Begin
van de Kerkgeschiedenis
De Bijbel is niet een
boek
wat je zomaar even van kaft tot kaft leest. Het kan lastig zijn om je
weg door de Bijbel te vinden, als je niet weet wat zich wanneer heeft
afgespeeld. Deze site kan je helpen om de Bijbel beter te leren kennen.
Ontdek de bron van vrede, het Woord van God.
Begin
Kerkgeschiedenis
De geschiedenis van de kerk is cruciaal voor ons begrip van de instelling van de Christelijke kerk. Er kan veel geleerd worden over de gebeurtenissen tussen de tijd van de apostelen en het heden. Lees meer in het rechter menu.

1. DE WERELD
BIJ HET BEGIN DER KERKGESCHIEDENIS
Uiterlijk
De wereld waarin de kerk haar loop begon, was het Romeinse
keizerrijk. Dit rijk strekte zich uit van de straat van Gibraltar tot
aan de Eufraat en van Egypte tot Engeland. De Rijn en de Donau vormden
de noordgrens, maar ook daarover heen reikte de macht der Romeinse
legioenen. Het politieke hart van dit reuzenlichaam was de stad Rome.
Daar zetelden de keizers, die nog lang in schijn de volksinvloed
handhaafden uit de tijd toen Rome nog een republiek was
(vòòr de eerste keizer Augustus 29 v. - 14 n.
C.), maar
die in werkelijkheid een absolute monarchie uitoefenden.
Nooit voordien of nadien heeft ons cultuurgebied een zoo grote eenheid
gekend. Er was een algemene omgangstaal, het Grieks. Om de nieuwe
eigenschappen, die deze taal door haar wereldtaak ontving, spreken we
van het Koine-Grieksch. (Koinê beteekent: algemeen). In deze
taal
is ook het Nieuwe Testament geschreven. De tegenwoordige functie van
het engels is enigermate met die van het Koine-Grieksch te
vergelijken. Politieke grenzen bestonden binnen deze
rijkseenheid
niet. Goede heerwegen brachten de legers en kooplieden, later ook de
apostelen en zendelingen overal heen. Handel en verkeer bevorderden het
contact tussen de ver uiteen gelegen wingewesten (provinciën).
Alom heerste vrede en orde. Het bondgenootschap van Griekse cultuur en
Romeinse staatkunde beheerste het leven. Paulus’
groote
zendingsreizen en de snelle groei der kerk zijn zonder deze dingen
ondenkbaar.
Natuurlijk betekende dit alles nog geen innerlijke eenheid. A1 waren de
randvolken (Kopten, Syriërs, joden enz.) politiek aan Rome
onderhorig, de Grieksche.cultuur beïnvloedde hun leven slechts
oppervlakkig. Ze behielden hun nationale eigenaardigheid. Maar
het
zou nog enige eeuwen duren, eer dat zich politiek ging openbaren. Ook
de centrale landen waren geen volkomen eenheid. Het Romeinse Westen en
het Griekse Oosten hadden een verschillend levenstype, en dat ging zich
sinds de tweede eeuw steeds sterker openbaren. De latijnse taal won in
Italië aan terrein ten koste van de Griekse. Deze verschillen
zijn
ook in de kerkgeschiedenis van fundamenteele beteekenis geworden. Maar
in de eerste eeuw overkoepelde de krachtige rijkseenheid al
deze
verschillen nog.
Innerlijk
We zijn gewoon aan de Romeinsche keizertijd te denken als aan een tijd
van zedelijke verwildering. Romeinen 1:18 v.v., maar ook de uitingen
van vele heidense schrijvers geven daar alle reden toe. Inderdaad heeft
het opgaan van de oude natuurlijke levensverbanden in het
massale
rijk en de vermenging der volken ontworteling en verwildering
meegebracht. Maar meer dan het zedelijk verval is deze ontworteling
typerend voor de wereld waarin de kerk haar intrede deed. Het wijde
rijk met zijn verre grenzen, eindresultaat van een reeks bloedige
oorlogen, bracht een nieuw en vreemd levensbesef mee. Het gevoel van
geborgenheid dat de burgers der vroegere kleine staten
beschermend
omving, valt nu weg. Daarmee vervallen ook de zedelijke normen die het
leven der kleine gemeenschappen bepaalden. En de eigen staatsgoden,
wier macht immers vaak niet groter gedacht werd dan hun gebied,
verliezen aan gezag. De ontgrenzing van het leven betekent de
ondermijning van de geestelijke levensgrondslag. Buiten de
oude
levensverbanden wordt de mens een enkeling en staat hij eenzaam in een
angstig-wijde wereld. In zulk een tijd gaan de eeuwige vragen: wat moet
ik doen? wat mag ik hopen? de menschen weernieuw bewegen. Sinds het
begin onzer jaartelling nemen we dan ook een wassende vloed van
religiositeit waar. De bronnen van de oude Grieksche en Romeinsche
staatsgodsdienst waren niet voldoende om deze stroom te voeden.
Daarvoor waren ze te nauw verbonden met een voorbijgegane tijd. Maar de
veroveringen der Romeinen hadden ook de ontdekking van de oude oosterse
religies tot gevolg gehad. En daar vond het nieuwe godsdienstige
verlangen bevrediging. Naarmate de westerse politiek het Oosten
veroverde, veroverde de oosterse religie het Westen.
Invloed der oosterse
religies
Het oosten heeft voor het westen altijd de bekoring der
geheimzinnigheid gehad. In deze tijd was die bekoring te sterker, omdat
in de oosterse godsdiensten het verlangen naar verlossing
centraal
was. Het aardse leven werd daar gezien als het voorportaal van een
hoger bestaan, van een lichtend hiernamaals dat de enkele mens
moet en kan bereiken door zijn zinnelijke neigingen te onderdrukken
(ascese) en waarvan hij reeds hier de voorsmaak kan ontvangen door zich
aan geheimzinnige inwijdingsceremoniën te onderwerpen
en deel
te nemen aan plechtige handelingen (mysteriën) die de
overwinning
van het leven op de dood voorstellen en bewerken. Deze religies
schonken den enkeling een nieuwe ethiek, een gevoel van beveiliging en
het verheffend uitzicht op een beter leven. Hier vond men wat men zocht.
Vanaf de eerste tot de derde eeuw verbreidde de verering van Egyptische
(Isis, Osiris), Syrische (Baäl), Perzische (Mithras),
Klein-aziatische (Kybele) en andere goden zich snel door het gehele
rijk. Ook de eeuwenoude Griekse mysteriën en de
Babylonische
astrologie met haar noodlotsgéloof vonden overal
aanhangers. Het godsdienstig besef ontwaakte in een bonte
veelvuldigheid van gestalten. Toch zijn al die gestalten de uitdrukking
van één geest. Alle worden gedragen door het
antiek-godsdienstig besef dat deze wereld van stoffelijkheid en
tijdelijkheid zijn grond en grens vindt in een andere wereld. Door
ascetische oefeningen en magische inwijdingen overwint de ziel de
vergankelijkheid en wordt één met haar goddelijke
levensgrond. Elke godsdienst is een weg daarheen. Daarom waren de
verschillende religies principiëel verdraagzaam
jegens
elkander. Ook vereenzelvigde men bewust verschillende goden.
Het
besef was levend dat de verschillende godengestalten slechts namen zijn
voor het Eene, verschillende zijden van het Alwezen. In het
vervolg zullen we deze religie aanduiden als: dualistisch
pantheïsme; pantheïsme omdat men God als de diepste
kern van
wereld en mens beschouwde; dualistisch omdat men deze kern in het
geestelijke leven zocht in tegenstelling tot het stoffelijke en
zinnelijke, en zo het leven in twee tegengestelde gebieden
verdeeld achtte.
Keizerverering
Een bijzondere plaats onder deze vormen van religiositeit nam
de
keizerverering in. Ook deze wortelt in een Oostersche gedachte, n.l.-
dat de keizer drager van bovenmenselijke krachten is en dus tot de
goddelijke wereld behoort. Hij is Zoon Gods en Heer. Sinds Alexander
den Grote ging deze opvatting ook in het Westen een rol spelen. Het
onafzienbare Romeinsche Rijk met zijn uiteenlopende elementen vroeg als
het ware om deze godsdienstige fundering van haar eenheid. Eerst werden
de keizers alleen na hun dood vereerd; maar daarbij kon het
niet
blijven. Het offer aan den levenden keizer werd het van hogerhand
verlangde teken der politieke betrouwbaarheid. Het betekende
een
erkenning van de staat als drager van goddelijke krachten. Het
betekende door zijn practisch-politiek gewicht tevens het punt, waar
weldra de tegenstelling tussen kerk en wereld in al haar
scherpte
openbaar moest worden.
Zedelijke Hervorming
Onder de kleine groep van ontwikkelden was de situatie anders. De nood
der ongeborgenheid in de wijde wereld had hier het probleem der ethiek
wakker geroepen. Men zocht naar vaste normen voor het handelen. Maar de
filosofische scholen (Stoa, Epicureërs) stonden
diametraal
tegenover elkaar. Velen vertwijfelden aan het vinden van
waarheid
en vastheid. Toch brak zich terzelfder tijd een krachtige zedelijke
hervormingswil baan in de latere stoïsche en cynische
wijsbegeerte. En dit nieuwe moralisme werd door rondtrekkende predikers
ook onder het volk gebracht. Aan de mensen werd voorgehouden
dat
de ware deugd bestaat in een leven overeenkomstig onze
redelijke
aanleg, en dat alleen zulk een leven waarlijk gelukkig maakt. Seneca,
Epictetus en keizer Marcus Aurelius waren de voornaamste denkers binnen
deze zedelijke hervormingsbeweging. Ook hier vormde het dualistisch
pantheïsme de achtergrond; de ziel, die vonk der godheid, moet
langs de weg der ascese zich van de boeien der lichamelijke begeerten
bevrijden.
Religieuze Filosofie
Dit moralisme is maar een overgangstoestand geweest. Hoe meer de
zedelijk strevende mens zich inspant, des te meer ontdekt hij de
spanning tussen ideaal en werkelijkheid, die naar bovenmenselijke hulp
doet uitzien. Sinds de tweede eeuw wordt de filosofie steeds meer
godsdienstwijsbegeerte. Ook bij haar doet, met Pythagoras en Plato, de
oosterse mystiek haar intrede, nu in wijsgerige vorm. De ziel is de
laatste uitlooper der goddelijke wereld in het donker der
stoffelijkheid. Langs de weg van ascese en extase moet zij terugkeren
tot haar oorsprong. Zo loopt het moralisme uit op een
dualistisch
pantheïsme dat in de grond niet verschilt van de gelijktijdige
volksreligie. Zelfs blijft de cultus, de magie en het
demonengeloof als lagere trap van inzicht gehandhaafd.
“Volheid des
tijds”?
Wie deze alom groeiende religiositeit sinds het begin der jaartelling
gadeslaat, is geneigd daarop het woord van Paulus over “de
volheid des tijds” (Gal. 4:4) toe te passen. Paulus
heeft
dit echter bedoeld als het door God souverein bepaalde ogenblik waarop
Zijn beloften in vervulling zouden gaan. Aan een bijzondere
ontvankelijkheid voor de Evangelieboodschap in de eerste eeuw is
daarbij niet gedacht. Met die gedachte moeten we trouwens voorzichtig
zijn. Het vervolg zal juist bewijzen, dat de geschiedenis der kerk in
de oude wereld er een is geweest van onbewuste verleiding
dóór en openlijke strijd tegen de geest der eeuw.
Het
Evangelie en het dualistisch pantheïsme sluiten elkaar uit.
Daarmee is niet ontkend dat de situatie voor de Evangelie-verkondiging
veelszins bijzonder gunstig was. Ze kon in zulk een wereld reeds van te
voren op aandachtig gehoor rekenen. En vooral: de snel groeiende
wereldkerk is ondenkbaar zonder de eenheid van taal, de goede
verkeerswegen, de staatkundige eenheid en algemene vrede, die het
toenmalige leven rondom de middellandse zee kenmerkten.
2. DE JODEN
De kerk is haar leven begonnen in Palestina onder het joodse volk. En
haar zendingsarbeid heeft zich allereerst gericht op de joden in de
verstrooiing. Bij alle tegenstelling heeft ze haar oorsprong
uit
en haar samenhang met deze wereld niet verloochend.
In Palestina
Palestina stond in deze tijd onder de heerschappij der Romeinen, deels
direct (vgl. stadhouder Pilatus), deels indirect (vgl. koning Herodes).
Maar als godsdienstige gemeenschap had het joodse volk een
betrekkelijke zelfstandigheid, onder het bestuur van de uit priesters
en schriftgeleerden bestaande joodse Raad (Sanhedrin). De tempel te
Jeruzalem was het middelpunt, maar de meeste joden konden daar slechts
zelden heen gaan. Daarom had elke joodse gemeenschap van enige omvang
haar synagoge. Daar kwam op de sabbat de gemeente bijeen rondom de
weten de profeten. In samenhang met deze schriftstudie
ontwikkelde
zich de stand der schriftgeleerden, die naast de priesters en meer dan
dezen de geestelijke leidslieden van het volk werden.
Toekomstverwachting
Ondanks de grote vrijheid die de Romeinen aan de joden lieten, lag er
in deze tijd een zware geestelijke druk op het volk. Velen was het
onverdraaglijk dat Gods uitverkoren volk door de heidenen werd
geknecht. Bij de groep der Zeloten zette dit gevoel zich om in
nationalistisch-revolutionaire bewegingen (vgl. Luc. 13:1,
Hand.
5:36 v.), vaak verbonden met bepaalde messiaanse verwachtingen. En waar
men zich boog onder het juk, daar leefde de sterke verwachting dat deze
wereldperiode haar einde naderde en dat de nieuwe tijd voor de deur
stond, waarin God de heidenen zal richten en het volk, dat Zijn wet
liefheeft, verhogen zal. Deze verwachting der nieuwe wereld betekende
tegelijk de verwachting van den komenden Messias. De nieuwe tijd is de
messiaanse tijd. Die verwachtingen leefden in veler hart, in zeer
uiteenlopende vormen.
De vervulling der wet
Voor wie deze verwachting heeft, wordt het de grote vraag: wat doende
zal ik het eeuwige leven beërven? Het antwoord geeft de wet.
Messiaanse verwachting en strenge wetsvervulling zijn de beide polen
der joodse vroomheid. Nodig is, dat de wet van Mozes alzijdig op het
leven wordt toegepast. Dat is de taak der schriftgeleerden. Dezen
behoorden meestal tot de partij der Farizeërs (=
afgezonderden), die zich de strengste wetsvervulling tot taak
hadden gesteld. Deze bestond uit vasten, gebeden, aalmoezen
geven,
strenge sabbatsheiliging enz. Zulke werken dragen een verdienstelijk
karakter en maken den mens de toegang tot de nieuwe wereld waardig.
Vaak bracht deze houding mee, dat de innerlijke gezindheid tengevolge
van een veruitwendigde plichtsbetrachting vergeten werd. Het
kleine wordt dan groot en omgekeerd. En in plaats van de liefde tot God
en den naaste treedt de hoogmoed en geveinsdheid. En vooral: door de
verdienstenleer wordt de rechte verhouding tot God verbroken. De genade
van God voor den zondaar wordt dan een aanhangsel in plaats
van
het middelpunt.
Daarom zijn Jezus en de Farizeërs elkanders gezworen vijanden
geweest; wat niet wegneemt dat de farizeese geesteshouding later een
voortdurende verzoeking voor de kerk zou blijven.
Naast de machtige partij der Farizeërs stond de voorname
priesterpartij, die der Sadduceërs. Zij verwierpen de
apocalyptische verwachting en de geldigheid van de uitbouw en
toepassing die de Farizeërs aan de wet gaven. Ook waren ze, in
tegenstelling tot de Farizeërs, zeer toegankelijk voor
Grieks-Romeinse invloed. Dat laatste geldt nog meer van de
ascetische sekte der Essenen. Maar als geheel was het joodse
volk
temidden der groeiende nieuwe religiositeit de drager van een eigen
geest, de geest van het Oude Testament, vreemd aan de praktijk en
vooral aan de pantheïstische achtergrond van mystiek
en
magie, ascese en extase, die het heidendom kenmerkte. De kerk, die het
Oude Testament als haar eigen boek heeft erkend, heeft, onder alle
verzoekingen door, deze geest ook buiten het joodse volk
verder
gedragen.
De Diaspora
Ook ver buiten Palestina woonden vele joden. We noemen hen de
joden in de diaspora (= verstrooiing). Als handelaren leefden ze in
alle grotere steden rondom het oostelijk deel van de Middellandse zee,
en in Rome. In Alexandrië vormden ze zelfs een derde deel der
bevolking. Ze genoten het voorrecht van eigen rechtspraak en waren om
hun overtuiging vrijgesteld van het offeren aan den keizer. Door het
gedwongen contact met de heidenen konden ze de wet niet zoo streng
houden als hun volksgenoten in Palestina. Toch bewaarden ze hun geloof
zoo zuiver mogelijk, vooral door de synagogale eredienst. Ze
betaalden hun tempelbelasting en reisden zoo mogelijk eens per
jaar naar Jeruzalem voor een hoog feest. Hun taal was het Grieks en hun
bijbel de zoogenaamde Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude
Testament, die ook in het Nieuwe wordt gebruikt.
Invloed van het
jodendom
Vele heidenen ergerden zich aan de eigenaardigheid en afgeslotenheid
der Diaspora-Joden. Maar ook velen werden daardoor juist aangetrokken
in deze tijd van zoeken naar vastheid. De hoge oudheid der Joodse
geschriften en de strenge moraal maakten indruk. Hun verheven
monotheïsme en hun Gods verering zonder beeldendienst
hadden
de aantrekkingskracht van het vreemde en gaven aan het jodendom de
erenaam van een filosofische godsdienst. Zo vormden zich rondom de
diaspora-synagogen groepen van heidenen die zooveel mogelijk deelnamen
aan de joodse cultus. Dat zijn de “Jodengenoten”,
de
“Godvreezenden”, de “vereerders van
God”, die
ook in de zendingsarbeid der oudste kerk een rol hebben gespeeld (vgl.
Hand. 13:16, 43 en 17:4). Paulus is op zijn zendingsreizen eerst naar
de synagogen gegaan. De jodengenoten daar, die zijn woord aannamen,
werden de brug voor de kerk naar de Grieksch-Romeinsche wereld.
Philo
In de hoger ontwikkelde kringen der joodse diaspora, vooral te
Alexandrië, heerste een veelszins andere geest. Daar was een
streven naar verzoening van het Oude Testament met de Griekse
wijsbegeerte. De grote vertegenwoordiger dezer stroming is
Philó
van Alexandrië, een oudere tijdgenoot van Jezus. Met behulp
der
allegorische schriftverklaring vond hij in de boeken van Mozes de
dualistisch-pantheïstische wereldbeschouwing van
Plato en de
Stoa. De bijbelse tweeheid van Schepper en schepsel
vereenzelvigde
hij met de platonische tegenstelling tussen geest en stof. En
wat
in het Oude Testament het “Woord Gods”of de
“Wijsheid
Gods” heet, stelde hij gelijk met de stoïsche
“Logos”, de in al het bestaande wonende wereldziel,
die hij
beschouwde als de brug die de geestelijke en stoffelijke
wereld
verbindt.
Philo is voor de kerkgeschiedenis van groot belang. Want langs zijn
wegen heeft ook de oude christelijke theologie een synthese van
Evangelie en Griekse wijsbegeerte gezocht.
Trouwens ook in haar apologetische arbeid is de kerk in de sporen der
joodse diaspora-theologie gegaan. Beide gebruikten als voornaamste
middel het belachelijk maken der mythologie van het veelgodendom en het
bewijs voor de hoge ouderdom der Bijbelse geschriften; want oudheid en
waarheid horen bijeen. Wat er goeds bij Plato gevonden wordt, werd
volgens de joodse en christelijke apologetiek, reeds eeuwen tevoren
door Mozes uitgesproken en is waarschijnlijk aan hem ontleend.
3. DE EERSTE
GEMEENTE
Wezen en vorm der kerk
De kerk in haar nieuwtestamentische vorm werd geboren op de
Pinksterdag, toen de Heilige Geest werd uitgestort. Ze is niet te
verklaren uit het jodendom, noch uit Griekse filosofie of Oosterse
mysteriewijsheid. Haar enige verklaring is de geschiedenis van Jezus
van Nazareth, den Messias in wie het Oude Testament werd vervuld. Zijn
opstanding uit de dood werd voor zijn discipelen de grond en de belofte
van een nieuw leven. Op het Pinksterfeest werd de kracht van hun
verhoogde Heer over hen uitgestort, die hen vaardig maakte om te
getuigen van de verwerkelijking van Gods verlossingsplan. Waar
dit
getuigenis in geloof werd aangenomen, ontstond een nieuwe en
eigensoortige gemeenschap, niet gegrond op menselijke religieuze
verlangens, maar op het gelovig buigen onder Gods openbaring in
Christus; een gemeenschap van mensen die in de dood en opstanding van
Jezus hun leven hadden gevonden.
Daarmee is niet ontkend dat de oudste levensvorm der kerk die was van
een Joodse sekte. De Palestijnse gemeente bleef gehoorzaam aan de
mozaïsche wet en trouw aan de tempel en de synagoge. Van de
richtingen der Farizeërs en Sadduceërs onderscheidde
ze zich
door haar geloof dat de Messias, die eenmaal op de wolken zal komen om
de nieuwe wereldperiode in te luiden, reeds eenmaal op aarde is
geweest. Deze eerste komst was in vernedering en verborgenheid
geschied, in de gedaante van den lijdenden knecht, zoals Jesaja 53 die
tekent, “om zijn leven te geven tot een losprijs
voor
velen”. Van het geloof of ongeloof der mensen ten aanzien van
deze eerste komst hangt af of ze in het gericht zullen bestaan en de
nieuwe wereldperiode mogen binnengaan.
De zekerheid dat de Messias in de persoon van Jezus van Nazareth reeds
op aarde was gekomen om het Koningschap Gods te prediken en door zijn
sterven de zondenvergeving en verzoening met God te brengen, bracht een
diepe kloof tussen de joodse christenen en hun volksgenoten. De eersten
traden immers op met de overtuiging dat nu in Jezus de zin van het Oude
Testament was onthuld. Die gedachte moest voor de priesters en
schriftgeleerden, die Jezus hadden gekruisigd, de grootste ergernis en
belediging betekenen. En door het centraal stellen van het
geloof
in Jezus moesten bij de christenen de tempel, de wet en de synagoge,
hoezeer ook geëerbiedigd, wel op de tweede plaats komen.
De geschiedenis der oudste kerk is bekend uit de “Handelingen
der
Apostelen”. Ze wordt hier dus niet naverteld. Slechts enkele
punten moeten we aanstippen. Er is steeds een begrijpelijke neiging
geweest om deze eerste tijd der kerk te idealiseren. Het volstrekt
nieuwe dat zich nu baan brak, gaf aan deze tijd een bijzondere frisheid
en gloed. Toch geeft de bijbel zelf voor deze idealisering geen grond.
We behoeven dan nog niet eens aan de ergerlijke zonden te denken zoals
die blijkens Paulus’ brieven b.v. in Korinthe voorkwamen.
Reeds
vlak na het machtige begin volgde het droeve gebeuren met Ananias en
Sapphira (Hand. 5), en horen we van wrijving ‘tussen het
Aramees
sprekende en het Grieks sprekende deel der gemeente van Jeruzalem
(Hand. 6). Ten allen tijde, ook in de heerlijke begintijd, is de kerk
een gemeenschap van zondaren geweest, wier heiligheid niet lag
in
wat daarvan te zien was, maar in Christus die haar tot heiligmaking
geworden is.
Communisme?
Ook is meermalen gesproken van “het communisme der
oergemeente”. We lezen immers dat ze alle dingen gemeen
hadden en
hun goederen verkochten om de opbrengst naar gelang der
behoeften
onder de armen uit te delen (Hand. 2:44 v.). Maar dat was geen
communisme. Allereerst omdat dit vrijwillig geschiedde. Het was geen
program of wet; niemand werd er op aangekeken als hij het niet deed. En
dan betekende dit niet de opheffing van het privaat bezit, maar deze
spontane mededeelzaamheid veronderstelde juist het eigendomsrecht van
den enkeling. Dat blijkt duidelijk uit Petrus’ antwoord aan
Ananias (Hand. 5:4). Aan deze geestdriftige mededeelzaamheid was geen
lang leven beschoren. Weldra heeft het geordende diaconaat de armenzorg
op reëlere basis geplaatst.
De losmaking uit het
jodendom
Was de oudste gemeente haar eigen weg verder gegaan, dan zou ze een
joodse sekte gebleven zijn, door de andere joden steeds verdacht,
meestal geduld, soms vervolgd, zoals de toestand der echte
jodenchristenen ook gebleven is. Maar de Heer had zijn discipelen met
een opdracht voor de gehele wereld uitgezonden. Daarom moest de
Joods-sektarische vorm verbroken worden. Dat is het beslissende
gebeuren van deze begintijd geweest. Lijden en vervolging heeft God
gebruikt om de ogen der gemeente voor haar wereldroeping te openen.
Het begon daarmee, dat in Jeruzalem ook joden tot het geloof kwamen,
die uit de diaspora stamden en wier taal dus het Grieks was. Door hun
afkomst stonden ze vrijer tegenover tempel, cultus en wetsbepalingen.
Zo konden zij de eersten zijn om te begrijpen dat deze dingen door
Jezus’ komst hun zin hadden verloren. Stephanus werd de man
die
dit inzicht openlijk uitsprak en verdedigde. Daarom werd hij op bevel
van de Joodse Raad gestenigd wegens lastering van tempel en
wet.
Zijn medestanders werden hevig vervolgd en moesten vluchten.
Ze
verspreidden zich door het gehele land en zelfs naar Phoenicië
en
Antiochië. Maar wat de mensen ten kwade gedacht hadden, had
God
ten goede gedacht. Juist de lijdende en verstrooide gemeente ontwaakte
tot het besef van haar zendingsroeping. Overal waar ze kwamen,
verkondigden de verstrooiden de boodschap van den Messias
Jezus.
Echter alleen onder joden; voor allen was het nog een vanzelfsprekende
gedachte, dat het heil alleen voor het uitverkoren volk is.
Maar
weldra brák het grote ogenblik aan, dat de roeping
van den
Heer in volle omvang werd verstaan. Enigen van deze verjaagde joodse
christenen, die in Antiochië kwamen, begonnen daar ook tot de
heidenen te prediken, eerst waarschijnlijk alleen tot de
“Godvreezenden”. Velen uit hen kwamen tot
het geloof,
en in Antiochië ontstond de eerste gemeente uit joden
en
heidenen te samen. De vorm der joodse sekte was verbroken. De
aanhangers van deze nieuwe gemeenschap in Antiochië kregen nu
van
de buitenstaanders de naam “christenen”. De
Palestijnse
jodenchristenen hebben deze ontwikkeling met vreugde begroet,
tenminste haar niet belemmerd. Ook de laatste stap werd weldra gedaan:
de Antiocheense gemeente zond Paulus en Barnabas uit tot
zendingsdienst aan joden en heidenen beiden. De
nationaal-joodse
begrensdheid was weggevallen; de wereldkerk begon haar loop.
Conflicten
Het lag voor de hand dat er nu wrijvingen met de moedergemeente
ontstonden. Barnabas en Paulus gingen bij hun zendingswerk in het spoor
van Stephanus. Het geloof in Jezus predikten ze als de enige weg tot
redding; ze bezwaarden de nieuw bekeerden niet meer met joodse
wetsvoorschriften. Vele Palestijnse jodenchristenen vonden dat hoogst
bedenkelijk. Maar de leiders te Jeruzalem, Petrus en Jacobus, waren
gedachtig aan het wereldwijde perspectief dat ook het Oude
Testament reeds opent, en kwamen met de zendelingen overeen,
dat
de bekeerde heidenen zich alleen zouden onthouden van bloed, van
offervlees voor de afgoden, van het verstikte en van hoererij. Verder
werd het terrein verdeeld. Petrus, Jacobus en Johannes zouden
een
zending drijven onder de Joden, Paulus en Barnabas onder de heidenen.
Ook nadien zijn persoonlijke wrijvingen niet steeds uitgebleven; men
denke slechts aan de Galatenbrief. Maar ze hebben de loop van het werk
niet meer belemmerd.
Het lot der joodse
christenen
Jeruzalem, oorspronkelijk het centrum der kerk, verloor deze betekenis
steeds meer. De joodse christenen werden een naar verhouding steeds
kleinere groep in de groeiende wereldkerk. In het eind der zestiger
jaren, toen de Joodse revolutie in aantocht was, verlieten de Joodse
christenen Jeruzalem, omdat ze de fanatieke idealen van hun zelotische
volksgenoten niet konden delen. Ze trokken naar Pella in het
Overjordaanse. De verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70
betekende ook het isolement der jodenchristenen. Hun oorspronkelijke
naam “Ebionieten” werd in de wereldkerk een verre
en
bovendien ketterse klank. Want ze verwierpen het gezag van Paulus en
ontkenden de maagdelijke geboorte. Naast het Oude Testament hadden ze
het zgn. “Evangelie der Hebreeën”. Er
waren onder hen
weer verschillende richtingen. De verhouding tot hun
volksgenoten
bleef gespannen. De inval der Arabieren in de zevende eeuw betekende
het einde van hun geschiedenis.
4. DE
NA-APOSTOLISCHE TIJD
Uitbreiding
In de nu volgende tijd, ongeveer van 70 tot 140, maakte de jonge kerk
veranderingen door van verstrekkende beteekenis. Allereerst
uiterlijk, door haar snelle uitbreiding, die na de val van Jeruzalem
begunstigd werd door het feit dat haar mededingster, de synagoge, in
diskrediet geraakte, haar werfkracht verloor en tot het
isolement
werd gedoemd. Afgezien van Paulus’ machtige zendingsarbeid is
de
wijze van uitbreiding ons nagenoeg onbekend. Weldra waren er kleine
christelijke gemeenten niet alleen in Syrië,
Klein-Azië en
Griekenland, maar ook in Egypte, Mesopotamië, Italië
en zelfs
verder. In Paulus’ tijd was er al een grote gemeente te Rome.
Het
is waarschijnlijk, dat Petrus daar gewerkt heeft en de marteldood
gestorven is. De kern der kerk bleef voorlopig rondom het oostelijke
bekken van de middellandse zee. Deze verbazingwekkende groei was alleen
mogelijk doordat elk gelovige zich in zijn omgeving als getuige van
Christus geroepen wist.
Toch bleef de kerk nog lang een zeer kleine groep temidden van een
heidense overmacht. Des te opvallender is het hoge
zelfbewustzijn
dat haar reeds in deze tijd kenmerkte. Al vroeg wist ze zich, in sterk
oecumenisch besef, de wereldkerk (“katholiek”) te
zijn; de
zin van heel Gods scheppingswerk, om wier wil de wereld
bestaat en
gaat; in tegenstelling tot het ongehoorzame joodse volk het
ware
geestelijke Israël, het nieuwe Godsvolk van de eindtijd. Het
scheldwoord “derde geslacht” (noch joden noch
heidenen) nam
ze als erenaam van haar tegenstanders over. (noot)
Ook innerlijk veranderde er veel. De eerste jaren hadden zich
gekenmerkt door de hooggespannen verwachting van een zeer spoedige
wederkomst van den Heer. Maar hoe langer het wachten duurde, des te
meer moest de gemeente zich noodgedwongen gaan instellen op
een
langer verblijf in deze oude bedeeling. De intredende ontspanning moest
door vastere kerkelijke levensvormen worden gecompenseerd. Dit werd de
tijd van consolideering der vormen; helaas, zooals we zullen zien,
gepaard met een verschuiving in het wezen.
Organisatie
Het duidelijkst valt dit op bij de wordende kerkorganisatie.
In de
oudste tijd waren de geestelijke leiders der kerk de apostelen (niet
alleen de getuigen van Jezus’ opstanding, maar ook de
rondtrekkende zendelingen), de leeraars (bijbeluitleggers naar de trant
der synagoge) en de profeten (die de Geestesgaven van voorspelling,
genezing enz. bezaten). Zulken werden niet gekozen. Ze hadden vanzelf
gezag, om de bijzondere gaven waarmee de Geest hen had toegerust. Ook
waren ze niet aan een bepaalde gemeente gebonden. Naast hen had elke
gemeente haar eigen “oudsten”
(“presbyters”, de
vooraanstaande leden der gemeente), uit wier midden de
opzieners
(“episkopos”, bisschop) gekozen werden, die de
financiëele en organisatorische leiding der gemeente
hadden.
Zij werden bijgestaan door “dienaren”
(“diakonos”), die naast de armenzorg ook het werk
der
huidige collectanten en kosters behartigden. (noot)
Maar de apostelen in engere zin stierven; met de intredende ontspanning
namen de bijzondere Geestesgaven snel af; vele zwendelaars tooiden zich
met de profetennaam; de gemeenten werden meer zelfstandig. Vanzelf
traden daardoor de blijvende plaatselijke ambten van opzieners, oudsten
en diakenen steeds meer naar voren. Almeer werd de
gééstelijke leiding der gemeente hun taak. Zonder
conflicten is dat niet gegaan. En ook niet zonder schade voor
het
leven der kerk en voor haar zendingsarbeid. Maar alleen deze ambten
konden de grondslag voor een kerkorde worden en werden dat ook. Dat
bracht ook veranderingen mede. De verdeling der geestelijke en
liturgische leiding over meer opzieners (bisschoppen) was praktisch
onhoudbaar. Kort na het jaar 100 had men in Klein-Azië en
Syrië al één bisschop als leider van
elke gemeente.
Langzaamaan heeft zich dat overal doorgezet. En tegelijk gingen de
“oudsten” steeds meer een vast college vormen, dat
den
bisschop koos en bijstond.
Zoo is de hervormde ambten-trias predikant-ouderlingen-diakenen wel
niet bijbels, maar toch al zeer oud. Maar vlak na het ontstaan verbond
zich daarmee reeds de noodlottige gedachte der hiërarchie. Om
het
geestelijk gezag dezer ambten bij de gemeente aanvaardbaar te maken,
werd de verhouding bisschoppen-diakenen-gemeente vergeleken met die van
priesters-levieten-volk uit het Oude Testament. Hun instelling
werd tot Christus en de apostelen herleid; en de bisschoppen en oudsten
werden met Christus resp. de apostelen vergeleken. Als voorbijgaande
pastorale illustratie konden deze gedachten in een crisistijd
der
kerk een nieuwe orde helpen scheppen. Maar hun pretentie en
invloed ging verder. De oude gedachte van het algemene priesterschap
der gelovigen verloor van nu af steeds meer haar praktische betekenis,
de gemeenteleden werden “leeken” (laïci,
van laos =
volk), de leiders ontleenden hun gezag niet meer aan de inhoud van hun
woord en werk, maar aan de goddelijke oorsprong van hun ambt. Dit werd
het begin van de roomse priesterheerschappij (hiërarchie). De
ambtsdragers werden van dienaren der gemeente steeds meer tot heersers
over de gemeente. De consolidering betekende tegelijk een fatale
verschuiving.
Eeredienst
Iets dergelijks is ook te zeggen van de liturgische vorm, die zich nu
ging zetten. In verband met de opstanding des Heren, kwam de gemeente
op de eerste dag der week te samen, eerst in de avonduren, later
‘s morgens. Evenals bij vele verenigingen uit die tijd was de
gemeenschappelijke maaltijd oorspronkelijk de hoofdzaak (Hand. 2:46).
In verband daarmede werd gebeden, gezongen, gesproken en
waarschijnlijk uit de Schrift gelezen. Zoolang het
aanvankelijk
enthousiasme nog heerste, konden vaste vormen niet opkomen. Eer dreigde
het gevaar van wanorde (1 Kor. 14). Toch bestonden er al vaste groet-
en zegenformule’s, die we uit Paulus’ brieven
kennen.
Naarmate het enthousiasme week, kwam er plaats voor liturgische orde.
Deze richtte zich veelszins naar de vormen van de diaspora-synagogen.
Weldra bestond het eerste gedeelte van het samenzijn uit gebed, gezang,
schriftlezing en prediking: Daarop volgde de gemeenschappelijke
maaltijd, waartoe ieder naar vermogen bijdroeg. Dit maal werd
gezien als het vervolg van de tafelgemeenschap van Jezus met zijn
eerste discipelen. Ook nu wist men den Heer daarbij
tegenwoordig
in de gaven van brood en wijn, krachtens de belofte die hij bij het
laatste avondmaal gegeven had. Over brood en beker werd door den
leider, dus later alleen door den bisschop, de
“eucharistie” (dankzegging) uitgesproken, waaraan
het
avondmaal zijn oud-kerkelijke naam ontleent. In verband daarmee werden
al spoedig vaste gezegden en formuliergebeden gebruikt.
Christus’
tegenwoordigheid in brood en wijn werd zeer werkelijk opgevat.
Theorieën daarover bestonden echter voorlopig niet. Men kon
zich
dit geheimenis in alle gradaties van spiritueel tot magisch
voorstellen, en in de theologie is dat ook alle eeuwen door geschied.
Maar uit de geschriften van deze tijd kunnen we afleiden dat
de
eenvoudige gemeente merendeels zich deze tegenwoordigheid magisch
dacht, overeenkomstig het naturalisme der mysteriereligies. De
instellingswoorden van het avondmaal (“dit is mijn
lichaam”) schenen een welkome invalspoort voor de magische
denkwijze. Brood en wijn werden gezien als dragers van
genade-fluïdum, geneesmiddelen met fysieke
uitwerking, die
een tegengif tegen de dood en een garantie der onsterfelijkheid zijn.
Deze verschuiving was bijna onvermijdelijk bij geesten die immers
gedrenkt waren in de mystisch magische sfeer der Oosterse
verlossingsreligies.
En nog een andere verschuiving begon in deze tijd. De eucharistie werd
beschouwd als analogie en voortzetting van de oud-testamentische
(dank-)offers; ze werd zelf “offer”
genoemd en de
plaats van samenkomst “offerplaats”. Zulke
schijnbaar
onschuldige analogieën brachten vreemde elementen
binnen.
Daarmee kwam op de menselijke prestatie van het medebrengen en
wijden der gaven een gevaarlijk-zwaar accent te liggen. De
ontwikkeling is ook hier langzaam gegaan. Maar in dit alles is
de
kiem reeds aanwezig van de latere roomse leer van het misoffer als
onbloedige herhaling van Christus’ offer.
Oorspronkelijk had het avondmaal de vorm van een gezellige maaltijd
waarbij de armen in de gaven der rijkeren deelden. Maar dat liet zich
steeds moeilijker verenigen met de door de liturgie verhoogde
plechtigheid van Christus’ presentie. In de eerste helft der
tweede eeuw splitste de maaltijd zich van de eucharistie af. De laatste
verloor haar maaltijdkarakter, de eerste haar sacramentele wijding.
Sinds de derde eeuw hadden deze maaltijden geen kerkelijke
betekenis meer.
Leer en leven
Maar nergens is de afstand tussen de apostolische en de na-apostolische
tijd zo ontstellend groot als in de wijze waarop de Evangelie-boodschap
zelf wordt verstaan. In het Nieuwe Testament in het algemeen
en in
het bijzonder bij Paulus is het middelpunt: de genade, Gods daad,. de
geschonken gerechtigheid. Goede werken doen betekent daar: van
deze génade in het geloof leven. Genade en werken
verhouden
zich als de binnen- en buitenzijde van dezelfde zaak. In de geschriften
uit de na-apostolische tijd is deze verhouding verbroken. Centraal is
daar niet meer Gods daad der geschonken gerechtigheid, maar de
menselijke daden tot verwerving van een eigen gerechtigheid. Natuurlijk
erkent men het feit der genade. Maar de betekenis is verschoven van
middelpunt naar beginpunt. In de doop vergeeft God de vroeger begane
zonden, en nu verplicht de christen zich tot het leiden van
een
heilig leven volgens de geboden van Jezus.
Het Evangelie is een nieuwe wet, alleen duidelijker en vollediger dan
de Oud-Testamentische. Jezus is de mensgeworden Godszoon; daaraan
twijfelt niemand. Maar praktisch betekent dat alleen, dat hij
de
volmaakte leraar en het onovertroffen voorbeeld is. Heel het
christendom is een strijd om de geboden te volbrengen. Voor de dood is
niemand er mee klaar en niemand zeker, dat hij in het gericht zal
bestaan. Voor kleine zonden is bij gebleken boetvaardigheid ook na de
doop vergeving mogelijk. Waar het om gaat, zijn de goede werken der
barmhartigheid jegens den naaste (inderdaad door de oude kerk
voorbeeldig beoefend!), onthouding van spijzen en wijn (Woensdag en
Vrijdag zijn de vastendagen), aalmoezen en gebeden. En niet te vergeten
de seksuele ascese. Terwijl Jezus daarover alleen spreekt in verband
met een bijzondere roeping en dienst, en Paulus deze in
algemeener
zin verkieslijk acht met het oog op de zware eindtijd, heeft het
volgende geslacht deze ascese tot een principiëel en algemeen
Godewelgevalliger staat des levens verheven. Het onbijbelse
dualisme tussen geest en stof, dat toen algemeen verbreid was, gaf bij
deze beslissende stap de doorslag. Al deze goede werken hebben een
verdienstelijk karakter. Vanzelf moest dit moralistische denken, dat
niet allereerst op het hart, maar op de uiterlijke daden gericht is,
voeren tot onderscheidingen tussen doodzonden en zware zonden enerzijds
(waardoor men de genade verliest) en lichte zonden andererzijds (die
door berouwvolle belijdenis vergeven worden). En ook tot een dubbele
moraal; niet ieder kan evenveel doen, vooral niet in de sexueele
onthouding. “Als gij het geheele juk des Heeren dragen kunt,
zult
ge volmaakt zijn. Maar als ge het niet kunt, doe dan wat ge
kunt”
(Didache).
Zo schijnt het Evangelie in moralisme te zullen ondergaan. Gelukkig
horen we ook andere klanken, uit de gloedvolle brieven die
bisschop Ignatius van Antiochië schreef, toen hij vol
verlangen op
weg was naar het martelaarschap in Rome. Daar spreekt een man,
voor wien de verlossende Christus in zijn menswording en lijden het
middelpunt is. “Hem zoek ik, die voor ons gestorven is; hem
wil
ik, die voor ons opgestaan is”. Paulus’
Christusgemeenschap
en Johannes’ mystiek zijn hier opnieuw tot leven
gekomen.
Deze mystische lijn der geloofsopvatting is naast, de moralistische
nooit geheel verdwenen en is later kenmerkend geworden voor de
oosterse kerk naast de westerse. Maar het moralisme overheerst
in
deze tijd en stelt ons voor de vraag: hoe kon in de generatie na
Paulus, in de tijd waarin de Evangeliën hun definitieve vorm
ontvingen, de boodschap der genade zo worden misverstaan? Het antwoord
wordt gevonden als we denken aan het geestelijk klimaat waarin
deze generatie leefde, de eerste die door de zendingsarbeid werd
bereikt. Het was de tijd waarin de zedelijke hervormingsbeweging van
Seneca en anderen, en het moralisme der diaspora-synagogen de ernstiger
geesten bezighielden. In de strenge en sobere innerlijkheid der
Evangelie-prediking met haar afkeer van het veel-godendom en haar
geloof aan den ene God, en in de verschijning van den goddelijken
leraar Jezus, zagen velen de ideale vorm en de hechtste garantie voor
dat hogere leven waar men naar streefde. De ernst van dat alles mogen
we niet ontkennen. Deze strenge zedelijkheid was een verkwikkende en
bederfwerende macht temidden van de ontworteling en ontbinding
der
antieke cultuur. Het blijft echter een misverstaan van het
Evangelie, dat op de duur noodlottig moest worden.
De minder ontwikkelden voelden het weer anders aan. Dezen vonden in het
avondmaal het onfeilbare geneesmiddel der onsterfelijkheid. Zij bezagen
het Evangelie met de oogen van den toenmaligen mens die zich door
geheimzinnige handelingen toegang tot de onsterfelijkheid
begeerde
te verschaffen. Hoe velen zich het Evangelie wensten en
vormden,
blijkt duidelijk uit de apocryphe evangeliën en
apostelverhalen, die nu ontstonden (Petrusevangelie, Thomasevangelie,
Handelingen van Paulus, Petrus enz.). Ze wilden de canonieke
geschriften “aanvullen”. Ook hier betekende dat een
wezenlijke verschuiving. De soberheid van de evangelieverhalen,
waarin elk onderdeel dienstbaar is aan de zaak, bevredigde de
vrome fantasie niet. De apocryphe geschriften staan vol van de
vreemdste mirakelen en geven allerlei inlichtingen omtrent
Jezus’
familie en jeugd. Romantiek en toverij - zoo wilde de massa haar
godsdienst hebben.
Conclusie
Alles bijeengenomen moeten we zeggen, dat reeds deze eerste tijd de
grondslag legde voor een noodlottige ontwikkeling: van de
bijbelse
boodschap àf naar een godsdienstvorm die aan de behoeften
des
tijds beantwoordde. Aan krachten die deze ontwikkeling vertraagden of
ombogen heeft het gelukkig niet ontbroken, zoals ook verderop zal
blijken. Maar de onder Protestanten nog veelszins gangbare mening, dat
de verbastering van het Evangelie eerst vele eeuwen later
intrad,
is onhoudbaar. De bouwstenen voor het roomse stelsel zijn er bijna alle
reeds: hiërarchie, moralisme, sacramentsmagie, mirakelgeloof.
Hier
scheiden zich de wegen der roomse en protestantse beschouwing van het
verleden. De roomse kerk erkent deze ontwikkeling als rechtmatig; ze
ontkent de kloof tussen de apostolische en de na-apostolische tijd.
Maar ze kan dat slechts door de verkondiging van het Nieuwe Testament
te ontkrachten. Paulus’ brieven hebben in de kerk dan ook als
dynamiet gewerkt en telkens de grondslagen van het groeiende stelsel
ondermijnd.
5. HET
CONFLICT TUSSEN KERK EN WERELD
Ondanks alles wat in het vorige hoofdstuk moest worden gezegd, was het
scheepje der kerk ook in deze branding van de tijdgeest niet door haar
Heer verlaten. Deze waarheid, die in zijn eigen belofte vastligt, wordt
indrukwekkend geïllustreerd door de houding der kerk
in de
vervolgingen die in deze zelfde tijd over haar begonnen te komen. En
reeds deze vervolgingen zelf waren er een teken van, dat de
gemeente in de aarden vaten van misverstand en dwaling toch de schat
droeg van het Evangelie des kruises; dat den joden een ergernis en den
Grieken een dwaasheid is.
Oorzaken
Zoolang het christendom een joodse secte scheen, waren zijn aanhangers
beschermd door de vrijheid die de Romeinse heersers aan de
oude
nationale godsdienst der joden hadden verleend. Ze behoefden
dus
b.v. geen keizeroffers te brengen. Doch dat was van korte duur. Weldra
werd duidelijk dat hier een “derde geslacht” was
met een
godsdienst die noch oud noch nationaal was en bovendien een stichter
had die door een Romeins rechtsoordeel gekruisigd was. De
verdenking van staatsgevaarlijk te zijn scheen vele goede
gronden
te hebben. Hoewel de meeste aanhangers geen joden waren maar Grieken en
Romeinen, namen ze vanaf het ogenblik hunner bekering geen deel meer
aan de offerdiensten en wat daarmee samenhing. Ze loochenden het
bestaan der van ouder op ouder vereerde goden en erkenden slechts
één God. Deze breuk met de algemene religieuze
traditie
bezorgde hun de scheldnaam “godloozen”;
niet ten
onrechte, want het bijbels monotheïsme betekende voor
den
bekeerden heiden de ontgoddelijking der vroeger aanbeden
natuurmachten. Ook viel het sociale gedrag der christenen op. Zij meden
prostitutie, toneel, circus en soldatenstand; en eens per week
kwamen ze ‘s avonds bijeen voor een maaltijd. Dat
prikkelde
de fantasie der buitenstaanders. Ze hoorden van “het vlees
eten
en het bloed drinken van den Zoon des mensen” (Joh. 6:53) en
fluisterden daarom dat er kleine kinderen werden geslacht en gegeten.
Ze wisten iets van een beker en dachten aan gifmengerij. Ze bemerkten
dat de christenen elkaar “broeder” en
“zuster” noemden en met de broederkus begroetten,
en kwamen
zoo tot de beschuldiging van bloedschande. De onwaarschijnlijkste
verhalen over ontucht en misdaad in de bijeenkomsten der christenen
vonden geloof. De massa verdraagt nooit dat lot- en soortgenoten een
eigen afwijkende weg gaan. De stille haat kon gemakkelijk tot
uitbarsting komen. De kerk groeide snel, en dat was ook aan de
vermindering der offers te bemerken. Geen wonder dat het volk voor
natuurrampen een bevredigende verklaring vond in de toorn der goden
over de godloze christenen. Dan was een zoenoffer nodig en klonk de
roep: “de christenen voor de leeuwen!”.
