis
Als men het Ester-verhaal goed leest, ziet men al snel dat het niet
zomaar een losse geschiedenis is. Het is wat men een 'typologisch'
verhaal zou kunnen noemen. Bij alle personen en situaties krijgt men de
indruk deze al eens eerder gezien te hebben. Zo heeft Haman, de grote
boosdoener, in het verhaal niet alleen trekjes van de notoire
anti-joodse farao meegekregen, maar vooral ook van de klassieke
volksvijand nummer één, de Amalekieten. Volgens Exodus
17,8-14 had dit volk onder aanvoering van Amelek tijdens de
woestijntocht de joden het leven al zuur gemaakt. Onder hun nieuwe
leider Agag brachten ze vervolgens in 1 Samuël 15 Saul en zijn
leger in grote verlegenheid. Wanneer een goede verstaander hoort dat
Haman een Agagiet is, zal er bij hem ergens een belletje gaan rinkelen.
Niet alleen echter door Haman wordt 1 Samuël 15 opgeroepen, ook
door zijn tegenspeler Mordekai. Net als Saul blijkt Mordekai immers een
Benjaminiet, en dan nog een zoon van Kis ook.
De Naam Mordekai zelf lijkt een toespeling op de Perzische godennaam
Marduk te zijn. Er is sprake van een mengelmoes van associaties. Zoals
men in de naam Mordekai die van de godheid Marduk kan horen, klinkt in
de naam van zijn pleegdochter Ester die van de godin Istar 'ster' mee.
Het ligt dan ook voor de hand dat bij het joodse koppel Mordekai/Ester
de gedachte aan de godenbruiloft van Marduk en Istar, die bij elk
Nieuwjaar door de koning en de hogepriesters ritueel herhaald werd, op
de achtergrond meespeelt. Het is net zo iets mythisch als het verhaal
van Simson en Delila, de 'zon' en de 'nacht'.
Naast de vergelijking met de 'ster' van ons verhaal met Istar dringt
zich ook de vergelijking met Jozef uit Genesis 37-40 op. Het is zeer
waarschijnlijk dat het verhaal over Jozefs succesvolle loopbaan aan het
hof van de farao de schrijver van het Ester-verhaal direct
geïnspireerd heeft. Niet alleen de personen, de motieven en
intriges vertonen overeenkomsten. Er zijn zelfs duidelijke parallellen
in taalgebruik aan te wijzen.
Als Ester inderdaad als een soort tweede Jozef beschouwd kan worden,
ligt het voor de hand koning Ahasveros, de laatste van de vier
hoofdrolspelers, te vergelijken met de farao. Hem vervolgens dan ook
nog eens als een verpersoonlijking van JHWH te beschouwen - die
opvallend genoeg nergens in het Ester-verhaal wordt genoemd - gaat iets
te ver. Hij bepaalt weliswaar net als JHWH met onherroepelijke
besluiten wat goed en kwaad is, maar onder invloed van drank en list en
bedrog. Ahasveros is op z'n best een afhankelijk, sullig type.
Een globale typologische beschrijving zoals hierboven gegeven, is meer
dan alleen een leuk associatief tijdverdrijf. Het laat zien in welk
historisch perspectief een verhaal zou kunnen of moeten worden gelezen.
Het feit dat Ester, Mordekai, Haman en Ahasveros zelf waarschijnlijk
nooit geleefd hebben, wil nog niet zeggen dat ze niet historisch zijn.
Achter hun persoon verbergt zich een combinatie van figuren die in de
geschiedenis een rol gespeeld hebben. Het verhaal krijgt daardoor een
supra-historisch, bijna mythisch karakter. Men krijgt de indruk dat het
Ester-verhaal zich in het verleden al veel vaker afgespeeld heeft, en
zich ook in de toekomst steeds zal kunnen herhalen. Dit laatste is
tegelijkertijd zowel hoopgevend als diep tragisch.
Hoe volmaakt was Ester?
De joodse rabbijnen die het boek Ester in de canon hebben opgenomen,
voelden blijkbaar het typologische karakter van het verhaal feilloos
aan. Het moet voor hen duidelijk meer geweest zijn dan de zoveelste
variant op sprookjes uit duizend en één nacht. Dit lag
minder voor de hand dan men misschien op het eerste gezicht zou denken.