Toch zou men van staatswege voor zulke kreten niet zijn gezwicht, als
ook de overheid geen eigen reden had gehad om de loyaliteit der
christenen in twijfel te trekken. Dat was hun weigering om aan den
keizer te offeren, waardoor ze zich aan majesteitsschennis schuldig
maakten. Voor een overheid die van haar onderdanen meer eist
dan
alleen gehoorzaamheid, ook liefde en goddelijke verering, moest deze
weigering het bewijs zijn van de revolutionaire gezindheid der
christenen die immers ook zeiden een eigen koning te hebben en die van
een nieuw koninkrijk droomden. Zo was deze nieuwe godsdienst, die in
ergerlijke exclusiviteit niet zoals de andere aan de algemene
vereenzelviging der religies wilde meedoen, zoowel gehaat bij het volk
als verdacht bij de regering.
Geschiedenis
De oudste vervolging waar we zeker van weten, had te Rome plaats op
last van keizer Nero (Juli 64), die de beschuldiging, dat hijzelf de
grote brand der stad zou hebben bevolen, wist af te wentelen op de
gehate christenen. Gruwelijke wreedheden waren het gevolg. Vele
christenen moesten als fakkels dienst doen bij het keizerlijke
tuinfeest. Ook onder den despotische Domitianus (81-96) moeten in
verschillende delen van het rijk heftige vervolgingen hebben plaats
gehad. Keizerlijke edicten verboden de christelijke godsdienst als
staatsgevaarlijk. ‘Onder Trajanus (98-117) luwde het wat. Het
staatsgevaarlijke bleek sterk overdreven en de vervolgingen gaven
aanleiding tot anonieme verklikkerijen, waarvan verstandige regeerders
eveneens afkerig waren. Sindsdien zien we tot ongeveer 250 het volgende
beeld: de kerk staat onder sterke verdenking, maar wordt in het
algemeen geduld; toch komen telkens vaak heftige doch provinciaal
beperkte vervolgingen voor. Blijkbaar werd de houding tegenover de kerk
niet zoozeer door de keizers als wel door de provinciale
bestuursambtenaren bepaald, aan wie de uitvoering der edicten was
overgelaten. En dezen werden op hun beurt weer door het volk
op
gehitst.
De houding der gemeente
De vervolgingen schiepen een bijzonder genre van christelijke lektuur:
de martelaren-acten. Niemand kan zich aan de indruk dezer vaak
primitieve documenten onttrekken. In het algemeen geven ze een getrouw
beeld van het verloop der processen. Meestal begon het met een
volksoploop, die de regeerders tot handelen dwong. De gevangen
christenen werden voor den stadhouder gebracht. Deze kon hun schuld
eenvoudig vaststellen door te vragen of ze een offer aan den keizer
wilden brengen. Bij weigering trachtte hij hen door herinnering aan de
daarmee verbonden straffen over te halen. Sommigen werden dan
afvallig, maar velen werden juist in die ure der verzoeking
met
wonderbare standvastigheid bezield. Dan volgden de straffen:
onthoofding, verbanning naar een eiland of slavenarbeid in de mijnen.
Wie het Romeinse burgerrecht bezat, werd onthoofd. Meestal horen we,
dat de christenen levend werden verbrand of in een circus voor de ogen
van een op sensatie belust publiek door de hongerige dieren werden
verslonden. Ook nu nog maakt de houding der martelaren op de lezer
diepe indruk. De naderende dood schrikte hen niet af, maar schonk hun
juist een bovenmenselijke moed, Ze werden vervuld met grote
dank
en blijdschap, omdat ze waardig gekeurd werden, te behoren tot
de
uitverkoren stand der “martyres”, de bloedgetuigen,
wien de
eer te beurt valt het lot van hun Heer te delen. Zelfs in het ogenblik
der pijniging genoten ze een voorsmaak der hemelse vreugde.
“Brood Gods ben ik, en door de tanden der dieren word ik
vermalen, opdat ik rein brood van Christus bevonden worde”
(Ignatius). Waar het martelaarschap zo werd gezien, verbaast het ons
niet, dat het opzettelijk zoeken van de dood in deze tijd veel meer
opvalt dan de afval der vreesachtigen. En evenmin, dat elke
vervolging de sprekendste propaganda voor de kerk was. Deze
doodsverachting en deze moed der consequentie moesten bij elk
weldenkend mens een diepe eerbied inboezemen. Dat woog
rijkelijk
op tegen het verlies der afvalligen, die daarvan trouwens vaak
spoedig weer berouw hadden. Zoo groeide de kerk tegen de verdrukking
in. “Het bloed der martelaren is een zaad”
(Tertullianus).
De vervolgde christenen kregen voor de rechtbank geen gelegenheid de
over hen geuite laster te weerleggen. Daar werd niet
gediscussiëerd, maar besliste de vraag of men wilde offeren,
ja
dan neen. Men had andere middelen nodig om zich te verweren
tegen
de algemene haat en verachting die de wereld voor de eigenzinnige sekte
der christenen koesterde.
De Apologeten
In de eerste helft der tweede eeuw begonnen enkele meer ontwikkelde
christenen verdedigingsschriften op te stellen. We plegen deze mensen
de Apologeten te noemen. De voornaamste onder hen was Justinus,
bijgenaamd de martelaar, daar hij in 165 te Rome de marteldood
gestorven is. Voor zijn bekering behoorde hij tot het soort der
predikend rondtrekkende filosofen; nadien stelde hij zijn beroep in de
dienst van zijn nieuwe geloof. Hij.schreef een
“Apologie”
en een “Gesprek met den jood Tryphon”. Aan het eind
van
dezelfde eeuw schreef de scherpzinnige en veelzijdige jurist
Tertullianus in het Latijn zijn “Apologeticus”.
Nadien is
er geen bepaalde groep apologeten meer te onderscheiden. Hun werk wordt
dan één taak onder de vele waartoe de grote
christelijke
geesten der volgende eeuwen zich geroepen wisten.
Meestal hebben de apologieën een drievoudige inhoud. Het gaat
allereerst om een weerlegging der beschuldigingen. De christenen zijn
niet staatsgevaarlijk, ze bidden zelfs voor den keizer, alle
geruchten over hun vreemde gedrag zijn laster; ieder kan hun
voorbeeldige leven zien, dat zich verre houdt van de ondeugden der
heidenen. Maar bij de weerlegging bleef men niet staan. Daarnaast
stelde men het bewijs voor de waarheid van het christendom.
Ieder
die het Oude Testament leest, kan zelf constateren hoe het leven van
Jezus tot in kleine details reeds eeuwen tevoren was voorspeld. Dat is
het doorslaande bewijs voor de oudheid en waarheid van onze
godsdienst. Bovendien is deze in overeenstemming met het
hoogste
en zuiverste wat de heidense filosofen hebben geleerd; met dit
verschil, dat het hogere leven dat bij de wijsgeren slechts in kiem en
als theoretische constructie bestond, bij de eenvoudige
christenen
geleefde werkelijkheid is. Tenslotte gingen de Apologeten over tot de
aanval op het heidendom. Daartoe benutten ze de toenmalige
rationalistische kritiek op de heidense godenverhalen. Uitvoerig wordt
de dwaasheid en zedeloosheid der polytheïstische
mythologie
bewezen, en verklaard als het misleidend werk der demonen. Wel hadden
de Griekse wijsgeren verhevener gedachten, maar ook zij bleven
halverwege in het polytheïsme steken, en hebben hun beste
gedachten aan oosterse wijsheid ontleend, vooral aan Mozes.
De Apologeten hebben waarschijnlijk weinig succes gehad. Bij de
apologie van het christendom geldt als regel: slechts de reeds
overtuigde wordt er door overtuigd. Maar hun argumenten gaven aan hun
eenvoudige geloofsgenoten de wapens in handen, om zich in de
geestelijke strijd staande te houden. De grootste betekenis der
Apologeten ligt echter op het terrein der theologie. Zij zijn (afgezien
van Paulus en Johannes) de eerste bewuste theologen der kerk geweest.
In deze hoedanigheid komen ze verderop nog ter sprake.
Opzettelijke litteraire bestrijding der christenen kennen we pas Celsus
uit ongeveer 180, toen de filosoof Celsus zijn “Ware
Leer”
schreef. In dat werk (dat we slechts uit anderer getuigenis kennen)
wordt de algemene haat tegen de christenen gefundeerd op een menigte
feiten. Het is met grote kennis en scherpzinnigheid geschreven. Het
christendom wordt er in verklaard uit de bedriegerij van Jezus en zijn
eerste aanhangers. Celsus toont iets van de ergernis van het Evangelie
te hebben verstaan. De menswording Gods is hem iets onmogelijks, want
God is onveranderlijk en kan zich krachtens Zijn wezen niet in iets
lagers verkeren. Het godsbegrip van het pantheïstisch
idealisme botst in zijn boek tegen het Godsgetuigenis van de
bijbel.
6. DE
VERLEIDING VAN DE GNOSIS
Zoals we zagen, kenmerkten de eerste eeuwen van onze
jaartelling
zich door een groeiende religiositeit, waarin Grieks wijsgerig denken
en oude oosterse mythologie en cultus zich steeds nauwer verbonden.
Deze verbintenis kon allerlei vormen aannemen, naar gelang het
filosofische of het mythologische element overwoog. Van plat bijgeloof
tot verheven godsdienstwijsgeerige speculatie is heel wat schakering
mogelijk. Een van deze schakeringen plegen we aan te duiden als de
“Gnosis”.
Het wezen van de Gnosis
Deze naam zegt nog niet veel. Hij beteekent
“kennis”.
Bedoeld is de verborgen hogere wijsheid aangaande oorsprong en
doel des levens, waar deze gehele tijd naar zocht. De Gnosis als een
bijzondere stroming wordt daardoor gekenmerkt, dat ze deze hogere
wijsheid voorstelde in een eigen denkvorm die het midden hield tussen
concreet en abstract, en half mythisch half logisch van aard was. Ze
werkte met oosterse godenfiguren, die bij haar gepersonifieerde
ideeën werden. En omgekeerd stelde ze abstracte begrippen als
rede, zwijgen, wijsheid enz. als mythische wezens voor. Hier was niet
alleen religieuze beleving en praktijk, ook niet alleen abstracte
speculatie, maar een wonderlijke tussenvorm:
dualistisch-pantheïstische speculatie, gehuld in het gewaad
van
een geconstrueerde doorzichtige mythe.
De oorsprong van deze vorm van syncretisme ligt waarschijnlijk in de
semietische wereld, vooral Syrië en Samaria. Van daaruit heeft
het
zich naar het Westen verbreid en, welig tierend in een wereld die
hunkerde naar het mysterié, de bizarste vormen
voortgebracht. We
weten weinig van deze Gnosis af, want litterair en filosofisch was ze
niet “op de hoogte”. Daarvoor was alles te
hybridisch en
fantastisch. We zouden er zelfs zoo goed als niets van weten, als de
Gnosis en de jonge kerk niet zulk een sterke aantrekkingskracht op
elkaar hadden uitgeoefend. Juist in deze vorm heeft de tijdgeest zich
van de christelijke gemeenten trachten meester te maken.
(noot)
Christelijke Gnostiek
Velen die hun heidens syncretisme hadden afgelegd en onder de bekoring
van Jezus’ gestalte, van het strenge monotheïsme en
de
verheven zedeleer christenen waren geworden, gevoelden toch in de
soberheid der Evangelieboodschap een gemis. Het ging daar om
een
historisch gebeuren, om geloof en een nieuw leven en een toekomstig
gericht. Maar daarin was te weinig “gnosis”, te
weinig van
die hogere kennis aangaande het eeuwig-ware achter de
wisselende
vergankelijkheid, waar het den antieken mens juist om te doen was. Het
historische en concrete van het Evangelie wilde men zien als een lagere
kennis, een voorportaal dat toegang gaf tot de verborgen kennis van het
eeuwig-ware. Velen gevoelden het zo: eerst als men door het Evangelie
heen tot deze achtergrond van hogere kennis was doorgedrongen, had men
er de bedoeling van begrepen. En nu was de gnostieke denkvorm de
aangewezene om een brug te slaan van het historische van het Evangelie
naar het eeuwig-algemene, van het concrete naar het abstracte, van de
mythe naar de rede. Men zag welk een verleidelijke diepzinnigheid deze
(joods beïnvloede) Gnosis met behulp der allegorie uit het
Oude
Testament wist te halen. Dan moest een dergelijke behandeling
der
Evangelieverhalen nog dieper wijsheid aan de dag brengen!
Zoo ontstond de christelijke Gnosis of Gnostiek. Het was de eerste vorm
waarin de verzoeking der theosofie over de kerk kwam. Overal waar men
de kloof tussen wijsgerig denken en evangelische verkondiging
gevoelt, komt de verzoeking op, het Evangelie in
“hogere” algemene waarheden op te lossen
en zoo als
tegelijk concurrent en hoogste vorm van de wijsgerige speculatie aan te
dienen. Van de Gnostiek via Böehme naar b.v. de huidige
anthroposofie is één lijn. Dat is een verzoeking
voor de
kerk. Want dit “hogere” betekende steeds het
andere, het,
aan het Evangelie vreemde. De dwaasheid van het kruis wordt hier
ingewisseld voor de wijsheid der wereld. Zo was de christelijke
Gnostiek er op uit het Evangelie te verstaan als de
verhevenste
leer, die klaarder dan elke andere, de
dualistischpantheïstische oplossing der
wereldraadselen bood.
De Gnostiek betekende naar Harnacks woord “de acute
verwereldlijking van het christendom”.
Geschiedenis
Gnostische ideeën vinden we al bij de dwaalleeraars tegen wie
Paulus en Johannes zich in hun brieven hebben gekeerd. Maar
systematisch en algemeen is het gnostieke denken pas in de tweede eeuw
geworden. Overal vormden zich groepen christenen die op grond van
dieper inzicht zich boven de gewone gelovigen verheven
achtten.
Hun verhouding tot de rest der kerk is zeer verschillend geweest. Hier
vormden ze een vage stroming, daar een bepaalde school, ginds een
conventikel; en waar ze door de kerkelijke leiders uitgestoten
werden, een afgescheiden kerk. Ook onderling waren ze zeer
verschillend. Het heeft geen nut, hier in te gaan op de ontwikkeling
der Gnostiek en haar vele verschillende richtingen en scholen.
We
weten er ook slechts vaag van. Omstreeks 150 heeft de gnostische
vloedgolf haar hoogtepunt bereikt. Centra der beweging waren
Alexandrië en Rome. In Alexandrië leerde Basilides,
die een
groot exegetisch werk op het Nieuwe Testament schreef. Vooral in Rome
werkte Valentinus, een man van grote geestelijke gaven, in wiens
systeem de christelijke Gnostiek haar hoogtepunt bereikte.
Het stelsel van Valentinus
Als voorbeeld van het gnostieke denken geven we hier een korte schets
van dit systeem. De wereldwording wordt verbeeld in een mythe der
voortplanting. De “Oervader”, ook
“Diepte” of
“Chaos” geheten, woont in eeuwig-verre
verhevenheid,
tezamen met zijn “Gedachte”, ook wel
“Zwijgen”
of “Genade” genoemd. Beide brengen
“Rede” en
“Waarheid” voort, en dezen tezamen wederom
“Woord” en “Leven”, enz. Zoo
ontstaat een reeks
van dertig symbolische godenfiguren (“aeonen”), die
de
uitdrukking zijn van de veelzijdigheid der goddelijke kracht en
tegelijk door hun steeds verder gaande verwijdering van den Oervader
het ontstaan van een lagere wereld en van het boze aannemelijk moeten
maken. De dertig aeonen vormen het “Pleroma”
(volheid). In
de laatste aeon “Wijsheid” ontstaat een heftige
begeerte
tot hereniging met den Vader. Dat ware echter een verstoring
der
kosmische orde. Als Wijsheid dat inziet, ontdoet ze zich van haar
Begeerte. Begeerte wordt in het ledige buiten het Pleroma geworpen en
brengt daar de drie vormen van haar verlangen voort, de substanties van
ziel, geest en stof. Uit de zielesubstantie vormt zij den
wereldschepper, den Demiurg. Dit is de.god die zich in het Oude
Testament heeft geopenbaard. Deze maakt de mensen uit ziel en stof,
naar zijn beeld en gelijkenis. Maar Begeerte zelf zaait ook geest in
sommige zielen. Zoo leeft de mens ver van den Oervader, maar
met
de goddelijke vonk der begeerte naar een hogere wereld. Hij moet nu
verlost worden. Daartoe daalt de Christus of Heiland uit het Pleroma
neer en neemt geest- en zielesubstantie aan; doch niet de stof, want
deze is niet voor verlossing vatbaar. Jezus had óf een
hemels
lichaam òf een schijnlichaam, óf de Christusgeest
had
geen wezenlijk verband met de mensheid van Jezus (daarover is in de
gnostische scholen verschillend gedacht). Christus predikt de tot nog
toe onbekenden verlossenden God, die een geheel andere is dan de
Oud-testamentische wereldschepper. Hij brengt de verlossing door de weg
der ascese te wijzen en de gnostische mysteriën te leren, die
men
door allegorische exegese in de evangeliën en brieven vinden
kan.
De stofmensen zijn niet te redden. Voor de zielemenen is een
gedeeltelijke verlossing mogelijk. Zij moeten zich aan het uiterlijk
gezag der kerkleer houden en zullen dan een zaligheid van de tweede
rang beërven. Alleen de gnostici, de geestmensen, verheffen
zich
daar nog boven en zullen langs de weg van sacramentele wedergeboorte,
ascese en mystiek, de goddelijke kiem bevrijden en ontwikkelen en
eenmaal in het Pleroma opgaan.
Gnostiek en kerk
De hoge vlucht van Valentinus’ denken laat niet na,
indruk
te maken. Maar hier zien we dan ook duidelijk aan welk een verleiding
de kerk der tweede eeuw bloot stond. Dit is op zijn best
pantheïstische mystiek in een schoon mythisch gewaad, waarin
ook
de naam van Christus geweven is. Wanneer we overwegen hoe diep de geest
destijds het kerkelijk denken reeds had beïnvloed, dan moeten
we
wel haast aannemen dat de kerk ook voor deze verleiding zou
bezwijken. Ze zou dan één onder de vele
concurrerende mysteriereligies zijn geworden en met deze religies zijn
ondergegaan. Toch is dat niet gebeurd. Ze is voor deze noodlottige stap
bewaard gebleven. Ze heeft zelfs zeer bewust geweigerd die te
doen. Verrijkt met een dieper inzicht in de haar opgedragen boodschap
is ze aan het eind der tweede eeuw zegevierend uit de vaak heftige
strijd tegen de Gnostiek tevoorschijn gekomen. Wat heeft deze acute
verwereldlijking der kerk voorkomen?
Hoofdzakelijk het gezag van het Oude Testament. Dat is het sterke
schild geweest dat de kerk in deze kritieke eeuw tegen de aanval van
het religieus syncretisme heeft beschermd. Door het boek van den
Schepper-God te erkennen als het boek van den God en Vader van
Jezus Christus, had de kerk zich in beginsel de uitweg naar het
dualisme afgesneden. Ze kon de schepping van deze wereld niet meer
toeschrijven aan een lagere Demiurg. De verlossende God is ook de
scheppende God. Daarom kon ze het boze alleen zien als een moedwillige
inbreuk in de goede schepping, een schuld; niet als een kosmisch lot,
een zaak van metapfysische verwijdering van de godheid. Zo alleen bleef
ook de verlossing als een genadig wonder erkend, en niet als een
kosmische noodzakelijkheid. Zo beleed de kerk God ook als schepper der
stof en geloofde ze dus in de opstanding des vleeses, waarvan de
Gnostiek niet weten wilde. Alleen zoo bleef de realiteit der
heilsfeiten bewaard en de betekenis van Christus’ wederkomst,
ja
van heel de geschiedenis, die bij de Gnostiek door een mystieke
geschiedenis der individuele ziel werd vervangen. Dat ligt alles
opgesloten in het vasthouden aan het Oude Testament. Omdat de
kerk
zich daaraan gebonden wist, kon ze zich vrij maken van de Gnostiek.
Daarmee is niet ontkend, dat de kerk ook van de Gnostiek heeft geleerd.
Dat het in het Evangelie gaat om verlossing en niet om een nieuwe wet,
dat is ook de kerk weer beter gaan verstaan. En in theologisch opzicht
zijn de gnostieken de wegwijzers geweest voor de kerkelijke denkers.
Zij schreven al commentaren, en vormden theologische termen en
begrippen, zij voerden een canon van het Nieuwe Testament en
geloofsbelijdenissen in, toen de kerk daaraan nog niet dacht. En juist
haar tegenstand tegen de Gnostiek heeft de kerk in dezen tot navolging
geprikkeld.
7. DE KRITIEK
VAN MARCION EN HET MONTANISME
Leven van Marcion
Marcion was een welvarende reder uit de stad Sinope aan de Zwarte Zee.
Maar hij trok weg uit zijn vaderstad, om het nieuwe inzicht dat hij in
de Evangelieboodschap ontvangen had, in de kerk te verbreiden. Doch de
kerk erkende zijn inzicht niet. In 144 werd hij door de gemeente van
Rome uitgestoten. Marcion was een vurige geest en een groot
organisator. Hij stichtte een nieuwe kerk, die zich snel uitbreidde en
na enkele tientallen jaren in uitgebreidheid en sterkte maar weinig bij
de “katholieke” achterstond. De voorstelling, dat
er in de
eerste eeuwen één grote ongedeelde kerk was, is
dus
onjuist. Pas de druk van de staat die zulk een kerk wenste, kon deze
tegenkerk sinds de vijfde eeuw langzaam doen verdwijnen. Marcion, de
merkwaardigste figuur die de oude kerk heeft voortgebracht, heeft haar
ook het zwaarst bedreigd.
Motieven
Marcion ontdekte Paulus weer. Dat is zijn grote verdienste
geweest
in een tijd waarin men het Evangelie algemeen als een nieuwe
en
hogere wet beschouwde. Hij verstond weer, dat het Evangelie juist de
opheffing der wet is. De vergeten betekenis der rechtvaardiging door
het geloof alleen, werd door Marcion weer op de voorgrond gesteld. Zijn
arbeid bedoelde een Paulus-réveil in een tijd dat de kerk in
het
moralisme dreigde onder te gaan.
Behalve door deze ontdekking werd zijn theologie ook door persoonlijke
ervaring gevormd. Hij ging gebukt onder de laagheid, onvolmaaktheid en
onbegrijpelijkheid der wereld. De vraag kwelde hem: hoe kan de
almachtige en goede Vader van Jezus Christus zulk een wereld geschapen
hebben? Hij meende nu in het Oude Testament als schepper een anderen
God te vinden: grillig, wreed, bekrompen en niet almachtig. En hij
concludeerde: de onvolmaakte God van het Oude Testament en deze
onvolmaakte wereld horen bijeen als schepper en schepping. Maar Jezus
openbaart een anderen God. In deze conclusie werd hij gesterkt door
zijn afkeer van de vaak gewrongen allegorie, waardoor de
kerkelijke leiders het Oude Testament bij het Nieuwe trachtten aan te
passen.
Ook de Gnostiek heeft Marcion beïnvloed. Die scheidde immers
ook
Oude en Nieuwe Testament, schepper en verlosser. Toch is Marcion
allerminst een gnosticus. Hij is een geheel zelfstandig denker. En het
ging hem niet om een geheime kennis boven het geloof der gemeente, maar
om een publieke kritiek op de dwaling van het kerkvolk. Daarom was de
botsing zoo heftig en de wonde zoo diep en langdurig.
Leer
Zijn leer was deze: De wereld is geschapen door den God die zich in het
Oude Testament heeft geopenbaard. Die God is niet slecht, maar
minderwaardig. Hij wil het goede, maar is niet bij machte het door te
zetten. Hij wil rechtvaardig zijn, maar wordt daardoor wreed. Hij heeft
aan zijn wereld met goede bedoeling de wet gegeven. Maar om die wet te
handhaven, eist hij strenge vergelding van elk vergrijp. “Oog
om
oog entand om tand” is zijn beginsel. Zoo wordt deze
minderwaardige God tegenover zijn minderwaardige wereld
noodzakelijkerwijze een onbarmhartige rechter.
Toen is Jezus gekomen en heeft in de bergrede een betere gerechtigheid
gebracht, niet van wraak en vergelding, maar van
barmhartigheid en
vergeving. Daaruit is duidelijk dat Jezus niet door den God
van
het Oude Testament werd gezonden, maar door een vreemden en tot nu toe
onbekenden, den hoogste en ware God. Hoewel deze God met de
mensen
niets te maken had, kreeg Hij medelijden en zond Zijn zoon om ze van
het juk van hun schepper te bevrijden. Natuurlijk bleef Jezus verre van
de lage lichamelijkheid. In het jaar 28 daalde hij in een schijnlichaam
op aarde neder. De Schepper-God voelde zich bedreigd en wist Jezus te
doen kruisigen. Maar zo vergreep de God der rechtvaardigheid zich aan
Jezus, en moet nu volgens zijn eigen regel der vergelding, als straf
afstand doen van ieder die in Jezus gelooft. Zo iemand is door zijn
geloof rechtvaardig en erfgenaam der zaligheid. Geloven is: breken met
den Schepper-God en zich volstrekt overgeven aan de liefde van den
hoogste God. Dat brengt dus mijding der schepping mee, strenge ascese:
kastijding, geen vlees of wijn, geen geslachtsverkeer. Van een
wederkomst van Christus of een lichamelijke opstanding kan geen sprake
zijn.
Een stelsel kan men deze gedachten niet noemen. Ze vormen geen sluitend
geheel en zitten vol tegenspraken en onklaarheden. Deze bewijzen dat
Marcions visie een persoonlijke ontdekking was, geen intellectuele
constructie. Maar ze zijn ook een teken van het dwaalspoor
waarop
Marcion zich bevond. Achter de paulinische tegenstelling tussen wet en
Evangelie verschijnt bij hem telkens het heidens dualisme van stof en
geest. Want Marcion wilde zijn paulinisme gnostisch funderen. Bij deze
vormgeving zakte zijn bijbels inzicht af tot een heidense kosmologie;
alleen niet consequent. De vraag bleef open: is de God der wet een
lagere God of een boze tegen-god? Zijn leerlingen hebben daarop
verschillende antwoorden gegeven.
De gronddwaling was deze: door de paulinische spanning tussen wet en
Evangelie te verklaren uit een twee-godendom, hief Marcion deze
spanning op. Zijn z.g.n. “overspannen paulinisme”
is in
werkelijkheid spanningloosheid. Dat de God der wet nochtans de God der
genade is, dat was het wonder waar Paulus uit leefde. Alleen
tegen
de achtergrond van het recht kan er sprake zijn van genade. Wie beide
scheidt, raakt steeds verder van het Evangelie af. Het is dan ook geen
wonder, maar een onmiddellijk gevolg van deze scheiding, dat Marcion,
die tegen de wet voor de genade opkwam, in wettelijkheid zijn
tegenstanders nog heeft overtroffen. Als schepping en wet samenvallen,
dan is de genade een vlucht uit de schepping. Vandaar Marcions strenge
en negatieve ascese.
Canon
Het beste bewijs, hoever dit hem uit de bijbelse banen bracht, is het
verhaal van zijn canonvorming. Evenals de gnostieken, maar
waarschijnlijk nog eerder dan dezen, voelde Marcion er behoefte aan, in
de verschillende geschriften over Jezus een scheiding aan te brengen
tussen de gezaghebbende en de niet-gezaghebbende, dus een
“canon” (regel, richtsnoer) vast te stellen.
Marcion heeft
dus de grondslag gelegd voor het Nieuwe Testament als omgrensde
verzameling van boeken. Hij moest de behoefte daaraan wel voelen, omdat
hij vele geschriften over Jezus niet kon erkennen daar ze met zijn leer
in strijd waren. Hij meende dat Jezus’ leer reeds door zijn
eigen
discipelen was misverstaan en “verjoodst”.
Alleen
Paulus had den meester begrepen. Daarom erkende Marcion alleen
het
Lucas-evangelie, waarschijnlijk omdat dit hem het minst joods scheen en
het nauwst bij Paulus aansluitend in zijn vooropstellen van
Jezus’zondaarsliefde. En natuurlijk erkende hij alleen de
Paulus brieven (Timotheus, Titus en Hebreërs echter
niet).
Maar hij kon niet ontkennen dat ook deze kleine groep van
zuivere
geschriften al weer door toevoegingen en veranderingen verjoodst was.
Met de “zuivering” van de overgeleverde tekst
hebben hij en
zijn leerlingen zich voortdurend bezig gehouden. Deze arbeid
op
zichzelf was al een teken hoe Marcions leer met de letter en daarom ook
met de geest van Lucas en Paulus in strijd was. Wie zich overtuigen wil
van het feit dat het Nieuwe Testament zich geheel op het Oude baseert,
verdiepe zich eens in de hopelooze pogingen die Marcion heeft gedaan om
het van deze basis los te maken.
Marcion en de kerk
Men heeft eens gezegd in verband met Marcion: slechts
één
man in die tijd heeft Paulus begrepen, en die heeft hem nog verkeerd
begrepen. We kunnen vragen: zou Marcion zoo radicaal op het dwaalspoor
zijn geraakt, als in de kerk van zijn dagen het juiste begrip voor
Paulus’ blijde boodschap bewaard was gebleven? Zijn
leer is
een zichzelf overschreeuwend protest tegen de verwettelijking der
kerkelijke leer en practijk. Gelukkig is dit protest niet
zonder
uitwerking gebleven. De kerk heeft van Marcion geleerd; niet alleen
formeel door een tegencanon op te stellen; maar ook materieel, door in
de arbeid van haar beste theologen een nieuw begrip te tonen voor de
werkelijkheid van genade en vergeving. Ze kon dit echter
alleen
zo, dat ze tegelijk Marcions eigen leer beslist van de hand wees en fel
bestreed. Terecht, want in de strijd tegen de Gnostiek en tegen Marcion
ging het er niet alleen om dat de verlossing centraal zou worden
gesteld, maar bovenal om de vraag wat voor een verlossing de kerk had
aan te zeggen. Marcion leerde dat de ziel verlost werd van de lagere
schepping. De Gnostiek leerde dat de goddelijke vonk verlost
werd
uit de boze schepping. De kerk, die vasthield aan de eenheid van Oude
en Nieuwe Testament, leerde dat de schepping een werk Gods is en naar
haar geestelijke en stoffelijke zijde door Hemzelf van de zonde wordt
verlost.
Oorsprong van het
Montanisme
Naast de gnostische en marcionitische, had de kerk nog een derde aanval
te verduren. De tweede eeuw is wel een louteringstijd voor haar
geworden! De Gnostiek wilde haar verwereldlijken. Marcion daarentegen
wilde haar weer aan haar oorsprong herinneren. En dat laatste was, op
geheel andere wijze, ook de bedoeling van het Montanisme. Dat was een
opwekkingsbeweging die in het binnenland van
Klein-Azië
ontstond, in 156 of volgens anderen in 172. Velen gevoelden dat de kerk
niet meer was wat ze eens was geweest. Waar waren de machtige werkingen
van den Geest gebleven? Profetie, extase en glossolalie waren
teruggetreden. Het vaste ambt en de organisatie was nu alles. En het
verlangend uitzien naar de komst van den bruidegom was voorbij. De kerk
had vaste voet gekregen in deze oude bedeling. Ze had daarmee
een
compromis gesloten. De zedelijke eisen en de praktijk der christenen
waren heel wat lakser geworden. Waar was de Geest gebleven? En toch had
Christus de blijvende tegenwoordigheid van den Paracleet, den Trooster,
beloofd (Joh. 14:16).
Leer en geschiedenis
Toen trad Montanus op, en met hem twee profetessen: Priscilla en
Maximilla. Spreken in talen en extase tot bewusteloosheid toe
kenmerkten hun optreden en overtuigden hun hoorders er van,
dat de
Geest hier werkte. Zij verkondigden dat de Paracleet nu gekomen was en
door hun mond sprak. Dat was het teken van de naderende wederkomst,
waarop ook de pest en oorlogen van die tijd al schenen te wijzen. Alle
ware gelovigen werden opgeroepen om bij het dorpje Pepuza in
Klein-Azië samen te komen om daar, van de aardse banden
bevrijd,
te wachten op den Heer. Ze moesten zich houden aan de laatste en
hoogste openbaring, die van den Paracleet, welke door Montanus en de
profetessen werkte en hoge zedelijke eisen stelde: verbod van een
tweede huwelijk en liefst algemene onthouding, strenge vasten, een
gewillig en blijmoedig martelaarschap. Ook deze beweging
breidde
zich snel uit. Ongeveer 200 deed ze haar intrede zelfs in Noord-Afrika,
waar de kerkvader Tertullianus zich bij haar aansloot. Een eeuw later
vormden de Montanisten nog een groote gemeenschap. Wel trad spoedig een
zekere matiging in; dit eindtijd-radicalisme was niet op lange aardse
duur berekend. Maar pas na Constantijn stierven ze uit.
Kerk en secte
De houding der kerk was aanvankelijk aarzelend, ook die van den
bisschop van Rome. In deze tijd ontstonden de eerste officieele
vergaderingen van bisschoppen uit verschillende gemeenten: de synoden.
Deze trachtten in Klein-Azië het montanistisch gevaar te
keren.
Maar de polemiek er tegen was lang niet zo gemakkelijk als tegen de
Gnostiek en Marcion, wat daaruit kan blijken dat een groep
anti-montanisten zelfs de johanneïsche geschriften
meenden te
moeten verwerpen, waarop Montanus zich hoofdzakelijk beriep. Toch heeft
de kerk weldra in meerderheid het Montanisme beslist als dwaling
afgewezen.
Het Montanisme opent de lange rij van geestdrijvende
opwekkingsbewegingen, die bijna steeds een aanwijzing zijn
voor de
verwereldlijking der officieele kerk. In zooverre was ook
Montanus’ oproep een heilzaam protest. De Geestdrift van de
eerste gemeente leefde er in. Maar de vormen waarin die zich uitte,
waren bedenkelijk. De kerk kon tenslotte niet anders dan afwijzen.
Montanus pretendeerde een nieuwe hogere openbaring te brengen na en
boven die van Jezus en de apostelen. In de afweer dezer
gedachte
kwam de kerk tot het bewustzijn, dat de openbaringstijd begrensd en
afgesloten is. We hebben geen nieuw of aanvullend Evangelie te
verwachten. De kerk begreep ook dat de spanning van deze
geestdrift en eindverwachting-op-korte-termijn op de duur niet
is
vol te houden, tenzij men het isolement van het conventikel verkiest.
Dat wilde ze niet. Ze wilde kerk blijven en geen sekte worden. Door
onder de hoogspanning der eschatologische ethiek de kleine groep van
ware gelovigen te verzamelen, zou ze haar roeping als
wereldzendingskerk prijsgeven. En tenslotte: toen de
geestdrijvérij de kerk confronteerde met de consequentie van
haar eigen wettelijkheid, is de kerk daarvoor toch teruggedeinsd in het
besef dat ze geen kerk van volmaakten, maar van zondaren is en mag
zijn, niet onder de wet maar onder de genade. Ze had dit in deze tijd
eerder en consequenter dienen te bedenken. Maar de schrik voor
het
Montanisme bewaard haar tenminste voor de wettische afgeslotenheid der
sekte.
8. DE WAPENEN
DER KERK
De zege der kerk
In de tweede helft der tweede eeuw zien we het wonder
gebeuren,
dat de jonge en zwakke kerk de crisis doorstaat en zich uit de greep
der dwalingen bevrijdt. Ook dit kwaad heeft haar moeten medewerken ten
goede. Ze is nog dezelfde van honderd jaar terug, en toch geheel
anders. Het ongevormde en half bewuste van haar uitingen heeft plaats
gemaakt voor een klaar besef van haar wezen en taak, gevolg van het
onderkennen der dwalingen in haar midden. Dit klaardere besef betekende
tegelijk verdieping en ook wel wijziging, maar in hoofdzaak
een
bewuste voortzetting van de oorspronkelijke koers.
Dat is niet zonder hevige strijd gegaan. De kerk heeft, door de nood
gedrongen, wapenen gesmeed die zoowel de ketters buiten haar
grens
dreven als ook het blijvende kenmerk van haar eigen wezen werden. Naast
het Oude Testament stelde ze een canon van Nieuw-Testamentische
geschriften; de belijdenis der dopelingen verhief ze tot beslissend
kenmerk van haar leer; de bisschop wees ze aan de kudde als opvolger
der apostelen en drager der waarheid aan. Zo maakte ze scheiding tussen
leer en dwaalleer. Hoe deze drie normen zijn opgesteld en in de kerk
zijn doorgevoerd, is grotendeels duister. De gemeenten van
Klein-Azië en die van Rome moeten daarbij een
overwegende rol
hebben gespeeld. Het proces ligt hoofdzakelijk tussen 150 en
200.
In het Westen ging het sneller dan in het Oosten. De Syrische kerk is
wel een eeuw en langer achteraan gekomen.
Canon
Tot nog toe had de kerk maar één boek dat als
canon, als
regel voor geloof en leven gold: het Oude Testament. Natuurlijk had het
woord van en over haar Heer geen minder gezag, maar was juist centraal
in haar geloof. Echter was dit gezag niet omlijnd. Het gold voor alles
wat als mondelinge en schriftelijke overlevering aangaande Christus
bekend stond. De eerste plaats namen daarbij de evangeliën van
Marcus, Lucas en Mattheus in, die alle drie uit de eerste eeuw stammen.
Later verscheen het Johannes evangelie, dat opviel door zijn
andere schakering. Maar daarmee was het niet uit. We wezen al op de
bloei der apokriefe evangeliënlectuur, die aan de
nieuwsgierigheid
en fantasie der lezers de stof moest bieden welke de oudere
evangeliën niet gaven. En dat was niet de enige oorzaak der
voortgaande evangeliënfabricage. In gnostische
kringen gaf
men onder namen van apostelen evangelieverhalen uit, waarin een
gnostische Jezus optrad, om te bewijzen dat de gnostiek het eigenlijke
christendom was. Dat moest een hopeloze verwarring stichten. Marcion
trok omgekeerd een zeer kleine canonische kring en verwierp al wat
daar buiten viel als vervalsing.
Wilde de kerk iets tegen de Gnosis en Marcion beginnen, dan moest ze
allereerst tegenover hen haar eigen antwoord stellen op de vraag, welke
boeken de echte overlevering aangaande haar Heer behelsden. Het proces
der kerkelijke canonvorming was reeds in volle gang; de geestelijke
strijd heeft de schifting slechts verhaast. Als norm bij deze schifting
gold de al of niet apostolische herkomst der boeken. Alleen de
apostelen en hun onmiddellijke leerlingen konden als
betrouwbare
getuigen en ontwijfelbare dragers van den Geest gelden. Op grond
daarvan stond het reeds ongeveer 150 in kerkelijke kringen vast, dat
alleen de ons bekende vier evangeliën canoniek zijn.
Uitteraard genoten de brieven van Paulus, die voor de leiding der
gemeenten zoo belangrijk waren, een gelijk gezag. Alle ons
bekende
werden gecanoniseerd. En natuurlijk ook het verhaal van den Paulus
leerling Lucas over de normatieve “Handelingen der
Apostelen”. Van de vele
“openbaringen” kon
alleen die van Johannes erkenning vinden, en ook dat ging niet zonder
moeite. Over de algemene zendbrieven heeft nog enkele eeuwen
onzekerheid geheert. I1 Petrus en 1 en 2 Johannes werden
algemeen
als apostolisch erkend. Maar van de andere werd dat door velen
bestreden. Hebreeën vond in het Westen lange tijd
geen
erkenning, daar deze brief niet van een apostel was. In het Oosten
echter wel, omdat men hem daar voor paulinisch hield. Omgekeerd werden
ook andere boeken, b.v. de “Herder van Hermas” in
verschillende gemeenten als canoniek erkend. Het duurde nog tot
ongeveer 380, voor de meerderheid der kerk het over onze 27 canonieke
boeken eens was. Maar de hoofdzaak van de canon stond ongeveer 200 vast.
Dit was een beslissing van grote draagwijdte. De kerk sprak daarmee uit
wat o.a. de strijd tegen het Montanisme haar had geleerd, dat de
openbaringstijd met het Nieuwe Testament afgesloten is. Elke
nieuwe Geestesuiting zal zich door haar overeenstemming met de
canon moeten legitimeren. De kerk buigt zich onder een hoger
gezag. Het is niet zo, als wel van roomse zijde wordt voorgesteld, dat
de kerk het Nieuwe Testament geschapen heeft en er dus met haar gezag
boven staat. Ze deed.niets anders dan in de verwarring van de tijd het
gezag erkennen, dat er ook vóór haar erkenning al
was en
dat haar steeds had geleid. Welbeschouwd sluit de erkenning van de
canon dus elk eigen gezag der kerkelijke overlevering uit. En ook deze
erkenning blijft als menselijke daad in beginsel voor
herziening
vatbaar. Luther en Calvijn hebben de nieuw-testamentische canon weer
kritisch bekeken. Maar overal waar de kerk leeft, is men het eens over
het bestaan en de inhoud van de nieuw-testamentische canon. En van
daaruit is men het over de omvang ook telkens weer eens geworden.
Belijdenis
Naast het hoofdwapen van de canon was in de strijd tegen de ketters een
hulpwapen nodig. Normatief is alleen het apostolische. Maar ook de
gnostische evangeliën en handelingen droegen klinkende
apostelnamen. Wie maakt dan uit wat werkelijk apostolisch is? Dat kan
alleen de inhoud beslissen. Een korte samenvatting van het
geloof
was onontbeerlijk, wilde de gemeente niet door alle wind van leer
worden meegevoerd. Gelukkig bestonden zulke samenvattingen al. Bij de
doop moest de dopeling zijn geloof uitspreken in den Vader, den Zoon en
den Heiligen Geest, overeenkomstig Matth. 28:19. Er bestonden daartoe
verschillende min of meer uitgegroeide formule’s. De oudste
belijdenis echter had alleen op Christus betrekking: “Jezus
is
Heer” (1 Kor. 12:3). Deze werd ook in allerlei vorm
uitgebouwd,
zoals Rom. 1:3 en 4, Phil. 2:5-11 e.a. al bewijzen. De verschillende
heilsfeiten werden in volgorde aan deze formule gekoppeld en vormden
ongeveer 100 al een enigermate vast verband. Niet lang daarna werd deze
heilsfeiten reeks ingeschakeld in de trinitarische doopbelijdenis, en
deze laatste werd met een aanhangsel uitgebreid. Onze zgn.
twaalf
artikelen zijn het eindresultaat dezer ontwikkeling. Hun
huidige
vorm stamt uit de vijfde eeuw, maar de hoofdzaak er van bestond als
doopbelijdenis der gemeente van Rome al in de tweede helft der tweede
eeuw. De formulering bleef in onderdelen nog eeuwen lang veranderlijk.
Maar de structuur en inhoud stonden al vroeg vast. Deze doopbelijdenis
vond in het gehele Westen ingang. In het Oosten bleven de formuleringen
veel langer uiteenlopen. Tenslotte heeft zich daar de zgn.
geloofsbelijdenis van Nicaea doorgezet, die met Nicaea niet heeft te
maken, maar in het midden der vierde eeuw is opgekomen. Deze
verschillende, maar in opbouw en hoofdzaak overeenstemmende
belijdenissen waren dus organisch gegroeid als samenvattingen
van
het geloof. De strijd tegen de Gnostiek en Marcion heeft op de
formulering geen of bijna geen invloed gehad. Toch bleek de belijdenis
in dit opzicht zeer bruikbaar. Dat “God de Vader”
ook
“schepper des hemels en der aarde” is, raakte
immers een
diepgaand verschilpunt. En de opsomming der heilsfeiten sloot
vanzelf de opvatting veler ketters uit, als zou Christus
slechts
een schijnlichaam hebben gehad en niet werkelijk in het vlees zijn
gekomen. Zo werd de doopbelijdenis een middel om de
scheidslijn
tussen de kerk en haar tegenstanders zichtbaar te maken. Wel bestond
het gevaar, dat dit hulpwapen het wapen van de canon zou willen
vervangen en dat de rijkdom der Schrift door deze korte belijdenis zou
worden verengd. De sporen zijn er van. Maar in het algemeen zag men
deze belijdenis in levend verband met de bijbel. Als samenvatting
daarvan werd ze ook daarnaar uitgelegd. Spoedig gold ze voor
rechtstreeks van de apostelen afkomstig. Vandaar de naam
“apostolische geloofsbelijdenis”.
Merkwaardig is, dat deze belijdenis zoozeer de werkelijke hoofdzaak
samenvat en juist geheel zwijgt over datgene wat voor de
meeste
gemeenteleden op de voorgrond moet hebben gestaan: het moralisme en
sacramentsrealisme. Datzelfde geldt voor de canon: geen enkel
geschrift is opgenomen dat de tijdgeest weerspiegelt, en de grootste
plaats kreeg de nauwelijks begrepen Paulus! Deze feiten stemmen wel tot
nadenken. Door het wonder van de leiding des Heiligen Geestes heeft de
kerk der tweede eeuw dingen volvoerd, die ver boven haar eigen kracht
gingen. Zo werd het haar geschonken, beslissingen van boventijdelijke
aard te vellen ten behoeve van alle volgende geslachten.
Apostolische successie
Een derde wapen bleek nog nodig. Wie kon met werkelijk gezag de beide
genoemde normen vaststellen, en wie kon ze na de vaststelling op de
juiste wijze geldend maken en toepassen? Canon en belijdenis zijn op
zichzelf dode dingen. Levende mensen zijn nodig om hun gezag te
verwerkelijken. Zo kwamen de leidende figuren der kerk er toe,
om
te midden van de verwarring, opgeroepen door de pretenties der ketterse
leeraars en profeten, de gemeente te wijzen op den wettig
gekozen
bisschop als degene aan wie men zich in alle onzekerheid te houden had.
De eenhoofdige gemeenteleiding had zich reeds in wijde omvang
doorgezet. En het was een feit, dat de meeste bisschoppen niet
toegankelijk waren voor de nieuwe leringen. Uit praktisch-pastorale
overwegingen is het dus begrijpelijk, dat het parool werd uitgegeven:
houdt u aan den bisschop, want hij heeft de waarheid. Maar daar bleef
het niet bij. De na-apostolische tijd had den bisschop al bedenkelijk
hoog boven het kerkvolk verheven; en deze noodlottige ontwikkeling
schreed nu verder voort. Het praktische parool werd tot goddelijk gebod
verheven. In de tweede helft der tweede eeuw zien we deze voorstelling
opduiken: de apostelen hebben overal bisschoppen als hun opvolgers
aangesteld en wel overal slechts één bisschop.
(We zagen
al, dat dit historisch onjuist is). Die bisschop heeft bij zijn dood
een wettig gekozen opvolger gehad, die ook weer, enz. Nu garandeert de
wettige opvolging het bezit der waarheid. Met het bisschopsambt wordt
het bezit der waarheid overgedragen. Dat is het dogma der
“apostolische successie.” Daarmee heeft de kerk een
noodlottige grens overschreden. Het betekent, dat naast de
canon
een tweede instantie met goddelijk gezag wordt bekleed. Naast het
hoofdwapen van het Woordgetuigenis treedt als hulpwapen de mens. Nu is
het onvermijdelijk, dat dit hulpwapen tot hoofdwapen wordt en
de
canon van zijn plaats dringt. Waar immers zo óver de
bisschop
gesproken wordt, kan de in de Schrift sprekende Heer niet meer in
vrijmacht zijn gezag ook boven den bisschop uit en tegen hem in tot
gelding brengen, maar wordt de bisschop de normatieve uitlegger der
Schrift. Hij schuift zich door de leer der successie tussen
Christus en diens gemeente in. Niet geloof in Christus, maar
gehoorzaamheid aan den bisschop wordt nu beslissend. De gemeente is
onmondig, en de Schrift is onduidelijk. Het roomse begrip van
priesterschap en kerk is daar.
Hoe kwam men er toe, dit hulpwapen door de successie-redenering tot
hoofdwapen te verheffen, in tegenspraak met de daad der canoniseering?