Er waren theoretisch voldoende argumenten voorhanden om het verhaal uit
de canon te weren. Oppervlakkig bezien kan men het bijvoorbeeld
nauwelijks een religieus verhaal noemen. Net als in het op Pasen
gelezen Hooglied, valt nergens de naam JHWH. Bovendien zouden er morele
vragen gesteld kunnen worden bij Esters gedrag, en merkt men - anders
dan in andere verhalen die in de ballingschap spelen - niets van enig
verlangen terug naar het vaderland Israël, Jeruzalem of de tempel.
Het is echter al gauw duidelijk dat het boek Ester geschreven is voor
joden die al vast in de diaspora geworteld zijn en het niet in hun
hoofd kregen om nog terug te keren. Bovendien had dit boek als een
seculiere variant op het uittocht-verhaal toch een onderliggende
religieuze dimensie. Hoewel dit voldoende was om in de canon opgenomen
te worden, bleef de behoefte aan meer duidelijkheid te bieden en
eventuele bezwaren weg te werken bestaan. Het resultaat was dat er in
de loop der eeuwen telkens aanvullingen op de tekst bleven verschijnen.
De Septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, is hier een
typisch voorbeeld van. We zien daarin de tekst zelfs bijna tweemaal zo
lang worden. JHWH gaat er, als Heer over de geschiedenis, nu een
uitdrukkelijke rol op de achtergrond meespelen. Dit gebeurt onder meer
in een droom van Mordekai en in gebeden van hem en zijn pleegdochter.
Het gebed van Ester wordt tegelijkertijd gebruikt om duidelijk te maken
dat haar gedrag zo veel mogelijk in overeenstemming was met de Wet. De
auteur beperkt zich echter niet alleen tot morele verontschuldigingen
en lofprijzingen. Net zoals dat in Genesis Apocryphon het geval is bij
Sara en Rebekka, wordt ook de gelegenheid te baat genomen om meer te
zeggen over Esters fysieke kwaliteiten dan alleen de constatering dat
ze een schoonheid was. Zelfs in dit opzicht past Ester dus keurig in de
spiraalvormige lijn van de bijbelse geschiedenis.
Christendom en Ester
Het christendom heeft nooit veel opgehad met het boek Ester, laat staan
met het Poeriem-feest. Beide waren waarschijnlijk net iets te veel
toegesneden op het joodse volk alleen. In het Nieuwe Testament vinden
we zelfs geen enkele uitdrukkelijke verwijzing naar Ester, hoogstens
een paar toespelingen (vergelijk Mc.6,23 met Est.5,3 en Apok.11,10 met
Est.9,19). De oude kerkvaders noemen het boek slechts incidenteel, en
juist hun sterke kanten, de typologie en de allegorie, komen hier
aanvankelijk nauwelijks uit de verf. Waar die typologie dan
uiteindelijk toch doorzet, zoals bijvoorbeeld bij de vroege theoloog
Maurus, wordt Ester het symbool van de christelijke kerk, terwijl het
joodse volk, dat eigenlijk gered werd, zich tevreden moet stellen met
de rol van de verstoten koningin Wasti. Haman levert geen enkel
probleem op: hij is de duivel. Of in de praktijk deze rolverdeling wel
zo geslaagd was, is natuurlijk de vraag. Alleen de marginale positie
waarin de joden in de diaspora binnen de vergelijking worden gedrongen,
lijkt van enige realiteitszin te getuigen.
Als men de geschiedenis bekijkt, blijkt het christendom zijn vermeende
Ester-rol zelden of nooit te hebben kunnen waarmaken. In tegendeel. In
de dagelijkse praktijk trad men vaak als een griezelig echte kopie van
de duivel Haman op. Met nagenoeg dezelfde argumenten als Haman richtten
de christenen van Alexandrië reeds in de vijfde eeuw een slachting
aan onder de daar in de diaspora wonende joden. Dat ging her en der
eeuwen zo door, onder instemmend toezicht van de officiële
kerkelijke instanties. Uit het boek Ester trok men geen enkele lering.
Alsof men feilloos aanvoelde dat men in dat geval onvermijdelijk de
weinig aantrekkelijke rol van Haman op zich moest nemen, kritiseerde
men voor het gemak het boek in plaats van het eigen gedrag. Het boek
zou niet alleen a-religieus en a-moralistisch zijn, maar bovendien nog
eng nationalistisch. Luther is in zijn 'Tischreden' wel erg duidelijk.