Omdat men er geen vertrouwen in had, dat de levende Heer door zijn
Geest aan het canoniek getuigenis kracht en gezag kon bijzetten. Want
de gemeente was zo zwak en de dwaling was zo sterk. De kerk
had
zich terecht van de openbaringstijd afgegrensd, maar durfde nu
de
ruimte van haar eigen tijd niet zonder de steun van een zichtbaar gezag
te doorschrijden. Hoewel de canon de belofte van haar Heer
belichaamde: “Ik ben met u, al de dagen”. Van nu af
geldt
in de kerk en het gezag van Christus in zijn Woord en haar eigen gezag
in haar bisschoppen. Dat moet op een botsing uitlopen. De Hervorming
koos het eerste gezag en verwierp daarom het tweede; de roomse
kerk verklaarde haar eigen gezag tot dat van Christus zelf in de leer
der pauselijke onfeilbaarheid.
Resultaat
De kerk heeft de
crisis
doorstaan. De winst was groot. Ze is gered voor de acute
verwereldlijking, en ze heeft haar belijdenis helderder leren verstaan.
Maar uit angst voor de verwereldlijking gaf ze zich over aan de
verwettelijking. De waarheid werd gered, maar de vrijheid der kerk, dat
is de vrijheid van het Woord in de kerk, werd door menselijk gezag
gebonden. En daar alle mensen ijdelheid zijn, moet dat op de duur ook
tot binding der waarheid voeren. Toch zal het vervolg bewijzen, dat
geen menselijk gezag de vrijheid van het Woord werkelijk binden kan.
Want Christus houdt ook dwars door alle dwaling heen, zijn kerk in
stand.
9. DE
OUD-KATHOLIEKE KERK
Met deze naam plegen we de kerk aan te duiden zoals ze bestond in de
tijd na de overwinning van de innerlijke crisis der tweede eeuw, en
voor het uiteengaan van de oosterse en de westerse kerk. De
“oud-katholieke kerk” staat dus in tegenstelling
tot de
latere rooms-katholieke en grieks-katholieke kerk. Zij is hun
gemeenschappelijke voorvorm. De Grieksche kerk is het dichtst bij deze
voorvorm gebleven, de roomse kerk is doorgegroeid. Aanknoopend aan wat
we over de kerk in de na-apostolische tijd opmerkten, tekenen
we
in dit hoofdstuk de blijvende grondlijnen der oude kerk zoals die
tussen 180 en 300 voor goed zichtbaar worden. Het zal blijken dat ook
de kiem van de -latere tegenstelling oost-west er in deze tijd al is.
Eeredienst
Bij vergelijking met de na-apostolische periode valt het op, hoe de
eredienst steeds meer gestempeld wordt door de geest der heidense
omgeving. De officieele staatsoffers werden beschouwd als een
verdienstelijke prestatie, die de goden noopte ook van hun kant
welwillendheid te betonen; de cultus was hier dus een handelszaak met
de goden. Heel anders was het in de vele mysteriën der
oosterse
goden. Daar deelde de godheid zelf op magische wijze via geheimzinnige
riten en symbolen het eeuwigheidsleven aan zijn vereerders mede. Beide
elementen, het verdienstelijke en het magische (waartegen de
oudtestamentische profeten zich reeds hadden gekeerd!),
beginnen
nu de oud-christelijke eredienst te beheersen. We zagen al dat de term
“offer” het eerste, en de avondmaalswoorden het
tweede
element in de hand werkten. Nu gaan deze heidense gedachten zich op de
bodem der kerk ontplooien. Het hoogtepunt van de dienst is het
ogenblik waarop de priester in het dankgebed door aanroeping van de
Heiligen Geest het wonder bewerkstelligt, dat brood en wijn veranderen
in het lichaam en het bloed van Christus. De theologische
interpretatie van dit feit had nog veel speelruimte. Maar het gewone
gemeentelid dacht zich dit magisch-realistisch. En nu komt de gedachte
op: dit offer van den priester is Gode aangenaam, het heeft een
verzoenende werking. Zo wordt God gunstig gestemd. Dat betekende een
nieuwe versterking van het ambtsgezag. De bisschop is niet
alleen
als opvolger van de apostelen de drager van de ware leer, hij is ook in
letterlijke zin de opvolger der hogepriesters uit het Oude
Testament, zoals de presbyters van de priesters, en de diakenen van de
levieten. “Priester” wordt nu een gangbare
term in de
kerk. De geestelijkheid, vooral de bisschop is de middelaar tussen God
en de onmondige gemeente. Het algemeen priesterschap der gelovigen
heeft in de oude kerk een kort leven gehad.
Het avondmaal is gave Gods en offer der gemeente. De gave wordt
magisch opgevat, het offer als verdienstelijke prestatie. In
het
Oosten bleef men het avondmaal overwegend als gave zien, in het Westen
schoof zich de offergedachte steeds meer naar voren. Zoals de
apostolische successie een nieuwe tegenwoordigheid van Christus had
geschapen naast de tegenwoordigheid in het Woord, zoo werd het
avondmaal een nieuw offer van Christus, naast het offer dat op
Golgotha eens voor al was geschied.
Met de doop is het op overeenkomstige wijze gegaan. Van zichtbaar woord
der vergeving werd hij tot drager van magische duivelbannende krachten.
Maar na de doop is de mens op eigen heiligheid en goede werken
aangewezen. Om het risico dat dit meebrengt, bestond de
neiging om
de doop uit te stellen. Anderzijds begunstigde dit magisch karakter
juist de kinderdoop, die omstreeks 150 al moet hebben bestaan.
Het
is niet te zeggen of de kinderdoop al in de nieuw-testamentische tijd
bestond. De oudste beweegredenen er toe kennen we niet.
In de tweede eeuw begon zich ook het kerkelijk jaar te ontwikkelen.
Pasen en Pinksteren werden naar het voorbeeld der joden van
ouds
gevierd, nu met nieuwe inhoud. In het oosten vierde men sinds de vierde
eeuw ook het Epiphaniasfeest (6 Januari; geboorte en doop van Jezus en
bruiloft te Kana). Het Kerstfeest stamt uit het Rome van de vierde
eeuw, waar het het heidense midwinterfeest verving en vanwaar het zich
in de gehele kerk wist door te zetten.
Tucht
Terwijl ten aanzien van de eredienst de lijnen uit de eerste tijd
werden doorgetrokken, heeft de oud-katholieke kerk op pastoraal terrein
met een tot nog toe in deze scherpte ongekend probleem te worstelen
gekregen, dat van de kerkelijke tucht. Hoe meer de kerk vat kreeg op de
wereld, des te meer vat kreeg de wereld op de kerk. De tegenstelling
uit de eerste tijd tussen de heilsgemeente van de eindtijd en de boze
wereld die ten ondergang gaat, verzwakte. De mijding week voor een min
of meer voorzichtig compromis. Theorie en praktijk dekten elkaar niet
meer. Het wachten op Christus’ komst duurde zolang. Men moest
verder leven; er moest dus een zekere verhouding tot de wereld gevonden
worden. Vele nieuwe christenen bleven in hun heidense beroepen (spec.
soldaten). Met de welgestelde bekeerlingen deed ook de weelde haar
intrede in de kerk. Tertullianus, die omstreeks 200 het standpunt der
absolute mijding innam, had lang niet al zijn geloofsgenoten
mee.
Wel werd de oude gestrengheid als een hogere trap gezien en bij de
geestelijkheid en in de stand der asceten min of meer bewaard. Er ging
zich tweeërlei moraal aftekenen. In het Oosten valt
de
neiging tot wereldvlucht in ascese en bespiegeling op. Het meer
praktische Westen bezon zich op de vraag hoe het geloof in het
dagelijkse leven bewaard kon blijven.
Het probleem der tucht is in het Westen uitgevochten. Het Montanisme
had de oude zuiverheid willen herstellen en de kerk daarvoor desnoods
tot een kleine kudde willen doen inkrimpen. Dit was afgewezen. Maar men
kon evenmin in de kerk allen en alles toelaatbaar achten. Want de doop
werd beschouwd als de handeling waardoor de vroegere zonden eens voor
al werden afgewassen. Nadien mocht de Christen in geen zware zonden
meer vallen, zoo hij de doopgenade niet wilde verspelen. Lichte zonden
kon men boeten door gebed, vasten en aalmoezen. Maar wie een der drie
doodzonden had gedaan (ontucht, moord, afval van het geloof), voor dien
was in de kerk geen plaats meer. Dat was de oude strenge opvatting. Hoe
meer de kerk groeide, des te moeilijker kon die worden volgehouden.
Gevallen van ontucht b.v. kwamen veelvuldig voor. Moest zoo
iemand
nu onherroepelijk aan het heidendom worden prijsgegeven? Want
dat
was het gevolg: zulk een veroordeelde keerde meestal voorgoed de rug
aan de kerk toe en was dan dus zeker verloren. Wie waagde deze
verantwoordelijkheid op zich te nemen? De beslissende stap werd gedaan
door den bisschop van Rome, Calixtus, die verkondigde dat hij
als
bisschop bevoegd was de zonde der ontucht te vergeven, zij ‘t
ook
onder zeer zware boete-verplichtingen. Hij grondde dit
welbewust
op een nieuw kerkbegrip: de kerk is niet de heilige gemeente, maar de
akker waarop koren en kaf tezamen opgroeien, de ark van Noach, die
reine en onreine dieren herbergt. Daarmee plaatste de kerk
zich
dieper in de gevallen mensheid, om velen te kunnen winnen en behouden.
Voor haar grootte was het een winst, voor haar gehalte een verlies. In
Rome scheidde de presbyter Hippolytus met een grote groep zich af van
Calixtus’ wereldse kerk. Maar aan Calixtus’
opvatting
behoorde de toekomst. Ze betekende tegelijk de hoogste
verheffing
van den bisschop. Niet alleen is hij door de apostolische successie de
ware leraar en in de eucharistie de sacramentele middelaar, maar nu ook
degene, die in Christus’ plaats de gewetens kan binden en
ontbinden (Joh. 20:21-23). Eenmaal op deze weg, moest men voort. Toen
in de heftige vervolgingen na 250 velen afvielen en later weer terug
wilden, werd ook voor de doodzonde van de afval de vergeving
opengesteld. De bisschoppen Cyprianus van Carthago en Cornelius van
Rome namen beiden deze beslissing. Weer botsten
“rekkelijken” en “preciesen”.
In 251 scheidde
de presbyter Novatianus te Rome zich af en stichtte een kerk, welke
weldra algemeen verbreid was. De “zuiveren” noemden
ze
zich, omdat ze bedrijvers van een doodzonde niet in hun midden duldden.
En ook zij waren in de oude kerk nog niet de laatste opvolgers van de
Montanisten. Het ideaal der zuivere kerk botste voortdurend tegen dat
der katholieke kerk. Maar opvallend is, dat het ideaal der zuiverheid
in elke volgende generatie lager werd gesteld.
Men moet toegeven dat binnen het kader der oude christenheid het gelijk
aan de kant der strenge sekten was. Als het waar is dat na de doop de
goede werken beslissen over het bewaren van de christenstand, dan mag
de kerk niets toegeven. Maar de katholieke leiders, wat ook verder hun
motieven waren, hadden er een besef van dat de bijbelse genadeprediking
nog wat anders is dan dit onbuigzame moralisme. Er wordt aan de
vergeving ruimte toegekend over heel het christenleven, ook na de doop.
Vergeleken met de na-apostolische tijd schijnt dat een stap naar de
bijbel toe. Maar het moralisme blijft de beheersende factor,
de
vergeving heeft slechts een aanvullende functie. En ze
verwerkelijkt zich niet in de ontmoeting van den zondaar met
het
Woord door den Geest, maar in zijn ontmoeting met den
bisschoppelijke middelaar en door de verdienstelijke prestatie
der
boetedoeningen.
Organisatie
Het centrum der kerkelijke organisatie is de figuur van den bisschop
die, zoals we zagen, en op het gebied der leer en op dat van de
eredienst en op dat van de tucht ver boven de onmondige gemeente
verheven werd. De handelende, lerende en belijdende kerk valt steeds
meer samen met het getal van haar bisschoppen. Wordt er een nieuwe
gekozen, dan ligt de beslissing bij de bisschoppen uit de omgeving,
zonder wier wijding de nieuw-gekozene geen opvolger der apostelen kan
zijn. De gemeente kan alleen door acclamatie instemming betuigen. Een
steeds groter wordende stoet van lagere geestelijken omstuwt
de
vertegenwoordiger van Christus. Naast de presbyters en diakenen ook
subdiakenen, duivelbezweerders (exorcisten), voorlezers enz.
Gewoonlijk werden in de dorpen geen bisschoppen gewijd. Elke stad,
groot of klein, had één bisschop, aan wie tevens
de
gehele omgeving onderworpen was. De gewone pastorale leiding in de
dorpen berustte bij presbyters en diakenen.
Het wijdere organisatorische verband der kerk is langzaam gegroeid en
droeg nog lange tijd geen officieel karakter. De hechte band van het
gemeenschappelijk geloof temidden van de ongelovige wereld
maakte
dat overbodig. Maar vanaf 250 hadden er regelmatig provinciale synoden
plaats. Daar het christendom zich meestal vanuit de provinciale
hoofdstad (metropolis) had verbreid, lag het voor de hand dat in deze
moederstad de synoden vergaderden en dat de plaatselijke bisschop
(metropoliet) voorzitter was. De metropolieten kregen in liet
Westen later de naam “aartsbisschop”
(archi-episcopus). Zoo kwam er ook tussen de bisschoppen een hoger en
lager, maar voorlopig was dat nog slechts een onderscheid in aanzien.
En ook de synoden bezaten tegenover de afzonderlijke bisschoppen en hun
gemeenten geen hoger gezag dat zich langs organisatorische weg kon
doorzetten. Immers werd elke wettige bisschop geacht den Heilige Geest
te hebben. Natuurlijk had om die reden een eenstemmig genomen
synodebesluit een hoog moreel gezag. Maar bij onenigheid onder de
bisschoppen was er geen instantie, die de beslissende
uitspraak
kon doen. De synodale en hiërarchische organisatie-vormen zijn
van
veel later tijd.
Naast de synoden en de metropolieten hadden een bijzonder moreel gezag
in de hele kerk de bisschoppen van die steden die voor een groot gebied
de bakermat der zending waren geweest (Carthago, Lyon e.a.); en vooral
de bisschoppen van de grote centra waar de apostelen zelf of hun
onmiddellijke leerlingen hadden gewerkt: Jeruzalem,
Antiochië, Alexandrië, Rome. Van deze steden bleef
voor zeer
grote gebieden de kerkelijke leiding uitgaan. Maar ook hier
ging
het om patriarchale, niet om organisatorische banden.
De bisschop van Rome
Onder deze moedergemeenten nam Rome nog weer een heel bijzondere plaats
in. Ook al omdat in deze hoofdstad van het rijk de grootste en meest
welgestelde christengemeente zich bevond. Maar de doorslag gaf
het
feit, dat in Rome de beide grootste apostelen hadden gewerkt en als
martelaren waren gestorven: Petrus en Paulus. Dat feit gaf aan hun
opvolgers, de bisschoppen van Rome, een ongeëvenaard gewicht.
En
ze waren zich daarvan over ‘t algemeen maar al te
zeer
bewust. De meesten van hen muntten uit door begaafdheid en
wilskracht en lieten geen gelegenheid ongebruikt om hun
positie in
de wereldkerk te versterken. Bisschop Victor verbrak aan het eind der
tweede eeuwde gemeenschap met de Klein-Aziatische gemeenten omdat ze
zijn opvatting inzake de paasdatum niet wilden volgen. Dat werd echter
door zijn gezaghebbende collega’s streng afgekeurd. De
bisschop
van Rome gold als eerste onder zijn gelijken. Maar van een
juridisch-organisatorisch gezag over de heele kerk was
voorlopig
nog geen sprake. Dat bleek nogmaals duidelijk toen bisschop Stefanus in
255, nu naar aanleiding van de strijd over de ketterdoop, zijn
beslissing aan de hele kerk wilde op leggen. Hij beriep zich
daartoe reeds op Matth. 16:18. Maar zijn invloedrijke
collega’s wezen dat beroep beslist af en Stefanus heeft zijn
wil
niet kunnen doorzetten. Het moreel gezag der gemeente van Rome is bijna
zo oud als haar bestaan; maar de regeermacht van den paus heeft pas
veel later en dan nog maar in een deel der kerk erkenning gevonden.
Cyprianus
De centrale figuur van deze oud-katholieke kerk, en in ‘t
bijzonder van haar westerse vorm, is geweest Cyprianus, bisschop van
Carthago. Hij was een welgesteld redenaar geweest, die als volwassene
tot de christelijke kerk overging. Zeer kort na zijn overgang, in 248,
werd hij al bisschop. Tien jaar later stierf hij, maar deze korte tijd
was voldoende voor hem, om gewichtige denkbeelden en beslissingen voor
de gehele kerk door te zetten. In 249, toen Decius keizer werd, begon
de eerste stelselmatige uitroeiing van de leiders der kerk. Niet uit
lafheid, maar uit herderlijke overwegingen verborg Cyprianus zich en
bleef door een tussenpersoon en door briefwisseling, van zijn
schuilplaats uit, zijn gemeente leiden. Onder de harde vervolging
werden velen afvallig, die later weer in de kerk wilden worden
opgenomen. De “belijders” (confessores,
die
martelingen doorstaan hadden en in bijzondere mate met den Geest
begaafd geacht werden) maakten van hun gezag gebruik om voor de
berouwvolle afvalligen op spoedig en gemakkelijk herstel aan te
dringen. Cyprianus keurde dat af, doch de presbyters, die hem zijn ambt
benijdden, werkten hem tegen en waren op de hand der belijders. Maar
Cyprianus gaf niet toe en betoogde dat geen belijders noch andere
geestelijke mensen, maar alleen de bisschoppen als opvolgers der
apostelen het recht van afsnijding en wederopneming bezitten.
Bij
zijn terugkeer zette hij met steun van synoden zijn opvatting door en
gaf regels voor de tucht, die een wijze combinatie van mildheid en
strengheid waren; na een zware boetetijd mochten de afvalligen
terugkeren. De tegenpartij stelde een mildere tegenbisschop
aan:
Zelfs Cornelius, de bisschop van Rome, aarzelde wie van beiden hij
erkennen moest, tot hij zwichtte voor een brief van Cyprianus.
Terzelfder tijd trad in Rome de
“strengere”
tegenbisschop Novatianus op, wiens aanhangers in Carthago een derden
bisschop aanstelden! Cyprianus liet zich niet van zijn stuk brengen en
trok tussen de milde en strenge oppositie door, de richtlijnen der
katholieke boete-practijk. Zijn gezag steeg voortdurend. Zelfs uit
Spanje en Gallië kwam men hem over vragen van kerkpraktijk
raadplegen. In 255 werd hij in een nieuwe strijd gemengd. Stefanus, de
bisschop van Rome, verbood, dat ketters, die overkwamen tot de kerk,
nog eens zouden worden gedoopt. Cyprianus echter stond de oude
omgekeerde praktijk voor. Van hem is immers het woord “buiten
de
kerk is geen zaligheid”. Stefanus eiste onderwerping aan zijn
opvatting. Hij fundeerde dit op het primaat van Rome. Cyprianus
weigerde en beriep zich op het beginsel dat alle bisschoppen van
gelijke rang zijn. Het beroep op Mattheus 16:18 erkende hij niet; de
figuur van Petrus fundeert geen primaat van Rome, maar symboliseert de
eenheid aller bisschoppen en der gehele kerk. Hier begon de strijd
tussen curialisten en episcopalisten, die de roomse kerk eeuwenlang
heeft bezig gehouden. In 1870 heeft de geest van Stefanus het voorgoed
gewonnen. Maar tegen Cyprianus nog niet. Het werd een prestige-kwestie
die Stefanus oploste door de gemeenschap met Cyprianus te verbreken.
Maar Cyprianus en zijn vele medestanders bleven onwrikbaar. De strijd
eindigde toen Stefanus in 256 stierf. Kort daarop brak ook in Carthago
een nieuwe vervolging uit. Nu onttrok Cyprianus zich niet meer. Hij
werd gevangengenomen en bleef standvastig in zijn belijdenis.
De
gemeente volgde hem naar de plaats der terechtstelling,
uitroepend: “wij willen met hem sterven!”
Zo werd hij
in 258 onthoofd.
In deze tien jaar van worsteling werden enkele belangrijke geschriften
geboren. Zo “De gevallenen”, dat
Cyprianus’
tuchtpractijk fundeert. En “Werk en Aalmoezen”, dat
ontstellend duidelijk aantoont hoe vlak moralistisch het
Christenleven in deze tijd werd gezien: boete en aalmoezen
zijn
nodig en hebben een bepaalde verdienste voor God, waardoor men zich
vergeving en loon kan verwerven. Het hoofdwerk van Cyprianus is:
“De eenheid der kerk”, dat klassiek mag heten voor
deze
tijd. Daar wordt geponeerd: “de kerk bestaat in den
bisschop”, “men kan God niet tot Vader hebben als
men de
kerk niet tot moeder heeft”; de kerk is de zichtbare eenheid
der
bisschoppen die als opvolgers der apostelen het heil voor de leken
bemiddelen.
Slotsom
Cyprianus is een typisch westerse figuur. Het Westen, waar de
Romeinsche geest heerste, was praktisch en juridisch. Hier werd de
hechte kerkelijke organisatie gesmeed die de vervolgingen zou
doorstaan. De geest van het Grieksche Oosten was speculatief en
mystisch. Daar zouden in de volgende eeuwen de grote beslissingen over
het dogma vallen.
Maar voor beide delen betekende deze tijd een beslissende verschuiving.
De oude kerk als Geestesgemeenschap rondom het Woord is voorgoed
voorbij. In de stormen der ketterij werd ze beveiligd door
haar te
verlagen tot een. gemeenschap van onmondigen rondom den bisschop. De
vrijheid van het Woord werd vervangen door het ambtelijk gegarandeerd
waarheidsbezit. En de werking van den Geest werd gebonden aan
de
correcte apostolische opvolging. Scherp en raak formuleerde
Tertullianus: “De kerk is de som der bisschoppen!”
10. DE OUDE
THEOLOGIE
De apologeten
Pas in de tweede eeuw kan er sprake zijn van theologie. Natuurlijk
kunnen we Paulus een groot theoloog noemen en liggen er in de
geschriften uit de na-apostolische tijd vele bouwstenen voor
theologische bezinning. Maar dan komt deze direct uit de praktijk van
zending en zielszorg op. Eerst de hoon van het heidendom en de
dwaalleer der Gnostiek noopten tot een bewuste en stelselmatige
bezinning op de inhoud en het doel der in Christus en in het
Oude
Testament geschonken openbaring. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat
de apologeten de eerste theologen zijn geweest. Als apologeten moesten
ze tegelijk theologen zijn; daarom droeg de vrucht van hun denken het
duidelijke stempel der
“Vermittlungstheologie”.
Reeds in de na-apostolische tijd moesten we een bedenkelijke onbewuste
aanpassing van het Evangelie aan de moralistisch-rationalistische
tijdgeest constateren. Deze aanpassing was in meer bewuste zin het
program der apologeten. Tegen alle haat, misverstand en verachting der
wereld in wilden ze bewijzen dat het Evangelie de hoogste en
enig-ware vervulling is van de idealen van de Griekse geest. De
nadenkende heidenen van die dagen zochten ernstig naar kennis van de
hogere wereld. En de algemeen verbreide gedachten daarover
waren
deze: er is een eeuwige Geest die oneindig ver boven deze
stoffelijke en vergankelijke wereld verheven is. Hij kan met deze
wereld niet rechtstreeks in verbinding staan, maar slechts door middel
van tussenwezens. En als voornaamste tussenwezen gold de Logos.
Het Logos-begrip
We zagen hoe Philo dit begrip had gehanteerd. Omstreeks 150 was dat het
centrale begrip van het godsdienstig-wijsgeerig denken. Er waren heel
wat speculaties over de verhouding God-Logos-wereld. De Logos is een
wezen dat noch God noch wereld is, de brug tussen geest en stof, het
instrument waarmee God de wereld schiep.
En nu ligt de grote betekenis der apologeten voor de theologie hierin,
dat ze dezen Griekse Logos vereenzelvigden met het
“Woord”
uit Johannes 1:1, waar in het Grieks ook “logos”
staat. Ze
roepen dus aan de wereld toe: Ons geloof is niet onredelijk. Uw
“Logos” staat ook bij ons in het
middelpunt. En gij
speculeert slechts over hem zonder zekerheid of ge wel juist van hem
denkt. Maar nu is deze Logos in menselijke gedaante op aarde
verschenen. Dat is te bewijzen; want zijn levensgang was stap voor stap
de vervulling van voorspellingen die hebreeuwse profeten eeuwen te
voren hadden gedaan. Daarom bestaat er sinds Christus’
verschijning niet slechts speculatie maar absolute zekerheid over de
verhouding van God en wereld. Alleen bij ons, christenen, is het
redelijk fundament te vinden voor uw wereldbeschouwing!
Achter dit besef van meerderheid zat een diep geloof in de beslissende
betekenis van het Evangelie. Het was een koene greep om het
filosofisch Logos-begrip voor het christendom te annexeren. Maar was
het alleen winst? Men knoopte niet alleen apologetisch bij den
Griekschen Logos aan, maar vereenzelvigde die in volle theologische
ernst met het Woord uit Johannes 1; en wel zoo, dat men
Johannes’
“Woord” vulde met de filosofische inhoud
van
“Logos”. Daarom is deze vereenzelviging de
invalspoort
geworden voor de ideeën van de tijdgeest, en de grondslag voor
een
voortdurend misverstaan van de bijbel, waar al de theologische
problemen der eerste eeuwen toe te herleiden zijn. Want het
“Woord” in Johannes 1 is iets radicaal anders dan
de
Griekse Logos. Het gaat er daar om, van Christus duidelijk te maken dat
hij geen schepsel maar de Schepper is, bij God en zelf God. Hij was het
Scheppingswoord (“in den beginne”) waarmee
God de
wereld tot aanzijn riep. Maar in de toenmalige wijsbegeerte ging het er
juist om, een brug tussen God en de wereld te slaan en daarom alle
nadruk er op te leggen dat de Logos een lager wezen is dan God, een
soort halfgod. Als men dat ook in Joh. 1 gaat lezen, dan wordt de
christelijke openbaring een algemene theorie over God en
wereld,
die met de heidense theorieën kan concurreren. En dan moest
men
die theorie wel zo verstaan, dat in Jezus niet God zelf, maar een
halfgoddelijk tussenwezen op aarde was verschenen. Dat is
sinds de
apologeten lang de gangbare rechtzinnige leer geweest. Maar
niemand durfde die consequent door te voeren. Dat verbood de bijbel. Na
een reeks dogmatische conflicten die hun hoogtepunt bereikten in de
ariaanse strijd, is het langzamerhand tot een zuivering van het
logosbegrip gekomen.
Hun theologie
Nog een enkel woord over de apologetische theologie zelf. Haar
hoofdzaak is de volgende. God heeft in de tijd met het oog op de
wereldschepping een persoonlijk wezen in het aanzijn geroepen,
den
Logos, door wie Hij alles gemaakt heeft. De mens die zelf deel had aan
den Logos, is echter misleid door de demonen en daarom in onkunde,
veelgodendom en zedeloosheid verstrikt. Om den mens weer op het goede
pad te brengen, verscheen de Logos zelf in menselijke gedaante. De
vervulling der voorspelling en de wonderen zijn er het onomstotelijke
bewijs van. Zo ontmaskerde Christus het bedrog der demonen,
verkondigde de ware leer over God en wereld en over het
komende
gericht en wees de weg tot een Gode behaaglijke levenswandel. Deze
wordt in de kerk beoefend; daarbuiten zijn wel “zaden van den
Logos” (vooral bij Plato), maar men blijft er steken in de
dwaling. De mens heeft een vrije wil en kan zich met behulp van
Christus’ leer en voorbeeld uit de greep der demonen
bevrijden.
Men ziet: het logosbegrip wreekt zich in de hele uitwerking. Als in
Christus slechts een halfgod verschijnt, kan deze geen
verzoener
en verlosser, slechts leraar en voorbeeld zijn. De heilsfeiten spelen
bijna geen rol. De genade staat in de schaduw. De filosofie levert de
inhoud, de openbaring slechts de feiten die de inhoud als echt
fundeeren. Hier is filosofisch moralisme en rationalisme in
christelijk gewaad. Ook hier is het christendom verwereldlijkt, net zoo
goed als bij de gnostici. Maar de laatsten zijn als ketters
uitgeworpen, de apologeten nooit. En dat niet alleen omdat hun geloof
vaak veel dieper en bijbelser was dan de theologische vormgeving die ze
aan de tegenstanders meenden te moeten voorzetten (vooral van Justinus
moeten we dat zeggen) maar bovenal omdat deze mensen zich wilden
richten naar de regel der kerk en begeerden niets anders daarnaast of
daarboven te weten, in tegenstelling tot de Gnostiek. Hun afstand van
het Evangelie was hun zelf niet bewust. Algemeen werd de boodschap der
kerk door de kerk op deze wijze in meerdere of mindere mate misverstaan.
Gelukkig is het daar niet bij gebleven. De kerk heeft ook iets geleerd
door de Gnostiek en door Marcion. In haar moralisme was de genade
verschrompeld. Dat de openbaring allereerst verlossing is in
de
volste zin, daar wezen de ketters op dwalende wijze heen. Zo wezen ze
de kerk terug naar Paulus en Johannes.
Irenaeus
Kort na de tijd der apologeten zien we hoe de theologie een nieuwe en
bijbelser wending neemt in het denken van Irenaeus, den eersten groten
theoloog. Hij stamde uit Klein-Azië, dat een eigen
kerkelijke
traditie bezat, meer mystisch dan moralistisch (Johannes, Ignatius,
Polycarpus). Hij woonde in Lyon, waar veel Kleinaziaten
heentrokken, en werd daar in 178 bisschop. Hij was een der figuren
welke de wapens tegen de Gnostiek smeedden. Zijn theologie is iets
geheel nieuws na de apologeten, al zal hij wel voorgangers hebben
gehad. De hoofdlijnen zijn deze: Adam en in hem heel de mensheid was
bestemd voor de onsterfelijkheid. Door de zondeval laadde de mens de
vloek der vergankelijkheid op zich. Doch God zond Zijn Zoon, het Woord,
die door menselijk vlees aan te nemen, de menselijke natuur verenigde
met de verlossende kracht der Godheid en haar zoo de onsterfelijkheid
teruggaf. Hij was de tweede Adam. Hij bewees de gehoorzaamheid die de
eerste Adam had nagelaten en gaf in zijn opstanding het onderpand van
onze herstelde toekomst. De Heilige Geest geeft ons in doop en
avondmaal deel aan de gave der onsterfelijkheid. Al wie de
mensgewordene in het geloof schouwt, ontvangt het eeuwige leven. De
centrale gedachte is het “alles tot één
vergaderen
in Christus” (Ef. 1:10), de hereniging van de
goddelijke en
menselijke wereld die door de zonde gescheiden waren. God is mens
geworden opdat de mens het goddelijk leven der onsterfelijkheid zou
weder ontvangen.
Hier is een geheel andere geest dan in de beschouwingen der apologeten.
Het gaat hier niet om Jezus’ woorden en daden als van een
leraar
en voorbeeld, maar om Hem zelf, den menscgewordene, in heel
zijn
wezen. Centraal is de verlossing die zich in de daad der
menswording heeft voltrokken. Het mystische van Johannes en
het
kosmische van Paulus zijn hier verbonden. Maar de rechtvaardiging door
het geloof speelt geen rol; het kruis van Christus heeft ook geen
centrale plaats. Niet de tegenstelling zonde-genade beheerscht deze
theologie, maar de tegenstelling tussen het gevolg der zonde: de
vergankelijkheid en het gevolg der genade: de heiligmaking en
onsterfelijkhëid. In het denken van Irenaeus vinden we reeds
de
grondvorm der gehele oosterse theologie die vanaf Ignatius over
Irenaeus en Athanasius tot heden toe dezelfde is gebleven.
Tertullianus
Een jonger tijdgenoot van Irenaeus was Tertullianus. De eerste was een
waardig bisschop, de tweede een heftig advocaat uit Carthago,
wiens litteraire arbeid (verder weten we heel weinig van hem) ongeveer
van 195 tot 220 valt. Tertullianus was een leerling van Irenaeus, maar
zijn juridische geest kon diens eigenlijke gedachten niet
opnemen
en verwerken. Zijn eigen theologie gelijkt nog in veel op die van de
apologeten. Daarom ligt zijn grote betekenis elders. Vele theologische
termen zijn van hem afkomstig. Woorden als
“voldoening”,
“verdienste”,
“drie-éénheid”,
“erfzonde” zijn door hem het eerst gebruikt. En
zijn
formules voor de drie-éénheid
(“één wezen, drie personen”)
en voor de
naturen van Christus (“twee naturen,
één
persoon”) hebben zich later algemeen doorgezet. Zoals bij
Irenaeus de grondvorm van de oosterse theologie tevoorschijn komt, zoo
bij Tertullianus die der westerse. Hij dacht zich de verhouding van God
en mens allereerst als een rechtsverhouding, gegrond op de
begrippen wet, straf, voldoening, verdienste. Binnen dat kader kreeg
het kruis als voldoeningsdaad een grote nadruk. Deze vormgeving is in
de westerse theologie gebleven; Cyprianus heeft haar praktisch
toegepast, Augustinus mystisch verdiept. Irenaeus en
Tertullianus
openen de eigenlijke geschiedenis van theologie en dogma. De mystische
resp. de moralistische lijn, die we in de na-apostolische tijd al
opmerkten, zet zich bij hen voort. Maar ook in de logosleer
vertegenwoordigen ze twee stromingen.
Tertullianus heeft de apologetische opvatting van den Logos als een
lagere god breed uitgewerkt. Aan deze vergriekste vorm der theologie
behoorde de naaste toekomst. Bij Irenaeus vinden we den Logos in de
zuivere betekenis van Joh. 1. Daarvoor zou eenmaal Athanasius de strijd
opnemen. Ook hun beider naturenleer is teken van het komende: Irenaeus
legt al de nadruk op de eenheid van het goddelijke en menselijke in
Christus en ziet de goddelijke natuur als beheersend. Tertullianus
stelt de tweeheid voorop en ziet de menselijke natuur veelmeer
zelfstandig. Dat is reeds het verschil tussen de twee scholen der
vijfde eeuw.
Irenaeus en Tertullianus wilden met hun theologie slechts uitdrukking
geven aan het geloof der gemeente, zooals zij dat verstonden, tegen de
uitholling daarvan door de gnostische theosofie. Vooral door
hun
arbeid groeide het inzicht dat de Gnostiek buitenchristelijk was. Maar
al werd de Gnostiek uitgeroeid, de motieven waaruit ze was
voortgekomen, bleven levend. De macht van de heersende wijsbegeerte was
te sterk. We zien dan ook, hoe zich kort na 200 van de stad
Alexandrië uit, een nieuwe theologie baanbreekt die
even
kerkelijk wil zijn als die van Irenaeus (dus uitgaande van
canon,
belijdenis en ambt) en tegelijk even wijsgerig en
“modern”
als de Gnostiek. Dat is de theologie van Clemens en Origenes.
Clemens
Alexandrië, de stad van Philo en Valentinus, was het
brandpunt der wijsgerige cultuur. Al langer hadden daar
ontwikkelde christenen gezocht naar een verzoening van de
bijbelinhoud en de nieuwere filosofie. Maar Clemens is de eerste van
wie we een duidelijk beeld hebben. Hij was een diep, zelfstandig denker
en een voortreffelijk schrijver. Zijn werkzaamheid valt van ongeveer
190 tot ongeveer 215. Zijn godsdienstwijsgeerig stelsel sluit bij de
apologeten aan. Maar hun grieksch-christelijke visie is bij
Clemens verwijd en verdiept. De wereld is bezield door den Logos, den
drager van alle redelijk-zedelijke krachten. De Logos voedt de mensheid
op tot de gemeenschap met God, langs de weg der trapsgewijze
openbaring: in het wijsgerig denken, in de leiding met het volk
Israël, tenslotte in de persoonlijke openbaring in Jezus
Christus.
Clemens voelde de afstand tussen zijn wijsgerige ideeën en het
geloof der gemeente. Daarom greep hij terug op de gnostische
tegenstelling tussen “geloovenden” en
“wetenden”. Alleen wilde hij er slechts een
verschil
van graad en zedelijke kracht in zien. De gelovenden leggen zich bij
het geopenbaarde neer, de wetenden stijgen in navolging van Christus
tot de volkomen vrijheid van de vleeselijke banden en tot de zalige
gemeenschap met God. Het christelijk ideaal van Clemens lijkt veel meer
op den zelfgenoegzamen wijze uit de stoicijnsche filosofie, dan op den
begenadigden zondaar uit de bijbel. Maar alleen in deze vorm kon het
“barbaarse” christendom ook de denkende
geesten gaan
boeien.
Origenes
De eenheid van openbaring en wijsbegeerte, die Clemens voor ogen
zweefde, werd op geniale wijze verwerkelijkt in het denken van
Origenes. Ook hij was een Alexandrijn en leefde van 185 tot 254. Hij is
naast Augustinus het grootste genie der oude kerk en een der
aller
grootsten uit de laat-antieke cultuur. In 202 stierf zijn vader als
martelaar en de 17-jarige had gaarne zijn lot gedeeld. Maar een rijke
dame zorgde dat hij zich verder ontwikkelen kon en weldra had de
vroegrijpe jongeling een grote naam als leraar in allerlei takken van
wetenschap. Zijn werkkracht was ongeëvenaard. Men
spreekt van
6ooo geschriften van zijn hand. Hij legde zich vooral toe op
bijbeluitleg en filosofie. Diep onderging hij de invloed der nieuwere
platonische wijsbegeerte, waarvan Alexandrië de bakermat was.
Zijn
leven was uiterst sober; in zijn ackese ging hij zover, dat hij Matth.
19:12 letterlijk opvolgde. Wegens een conflict met zijn bisschop
vertrok hij naar Caesarea waar hij zijn school voortzette. Zijn roem
ging door heel de beschaafde wereld. Zelfs werd hij naar het
keizerlijk hof ontboden. Toen de vervolgingen weer uitbraken
werd
ook hij wreed gefolterd. Maar hij bleef standvastig en doden wilde men
hem niet. Toch is hij niet lang daarna aan de gevolgen der martelingen
bezweken.
Preken, commentaren, tekstcritische onderzoekingen en grote en kleine
verhandelingen schreef hij in menigte, vaak als neerslag van zijn
colleges. Zijn bekendste werken die we nog bezitten, zijn de apologie
“Tegen Celsus” en het boek
“Grondbeginselen”.
Dit laatste is de eerste dogmatiek der christelijke kerk.
Origenes wilde een christelijke wetenschap bieden die als alomvattende
wereldverklaring gelijkwaardig naast en zelfs boven de systemen der
toenmalige wijsbegeerte zou staan. Dit stelsel moest uit de
bijbel
worden opgebouwd. De eenvoudige geloovige vindt het daar niet.
Hij
heeft met zijn geringere bevatting genoeg aan de letterlijke opvatting
van de bijbelinhoud. Maar de “wetende” steekt af
naar de
diepte en graaft met behulp der allegorische uitlegging de
verborgen wijsheid uit de Schrift. Origenes is de grootmeester der
allegorie. B.v. de ark van Noach is de ziel der geheiligden; de lengte,
breedte en hoogte er van zijn geloof, hoop en liefde; de reine
dieren stellen de hogere vermogens voor, de onreine de lagere,
noodzakelijke doch gevaarlijke driften enz. Het gebruik der allegorie
bij de bijbeluitlegging is er bijna steeds een teken van, dat
de
uitlegger de bijbel aan zijn eigen gedachten wil onderwerpen.
Zijn Stelsel
Met behulp der allegorie heeft Origenes uit de bijbel een machtig
stelsel opgebouwd. Oorsprong en doel van alle leven is de eeuwige
Vader, uit wie de schepselen door een reeks van eeuwige geboorten
(emanaties) tot aanzijn komen. De eerstgeborene is de Logos, het
beginsel aller redelijkheid, die van de schepping uit gezien God, van
den waren God uit gezien een schepsel is. Uit den Logos of Zoon komt de
Heilige Geest voort, het beginsel der heiliging. Deze Geest opent de
reeks der lagere geestelijke wezens, die naast de goddelijke natuur ook
een vrije wil hebben ontvangen. Deze wil hebben ze misbruikt door zich
van God af te keren. Als straf daarvoor en tevens als loutering zijn ze
daarom in de kerker der lichamelijkheid geketend. De engelen, die het
minst diep gevallen zijn, ontvingen sterlichamen. De demonen vielen het
diepst en wonen in de buitenste duisternis. Tussen hen in ligt de
wereld der mensen. De engelen strijden om dezen omhoog, de
duivelen om hen omlaag te trekken. Tot redding van de wereld verbond de
Logos zich met de enige ziel die niet gevallen was en verscheen in
menselijke gedaante op aarde. Hij bracht het heil voor alle graden van
geloof en kennis. De gelovige ziet in hem den verzoener en
verlosser, de wetende den verheven leraar die hij in zedelijkheid en
ascese navolgt. De hoogste trap wordt bereikt als de ziel van de mensen
op dezelfde wijze met den Logos verbonden wordt als de ziel
van
Jezus en zoo de vergoddelijking bereikt. Het historische is voor den
wetende slechts omhulsel en zinnebeeld. Wie vleugels heeft, heeft geen
krukken meer nodig. Wie op aarde den Logos niet heeft leren navolgen,
komt in de hel. Maar dat is slechts een tijdelijke louteringsplaats.
Want de geesten hebben goddelijke natuur en kunnen niet eeuwig verloren
gaan. Het eind is de wederoprichting aller dingen. Ook de duivelen
zullen zalig worden. Als allen tot God zijn teruggekeerd, zal de
geschiedenis van val en verlossing weer beginnen. Zoo herhaalt het
werelddrama zich in eeuwige wederkeer.
Beoordeeling
Hoe sober deze aanduiding ook moest zijn, de lezer gevoelt toch dat we
hier voor een grootse gedachtewereld staan. Hoe meer men er in
doordringt, des te dieper wordt de eerbied voor de machtige synthese
van christelijke en Grieksche motieven die hier bereikt is. Eenerzijds
is er geen theoloog Griekscher en filosofischer, andererzijds is
Origenes oo kals kenner en aanwender van bijbelse motieven en
gedachten ongeëvenaard. Hij is een even groot
biblicist als
platonist. Hij heeft de vorm geschapen waarin het Evangelie ook op de
grootste heidense denkers de bekoring ener machtige wijsheid
moest
uitoefenen.
Maar: deze synthese is voltrokken op de wankele basis der allegorie.
Daarom is ze slechts schijn, evenzeer als die der Gnostiek. In
Origenes is de kerk nog geen eeuw na de Gnostici op hetzelfde punt
gekomen als dezen, zij het ook in veel bijbelser en voorzichtiger vorm.
Maar ook van Origenes’ theologie moet gezegd worden: dit is
de
platonische tijdgeest in christelijk gewaad. Het historische
christendom is slechts grondslag en zinnebeeld voor de eeuwige
geschiedenis van God en de ziel. De overeenstemming tussen Origenes en
zijn grote tijdgenoot Plotinus, den schepper van het
neoplatonisme, is ook aan hun leerlingen al opgevallen. Alle
onbijbelsche leerstukken bij Origenes zijn van dit grondfeit
slechts een symptoom: het ontbreken van een grens tussen
Schepper
en schepsel, de eeuwigheid der schepping, de voor-stoffelijke val, de
beheersende tegenstelling tussen stof en geest, de verwerping der
toekomstverwachting, de toekomstige zaligheid aller schepselen.
Invloed
Het heeft lang geduurd eer de kerk dat besefte. Pas in 399 volgde een
veroordeling van Origenes. En tot vandaag toe staat onmiskenbaar het
stempel van zijn grote geest op de oosters orthodoxe
theologie.
Deze is ondanks Irenaeus en Athanasius nooit van Origenes losgekomen.
In zijn eigen tijd en de daarop volgende periode beheerste zijn
theologie grotendeels het leven der oosterse kerk. Juist aan zulk een
speculatieve opvatting der openbaring had men daar behoefte. De
christelijke kerk begon in deze streken bedenkelijk op een
filosofische school te gelijken. Zelfs werden de Openbaring van
Johannes en de realistische toekomstverwachting als
onchristelijk
bestreden. Het Origenisme werd als de theologie der verlichting
beschouwd. De meeste oosterse bisschoppen hingen haar aan, zij
het
ook meestal in een vervlakte vorm, waarbij datgene verworpen werd wat
al te duidelijk met de bijbel in strijd was: de eeuwige schepping, de
voor-stoffelijke val, de onlichamelijke opstanding. Dat was echter een
afslijping, geen loutering. In de gemeenten drong deze speculatie lang
niet algemeen door en stuitte vaak zelfs op verzet. Maar onder de
leiders gold deze verwereldlijkte theologie als de opperste
rechtzinnigheid.
De voornaamste vrucht van Origenes’ arbeid was wel, dat de
door
de apologeten en Tertullianus gepropageerde logosleer zich nu algemeen
als de zuivere leer wist door te zetten. We zagen dat deze leer de
oorsprong was van de Grieksche ideeën in het kerkelijke
denken.
Ook in die tijd werd dat door meerderen beseft. De leer dat in Jezus
een half-goddelijk wezen, de Logos, verschenen is, stuitte hier en daar
op heftige tegenstand. Van de geschriften dezer tegenstanders is weinig
of niets meer over. Daar heeft de kerk wel voor gezorgd. Toch kunnen we
ons van hun ideeën wel enig beeld vormen.
De tegenstanders van de
logosleer
De tegenstanders dachten aldus: als Jezus de verschijning van den Logos
is, dan is hij óf niet de verschijning van den waren God
óf er zijn twee goden. Beide opvattingen worden
door de
bijbel uitgesloten. De aanhangers van de logosleer hebben dit bezwaar
nooit bevredigend kunnen weerleggen. De tegenstanders sloegen bij hun
christologie dus geheel andere wegen in. Een der bekendste was de
bisschop van Antiochië, Paulus van Samósata, die in
268
door twee synoden is afgezet. Hij vatte het goddelijke in Jezus op als
een onpersoonlijke kracht, die in den historische Jezus als in een
tempel woonde. Jezus was met God niet verbonden door een wezenseenheid
maar door een in verzoeking en strijd verdiepte wilseenheid. Zijn rang
van Zoon Gods is de hoogste vorm der goddelijke inspiratie die b.v. ook
in de profeten werkte. Deze opvatting heeft veel weg van wat
wij
kennen als de vrijzinnige christologie. In deze vorm kon het geheel
eigene van Jezus tegenover alle andere mensen, waar het Nieuwe
Testament van uitgaat, niet tot zijn recht komen. Paulus werd afgezet
omdat hij er van beschuldigd werd, Jezus tot een gewoon mens te maken.
Een schijnbaar zuiverder weg sloeg Sabellius in, die omstreeks 220 in
Rome werkte. Volgens hem was Jezus de verschijning van den enige God
zelf. Vader, Zoon en Geest zijn drie namen, energieën,
“maskers”, van het ene goddelijke Wezen, dat zich
achtereenvolgens als de scheppende Vader, de verlossende Zoon
en
de levendmakende Geest openbaart. Het “God was in
Christus”
wordt door Sabellius in volle ernst genomen. Maar nu wordt het
goddelijke tot een onpersoonlijk iets achter zijn
openbaringsmaskers. Of God zinkt in Christus’
verschijning
weg in lijden en vergankelijkheid. Het Nieuwe Testament onderscheidt te
duidelijk den Vader en den Zoon als twee gelijktijdige onderscheiden
subjecten, dan dat deze theologische denkvorm zich in de kerk heeft
kunnen doorzetten.
Met deze en dergelijke tegenstanders voor ogen, verstaan we waarom de
logosleer in de loop der derde eeuw het aureool der rechtzinnigheid
wist te verwerven. Ook haar tegenstanders waren immers op een
dwaalspoor en daar maakten de voorstanders gretig gebruik van.
Bovendien waren de laatsten over het algemeen litterair veel begaafder
en ze polemiseerden in het besef dat hun opvatting en niet die der
tegenstanders strookte met de geest des tijds. Vooral echter waren ze
zich bewust, bijbelse waarden te verdedigen: tegen Paulus van Samosata
en zijn geestverwanten de wezensgelijkheid van God en Christus, tegen
Sabellius en de zijnen het onderscheid tussen beiden. Zoo scheen de
logosleer de hogere eenheid van de eenzijdigheden van haar bestrijders.
En toch waren met dat al de rechtmatige bezwaren der
bestrijders
niet weerlegd. Als Jezus een op aarde verschenen half-god is,
waar
blijft dan de eenheid Gods? En de goddelijkheid van Jezus? Hoe kan zulk
een wezen ons ooit met God verzoenen en tot God terugbrengen? Zodra
deze vragen binnen het Origenisme ernstig werden gesteld, zou moeten
blijken welk der twee tegenstrijdige componenten de sterkste was: zijn
bijbelse fundeering of zijn platonische inhoud. In het begin der vierde
eeuw zou de beslissing vallen, in de ariaanse strijd.
11. DE OUDE
KERK ALS LEVENSGEMEENSCHAP
Eén zijde van de oud-katholieke kerk is in de voorgaande
hoofdstukken slechts terloops ter sprake gekomen, en wordt in de boeken
over kerkgeschiedenis in het algemeen te stiefmoederlijk
behandeld. We bedoelen de wijze waarop de christenen het eigene van hun
geloof bewezen in de omgang met elkander en met de heidenen. Misschien
leren we daarin de echtheid en de levende kracht van het oude
christendom, alle verwereldlijking ten spijt, nog het beste
kennen. Want het gewone leven is daarvoor de beste toetssteen. En juist
in deze tijd, toen de gemeente nog een vervolgde of tenminste
verdachte minderheid in een heidense wereld was, kwam de
eigensoortigheid van haar leven klaarder aan de dag dan ooit nadien.
Bij alle zonde en zwakheid, die haar ook toen heeft aangekleefd, is
toch Paulus’ woord op haar van toepassing geweest:
“Onstraffelijk in het midden van een krom en verdraaid
geslacht,
onder welke gij schijnt als lichten in de wereld” (Phil.
2:15).
Het zedelijke peil
In een maatschappij waarop de schildering uit Romeinen 1 maar
al
te zeer van toepassing was, onderscheidden de christenen zich door hun
reinheid en eerlijkheid. Alle seksuele verkeer buiten het huwelijk gold
voor hen als volstrekt verboden; en daarmee natuurlijk ook de
veelvuldig voorkomende zonden van abortus, homoseksualiteit en
het
te vondeling leggen van kinderen. In de handel en in hun
omgang
met de heidenen hadden ze een afkeer van bedrog en leugen - een
opvallend verschijnsel. Ook toen de grenzen tussen kerk en wereld
verflauwden, bleef de christelijke zedelijkheid zich scherp van de
heidense onderscheiden. Wel waren er in die tijd ook vele edele
heidenen, die volgens ongeveer dezelfde zedelijke normen
wilden
leven als de christenen. Maar dat streven bleef beperkt tot enkelingen.
De christelijke kerk is de enige gemeenschap geweest, die met
haar
boodschap van verlossing, oordeel en eeuwig leven de massa des volks
tot andere zedelijke maatstaven heeft gebracht, en die ook de
onontwikkelden heeft geleerd “filosofisch te
leven”, zoals
dat toen heette. Terecht hebben de christenen telkens naar dit
opmerkelijke feit verwezen, om de waarheid en kracht van het Evangelie
te illustreren. En ook heidense denkers hebben de betekenis
van
dit feit erkend.
Het gezinsleven
Het huwelijk en het gezin waren bij de christenen zeer in ere, ook al
werd de ongehuwde staat door velen hoger gewaardeerd. Daardoor gold een
huwelijk zonder seksueel verkeer als heiliger, en werd in elk geval een
tweede huwelijk als minder gepast beschouwd. Huwelijken van
leden
der gemeente met heidenen werden natuurlijk afgekeurd, al
kwamen
ze toch vaak voor. De vrouw werd geeerd; ook in het kerkelijke
leven speelde ze een wel beperkte, maar toch belangrijke rol. Van de
echtgenoten werden trouw en liefde gevraagd. Echtscheiding was
verboden. Het doel van het huwelijk werd gezien in het voortbrengen van
kinderen. De kinderen moesten in het christelijk geloof en in eerbied
voor hun ouders worden opgevoed. Het gezin werd beschouwd als
een
godsdienstige eenheid. Deze opvatting gold natuurlijk niet, als een lid
van een gezin om zijn christelijk geloof met de andere leden in
conflict kwam. Dan moest men de breuk aandurven, en gold de regel:
“wie vader of moeder liefheeft boven mij, is mijn niet
waardig”.
Het bezit
Het bezit is een leen van God. Daarom werd het particuliere bezit in de
gemeente erkend. Maar het moet dan ook in dienst van God worden
besteed. De christen moet zich onderscheiden door eenvoud en soberheid
in zijn kleding, zijn eten en zijn huisraad. De weelde beschouwde men
met argwaan. Ze trekt den mens immers zoo gemakkelijk af van de
betrachting der geestelijke dingen. Wat men over heeft, geve men aan
degenen, die te weinig hebben. Het is de eer der gemeente
geweest,
dat niemand in haar midden armoe behoefde te lijden. Opvallend bij dit
alles is, dat men de kloof tussen armoede en rijkdom nooit heeft
beschouwd als een maatschappelijke ongerechtigheid, waartegen
de
kerk zich om des Evangelies wil te keren had. De mensen, niet de
toestanden, waren het voorwerp der christelijke leefregels.
De slavernij
Dat geldt ook voor de slavernij. Het kwam bij de christenen
niet
op, dat deze instelling zelf verkeerd zou zijn. Ook christenen hielden
slaven. En de christelijke slaven werden tot gehoorzaamheid,
eerlijkheid en geduld jegens hun meesters vermaand. Maar van de
christelijke heren werd geëist, dat ze hun slaven, vooral
natuurlijk hun christelijke slaven, menselijk zouden
behandelen.
En we kunnen wel aannemen, dat de behandeling door de christelijke
meesters in het algemeen gunstig afstak bij de grote
wreedheid,
die de heidenen meestal jegens hun slaven aan de dag legden. Maar het
geweldige nieuwe was, dat in de gemeente zelf geen grens tussen heren
en slaven werd erkend. “In Christus is noch dienstbare noch
vrije”. De christelijke slaven en slavinnen werden behandeld
als
de broeders en zusters van hun vrije geloofsgenoten, ja ook
van
hun christelijke meesters en vrouwen. Geen wonder, dat het Evangelie
juist op de slaven een grote aantrekkingskracht heeft
uitgeoefend.
Soms werden ze door hun meesters vrijgelaten, vaak werden ze door
geloofsgenoten losgekocht. Ook stonden alle kerkelijke ambten voor
hen.open. Zo waren de krachten werkzaam, die op de duur bij dieper
nadenken, tot opheffing van het instituut der slavernij
moesten
voeren.
Het openbare leven
Het was voor een ernstige christen moeilijk, om zich in het openbare
leven te bewegen. Want dit leven was bijna onlosmakelijk met de
heidense religie verbonden. Bij staatsfeesten, maar ook bij
familiesamenkomsten, werden offers gebracht, die den christen het
meedoen bijna onmogelijk maakten. Aan vele vormen van ontspanning kon
hij niet deelnemen. Gladiatorenspelen, dierengevechten,
worstelwedstrijden, wedrennen, dansen, toneelspelen enz. - bij dit
alles speelden naast de afgoderij ook de wreedheid en wellust zulk een
rol, dat een oprecht christen er zich niet kon vertonen. Om diezelfde
reden waren ook allerlei beroepen voor hem onaanvaardbaar, b.v.
gladiator, toneelspeler, soldaat, en alle vormen van staatsdienst, daar
ze het mee doen met de offers noodzakelijk maakten. De
militaire
dienst was voor den christen verboden, niet alleen wegens zijn
samenhang met bloedvergieten en oorlog, maar ook om zijn
verband
met de afgoderij (eed, militaire ceremoniën). Daarom verlieten
vele soldaten de dienst, als ze christen werden. Maar er waren
er
ook velen die bleven, en hun aantal werd steeds groter. Langzamerhand
ging men in het leger hun gewoonten ontzien. Ook op andere terreinen
stonden “rekkelijken” en
“preciezen” tegenover
elkaar. Lang niet ieder stond even afwijzend tegenover het openbare
leven als b.v. Tertullianus. En naarmate de christenen zich er
meer in bewogen, hield men meer rekening met hun gewoonten.
Liefdadigheid
Van de heerlijkste zijde leren we de oude gemeente kennen, als
we
letten op haar bewonderenswaardige werk der barmhartigheid. Meestal in
de dienst werden op de tafel des Heren de milde gaven der gelovigen
neergelegd, die dan door de diakenen werden verdeeld. Behalve tot
ondersteuning der ambtsdragers, werd het geld gebruikt voor
hulp
aan armen, weduwen, wezen, ouden, onvolwaardigen en gevangenen. Als een
arme werken kon, hielp de gemeente hem aan werk. Geloofsgenoten die van
elders kwamen of op de doorreis waren, konden rekenen op hartelijkheid
en gastvrijheid. Armen ontvingen een gepaste begrafenis.
Gevangenen werden opgezocht, van eten voorzien en, als dat mogelijk
was, vrijgekocht. De gemeente van Rome had omstreeks 250 niet minder
dan1500 ondersteunden! Wanneer men bedenkt dat het aantal
welgestelden onder de christenen in deze tijd in verhouding
nog
klein was, begrijpt men op welk een hoog peil de offervaardigheid
stond. Maar ook aan de heidenen bewezen de christenen barmhartigheid.
Bij volksrampen waren ze door hun opoffering en hulpvaardigheid een
lichtend voorbeeld temidden van het algemene egoïsme. Ook
onderling hielpen de gemeenten elkander. Vooral in de oudste tijd, toen
er nog geen officieel kerkverband bestond, stonden ze elkander met raad
en troost bij. Vervolgde, verarmde of getroffen gemeenten werden door
de andere ondersteund, ook als ze elkaar in het geheel niet kenden.
Geen wonder dat de onderlinge liefde der christenen algemeen bekend
was, en dat de heidenen plachten uit te roepen: “Zie, hoe zij
elkander liefhebben!”
Verpleging van zieken en uitwerping van duivelen
Een bijzondere vorm van barmhartigheid was de ziekenzorg. Reeds in de
oudste tijden was deze onder leiding van den bisschop georganiseerd.
Voor de verpleging maakten de “weduwen” zich
verdienstelijk, over wie reeds 1 Tim. 5 spreekt. Daaruit is in de
oosterse kerk het instituut van de diaconessen gegroeid. Maar vooral
bij de diakenen berustte de zorg voor de zieken, en zij hebben zich in
het algemeen voortreffelijk van hun taak gekweten.
In de ziekte werkt de duivel, maar vooral in de bezetenheid. In deze
tijd, waarin het geloof aan demonische machten veel sterker leefde dan
tegenwoordig, kwam bezetenheid veelvuldig voor.
Christus’
belofte (Marc. 16:17) is toen aan zijn gemeente vervuld. De vermelding
van Jezus’ naam en daden, gepaard met het gebed, bleek de
macht
te bezitten om de duivelse kwelling van de lijders te
verjagen. De
duivelbezwering geschiedde aanvankelijk door mensen, die deze
bijzondere gave des Geestes bezaten (exorcisten). Later werd en verwerd
de bezwering tot een beroep, waarin uit de aard der zaak veel zwendel
voorkwam. Dat neemt niet weg, dat deze gave in de oude kerk werkelijk
voorkwam.
Door al deze dingen bewees de kerk dat ze een eigensoortige
levensgemeenschap was, die een anderen Heer diende en andere
wetten volgde dan haar omgeving. En het is zeker dat deze
eigensoortigheid (die de keerzijde was van haar gehoorzaamheid aan
Christus) niet alleen de achterdocht en ergernis der wereld heeft
opgewekt, maar ook en nog meer een geweldige
aantrekkingskracht
heeft uitgeoefend en voor een groot deel de oorzaak is
geworden
van de snelle uitbreiding der gemeente. Dat spreekt te meer, daar
zending in onze zin des woords toen niet bestond. Meer dan in haar leer
en eredienst heeft de oude kerk in haar daad en leven het wezen van het
Evangelie aan de wereld geopenbaard. Ondanks haar dwalingen, was de
kracht des Heiligen Geestes in haar werkzaam. Daardoor is juist van
haar leven der liefde een wervende en zegenende invloed tot haar
heidense omgeving uitgegaan.
12.
KERK EN WERELD: DE GROOTE OMKEER
Uitbreiding
Vooral in de derde eeuw heeft de kerk zich zeer snel
uitgebreid.
Dat was geen resultaat van georganiseerde zendingsarbeid, maar
ging haast ongemerkt. De christenen moesten in hun omgeving wel
opvallen, niet alleen door hun ergerlijke afwijzing van de oude
godsdienst, maar ook door hun zedelijk leven, hun broederlijke liefde
en hun moedige doodsverachting. Dat wekte eerbied en de wil tot
aansluiting. Omstreeks 180 waren er overal rondom de
Middellandse
Zee christelijke gemeenten. Terzelfder tijd drong het
Evangelie
door in Germanië, Brittannië, Spanje en
Armenië. In de
volgende eeuw ook in het Donaugebied, Perzië en
Indië.
De christenen vormden een sterke minderheid in het rijk. De meesten
behoorden tot de lagere standen der stadsbevolking. En het zwaartepunt
der kerk lag nog steeds in het Oosten, vooral in Klein-Azië.
De groeiende kerk betekende tegelijk een groeiend politiek probleem.
Het massale rijk immers vormde noch nationaal noch cultureel een
eenheid. Het dreigde uit elkaar te vallen zoo geen bovenpolitieke
godsdienstige macht alle burgers tesamen bond. De alom levende gedachte
dat alle goden slechts namen zijn voor de ene godheid en dat deze zich
ook in den keizer openbaart, vormde een welkome grondslag voor een
algemene staatsgodsdienst: één God,
één Rijk, één keizer. Maar
de kerk vormde
een staat in de staat. Ze trad op met de pretentie, dat alleen zij den
waren God kende en aanbad. Ze weigerde zich in de algemene godsdienst
te laten inschakelen. We zagen reeds dat de staat haar lange
tijd
tamelijk wel haar eigen gang liet gaan, ondanks incidentele
vervolgingen. Maar de toestand van het rijk werd steeds hachelijker.
Blijkbaar bleef ondanks alle goede wil, de toorn der goden er op
rusten. De enige verklaring hiervoor scheen het feit, dat een grote en
hecht georganiseerde groep burgers hardnekkig weigerde de
voorgeschreven offers te brengen. Er schenen maar twee
mogelijkheden te zijn: of gelijkschakeling of vernietiging der
kerk. Haar onverdraagzaamheid en aanspraak op absoluutheid
moest
gebroken worden.
Nieuwe vervolgingen
Dat is het doel geweest van de vervolgingen sinds keizer Decius
(250-251). Deze verschilden principieel van alle vroegere. Het ging er
nu niet meer om, het patriotisme van een groep te toetsen, maar de
gunst der goden te herkrijgen en de toekomst van de staat te
verzekeren. De vervolgingen strekten zich nu over het geheele rijk uit.
Ook alle leeken werden voor de offerplicht gesteld. Het
behoeft
niet te verwonderen dat -groote scharen afvielen of tegen betaling een
bewijs van den ambtenaar kregen, dat ze geofferd hadden(!).
Opmerkelijker is, dat zoovelen ondanks ondraaglijke martelingen bleven
weigeren. De vervolging is gestrand op deze kern der kerk, of
liever: op de trouw waarmee Christus de zijnen in alle
aanvechting
vasthield. Daar bestond geen middel tegen. Om dezelfde reden
mislukte de vervolging onder Valerianus (257-258). Ook nu was het
alleen de kerk, die er bij won. Weldra meldden de stroomen van
berouwvolle afvalligen zich weer aan haar poorten, haar geloofsmoed was
gelouterd en verdiept, en in de nu volgende tijd van rust groeide ze
als nooit te voren en drong het Evangelie veel meer dan vroeger ook aan
het hof, in het leger en in de hoogere standen binnen.
Met dat al werd het probleem kerk-staat al nijpender. Steeds
duidelijker bleek dat er maar twee mogelijkheden waren: óf
de
staat vernietigt de kerk óf hij wordt een christelijke
staat.
Langs de eerste weg heeft Diocletianus het nog eenmaal
tevergeefs
gepoogd; Constantijn de Groote ging de tweede weg en schonk zoo aan
staat en kerk beide een nieuwe toekomst.
Diocletianus
De vervolgingen onder Diocletianus en zijn opvolgers (303-311) worden
in heel de kerkgeschiedenis hoogstens door die in Rusland
geëvenaard. In naam van de godsdienstige en politieke
rijkseenheid werden ontelbaren verbannen, gefolterd, verminkt of
gedood. Het is de zwaarste vuurproef der kerk geworden. Maar ze is niet
ondergegaan. Dezelfde kerk, die in haar cultus en leer reeds zozeer
voor de geest der wereld was gezwicht, heeft niet versaagd op het punt
van de offerdwang, het punt, waar God haar haar tegenstelling
met
de wereld duidelijk te zien gaf. Bij alle kritiek op de oude kerk mogen
we dit nooit vergeten. Galerius, de opvolger van Diocletianus, zag op
zijn sterfbed het vruchteloze der vervolging in en beval deze
te
staken (311). Maar in de nu volgende strijd om de
troonopvolging
werd dit nog niet algemeen doorgevoerd.
Constantijn
Het beslissende ogenblik voor de kerk brak aan in 312, toen de jonge
Constantijn zijn mededinger Maxentius bij Rome versloeg en daardoor
heer van het Westen werd. Kort daarop wist zijn zwager Licinius de
macht over het Oosten aan zich te trekken. Beiden vaardigden in 313 het
besluit van Milaan uit, waarbij de kerk onbeperkte vrijheid van
godsdienst ontving en zelfs de teruggave of vergoeding van het
afgenomen bezit. Dit besluit had wereldhistorische betekenis.
Officieele vrijheid had de kerk nog nooit gehad.
En na deze bloedige vervolging en gezien de behoefte van de staat aan
godsdienstige eenheid en steun, betekende dit nog veel meer. Van nu af
gaat de staat in de onoverwinbare kerk de garant voor zijn eigen
bestaan zoeken. De ontwikkeling is niet meer tegen te houden;
het
loopt op de staatskerk uit. De omkeer is plotseling, maar logisch. Als
de tegenstander te machtig is om vernietigd te worden, maakt
men
hem tot vriend. En ook de kerk zelf met haar aanspraak op absoluutheid,
kan niet berusten in vrijheid zonder meer. De vrijheid werd weldra
begunstiging (erfrecht, geld voor kerkbouw, zondagswet); vooral toen
Constantijn in 324 Licinius versloeg en alleenheerser werd. Stuk voor
stuk werden de symptomen van het officieele heidendom afgeschaft en het
eind was de proclamatie van de staatskerk door keizer Theodosius in 380.
Hoe kwam Constantijn tot deze plotselinge wending in de rijkspolitiek?
De kerk heeft hem hierom hoog verheerlijkt en de oorzaak gezocht in
zijn vroomheid en godsvrucht. Bekend is het verhaal dat hij vlak voor
de slag tegen Maxentius een lichtend kruis in de lucht zag met
daaromheen de woorden: “overwin hierdoor”. Maar de
waarheid
van dit verhaal is hoogst twijfelachtig. Geen wonder dat er een geheel
andere beschouwing opkwam, die in Constantijn alleen maar een
berekenend politicus zag, die de kerk alleen om eigen voordeel
begunstigde. De uitingen van zijn christelijke overtuiging
zouden
dan alleen maar zijn huichelarij bewijzen. Maar ook deze beschouwing is
in strijd met de ons bekende feiten. Integendeel, alles wijst er op,
dat Constantijn omstreeks 312 een overtuigd christen is geworden. Hij
kwam uit een christelijk gezin, met eigen ogen had hij de
onoverwinbaarheid van den God der christenen gezien tijdens de
vervolgingen, aan dezen God schreef hij zijn militaire
successen
toe. Hij was met een sterk voorzienigheidsgeloof en roepingsbewustzijn
vervuld. Hij wist zich een middel in Gods hand om Zijn plan uit te
voeren en Zijn kerk te verheffen. Wel liet hij zich pas op zijn
sterfbed dopen, maar dat deden zeer velen, uitgaande van de gedachte,
dat bij de doop slechts de voorafgaande zonden worden
vergeven. En
zijn wreedheden en karakterfouten bewijzen niet dat hij een huichelaar
was, maar dat leer en leven - zoals in elk christenleven - elkaar lang
niet altijd dekten. Maar hoe Constantijn ook persoonlijk tegenover het
Evangelie stond - zijn daad heeft voor de kerk verstrekkende betekenis
gehad. Een nieuwe tijd is aangebroken. En deze tijd duurt nog voort.
Eerst de laatste jaren laten ons verschijnselen zien, die de vraag
wettigen of deze tijd misschien aan het aflopen is en de begunstigde
kerk weer de vervolgde kerk zal worden.
13. DE
STAATSKERK
De verchristelijkte wereld
We merkten al op dat het in het wezen der kerk ligt op
gesloten
dat staatkundige vrijheid op zichzelf voor haar niet het laatste kan
zijn. Ze wil het gezag der openbaring ook in staat en maatschappij doen
gelden. Dat strookte met de wens van Constantijn, die een nauwe band
tussen kerk en rijk beoogde. Daartoe bond hij de strijd aan allereerst
tegen de christelijke gemeenschappen buiten de katholieke
kerk:
Marcionieten, Montanisten, Novatianen enz. Het doel werd eerst na lange
jaren en nog slechts gedeeltelijk bereikt. Het heidendom liet
hij
wijselijk voorlopig nog begaan. Hij wist dat een onmerkbare
kerstening meer bereikt dan dwang.
Deze wijsheid ontbrak aan zijn zonen, die hem opvolgden. Dezen lieten
de tempels sluiten en verboden de offers. Van de uitvoering schijnt
niet veel te zijn gekomen. Het heidendom was nog te taai. Deze
maatregelen betekenden een uiterlijke, aan het wezen der kerk
vreemde hulp om haar geestelijk gezag aan de maatschappij op
te
leggen. De reactie bleef niet uit. In het werk van keizer Julianus
(361-363) trachtte de hoogste vorm van het heidens godsdienstig denken,
het neo-platonisme, de rol terug te winnen die de kerk haar ontnomen
had, de rol van leidsvrouwe der rijkscultuur.
Julianus was christelijk opgevoed, maar filosofie en litteratuur hadden
bij hem een romantische geestdrift gewekt voor de wereld der heidense
cultuur. Hij wilde, Plato’s ideaal verwerkelijken, een staat
van
wijzen stichten. Oorspronkelijk was hij nog verdraagzaam jegens de
kerk, maar de tijd voor zulk een houding was voorbij. In een steeds
bitterder strijd trachtte deze idealist het studeerkamerproduct van een
heidens-humanistische tegenkerk tot leven te brengen. De grote massa
begreep hem niet, de christenen haatten hem. Hij leefde een eeuw te
laat. Hij stierf tijdens een overmoedig aangevangen veldtocht tegen de
Perzen. De loop der dingen was niet te stuiten. In 380 vaardigde
Theodosius de Grote met zijn medekeizer een godsdienstedict uit,
waarbij alle onderdanen des rijks verplicht waren het
katholiek
geloof aan de drieëenheid in overeenstemming met de
bisschoppen
van Rome en Alexandrië aan te hangen. De rechtzinnigheid wordt
staatsplicht en heidendom een politiek vergrijp. De toestand van 80
jaar tevoren is precies omgekeerd! Maar tot grote schade van het
geestelijk gezag der kerk, dat door zulke wetten niet gesteund maar
geschonden wordt. Het geloof is geen staatszaak. Een kerk, die meer wil
zijn dan begunstigde kerk, wil in werkelijkheid minder.
Tempelbestormingen waren het gevolg. Het heidendom moest zich uit de
openbaarheid terugtrekken, zonder echter te verdwijnen. Ondanks alles
bleef het christendom slechts een dun vernis. Alleen op het gebied van
milddadigheid en barmhartigheid droeg het schone vruchten. Voor de
verchristelijking der wereld heeft de staatskerk weinig betekend.
Helaas zooveel te meer voor de verwereldlijking van het christendom.
Na Theodosius’ dood viel het rijk in een oostelijke en
westelijke
helft uiteen. Het Westen werd in de vijfde eeuw (definitief 486) een
prooi der invallende germanen. Het werd in een reeks germaanse staten
opgelost. Het Oosten wist zich veel langer te handhaven. Justinianus
(527-565), de organisator van het recht en de bouwer van de
Hagia-Sophia-kerk, voltooide de staatskerk: de kerk is volledig aan den
keizer als haar hoofd onderworpen en ontvangt tegelijk als zijn
dienares hoge eer (byzantinisme, caesaropapisme). Na zijn dood
brokkelde het rijk af, tot de machtige stortvloed van de Islam in de
zevende en achtste eeuw het tot een nietig stuk rondom Constantinopel
beperkte. De Mohammedanen duldden meestal het christendom.
Desondanks bleven van de machtige staatskerk slechts kleine resten
over. Door aardse macht kan de kerk noch vernietigd noch in het leven
gehouden worden.
De verwereldlijkte kerk
Terwijl de nieuwe band tussen kerk en staat voor de christianisering
van het openbare leven slechts weinig betekend heeft, betekende ze een
zware verzoeking voor de kerk zelf, die maar al te gretig het
oppertoezicht van den keizer in haar eigen zaken erkende in ruil voor
gunst en aanzien. Vroeger was het christen-worden een daad van moed, nu
werd het voor velen een zaak van berekening. De weg naar eer en hoge
ambten ging niet meer langs het keizer-altaar maar langs het doopvont.
De kerk wilde en kon de stroom van nieuwe leden niet weigeren, maar ze
kon hen ook niet op slag bekeren. Integendeel: wanneer de
wereld
kerks wordt, betekent dit dat de kerk werelds wordt. Sinds 313 staan de
kerkdeuren wijd open voor de natuurlijke heidensche levensbeseffen en
hun uitdrukkingsvormen, die nu christelijk vermomd blijven voortleven.
Het minste is nog de pracht en praal die zich steeds breder maakt, ook
in het officieele leven der kerk: luxueuze ambtskleeding, kaarsen,
wierook, weidse architectuur, plechtige processies. Erger is de
grof-realistische wijze waarop de heilige voorwerpen, vooral de
sacramenten, worden beschouwd. Dit heidendom was al ouder in
de
kerk maar woekerde nu steeds verder door.
En vooral: nu begint de verering van heiligen, engelen en Maria, van
beelden en reliquieën. Ook hier bood het verleden wel
aanknoping,
maar de onbijbelse grensoverschrijding wordt nu pas ten volle
zichtbaar. De gedoopte heiden heeft zijn vele goden voor dit en voor
dat verloren; maar in de kerk krijgt hij ze terug in de vorm van
heiligen en engelen. Zijn verering van beelden en heilige
voorwerpen kan hij daar in iets andere vorm voortzetten. De feestdagen
der oude goden en helden blijven bestaan, maar worden nu aan heiligen
gewijd. De vérering van vrouwelijke godheden wordt
op Maria
overgedragen. Naast het feit dat zij de “moeder
Gods” mag
heten en daarin de reddende antipode van Eva schijnt, zoals
Christus het van Adam is, heeft het erotisch sentiment van de
Astarte en Venusdienst haar verering spoedig tot hoge bloei
gebracht. Alles tezamen genomen heeft bij de verbroedering van
kerk en wereld de laatste zich krachtiger getoond dan de eerste.
Een ander gevolg was dat naast de openbare kerkelijke boete, die onder
de nieuwe omstandigheden praktisch een publieke vernedering werd, nu de
private biecht opkwam en de boete langzaamaan verdrong. De biecht kan
uiteraard een veel breder terrein bestrijken en veel dieper werken dan
de boete.
Organisatie
De kerk moest de steun van de staat worden. Daartoe was een krachtige
kerkelijke leiding nodig. Zooiets bestond tot nu toe
nauwelijks.
Alle bisschoppen hadden in beginsel even groot gezag. Nu plaatst de
keizer zich aan het hoofd, als de hoogste rechter en wetgever. Voor
beslissingen, die de gehele kerk raken, roept hij uit alle delen van
het rijk het oecumenisch concilie samen. Constantijn heeft dat in 325
voor het eerst gedaan. De keizer zorgde voor het uitvoeren der
besluiten. Ook de provinciale synoden kregen in deze nieuwe
situatie steeds meer de allure’s van hogere besturen, in
plaats
van meerdere vergaderingen, zoals ze tot nog toe waren. De
oude
kerk was een geestelijke eenheid van gelijke gemeenten en
bisschoppen. De staatskerk wordt een centraal georganiseerd
rechtsinstituut. Natuurlijk ging alles niet ineens. Maar het was voor
den bisschop van Rome een goede tijd om in het Westen zijn gezag te
verstevigen. En in het Oosten gingen de patriarchen van de grote steden
zich steeds meer als hoogste kerkleiders gedragen. De dogmatische
strijd uit deze eeuwen is voor een groot deel een concurrentiestrijd
geweest tussen de patriarchen van Constantinopel en Alexandrië.
Het Monnikendom
Christelijke asceten, die zich bijzondere lasten oplegden, letterlijke
vervulling van Jezus’ eisen over de navolging, zijn
er
altijd geweest. Maar het was een meer individueel
verschijnsel, en
zulke mensen bleven in de gemeente. Pas omstreeks 300 komt in Egypte
het verschijnsel op van de eremieten of anachoreten: de kluizenaars,
zoals de beroemde Antonius, die in de woestijn de verleidingen
der
wereld ontvluchten. Spoedig begonnen ze in kolonies samen te leven; en
omstreeks 320 ving een zekere Pachomius aan, dit samenleven aan vaste
en overal geldende regels te binden. Zo ontstonden in Egypte de
kloosters. Deze nieuwe vorm der christelijke ascese breidde zich in het
Oosten zeer snel uit, en sinds 370 ook in het Westen. En tot vandaag
toe is het kloosterleven een verschijnsel van grote christelijke en
culturele betekenis gebleven.
De kloosterbewoners doen afstand van luxe, bezit en huwelijk, om door
een leven van vasten en onthouden zich te beter te kunnen wijden aan
gebed, contemplatie, godsdienstoefening en Schriftstudie.
Betekende dit oorspronkelijk een vlucht uit de wereld, lang is dat zoo
niet gebleven. De band tussen kerk en klooster werd steeds nauwer
aangehaald. Het voorbeeld van de monniken en nonnen leidde
vaak
tot verdieping der volksvroomheid. Zij hebben het liturgisch
leven
verrijkt, theologische invloed geoefend, filantropisch en
cultureel werk verricht. De hoge vlucht van het kloosterleven is een
teken van de zuigkracht der wereld in de kerk; tegelijk echter
hebben de kloosters een dam tegen de verwereldlijking
opgeworpen.
De monniken en nonnen werden de kernen en voorbeelden der kerk, de
stoottroepen in de strijd, die de gemeente met de boze geesten te
voeren heeft.
Er zit ook een andere kant aan. In de meer beschouwelijke oosterse kerk
heeft het monnikenleven zijn heidense wortel nooit verloochend. Deze
ascese is te platonisch; ze gaat uit van de tegenstelling tussen
lichaam en geest, van een onbijbels dualisme. Daarom is niet het leven
des geloofs, maar de van het geschapen leven afgewende mystiek
en
speculatie voor haar de hoogste vroomheidsvorm. In het Westen
daarentegen is het monnikendom onlosmakelijk verbonden met de gedachte
dat deze bijzondere toewijding een bijzondere
verdienstelijkheid
meebrengt. Door deze verdiensteleer wordt alle monnikenwerk een
verijdeling van het kruis van Christus. Zo wordt de zonde veruitwendigd
en daartegenover in eigen werk de vrede met God gezocht. Luther, die
zijn zondige aard aan de maatstaf van de bijbel had leren meten, moest
door het monnikenleven wel tot vertwijfeling komen. Ook is dit
zogenaamde hogere leven vaak in zijn tegendeel omgeslagen, tot
een
leven van luiheid, zatheid en onkuisheid. Het leven midden in de
geschapen en gevallen wereld met bezit en huwelijk is niet alleen een
verzoeking, maar kan ook een bewaring betekenen. Overigens
hebben
juist de westerse kloosters, waar men minder de bespiegeling dan de
arbeid zocht, voor de theologie en voor de cultuur een
onschatbare
betekenis gehad, die we verderop telkens zullen moeten vermelden. Over
het monnikenwezen is geen eenduidig oordeel te vellen. In zijn
bestaan en toestand is het een symptoom van het leven der
kerk;
daarom heeft het zoowel aan het evangelisch bestand der kerk deel als
aan haar dwalingen.
14. DE STRIJD
OVER DE WEZENSEENHEID VAN DEN VADER EN DEN ZOON
De bekering der kerk
De ontwikkeling der kerkelijke theologie is ten allen tijde
vreemdsoortig geweest. Zoals het leven van den individuele christen
niet is een rechtlijnig voortschrijdende heiligmaking maar daarin
bestaat, dat hij telkens weer uit de afdwaling en ongehoorzaamheid
teruggeroepen wordt tot het Woord, zo is ook de kerk in haar kennis van
het heil niet trapsgewijze opgestegen, maar tot de ware kennis telkens
weer uit de dwaling teruggeroepen. Haar hoogtepunten waren de
tijden harer bekering. Omdat de Geest in haar woont, zijn haar zulke
tijden telkens weer geschonken. In meerdere of mindere mate belichamen
de figuren van Irenaeus, Athanasius, Augustinus, Luther en Calvijn
zulke hoogtijden der bekering. De vierde eeuw is in theologisch opzicht
zo’n tijd geweest. De geest van Origenes beheerste
de kerk,
die een wijsgerige school was geworden, de hoedster van de meest
redelijke wereldbeschouwing. Jezus bekleedde daarin de plaats
van
een op aarde verschenen halfgod, den “Logos”, den
“tweeden God”. We hebben dat eerder
besproken.
Men zou nu denken dat de overwinning van Constantijn, die in zovele
opzichten de poort openzette voor de verwereldlijking der kerk, ook de
alzijdige zege van dit kerkelijk modernisme zou brengen. De tijd was er
rijp voor. Daarom is het een wonder in onze ogen, dat juist het
omgekeerde gebeurde. Deze tijd bracht de grote afbraak van het
Origenisme en op het centrale punt de breuk van de theologie met het
grieksch-wijsgeerig denken. Een bevredigende verklaring is
daarvoor niet te geven. Het is een genadig teken van de waarheid, dat
de Heer ook midden in de verzoekingen Zijn kerk vasthoudt en leidt.
Telkens trekt zich het geloof op één beslissend
punt
samen, op de houding tegenover het keizeroffer of een bepaalde formule
of wat ook: en telkens ook wordt er midden in de dwaling een gehoorzame
kerk gevonden.
Arius en Alexander
De alexandrijnse presbyter Arius geraakte in het jaar 318 met zijn
bisschop in conflict om zijn krasse uitspraken over Christus. Als
wijsgerig en bijbels geschoold man verwierp hij alle veelgodendom. En
hij begreep dat het gangbare origenistische spreken over den
“tweeden God”, den halfgod, een
tegenspraak in
zichzelf is. Als er maar één God is, dan is Jezus
óf die God zelf (maar die gedachte verwierp hij als
wijsgerig
ongerijmd) óf hij is niet God, dus een schepsel.
Een
tussenweg is er niet. Daarom leerde hij als consequent
monotheïst,
dat de Zoon een schepsel is, wel het hoogste schepsel en de
eerstgeborene aller creatuur, maar die toch als geworden aan onze zijde
staat en niet aan de zijde van den ongeworden God. Dit hoogste schepsel
is als leraar en voorbeeld op aarde verschenen, waarna hij
goddelijke eer ontving als loon op zijn vrijwillige
gehoorzaamheid
in het aardse leven. Arius poogt nog, dit schepsel te tooien met de
bijbelse namen van den Zoon, maar zijn leer wordt daar niet beter van.
Integendeel: dat brengt hem tenslotte nog in de richting van
het
tweegodendom, die hij juist wilde vermijden.
De bisschop van Alexandrië, Alexander geheten, gevoelde
evenals
velen met hem, dat de leer van Arius de opheffing van het Evangelie
betekende. Als Christus slechts een schepsel is, dan kan zijn
menswording nooit een werkelijke openbaring en verlossing Gods
betekenen. Tegelijk gevoelde hij het dwingende van het alternatief: als
er één God is, dan is Jezus deze God of een
schepsel.
Alexander koos nu beslist het eerste en greep in zijn bestrijding.van
Arius terug op de beteekenis van “Logos” in
Johannes 1 en
bij Irenaeus. De Logos is niet een tussenwezen tussen God en de wereld,
maar “bij God en zelf God”. Hij is als de Zoon
volstrekt
één met den Vader. Daarom kan hij in zijn
menswording ons
tot God verlossen. Toch handhaafde Alexander, dat de Vader en de Zoon
twee wezens zijn, en zoo stond hij bloot aan het verwijt dat hij een
tweegodendom leerde of, alhoewel hij dat ontkende, dat hij in het spoor
van Sabellius ging. Maar ondanks de onduidelijkheid, was het
bijbels geheimenis van Jezus de Zoon van God in Alexanders formulering
oneindig veel dichter benaderd dan in de spitsvondige constructies van
Arius.
Het concilie van Nicaea
Dit conflict betekende de crisis van het Origenisme. Daarom breidde het
zich snel uit door de oostelijke kerk. De strijd voor of tegen Arius
werd zo heftig, dat hij ook Constantijns aandacht trok. De keizer had
in zijn plan een hechte eensgezinde kerk nodig, en trachtte
dus de
twistenden te verzoenen. Toen hij inzag dat het geschil veel dieper
ging dan hij eerst had aangenomen, besloot hij een concilie
bijeen
te roepen uit alle delen des rijks, om door middel daarvan het geschil
op te lossen en de kerkelijke éénheid te
consolideeren. De concilies zijn een door de kerk gaarne
aanvaarde
keizerlijke uitvinding geweest; en daarmee tevens de
instrumenten
der keizerlijke kerkpolitiek.
In het noordwesten van Klein-Azië, in de stad Nicaea, kwam in
325
het concilie tezamen. Er waren 250 tot 300 deelnemers. Aan de tactiek
van den keizer en zijn raadgevers is het kunststuk te danken, dat daar
een formule werd gevonden die allen min of meer bevredigde, waardoor na
de veroordeling van Arius en een enkelen medestander, de
strijd
beslecht scheen. Allen werden het er namelijk over eens, dat de Zoon
“homo-ousios” is met den Vader. Strikt genomen
beteekende
dit woord “van hetzelfde wezen”, maar Constantijn
wist het
te hanteren als een alzijdig interpreteerbare formule, waar
tenslotte ieder zijn eigen gedachten in kon terugvinden. Het drukte
slechts uit, zo verzekerde de keizer, dat de Zoon met den Vader
verwant is. Dat had ook Arius nog wel kunnen onderschrijven!
Maar
het ging om rust en eenheid. En daarvoor was zowel een vage formule als
Arius’ veroordeling nodig. Nicaea belichaamt waarlijk niet de
fiere belijdende kerk, zoals men het zich graag voorstelt. Daar
regeerde het compromis. En toch: dit kwade heeft moeten medewerken ten
goede. De homo-ousiosformule, bedoeld als slaapmiddel der
kerk, is
jaren daarna in de handen van Athanasius het dynamiet geworden dat de
grieksch-christelijke synthese verbrijzelde. Dit ledige woord
heeft tenslotte de kracht van zijn oorspronkelijke inhoud aan
de
geesten weten op te leggen, en is zo tegen de bedoeling der uitvinders
in, de klare belijdenis der kerk geworden over den Zoon Gods.
De strijd van Athanasius
Maar voorlopig was het zover nog niet. Toch was de Athanasiusstrijd met
Nicaea ook niet beëindigd. Want het ging helaas niet alleen om
waarheid; het was ook een strijd om macht. De leider der
links-origenisten was Eusebius van Nicomedië, een groot vriend
van
Arius, die weldra bisschop van Constantinopel werd. Zijn strijd tegen
den bisschop van Alexandrië was tegelijk een strijd om de
vraag,
wie de leidende patriarch zou worden in het oostelijk deel der kerk.
Deze vraag werd de enige inzet van de strijd, toen de jonge energieke
Athanasius in 328 Alexander als bisschop van Alexandrië
opvolgde.
Eusebius en de zijnen hadden er alles op gezet, om hem door de laagste
leugen en laster bij den keizer verdacht te maken. Eindelijk bereikten
ze hun doel. In 335 werd Athanasius naar Trier verbannen. Van toen af
is zijn leven een dramatische aaneenschakeling van verbanning,
terugkeer en vlucht geweest. Ook hem was persoonlijke eerzucht
allerminst vreemd. Maar tegelijk zat de zaak der wezenseenheid van den
Vader en den Zoon hem hoog, en met bitterheid zag hij hoe door zijn
persoonlijke nederlaag ook deze zaak door de ariaanse ketterij werd
neergeslagen. Heel zijn onbuigzame persoonlijkheid heeft hij
in
een jarenlange uitzichtloze strijd ingezet, om met machtige
ééntonigheid deze waarheid in zijn
hartstochtelijke
pamfletten aan de kerk in te hameren: dat de Zoon geen schepsel is, ook
geen halfgod of tweede God, maar dat Hij in alle dingen volkomen met
den Vader één is en dat zij samen in deze eenheid
de
enige God zijn. Heel zijn arbeid stond in dienst van deze
éne
gedachte. Een bepaalde formule had hij niet; de verdachte term
“homo-ousios” vermeed hij voorlopig. Het ging hem
ook niet
om abstracties, maar om de waarheid dat wij in de menswording
van
den Zoon door Godzelf tot Godzelf verlost worden.
Door zijn beslist optreden werd achter de concurrentiestrijd de
beginselstrijd weer zichtbaar. Rome schaarde zich aan zijn
zijde,
maar de tegenstanders waren machtig en veel. Na 340 komt een
eindelooze reeks van synode’s, een vaak met de kleinste
middelen
gevoerde strijd der beide richtingen. Het dieptepunt was de
tijd
toen Constantijns ariaansche zoon Constantius alleenheerser was
(353-361). Athanasius was gevlucht; ook Rome gaf onder politieke druk
toe. Constantius drong aan de kerk de formule op, dat de Zoon
is
“gelijkend op” (homoios) den Vader. En dat
verschilde
in deze situatie niet veel van de leer der nieuw-arianen, die
proclameerden dat de Zoon “niet-gelijkend
op”
(an-homoios) den Vader is. De zaak waar Alexander voor gestreden had,
de vooronderstelling van het bijbels verlossingsevangelie, scheen
verloren.
Maar in dit dieptepunt werd een nieuwe wending geboren. Allereerst
greep Athanasius nu terug naar het homo-ousios, en stelde dit in zijn
eigenlijke betekenis als beslissing der kerk te Nicaea, tegenover de
dwaalleer zijner tegenstanders. Hij kwam op voor de strikte betekenis:
de Zoon is van hetzelfde wezen met den Vader, beider wezen is identiek.
Wel erkende hij dat er ook een onderscheid tussen Vader en Zoon is,
maar hij had geen woord om de twee-heid te karakteriseren. Alles kwam
hem op de eenheid aan. Zoo moest hij de verdenking van Sabellianisme op
zich laden, maar dat wees hij nadrukkelijk af. Alleen: hij
stond
aan de grens van het mysterie. De tweeheid erkennende, kwam hij met
alle hartstocht voor de eenheid op. Geen evenwichtige formule kon het
mysterie der tweeheid-en-eenheid omvatten.
Terzelfder tijd werd een groep der Origenisten, die het altijd
allereerst om de tweeheid te doen was, steeds meer afgeschrikt door het
radicalisme hunner geestverwanten. Want ze wilden de tweeheid
allerminst als een scheiding opgevat zien. Ze kregen steeds
meer
begrip voor Athanasius’ strijd voor de eenheid van Vader en
Zoon.
Hij was hun echter te radicaal. Dus smeedden ze een nieuwe formule:
Vader en Zoon zijn “homoi-ousios”, “van
een gelijk
wezen”. Het zijn twee zelfstandigheden, doch geheel
wezensgelijk. Strikt genomen, betekende dit van
Athanasius’
inzicht uit, een stap terug. Nu kwam de eenheid Gods weer in gevaar. De
tweeheid van God en den Logos werd weer op origenistische wijze het
uitgangspunt, en de eenheid het onformuleerbare mysterie. Maar deze
zgn. “NieuwNicaeners” hadden veel geleerd.
Ze
trachtten alles te vermijden wat den Zoon weer een lagere God kon doen
schijnen. Doch ze wilden de niceaanse orthodoxie
wetenschappelijk
funderen. Van een andere kant komende, bedoelden ze hetzelfde
als
Athanasius. Zij kwamen van de drieheid tot de eenheid, Athanasius
omgekeerd. Uit hun kring stamt het schone woord: “Zodra ik de
eenheid zie, word ik door de drieheid omschenen; zodra ik de drieheid
onderscheid, wordt ik tot de eenheid teruggevoerd”
(Gregorius van Nazianze). Zo kon het wonder zich voltrekken,
dat
de Athanasianen en de Nieuw-Nicaeners, toen ze door
Constantius’ dood uit de gemeenschappelijke druk bevrijd
waren,
op de synode van Alexandrië in 362 elkaar de hand reikten. Het
diepgaande verschil ontging Athanasius niet. Maar hij erkende dat het
toch om dezelfde zaak ging; het beste bewijs dat het hem niet
om
formule’s maar om de daardoor uitgedrukte
werkelijkheid
ging. Van af dat ogenblik vormen deze theologieën in hun
twee-eenheid het getuigenis van de ongrijpbaarheid van het mysterie. In
deze beide vormen wordt met verschillend accent de drieheid in de
eenheid en de eenheid in de drieheid geloofd.
We wisselden reeds het woord “tweeheid” door
“drieheid” af. Want in de loop van de strijd had
Athanasius
de consequentie uit zijn inzicht getrokken en begrepen, dat
het
“homo-ousios” ook gold voor den Heiligen Geest, die
tot nog
in de theologie een zeer onzekere plaats had gehad, nog lager dan de
Zoon. Maar wanneer de Heilige Geest ons tot de gemeenschap met
God
brengt, moet Hij, evenals de Zoon, de éne God zijn. De
Nieuw-Nicaeners trokken uit hun eigen Logosleer een dergelijke
consequentie. Dit stuitte aanvankelijk op heftige tegenstand,
evenals het verbond van 362. Ariaanse keizerpolitiek,
conservatisme en radicalisme bemoeilijkten de weg naar de
nieuwe
toekomst. Maar toen de anti-ariaansche Theodosius de Groote in 379
keizer werd, veranderde ook dit geheel.
De afsluiting van de in 318 begonnen strijd kwam op de grote oosterse
synode van Constantinopel (381), die later als oecumenisch concilie
werd beschouwd. Het “homo-ousios” waarmee de. kerk
te
Nicaea onbedoeld op de oplossing van haar strijd had vooruitgegrepen,
werd nu met klaarder inzicht bekrachtigd. En ook de Heilige Geest werd
hier als één in wezen met den Vader beleden. De
Arianen
en daarmee verwante groepen werden veroordeeld. Hun leer verloor
spoedig zijn invloed. Alleen onder de bekeerde germaanse
volken
vond ze enige eeuwen lang een wijkplaats.
De kerkelijke
drie-eenheidsleer
De strijd en het lijden van Athanasius en zijn medestanders
zijn
niet tevergeefs geweest. Daardoor is aan de kerk de weg naar een
volledige vergrieksing van haar boodschap voorgoed afgesneden.
Duidelijk werd uitgesproken, dat Christus de Zoon van God met
het
half-goddelijk tussenwezen der Griekse wijsbegeerte niets van doen
heeft. Het ging niet om kleine spitsvondige verschillen en dode
formule’s, maar hierom: of het in de kerk gelden zal dat er
één God is en dat wij door Hemzelf tot Zijn
gemeenschap
worden verlost. En dat Evangelie heeft zich tegen alle tegenstand in,
doorgezet.
Toch liet ook Constantinopel nog twee benaderingen van het mysterie
open: de athanasiaansche en de nieuw-nicaensche. De laatste opvatting
beheerste de Oosterse kerk sindsdien. Zij kon zich moeilijk geheel van
een grieks-wijsgerige aanpak vrijmaken. Daarom bleef ze van de drieheid
uit naar de eenheid toe denken. De Vader wordt dan toch weer de
eigenlijke ongeworden God; de Zoon en de Geest zijn de
geworden,
dus lagere zelfstandigheden. Daarom ontkent de oosterse kerk dat de
Geest ook van den Zoon uitgaat; dat zou een vernedering van den Geest
onder den Zoon betekenen. Het Westen bleef meer athanasiaans denken,
van de eenheid uit naar de drieheid toe. De drie zijnswijzen tezamen
zijn de ééne God. Van een hoger en lager is geen
sprake
meer; de Geest gaat dus uit van Vader en Zoon. Augustinus heeft dat
scherp geformuleerd, en deze geest beheerst de zgn.
“geloofsbelijdenis van Athanasius” die uit het
Westen
stamt, uit de zesde eeuw.