Naar aanleiding van 2 Makkabeeën zegt hij: 'Ich bin dem Buch und
Ester so feind, dass ich wollte sie waren gar nicht vorhanden. Denn sie
judenzen zu sehr und haben viel heidnische Unart'. Eeuwenoude
antisemitische tendenzen konden ongestoord welig blijven tieren, tot
men na de zoveelste variant op Haman, nu Hitler genaamd, enigszins tot
bezinning kwam. Dat er nu nog iets als een joodse diaspora bestaat, is
in ieder geval niet aan het christendom te danken, maar hooguit aan een
groot aantal individuele mensen, onder wie gelukkig ook vele christenen.
Een feest voor de toekomst
Poeriem is een typisch joods feest, en de geschiedenis heeft het alleen
maar joodser kunnen maken. Overal in de diaspora was er voor joden wel
overleven te vieren. Ondanks het feit dat het christendom uit het
jodendom voortkwam, en eveneens her en der met vervolging te maken
kreeg, heeft het altijd nagelaten zich bij de poeriem-feestelijkheden
aan te sluiten. Gezien de geschiedenis zou het van weinig
werkelijkheidszin en vooral van weinig smaak getuigen dat alsnog te
doen. Als het christendom heden ten dage zijn joodse wortels serieus
wil nemen, kan het zich op Poeriem misschien het best bezinnen op zijn
dubieuze rol in het verleden. Het is een dag die bij uitstek geschikt
zou zijn als dag tegen racisme en antisemitisme. Als christenen zich
actief zouden inzetten om te verhinderen dat er in de toekomst nog eens
een Haman opstaat, kan misschien iets van het verleden worden
goedgemaakt. Als dat lukt, zou het ideaal van een messiaanse eindtijd
een stuk dichterbij zijn. Dat zou dan alsnog een aanleiding kunnen zijn
om samen met de joden Poeriem te vieren. Alle mogelijkheden daartoe
zijn aanwezig. Poeriem is volgens de joodse Midrasch-traditie namelijk
het enige feest dat ook in de eindtijd nog gevierd zal worden.
Dag van het blazen op de ramshoorn (Jom Hasjofar)
De sjofar (ramshoorn) wordt geblazen om het volk op te roepen tot
bezinning. Later wordt dit ook het moment waarop men het Joodse
nieuwjaar viert (Rosj Hasjana).
Lev. 23:24 en Num. 29:1
Grote verzoendag (Jom Kipoer)
De Grote Verzoendag, of Yom Kippur, is de belangrijkste sabbath van het
jaar. Tussen Rosh Hashana en Grote Verzoendag liggen tien dagen van
inkeer, om je zonden te belijden en het goed te maken met je medemens
(Micha 7:19). Daarom is er aan het eind van de Nieuwjaarsdag een
ritueel bad, zodat God de zonden kan afwassen en wegdoen in de diepten
der zee. De Grote Verzoendag is de dag van nationale reiniging. Zoals
bij Rosh Hashana de terugkeer of omkeer (tesjoeva) centraal staat, zo
staat bij Yom Kippur het begrip verzoening (kappara) centraal.
Op Grote Verzoendag kwam de Hogepriester het Heilige der Heilige binnen
in een wolk van ontstoken wierook, als teken van gebed dat tot God werd
opgezonden (Psalm 141:2). Hierbij werd de Naam des Heren aangeroepen,
YHWH. Slechts eenmaal per jaar gebeurde dit. Voordat de Hogepriester
het Heiligdom binnen ging moest hij zich eerst wassen, en na afloop
eveneens (Leviticus 16:4,24). Aäron moest zijn hogepriesterlijk
gewaad afleggen en een linnen lijfrok aandoen, als heilige klederen. Na
afloop deed hij zijn klederen van schoonheid en glorie weer aan. De
Hogepriester waste zich op deze dag in totaal vijf maal geheel en tien
maal alleen zijn handen en voeten. Op deze dag noemt de Hogepriester de
Naam des Heren tien maal. Wanneer de mensen de Naam hoorden, wierpen
zij zich op hun aangezicht uit respect voor God.
Er worden tegenwoordig twee Torah-gedeelten (parasjot) gelezen op deze
dag, namelijk. Leviticus 16-18 en 19-20. Hierbij wordt de verzoening
uit hoofdstuk 16 verbonden met conflictoplossing tussen mensen uit
hoofdstuk 19. Het herstellen van de relatie tussen God en mens heeft
consequenties voor de relatie tussen mensen onderling. Ook wordt dan
als feestrol het boek Jona gelezen. Bij de afsluiting van de liturgie
wordt er gebeden of men ingeschreven mag worden in het Boek des Levens
(Daniël 12:1).
De Grote verzoendag is een dag van vasten (niet eten) en rust. Op deze
dag gaat de hogepriester als opvolger van Aäron het gedeelte van
de tempel in waar de ark van het verbond staat, het allerheiligste. Hij
sprenkelt bloed op en voor de verzoeningsplaat die op de ark ligt. Dit
is het teken van de verzoening tussen God en zijn volk. De zonden van
het volk worden bedekt (kipoer = bedekken) en staan zo niet meer tussen
God en zijn volk in.
Lev. 16:12-15 en 23:27-32
In Leviticus 16 worden voorschriften gegeven voor jom kipoer (), de
Grote Verzoendag; de enige dag in het jaar dat een mens - alleen de
hogepriester! - het heilige der heiligen mag binnengaan om verzoenend
bloed op de kappórèt, het
‘verzoendeksel’, te sprenkelen.
Na de verwoesting van de tempel in 70 n.Chr. kon het voorgeschreven
ritueel niet meer plaatsvinden. Maar deze dag wordt nog steeds gehouden
als een heel bijzondere dag van vasten en verootmoediging, van inkeer
en ommekeer, van berouw en verzoening.
Jom kipoer valt op de tiende dag na rosj hasjana, de nieuwjaarsdag. De
tien dagen voor jom kipoer zijn de zgn. ‘geduchte dagen’,
dagen van inkeer, waarop je je ook bezint op evt. schuld tegenover
mensen. Voor verzoening is berouw en bekering nodig; voor verzoening
van overtredingen van de mens tegenover zijn naaste is onderlinge
verzoening nodig.
Op jom kipoer wordt streng gevast (behalve door kleine kinderen en
zieken). Men wast en zalft zich niet. Op deze dag draagt men witte
kleren; er worden geen juwelen en geen leren schoenen gedragen. De
mannen dragen bij de diensten een gebedsmantel en vaak een doodskleed.
De synagoge blijft nacht en dag open, en er zijn er die daar het volle
etmaal doorbrengen.
Jom kipoer begint (als alle dagen voor de joden) ’s avonds, met
een dienst waarin het bekende kol nidré gezongen wordt.
De volgende dag wordt gelezen: Lev. 16, Num. 29:7-11, Jes. 57 en
58; Lev. 18 en Jona. En keer op keer wordt gebeden om vergeving; bij de
gebeden slaat men zich berouwvol op de borst. Twee keer knielt men -
iets wat verder alleen nog maar één keer, op
nieuwjaarsdag, gedaan wordt in de synagoge.
Nog iets wat daar zelden gebeurt: op jom kipoer wordt ook een preek gehouden.
Aan het einde van de dag klinkt nog een indringend slotgebed, met aan
het einde zeven keer de uitroep van het volk bij Elia op de Karmel:
‘de Here, Hij is God!’. Dan klinkt nog de sjofar. Direct
die avond nog wordt begonnen met de voorbereidingen voor het
Loofhuttenfeest.
Kaars voor Jom Kipoer
Voordat jom kipoer begint steekt men een kaars aan die langer dan 25
uur brandt. Het licht gaat deze dag niet uit; het herinnert er
voortdurend aan dat het jom kipoer is.
Aan het einde van de dag wordt er havdala gemaakt, d.w.z.: er wordt
afscheid genomen van de dag en scheiding gemaakt tussen de geheiligde
tijd en de volgende dag. Op jom kipoer wordt daarbij de speciale kaars,
die de hele dag gebrand heeft, gebruikt en gedoofd.
In sommige landen en kringen is het gewoonte om op jom kipoer lichtjes
te laten branden ter nagedachtenis aan en verering van (voor-) ouders.
Overigens gebeurt dat niet alleen op jom kipoer: ook in de rest van het
jaar kun je op begraafplaatsen kaarsen aantreffen, meestal in een
blikje.
Loofhuttenfeest (Soekot)
Het Slotfeest in de 7e maand is het Loofhuttenfeest, of Sukkoth
(Leviticus 23:33-34). Dit feest heet naast Loofhuttenfeest ook wel
Feest van De Inzameling: inzameling van de fruitoogst (Exodus.23:16).