De westerse kerk bleef meer dan de oosterse eenvoudig en bijbels voor
het mysterie staan. De oosterse kerk die de drieheid in de eenheid
bevredigend wilde formuleren, kan zich moeilijk tegen een driegodenleer
beschermen. Maar in beide formuleringen is het, drieëenig
geheimenis der genade van onzen Here Jezus Christus, en van de liefde
Gods en de gemeenschap des Heiligen Geestes bewaard.
15. DE STRIJD
OVER DE TWEE NATUREN VAN CHRISTUS
Het wezen van de strijd
Toen in de vierde eeuw na een lange strijd de wezenseenheid
van
den Zoon met den Vader algemeen-kerkelijke belijdenis was geworden, was
daarmee het geheimenis onzer verlossing toch nog maar van
één zijde belicht. Zeker hangt de verlossing
daarvan af,
dat Jezus Christus waarachtig God is. Maar niet minder van de waarheid
dat deze waarachtige God ook waarachtig mens is geworden, ons vlees en
bloed heeft aangenomen opdat Hij, geheel tot ons komende, ons geheel
tot God kon terugbrengen. Daarom moest nu de vraag rijzen: in hoeverre
heeft de Zoon Gods onze menselijke natuur aangenomen, en hoe hebben we
ons de verbinding tussen zijn goddelijke en zijn menselijke natuur te
denken?
Over deze vragen is de theologie in de vijfde eeuw gaan nadenken. De
meningsverschillen die daaruit voortvloeiden, hebben gedurende twee en
een halve eeuw veler gemoed beroerd, en in de eenheid der oosterse kerk
een breuk geslagen, die nog niet geheeld is. Zulke diepgaande gevolgen
had de strijd van Athanasius met zijn tegenstanders niet gehad. En ook
in andere opzichten is er groot verschil tussen deze beide
worstelingen. De strijd over de naturen van Christus was nog veel meer
een concurrentiestrijd tussen de patriarchen van
Constantinopel en
Alexandrië. (Van deze strijd was reeds de beroemde redenaar
Johannes Chrysostomus, patriarch van Constantinopel, door zijn
verbanning en zijn dood in 407 het slachtoffer geworden). Daarmee is
niet gezegd, dat de beginselstrijd slechts een voorwendsel
was.
Men was zich van weerszijden juist sterk bewust, te strijden voor de
eer van Christus en voor het heil der kerk. Maar voor het gevoel dezer
mannen was Gods zaak onlosmakelijk aan hun zaak verbonden. Hun eigen
overwinning op den rivaal betekende tegelijk Gods overwinning op de
ketters.
Ook het verloop van deze strijd was anders. Nu ging het er niet om, in
heilige eenzijdigheid de waarheid te handhaven tegen het afdingen en
verdoezelen door de tegenstanders. Nu ging het er om, in
voorzichtige formuleringen de gulden middenweg te zoeken
tussen
twee tegengestelde eenzijdige meningen door. Daarom is het ook
moeilijker hier telkens weer de hoofdzaak te ontdekken in de steeds
fijnere onderscheidingen en de steeds spitsvondiger formuleringen.
Apollinaris
Reeds in het midden der vierde eeuw was er een man, Apollinaris van
Laodicea, die dit nieuwe probleem ontdekte, terwijl de eerste
strijd nog volop gaande was. Hij stelde zich de verbinding der twee
naturen in Christus aldus voor: de Zoon heeft een menselijk lichaam en
een menselijke ziel aangenomen, maar in plaats van de menselijke geest
(hij bedoelde daarmee, wat wij “het ik” noemen)
trad bij
Christus het Woord. Deze leer werd in 381 op de reeds genoemde synode
van Constantinopel veroordeeld. Hoewel de kerkelijke leiders zelf niet
wisten hoe het geheimenis der God-menselijkheid moest worden
gedacht, toch wezen ze Apollinaris’ opvatting
beslist af.
Want ze beseften dat daarin de volledige en waarachtige mensheid van
Christus niet tot haar recht kwam. En als de Zoon van God niet volledig
en waarachtig mens was geworden, had Hij de mensen niet met God kunnen
verenigen.
Nestorius en Cyrillus
In heel zijn omvang werd dit probleem eerst gesteld, toen de patriarch
van Constantinopel, Nestorius, in 428 zijn bezwaren uitsprak tegen de
betiteling van Maria als “moeder Gods”.
Hij grondde
dat op de volgende leer der twee naturen. Als Christus en geheel God en
geheel mens is, dan kan deze tweeheid niet tegelijk als een eenheid
worden gedacht. Het Woord Gods woonde in Jezus als in een tempel, zodat
het eeuwige Woord en de vrije veranderlijke persoonlijkheid
van
Jezus twee bleven. Sommige daden van Christus gelden van het Woord
(b.v. de wonderen), andere van den mens Jezus (b.v. het lijden en
sterven). Zoals het Woord Gods in de harten van alle vrome mensen
woont, zo, alleen nog voller, woonde het in Jezus. Tussen het Woord en
Jezus bestond geen wezenseenheid, maar een wilseenheid, die in het
leven van Jezus steeds inniger werd, een eenheid in de liefde, als van
man en vrouw in het huwelijk. Voor Nestorius en de zijnen, de zgn.
antiocheensche school, kwam alles aan op de volle menselijkheid en op
de zuivere scheiding der twee naturen. Maar zo kon van een
werkelijke eenheid, van een menscwording van God, geen sprake meer
zijn. Zo werd Christus gedeeld in een goddelijke en een menselijke
persoon. Bij alle verschil was Nestorius’ dwaling in wezen
dezelfde als die van Paulus van Samosata.
Voor Nestorius’ tegenstander, patriarch Cyrillus van
Alexandrië, kwam omgekeerd alles op de eenheid der beide
naturen
aan en op de voorrang der goddelijke natuur. Hij kon echter deze beide
waarheden niet vasthouden, zonder tegen zijn wil aan de menselijke
natuur te kort te doen. De Zoon Gods, zeide hij, sloeg de menselijke
natuur om zich heen als een kleed. De (onpersoonlijke!) menselijke
natuur is in de goddelijke opgegaan als een melkdruppel in de oceaan.
We zijn hier niet ver uit de buurt van Apollinaris. Maar in de
strijd tegen Nestorius kwam Cyrillus terecht voor de eenheid van den
mensgeworden Verlosser op. Met behulp van den bisschop te Rome
wist Cyrillus te bewerken dat in 431 op het concilie te Efeze de leer
van Nestorius veroordeeld werd.
De beslissing van
Chalcedon
In 448 ontbrandde de strijd opnieuw, toen in de leringen van een
zekeren Eutyches de consequenties van Cyrillus opvatting voor de dag
kwamen. Eutyches verkondigde de opvatting, dat Christus slechts
ééne natuur had, en dat het menschelijke daarin
zoo van
het goddelijke was doordrongen, dat het nog slechts in schijn onze
menselijkheid was. De patriarch van Alexandrië, Dioscurus,
steunde
Eutyches en wist met behulp zijner gewapende monnikenbenden op de zgn.
“roverssynode” van Efeze (449) aan deze opvatting
geldigheid te verschaffen.
Maar nu koos de bisschop van Rome, Leo I, de andere zijde. Hij wees een
middenweg, waarbij het mysterie onopgelost bleef, maar in zijn
onoplosbaarheid erkend en geformuleerd werd.
Toen in 450 weer een krachtige keizer de troon beklom, vond deze in
Leo’s opvatting het middel zoowel om de macht van
Alexandrië
neer te slaan als om een nieuwe eenheid te scheppen. In 451 kwamen
zeshonderd bisschoppen in Chalcedon tezamen op het grootste concilie
der oude kerk. De meesten stonden aan Dioscurus’ zijde, maar
de
keizerlijke druk was onweerstaanbaar. Men leerde niet langer
met
de Alexandrijnen één natuur, noch met de
Antiocheners
twee personen in Christus; maar “twee naturen in
één persoon”. En deze beide naturen
zijn
“onvermengd en onveranderd” (tegen Eutyches),
“ongedeeld en ongescheiden” (tegen Nestorius).
Dit was geen oplossing van het vraagstuk. Maar ziende op de beide
éénzijdige richtingen die elk op hare
wijze aan het
mysterie afbreuk deden, kon de kerk te Chalcedon niets beters doen dan
dit mysterie zuiver en evenwichtig omschrijvend, te benaderen. Minder
mocht en meer kon ze niet doen, of de gewraakte eenzijdigheden zouden
zijn teruggekeerd. De waarheid was hier als een smal pad tussen twee
kloven. En al is de wijze waarop dit besluit tot stand kwam niet
kerkelijk-wettig te noemen, aan de juistheid van het besluit doet dat
niet af. Weer eens had de Heer der kerk de menselijke verwarring en
verkeerde bedoeling gebruikt om met behulp daarvan datgene tot stand te
brengen, wat Zijn kerk nodig had. De formule van Chalcedon
beschermde het mysterie van de Vleeswording van het Woords tegen alle
“verklaring”, die slechts verbastering of
verkrachting
betekende.
De scheuring der oosterse
kerk
Maar Chalcedon betekende lang niet het einde van de strijd. De
Egyptenaren en Syriërs weigerden er zich bij neer te leggen,
niet
het minst omdat hun nationale besef tegen de keizerlijke druk in
opstand kwam. De keizers en de patriarchen van Constantinopel trachtten
hen met allerlei compromisformules te winnen. Dit heeft geen
succes gehad, omdat het dogmatische conflict steeds meer het
voorwendsel werd waarachter zich het nationale besef verschanste. Wel
was het gevolg dezer politiek dat de westerse kerk, die aan
Leo’s
leer vast hield, steeds meer van het aarzelende Oosten
vervreemdde. In Constantinopel wilde men Rome en
Alexandrië
tegelijk te vriend houden,maar men verloor beide. Eerst scheidde zich
de perzische kerk af, die Nestorius’ leer aannam. In de
vijfde
eeuw werd de kerkelijke gemeenschap met Constantinopel ook verbroken
door de armeneense, syrische, egyptische (koptische) en abessijnse
kerk, die alle de leer van Cyrillus over de ééne
natuur,
het monophysitisme, aanvaardden. De herenigingspogingen
duurden
voort zonder succes; de problemen en formule’s werden steeds
spitsvondiger. Met dat al vervreemdde de theologie steeds meer van de
eenvoud van het Woord Gods. Toen de strijd eindigde (692) waren de
provincies waarover al deze pogingen waren aangewend, reeds in de
handen der Mohammèdanen gevallen.
Sindsdien zijn deze kerken onder de druk van de Islam ineen
geschrompeld, en geen herleving heeft dat proces onderbroken. Alleen de
perzische kerk heeft algemener belang gekregen door haar zendingsarbeid
tot in China toe en doordat haar bemiddeling de griekse wetenschap aan
de Arabieren en via hen aan Europa overleverde. Maar de algemene indruk
van dit eenmaal bloeiende kerkerf werd weldra: verstarring,
traditionalisme, vormendienst.
16. DE
OOSTERS-ORTHODOXE KERK
Oost en West
Telkens hadden we in het voorgaande gelegenheid om te wijzen op het
verschil tussen de oosterse en westerse helft der kerk, dat steeds
duidelijker naar voren kwam. Voor een deel hangt dit verschil met de
natuurlijke geaardheid samen. In de westerse kerk stond de daad in het
middelpunt. Daar ontwikkelde zich de leer van de verdienstelijkheid der
goede werken, de boetepraktijk en de organisatie. Ook het heil werd
daar overwegend gezien als een daad van God. Daarom viel de nadruk op
Christus’ daad in zijn kruisdood. In de oosterse kerk stond
de
beschouwing in het middelpunt, het schouwen Gods (de mystiek) en de
beschouwing der waarheid (het dogma). Daar werd het dogma en het
monnikendom geboren. Daar bloeiden ascese, mystiek en wijsgerige
theologie. Ook het heil werd daar beschouwd als een nieuwe zijnswijze.
Deze is tot stand gekomen in de centrale heilsfeiten van menswording en
opstanding.
Als de strijd over de twee naturen beëindigd is, heeft de
oosterse
kerk in hoofdzaak reeds de vorm en inhoud die haar nog steeds
kenmerken. De westerse kerk is zich blijven ontwikkelen. De oosterse is
op dit punt blijven staan. De band met het Westen werd steeds losser.
We wezen al op enkele dogmatische verschillen. Toch kwam de officieele
breuk pas in 1054. Van dat jaar af is de wereldkerk in tweeën
gescheurd. En een hereniging is niet te verwachten zolang het
grote struikelblok: de heerschappij en onfeilbaarheid van den
paus
niet uit de weg is geruimd.
Toestand der oosterse kerk
De oosterhe kerk houdt vast aan de oud-christelijke opvatting
dat
alle bisschoppen gelijk in rang zijn. Onfeilbaarheid is alleen
het
voorrecht der gehele kerk die, door den Geest geleid, ook ondanks de
dwalingen van afzonderlijke synode’s en bisschoppen tot
erkenning
der waarheid komt. Norm is de Schrift en de overlevering, vooral de
zeven grote concilies, waarvan het laatste in 787 te Nicaea werd
gehouden. Een alomvattende organisatie, zoals de roomse kerk, heeft de
oosterse niet. Ze bestaat uit de landskerken van Rusland en de
Balkanstaten, door patriarchen of synoden bestuurd, en uit kleinere
groepen daarbuiten. De band der liefde tot het gemeenschappelijk geloof
houdt ze tezamen. Ze noemen zich “orthodoxe”
of
“grieks-katholieke” kerk.
De leidende kerk was die in Rusland. Maar deze is door de
bolsjewistische vervolgingen organisatorisch bijna vernietigd. Toch is
het geloof daardoor bij velen vaak juist opgeleefd en zo blijft de kerk
in wezen ook daar bestaan. (Noot. Met de val van de muur en de
ineenstorting van het communisme is de Russisch orthodoxe kerk weer
vrij geworden)
Om haar onbeweeglijkheid door de eeuwen heen maakt de oosterse kerk op
ons een starre indruk, nog versterkt door het feit dat het grote
kenmerk der kerk: de zendingsdrang, bij haar zo weinig
ontwikkeld
is. Dat is bedenkelijk, al is het uit de omstandigheden verklaarbaar.
Maar al is deze kerk star, dood is ze allerminst. Door haar deelname
aan de oecumenische beweging is ze in het Westen de laatste
jaren
meer bekend geworden; en ze heeft ons verrast met de schatten die ze de
eeuwen door heeft bewaard. Ze vertegenwoordigt naast de roomse
en
protestantse kerken een geheel eigen type.
Haar wezen
De grondslag van haar leven is het besef van de tegenstelling
tussen hemel en aarde, God en mens, onsterfelijkheid en
sterfelijkheid. Diep leeft in haar het besef der
vergankelijkheid,
dat een pessimistische levenskijk oproept. Maar centraal is het geheel
andere besef dat de gescheiden werelden van hemel en aarde
één zijn geworden in het oogenblik van
Christus’
menswording, toen de Onsterfelijke zelf sterfelijkheid
aandeed.
Daardoor is nu de sterfelijke wereld in kiem der onsterfelijkheid
deelachtig geworden. Dat werd openbaar toen Christus, door zijn dood de
dood overwinnende, uit het graf opstond.
Pasen is het hoogfeest der orthodoxe kerk. Dan wordt het besef der
vergankelijkheid overstemd door een uitbundige vreugde over
het
nieuwe leven dat aangebroken is. In de opstanding is niet alleen de
mensheid in kiem onsterfelijk geworden, maar ook heel de natuur
geheiligd en verheerlijkt. En dit nieuwe leven is niet alleen
kiem
en belofte. Het heeft zich voortgezet en is werkelijk tegenwoordig in
Christus’ lichaam: de kerk. En het hart van de kerk is haar
eredienst, de eucharistische liturgie. Daarin voltrekt zich telkens
weer de vereniging van hemel en aarde. Deze zekerheid geeft
aan de
oosterse eredienst haar machtige bekoring. De geschilderde
beelden
(ikonen), de wierook, de gewaden, bovenal het wonderschone
gezang
moeten de deelnemers het besef geven dat ze hier op aarde reeds in de
hemel zijn. Dat is niet alleen zinnebeeldig bedoeld. In het
kerkelijk jaar en in elke dienst op zichzelf wordt de
werkelijkheid van menswording, dood en opstanding niet maar herdacht,
maar herhaald. Deze werkelijkheid is opnieuw tegenwoordig, even zeker
als ook brood en wijn Christus’ eigen lichaam en bloed
worden. De
eredienst is één groot sacramenteel drama. De
priester is
Christus, de diakenen zijn de discipelen en de engelen, de toeschouwers
zijn de tijdgenooten van het heilsgebeuren. In elke dienst vindt plaats
de “opvoering” van Christus’ komst als
Evangelieprediker, van zijn intocht in Jeruzalem, zijn
begrafenis
en zijn opstanding. Het middelpunt is de eucharistie, die als
geneesmiddel der onsterfelijkheid de genietenden deel geeft
aan
het eeuwige leven.
Zo ontvangt de enkeling de eeuwigheidskrachten. Hij moet ook zelf met
zijn vrije wil medewerken tot het grote doel: de
“vergoddelijking”. Dat woord bedoelt ongeveer
hetzelfde als
de woorden “heiligmaking” en
“heerlijkmaking” in de westerse theologie.
De
Godmenselijke vereniging in Christus moet zich in de gelovigen
voortzetten. Dit geloof is daarom in zijn wezen mystiek. Het hoogste is
het schouwen Gods. De werken treden geheel op de achtergrond, of
liever: zijn van geheel andere aard dan in de westerse kerk. Ze bestaan
in een alomvattende liefde tot het geschapene, inzonderheid tot het
verachte, het lijdende, ook het schuldige. En daarmee gepaard een diepe
deemoed, niet alleen tegenover God maar ook tegenover de mensen. Deze
sluit ook beslist elke gedachte aan enige verdienstelijkheid
der
werken uit.
Uit deze enkele aanduidingen is reeds zichtbaar hoezeer het werk van
den grote orthodoxe schrijver Dostojewsky door de geest van zijn kerk
is bezield.
De oosterse kerk en wij
Het is een tere zaak, om van de bijbel uit, onze houding tegenover deze
geheel eigen wereld te vinden. De westerse roomse kerk kunnen
we
veel beter begrijpen en daarom haar leer ook beslist afwijzen. Hier is
het anders. De oosterse kerk heeft (nog?) geen hervorming doorgemaakt.
Ze is nooit zo scherp voor de keus gesteld als de roomse kerk. Daarom
is ze veelszins onbewuster, onbevangener en opener. Door de
oecumenische beweging worden steeds nauwere banden gelegd tussen haar
en de arglicaanse en oud-katholieke kerk. In haar verwerpen
van de
pauselijke onfeilbaarheid en van de verdienstelijkheid der goede werken
staat ze naast het protestantisme. Maar door haar buigen onder
de
overlevering heeft ze zeer veel, ook veel dwalingen, met de roomse kerk
gemeen. Veel in deze kerk kunnen we bewonderen, maar we kunnen het niet
overnemen. Daarvoor is de geestelijke atmosfeer te zeer verschillend.
Vooral het alles doordringend besef van de werkelijkheid der verlossing
en van de inwoning van de Geest betekent een ernstige vraag aan ons
vaak zo abstracte geloof. Maar dan kunnen we toch ook de indruk niet
verdringen dat in dit besef een groot stuk vooruitgrijpen zit op een
heerlijkheid die nog toekomst is. De oosterse kerk schijnt ons minder
in geloof dan wel in aanschouwen te willen wandelen. Is haar cultus en
mystiek niet eer een vlucht uit de kilheid der wereld, terwijl God ons
toch juist daar Zijn belofte aanbiedt als een bewijs der zaken
die
men niet ziet? Geen wonder dat de grond der vergankelijkheid: de
schuld, en de grond der onvergankelijkheid: de rechtvaardiging
door het geloof, in de oosterse kerk geheel op de achtergrond zijn
gedrongen. De hoge nuchtere blijdschap van het Evangelie der
genade is ingebouwd in een bedwelmend schone liturgische
wereld,
die behalve een brug naar de bijbel nog meer een muur voor de bijbel
is. Meer kunnen we niet zeggen.
17. AUGUSTINUS
EN ZIJN TIJD
Hieronymus en Ambrosius
Nu richten we onze blik weer naar de westerse kerk, die voorbestemd was
om de draagster der toekomstige kerkelijke en zelfs culturele
ontwikkeling te worden. Na Tertullianus had ze wel veel energieke en
praktische leiders opgeleverd, maar geen grote theologen. Haar bloei
kwam pas laat, maar toen ook des te rijker. In het midden der vierde
eeuw drong de oosterse theologie en het monnikendom, vooral door de
invloed van Athanasius, ook in het Westen door. Deze krachten wekten de
theologische bezinning. Zo ontstond een eigen theologie waarin de
griekse bespiegeling en de romeinse zin voor de praktijk tot een nieuwe
eenheid verbonden, en kort daarop ook door een herleving van
Paulus’ zonde- en genadeleer verrijkt en verdiept werden.
Onder de dragers van dit nieuwe denken traden in de tweede helft der
vierde eeuw vooral Hieronymus en Ambrosius naar voren. Hieronymus werd
in de voorname kringen van het Westen de grote propagandist voor het
kloosterleven. Zijn grote geleerdheid stelde hem in staat de
noodzakelijke latijnse bijbelvertaling tot stand te brengen.
Hij
gebruikte de oudere vertalingen daarbij. Zijn werk was aanvullend,
omwerkend en vervangend. Zoo ontstond de zgn. Vulgata (= algemeen
verbreid). Dit werk van Hieronymus is in verbeterde vorm nog
gezaghebbend in de roomse kerk. Ambrosius was een voornaam romein, die
toen hij zich nog op de doop voorbereidde reeds tot bisschop gekozen
werd te Milaan. Hij bekleedde daar het hoge ambt van stadhouder, dat
hij opgaf om zijn roeping te volgen. Als theoloog werd hij de
bemiddelaar tussen het Oosten en het Westen. Zeer veel heeft
hij
gedaan voor het kerkgezang. Verscheidene van zijn schone hymnen zijn
nog algemeen verbreid. Alleen is het bekende “Wij loven U, o
God,
wij prijzen Uwen naam” ten onrechte aan hem
toegeschreven.
Het grootst was Ambrosius als bisschop. Toen keizer Theodosius de Grote
ergens in toorn een bloedbad had laten aanrichten, wist
Ambrosius,
de bisschop der keizerlijke residentie, hem tot openbare boete voor die
daad te bewegen. Ook als redenaar was hij beroemd.
Augustinus
Maar torenhoog boven deze beide mannen rijst de figuur van Augustinus
uit. Men heeft Ambrosius wel het karakter genoemd, Hieronymus het
talent, Augustinus het genie. Augustinus’ invloed rijkt tot
vandaag toe. Deze grootste kerkvader der oudheid mag tegelijk, na
Paulus, de grootste figuur van heel de kerk worden genoemd. Ondanks
deze grootheid is er ook geen te noemen, die ons in zijn menselijkheid
vertrouwder is. Augustinus is de eerste mens uit heel de oudheid, van
wie we weten hoe zijn persoonlijk zieleleven voor hemzelf het voorwerp
van waarneming en nadenken werd; de eerste mens over wiens
ontwikkeling en zielsconflicten we een meer dan vage kennis
hebben. Het begrip “persoonlijkheid” in moderne zin
krijgt
bij hem het eerst leven. Hij is daarom vaak de eerste moderne
mens
genoemd. Maar met die uitdrukking moeten we voorzichtig zijn. Men denkt
dan aan zijn “Belijdenissen”,
waarin hij zijn
leven tot aan zijn bekering voor God biecht. Dat de persoonlijkheid
ván Augustinus daar zoo in het volle licht komt, is omdat
hij in
dit boek met schuldbelijdenis en lofprijzing voor Gods aan
gezicht
treedt. Het gaat niet om zijn persoon op zichzelf. Hij heeft zijn
persoonlijkheid ontdekt, omdat hij den heiligen en genadige God leerde
kennen. De beroemde woorden aan het begin vormen het thema van heel het
boek: “Gij hebt ons tot U geschapen, en onrustig is ons hart,
totdat het ruste in U”. De persoonlijkheidsverering van de
moderne tijd is een verwereldlijking en omkering van wat zich
bij
Augustinus baan brak.
Zijn leven
Vooral aan de hand der “Belijdenissen”
(Confessiones)
willen we nu een korte schets van zijn bewogen leven geven.
Hij
werd geboren in 354, in Thagaste (Noord-Afrika). Zijn vader was nog een
heiden, zijn moeder Monnica een innig vrome christin. Kort na zijn
zestiende jaar ging hij naar de hoofdstad Carthago, om voor rhetor
(redenaar, advocaat)te studeren. Hier begonnen de donkere jaren, waarin
het hem allermeest om het genot ging. Toen hij achttien jaar was had
hij al een zoon, bij een meisje met wie hij gedurende veertien jaar in
een vaste verhouding heeft geleefd. Toen hij negentien was, bracht het
lezen van Cicero’s wijsgerige geschrift
“Hortensius”
hem enigermate tot bezinning. Meer dan het lichtzinnig genot zoekt hij
van nu af de waarheid. Maar de bijbel bevredigt hem niet; die is te
primitief en barbaars geschreven. Hij vindt zijn heil bij het
Manicheïsme, een perzische vorm van Gnostiek, zeer ascetisch
en
dualistisch, een fantastisch mengsel van heidense en
christelijke
ideeën. Monnica is diep bedroefd, als ze haar zoon op deze
dwaalweg ziet. Maar een bisschop troost haar: “het
is
onmogelijk dat een zoon, om wie zoveel geweend wordt, verloren
gaat”.
Na beëindiging der studie vestigde Augustinus zich als leraar
in
de welsprekendheid te Carthago. Negen jaar lang bleef hij
Manicheër. Maar dit stelsel liet te veel vragen onopgelost.
Toen
hij tenslotte daarover kon spreken met den leider van het
Manicheïsme, Faustus, bekende deze eerlijk daartoe niet de
nodige
ontwikkeling te hebben. Dat brengt de breuk. Tegelijk besluit
Augustinus naar Rome te gaan, waar hij als leraar een betere werkkring
hoopt te vinden. Monnica wil hem niet laten gaan, maar hij maakt zich
met list van haar af en zeilt in de nacht weg.
Rome stelt hem teleur. Hij wordt er ziek. En de waarheidsvraag blijft
hem kwellen. De bijbel verwerpt hij nog; het is een belachelijke leer,
dat God mens zou zijn geworden. Augustinus wordt aanhanger van de
ideeën der zgn. Academici, die zeggen dat men aan alles
twijfelen
moet, omdat de mens nooit de waarheid kan kennen. Een benoeming tot
leraar der welsprekendheid te Milaan maakt aan zijn kort
verblijf
in Rome een einde. Twijfel, eerzucht en genot vullen zijn leven. Maar
in Milaan komt hij met Ambrosius in aanraking. Hij gaat geregeld bij
hem naar de kerk, bekoord door de vorm zijner welsprekendheid. Ongewild
dringt ook iets van de inhoud tot hem door. Hij bemerkt dat vele
tegenwerpingen der Manicheërs tegen de kerk geen steek houden.
Maar zelf blijft hij nog twijfelaar, al begint het geloof in
een
God weer door te breken. Graag had hij in zijn zielenood eens
met
Ambrosius gesproken, maar er doet zich geen gelegenheid voor.
Monnica reist haar zoon naar Milaan achterna. Ze is diep dankbaar, dat
hij met het Manicheïsme gebroken heeft. En de omgang met
Ambrosius
wordt voor haar een grote steun. Intussen verlooft Augustinus zich, op
aanraden van zijn omgeving. Hij moet nu de vrouw wegzenden met
wie
hij zolang heeft samengeleefd. Maar zijn nieuwe verloofde is nog te
jong. Daarom neemt hij voor de twee jaar die hij nog wachten moet, weer
een andere!
Een omkeer in zijn leven brengt dan de studie der nieuw-platonische
wijsbegeerte. Van de leringen der Manicheërs en der
Academici
uit gezien, had deze wijsbegeerte een grote overeenkomst met het
christendom. Zo verzoent deze lectuur hem met veel wat hem
aanstoot deed nemen aan de bijbel. Hij gaat nu ook Paulus lezen. En
naast de overeenkomst wordt hem ook het verschil tussen de Platonisten
en de bijbel steeds duidelijker: wat daar een schone gedachte blijft,
is werkelijkheid geworden in Christus’ menswording; en
tegenover
de hoogmoed der wijsbegeerte staat de deemoed der christelijke
belijdenis.
Het zoeken naar de waarheid maakt nu plaats voor de blijde zekerheid
van het gevonden hebben. De waarheid is er; nu moet het leven nog
komen. Hij beseft dat hij moet breken met zijn verkeerde verhouding, ja
met het huwelijksleven in het algemeen. Daar deinst hij nog voor terug.
Maar op een dag krijgen hij en zijn vrienden bezoek van een kennis, die
geestdriftig vertelt van het Egyptische kloosterleven en van twee hoge
ambtenaren in Trier, die voor zulk een leven van hun positie afstand
hadden gedaan. Augustinus is beschaamd en verward. Als het bezoek weg
is, snelt hij in een ontzaglijke tweestrijd het huis uit en de tuin in.
Daar hoort hij hoe in een naburig huis een kinderstem op zingende toon
roept “Neem en lees! Neem en lees!”. Meteen grijpt
hij het
boek met Paulus’ brieven. Het eerste wat hij leest is
Romeinen
13:13 en 14. Nu is de beslissing gevallen. Met enkele vrienden trekt
hij zich terug op een landgoed, waar hij zich in overpeinzing en gebed
voorbereidt op de doop, die Pasen 387 aan hem wordt bediend. Groot is
de vreugde van Monnica. Samen gaan ze met enkele vrienden terug naar
Afrika. Maar Monnica sterft als ze nog in Italië zijn. Hier
eindigt de diepontroerende biecht der
“Belijdenissen”.
In zijn geboorteplaats gaat Augustinus met zijn vrienden op een klein
landgoed wonen. Vasten, bidden en schrijven is daar zijn
voornaamste werk. Hij ziet dat als het ideaal voor zijn verdere leven.
Maar Gods plan was een heel ander. De gemeente in het numidische
kuststadje Hippo Regius begeert hem als presbyter. Hij volgt deze
roeping en wordt daar in 395 bisschop. Tot zijn dood toe is hij daar
gebleven, en van deze uithoek uit is hij door zijn preken, brieven,
geschriften en synodale arbeid de algemeen erkende leider der westerse
kerk geworden. Hij stierf in 430, omringd door wandteksten uit de
boetepsalmen, terwijl de stad belegerd werd door de Vandalen, die een
jaar te voren Afrika waren binnengevallen.
Aard en ontwikkeling van
zijn denken
Het is onmogelijk, om in kort bestek Augustinus alzijdig te belichten.
De machtige veelzijdigheid van zijn geest, die ons uit zijn geschriften
in schitterende taal tegemoet treedt, brengt den lezer voortdurend weer
tot de hoogste bewondering. Daarbij komt, dat hij zich ook na zijn
bekering is blijven ontwikkelen. Het is duidelijk te zien dat hij door
de platonische wijs begeerte tot de bijbel is gekomen. De
platonische aanvat der dingen is hem heel zijn leven bij gebleven. Maar
zijn gestadige bijbelstudie en zijn bisschoppelijke praktijk
drongen dit Platonisme steeds meer op de achtergrond. Die ontwikkeling
is duidelijk in zijn geschriften waar te nemen. De filosoof
wordt
bisschop; de bespiegeling wordt zielszorg. Van den enkeling keert zijn
denken zich tot de kerk; van de gemeenschap tussen God en de Hem
gelijkende ziel tot de genade Gods aan de gevallen wereld, van de
harmonie der schepping tot de disharmonie der zonde.
Maar als achtergrond bleef de eerste fase van zijn denken heel zijn
leven door bestaan. Ze wordt getypeerd door zijn beroemde uitspraak:
“God en de ziel begeer ik te kennen. Niets meer? Volstrekt
niets.” God is het hoogste absolute zijn, die uit het niets
de
wereld schiep, welke als mengsel van zijn en niet-zijn de
veranderlijkheid aan zich heeft. Bij de ziel is deze
veranderlijkheid de keuze-vrijheid van de wil. Door zich op
het
hoogste zijn te richten, verkrijgt de ziel haar bestendig
geluk.
Maar in hoogmoed heeft ze zich van God losgemaakt. Zoo bestond haar val
in een vermindering van haar zijn. Sinds Adams val is er een schaduw
over de wereld gevallen. Met het oog op de scheppingsharmonie kan
Augustinus soms zeer optimistisch over de wereld spreken. Maar de
schaduw der zonde is voor zijn oog steeds dieper geworden. Toch heeft
dit Platonisme, waar hij spreekt over de gemeenschap van de
verloste ziel met God, aan zijn denken blijvend een diepe mystieke
gloed gegeven. God als het hoogste zijn is de bron der gelukzaligheid.
En het geluksverlangen der ziel wordt door geen werelds goed, slechts
door de “genieting Gods” verzadigd. “Het
is mij goed
God aan te hangen”, deze eindeloos aangehaalde psalmtekst
(Psalm
73:28) is Augustinus’ lievelingswoord. Zijn mystiek is dan
ook
zeker niet minder door de Psalmen en Paulus dan door het Platonisme
gevoed. En de toegang tot deze mystieke genieting wordt alleen gevonden
als de zoekende enkeling zich onderwerpt aan het gezag der kerk. Die
brengt hem in aanraking met de deemoed van den Zoon Gods in de
dienstknechtsgestalte zijner aardse vernedering. In de aanschouwing van
Jezus leert de mens zijn natuurlijke hoogmoed af te leggen die
hem
van God verwijderd houdt. De weg der nederigheid is de weg tot God.
Over de kerk tegen de
Donatisten
Dit schijnt alles zeer individualistisch. Toch is dezelfde Augustinus
de man geweest, die het katholieke (niet het roomse!) kerkbegrip ten
einde toe heeft doorgedacht. De toestand in Afrika noopte hem daartoe.
Daar was al een eeuw lang een afgescheiden kerk, die der zogenaamde
Donatisten, welke zelfs groter was dan de katholieke. De oorzaken der
afscheiding waren persoonlijke onenigheden. Maar de tegenkerk had
afrikaans-nationale en revolutionnaire trekken gekregen. Ze doet soms
aan de latere wederdopers denken. In Augustinus’
tijd vond
ze haar kracht daarin, dat ze het sekte-ideaal der Montanisten en
Novatianen nog eens verdedigde tegen de wereldkerk die maar rijp en
groen opnam. Toch waren haar eisen al gematigder dan die der vroegere
sekten. Ze erkende slechts daar de ware kerk, waar de sacramenten
bediend werden door bisschoppen die geen doodzonde (ontucht of
afval) hadden gepleegd. De heiligheid der kerk moet tenminste
in
dit negatieve kenmerk aan de personen zichtbaar zijn. De
katholieke kerk stond niet op dit standpunt, waardoor naar de
donatistische opvatting, haars acramentsbediening krachteloos werd. Wie
van katholiek Donatist werd moest nogmaals worden gedoopt.
Augustinus heeft door zijn geschriften en vooral op de grote disputatie
te Carthago in 411 de macht dezer tegenkerk gebroken. Deze secte - zoo
betoogde hij - is tot Afrika beperkt, mist dus de eenheid en
algemeenheid der katholieke kerk. De belofte Gods aan Abraham (Gen.
12:3b) is alleen aan deze laatste kerk in vervulling gegaan. En dit
verschil gaat diep: de eenheid en algemeenheid is gegrond in de liefde
tot de broederen, maar de sekte ontstaat uit hoogmoed en strijdlust. De
grootste der genadegaven, de liefde, wordt hier gemist. Daarom wordt in
haar midden de werking der genadegaven verstikt. De heiligheid der kerk
ligt niet in de personen. Heilig is ze omdat ze een gemeenschap is
rondom de heilige gaven van Woord en sacramenten. De heiligheid is dus
niet subjectief, maar objectief. De lijn van Calixtus en Cyprianus is
door Augustinus tot het einde doorgetrokken. Het is onvermijdelijk dat
er ook goddelozen en schijnchristenen in de kerk zijn. De Heer heeft
gewild dat onkruid en tarwe tezamen zouden opwassen tot de dag des
gerichts. Wel moet er tucht worden geoefend. Maar deze “is
niet
het ijzer van den wondenden vijand, doch van den opererenden
geneesheer”. De kerk werkt opvoedend. Niet de wet
der
heiligheid regeert daar, maar het Evangelie der nederbuigende genade.
Beslister dan al zijn voorgangers heeft Augustinus afgerekend met het
sekte-ideaal. Zo alleen kwam de weg vrij voor de wereldroeping der
kerk, als ze het waagde met haar boodschap midden tussen de zwakken en
dwalenden te gaan staan. Augustinus stond tegenover de sekte zo
afwijzend, dat hij met een beroep op het “dwingt ze om in te
gaan” zelfs de overheid te hulp riep, om de Donatisten te
“bekeren”. Met deze grensoverschrijding is hij
helaas een
voorloper der middeleeuwse inquisitie geworden.
Hier past ook een enkel woord over Augustinus’
avondmaalsleer.
Van de magische opvatting, die zoo verbreid was in de oude kerk, zijn
bij hem slechts enkele sporen te vinden. Hij stelde het sacrament in
een nieuw licht door het “een zichtbaar woord” te
noemen.
En hij maakte een scherp onderscheid tussen het teken en
hetgeen
betekend wordt. Het avondmaal betekent het lichaam van Christus als de
gemeenschap der gelovigen met Hem en met elkander. Van een verandering
van brood en wijn weet hij niets. Daarmee staat de grootste kerkvader
afwijzend tegenover het grootste leerstuk der roomse kerk. In het spoor
van zijn geestelijke avondmaalsopvatting is later vooral
Calvijn
verder gegaan.
Over de genade tegen de
Pelagianen
De wonderlijke leiding Gods in zijn leven had Augustinus bij het licht
vooral van Paulus doen zien dat het geloof geen werk van den mens, maar
een genadegave Gods is. Hij was de eerste kerkvader die ernst maakte
met de werkelijkheid der uitverkiezing.
Vóór hem had
men tegenover de heidense noodlotsleer altijd op de
verantwoordelijkheid en vrijheid van den mens eenzijdig nadruk gelegd.
De gangbare opvattingen b.v. over de verdienstelijkheid der
goede
werken, en dus ook het monnikendom waren gegrond op de leer van de
vrije wil.
Daarom kon tegenspraak niet uitblijven. De britse monnik Pelagius
opperde in Rome openlijk zijn bezwaren tegen het schone woord uit de
“Belijdenissen”: “geef wat Gij beveelt,
en beveel dan
wat Gij wilt”. Hij en zijn medestanders ontwikkelden geheel
tegengestelde gedachten. Wij beginnen allen in dezelfde
toestand
als Adam in het paradijs. Erfzonde bestaat niet. De zonden
zijn
afzonderlijke daden die de natuur niet aantasten. De lichamelijke dood
is geen straf, maar een natuurlijk feit. Zondeloosheid is mogelijk.
Adams val betekende alleen een slecht voorbeeld voor zijn
nakomelingen. De deugd, waardoor we de zaligheid verdienen, is
een
zaak van onze vrije wil. De genade bestaat daarin dat we een vrije wil
hebben, en verder in de leringen van het Oude Testament, en in de leer
en het voorbeeld van Jezus. Van een innerlijk werkende genade is bij
hem geen sprake.
Deze beschouwingen zijn nauwelijks meer christelijk te noemen. Ze doen
denken aan het negentiendeeeuwse modernisme in zijn oppervlakkigste
vorm. Hier spreken mensen die van de draagwijdte van het bijbelse woord
“zonde” zelfs geen vermoeden hebben.
Geen wonder dat de kerk in 418 op Augustinus’ aandringen deze
leer algemeen verwierp. Augustinus zelf ontwikkelde tegenover
hen
de leer der erfzonde. De verdorvenheid der natuur openbaart
zich
in de geslachtslust, waardoor de besmetting zich voortplant. Toch hield
hij tegelijk aan de eigen schuld en verantwoordelijkheid van Adams
nakomelingen vast. Hij raakte daarmee aan de diepste dingen die het
Woord Gods over den mens openbaart, zonder de opgeroepen
tegenstellingen te kunnen verzoenen. Tegenover het donker der erfzonde
krijgt het wonder der genade de centrale plaats, die het in de oude
kerk zo zelden had ontvangen. Toch is deze genade niet zozeer
een
verhouding Gods tot den mens als wel een kracht in den mens, een
ingegoten geestelijk iets. Dat is de roomse genadeopvatting
gebleven. Pas Luther heeft er radicaal mee gebroken.
Heel het proces van het geloof, dat door de liefde werkt, is goddelijke
uitverkiezende genade. Dit proces in zijn geheel is de
voortschrijdende rechtvaardigmaking van den zondaar. De
verdiensten van den mens zijn ook gaven Gods. Niemand heeft volkomen
zekerheid, dat hij tot het vaste getal der uitverkorenen behoort. Dat
kan eerst blijken als het leven afgesloten is, uit de volharding der
heiligen. In hun aardse leven worden ze in vreze deemoedig gehouden. Ze
moeten zich beijveren, in goede werken de vruchten hunner
verkiezing te betonen.
Met het uitspreken van deze inzichten heeft Augustinus aan de westerse
theologie voor eeuwen lang haar taak gewezen. Sommige uitspraken
klinken ons rooms, andere doen sterk aan Calvijn denken. De roomsen en
de hervormers hebben zijn inzichten naar verschillende kant omgebogen
en uitgewerkt. Beiden en geen van beiden kunnen zich op hem beroepen.
Tijdens zijn leven werd er al tegenspraak luid. Het monnikendom kan
niet verdragen dat de genade alles is. En waar blijft zo de
algemeenheid van het heilsaanbod en de verantwoordelijkheid van den
mens? Een groep monniken uit het zuiden van Gallië (Frankrijk)
stelde er een andere opvatting tegenover. We noemen hen Semi
(half)-pelagianen. Ze zochten een tussenweg tussen Augustinus en
Pelagius. De mens is noch dood noch gezond, maar ziek. De vrije wil is
door Adams val verzwakt, daarom moet deze om het heil te verkrijgen,
door de genade worden gesteund. De genade is een innerlijke kracht, die
aan elk wordt aangeboden. Het hangt van onze vrije wil af, of we er ons
voor openstellen. De zaligheid is de vrucht van een samenwerking tussen
God en mens. God helpt, wie zichzelf helpt. Deze Semi-pelagianen wilden
het geheimenis van uitverkiezing, algemeen heilsaanbod en
verantwoordelijkheid oplossen. Maar hun verklaring komt neer op een
verkleining, ja op een opheffing van het wonder der genade. De
genade wordt aan menselijke voorwaarden gebonden, en bij den mens ligt
de beslissing. Het is een constructie van buitenstaanders. Een
mens die zich als gevallen zondaar door de genade gegrepen weet, kan
dit krachteloze tussen standpunt niet innemen.
Deze strijd begon in 429, en ging na Augustinus’ dood verder.
Het
geijkte moralisme der westerse kerk was in de crisis geworpen. Het werd
gehavend en verzwakt, doch niet vernietigd. In 529 kwam er op
de
synode van Orange een voorlopig einde aan de strijd. Het
semi-pelagianisme werd daar veroordeeld, zonder dat
Augustinus’
motieven voluit werden overgenomen. Aan de genade werd niet
alleen
de samenwerking, maar ook het beslissend initiatief toegeschreven.
Tegelijk echter werd verklaard, dat de vrije wil door de erfzonde
slechts verzwakt is. En over de uitverkiezing werd gezwegen. Het geheel
leek meer op semi-pelagianisme dan op Augustinisme. Daarmee was de weg
gebaand, die de roomse kerk sindsdien opgegaan is. Haar
officieele
genadeleer staat dicht bij de semipelagiaanse. Augustinus is
steeds meer aan kant geschoven. Eerst met Luther en Calvijn kon de
diepte van zijn genadeleer zich weer, en nu in gelouterde vorm, in de
kerk laten gelden.
De Staat Gods
Op nog weer andere wijze leren we Augustinus kennen in zijn beroemde
werk “De Civitate Dei”, te vertalen als
“De Stad
Gods” of “De Staat Gods”. Dit is het
hoofdwerk van
zijn tweede periode (hij heeft er dertien jaar aan gewerkt), zoals de
“Belijdenissen” van zijn eersteperiode. De
aanleiding tot
het schrijven was de val van Rome, dat in 410 door de West-Gothen werd
ingenomen. Het romeinse zelfbewustzijn kreeg daardoor een geweldige
slag. Er werd een schuldige gezocht, en de heidense bevolking des rijks
zag deze in de heersende kerk. Waren we de oude romeinse staatsgoden
maar blijven vereren! Nu komt de straf over ons! “De
Godsstaat” is bedoeld als een grootse apologie, om deze
redenering te ontzenuwen. Maar het boek is nog veel breder uitgegroeid,
tot een schildering van de twee staten, die van God en die van den
duivel, die van de deemoed en die van de hoogmoed. Nu treden ze aan het
licht in de tegenstelling tussen het Romeinsche Rijk en de kerk. De
wereldrijken, inzonderheid Rome, zijn “roversbenden in het
groot”, gegrond op hoogmoed, onrecht en eigenliefde. Opgaan,
blinken en verzinken is hun eeuwig lot. De staat Gods echter is geen
troosteloze herhaling van ondergang, maar de pelgrimstocht der
verkorenen naar de eeuwige heerlijkheid. De tegenstelling van kerk en
staat is hier zoo scherp mogelijk.
Toch stelt Augustinus zich ook een andere mogelijkheid voor: wanneer de
staat zich beperkt tot de zorg voor aardse rechtvaardigheid en vrede,
kan hij dienstbaar worden aan de staat Gods. Dat kan alleen als de
staat zich aan de ware godsdienst onderwerpt. In de middeleeuwen heeft
men die weg trachten te bewandelen.
In dit boek gaf Augustinus ook een nieuwe opvatting van het
duizendjarige rijk, waarover het boek Openbaring spreekt. Hij
verwierp deze gedachte niet, zoals Origenes en de zijnen; hij
vatte dit rijk ook niet op als een aardse toekomst van zinnelijke
genietingen, zoals de oude kerk algemeen had gedaan. Hij meende dat dit
rijk met de komst van Christus en de geboorte der kerk was aangebroken.
Nu heersen de heiligen (Opb. 20:4 en 6), d.w.z. de bisschoppen oefenen
de sleutelmacht uit, de macht der vergeving en der uitbanning. Men ziet
dat naast de geheel onroomsche felle tegenstelling der beide rijken,
tegelijk de wereldlijke heerserspositie der kerk reeds is voorgetekend.
Daardoor heeft dit werk in de middeleeuwen een diepe invloed
uitgeoefend. En zijn conceptie van de geschiedenis als de worsteling
der beide rijken is een blijvend bezit der kerk geworden.
Augustinus’
beteekenis en invloed
Zoals de oosterse kerk in de figuur van Athanasius voor de
verwereldlijking gered werd, zoo de westerse kerk in de figuur van
Augustinus. Paulus’ verkondiging van zonde en genade, van
verkiezing en vergeving, heeft door Augustinus een breuk geslagen in
het westerse moralisme. Toen de oude cultuur ineenstortte en de kerk
een nieuwe tijd inging, kwamen in Augustinus’ geschriften de
krachten tot openbaring die aan de kerk zoowel de samenhang met het
verleden waarborgden als ook de wegen wezen voor de toekomst. De
middeleeuwen zijn van één zijde gezien, een
uitwerking
van Augustinus’ begrip van kerk en staat. Anderzijds heeft de
roomse kerk de middeleeuwen en nog langer nodig gehad, om het dynamiet
van Augustinus’ denken onschadelijk te maken en zijn Paulus
verkondiging in de oude leer van vrije wil, goede werken en verdiensten
in te passen. Door zijn avondmaalsleer is de veranderingsleer der
roomse kerk pas eeuwen later officieel vastgesteld (in 1215). De
tegenstromingen tegen de wereldkerk in de middeleeuwen zijn
veelal
door Augustinus geïnspireerd. Luther en Calvijn hebben zijn
strijd
tegen het moralisme overgenomen en tot een einde gebracht. Scholastiek
en mystiek, Rome en de reformatie - elk is door
één zijde
van zijn geest gegrepen en heeft een deel der door hem
gestelde
taken uitgewerkt. Augustinus heeft het katholicisme zoo ver
mogelijk naar de bijbel omgebogen. Op de duur moest het
óf
weer terugbuigen óf breken. Het eerste is vooral het werk
geweest van Thomas van Aquino, het laatste van de Hervormers.
18. DE
OUD-CHRISTELIJKE KUNST
Als we onder christelijke kunst meer verstaan dan een kunst die met
christelijke motieven werkt, dan is het zeer de vraag of we
daarvan in de eerste eeuwen mogen spreken. De christelijke
catacombenkunst is een vorm der laat-antieke kunst. De verleiding is
groot om in haar een nieuw beginsel te ontdekken, dat de voorbode is
van een nieuwe tijd. Maar dat is te ver gezocht. Wel vertoont deze
kunst de duidelijke teekenen van het vergeestelijkingsproces,
dat
de oude cultuur in deze eeuwen doormaakte. Doch dat is niet uitsluitend
christelijk. Het christelijk besef kiest vanzelf die reeds bestaande
uitingswijzen, die er het meest mee in overeenstemming zijn. Er is hier
dus wel een verband tussen christendom en kunst, maar het is meer
indirect en verborgen.
Catacomben
De christenen, evenals de joden, deden niet mee met het
algemeen-heidense gebruik der lijkverbranding. De verwachting
van
de wederopstanding des vleses hield hen daarvan terug. In vele steden
maakten ze daarom onderaardse begraafplaatsen.
De beroemdste en best bewaarde zijn die in Rome. De voornamere
grafkamers lagen aan onderling verbonden gangen, in welker
wanden
ontelbare eenvoudige graven werden gemaakt. Zelfs maakte men
meerdere verdiepingen onder elkander. Zoo ontstond hier een kilometers
lange dodenstad. Deze onderaardse kerkhoven noemen we
“catacomben”. Vanaf omstreeks 100 tot omstreeks 400
zijn ze
in gebruik geweest. Dat de christenen hier vergaderden en zich schuil
hielden in dagen van vervolging, is onjuist. Het spraakgebruik
om
een vervolgde kerk als “kerk in de catacomben” aan
te
duiden, dienen we te vermijden.
De grafkamers der catacomben, speciaal hun plafonds, zijn de plaatsen
waar we de oudste christelijke schilderingen vinden. Deze zijn anders
dan we in zulk een omgeving zouden verwachten. Geen plechtig sombere
symboliek of iets dat de dood en de vergankelijkheid in het
middelpunt plaatst; maar juist omgekeerd: een luchtige speelse
ornamentiek van bloemen, vogels en figuren. Lijnen en kleuren moeten de
indruk geven, dat hier geen graftombe is, maar een paradijsachtig
priëel. Dat streven is geen willekeur, maar de uitdrukking van
een
machtige overtuiging: deze plaats des doods is het paradijs, de plaats
van opstanding en leven! Aan dit opstandingsgeloof zijn ook de
schilderingen dienstbaar. We zien taferelen uit het Oude en Nieuwe
Testament, die alle de gedachte aan redding uit de dood oproepen: Noach
in de ark, Daniël in de leeuwenkuil, Jona en de vis, de
opstanding
van Lazarus. Het water dat Mozes uit de steenrots slaat en de
wonderbare spijziging herinneren aan de verkwikkingen die den
gelovige in het eeuwige leven wachten. De ziel van den
gestorvene
is uitgebeeld als een biddende figuur. We zien den goeden
Herder,
die deze ziel in de vorm van een lam naar het leven draagt. Ook eigen
christelijke symbolen ontbreken niet: de broodkorf, de vis
(Grieks: ichthus, de beginletters van “Jezus
Christus Gods
Zoon Zaligmaker”). Heel deze kunst, vaak primitief en
gebruikmakend van de heidense vormen, is daarom zo echt en
oorspronkelijk, omdat ze een machtige belijdenis midden in de dodenstad
is: ik geloof de opstanding des vleeses en een eeuwig leven!
Basilieken
Een weinig later is de kerkbouw zich gaan ontwikkelen. Waarschijnlijk
werden pas sinds het eind der tweede eeuw kerken gebouwd, die eerst
zeer eenvoudig waren. Pas een eeuw later gaat zich iets van een eigen
stijl ontwikkelen. Na de overwinning van Constantijn kan deze
stijl zich vol ontplooien. Deze oudste kerkvorm heet de
basilica.
De grondvorm is een lange rechthoek. Aan de ene korte zijde is de
ingang. Recht tegenover de ingang is in de korte zijde een uitbouw, de
apsis geheten. Daar zijn de zetels voor den bisschop en de presbyters.
Voor de uitbouw staat de avondmaalstafel. Later komt tussen apsis en
schip een dwarsbeuk (transept), die soms buiten de breedte van het
schip uitsteekt. Van buiten hebben deze kerken weinig bekoorlijks. Van
binnen is er alle zorg aan besteed. Niet de heiligheid der antieke
tempels, maar de gewijde intimiteit van de gemeentelijke samenkomst
heerst hier. Meestal zijn er ter weerszijden van het hoofdschip
zijschepen. Het licht valt door hoge ramen. De apsis en de muren werden
steeds rijkelijker met schilderingen en mozaïeken gesierd. In
Rome
en Ravenna zijn in gewijzigde vorm nog basilieken uit de vierde en
vijfde eeuw te vinden. De basiliek is de grondvorm geworden
voor
de westerse kerkbouw.
Latere ontwikkeling
Later kwam naast de basiliekstijl ook de koepel- of
centraalbouw
op. De beroemdste onder deze ronde of veel hoekige kerken is
de
kerk der “Heilige Wijsheid” (Hagia Sophia, Aya
Sofia) in
Constantinopel, onder Justinianus gebouwd. Deze bestaat nog, maar is nu
een moskee. De rondbouw heeft zich vooral in de oosterse kerk (Rusland)
ingeburgerd.
De catacombenkunst werd voortgezet in de schilderingen,
mozaïeken
en graftomben der kerken. Ze bewijzen dat de kerkelijke kunst zich
steeds hoger ontwikkelde. Treffend worden personen en handelingen
uitgebeeld. De kunst is er op berekend om indruk te maken. Toch is bij
het voortschrijden der ontwikkeling de verwereldlijking der
kunst
niet te miskennen. De pracht wordt steeds opvallender. De
triomferende wereldkerk spreekt hier haar welbehagen uit over het bezit
van de schatten der aarde. De uitbeelding van lichamen en houdingen
wordt steeds meer een doel op zichzelf. Het dienende en heenwijzende
der oudere belijdende kunst verdwijnt. De verwereldlijking der
kerk betekende in haar kunst een verzinnelijking. De
overeenkomst
met de algemene kerkontwikkeling is wel heel duidelijk! En als de
oosterse kerk en theologie in de zesde eeuw gaan verstarren,
zien
we datzelfde ook in de kunst. Diepte en leven wijkt uit de
voorstellingen om plaats te maken voor een magische en ascetische
onbewogenheid. Het Westen is in de kunst sterk afhankelijk
gebleven van het Oosten. Pas toen na de volksverhuizing het contact
steeds losser werd, ging de westerse kerk eigen wegen. Maar het zou nog
eeuwen duren, voor ze een eigen grootse kunst kon voortbrengen.
19. DE NIEUWE
WEG DER WESTERSCHE KERK
De Volksverhuizing
In de tijd van 400
tot 600 is het
aangezicht der beschaafde wereld grondig veranderd en haar
middelpunt bezig zich langzaam te verplaatsen in noordwestelijke
richting. De dragers dezer ontwikkeling waren de Germaanse stammen. Al
eeuwenlang bedreigden ze de rijksgrenzen. Nu werden ze opgejaagd door
de woeste horden der Hunnen, die van Midden-Azië uit,
zich
een weg baanden door Europa. Noodgedwongen vielen de Germaanse legers
het rijk binnen, dat de oorlog ontwend en voor hen weerloos
was.
Het oostelijke rijksdeel wist zich nog te handhaven, maar de
West-Gothen (afkomstig van de Donau-mond) vestigden hun heerschappij in
Spanje, de Vandalen (uit Midden-Duitsland) in Noord-Afrika, de
Bourgondiërs (uit Noord-Duitsland) in het gebied van
de Rhone
en Sadne, en de belangrijkste stam, die der Oost-Gothen (van de Zwarte
Zee) stichtte een rijk in Italië, waar ze onder Theodorik den
Groote (489-526) een vrij hoge cultuur en de grootste politieke macht
in het Westen ontwikkelde. Ook toen het Hunnengevaar was afgenomen,
keerde de oude toestand niet terug. Het west-romeinse rijk bestond niet
meer.
Ook voor de kerk was dit alles van ingrijpende betekenis. Deze
Germaanse stammen waren overwegend ariaans. Want in het midden der
vierde eeuw, juist toen de leer van Arius hoogtij vierde,
waren de
West-Gothen door hun zendeling en bisschop Wulfila (van wiens gotische
bijbelvertaling nog brokstukken over zijn) met het christendom in
ariaanse vorm in aanraking gekomen. Door hun bemiddeling
werden
ook de andere Germaanse stammen gechristianiseerd. Daardoor stonden nu
in het oude westerse rijk de nieuwe ariaanse heersers en de oude
katholieke bevolking tegenover elkaar. De verhouding was soms
vreedzaam, maar meestal gespannen.
Het Pausdom ontstaat
Uit politiek oogpunt zag het er voor de katholieke kerk dus niet
rooskleurig uit. Toch is dit de tijd waarin de grondslag gelegd werd
voor haar latere machtspositie. Het pausdom ontstond, d.w.z. de
opperheerschappij van den bisschop van Rome over zijn ambtgenoten en
hun gezagsgebieden. Vroeger zagen we al, dat de bisschoppen van Rome
het daarop reeds in de tweede eeuw aanstuurden.
Jezus’woord
tot Petrus (Mattheus 16:18 v.) werd reeds in de derde eeuw als steun
aangevoerd. Maar de aanspraken werden toen door de kerk niet erkend. De
bisschop van Rome had een bijzonder zedelijk gezag onder zijn
ambtsbroeders, als eerste onder zijns gelijken. Maar meer niet. De
mogelijkheid om ook rechtsgezag te krijgen werd groter, toen de keizers
in Constantinopel gingen wonen. Daardoor steeg in het Westen het
aanzien van de roomse stoel. Maar nu het Westen politiek uiteenvalt,
wordt de opvolger van Petrus de belichaming niet alleen van de
kerkelijke, maar van heel de geestelijke eenheid die de
bewoners
der bezette gebieden verbindt. Voor het gevoel der mensen
neemt de
kerk de functie van het rijk over, en de bisschop van Rome de functie
van den keizer. Het lag geheel in de lijn van Rome om deze wending uit
te buiten. Sinds het eind van de vijfde eeuw voert deze bisschop de
exclusieve titel “Papa” (= Vader, paus). Hij
gevoelt zich
het van God geroepen hoofd der kerk. Geestelijke motieven hebben
daarbij maar een ondergeschikte rol gespeeld. Hoe zou men
anders
op de gedachte komen om Mattheus 16:18 ook op hen toe te passen, die na
Petrus het opzicht hadden over de kudde van Rome? Niets in de tekst
rechtvaardigt deze gedachtesprong. Toen de lust tot heersen bij den
hoofdstedelijke bisschop weerklank vond in de gezagsbehoefte der mensen
in een verwarde tijd - toen ontstond het pausdom. Dat was vooral te
danken aan bisschop Leo I, bijgenaamd de Grote (440-461), dien we den
eersten paus kunnen noemen. Hij verdiepte het beroep op Mattheus 16; de
paus is Christus’ stedehouder en staat boven de bisschoppen.
Zelfs is hij eigenlijk al aan de leer der pauselijke
onfeilbaarheid toe. Zijn beslissende invloed op de kerkelijke
leer
der twee naturen van Christus hebben we al besproken. Midden
in de
staatsverbrokkeling smeedde hij het Westen kerkelijk hecht
aaneen.
In Spanje, NoordAfrika en Zuid-Gallië wist hij zijn
rechtsgezag te vestigen. Tegenover de indringende legers nam hij een
flinke en besliste houding aan. Hij was groot als theoloog en als
prediker, maar vooral als kerkvorst en staatsman. Juist een figuur
zoals de kerk in deze tijden nodig had.
De Germanen worden
katholiek
Toch bleef de toestand der katholieke kerk moeilijk onder de
ariaanse heersers. Pas in de zesde eeuw begon dat te veranderen. Het
rijk der heidense Franken, dat in hoofdzaak België en een deel
van
Nederland omvatte, breidde zich onder zijn oorlogszuchtige koning
Chlodovech machtig uit. Weldra strekte het zich ook over het grootste
deel van Gallië uit, dat daarom de naam Frankrijk kreeg. De
katholieke Galliërs hadden alle reden tot vrees. Maar
de
heiden Chlodovech liet zich katholiek dopen in 496 (of 507), en die
daad werd het begin van een nieuwe toekomst voor de kerk. Terecht is
deze daad om zijn draagwijdte al door de tijdgenoten met Constantijns
bekering vergeleken. Wat bewoog den barbaarse perser tot zijn stap? En
waarom werd hij niet ariaans, gelijk de andere
germanen-heersers?
De echte motieven zijn door legenden omsluierd. Waarschijnlijk
gaf
de doorslag het besef, dat de God der oude, hoger staande cultuurvolken
machtiger was dan de Frankische goden. En ariaan werd hij niet, omdat
hij wel zag hoe de tegenstelling ariaans-katholiek de andere Germaanse
rijken verzwakte. De overwinnaar nam de godsdienst der overwonnenen
aan. Langzaam maar zeker, zonder dwang, volgde het volk zijn koning
hierin na.
Voor de katholieke kerk was dit feit van verstrekkende betekenis, want
Frankrijk was het land der toekomst. Voor het pauselijk gezag was deze
bekering nog geen winst, want de Frankische kerk werd, evenals alle
Germaanse kerken, een landskerk, waarin de koning een beslissende
invloed had en geen rechtsgezag van over de landsgrens werd erkend.
Inmiddels waren ook de Bourgondiërs gekatholiseerd. En toen
het
Oost-Romeinse rijk de macht der Vandalen en Oost-Gothen vernietigde
(534 resp. 553) was het ariaanse gevaar al ten halve geweken. Maar in
568 veroverden de Longobarden (uit Hongarije) een groot deel van
Italië. Deze wilde stam was deels ariaans deels heidens. De
pausen
van deze tijd voelden zich machteloos tussen de ariaanse druk en de
Oost-Romeinse kerkbeheersing.
Gregorius de Groote
De man, onder door wie de balans voorgoed omsloeg ten gunste
van
een katholieke pauselijk geleide kerk in het Westen, was
Gregorius
de Groote (590-604), afstammeling van een oud Romeins heersersgeslacht.
Door zijn verbindingen met koningin Theodelinde der
Longobarden,
die reeds katholiek was, wist hij de katholisering der Longobarden te
bevorderen en zijn gezag in hun gebied te vestigen. Datzelfde
geschiedde bij de West-Gothen in Spanje. Ook onder de Franken wist hij
het pauselijk aanzien te vergroten.
Gregorius was de eerste die de betekenis der jonge Germaanse volken
voor de toekomst der kerk besefte. De katholisering der heersers bracht
een vermenging met de onderworpenen mee en dus een versterking der
kerkelijke macht en eenheid. Alleen bleef de Germaanse vorm
der
landskerken een hinderlijke belemmering voor de pauselijke
heerszucht. Gregorius was ook de man die het initiatief nam
tot de
zending onder de Angelsaksers. Dit gewichtige feit bespreken we
verderop nog. Voeg hier nog bij dat door zijn strijd met den Patriarch
van Constantinopel de band met de oosterse kerk zeer los werd; dan zien
we onder hem zich duidelijk de nieuwe oriëntatie der westerse
kerk
voltrekken. Ook de aanspraak van den paus op wereldlijke macht treedt
bij hem voor ‘t eerst aan het licht. Door vermeerdering en
goede
organisatie van het grote grondbezit der gemeente van Rome legde
Gregorius de grondslag voor de pauselijke kerkelijke staat. En waar de
Longobarden niet heersten, gedroeg hij zich praktisch als machthebber
over Italië.
Gregorius’ persoonlijkheid heeft ook een geheel andere zijde.
Hij
heeft het kloosterleven sterk bevorderd. Benedictus van Nursia had de
grondslag gelegd voor de organisatie van het westerse
kloosterleven, door armoede, kuisheid en gehoorzaamheid als
voorwaarden te stellen. Het was zijn werk dat de ascese gematigd werd
door landarbeid, armenzorg en onderwijs, later ook door studie
en
het overschrijven van handschriften. Dat was hoogst belangrijk. Zoo
werden de kloosters de plaatsen waar in deze overgangstijd de oude
culturele waarden gered en de jonge volken veredeld werden. De kerk en
het klooster vormden samen de brug die de samenhang van de oude en
nieuwe tijd waarborgde. Ook deze ontwikkeling is voor een groot deel
aan de rusteloze werkzaamheid van Gregorius te danken. In de derde
plaats ligt zijn betekenis op theologisch terrein. Maar deze betekenis
is weinig roemvol. Augustinus heeft het vulgaire katholicisme naar de
bijbel omgebogen; Augustinus’ leerling Gregorius heeft zijn
leer
naar het vulgaire katholicisme teruggebogen en zoo krachteloos gemaakt.
Alleen in Gregorius’ vertolking kreeg het Augustinisme
invloed.
De zaligheid is de vrucht van samenwerking tussen Gods genade en des
mensen verdienstelijke werken en boetedoeningen. Het besef dat
de
mens met zijn bijdrage in dit leven niet klaar komt, bewoog Gregorius
er toe, het bestaan van een vagevuur te verkondigen en deze leer
voorgoed in de kerk in te voeren. De genade Gods wordt vooral verkregen
door het avondmaal dat een herhaling is van het offer van Golgotha (het
misoffer) en daarom een tovermiddel van de eerste rang. Van geloof in
Gods genade is hier eigenlijk geen sprake meer. De mens moet
immers zelf medewerken, en kan daarom slechts met een mengeling van
vrees en hoop zijn toekomstig lot tegemoet zien. Als surrogaat voor het
geloof treedt hier het bijgeloof op. Verhalen over engelen,
relikwieën en wonderen spelen een grote rol. Magie, mirakel en
menselijke verdienste zijn de grondpijlers van
Gregorius’
godsdienst. De woorden doen nog vaak aan Augustinus denken, maar de
geest is een tegengestelde.
We stonden wat uitvoeriger bij Gregorius’ gedachten stil,
omdat
ze voor heel de middeleeuwse kerk, ja voor de roomse kerk tot vandaag
toe, van grondleggende betekenis zijn geworden. Magische genade en
verdienstelijke werken, wereldbeheersing en wereldmijding -
deze
motieven van Gregorius hebben de toekomstige wereldkerk
gestempeld. Als er één figuur is die de overgang
van de
katholieke naar de roomse kerk markeert, dan is het Gregorius. Het is
de geest van Cyprianus, maar op veel lager plan. Het schijnt wel dat
Augustinus tevergeefs heeft geleerd.
Toch heeft God ook dit werk gebruikt in Zijn plan. Deze maar half
evangelische krachten hebben de brug geslagen tussen
christendom
en Germanendom. De kerk paste zich aan bij de lage en grove begrippen
der overwinnaars, en werd door deze aanpassing hun beheersers en
opvoedster. Ze kreeg een kans als nooit voordien of nadien.
Van
indringster in het oude rijk werd ze leidster der nieuwe volken. Ze
heeft deze kans gebruikt - hoe dan ook. En de zegenrijke
gevolgen
zullen we niet ontkennen.
De stortvloed van de Islam
In dezelfde tijd dat de westerse kerk ongekende kansen krijgt,
verdwijnt de oosterse kerk van het wereldtoneel. Haar leidende rol van
eeuwen is nu uitgespeeld. Ook zij heeft haar
“Germanenstorm” doorleefd, maar met omgekeerde
uitwerking. Zij heeft de nieuwe krachten niet onder haar
leiding
kunnen stellen, maar ze is er zelf onder bezweken. De Arabische profeet
Mohammed werd de verkondiger van een nieuwe godsdienst, waarin
heidense, joodse en christelijke bestanddelen waren samengesmolten en
waarvan de dragende idee was de vestiging van een nieuwe wereldorde
onder Gods heerschappij. “Er is geen God dan Allah, en
Mohammed
is zijn profeet”. Deze waarheid moet de mens geloven. Door
dit
geloof en door goede werken kan men in het wereldgericht bestaan. Allah
is een noodlotsmacht, die zijn vereerders als willoozen voor zich
opeist om door middel van de heilige oorlog zijn heerschappij alom te
vestigen. Deze oppervlakkige leringen bleken nochtans een felle kracht
te bezitten en maakten in de harten der Arabieren een
ongeëvenaard
fanatisme wakker. De leer van de Islam (= overgave) werd te vuur en te
zwaard gepredikt, met onbegrijpelijk succes. Mohammed stierf in 632.
Ongeveer 700 strekte het rijk van de Islam zich uit van de Kaukasus tot
de Pyreneeën, en omklemde het als een reuzentang de
christenvolken. Van het Oost-Romeinse rijk bleef bijna alleen
Griekenland over. Wat betekende deze stortvloed voor de machtige en
eerwaarde kerken van het Oosten? De behandeling was verschillend, maar
de mogelijkheid tot voortbestaan was hun allerminst ontnomen. Des te
beschamender is het feit dat hun glorie in een ommezien voor
verkwijning plaats maakte. Waarom ging het hier zoo geheel anders dan
in het Westen? We kunnen vele redenen opnoemen. Een belangrijke rol zal
wel de overtuiging van den natuurlijken mens hebben gespeeld,
dat
God en de waarheid aan de zijde van het sterkste leger staan.
Maar
de hoofdzaak is toch wel dit: deze kerken hadden al lang de band met
het leven verloren. In mystieke daadloosheid en spitsvondig
begrippenspel cirkelde hun leven en denken rondom de heilige liturgie.
Geen zendingsdrang, geen verantwoordelijkheidsbesef tegenover
leven en wereld doorbrak hun liturgisch-mystieke
afgeslotenheid.
Tegenover de ethische eenvoud en kracht van de Islam waren ze
machteloos. Daarom was de toekomst aan de westerse kerk, omdat deze bij
al haar dwalingen toch wist dat ze van Godswege een woord voor de
wereld had., Alleen een kerk met zendingsdrang heeft toekomst.
20. DE ZENDING
IN EUROPA
Tot nu toe hebben we niet opzettelijk over de zending gesproken. Dat
komt doordat de uitbreiding der kerk in de eerste eeuwen maar zeer ten
dele van opzettelijke aard was. Het christendom verbreidde zich vooral
door de bestaand: verbindingen tussen de mensen en de volkeren. En in
zooverre er bewuste zendingsarbeid geschiedde, weten we daarvan toch
weinig of niets. Nu wordt dat anders. Vooral de westerse kerk, vrijer
van de staat en actiever dan haar oosterse zuster, is de
zendingsroeping in praktijk gaan brengen. Het mag een wonder heten dat
de westerse kerk niet met het westerse rijk is ondergegaan, maar juist
in de volkerenchaos tot een bewuste zendingshouding kwam.
Gedragen
door de monniken en later georganiseerd door de pausen, legt
dit
werk waarvan wij nog leven, een machtig getuigenis af van de kracht des
Geestes.
Ierland
Met gulden letters staat in het boek der zendingsgeschiedenis
de
naam der Ierse kerk geschreven. Deze gemeen schap in de
uithoek
der volkerenwereld is de bakermat der Europese zending geweest. Men
zegt dat een Kelt, een zekere Patrick, in 432 het Evangelie heeft
gebracht aan de daar wonende Scoten. Een bloeiende kerk ontstond, van
een hoogst eigen aard. De leiding van het kerkelijk leven berustte bij
de kloosters, die over heel dit “eiland der
heiligen”
verspreid waren. Een der monniken was bisschop, maar had slechts een
organisatorische taak. De abt van het klooster was de
geestelijke
leider der omgeving. In de kloosters heerste een zeer strenge ascese,
die in de vorm van de toen nog ongewone oorbiecht en van een
nauwgezette volkstucht haar invloed over heel het volk deed
gelden. Vele monniken waren hoog ontwikkeld en hielden zich
met
het lezen en overschrijven der kerkvaders bezig. In deze kloosters
werden de schatten der oudheid voor de middeleeuwen bewaard. Maar het
merkwaardigste was dat vele monniken wegtrokken om ver van hun
vaderland hun verdere leven door te brengen. Dat was een vorm van
ascese. Zij hadden net als Abraham het woord gehoord: Ga uit uw land en
uit uw maagschap! Zendingsdrang was dus niet het eerste motief. Toch
kon het niet anders of deze zwervers-om-Christus’-wil
moesten in den vreemde getuigen van hun Heer worden. Zoo
werden ze
zendelingen tegen wil en dank.
De Ierse monniken zwermden wijd uit, zelfs tot Italië en tot
IJsland toe. Zoo werd één van hen, Columba, in
563 de
zendeling van Schotland. En de profetische figuur van de geweldige
boeteprediker Columba den jongere (Columbanus), die omstreeks
6oo
leefde, oefende haar invloed van het Kanaal tot aan de Apennijnen. Ook
in Zuid-West-Duitsland leeft nog de herinnering aan de Ieren voort.
Doch hun ascetisch ideaal was niet alleen de grond, maar ook de grens
van hun zendingswerk. Er stond geen groot plan achter. Om organisatie
bekommerden ze zich niet. En aan verband met den paus dachten
ze
in het geheel niet. Die had voor hen slechts een zedelijk gezag. Zij
legden het fundament. Een ander moest er op voortbouwen.
Engeland
Dat werk was voor de Engelse kerk weggelegd. In de vijfde en zesde eeuw
waren daar de heidense Nagelen, Schakers en Juten (uit Denemarken en
Noord-West-Duitsland) binnen gedrongen en hadden de oude
Keltische
kerk in het bergland teruggedreven. Paus Gregorius de Groote
hoorde van hun bestaan en besloot hun het Evangelie te doen
verkondigen. Hoe hij tot dit besluit kwam, weten we niet. Maar het is
van verstrekkende betekenis geworden. Was dit niet gebeurd,
dan
zoude kerk in Europa ten minste voor lange tijd zonder verband
met
den paus hebben bestaan. Het is niet waarschijnlijk dat
Gregorius
dit alles reeds heeft voorzien. Maar wij hebben achteraf geen reden, de
gevolgen van zijn daad te betreuren. Pas de centrale leiding van Rome
heeft het zendingswerk hecht en duurzaam gemaakt.
In 496 zond Gregorius den abt Augustinus met 40 monniken naar
Engeland. Ze hadden de opdracht zich aan te passen bij de
omgeving
en de oude godsdienstige gebruiken voorzichtig met een nieuwe inhoud te
vullen. Dat is nog steeds de roomse zendingsmethode.
Augustinus
had aanvankelijk veel succes. Maar later trad een heidense
reactie
in. En ook hier kwamen de Ierse monniken, die zelfs het leeuwenaandeel
hebben gehad aan de kerstening van Engeland. Toch liep de
onvermijdelijke botsing tussen de leren en de Italianen ten gunste der
laatsten af. In de loop der zevende eeuw volgden de verschillende
stammen vrijwillig het besluit hunner koningen door het
Evangelie
te omhelzen en zich aan den paus te onderwerpen. In korte tijd
ontstond hier een bloeiende kerk, die haar afkomst niet
verloochende. Een vurige verering voor Rome en een nauwe band aan
Italië ging hier gepaard met het beste van de Ierse geest: een
hoge kloostercultuur, volkstucht en zendingsdrang. Dit laatste verrast
het meest: nauwelijks is deze kerk ontstaan, of ze wordt zelf de
belangrijkste zendingskerk voor het vasteland.
Willibrord
Het eerst richtte het Angelsaksische zendingswerk zich tot het rijk der
Friezen, die toen het grootste deel van Nederland bewoonden.
In
690 landde Willibrord hier. In 696 werd hij door den paus tot
aartsbisschop van Utrecht gewijd, waarbij hij de nieuwe naam Clemens
kreeg. In die tijd bedreigde het rijk der gekerstende Franken dat der
heidense Friezen. De Frankische machtssfeer steunde en begrensde
Willibrords werk. In de gebieden ten oosten en ten noorden van de
Zuiderzee kon hij daarom geen voet krijgen. Maar in het midden
en
zuiden van Nederland droeg zijn werk blijvende vrucht. Echternach was
zijn centrum. Hij arbeidde met taaie volharding en ongebroken ijver.
Zoo is hij de apostel van Nederland geworden. Overigens weten we weinig
van hem af. In 739 is hij gestorven. Zoo heeft Nederland het Evangelie
uit de handen der Engelse kerk ontvangen.
Bonifatius
Willibrords jongere medewerker Bonifatius zette het werk voort. De
leiding der pausen, die hij zocht en waaraan hij zich gewillig
onderwierp, maakte hem meer nog tot organisator dan tot zendeling. Het
eerste nodige was de consolidering van het werk dat vooral de leren in
Duitsland hadden verricht. In Hessen, Thuringen en Beieren heeft
Bonifatius de kerkelijke organisatie geschapen. Een daad
werkelijk
meeleven uit Engeland ondersteunde hem. Het werk werd
begunstigd
door de toestand waarin de Germaanse religie verkeerde. De
invloed
der Romeinen en der volksverhuizing had de oude verbanden
losgemaakt en daarmee ook de godsdienstige fundamenten
ondergraven. Naast het oude geloof in de albezieldheid der natuur
slopen vreemde, zelfs christelijke invloeden binnen; ook een
afmattende twijfel en noodlotsgeloof, het besef der
“godenschemering” en het gevoel dat een nieuwe tijd
in
aantocht was. Dat bespoedigde de bekering der Germanen, wanneer
Bonifatius en zijn medestanders hun de onmacht van hun goden bewezen en
hen door de voorspiegeling van een hemels loon en de dreiging met de
helse straffen, voor een nieuwe zedenleer toegankelijk
maakten.
Toch kan Bonifatius niet, zoals welgebeurt, “de apostel der
Duitsers” heten. Daarvoor was hij te veel organisator en
daarvoor
hadden de Ieren al’ te veel gedaan.
Van 741-747 werd Bonifatius door de Frankische heersers gebruikt om hun
vervallen kerk te reorganiseren. Door tegenwerking gelukte dat maar
gedeeltelijk. En het pauselijk rechtsgezag kon hij er niet vestigen. Na
747 beperkte hij zich tot zijn aartsbisdom Mainz. Al te klein dunkt
zijn werk ons dan. Maar toen hij bijna tachtig jaar was, had hij nog de
moed tot zijn jeugdliefde terug te keren en het zendingswerk onder de
Noord-Friezen weer op te nemen. Dit had succes. Maar 5 Juni 754 kwam
het plotselinge einde, toen heidense overvallers hem bij Dokkum
vermoordden. Zijn laatste woorden “weest dapper en vreest
niet”, kenmerken zijn leven. Een oorspronkelijke geest was
hij
niet. De eer van een groot deel van zijn werk komt toe aan zijn
opdrachtgevers, de pausen. Maar hij was een groot karakter.
Hij
deed wat gedaan moest worden met dat plichtsbesef en die
taaiheid,
die heel de Angelsaksische zending kenmerkte.
Nog een kenmerk dezer zending was, dat ze niet wilde dwingen maar
overtuigen. Ze droeg een persoonlijk en overredend karakter. Ze richtte
zich allereerst tot de leidende personen, omdat hun overgang vaak in
beginsel die van het gehele volk betekende. Dat lag aan het
wezen
van het Germaanse stamverband. Maar dwang was dat niet. Ook de
politieke steun van het Frankenrijk betekende niet meer dan een
uiterlijke hulp. Het is in het algemeen beslist onwaar om te zeggen dat
het christendom aan de Germanen opgedrongen is.
De Zending onder Karel
den Groote
Een betrekkelijk recht heeft deze bewering slechts, als we op de tijd
van Karel den Groote letten. Zijn verovering van Noord-Friesland bracht
de kerstening van dit land mee. Toen bleef nog een Germaanse stam in
dit gebied heidens: de Saksers, die Noord-West-Duitsland bewoonden. Ook
onder hen vond het christendom vrijwillige aanhangers. Maar de
heftige haat van deze rooversstam tegen het christelijke Frankenrijk,
dat hun vrijheid bedreigde, bond hen als geheel nauwer aan hun
heidendom. Karel kon deze bedreigers van zijn grenzen hun gang niet
laten gaan. Telkens laaide onder hun vorst Widukind hun verzet op;
telkens werd het weer verbroken. Het bloedbad dat Karel te Verden (bij
Bremen) onder 4000 gevangen Saksers liet aanrichten, strekt hem niet
tot eer. Maar met de zending had dat niets te maken. Wel hingen deze
dingen voor het besef van beide partijen zoo samen, dat Widukind zich
liet dopen, toen hij in 785 zijn verzet opgaf. En Karel meende hun het
christendom als een juk te moeten opleggen. Het heidendom was bij
doodstraf verboden! Dit ging rechtstreeks tegen het wezen van het
geloof in. Maar het was een uitzondering, en niet het werk van
zendelingen doch van een staatsman. Karels hofgeleerde Alcuinus keurde
het openlijk af. Des te merkwaardiger is het feit, dat juist bij de
Saksers het christendom zulk een innige verbinding met de volksaard
heeft aangegaan.
Het christendom der
Germanen
Er is daarom geen reden, de verbinding van het Evangelie met het
Germaanse ras tot iets onnatuurlijks te stempelen. Ook voor de
Germaanse ziel is dit Evangelie een ergernis en een dwaasheid, evenals
voor de joodse en de Romeinse ziel. Maar dat ligt dieper dan ras en
bloed. Van deze diepste tegenstand is bij de Germanen veel minder naar
buiten gekomen dan bij de Joden. En dat ze het Evangelie in Germaanse
vormen hebben opgevangen, ligt op hetzelfde vlak als wat ook
de
Grieken en Romeinen hadden gedaan. De Germaanse christenen dachten niet
speculatief als de Grieken, noch juridisch als de Romeinen,
maar
in de vormen van eer, trouw en strijd. In de doop sluit de volgeling
een trouwverbond met den grote leidsman Christus, den sterken strijder
tegen den satan. Christus is meer de koning dan de verlosser. Wel is
hij gestorven, maar slechts om zijn zege ook over de hel te kunnen
vestigen. Dit trouwverbond houdt wederzijdse verplichtingen
in:
genade en verdienste. En de genade is veelszins magie, waar de mens
door allerlei middelen en formules over beschikken kan. Het treffendste
document van dit Germaanse christendom is de oudsaksische
Evangeliënharmonie, de zgn. “Heliand”
(negende eeuw).
Dit christendom is veel primitiever en barbaarser dan het Griekse en
Romeinse, maar staat overigens onder dezelfde dubbelzinnigheid van
vertolking en verbastering van het Evangelie tegelijk te zijn.
De
Kerk moet tegen deze dubbelzinnigheid in haar verstaan van Gods Woord
duurzaam strijden. Maar ze zal haar niet afleggen voor ze in de nieuwe
wereld is ingegaan.
De verdere kerstening van
Europa
We hebben het gevoel dat het beslissende zendingswerk in de zesde tot
achtste eeuw gedaan is en dat het daarna nog maar een kwestie van tijd
is. De Scandinavische landen zijn pas ongeveer 1000 gekerstend.
Voordien ging het grootste deel van de Slavische stammen over, die in
Oost-Duitsland, Oostenrijk, de Balkanen Rusland waren
binnengedrongen. Daar heeft ook de oosterse kerk haar aandeel in gehad.
De gebroeders Constantinus (Cyrillus) en Methodius heten
“de
apostelen der Slaven”. Ze werkten vooral in het huidige
Tsjecho-Slowakije en Hongarije. Door hun bijbelvertaling en het voor
die tijd revolutionaire gebruik van de volkstaal in de liturgie (het
zgn. kerkslavisch) schiepen ze een echt Slavisch-nationale kerkvorm.
Toch stelden ze hun gebieden onder rooms gezag. Bulgarije sloot zich
bij de oosterse kerk aan. En toen vorst Wladimir de Grote van Rusland
met een prinses uit Constantinopel trouwde, liet hij zich dopen (987)
en dwong zijn volk het christendom aan te nemen. De Russische kerk
kreeg een eigen aard; de mystieke toets der Griekse vroomheid werd daar
vernieuwd en verdiept. Zoo werd de Slavische wereld kerkelijk
in
tweeën gedeeld. De laatste Europese volkeren werden
gekerstend in de veertiende eeuw: Litouwen en Lapland.
Zoo blijkt de kerk “uit alle geslacht en natie” te
zijn.
Geboren onder de joden, werd ze in het Westen gevormd door de Romeinen,
in het Oosten door de Grieken. Nu hebben de Germanen het werk der
Romeinen overgenomen en de Slaven het werk der Grieken. Maar
bij
alle verschillen blijft het de éne kerk. Deze zendingsdrang
en
zendingsvrucht is bij al het al-te-menselijke dat zich ook
hier
openbaart, een wonderwerk Gods. Als Hij werkt, kan niemand het keren.
En ook: hier zien we de ontzaglijke geestelijke kracht, die een kerk
ontwikkelen kan welke zich van haar goddelijke zendingsroeping
bewust is.
21. DE KERK IN
HET RIJK VAN KAREL DE GROTE
Vóór
Karel
We keren nu tot het rijk der Franken terug. Want door dit rijk en zijn
kerk zijn de grondslagen gelegd voor de christelijke cultuur van
Europa. Van verstrekkende betekenis in dit verband was de
overwinning, die de Frankenleider Karel Martel in 732 bij Poitiers en
Tours op de binnendringende volgelingen van Mohammed behaalde. Daardoor
werd de zegegang van de Islam in West-Europa gestuit en ons
werelddeel voor een christelijke toekomst bewaard. Ook de paus besefte
steeds meer, dat het Frankenrijk het bolwerk was dat de kerk in de
politieke stormen moest beveiligen. Toen de verhouding tot het
oostelijke rijk steeds slechter werd en de dreiging der
Longobarden aanhield, zocht de paus zijn steun bij de Franken. Niet bij
de koningen, die geen gezag meer hadden, maar bij de
beheerders
der koninklijke goederen, de zgn. hofmeiers, uit het geslacht der
Karolingers, die de praktische machthebbers waren. Het
bondgenootschap voltrok zich in deze bedenkelijke vorm, dar de paus er
zijn goddelijke goedkeuring aan hechtte, dat de koning geheel
ter
zijde werd geschoven en dat de hofmeiers nu het erfelijke koningschap
ontvingen. Daarmee sanctioneerde de paus dus een revolutie. In
ruil werden de bongobarden door de Franken gedwongen,
aanzienlijke
gebieden aan den paus af te staan. Daardoor ontstond in 756 de
kerkelijke staat. .
Onder Karel
Het toppunt der Frankische macht werd bereikt onder Karel den Grote.
Hij regeerde van 768-814. Door veroveringen wist hij zijn rijk zoo ver
uit te breiden, dat het zich uitstrekte van de Ebro tot de
Elbe,
en van het Kanaal tot ver in Italië. Rome was een Frankische
stad
geworden. Het is van de grootste betekenis geweest, dat het
cultureel nog ongevormde West-Europa, vlak voor het zijn grote rol ging
spelen, door dezen krachtige christenkeizer tot een eenheid
werd
gebracht en een gemeenschappelijk stempel ontving. Karel heeft de
gemeenschappelijke geestesgeschiedenis der Europese volken
gefundeerd. West-Europa werd één machtig
lichaam,
waarvan de kerk de ziel was. De kerk; niet de paus. Nog steeds was de
Frankische kerk een staatskerk. Koning Karel respecteerde den
paus
als drager der apostolische overlevering en als den eersten
burger
van zijn rijk. Maar de macht over de kerk hield hij geheel in eigen
hand. Dat is voor de kerk een grote zegen geweest. Deze verhouding van
staat en kerk strookte weliswaar niet met de vrijheid tegenover de
staat, waar de kerk krachtens haar opdracht recht op heeft. En
terzelfder tijd leidde eenzelfde verhouding in het Oost-Romeinse rijk
er toe, dat de kerk het werktuig in de hand der machthebbers was. Maar
in Frankenland was dat niet het geval. Blijkbaar geeft de persoon van
den gezagsdrager de doorslag, en niet de officiële verhouding
waarin staat en kerk staan. Want Karel voelde zich ook als koning
allereerst lid der kerk. Hij wist zich een tweede David. Het ideaal van
een universele West-Europese theocratie zweefde hem voor. Wat
Theodosius de Grote niet had kunnen volvoeren in het vanouds heidense
rijk, dat werd een werkelijkheid onder de nog onontwikkelde,
pas
bekeerde Germaanse volkeren. Het onder Bonifatius begonnen herstel der
gedesorganiseerde kerk werd door Karel krachtiger hand genomen. Hij
benoemde de bisschoppen. Hij deelde de bisdommen in parochies
in.
Hij schiep eenheid in de liturgie en bracht het preken in de volkstaal
tot eer. Hij bevorderde de oorbiecht.
Het monnikendom werd door hem geactiveerd; van de kloosterlijke ascese
had hij een afkeer. Karel bevorderde het schoolwezen, maar zorgde
vooral voor de hoognodige ontwikkeling der geestelijkheid.
Zijn
eigenlijke doel was: de antieke cultuur en de Germaanse aard te
verenigen onder de leiding van het christendom. De hofschool was het
middelpunt van deze beweging. Van overal werden de geleerden gehaald.
De Engelsman Alcuinus was de theoloog van het hof en van het rijk. Er
werd naar een zuivere geloofsopvatting gestreefd; daarom werd vooral
tegen het bijgeloof gestreden. Toen de oosterse kerk in 787 te
Nicaea officieel en zelfs in overeenstemming met den paus het recht
vaststelde om de beelden te vereren, liet Karel in geschrifte en op een
grote synode deze ketterij verwerpen. Daar mag politiek achter
hebben gezeten; maar zeker ook een nuchtere Bijbelse instelling
tegenover het mystieke streven der oosterlingen. In elk geval
is
het feit daar, dat een man die geen officiële
kerkleider was,
hier de juiste beslissing heeft geveld in tegenstelling tot de
officiële leiders.
Toen Karel in 800 tijdens het kerstfeest te Rome vertoefde, drukte de
toenmalige paus hem plotseling de keizerskroon op, daarmee uitsprekende
dat Karel de wettige opvolger der west-romeinse keizers en de gelijke
van de Oost-Romeinse heersers was. Wat de paus tot dit gebaar
bewoog, is duister. Wilde hij slechts zijn dankbaarheid
bewijzen,
of zich ‘de meerdere van den wereldlijken heerser toonen?
Voor
Karel kwam dit gebaar onverwachts en misschien tegen zijn zin; maar het
is wel zeker dat de nieuwe waardigheid met zijn eigen idealen strookte.
Zoowel de pausen als de keizers konden deze gebeurtenis later ten eigen
bate aanhalen. Het is alsof de idealen van de politieke heerschappij
over de kerk en van de kerkelijke heerschappij over de politiek elkaar
hier nog ontmoeten, voor ze de strijd op leven en dood zullen beginnen.
Na Karel
Na Karel ging het snel bergafwaarts. Het rijk werd voortdurend
geteisterd door de aanvallen der Noormannen, der Saracenen en der
Hongaren. In 843 viel het in drie stukken uiteen: Frankrijk,
Duitsland en daartussen het rijk van Lotharingen, Bourgondië
en
Italië. De kerk die eenheid nodig had, kon deze niet meer bij
de
staat vinden. Geen wonder dus, dat er nu in de kerk een sterke stroming
ontstond om vrij te worden van de politieke afhankelijkheid en
onder het rechtsgezag van den paus te komen. De staatskerk van Karel
den Grote was voorbij. De pausen gedroegen zich al vrijer, al waren ze
nog niet machtig genoeg om de hun gunstige situatie geheel uit te
buiten. Als een profetie van de toekomst verheft zich onder hen de
krachtige gestalte van Nicolaas I (858-867), dien “tweeden
Elia”. Hij wist de pauselijke stoel voor een ogenblik tot het
middelpunt van het Rijk te maken. Eigenlijk proclameerde hij
de
kerkelijke en politieke almacht van den paus (de keizer als leenman van
den paus). Hij kon lang niet bereiken wat hij wilde: hij was nog
gebonden door het Germaanse landskerkenstelsel. Maar hij wees de weg
die zijn opvolgers met taaie volharding zouden gaan. Ook ontstonden in
deze gistingstijd een reeks “documenten” die ten
doel
hadden de vrijheid der kerk en de macht van den paus en de bisschoppen
historisch te bewijzen. In de reformatietijd is ontdekt, dat deze
documenten groten deels vals of vervalst zijn. Maar de pausen
hebben er zich met succes van bediend. Het is merkwaardig dat de eis
van den paus om vrij te zijn tegenover de staat vanaf het begin gepaard
gaat met de pretentie om te heersen over de staat. Daar kan een stuk
theocratisch roepingsbesef in steken, in de geest van
Augustinus’
“Staat Gods”. Maar in deze bepaalde vorm was het
toch
veeleer een bewijs, hoe door en door verwereldlijkt de
stedehouders van Christus waren.
Geestelijk is de negende eeuw, vooral in haar eerste helft, lang niet
onbelangrijk geweest. De wetenschappelijke opleving onder
Karel
heeft zich nog voortgezet, hoewel kloosterlijk en theologisch verengd.
Iets van de geest van Augustinus werd weer over de kerk vaardig en kwam
met de geest van diens leerling Gregorius den Grote in botsing.
Tegenover de gangbare misoffertheorie vond de geestelijke
avondmaalsleer, en tegenover de vrije wil en de verdiensten vond de
verkiezende genade weer vurige verdedigers. De onder Karel begonnen
strijd tegen het bijgeloof, tegen de verering van heiligen, beelden en
relikwieën werd voortgezet. Er gaat een reformatorische
ritseling
door de theologie van deze tijd. Maar deze geest was niet opgewassen
tegen het bondgenootschap van Gregoriaansche ketterij en
germaansch bijgeloof. Nog een eenling moeten wij noemen: Johan
nes
Scotus Eriugena, den pantheïstischen mysticus, die de
platonische
mystiek in christelijk gewaad in de west-europeesche kerk heeft
geïntroduceerd. De tijd voor zijn ideeën is
pas later
gekomen, maar toen zijn ze een groote rol gaan spelen. Ze behooren niet
in de kerk thuis, maar hadden reeds sinds Origenes een duurzame
verzoeking voor haar beteekend.
Omstreeks 900 bereikten kerk, staat en cultuur hun dieptepunt. Er was
geen krachtige leiding meer. In Frankrijk werden kerk en kloostergoed
een buit van de adel. In Duitschland verzwakten de stamhertogen het
centrale koningsschap. De kerk was nog niet sterk genoeg om in de
algemeene verbrokkeling staande te blijven. Het treurigste
beeld
boden de pausen, die geheel in de macht van Rome’s adel
geraakten. De pauselijke waardigheid werd door de grootste deugnieten
bekleed. De naam “pornocratie” voor deze tijd in de
pausengeschiedenis is treffend en spreekt voor zichzelf.
Blijkbaar konden de paus en de kerk nog niet buiten een krachtige
staatssteun
22. DE STRIJD
TUSSCHEN PAUS EN KEIZER
Om de universele
theocratie
Het ideaal van Karel den Grote: één West-Europees
rijk
onder de leiding der kerk en zo onder de heerschappij van het
Woord Gods, een universele theocratie; dit ideaal heeft de politieke
worstelingen ook der volgende eeuwen bepaald. Deze
samenlevingsvorm stond als ideaal vast. De inzet der politieke
worstelingen was de vraag, wie de leiding van deze
theocratische
gemeenschap hebben zou. Zou het de koning-keizer van Duitsland zijn, de
erfgenaam van het krachtigste deel van Karels rijk? Of zou het de paus
zijn, die als hoofd der kerk ook het opperhoofd der wereld beweerde te
zijn? Voor het middeleeuwse bewustzijn betekende het stellen van deze
vraag haar beantwoording. De eerbied voor de kerk en haar leiding, als
voor goddelijke machten, leefde zoo diep en algemeen, dat men zich op
de hoogste plaats ter wereld slechts Christus’ stedehouder
kon
voorstellen. En de paus heeft zijn kans grondig uitgebuit. Zijn
geestelijk gezag bracht hem ook de macht over de koninkrijken der
wereld; maar het was een wereldse macht, die met een waarachtig
geestelijk gezag niet kon samengaan.
Otto I
Het Duitse rijk was gebouwd op de verschillende stamhertogen,
die
in de tiende eeuw het koningschap bedreigden en het rijk
versplinterden. De machtige keizer Otto I, de Grote (936-973), zag in,
dat op hen geen rijkseenheid kon worden gebouwd. Hij verlaagde ze dus
tot ambtenaren en legde de regeringsmacht der rijksonderdelen in de
handen der bisschoppen en der abten. Deze mensen waren betrouwbaar en
hadden uiteraard naast het rijksbelang geen belangen van de eigen
dynastie te verdedigen. Tot op de tijd van Napoleon heeft deze
vreemde combinatie vorst-bisschop in Duitsland bestaan. Politiek was
Otto’s daad zeer gelukkig: de bisschoppen werden de zuilen
van
een hechte rijksregering. Maar kerkelijk was de zaak
allerbedenkelijkst. Natuurlijk benoemde de Duitse koning van
nu af
zelf de bisschoppen, waarbij het politieke belang de eerste
rol
speelde. En de herdersstaf laat zich moeilijk met het zwaard verbinden;
óf het geestelijk dienen óf het politieke heersen
moet er
bij te kort komen. Meestal kwam het eerste dan te kort. Het werd een
verwereldlijking van het opzienersambt.