Dit Feest wordt ook wel kortweg het Grote Feest genoemd. Het woord
Sukkoth of Loofhut verwijst naar de Tabernakel, de tent der samenkomst,
(Leviticus 23:34). De Loofhut werd gemaakt van palmtakken, wilgen,
mirte en olijftakken, als teken van overwinning, wenen, vreugde,
zalving. Dit was het grootste feest van het jaar, waarbij de armen,
weduwen, levieten en vreemdelingen meedeelden in de zegen
(Deuteronomium 16:9-16). Dit feest herinnert het volk eraan, dat het in
loofhutten woonde tijdens de woestijnreis vanuit het land Egypte.
Het Loofhuttenfeest is het Grote Feest, als afronding van de feesten.
Dat de feesten tot een afronding of volheid komen in zeven maanden
tijd, verwijst naar de week die in zeven dagen tot een volheid komt.
Dit Feest heeft als doel: de heiligheid van God. Wanneer alle volken
zullen komen tijdens dit Feest voor het aangezicht van God en op alle
bellen van de paarden zal staan: de Here heilig, en op alle potten zal
staan: de Here heilig (Zacheria 14). De volheid van dit 7e feest zal
overlopen in het Rijk van de Messias.
Tegenwoordig vieren de Joden dit feest met de loofhut, lulav en etrog.
De lulav is een bundel van een palmtak, mirte en wilg. De lulav is een
teken van de woestijnreis van het volk Israël. De etrog is een
vrucht van het beloofde land.
Er zijn vanuit het Nieuwe Testament vele verwijzingen van Jezus naar
het Loofhuttenfeest. Zoals in Johannes 7:37 waar Jezus tijdens de
laatste dag van het Feest zegt: "Wie in Mij gelooft, stromen van levend
water zullen uit zijn binnenste vloeien." En op de slotdag van het
Feest zegt Jezus in Johannes 8:12, "Ik ben het Licht der wereld". Dit
zijn duidelijke aanwijzingen van Jezus, dat Hij de Messias is waar men
met het Loofhuttenfeest naar uitziet en dat God eenmaal bij ons zal
wonen (tabernakelen).
Simchat Torah
Aansluitend op de acht dagen van het Loofhuttenfeest volgt Simchat
Torah. Op deze dag wordt de lezingencyclus van de torah afgesloten en
wordt er opnieuw gelezen uit Genesis 1. Zo gaat de lezing van de Torah
altijd door. Op Simchat Torah is men gewend om met de Torah-rollen te
dansen. Bij het Loofhuttenfeest is er een extra gebod: 'heb daarbij
enkel vreugde'. Dit komt tot uiting in de vreugde om de onderwijzing
van God.
Zeven dagen lang verblijft men tijdens dit feest in zelfgemaakte tenten
(loofhutten) als herinnering aan de tocht door de woestijn. Op de
laatste dag van dit feest wordt tegenwoordig de 'vreugde van de wet'
(Simchat Tora) gevierd. Een van de gebruiken tijdens dit feest is het
scheppen van water uit de vijver van Siloam, het zingen van het
'halleel' (Ps. 113-118) en het aansteken van de vier grote kandelaars
in de voorhof van de tempel.
Lev. 23:33-44
Het Loofhuttenfeest of soekót () wordt in september/oktober gevierd, als laatste van de drie grote feesten.
Lev. 23:39-43 zegt daarover:
Op de vijftiende dag van de zevende maand, wanneer gij de opbrengst van
uw land inzamelt, zult gij zeven dagen het feest des HEREN vieren.
(...) Op de eerste dag zult gij vruchten van sierlijke bomen nemen,
takken van palmen en twijgen van loofbomen en van beekwilgen, en gij
zult vrolijk zijn voor het aangezicht van de HERE, uw God, zeven dagen
lang. (...) In loofhutten zult gij wonen zeven dagen; allen die in
Israël geboren zijn zullen in loofhutten wonen, opdat uw
geslachten weten dat Ik de Israëlieten in hutten heb doen wonen,
toen Ik hen uit Egypteland leidde: Ik ben de HERE, uw God.
Bij het Loofhuttenfeest hoort dus, naast natuurlijk het wonen in
loofhutten, een bundel, de loelav () met vier elementen: een palmtak,
mirtetakken, wilgetakken, en de etróg.
Aan de vier soorten is wel een symbolische betekenis toegekend:
De etrog heeft smaak en reuk; zo zijn er in het joodse volk mensen met tora-kennis en goede daden.
De palmtak heeft smaak maar geen geur; zo zijn er met tora-kennis maar die het geleerde niet in praktijk brengen.