Om dit nieuwe regeringsbeginsel had Otto ook belang bij een krachtig
pauselijk gezag onder Duitse voogdij. De Duitse koningen beseften dat
ze op politieke gronden belang hadden bij een krachtig pausdom. Eerst
de droeve ervaring leerde hen, dat ze er nog veel meer schade van
hadden. Otto heeft, bij de vervallen toestand van de pauselijke stoel,
ten deze zijn idealen maar zeer gedeeltelijk kunnen verwerkelijken.
De cluniacenzische
hervorming
De vernieuwing van het pausdom en van heel de kerk kwam van elders.
Omstreeks het midden der tiende eeuw, in een tijd van uiterlijke druk
en innerlijk verval, ontwaakte het besef dat het verdorven
kloosterwezen weer nieuw op de oude beginselen moest worden opgebouwd.
Het middelpunt der hervormingsbeweging werd het klooster van
Cluny
in Bourgondië. Van daar breidde “de cluniacenzische
hervorming” zich over Frankrijk en Italië en in
mindere mate
ook over Duitsland en Engeland uit. Het programma van deze
beweging eiste dat de kloosters rechtstreeks onder den paus
zouden
staan, dat ze vrij zouden zijn van alle niet-kerkelijke heerschappij
van koning of adel en dat de monniken strenge tucht en een verdiepte
vroomheid zouden beoefenen.
Sinds de elfde eeuw kreeg deze beweging ook een machtige invloed op de
geestelijkheid. Ook daar ontstond een streven om wantoestanden weg te
nemen. Hier kreeg het cluniacenzische ideaal de tweevoudige vorm van
strijd tegen de simonie en tegen het nicolaïtisme.
“Simonie” is genoemd naar Simon den Tovenaar, die
van de
apostelen tegen een geldsom den Heiligen Geest wilde ontvangen (Hand.
8:18). Het werd nu de afkeurende naam voor de veel verbreide
praktijk dat een kerkelijk ambt ten behoeve van stoffelijk
gewin
werd vergeven, wat meestal geschiedde wanneer het
benoemingsrecht
in de handen van wereldlijke personen lag.
“Nicolaïtisme” is ontleend aan de vage
aanduiding van
de sekte der Nicolaïeten (Opb. 2:6), als wier zonde
de
ontucht werd voorgesteld. Het werd de naam niet alleen voor de misstand
dat een priester in een onwettige verhouding met een vrouw leefde, maar
ook voor de gehuwde staat van een priester. Beide kwam veel voor.
Simonie en nicolaïtisme streden tegen het kerkelijke recht,
welks
doorvoering het ideaal der hervormingspartij was. Met dit programma had
de cluniacenzische hervorming zich al ver van haar oorspronkelijk
geestelijk-kloosterlijk ideaal verwijderd, en was ze ingeschakeld in de
pauselijk-kerkelijke wereldpolitiek.
Het pausdom hersteld
Ook de keizers kwamen onder invloed van deze partij. Hun regeringsvorm
deed hen naar een sterke kerk verlangen en verscheidene van hen hadden
ook, afgezien van de politiek, wel begrip voor wat de kerk nodig had.
De grote keizer Hendrik I paste de hervormingsbeginselen toe op het
pausdom, dat nog steeds in simonie, bedrog en moord verzonken lag. Drie
gelijktijdige (!) pausen zette hij af en benoemde een nieuwe. Daarmee
begon de herleving van het pausdom (1046, synode van Sutri).
Weldra beklom een energiek man de roomse stoel: Leo IX wist het gezag
van den paus alom te herstellen en schiep uit de geestelijkheid van
Rome en omgeving het college van kardinalen, dat als de pauselijke
generale staf in de kerkelijke politiek zulk een belangrijke rol is
gaan spelen.
Nu gevoelde het pausdom zich sterk genoeg om zich tegen zijn weldoener,
den Duitse koning, te keren. Want de hervormingspartij ging steeds
verder in haar eisen. Het begrip “simonie” werd zoo
opgevat, dat het alle verlening van kerkelijke ambten door leken
(lekeninvestituur) omvatte. De benoeming der Duitse
bisschoppen
door den keizer viel er dus ook onder. Maar de keizer die dit recht
prijs gaf, vernietigde de grondslagen van het rijksgebouw.
Geen
van beide partijen kon hier toegeven. Aan het hoofd der
hervormingspartij stond de onbuigzame kardinaal Hildebrand, die in 1059
de pauskeuze aan de kardinalen trok en de invloed van den keizer
daarbij uitschakelde. De tijd was gunstig, want in 1056 had de
zesjarige Hendrik IV de troon beklommen, en zijn zwakke voogden konden
zijn belangen niet verdedigen.
Gregorius VII en Hendrik
IV
Onvermijdelijk werd de strijd, toen de machtige Hildebrand in
1073
paus werd onder de naam Gregorius VII. Hij is een der allergrootste
pausen geweest, die het theocratische ideaal het duidelijkst
belichaamde. Drie grondgedachten droegen al zijn werk: 1. de paus is
volstrekt onafhankelijk van enige andere macht ter wereld; 2. de paus
is de onbeperkte heer der kerk; 3. de paus is de heer der wereld, die
ook het wereldlijk gezag verleent: het staatsgezag ontvangt zijn gezag
van het pauselijk gezag, zoals de maan van de zon. Min of meer
duidelijk hadden deze ideeën ook aan Leo I, Gregorius den
Grote,
Nicolaas I en aan vele anderen voor hun ogen gezweefd. Maar niemand
heeft zo onverbiddelijk de verwerkelijking van deze ideeën
nagejaagd. Hij gevoelde zich daarbij in dienst der gerechtigheid. Ook
lage middelen heeft hij niet geschuwd. “Vervloekt zij, die
zijn
zwaard van het bloed onthoudt” (Jer. 48:10) was een geliefd
woord
van hem.
Op een synode liet Gregorius in 1075 de lekeninvestituur verbieden.
Voor Hendrik IV was dit natuurlijk onaannemelijk. Hij liet Gregorius
door zijn Duitse bisschoppen afzetten. De paus, die met de Duitse
vorsten samenspeelde, sprak toen over Hendrik de ban uit,
verklaarde hem voor afgezet en ontsloeg zijn onderdanen van hun eed van
trouw. En zoo groot was zijn gezag, dat heel de christelijke wereld
zich nu vol ontzetting van den gevloekte koning afkeerde. Hendrik zag
in, dat alle mogelijkheden hem afgesneden waren en besloot tot
een
snelle en opzienbarende daad. In de zeer strenge winter van 1077 trok
hij met zijn gemalin en enkele vrienden de Alpen over. Na een
uitputtende tocht verscheen hij barrevoets en in het kleed van den
boeteling voor de poorten van het kasteel Canossa in
Noord-Italië, waar de paus op dat ogenblik vertoefde.
Na een
aarzeling van drie dagen verhoorde de paus zijn bede en ontsloeg hem
van de ban.
Welke beweegredenen liggen aan dit wereldberoemde toneel ten grondslag
en wat is de zin er van? Voor Hendrik moet de bedoeling van deze
noodsprong allereerst zijn geweest om van den politieke
tegenstander in hoger beroep te gaan bij den priester, die geen
boeteling mag verstoten. En het strekt Gregorius tot eer, dat na een
heftige tweestrijd de priester in hem het van den politicus heeft
gewonnen. Toch hield hij ook toen een slag om de arm (de afzetting werd
niet teruggenomen) en kort na Canossa werd de priester weer geheel de
politicus. Maar toen was het te laat. Voor het besef van het Duitse
volk was de ban nu gebroken. Hendrik herwon zienderogen zijn macht en
de tegenstand van Gregorius had nu het gevolg, dat de paus zijn eigen
aanzien op het spel zette. Het is daarom niet gemakkelijk te zeggen,
wie te Canossa de overwinnaar was. Gregorius scheen daar te triomferen,
maar het werkelijke voordeel was voor Hendrik. In 1084 liet hij zich na
een geslaagde veldtocht tegen Rome door een eigengekozen paus tot
keizer kronen. Wel keerde Gregorius nog eens naar Rome terug, maar de
volkswoede tegen dezen onverzettelijke rustverstoorder was zoo groot,
dat hij bij zijn vrienden de Noormannen in ballingschap ging. Zijn
laatste woorden waren: “Ik heb de gerechtigheid liefgehad en
het
onrecht gehaat; daarom sterf ik in ballingschap!”
De voorlopige oplossing
Zijn opvolgers zetten de strijd tegen de lekeninvestituur voort. Maar
de pretentie der wereldheerschappij, die Gregorius zooveel vijanden had
bezorgd, lieten ze voorlopig rusten. In de litteratuur kwam de
onderscheiding op tussen de kerkelijke investituur met ring en staf en
de koninklijke met de scepter. Op deze grondslag bleek in Frankrijk en
Engeland een oplossing mogelijk. En ook in Duitsland kwam het daar ten
slotte toe. In 1122 werd bij het concordaat van Worms bepaald, dat de
geestelijken uit de diocese den bisschop zouden kiezen, maar
dat
de koning het recht had, hem onwelgevallige te weigeren. Dat was een
compromis, waarbij niemand overwinnaar was. Maar het was toch een stap
op de weg naar de vrijheid en heerschappij der kerk. Toch was het
ideaal nog niet bereikt en het einde van de strijd nog niet gekomen.
Juist omdat onze menselijke sympathie in deze worsteling zoo
gemakkelijk de zijde van den Duitse koning kiest, moeten we
uitdrukkelijk vaststellen, dat de paus hier streed voor de
wettige
zaak van de volstrekte onafhankelijkheid der kerk tegenover de
wereldlijke machthebbers. De eis dezer vrijheid behoort ten allen tijde
tot haar wezen. Dat de pausen direct verder gingen en zodra ze vrij
waren van de wereldlijke macht, zelf over die macht wilden heersen, dat
had ook zijn wettige beweegreden. Het Woord Gods heeft een
imperialistische, theocratische tendens. Augustinus had in zijn
“Staat Gods” deze dingen reeds min of meer
uitgesproken.
Maar hier begint dan ook de zonde der pauselijke politiek: zij
vereenzelvigde de heerschappij van het Woord Gods met de politieke
macht van een mens. Dat ligt in het wezen van het pausdom, dat immers
de overdracht van Christus’ heerschappij op een mens tot
grondslag heeft. Dat deze binding van het Woord Gods de oer-zonde was,
werd in deze tijd nog niet beseft. De paus scheen Gods zaak te
verdedigen. De keizer verdedigde slechts zijn eigen belangen. Daarom
moest de paus het winnen.
Maar als het den paus werkelijk om de heerschappij van Christus door
Woord en Geest te doen geweest was, dan zou zijn strijd heel wat
geestelijker en deemoediger gestreden zijn. Dan was er zelfs
geen
mogelijkheid geweest om den priester tegen den politicus uit te spelen.
Maar het besef van een geestelijke opdracht, hoe echt ook, werd in de
praktijk gedegradeerd tot een voorwendsel voor zuiver wereldse
aanspraken. Wanneer Gods heerschappij zoo zonder rest opgaat in die van
een zondig mens, gaat ze onder. Hier was de grens naar het
antichristelijke overschreden. De tijd was niet ver meer, dat brede
groepen deze dingen weer van de Heilige Schrift uit gingen beoordelen.
23. DE
KRUISTOCHTEN
Met dit onderwerp raken we schijnbaar een geheel andere zijde van de
middeleeuwse kerk dan toen we over de strijd tussen paus en keizer
handelden. En toch werden beide geschiedenissen door dezelfde
beginselen gedragen. De kruistochten waren, van het standpunt der
pausen uit bezien, een middel om hun macht ook over de oosterse kerk en
de mohammedaanse wereld uit te breiden. En dat de paus het van den
keizer moest winnen, berustte op het besef der massa, dat aan de
geestelijke krachten bij de vorming en leiding van het leven de eerste
rol toekomt. Datzelfde ideaal van een geestelijke wereldorde deed
geslacht na geslacht naar het Oosten trekken, om tegen de ongelovigen
te strijden. Het kruistochtideaal is de vorm geweest, waarin voor vele
geslachten der middeleeuwen het hoogste zedelijke idealisme was
belichaamd.
Voorgeschiedenis en
beweegredenen
Omstreeks 1070o waren Palestina, Syrië en Klein-Azië
in
handen gevallen van de veroveringszuchtige stammen der Turken, die
sindsdien eeuwenlang een bedreiging voor de Europese cultuur zijn
geweest. De pelgrims, die de heilige plaatsen bezochten, werden telkens
door de Turken lastig gevallen. Ze beklaagden zich bij den paus. Ook de
Oost-Romeinse keizer voelde zich bedreigd en vroeg door bemiddeling van
den paus om westerse hulp. Gregorius VII had al kruistocht-plannen.
Maar pas in later laaide een algemeene geestdrift voor de heilige
oorlog op, nadat paus Urbanus II ter gelegenheid van een synode te
Clermont in de open lucht voor een ontzaglijke menigte een
bezielende toespraak had gehouden. “God wil het!”
was het
antwoord uit duizenden monden. Men wilde het heilige graf
bevrijden en de ongelovigen neerwerpen. Jezus’
woord:
“zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelf en
neme zijn kruis op en volge mij” vond in het kruistochtplan
voor
talloze zijn concrete toepassing. Bezielde kruistochtpredikers, vooral
de befaamde Petrus van Amiens, gaven de pauselijke oproep
door.
Vooral uit Frankrijk namen zeer velen het kruis aan. Was dit alles
heilige geestdrift? Natuurlijk speelden wereldse beweegredenen evenzeer
hun rol: zucht naar avontuur, verovering en rijkdom; vlucht
uit
lastige verhoudingen in het eigen land; ook begeerte naar volkomen
aflaat van zonden, die door den paus als loon op de deelname was
gesteld. Bij den paus zelf speelde de begeerte om zijn heerschappij ook
over het Oosten uit te breiden, een grote rol. Toch zouden de moderne
geschiedschrijvers goed doen, als ze deze wereldse bijmotieven niet zoo
eenzijdig naar voren schoven. Want veel belangrijker is het feit, dat
een dergelijke omvattende beweging voor een geestelijk ideaal in de
moderne wereld ondenkbaar is. Daar schept alleen het eigenbelang nog
machtige bewegingen. Het is een heerlijk voorrecht van de middeleeuwen
geweest, dat de geestelijke krachten toen veel onmiddellijker het leven
beheersten. Daar steekt het moderne leven droevig bij af. Toch willen
we niet vergeten dat de kruistochten praktisch
veroveringstochten
waren. Zendingsdrang zat er geheel niet achter. Eerder een goed stuk
Europese expansiezucht. Maar de stuwing gaf het gevoel, dat
men
een heilige oorlog voerde.
Het verloop
Het mag een wonder heten, dat de eerste kruistocht succes had. Want men
was onvoldoende gewapend en volslagen onbekend met de verhoudingen in
het Oosten. Heel het plan maakt een fantastische en roekeloze indruk.
Maar geestdrift en haat vergoedden veel. Een deel van
Klein-Azië
werd veroverd en aan den keizer van Constantinopel afgestaan.
Ook
de kuststreken van Syrië en Palestina werden veroverd
en tot
Latijnse staten gevormd. In 1099 viel Jeruzalem. Na een wreed bloedbad
op de bevolking trok het psalmen-zingende leger naar het heilige graf,
om God daar voor Zijn hulp te danken. De edele Godfried van Bouillon
had daar de leiding, als “beschermer van het heilige
graf”.
In het algemeen moesten de ongelovigen wel een lage indruk krijgen van
Christus’ kerk. Bloeddorst, zedeloosheid en onderlinge twist
kenmerkten zeer vele kruisvaarders.
Toen het rijk van Edessa viel, maakte Bernhard van Clairvaux vurig
propaganda voor een tweede kruistocht. Deze werd van 1147-1149
gehouden, maar mislukte voor Damascus.
De herovering van Jeruzalem door Saladin in 1187 was het sein voor de
derde kruistocht (1189-1192), die evenmin succes had. Hierbij kwam de
grijze keizer Frederik Barbarossa om het leven.
De vierde kruistocht (1202-1204) droeg een heel ander karakter. Dit was
eigenlijk geen kruistocht, want het ging nu tegen den keizer van
Constantinopel. Het kruisleger was door diens vijanden daartoe
uitgenodigd en diende met deze actie de handelsbelangen van
Venetië. Zoo werd in Constantinopel het “Latijnse
keizerrijk” opgericht en tevens de Latijnse kerkvorm
ingevoerd.
Dat heeft de haat tussen Oost en West slechts vergroot. In
1261
heroverde de keizer zijn hoofdstad weer. Maar het oostelijke rijk was
hierdoor in zijn weerstand tegen de Islam verzwakt. Deze
kruistocht had dus het tegengestelde van zijn bedoeling
bewerkt!
Toen de volwassenen niet meer wilden, werd in 12 12 zoowaar
een
kinderkruistocht georganiseerd. Had Jezus niet gezegd: “Laat
de
kindertrens tot mij komen en verhindert ze niet”? Geen dezer
onvolwassenen is in Palestina gekomen. De meesten werden de prooi van
de honger en van slavenhandelaars. Succes had alleen de zesde
kruistocht onder keizer Frederik II (1228-1229), die langs diplomatieke
weg gedaan wist te krijgen, dat de sultan hem Jeruzalem, Bethlehem,
Nazareth en de kuststreek afstond. In 1244 viel Jeruzalem weer. En
ondanks de kruistochten van den idealistische Franse koning Lodewijk
den Heilige, gingen de Latijnse staten in het Oosten
één
voor één onder. De verovering van Akko door de
Mohammedanen in 1291 geldt als het slot der kruistochten.
De gevolgen
Zoo is het politieke resultaat van minstens acht grootscheepse
ondernemingen wel heel pover geweest. Alle inspanning schijnt
vruchteloos geweest te zijn. Maar al werd het gestelde doel niet
duurzaam bereikt, de kruistochten hebben vele onbedoelde
gevolgen
gehad, die voor het kerkelijke en culturele leven van Europa van de
grootste betekenis zijn geworden. Men kwam in aanraking met een nieuwe
en veelszins hogere cultuur; dat betekende een machtige
verwijding
van de horizon. Tevens brachten de tochten een grote opbloei van de
handel, vooral in Frankrijk en Italië. De steden gaan zich
ontwikkelen. En met de steden komt de derde stand op; het
burgerdom ontstaat.
Ook kerkelijk hadden de kruistochten allerlei gevolgen. Men ontdekte,
dat ook onder de heidenen hoogstaande mensen en gedachten te vinden
waren. Zoo werd in bepaalde kringen twijfel gewekt aan de
absoluutheid van het christelijk geloof. Het bezoek aan de heilige
plaatsen gaf een sterke indruk van Jezus’ mensheid en van
zijn
nederigheid, die zoo schril afstak tegen de pracht van zijn kerk. Zoo
ontstond een nieuwe Christus-devotie, die ons in het volgende hoofdstuk
nog zal bezighouden. Deze aanschouwelijkheid van
Jezus’
leven gaf echter ook de stoot tot een grote zwendelarij met
relikwieën.
Tijdens de kruistochten ontstonden ook de zgn. ridderorden. Deze
adellijke bonden verenigden het ideaal van monnik en ridder.
De
leden verplichtten zich behalve tot armoede, kuisheid en
gehoorzaamheid, ook tot de strijd tegen de ongelovigen en in het
bijzonder de gewapende bescherming der pelgrims. De oudste
zijn de
overwegend Franse Johannieter- en Tempelierenorde (beide omstreeks
1120). De “Duitse orde” (1190) is in de dertiende
eeuw
bekend geworden door haar verovering en kolonisering van het
tegenwoordige Oost-Pruisen. Het militaire ging in de orden steeds meer
overwegen. Op de duur werden ze rechtstreeks onder den paus
staande keurtroepen.
24. BERNHARD
VAN CLAIRVAUX EN ZIJN TIJD
Reactie op de
verwereldlijking
Als een rode draad gaat door het kerkelijk gebeuren der middeleeuwen
het theocratisch ideaal, dat de kerk sinds Constantijn had voor ogen
had gezweefd, dat in het rijk van Karel den Grote een voorlopige
verwerkelijking had gevonden en dat nu in de vorm van een
volstrekte pauselijk-kerkelijke heerschappij over West-Europa
werd
nagestreefd. Maar wat heel de kerkgeschiedenis bewijst, werd
ook
hier openbaar: als de kerk macht over de wereld krijgt, krijgt de
wereld nog meer macht over de kerk. De pausen waren veldheren en
politici geworden. En in de cluniacenzische hervormingsbewegingwas het
geestelijke doel steeds meer schuil gegaan achter luxe en aardse macht.
Ook nu was de kerk echter niet volledig aan de verzoekingen prijs
gegeven. Aan het eind der elfde eeuw kwam een zuiverende
vloedgolf
op. Weer ging het initiatief van de Franse kloosters uit. De orden
ontstonden. Van een moederklooster uit werden dochterkloosters
gesticht, die zich verbonden tot het volgen van een
gemeenschappelijke strenge regel en die onder één
bestuur
stonden. Een der eerste en bekendste orden is die der Kartuizers. Zeer
streng en daarom oorspronkelijk zeer klein was de orde der
Cisterciënzers, genoemd naar het Bourgondische klooster
Citeaux.
Bij dit nieuwe kloosterideaal ging het er om, het monnikenleven uit de
verwereldlijking te bevrijden. De culturele bemoeienis moest
plaats maken voor zeer strenge ascese. Alle luxe moest worden vermeden.
Ook de kloosterkerken werden zoo simpel mogelijk gebouwd. In
een
tijd dat de kerk politieke doeleinden najaagde, werd haar in de nieuwe
kloosterbewegingen een zuiver religieus ideaal voorgehouden.
Bernhards leven
Wereldbetekenis kreeg dit ideaal pas door den grote cistercienzischen
monnik Bernhard van Clairvaux (1091-1153). In dezen jongen
Bourgondische ridder ontbrandde een hevige hartstocht voor het
monniksideaal. Met vele door hem beïnvloede familieleden trad
hij
toe tot het strengste klooster van zijn tijd, dat van Citeaux. Reeds op
vier-en-twintigjarige leeftijd werd hij abt van het dochterklooster
Clairvaux, dat in een woeste streek werd gesticht. Onder zijn
leiding was de streek weldra onherkenbaar in haar voordeel
veranderd. Toen hij stierf, telde zijn klooster zevenhonderd monniken
en honderdzestig dochterkloosters.
Bernhard was allereerst asceet. Zijn lichaam werd verteerd door zijn
strenge onthouding. Maar in dat lichaam huisde een vurige geest. Hij
had een ongeëvenaarde invloed op zijn medemensen door zijn
machtige redenaarsgave. Weldra ging de roep van zijn
heiligheid en
zeggingskracht door heel de kerk. Hoge ambten werden hem aangeboden.
Het volk van Milaan smeekte hem, hun aartsbisschop te worden. Maar hij
wees alles af, omdat hij zijn armoede-ideaal trouw wilde blijven.
Vanzelfsprekend was dit zijn optreden een kritiek op de toenmalige kerk
van weelde en macht. En met zijn machtig woord veroordeelde hij de
veruitwendiging en verwereldlijking des levens bij paus en
geestelijkheid. Toch betekende dat allerminst een kritiek op het
theocratisch ideaal zelf. De oer-zonde van dit ideaal, namelijk de
vereenzelviging van de heerschappij Gods met die der
kerkvorsten,
besefte hij zelf niet. Tenslotte was Bernhard een conservatieve geest.
Hij streed alleen tegen uitwassen. Het kan ons dan ook niet
verwonderen, gezien de theocratische levensorde der
middeleeuwen,
dat juist deze geestelijke mens een vooraanstaande plaats innam in het
politieke leven van zijn tijd. Deze eenheid van ascese en activiteit is
typisch middeleeuws. Meermalen trad hij op als vredestichter tussen
vorsten. We hoorden al, hoe zijn vlammende woorden de wereld tot de
tweede kruistocht bewogen. De mislukking daarvan heeft aan
zijn
gezag veel afbreuk gedaan. Ook greep hij in, toen er twee pretendenten
voor de pauselijke stoel waren. Het is duister waarom hij juist voor
den onwettig gekozene heeft geijverd. Hij wist hem ook werkelijk
algemene erkenning te verschaffen.
En toen zijn leerling Eugenius III paus werd, onderrichtte hij hem op
diens eigen verzoek in een werk “De
zelfbeschouwing”,
waarin hij wees op de gevaren en misstanden aan het pauselijk ambt
verbonden. In het algemeen is Bernhards publieke arbeid niet zeer
gelukkig en vruchtdragend geweest. Belangrijker is de symbolische zin
er van: een uitgeteerde monnik is de geestelijke leidsman en
ongekroonde heerser van zijn tijd.
De nieuwe vroomheidsvorm
Zijn eigenlijke en blijvende betekenis ligt op het gebied der
innerlijke vroomheid. We kunnen hem wel den schepper noemen
van
een nieuwe vroomheidsvorm. In de Germaanse geloofsvorm overwogen van
meetaf, zoals we zagen, het besef van Jezus als den strijdende en
overwinnende leider en van den gelovige als zijn soldaat en volgeling.
Eeuwenlang zag men Jezus op de afstand van den heersende koning. Zelfs
in de afbeeldingen van den gekruisigde valt het koninklijk-tronende op.
Dit Jezus-beeld correspondeerde met de toenmalige vorm van het
theocratisch besef. Het was moeilijk voor het geloof, een
persoonlijke verhouding te vinden tot dezen starren heerser. Maar door
de kruistochten werd dat geheel anders. Jezus’ lijdende
menselijkheid ging spreken, eerst door de herinneringen in het heilige
land, vervolgens ook door de evangelie-verhalen. Jezus’
gestalte ging leven. Dat betekende een geweldige stap vooruit.
Tegenover dezen Jezus was een persoonlijke verhouding mogelijk. De
betrachting van zijn lijdende liefde wekte schuldbesef, bekering,
deemoed, navolging.
Bernhard is de man geweest, door wiens prediking dit nieuwe Jezus-beeld
voor duizenden werkelijkheid is geworden. De mens - zoo stelt hij het
voor - moet beginnen zich te verdiepen in het beeld van den lijdende
Jezus. Hij zal daardoor tot berouw, deemoed, geduld en wederliefde
worden opgewekt. Daardoor zal de begeerte in hem groeien,
dezen
Jezus na te volgen en diens armoede en lijden te delen. Zoo voert de
deemoed tot navolging. En de navolging voert tenslotte tot de
hoogste trap: de onmiddellijke aanraking met Jezus’
goddelijkheid. In dit hoogst genot is Christus de bruidegom en de ziel
de bruid. Deze “kus des monds” (Hooglied 1:2) is
echter een
zeldzaamheid. Beroemd zijn Bernhards preken over het Hooglied.
Maar de hoofdlijn van zijn vroomheid is niet deze bruidsmystiek, doch
de devotie tot Jezus. Jesaja 53 leidde hem daarbij. Ons lied
“O,
hoofd bedekt met wonden” is uit zijn geest geboren. De
gedachte
aan menselijke verdienste blijft daarbij geheel op de achtergrond. Ja,
meer dan eens wordt Bernhard zelfs de vertolker der rechtvaardigheid
door het geloof alleen. “Heel mijn verdienste bestaat in de
ontferming Gods”, zegt hij. Toch is dit niet in de radicale
zin
van Luther gemeend. Maar het is geen wonder dat Luther dezen
“Augustinus der middeleeuwen” hoog heeft vereerd.
Het is verwarrend, deze nieuwe vroomheidsvorm mystiek te noemen. Van
een (on-Bijbelse!) één-wording van God en de ziel
is hier
geen sprake. Zelfs, ondanks de voorliefde voor het Hooglied, niet van
een zwoel-erotische sfeer, zoals we die naderhand in een
bepaalde
soort nonnenvroomheid en in de uitwassen van het
piëtisme
aantreffen. Ook is Bernhard niet zoo individualistisch als hij lijkt;
hij weet zeer wel, dat de eigenlijke bruid van Christus niet
de
enkeling, maar de kerk is. Daarmee is niet ontkend, dat al deze gevaren
dreigden en onder Bernhards volgelingen ook werkelijkheid werden. De
nadruk op Jezus’ armoede als ons voorbeeld moest ook leiden
tot
een al te wettische opvatting van na-volgen als nadoen. Alleen
dan
kon deze vroomheidsvorm zuiver blijven, wanneer ze ervaring des
gelóófs wilde zijn en dit geloof zijn bron en
middelpunt
bleef. Maar de beslissende betekenis van het geloof ging in de
middeleeuwen tussen de sacramentsgenade, de navolging en de goede
werken te lor.
Arnold van Pressie
Tegen wil en dank gaf Bernhard met zijn prediking het voorspel voor een
aantal op het verworden theocratische ideaal. Zijn tijdgenoot Arnold
van Pressie, die vooral te Rome werkte, ging tot die aanval over. Deze
profetische boeteprediker ging nog een beslissende stap verder dan
Bernhard en stelde de eis, dat Jezus’ armoede de
leéfregel
der kerk moest worden. Op voorgang der apostelen moet zij afzien van
aards bezit en macht. Arnold bestreed niet alleen de uitwassen der
kerkelijke heerschappij, maar hij verwierp deze in haar geheel. De paus
liet hem ter dood brengen. Maar weldra zou de leuze der apostolische
armoede over een breed terrein de grondslagen der theocratie
ondermijnen.
25. HOOGTEPUNT
EN KEERPUNT DER PAUSELIJKE HEERSCHAPPIJ
De theocratische aandrift, zo typerend voor de middeleeuwen, moet in de
kerk van Christus steeds dan werkzaam worden, wanneer die kerk uit de
verdedigingshouding tot volle bewegingsvrijheid verlost wordt. Als het
goed is, herinnert ze zich dan, dat ze een woord heeft voor de wereld,
een woord, dat Gods koningschap (theocratie) over alle
levensverhoudingen proclameert. Sinds Constantijn en vooral sinds
Theodosius zagen we de kerk op die weg. In het rijk van Karel den Grote
werd van een theocratische levensorde meer verwerkelijkt dan
ooit
te voren. Het ideaal, dat toen oplichtte, bleef heel de middeleeuwen
door wenken. Maar de hoofdvraag werd, wie in deze
theocratische
levensorde de leider zou zijn: de paus of de Duitse keizer. Deze
vraagstelling bewees, dat men niet meer op de juiste weg was. Want
theocratie is de heerschappij Gods door Zijn Woord en Geest. Waar die
gezocht wordt, valt alle menselijke leiderschap weg.
Aanvankelijk
werd dat niet beseft. De paus was immers Christus’
stedehouder;
mitsdien moesten theocratie en pausheerschappij een en hetzelfde zijn,
meende men. Maar toen deze heerschappij zich tussen 1150 en 1250 ten
volle kon ontplooien, bleek de Heilige Schrift nog voldoende
macht
te hebben om veler ogen te openen voor het feit, dat hier slechts een
karikatuur der theocratie was bereikt; ook al besefte men meestal niet,
dat de grondfout lag in de leer van het pauselijke stedehouderschap. In
plaats van de heerschappij Gods door Woord en Geest kwam de
heerschappij van een mens door geweld en list, een mens, die
aan
de duivelse influistering “Gij zult als God zijn”
onomwonden gehoor gaf. Als het er niet meer om gaat, dat Christus de
wereld wint, maar dat de kerk en haar heersers de wereld gewinnen, dan
moet het slot zijn, dat de kerk en haar heersers door de wereld
overwonnen worden. Dat is ook in de middeleeuwen gebeurd. Steeds
meerderen gingen het zien. Daarom werd het hoogtepunt tegelijk een
keerpunt.
Frederik I Barbarossa
Dit hoogtepunt kon alleen in de strijd tegen de Duitse keizers worden
bereikt. Want het compromis te Worms van 1122 was maar een voorlopig
einde. Nadat het keizerschap en het pausdom beide in de eerste helft
der twaalfde eeuw weinig macht konden ontwikkelen, herkregen
beide
kort na 1150 hun kracht. De wereld was de monnikenheerschappij van
Bernhard moede, sinds de mislukking van de tweede kruistocht. Velen
ademden op, toen in 1152 een edele, krachtige keizer opstond uit het
geslacht der Hohenstaufen: Frederik I, bijgenaamd
“Barbarossa” (roodbaard). De periode der monniken
scheen
door een periode der ridders te worden afgelost. Frederiks ideaal was
Karel de Grote. Hij was niet van plan, aan de pauselijke leiband te
lopen. Wel schikte hij er zich in om volgens de gewoonte bij zijn
bezoek aan den paus hem maarschalks- (= stalknechts-)diensten te
bewijzen bij het bestijgen van zijn paard; maar in grote dingen gaf hij
niets toe. In 1159 kreeg hij in Alexander III een volwaardige
tegenstander. Frederik trachtte hem door het stellen van tegenpausen
uit de macht te dringen. Maar in 1177 erkende hij hem tenslotte. In
zijn eigen rijk wist hij echter over de kerk zijn gezag wel te laten
gelden. Alexander was een machtig man. Hij dwong zelfs den Engelse
koning om zich op het graf van Thomas Becket, den aartsbisschop van
Canterbury, aan de geesel-boete te onderwerpen, omdat de koning dezen
pauselijke tegenstander van een nationale kerk had laten vermoorden.
Toen Alexander in 1181 stierf, keerden de kansen. Door huwelijk wist
Barbarossa het koninkrijk van Zuid-Italië en Sicilië
aan zijn
geslacht te trekken. Zoo werd de kerkelijke staat ingesloten. In 1190
verdronk de edele Barbarossa op een kruistocht. Maar onder zijn zoon
Hendrik VI (1190-1197) was het rijk der Hohenstaufen machtiger
dan
ooit. De wereldlijke macht van den paus was zeer gedaald.
Innocentius III
Doch ineens keerde de kans weer. Hendrik VI stierf plotseling.
Fr
ontbrandde een strijd om de troonopvolging. Terzelfder tijd besteeg de
grootste der politieke pausen de stoel van Petrus: Innocentius III
(1198-1216). Zijn werk werd de bekroning van de taaie arbeid zijner
grote voorgangers, als Leo I, Gregorius I, Nicolaas I en Gregorius VII.
Het is opvallend hoe al deze pausen in hun optreden op elkander lijken.
Hetzelfde tweevoudige ideaal drijft hen allen: de vrijheid der kerk van
de aardse machten en de heerschappij der kerk over de aardse machten.
In Innocentius’ tijd werd dit ideaal werkelijkheid.
Tegelijk
steeg bij hem het pauselijk zelfbewustzijn tot een bijna waanzinnige
hoogte. Van hem is het woord, dat de paus “minder is dan God,
maar groter dan een mens”, niet alleen de stedehouder van
Petrus,
maar van Christus en God zelf. Dat sluit natuurlijk zijn onfeilbaarheid
in. Heel de wereld behoort aan God en dus aan den paus. Alle vorsten
zijn leenmannen van den paus. Innocentius was een jurist en
politicus, een echte heersersfiguur: geen theoloog, laat staan een
herder in de geest van Joh. 21:15-17. Onder de (misschien onbewuste)
vermomming van goddelijke idealen leefde hij zijn onbegrensde
machtswil uit. En toch heeft diezelfde man een boek geschreven
over “De wereldverachting”. Deze
dubbelheid is typisch
middeleeuws.
Zijn enorme successen zijn behalve aan zijn genie, aan de bijzonder
gunstige constellatie te danken. Hij wist het koninkrijk van
Zuid-Italië weer van het Duitse rijk los te maken en zich daar
als
leenheer te doen erkennen. De omsingeling van de kerkelijke staat was
verbroken. In Duitsland speelde hij de kroonpretendenten tegen elkaar
uit en kreeg zoo allerlei concessies, waardoor het concordaat
van
Worms ten gunste van den paus aan kant werd gezet. In Engeland zette
hij koning Johan bijgenaamd “zonder land” af, en
gaf hem
toen zijn rijk als pauselijk leengoed terug. De koning van Frankrijk
werd gedwongen zijn verstoten vrouw terug te nemen. Op dergelijke wijze
trad Innocentius ook in Spanje, Portugal, Hongarije,
Denemarken,
Polen e.a. op. Door handig de landen en vorsten tegen elkaar uit te
spelen, vermeerderde hij voortdurend zijn eigen macht. Onder zijn
pontificaat vond ook de vierde kruistocht plaats, als gevolg waarvan in
het Oosten het Latijnse keizerrijk en dus ook de pauselijke
heerschappij werd opgericht. Het scheen dat ook de oosterse kerk zich
onder Rome zou buigen. Tenslotte voerde Innocentius een hardvochtige en
onverbiddelijke strijd tegen de ketters, die in het volgende
hoofdstuk ter sprake komt.
Het vierde lateraanse
concilie
Innocentius’ regering werd indrukwekkend afgesloten door de
vierde oecumenische lateraanse synode van 1215. Hier waren meer dan
tweeduizend deelnemers. Toch was ze niet oecumenisch, want de oosterse
kerk ontbrak. En een synode is het ook nauwelijks te noemen; men
betuigde slechts instemming met wat de paus dicteerde.
Intussen is
de inhoud der besluiten belangrijk genoeg. Behalve maatregelen tegen de
ketters en ten behoeve der kruistochten, werd vastgesteld, dat elk
gelovige minstens eenmaal per jaar moet biechten. De geheime oorbiecht,
die in de vierde eeuw in de oosterse kerk de openbare boete ging
vervangen, was via de Ierse kerk naar West-Europa gebracht en door
Karel den Grote sterk bevorderd. Nu werd ze verplicht. Dat betekende
een grote macht van de geestelijkheid over het kerkvolk. Ook werd
verboden om nieuwe monniksorden te stichten zonder goedkeuring van den
paus. Daarmee kwam deze gewichtige tak van kerkelijke dienst onder
directe pauselijke controle.
De belangrijkste synode-daad was de vaststelling van het dogma der
transsubstantiatie. Men sprak dus als goddelijke waarheid uit, dat
brood en wijn bij het avondmaal (de mis) op het ogenblik dat de
priester Christus’ instellingswoorden herhaalt, wel
hun vorm
behouden, maar wat hun substantie betreft in de substantie van
het
werkelijke lichaam en bloed van Christus veranderen
(trans-substantiëeren). Eigenlijk was deze opvatting al eeuwen
lang de gangbare. Haar wortels liggen in de magische denkwijze der
eerste eeuwen. Ze scheen de beste verklaring van het
avondmaalsgeheimenis. Maar vooral Augustinus had dit
geheimenis
anders, veel spiritueler benaderd. En steeds weer, ook in de
middeleeuwen, vond hij navolgers. Nu, in 1215, is zijn opvatting in de
roomse kerk eens en voorgoed uitgeschakeld ten gunste der
realistische avondmaalsleer. Pas in het protestantisme krijgt
Augustinus een nieuwe kans.
Het is niet zonder zin, dat het transsubstantiatie-dogma op het
hoogtepunt der pauselijke heerschappij werd afgekondigd. Beide wortelen
immers in dezelfde grondidee der roomse kerk: de vermenging van het
goddelijke en het aardse. De vleeswording des Woords zet zich voort
zoowel in de figuur van den paus als in het sacrament. Praktisch
betekent dat een vergoddelijking van het vlees. Het protestantisme
staat daartegen alleen dan sterk, als het zich streng aan het
“eens voor al” der vleeswording houdt (Hebr. 9:26).
Ook binnen de kerk is en blijft de paus van ma af de onbeperkte
heerser. Hij is de opperste rechter en bestuurder. Hij maakt de wetten
en kan ze ook weer buiten werking stellen. Hij beschikt over een
machtige organisatie met een leger van ambtenaren, tot welke rang ook
de bisschoppen zijn afgedaald. Weldra wordt de stoel van
Petrus
ook de grootste bankinstelling ter wereld. De simonie, bij de
wereldlijke heersers bestreden, tiert hier welig. We zijn ongemerkt wel
ver van de toestanden der oude kerk afgeraakt! Steeds
meerderen
gingen dat ontdekken.
Frederik II
Het jaar 1215, het hoogtepunt, werd tegelijk het keerpunt. In dat jaar
hielp Innocentius zijn pleegzoon Frederik uit Zuid-Italië, op
de
Duitse troon. Maar hij bleek zich niet als de gewillige leenman van den
paus te willen gedragen. Een nieuwe strijd om de macht ontbrandde,
waarbij aan de pauselijke kant alle geestelijke beweegredenen
onzichtbaar waren geworden. Toen Frederik II een zelfstandige figuur
bleek, ging het er voor de pausen om, zijn rijk, dat weer de kerkelijke
staat omsloot, te vernietigen. Overal in Duitsland en Italië
voerden de pausgezinden (Guelfen) en de keizersgezinden
(Ghibellijnen) een verbitterde strijd. De kerkelijke ban werd in dienst
gesteld van ‘s pausen landhonger. Zeer belangrijk was de
strijdschriftenoorlog, die met dit alles gepaard ging. De paus
beschuldigde er Frederik van, dat hij Mozes, Jezus en Mohammed
“de drie grootste bedriegers” zou hebben genoemd.
Dat is
niet bewezen. Maar zeker is, dat Frederik een vrijgeest was zonder
innerlijke band aan het christelijk geloof. Van zijn kant
betoogde
hij, dat het geestelijke en het wereldlijke regiment gescheiden moeten
blijven. De paus is de antichrist en de draak uit het boek Openbaring.
De kerk moet afzien van wereldlijke macht en tot de apostolische
armoede terugkeren. Deze gedachten vonden in steeds bredere kringen
ingang. Hoe groter de wereldlijke macht der pausen werd, des te meer
slonk de godsdienstige eerbied voor Petrus’ opvolgers. Na
Frederiks dood (1250) schonk de paus het koninkrijk van
Zuid-Italië en Sicilië aan den broer van den fransen
koning.
De laatste der Hohenstaufen stierf op het Franse schavot. Het Duitse
rijk verbrokkelde steeds meer. De paus scheen overwinnaar,
maar
zijn aanzien was sterk gedaald. En van nu af aan kwam Rome ook steeds
meer onder Franse invloed.
26. HET
ARMOEDE-IDEAAL BUITEN EN BINNEN DE KERK
De ascese in de vorm der armoede heeft de kerk van de oudste tijden af
bekoord. Naast de ongehuwde staat was de armoede immers het
sprekendste teken van een geheel aan God toegewijd leven. Toch
is
de gemeente bij dit ideaal nooit een wereld-ontvluchtende sekte
geworden. Dat heeft velen verbaasd. Maar het ligt in het wezen van het
Evangelie. De wereldvlucht is immers geen doel in zichzelf, maar staat
in de dienst der verkondiging van het Woord Gods. De volgeling van
Christus moet zich uit de omarming der wereld losmaken om die
wereld in de greep van het Evangelie te kunnen vatten. Zo stond reeds
in Mattheus 10 de armoede (vs 9 v.) in dienst van de proclamatie der
theocratie (vs. 7). Maar toen dit theocratisch ideaal in de
middeleeuwen verbasterde tot een schoon vermomde werelddienst,
kun
zijn tegenpool: de ascese, evenmin haar zuiverheid behouden. En
Bernhards kritiek, die de grondfout niet zag, had slechts een beperkte
louterende betekenis.
Katharen en Waldenzen
Een radicalere weg werd sinds 1100 door verschillende groepen van
ketters ingeslagen. Zij wilden volstrekte terugkeer der kerk tot de
apostolische armoede, onder prijsgave der theocratische aspiraties: de
ascetische pool zonder de theocratische tegenpool. In deze
tegenpool op zichzelf zochten ze de oerzonde der kerk. Reeds zagen we
deze overtuiging in Arnold van Pressie belichaamd. Maar
terzelfder
tijd droegen bredere kringen in Zuid-Frankrijk en
Noord-Italië op verschillende wijzen deze overtuiging uit. De
oudste groep was die er Albigenzen of Katharen (reinen,
“ketters”), die een machtige tegenkerk vormden in
de
twaalfde eeuw. Hun leer was een product van gnostische en
manicheese invloeden, die via de Balkan langs allerlei wegen naar
Zuid-West-Europa waren doorgedrongen. Ze leerden, dat de ziel een stuk
der godheid is, maar dat de stoffelijke wereld het werk van den duivel
is. De zaligheid wordt dus alleen bereikt door een volstrekt breken met
die wereld. De gewone “gelovigen”zijn daar nog niet
aan toe.
Maar de “volmaakten”, die de
“geestesdoop”
hebben ontvangen, doen afstand van huwelijk en bezit, ja nemen
vaak, om verdere besmetting te vermijden, de vrijwillige hongerdood op
zich. We begrijpen de bekoring, die in een verwereldlijkte tijd van dit
strenge dualisme uitging en waartegen ook de prediking van Bernhard van
Clairvaux machteloos was. Maar christelijk is deze leer allerminst.
Niet in de stoffelijkheid op zichzelf ligt de zonde; dat is een
miskenning der schepping. Hier herleefde het marcionistische
en
manicheese tweegodendom.
Geheel anders staat het met de grote sekte der Waldenzen of
“armen van Lyon”. De Lyonneese koopman Petrus
Waldes werd
door de evangelische geboden en Mattheus 10 zoo getroffen, dat hij zijn
levensdoel zag in een armoedig en zwervend leven naar de trant der
apostelen, om overal de mensen tot bekering op te roepen. In 1177
stichtte hij een vereniging van gelijkgezinde lekenpredikers. Ondanks
verbod en excommunicatie door den paus, breidde de beweging zich in
Zuid-Frankrijk en Noord-Italië onder allerlei namen snel uit.
Haar
aanhangers zwoeren de wereld af, ze verwierpen eed en oorlog en trokken
twee aan twee boetepredikend door het land. Hun grote verdienste is,
dat ze zich strikt aan de bijbel wilden houden en de kennis er van
onder het volk verbreidden. Hun Bijbels standpunt deed hen allerlei
roomse gebruiken en ideeën (zielemissen, vagevuur,
aflaat)
verwerpen. Tot vandaag toe bestaan ze nog in Italië, nu als
een
kerkgemeenschap. Toch kunnen we hen bezwaarlijk voorlopers der
hervorming noemen. Wat we over de verhouding der Montanisten en
Novatianen tot de oude kerk zeiden, geldt ook hier. In de wettische
opvatting van het Evangelie kwamen ze met hun tegenstanders
overeen. Het ging om de goede werken der apostolische navolging, die
als een letterlijk na-doen werd opgevat. Het verschil met de kerk lag
in een meer of minder. Pas vanuit een nieuw verstaan van het
evangelisch middelpunt der vrije genade kon de roomse dwaalleer in het
hart worden getroffen. Maar ook in deze wettische vorm
vertegenwoordigden de Waldenzen een echt Bijbels protest en waren ze
een bewijs, dat de Heer zijn verwereldlijkte kerk niet had losgelaten.
De kerkelijke bestrijding
De houding der kerk was weinig verheffend. Toen de ketters niet te
overreden waren, drongen de pausen bij de vorsten op staatsstraffen
tegen de ketterij aan. Deze bestrijdingswijze miskende het
geestelijk karakter van geloof en ongeloof; toch is ze in de kerk
helaas vaak toegepast. Innocentius III wist een kruis tocht
tegen
de Albigenzen te ontketenen. Van 1209-1229 hebben de gruwzame
Albigenzen-oorlogen gewoed. Het parool was: “Slaat allen
dood! De
Heer weet wie de zijnen zijn”. Het concilie van 1215 stelde
kettervervolging als koningsplicht vast. In Duitsland en Frankrijk werd
op ketterij de doodstraf gesteld. En in 1232 werd de inquisitie, die
wrede “geheime dienst” van den paus, als blijvende
organisatie ingericht. Onnoemelijke wreedheden zijn het gevolg van deze
maatregelen geweest. Toch werd de kritiek der
“ketters”
niet gesmoord.
Gelukkig had de bestrijding ook op edeler wijze plaats. Het is een
geliefkoosd middel van Rome, om den tegenstander te overwinnen
door zijn ideaal op kerkelijke wijze over te nemen. Dat gebeurde ook
nu. Binnen de kerk herleefde het strenge armoede-ideaal in de vorm der
zgn. bedelorden. De kerk bewees daarmee aan de ketters, dat
haar
theocratische aspiratie de strenge ascese niet uitsloot. Blijkbaar lag
de fout der kerk dus niet in het dàt, maar in het
hòe van
deze aspiratie. De kerk begreep, dat ze op de weg der ketters een van
de wereld afgesloten sekte zou worden. Dat wilde en kon ze niet. Door
de bedelorden nam ze de sekte-idealen in de ruimte der wereldkerk op.