De mirte heeft geur maar geen smaak; zo zijn er met goede daden, maar zonder kennis van de tora.
De wilgetak heeft smaak noch geur; zo zijn er die geen tora-kennis en geen goede daden hebben.
De Eeuwige zegt: ‘neemt hen allen samen tot één
bundel, vormt een éénheid; de één zal voor
de ander verzoening voor Mij doen.’
Bij het kopen van de onderdelen van de loelav gaat men zeer nauwkeurig
en kieskeurig te werk. Alles moet helemaal gaaf en zo mooi mogelijk
zijn! Bij de goede zorg voor een mooie loelav en een gave etrog hoort
natuurlijk een mooie - soms prachtig bewerkte -
‘etrog-doos’.
‘Etrog-doos’
De etróg kan worden
opgeborgen en bewaard in een speciale ‘doos’ - waarbij je
niet aan een kartonnen doos o.i.d. moet denken; het gaat om een
omhulsel, meestal van zilver, soms in de vorm van een een kistje, maar
vaak met ongeveer de vorm van een etrog.
De etrog is een citrusvrucht (citrus medica). Hij lijkt wat op een
kalebas in de vorm van een grote citroen, en heeft een fijne geur. Voor
de loelav moet hij minstens de grootte van twee eieren hebben en 85
gram wegen; kroontje en stoeltje mogen niet afgebroken zijn. Hij is
geel; mag in elk geval niet helemaal groen (onrijp) zijn. Hij mag geen
zwarte of witte vlek vertonen; hooguit een bruine of rode. Een etrog
kan evt. onder goede omstandigheden een jaar bewaard worden.
Het feest van de Tempelwijding of Inwijdingsfeest (Chanoeka)
Het Chanuka-feest, of Tempelvernieuwings feest, wordt gevierd vanaf de
25e dag van de wintermaand, Kislev. Dit jaar (2001) vindt het
Chanuka-feest plaats van 10 tot 18 december. De oorsprong gaat terug
tot de tijd dat de Syrische koning Antiochus Epiphanes IV het land
Israël veroverde en de tempel ontwijdde door een beeld van Jupiter
in het heiligdom te plaatsen en een varken te offeren op het altaar.
Ook werd het de Joden verboden om de wetten van Mozes te houden.
Uiteraard kwamen de Joden hiertegen in opstand. Met name de
priesterfamilie van de Maccabeeën heroverde Jeruzalem en de tempel
in 164 vóór Chr.
Op de 25e Kislev reinigde Judas Maccabeüs de tempel en vond men
een flesje olie voor de Menorah. Normaal gesproken was dat flesje olie
toereikend voor één dag. Men heeft echter 8 dagen nodig
om nieuwe olie te bereiden. Toch stak men direct de kandelaar aan om de
tempel te verlichten en er gebeurde een wonder, want op dat ene flesje
olie brandde de kandelaar zelfs 8 dagen, tot men nieuwe olie gereed
had. Daarom duurt dit feest ook 8 dagen en er wordt bij de Joden thuis
een 8-armige kandelaar of Chanoekia gebruikt. Iedere dag steekt men 1
kaarsje meer aan tot ze e bij de 8 dag allemaal branden. De Chanoekia
heeft meestal een extra arm, de Shammash of dienaar, waarmee de overige
lichtjes worden aangestoken.
In de tijd van het Oude Testament, werd met dit Vernieuwingsfeest
iedere dag het Hallel, Psalm 113-118, gezongen en droeg men palmtakken
mee naar de Tempel, want het draaide in dit feest allemaal om de
vernieuwing van het altaar en de olie. Olie,als het beeld van Gods
Geest en centraal stond dan ook de profetie uit Zacharia 4:6 'Niet door
kracht of geweld, maar door mijn Geest, zegt de Heer.' Men geloofde dat
God met zijn Geest het volk zal vernieuwen.
In het Nieuwe Testament zien we dat ook Jezus het
Tempelvernieuwingsfeest viert (Johannes 10:22). Tijdens dit feest
vraagt men aan Jezus om ronduit te zeggen of Hij de Christus is. Deze
vraag is te begrijpen, want tijdens dit Feest leest men, naast de
Psalmen en de Profeten, ook uit de Torah. Deze Torah-lezing gaat over
de ontmoeting van Jozef met zijn broers (Genesis 45). Jozef die zich
bekendmaakte als de toenmalige redder van het volk. Het zou toch mooi
zijn, dat Jezus zich nu als redder van zijn volk bekend zou maken.
Jezus gaat op hun vraag in en zegt dat Hij hen al verkondigd heeft, dat
Hij Gods Zoon is. Maar men ziet dat als Godslastering (Johannes 10:36).
Trouwens, Jezus wil ook niet gezien worden als degene, die de Romeinen
zal verjagen. Hij wil in Israël het Licht van de kandelaar
aansteken, als teken dat Gods Geest zal gaan werken in het volk. In het
beeld van de kandelaar, zien we in feite dat Jezus de Shammash of
Dienaar is, die de andere lichtjes wil aansteken. Maar ook nu, bij ons,
wil Jezus het Licht van geloof aansteken, zodat Gods Geest in ons leven
kan werken en ons leven mag gaan stralen voor Hem.
Het Chanuka-feest is in de christelijke traditie vrijwel onbekend. Maar
is het niet frappand dat ons Kerstfeest op de 25e van de wintermaand
wordt gevierd? En, dat Jezus het Licht der wereld is?
Dit feest van de Tempelwijding herinnert aan de overwinning van het
Joodse volk op Antiochius IV Epifanes, die geleid werd door de
Makkabeeën. De Syrische koning ontheiligde de tempel door er
afgodsbeelden te plaatsen en hij probeerde in 164 voor Christus het
Joodse geloof te verbieden. Onder leiding van de priester Mattatias en
zijn vijf zonen werd Antiochus verslagen en de tempeldienst in ere
hersteld.
1 Makk. 4:26-61
1 Makkabeeën is een van de zogenaamd deuterocanonieke
boeken. Deze zijn niet opgenomen in de Jongerenbijbel. Je kunt het wel
vinden in andere edities van De Nieuwe Bijbelvertaling.
Poerim of Lotenfeest
Dit feest herinnert aan de
gebeurtenissen die beschreven zijn in het boek Ester. Volgens dat
verhaal wilde Haman alle Joden uitroeien die in de burcht van Susa
woonden, en wierp hij het lot om de datum daarvoor te bepalen. Ester en
haar pleegvader Mordechai ontdekten het plan van Haman en wisten het
Joodse volk te redden. In plaats van Mordechai werd Haman zelf
opgehangen. Ook zijn tien zonen werden vermoord op de dag waarop Haman
zelf van plan was geweest alle Joden te laten doden. Hun lijken werden
naast dat van Haman opgehangen. (ook Het boek Ester)
Het chanoeka-feest duurt acht dagen. Het wordt gevierd in de maand
december, in de ‘donkere dagen’ aan het einde van het jaar.
Het is een feest waarbij licht (en dan ook de chanoeka-lamp, de
chanoekía) een bijzondere rol speelt.
Chanoeka betekent ‘inwijding’; men viert de her-inwijding van de tempel in het jaar 164 voor Christus.
We gaan daarvoor dus naar de tijd tussen het Oude en het Nieuwe
Testament. Jeruzalem was in handen van een Seleucidische koning,
Antiochus IV ‘Epifanes’. Hij wilde de stad helleniseren
(vergrieksen).
In 169 v.C. plunderde hij de tempel, waar nu ‘de Heer des
hemels’ of ‘Zeus Olympios’ gediend zou moeten worden.
Hij onderdrukte de joden op een verschrikkelijke manier. Het gebeurde
dat wetsgetrouwe joden in tora-rollen verbrand werden. Op sabbat-vieren
of zonen-besnijden stond de doodstraf! Dit leidde tot de opstand van de
Maccabeeën (of Hasmoneeën), die begon in 167 v.C., en
uiteindelijk leidde tot de verovering van Jeruzalem. Op 25 kislev van
164 v.C. werd de tempel gereinigd van heidense smetten en opnieuw
ingewijd.
Er werd bij de her-inwijding acht dagen feest gevierd, op de wijze van
het Loofhuttenfeest, dat dat jaar niet normaal gevierd kon worden.
Overal werden lichten ontstoken. Op het voorplein van de tempel
plantten de Maccabeeën hun lansen in de grond en hingen er lampen
aan - als teken van vreugde en als verwijzing naar hét licht dat
was gaan schijnen na een donkere tijd van onderdrukking.
Er brandde in de tempel altijd één bijzondere lamp, het
‘eeuwige licht’. Die moest altijd blijven branden, maar was
nu gedoofd. En er was nog maar één kruikje met
niet-ontheiligde olie - normaliter genoeg voor één dag.
Maar door een wonder brandde de lamp op deze kleine hoeveelheid toch
acht dagen en nachten - de duur van het feest van de herinwijding van
de tempel.
Chanoeka-kandelaar
Op het chanoeka-feest wordt ter herinnering weer licht ontstoken: op de
eerste dag één kaarsje, op de tweede dag twee, enz. (het
wonder werd steeds groter!) - totdat op de achtste dag alle kaarsen
branden (zoals van de vier adventskaarsen er elke zondag
één meer wordt aangestoken).
Het gaat om acht kaarsen - maar die worden aangestoken met behulp van
een negende, de zgn. sjammasj (‘dienaar’). Voor die ene is
er doorgaans een apart plaatsje in de chanoeka-lamp, die je dus kunt
herkennen aan de 8 + 1 kaarsenhouders.
De negen-armige kandelaar (chanoekiá genoemd) moet dus wel
onderscheiden worden van ‘dé’ Menora, de
zévenarmige kandelaar, hét symbool voor Israël.
De chanoeka-lamp heeft niet altijd ‘armen’. De vorm is
vrij, en er zijn talloze, soms zeer kunstzinnige, variaties.
Je kunt overigens ook een chanoeka-lamp wel ‘menora’
noemen; menora is gewoon het Hebreeuwse woord voor lamp of kandelaar.
Havdalá (sjabbat-uitgang)
Havdala betekent letterlijk ‘scheiding’. Met havdala wordt
bedoeld het scheiding maken tussen bijzondere dagen en de gewone, en
het afscheid nemen van een sjabbat of jom tov (‘feestdag’).
Als het einde daarvan is gekomen (op het tijdstip dat er drie sterren
te zien (zouden) zijn) is er nog een bijzonder moment, van dankbaarheid
en weemoed, van verwachting en verlangen.
Daarbij spelen wijn en licht een belangrijke rol - zoals ook bij het
begin van de sjabbat - en daarnaast ook de geur van kruiden.
Een beker wordt gevuld met wijn, zo vol, dat de wijn over de rand
stroomt - als een teken van geluk (Ps. 23:5) en als wens voor de
komende dagen. Daarbij zegt de huisvader o. a.: ‘De beker des
heils hef ik op, en de naam van de Eeuwige roep ik aan’ (Ps.
116:13).
Dan neemt hij de bessamiem- of specerij-bus (een ‘reukdoos’
met geurige kruiden) en snuift de geur op, en laat hem rondgaan, opdat
ieder nog eens de heerlijke lucht opsnuift, die symbool is voor de
heerlijke geur van de sjabbat. De sjabbat, zo zegt men, geeft een
‘extra ziel’ (nesjama jetera), de
‘sabbatgeest’. Voordat die wordt ‘uitgeblazen’
nog even het aroma van de sjabbat...
Er worden kaarsen aangestoken. Minstens twee - of één
speciale kaars, die is gevlochten uit een aantal dunne, witte of
gekleurde, kaarsen; in elk geval meer dan één vlam. De
eerste daad van de nieuwe week is - net als in de scheppingsweek -
het licht-maken. De Schepper van het licht wordt geprezen:
Gezegend Gij, Eeuwige onze God, Koning der wereld,
die de lichtgevende vlammen van het vuur hebt geschapen.
Het aangestoken licht wordt gebruikt: men bekijkt de handen of nagels.
Dan wordt de wijnbeker weer in de rechterhand genomen, met de woorden:
Gezegend Gij, Eeuwige onze God, Koning der wereld,
die scheiding maakt tussen heilig en ongewijd,
tussen licht en duisternis,
tussen Israël en de volkeren,
tussen de zevende dag en de zes werkdagen.
De vader drinkt nu iets van de wijn en dooft dan de kaars in de wijn,
die over de rand van de beker, op het bord of blad eronder, was
gevloeid.
Dan is havdala gemaakt. Vaak worden er nog liederen gezongen, zoals:
Elia de profeet, Elia de Tisbiet, Elia de Gileadiet, kom snel,
en breng bij uw komst de Messias, de zoon van David mee...!
Nieuwemaansfeest
Het begin van een nieuwe maand werd gevierd met het zogenoemde
nieuwemaansfeest. Waarschijnlijk was het een dag waarop men geen arbeid
mocht verrichten en waarop bepaalde offers waren voorgeschreven.
In Numeri 28:11-15 staat een voorschrift voor dit feest.



