Deze monnikenorden onderscheidden zich van alle vroegere, doordat ze
ook als organisaties generlei bezit hadden. De leden volgden consequent
het arme leven van Jezus en van de apostelen na. Ze leefden van de
gaven der bevolking. Daarmee hing samen, dat ze niet in de eenzaamheid
op het platteland leefden, maar hun activiteit van prediking en
zielszorg ‘in de opkomende steden ontwikkelden. Ze waren
streng
centraal georganiseerd en vormden door hun ongebonden
levenswijze
een makkelijk hanteerbaar werktuig in de hand der pausen.
Franciscus en zijn orde
De meest karakteristieke bedelorde is die der Franciscanen of
“mindere broeders” (Ordo Fratrum Minorum,
aangeduid
als O. F. M.). Ze is genoemd naar Giovanni Bernardone,
bijgenaamd
Franciscus, die in 1182 in het noord-italiaanse Assisi geboren werd. In
zijn jeugd was hij vol van eerzucht en wereldse vreugden, en droomde
hij van ridderidealen. Plotseling kwam de omkeer. Vol berouw wijdde hij
zich nu aan het herstel van vervallen kapellen. Totdat hij in
een
kapel Jezus’ rede uit Mattheus 10 hoorde. Nu besloot hij tot
een
leven van boeteprediking, in armoede en omzwerving (1208). Zelf noemt
hij dat het huwelijk met zijn bruid de armoede. Verscheidene
vrienden sloten zich bij hem aan. Spoedig werd een regel
vastgesteld, die in 1210 door Innocentius III werd bekrachtigd.
Merkwaardig is de sterke zendingsdrang der groep. Men ging
naar
Marokko, Spanje, Syrië; en Franciscus zelf in 1219 naar
Egypte, om
sultan Al Kamil te bekeren. Het waren goedbedoelde maar kinderlijke
pogingen, die zonder succes bleven.
De groep bleef niet geheel zoals Franciscus haar had bedoeld. De paus
wilde haar anders. In 1223 kwam de definitieve, streng gecentraliseerde
organisatie tot stand. Het werken voor het levensonderhoud werd door
het bedelen vervangen. Ook vervingen vaste woonplaatsen steeds meer het
zwervende leven. Dat was tegen Franciscus’ bedoeling in, maar
hij
kon de gang van zaken niet meer keren.
Er gaat een wonderlijke bekoring van zijn gestalte uit. Anders dan bij
Bernhard van Clairvaux, betekende de navolging van Christus bij dezen
“troubadour Gods” geen lijden en wereldmijding,
maar juist
een allesbeheersend gevoel van vreugde. Dit gevoel ontsprong aan de
betrachting van Christus’ lijden en aan de beschouwing van de
natuur, die voor Franciscus een spiegel Gods was. Alle
schepselen
waren zijn vrienden. Hij sprak tot de bloemen en met de vogels. Beroemd
is zijn lied aan “broeder zon”
In 1224 ontving hij een visioen, na afloop waarvan hij de
wonde-teekenen (stigmata) van Christus in zijn lichaam droeg. Meestal
wordt dit verhaal als legende verworpen. Maar een bevredigende
verklaring werd nog niet gevonden. En de parapsychologie heeft ons
voorzichtiger gemaakt in ons oordeel over zulke verhalen. In 1226
stierf Franciscus van Assisi. Met zijn kinderlijke, blijde en echte
vroomheid is hij een der lichtendste gestalten uit de kerkgeschiedenis.
De Franciscaner orde was bij het volk zeer gezien. Ze legde zich vooral
toe op prediking en zielszorg, later ook op de wetenschap. Reeds in
1212 stichtte Clara Sciffi uit Assisi een vrouwelijke tak der orde, de
Clarissen genaamd. Ook ontstonden verenigingen van leken, die zooveel
mogelijk de Franciscaanse regels wilden houden. Dit werd de
“derde orde” (Tertiarii), die weldra bij meer orden
voorkwam. Typisch voor de dertiende eeuw is, dat nu ook het
opkomend burgerdom door de ascetische idealen wordt aangegrepen. Ook
bij de Waldenzen en Katharen zagen we dat. Een dergelijke
lekenbeweging, speciaal onder de vrouwen, werd die der Begijnen.
Andere bedelorden
Even belangrijk als
die van
Franciscus, is de orde der Dominicanen of Predikheren (Ordo
Praedicatorum, afgekort O. P.). Ze werd in 1216 gesticht door
den
Spanjaard Dominicus. Van 1220 af was ze een bedelorde. Haar
doel
was in het bijzonder de weerlegging en onderwerping der ketters. Ze
hebben zich een twijfelachtige roem verworven als leiders der
inquisitie. Verder bewogen ze zich vooral op het gebied van prediking
en theologie, waarop ze nog steeds een vooraanstaande plaats innemen.
De grootste theoloog der middeleeuwen, Thomas van Aquino, was
een
Dominicaan. De andere bedelorden, die in deze tijd ontstonden
(Karmelieten, Augustijner Eremieten), zijn van niet zoo groot
belang.
De orden en de Zending
Een afzonderlijke vermelding verdient de zendingsarbeid der
Franciscanen en Dominicanen. Het is waarlijk hun schuld niet, dat deze
arbeid niet een grootse nieuwe fase in het zendingswerk geworden is.
Zij begrepen, dat de kruistochten niet het enige antwoord der kerk aan
de Islam mochten zijn. Franciscus’ mislukte pogingbij Al
Kamil
heeft hen niet afgeschrikt. Maar wel werd er nu voor een betere
wetenschappelijke voorbereiding gezorgd. Het Oosters Instituut der
Dominicanen in Spanje beoogde de bekering van joden en Mohammedanen. De
belangrijkste figuur op dit gebied was Raymond Lullus, die officieel
tot geen van beide orden behoorde. Op zijn geboorte eiland
Mallorca stichtte hij een zendingsschool. Hij schreef verschillende
boeken en maakte grote reizen, om de Mohammedanen door
verstandelijke betogen van de waarheid des Evangelies te
overtuigen. In 1316 werd hij te Algiers gestenigd. Veel vrucht had al
deze toegewijde arbeid niet.
De eerste helft der dertiende eeuw was ook de tijd van de grote
Mongolenstorm. Christelijk Europa hield de woeste horden van
Dzjengis Khan toen niet alleen met de wapenen tegen (1241, bij
Liegnitz), maar trachtte hen ook te bekeren, vooral door middel der
Franciscanen. Onder den kleinzoon van Dzjengis Khan, die het
christendom goed gezind was, wisten ze in China vaste voet te
krijgen (eind der 13e eeuw). Een ogenblik scheen het, alsof dit werk
grote vrucht zou opleveren. Maar toen in 1368 Peking door de Chinezen
werd heroverd en het rijk weer gesloten werd, bleef er bijna niets van
over.
De latere ontwikkeling
Als we zeggen dat de kerk zelf het armoede-ideaal der ketters heeft
overgenomen, mogen we toch de ontwikkeling van dit ideaal in de kerk
niet vergeten. Weldra bleek, dat de pauselijke heerschappij de strenge
handhaving er van niet verdragen kon. De orden moesten immers
dienstbaar worden aan de pauselijke idealen van aardse macht en bezit.
Een felle strijd ontbrandde tussen degenen die Franciscus’
ideaal, in zijn testament neergelegd, ten volle wilden
verwerkelijken, en de medestanders der pausen, die op
“aanpassing” uit waren. De pausen
verklaarden n.l.,
dat het testament niet geheel verbindend was, dat de orde wel bezit
mocht hebben en door derden geld mocht doen inzamelen. Daarmee werd de
oorspronkelijke bedoeling prijsgegeven. De
“strengen”
verzetten zich, maar werden door de pausen heftig vervolgd. Zoo werden
ze in buitenkerkelijke banen gedrongen. Onder hen vond het
“Joachimisme” (naar abt Joachim van Floris,
gestorven in
1202) veel aanhang: in 1260 zou, na het rijk van den Vader en
van
den Zoon, nu het rijk van den Geest aanbreken; de verwereldlijkte kerk
zou dan tot de oudchristelijke toestanden terugkeren. Deze
opvatting verbond zich met de ghibellijnsche overtuiging, dat de paus
de antichrist is. En terzelfder tijd predikten de
“Apostelbroeders”, dat met de hoer van Babylon in
het boek
Openbaring de kerk van Rome bedoeld is. Binnen de kerk werd het
armoede-ideaal overal “aangepast”.
Zoo kwamen ascese en theocratie toch weer tegenover elkaar te staan.
Het “geen aardse macht begeren wij”, dat juist de
voorwaarde is voor alle theocratisch besef, moest met de vervalsing van
dit besef in de pauselijke heerschappij in botsing komen. De pauselijke
kerk heeft zich door de roepstemmen van buiten en van binnen
niet
tot bekering laten manen.
27. DE
ONTWAKENDE TEGENSTAND TEGEN DE PAUSELIJKE HEERSCHAPPIJ
Er ligt een onmiskenbare tragiek in de pauselijke tactiek.
Petrus’ middeleeuwse opvolgers hebben al hun kracht
ingezet
tot onderwerping der Duitse keizers, dus juist van die figuren, die hun
de meeste steun hadden kunnen bieden in de leiding der theocratie, als
de pausen hen maar in hun eigen waarde hadden geëerbiedigd.
Maar
zoo blind was Rome’s machtsbegeerte, dat de paus om
hem, die
zijn vriend had kunnen zijn, te vernietigen, zelfs de hulp
inriep
van hem, die onafwendbaar zijn vijand moest worden: den koning van
Frankrijk. Want de keizer en de paus hadden het universele en
theocratische besef gemeen. Maar de koning van Frankrijk werd steeds
meer het zinnebeeld en de drijfkracht van het nieuwe nationale
bewustzijn, dat zich in West-Europa begon te roeren. Het
pauselijk-theocratische en het
monarchaal-democratische, het
universele en het nationale moesten in botsing komen. De paus haalde
het Trojaanse paard binnen, toen hij de Fransen te hulp riep om de
Hohenstaufen te vernietigen.
De nederlaag van
Bonifatius VIII
Bij de strijd, die nu uitbrak, moeten we voorgrond en
achtergrond
onderscheiden. De voorgrond was de onenigheid tussen Philips IV den
Schoon, van Frankrijk, een sluw en energiek vorst, en paus Bonifatius
VIII (1294-1303), over het recht van de staat om van de geestelijkheid
en de kloosters belasting te heffen. De paus matigde zich
uitsluitend dit recht aan. De achtergrond was de vraag of de
natie
en de vorst naast de kerk en den paus een eigen recht bezitten.
Bonifatius VIII gedroeg zich alsof het nog de tijd van Innocentius III
was. In zijn befaamde bul “Unam sanctam” (1302)
herhaalde
hij de pauselijke aanspraken op wereldheerschappij in de meest krasse
vorm. De paus heeft twee zwaarden ontvangen (Luc. 22:38), het
geestelijke en het wereldlijke. De volstrekte onderwerping aan den paus
is voor ieder nodig om zalig te worden. Spoedig zou de paus bemerken,
dat deze theorie niet meer met de werkelijkheid overeenstemde. Terwijl
hij de ban over Philips IV voorbereidde, werd hij door een gewapende
Franse bende overrompeld en gevangen genomen. Dat was een stout stuk,
maar het werkte bevrijdend. De paus stortte van de machtshoogte, waarop
hij zichzelf had geplaatst. Wel werd hij bevrijd, maar hij stierf kort
daarop aan de doorgestane emoties (1303).
De pausen in Avignon
Van dat ogenblik af kwamen de pausen onder Franse invloed en druk. In
1309 verlegde de paus zijn zetel naar het stadje Avignon, dat in de
Franse invloedssfeer lag. Hier hebben de pausen hun
“babylonische
ballingschap” doorgebracht (1309-1377). Paus Clemens V werd
gedwongen een ketterproces tegen Bonifatius VIII te beginnen, al zag de
koning tenslotte van een veroordeling af. Diezelfde paus moest in 1312
meehelpen om de rijke Tempelierenorde op te heffen, wier macht een
gevaar voor den koning was. Op financieel gebied is deze
“ballingschap” voor de pausen van beslissende
betekenis
geworden. Sinds de kruistochten voltrok zich langzaam maar zeker de
overgang van de goedereneconomie naar de geldeconomie. Bij de
pauselijke stoel werd dat te rechter tijd ingezien; zodat het pauselijk
hof zich in de avignonsche tijd tot de eerste geldmacht van Europa
ontwikkel de. Van alles en nog wat werd belasting geheven, met
de
ban als stok achter de deur. Een geliefd middel van den paus
was,
allerlei kerkelijke rechten voor zichzelf
te“reserveren” en
daaruit geld te slaan. Dat de kerkelijke organisatie en rechtspraak
daardoor ernstig gestoord werd, deed er minder toe. In de nu volgende
eeuwen houden de klachten niet op over de onverzadelijke
gelddorst
van den Heiligen Vader.
Zoo zwak als de pausen tegenover Frankrijk waren, zoo bitter bleven ze
het verzwakte Duitse keizerschap vervolgen. Keizer Lodewijk de Beier
heeft nog veel van hen te lijden gehad. Maar de keurvorsten hadden
genoeg van deze inmenging. In 1338 bepaalden ze, dat de door hen
gekozen koning geen pauselijke goedkeuring nodig heeft. Deze koning is
ook vanzelf keizer, en de keizerlijke macht stamt alleen en
onmiddellijk van God. Dat waren revolutionaire ideeën, die een
nieuwe tijd aankondigden.
De litteraire strijd
Niet minder duidelijk kwamen deze ideeën naar voren in de
geschriften uit de veertiende eeuw, die zich tegen de pauselijke
aanspraken richtten. Daar is allereerst Dante, de dichter van de
onsterfelijke “Goddelijke Comedie”, die in zijn
werk
“De Monarchie”(geschreven tussen 1310 en 1320)
betoogt, dat
de staat een zelfstandige goddelijke roeping heeft naast de kerk. Van
grote oorspronkelijkheid en durf, getuigt het
geschrift
“Verdediger des vredes” (Defensor Pacis), in 1324
geschreven door den Lombardische dokter Marsilius van Paduaen
den
Franse geleerde Johan van Jandun. De grondslag hunner
beschouwingen is het beginsel der volkssoevereiniteit, iets geheel
nieuws voor de middeleeuwen. De staat wordt gedragen door het volk. De
vorst is de uitvoerder van de volkswil. Dat beginsel geldt ook voor de
kerk, die niet hiërarchisch maar democratisch moet worden
geordend. De kerk is de gemeenschap aller gelovigen en wordt door het
concilie vertegenwoordigd. De hiërarchie, het pausdom
inbegrepen,
heeft geen principiële betekenis. Ook de kerk moet
“volks” worden beschouwd; de staat heeft
voor haar
uitwendige belangen te zorgen. Pas drie eeuwen later zouden deze
gedachten actueel worden. Ze waren te radicaal om hun eigen tijd te
beïnvloeden. Ook miskenden ze het eigen recht der kerk en van
het
theocratisch ideaal. Van grote praktische betekenis werden de
gedachten van Willem van Occam, den belangrijksten theoloog van zijn
tijd. Hij ziet in de kerk en de staat twee van elkaar onafhankelijke
machten. Er is geen hoger of lager in hun verhouding. Maar in geval van
nood, als een van beide tekort schiet in zijn taak, moet de ander die
taak overnemen. De kerk is de gemeenschap der gelovigen, niet de
hiërarchie. Deze, ook het pausdom, heeft slechts betekenis
zoolang
ze nuttig werkzaam is.
Deze nieuwe gedachten, die de pauselijke wereldheerschappij theoretisch
en praktisch ondergroeven, waren juist en noodzakelijk. Het verschil
tussen kerk en staat moest duidelijk worden, al was het alleen maar om
de kerk tot haar geestelijke taak terug te roepen. Maar dit waren
overgangsgedachten. Ze moesten uitlopen op de vraag naar een
nieuwe positieve verhouding der beide machten. Dat was voorlopig niet
dringend. Jammer genoeg is Luther, die in meer dan
één
opzicht een volgeling van Occam was, bij diens ideeën over de
scheiding en het noodrecht blijven staan. De wortels van de lutherse
staatsleer liggen in de veertiende eeuw. Pas het Calvinisme is boven
deze vraagstelling uitgegaan, en tot een nieuw begrip voor de
theocratische consequenties van het Woord Gods gekomen.
Dante
Een afzonderlijke vermelding verdient het machtigste dicht
werk,
dat de middeleeuwen hebben voortgebracht: de
“Goddelijke
Comedie” van Dante Alighieri (1256-1321) uit Florence. Dit
werk
van den grote ghibellijn is - naast alles wat het verder is - een
treffende spiegel der ideeën en idealen van zijn tijd. Het
werk
beschrijft een visionaire reis van den dichter door de hel, het
vagevuur en de hemel. Telkens vindt hij daarbij gelegenheid, de
toestanden van zijn tijd aan te roeren. Dante treurt over de aardse
macht der kerk, welker oorsprong men in de middeleeuwen
(historisch ten onrechte, maar wezenlijk terecht) van Constantijn
afleidde. De vereniging van zwaard en herders staf heeft beide
slecht gemaakt. Aan het slot van “Het Vagevuur”
wordt het
ontaarde pausdom als een hoer voorgesteld. Dante’s hoop is
gericht op den nieuwgekozen keizer Hendrik VII (1308-1313), die een
betere tijd zal brengen voor kerk en staat. Die verwachting is door de
plotselinge dood des keizers verijdeld. Maar in zijn dichtwerk leeft
die hoop nog. Ten onrechte: het universele keizerschap had evenzeer
afgedaan als de universele pausheerschappij. De toekomst behoorde aan
de nationale machten, vooral Frankrijk. Maar van den Franse
koning
heeft de idealistische Dante zich beslist afgekeerd. Hij is immers de
wrede reus, die de hoer mishandelt (1303!) en haar in het woud
sleurt (Avignon!).
Het scherpst is de negentiende zang van “De Hel”.
In de
derde hellekrocht verkeren de simonisten, “die Gods
wondergaven
voor goud en zilver roofzuchtig prijsgeven”. Hun
lichamen
staan omgekeerd in gaten in de grond, waar slechts hun benen
gedeeltelijk uitsteken. Daar ziet Dante paus Nicolaas III. Beneden den
ongelukkige bevinden zich zijn simonistische voorgangers, en zelf
voorspelt hij, dat hij straks zal zinken om voor zijn opvolgers
Bonifatius VIII en Clemens V plaats te maken! Dante vraagt hem: Heeft
Jezus soms van Petrus geld geëist in ruil voor de
sleutelmacht? Slechts eerbied voor uw ambt weerhoudt mij,
hardere
woorden over uw hebzucht te spreken. Gij herders zijt de grote hoer,
die Johannes zag (Opb. 17). “Gij schiep u goud en zilver tot
uw
god”. Had Constantijn den pausen toch nooit bezit en
macht
gegeven!
Een kerk, waar zulke profetische stemmen nog gehoor vinden, is ondanks
alle afval niet verloren.
Het grote Schisma
In 1377 werd de pauselijke stoel weer naar Rome verplaatst.
Maar
toen de nieuwgekozen Urbanus VI in 1378 niet precies deed wat de Franse
kardinalen wilden, werd een tegenpaus gekozen, die zich weer in Avignon
vestigde. Daarmee begon het zoogenaamde “grote westerse
schisma” (= scheuring), dat van 1378 tot 1415 duurde.
Gedurende
al deze tijd had de kerk twee hoofden, één te
Rome en
één te Avignon. De christenheid was verscheurd.
Een deel
koos voor Avignon, vooral Frankrijk. En een deel koos voor Rome, vooral
Duitsland en Engeland. De beide pausen deden hun tegenstanders in de
ban, zodat dus heel de kerk onder de banvloek lag! Erger was, dat
hierdoor de verzekerdheid der gelovigen grondig geschokt werd.
Als
gehoorzaamheid aan den paus heilsnoodzakelijk is, wie kan dan
in
zulke omstandigheden zeker zijn van zijn zaligheid? De twijfel
aan
het goddelijk gezag van den paus kwam op. Aan zijn aanzien werd
onnoemelijke schade gedaan. Maar het schisma had ook positieve
gevolgen. Het ideaal der ene kerk maakte steeds meer plaats voor de
nationale kerkidee. En velen gingen nadenken over wat de kerk is en wat
de paus behoort te zijn.
De roep om hervorming
Zoo maakte het schisma de roep wakker om een
“hervorming der
kerk in hoofd en leden”. Dat parool werd uitgegeven door de
universiteit van Parijs, die als internationaal centrum zich
geroepen voelde om in de verwarring leiding te geven. De roep vond in
brede kringen gehoor. Maar langs welke weg moest de hervorming worden
bereikt? Onder de vele voorslagen kreeg het voorstel om een concilie te
houden, de overhand. Dit voorstel werd uit de nood van de tijd geboren;
als het pausdom versaagt, moet het concilie de kerk redden. Reeds
Philips de Schone en Lodewijk de Beier hadden op zulk een concilie
aangedrongen. Het voorstel was ook in de geest van die tijd,
waarin het democratische beginsel zich tegen het autocratische
opmaakte. Tegelijk riep het een nog onopgelost vraagstuk
wakker:
ligt de beslissende leiding der kerk bij den paus of bij een concilie?
In de oude kerk had het concilie de voorrang, in de latere praktijk de
paus. In de vijftiende eeuw zou deze vraag principieel worden
uitgevochten. Zoo werd de pauselijke heerschappij in de wereld
aangetast door de nationale gedachte, en in de kerk door de conciliaire
gedachte.
Werkelijk kwam in 1409 in Pisa een concilie bijeen. Daar werden de
beide pausen afgezet en een nieuwe gekozen. Maar de beide eersten namen
daarmee geen genoegen, met het gevolg dat er van nu af ....
drie
pausen waren! Zoo vergrootte dit concilie de verwarring, in
plaats
van haar op teheffen.
De concilies van Constanz
en Bazel
Een nieuw concilie was nodig. Het kwam op initiatief van den Duitse
koning Sigmund te Constanz samen, van 1414-1418. Het hoofddoel was de
opheffing van het schisma en de reformatie der kerk. De pausen hadden
vele aanhangers meegebracht. Om hun bedoeling te verijdelen werd een
tot nog toe ongekende wijze van stemmen ingevoerd: volgens naties. De
Duitse, Franse, Engelse, Italiaanse en Spaanse natie, benevens het
kardinalencollege, hadden elk een stem. Dat was een revolutionaire
werk wijze, maar geheel in de geest van de tijd. Zo verbonden
de
conciliaire en de nationale idee zich tegen de pauselijke heerschappij,
“het curialisme” geheten. Aanvankelijk was Constanz
een
succes. Het schisma werd opgeheven. Een paus trad vrijwillig
af,
de beide anderen werden van hun macht beroofd. Zelfs werd deze
beginselverklaring afgelegd: een wettig concilie heeft zijn gezag
rechtstreeks van Christus; en ieder gelovige, zelfs de paus, moet zich
aan zijn uitspraken over geloof en leven onderwerpen.
Dat betekende de (slechts tijdelijke) zege van het conciliarisme over
het curialisme. Men wilde op gezette tijden concilies laten houden.
Helaas mislukten verdere hervormingsplannen door de onenigheid
der
naties. Een nieuwe paus werd gekozen: Martinus V. Maar zijn nieuwe ambt
maakte hem tot een aanhanger der curialistische ideeën. Het
gelukte hem, een einde aan het concilie te maken. Hij stelde de naties
tevreden, door met verscheidene er van afzonderlijke en
verschillende concordaten met hervormingsbepalingen te
sluiten. De
figuur van het concordaat, later zulk een belangrijk element in de
pauselijke politiek, treedt hier voor het eerst op. Van de uitvoering
er van is echter niet overal evenveel terechtgekomen. De hussietische
woelingen, die in het volgende hoofdstuk ter sprake komen, noopten den
paus, toch weer een concilie bijeen te roepen. Het kwam te Bazel samen,
en heeft niet minder dan achttien jaren zitting gehad (1431-1449). Het
begin was goed. Martinus’ opvolger, Eugenius IV, die de
vergadering spoedig weer wilde opheffen, moest zich schikken. Er werd
besloten, allerlei onrechtmatige pauselijke inkomsten af te schaffen,
ja zelfs de kerk om te vormen tot een constitutionele monarchie, waarin
het concilie de wetgevende macht zou hebben. Nu vond de paus
in
zijn bedreigde positie een schoon voorwendsel om het concilie naar
Italië te verplaatsen: de Grieken, door de Turken bedreigd,
boden
een vereniging met de westerse kerk aan, in ruil voor militaire steun.
Doch slechts de curialistische minderheid volgde hem, eerst naar
Ferrara, toen naar Florence. Daar kwam de eenheid met de oosterse kerk
tot stand - maar alleen op papier. Intussen verspeelde de Bazelse
meerderheid haar kansen door haar ongematigde optreden:
Eugenius
werd afgezet, een tegenpaus werd gekozen. De meeste staten bleven eerst
neutraal en schaarden zich toen aan Eugenius’ zijde. Zoo
verloor
het concilie zijn gezag en ging in 1449 als een nachtkaars uit.
De nationale kerken
Wie had nu gewonnen? Het conciliarisme was kennelijk de verliezer. Maar
ook her pausdom verloor bij dit alles steeds meer zijn wereldlijke en
kerkelijke macht. De werkelijke winnaars waren de nationale
staten, die vooral na Bazel hun voogdij over de kerk vestigden. Het
oude landskerkendom, dat in de eerste helft der middeleeuwen door de
pauselijke eenheidskerk werd teruggedrongen, maakte zich weer van de
verzwakte en bedorven kerk meester. De universele kerk loste zich op in
een verzameling van nationale kerken. Engeland heeft al van de
veertiende eeuw af en tot vandaag toe een nationaal gebonden kerk. In
Frankrijk werden de hervormingsbepalingen van Bazel, nationaal
verscherpt, ingevoerd. De koning kreeg daar grote zeggenschap over
bestuur, rechtspraak en belasting. Ook het jonge Spaanse koninkrijk
kende de staatskerk; deze staat was streng kerkelijk, getuige
de
instelling der wrede “spaanse inquisitie”, uit onze
tachtigjarige oorlog maar al te bekend.
Alleen in het verzwakte Duitse rijk wist de paus deze gang van zaken
tegen te houden. Het bleef bij uitstek het land, dat door Rome werd
uitgezogen. Toch zette het nationale beginsel zich ook hier vast, maar
in de afzonderlijke landen, welker vorsten grotere of kleinere rechten
van de pausen wisten te bedingen. Dit Duitse
“landskerkendom” bestond bij Luthers optreden. Het
heeft in
hoge mate de structuur en uitbreiding van het Lutheranisme bepaald.
Onze gevolgtrekking moet zijn: “de hervorming der kerk in
hoofd
en leden” is niet van het conciliarisme uitgegaan. Niet de
kerk,
alleen de staten hebben daarbij gewonnen. Want de wortel van het
kerkelijke kwaad werd niet gezien. Men streed alleen tegen de
uitwassen. Een radicale herordening der kerk volgens het Woord
Gods was nodig. Maar dan moest eerst dat Woord weer nieuw worden
verstaan in zijn oordelende en hervormende macht. Dit verstaan
kon
door geen concilies en programma’s worden vervangen.
Het pausdom na
de concilies
De pausen hebben alle waarschuwingen in de wind geslagen en zijn doof
gebleven voor de roepstem der hervormingsbeweging. Hun houding was in
de vijftiende eeuw niet minder werelds dan in de voorgaande eeuwen.
Alleen op een andere manier. Met hun wereldheerschappij was het gedaan.
Slechts hun eigen kerkelijke staat liet nog speelruimte voor hun
machtswellust. De paus werd één der vele
Italiaanse
vorsten, die hun stadstaat bestuurden. Niet alleen werd de pauselijke
politiek daardoor kleiner, maar ook verdween nu de laatste rest der
oude theocratische motieven. De pausen leven nu voor hun eigen macht en
voor de verrijking van hun verwanten, zelfs van hun kinderen
(nepotisme). In weelde, zelfzucht en zedeloosheid doen sommige niet
onder voor de andere Italiaanse vorsten. Het conciliarisme is door Pius
II en Leo X veroordeeld: de paus is het hoofd der bisschoppen; een
beroep op een concilie is ketterij. De beruchtste paus is Alexander VI
Borgia (1492-1503), met zijn niet minder beruchte kinderen Lucrezia en
Cesare Borgia. De ergste goddeloosheid werd aan het hof te Rome
bedreven. Geld, geweld, vergif en ontucht beheersten het leven daar.
Zoo diep als toen is het pausdom nooit gezonken.
De Italiaanse schrijver Boccaccio vertelde in de veertiende eeuw al het
verhaal van een jood, die door een reis naar Rome tot het
christendom bekeerd werd, omdat .... hij zich het voortbestaan der kerk
onder zulk een goddeloze leiding slechts als een wonder Gods kon
verklaren!
Alle hoop op een herstel der kerk scheen nu afgesneden. Vele
goedbedoelde pogingen van haar leden waren mislukt. Maar als de mensen
geen uitkomst meer weten - dan komt Gods tijd.
28.
“VOORLOOPERS DER HERVORMING”
In de twaalfde en dertiende eeuw zagen we een tweevoudige tegenstand
tegen het kerkelijk verval opkomen: de Waldenzen en Katharen buiten, de
bedelorden binnen de kerk. Een dergelijk beeld geven de veertiende en
vijftiende eeuw, al heeft de tegenstand dan een bredere aanhang en een
breder programma. Binnen de kerk wordt het doel der bedelorden
overgenomen door de conciliaristische beweging. En buiten de
officiële kerk wordt het waldenzische protest voortgezet door
enkele profetische figuren, onder wie Wiclif de grootste is.
“Voorlopers der Hervorming” heten deze figuren
meestal.
Maar we zullen die benaming tussen aanhalingstekens moeten zetten. Want
ze roept verkeerde gedachtegangen op. De nieuwe ontdekking van het
Evangelie, die Luthers kracht uitmaakte, was nog niet het
bezit
van deze mannen. Vergeleken met Luther behoren ze nog tot de
middeleeuwen, al zijn het grensfiguren. De vooronderstellingen van hun
protest zijn nog veelszins middeleeuws. Veel aan het vervallen
huis der kerk hebben ze radicaal afgebroken en vernieuwd. Maar er moest
een geheel nieuw huis worden gebouwd, als men zich volkomen aan het
Bijbels bestek wilde houden. Dat heeft pas Luther gedaan. Maar zij zijn
zijn wegbereiders geweest door de bijbel weer geheel en alleen als
maatstaf te nemen en vandaar uit op allerlei kerkelijke gebruiken een
onbevreesde kritiek te leveren. Hun werk en invloed is in deze eeuwen
een moedgevend teken van de leiding van de Geest, die ook een
vervallen kerk niet verlaat.
Wiclif
In het Engeland der veertiende eeuw heerste een groeiend nationaal
verzet tegen de pauselijke heerschappij, die de levensrechten
van
het Engelse volk beknotte. De scherpste woordvoerder van dit verzet
werd in de zeventiger jaren John Wiclif, professor te Oxford. Zoo
verklaarde hij het Engelse kerkegoed voor staatseigendom. Maar de grond
van die overtuiging was bij hem niet zoozeer nationalistisch als wel
(vooral later) godsdienstig. Die grond was het armoede-ideaal: de kerk
behoort geen wereldlijk bezit te hebben; dit komt aan de staat toe. Het
armoede-ideaal en het nationalistisch protest gingen in deze tijden
vaker een verbond aan, vooral bij de strengere Franciscanen (Occam). Zo
verdiepte Wiclif het nationale protest. Weer eens werkte
Mattheus
10 als dynamiet onder het kerkehuis. Wiclif besefte, dat het hierbij
niet kon blijven. Hij ging over tot de uitzending van bezitslooze
rondreizende boetepredikers (Lollarden). En de bron van zijn
kritiek moest voor allen toegankelijk zijn. Daarom vertaalde
hij,
in samenwerking met anderen, de bijbel in het Engels. Steeds verder
ging hij. Zelfs viel hij de zinnelijke avondmaalsopvatting der
transsubstantiatie als afgodisch aan. Tenslotte bracht zijn
gehoorzaamheid aan de bijbel hem tot een aanval over de hele linie: op
de hiërarchie, de monniksorden, de heiligen- en
relikwieënverering, het pausdom en nog veel meer. In den paus
zag
hij den antichrist. De kerk is niet de hiërarchie, maar de
gemeenschap der uitverkorenen, waarin elk gelovige priester is. Wiclif
doet aan Waldes denken. Hij belichaamt het meest bijbelsch-radicale
protest tegen de middeleeuwse kerk. Aanvankelijk beschermde de
gunst van adel en volk hem tegen zijn pauselijke belagers.
Toen
hij steeds verder ging, moest hij van zijn leerstoel in Oxford afstand
doen. Maar hij bleef onaangetast tot zijn dood toe (1384). Echter
werden zijn volgelingen, de Lollharden, in het begin der vijftiende
eeuw hard vervolgd en bijna uitgeroeid.
Hus en de Hussieten
De rijkste vruchten zou Wiclifs leer elders dragen: in Bohemen, dat
door betrekkingen tussen de wederzijdse koningshuizen met Engeland
verbonden was. Daardoor studeerde een aantal Tsjechen te Oxford. Zij
brachten Wiclifs leer over naar de universiteit van Praag, waar de
professor en prediker Johannes Hus (1369-1415) de grootste verkondiger
van deze leer werd. Hij miste Wiclifs oorspronkelijkheid: hele stukken
in zijn geschriften zijn eenvoudig van Willy overgeschreven.
‘Hij
miste ook Cyclisch radicaliteit; aan de transsubstantiatie hield hij
vast. Niet in de inhoud, maar in de vorm lag het eigene. Hus bezat een
machtig redenaarstalent, waardoor hij een meeslepende invloed op de
massa uitoefende. Het begon aan de universiteit. Weldra ging een groot
deel van Praag mee. De pauselijke bemoeienis, de ban over Hus en het
interdict over Praag hielpen niet. Alleen werden nu heel Bohemen en
Moravië gegrepen door de nieuwe leer, die zich met het
nationaal-tsjechische verzet tegen de rijke Duitsers en de kerk verbond.
Koning Sigmund, die graag vrede wilde stichten, haalde Hus onder
belofte van zijn koninklijke bescherming over, om naar het concilie te
Constanz te gaan, voor een godsdienstgesprek met zijn tegenstanders.
Maar daar werd Hus spoedig gevangen genomen en gemarteld. De koning was
verontwaardigd, maar zijn bemoeiingen baatten niet. Tegenover
een
ketter behoefde men zijn beloften niet te houden! Sigmund wilde zijn
concilie niet laten mislukken en zwichtte. Ondanks eindeloos verhoor en
wrede folteringen bleef Hus sterk en weigerde elke herroeping.
Op
zijn verjaardag, 6 juli 1415, werd hij verbrand. Een klein jaar later
werd dit lot gedeeld door zijn vriend Hieronymus van Praag. Deze feiten
waren erger voor het concilie dan voor de twee mannen: hierdoor sneed
men zich de weg naar een echt Bijbelse hervorming af. In de
halfslachtige ideeën van Constanz zat geen toekomst.
Hus’ dood was niet het einde, maar pas recht het begin.
Sindsdien
begon het in Bohemen te gisten; maar toen Sigmund, “de
moordenaar
van Hus”, ook daar koning werd (1419), begonnen de
schrikwekkende
hussietenoorlogen, die tot 1436 hebben geduurd. Het ging tegen
den
koning en de kerk. Een deel van Hus’ volgelingen was
gematigd.
Hun voornaamste eis was, dat aan de leken het avondmaal onder beide
vormen zou worden uitgereikt. Gewoonte was, dat ze slechts het brood
ontvingen. Niet de wijn, wegens het gevaar, dat van het bloed van
Christus bij het gebruik enkele druppels konden verloren gaan. De
Hussieten achtten dit in strijd met “Gods Wet”,
zoals ze de
bijbel noemden. De radicale partij wilde zelfs alles afschaffen, wat
niet uitdrukkelijk in Gods Wet werd geboden. Deze groep kreeg de
militaire leiding. Moordend en brandend trokken ze door het land,
vooral de kloosters verwoestend. Wonderlijke apocalyptische en
communistische denkbeelden vermengden zich met hun
hervormingsijver. Ze gevoelden zich de werktuigen van
het
goddelijk gericht en wilden een nieuwe theocratie oprichten. In hun
overspannen idealisme en wrede methoden doen ze aan de latere
Wederdopers denken. Weldra richtten ze zich ook tegen de nabuurlanden.
Geweld baatte niet tegen dit onoverwinnelijke leger. Vooral hierom kwam
het concilie van Bazel tot stand. Voor het eerst moest de kerk met
ketters in onderhandeling treden. In loon voorde onderwerping zouden de
Hussieten niet veel meer krijgen dan het gebruik van de beker bij het
avondmaal. De onderhandelingen mislukten. Na veel strijd ontstond naast
de roomse kerk in Bohemen een gematigde hussietische kerk met erkende
rechten. De kracht der radicalen slonk snel. Ze bleven in kleine
groepen voortleven en kwamen later onder protestantse invloed.
Savonarola
Meer plaatselijk beperkt bleef de invloed van den derden
“voorloper”, den dominicaner monnik Girolamo
Savonarola (1452-1498) uit Florence. Maar het korte optreden
van
dezen Johannes den Doper was indrukwekkend. Onder zijn invloed werd het
heersersgeslacht der Medici uit Florence verdreven. Als boeteprediker
riep hij de lichtzinnige stad tot bekering op. Al het wereldse moest
verdwijnen. Jezus moest koning van Florence worden. Door
prediking
en politiemacht oefende Savonarola zijn heerschappij uit. Hij
voorspelde, dat de kerk door zware oordelen heen tot heerlijke
vernieuwing zou komen. Steeds heftiger aanvallen richtte hij tegen den
goddeloze paus Alexander VI. Deze wist tenslotte, in verbond met
Savonarola’s vele vijanden en met het volk, dat zijn
strengheid
weldra moede was, zijn heerschappij te breken. De grote boeteprediker
werd opgehangen en verbrand.
Kracht en zwakheid der
voorlopers
De kracht van deze mannen was, dat ze zich tegenover de verwereldlijkte
kerk geheel en alleen terugtrokken op de bijbel, die ze bij voorkeur
“Gods Wet” noemden. Savonarola deed het slechts op
het
gebied des levens, Wiclif en Hus ook op dat der leer. Het moest aan
velen duidelijk worden, hoever de kerk van deze wet was afgeweken. Zoo
werd de bodem voor de grote kerkhervorming toebereid. Maar dit
oprichten van “Gods Wet” was tegelijk hun
zwakheid.
Evenals hun tegenstanders zagen ze in het Evangelie allereerst een wet,
een reeks geboden. De tegenstanders vatten die wet licht, zij zelf
zwaar op. Dit was een voorlaatste tegenstelling. Beide partijen waren
bevangen door de gronddwaling, die in de na-apostolische tijd was
opgekomen: dat God allereerst iets van ons vraagt, het wettische
christendom. Bij dit uitgangspunt moet het in een volkskerk
altijd
weer komen tot een wereldse aanpassing der wet aan de krachten en
begeerten van den natuurlijken mens. Pas wanneer de wet en de goede
werken hun voorrang moeten afstaan aan het Evangelie van genade en
geloof, krijgt de bijbel weer macht over de kerken wordt er iets
werkelijk nieuws geboren.
29.
RENAISSANCE EN HUMANISME
Het protest tegen de vervalste vorm van theocratie, dat het pausdom aan
de kerk en aan de wereld had willen opleggen, was tot nog toe
hoofdzakelijk een kerkelijk protest geweest. Strijdende tegen
de
karikatuur, tastte men naar de echte heerschappij van Christus en van
Gods Wet over kerk en wereld. Er was ook een nationaal protest, maar
dat verbond zich op allerlei wijze met kerkelijke beweegredenen en was
nergens kerkvijandig. Maar in de veertiende en vijftiende eeuw groeide
een beweging, die vaak onbewust tegen de theocratische denkwijze in het
algemeen in verzet kwam. Dit verzet was niet meer kerkelijk, maar de
strijd van het onsterfelijke heidendom tegen het beslag, dat
Gods
Woord op den mens wil leggen. Hier maakte zich een geest los, die de
kerk sinds Constantijn aan banden had trachten te leggen. Officieel was
dat vrijwel gelukt. De heidense driften van het menselijk hart hadden
in de middeleeuwen slechts in godsdienstige vermomming een beheersende
rol kunnen spelen. Denk b.v. aan de pauselijke heerszucht. Nu wordt
deze oude en altijd nieuwe geest zich weer van zijn eigen recht bewust.
In Italië
In de veertiende eeuw ontwikkelde zich in Italië een nieuwe
levensvorm. De gezagsdragers van de oude levensvorm verloren
het
eerst hier hun invloed: de keizer tengevolge der pauselijke
macht,
daarna de paus tengevolge van de ballingschap en het schisma. Zoo
werden vooral in Noord-Italië de steden tot
machtsmiddelpunten.
Deze steden waren sinds de kruistochten door de handel op het Oosten
tot buitengewone bloei gekomen. Hier kwam de burgerstand tot welvaart,
zelfbewustheid en macht. Op zulk een voedingsbodem kreeg de enkeling
met zijn vrijheid en durf een ongekende kans.
In de dichtkunst vertolkte Petrarca (1304-1374) de nieuwe levensstijl:
de enkele persoonlijkheid is zichzelf tot maatstaf en middelpunt. De
mens is de maat aller dingen; hij heeft in wezen geen gezag boven zich.
Deze houding werd gevoed door de Romeinse, later ook door de Griekse
dichters. Zij waren niet onbekend geweest, maar nu pas vonden ze
weerklank en werden ze innerlijk toegeëigend.
Tegenover de
theocratie ontwaakte de lust van den mens om zichzelf genoeg
te
zijn. Tegenover de ascese ontwaakte het welbehagen aan deze wereld met
haar oneindige mogelijkheden, aan de natuur met haar schoonheid. We
noemen deze ontwaking gewoonlijk “de
renaissance”
(wedergeboorte). Florence en later Rome waren haar centra.
Ook op politiek terrein schiep de renaissance nieuwe vormen. Sterke
heerserspersoonlijkheden wisten in de stadstaten de macht aan zich te
trekken. Ze kenden bij hun streven geen hoger gezag dan de
eigen
machtswil.
Zoo werd de zelfgenoegzaamheid van den mens niet alleen geleerd, maar
ook geleefd. Naast heerszucht en weelde valt bij deze tirannen vaak ook
hun kunstlievendheid op. Beroemd is vooral het geslacht der Medici in
Florence.
In het bijzonder de wetenschap en de litteratuur ondervonden de invloed
der renaissance. Op deze terreinen noemen we de nieuwe beweging meestal
“humanisme” (menselijkheid; bedoeld is: de
beschaving,
verkregen door de oude cultuur). Hier werd de voor-christelijke
beschaving der Grieken en Romeinen in haar eigen waarde ontdekt. De
kerk heeft als schatbewaarster der oude cultuur afgedaan.
“Terug tot de bronnen” is de leus van het
humanisme. Dat
betekende een teruggrijpen zoowel op het oudste christendom als op het
oude heidendom. Ook de kerkgeschiedenis werd kritisch bekeken.
“De schenking van Constantijn” (donatio
Constantini), het
document waarop de pausen zich steeds hadden beroepen om te
bewijzen dat reeds Constantijn aan de kerk wereldlijk bezit
had
gegeven, werd als een vervalsing ontmaskerd.
Toch was de renaissance niet bewust kerkvijandig. Naïveteit en
bange zelfzucht waren daarvan vaak de oorzaken. Met zijn hart stond men
meestal buiten het Evangelie, welks oordelend en verlossend
gezag
immers alle menselijke zelfgenoegzaamheid uitsluit. Waar de renaissance
ook een religieuze vorm aannam, was dit de vorm van het
nieuw-platonisme, dat we als de verzoeking van de kerk der eerste
eeuwen leerden kennen. Maar hoe weinig men wederzijds de draagwijdte
der nieuwe beweging onderkende, blijkt uit het feit, dat vele
hoge
geestelijken en verscheidene pausen zich erbij aansloten. Dit vond mede
zijn oorzaak in de verwereldlijking der kerk.
In Duitsland
Sinds 1450 kreeg de nieuwe beweging voet in een tweede land: Duitsland.
Toch droeg ze hier van meet af een ander karakter dan in
Italië.
Hier bleef ze veel meer een beweging alleen op het terrein van
wetenschap en litteratuur, zonder een eigen heidense levensvorm te
scheppen. Haar betekenis was hoofdzakelijk formeel. Daar om
bracht
ze geen afkeer van de kerk, maar wel een sterk
hervormingsstreven
mee. We spreken in Duitsland dan ook niet van renaissance”
alleen
van humanisme. De beroemdste humanist hier was Reuchlin, die de
grondslag legde voor de moderne beoefening van het Grieks en Hebreeuws.
Het Hebreeuws was in de middeleeuwen zoo goed als onbekend.
Reuchlin verschafte de middelen om de bijbel weer in de
oorspronkelijke talen te lezen. Men wilde immers terug tot de
bronnen.
Erasmus
Maar de beroemdste humanist was een Nederlander. Nederland speelde
direct een belangrijke rol in de humanistische beweging. De Latijnse
school te Deventer was al vroeg een centrum van de studie der antieken.
En in 1469 werd bij Gouda geboren Desiderius Erasmus, de grootste
geleerde van zijn tijd. Hij bezocht Benige tijd de school te Deventer.
Zijn ongeëvenaarde roem maakte het hem mogelijk, het
onafhankelijke leven van een geleerde te leiden, hoog vereerd zelfs
door vorsten en kerkelijke gezagsdragers. Hoewel Rotterdam zijn
vaderstad was, heeft hij ook in Italië, Engeland,
België en
Zwitserland gewoond. In 1536 is hij te Bazel gestorven. Bij hem werd
het humanisme verbreed en verdiept tot een eigensoortige
levenshouding, die toch binnen kerkelijke banen bleef. Ze was een
samensmelting van grieks-romeinse en evangelische waarden.
We mogen Erasmus wel den vader van het vrijzinnig christendom noemen.
Het Evangelie is voor hem de verheven zedenleer, die we vooral in de
bergrede vinden. Jezus is onze hoogste leraar en ons
voorbeeld. In
hem is de volheid en voltooiing van al het ware en goede, dat reeds bij
de heidenen te vinden is. Erasmus maakte daarbij gebruik van de
logosleer, op de wijze der oud-christelijke apologeten. Deze opvatting
van het Evangelie deed hem met bittere spot over allerlei kerkelijke
voorstellingen en inrichtingen spreken. Toch heeft Erasmus zich niet
bij de hervorming aangesloten. Hij was een vijand van alle revolutie en
radicalisme. Naar zijn mening moest de kerk langzamerhand van de
humanistische geest doordrongen worden en zoo tot haar oorspronkelijke
zuiverheid terugkeren. En verderop zullen we zien, dat zijn verschil
met Luther veel meer omvatte dan alleen de methode van hervorming.
Een grote dienst heeft Erasmus aan de kerk bewezen door in 1516 voor
het eerst een uitgave van het Nieuwe Testament in het Grieks te
bezorgen. Voordien kende men eigenlijk alleen de Latijnse vertaling, de
Vulgata. Luther heeft zijn bijbelvertaling op Erasmus’
uitgave
gebaseerd.
Renaissance en Reformatie
Reeds scheen het humanisme in heel de Duitse beschaving de overhand te
krijgen, gesteund door de pas uitgevonden boekdrukkunst, toen de grote
kerkhervorming, de reformatie van Luther en zijn medestanders
zich
baan brak.
In welke verhouding moet men deze beide bewegingen zien? Zoowel van
vrijzinnige als van rooms-katholieke zijde stelt men de renaissance en
de reformatie graag als verwante bewegingen voor. Dat is onhoudbaar. De
renaissance betekende de geboorte van den modernen mens, die geen gezag
wil erkennen boven zijn eigen geestelijke vermogens. De reformatie
betekende de wederoprichting van het gezag van Gods Woord. Deze twee
levenshoudingen sluiten elkaar uit. De reformatie is meer verwant aan
de hervormingsbewegingen binnen de middeleeuwse kerk - vooral aan
Wiclif, maar zelfs aan het conciliarisme - dan aan de renaissance. Maar
wel hadden de beide bewegingen bij tegenstelling in het wezen,
overeenkomst in de uiterlijke verschijning. Op tegengestelde
gronden predikten beide de bevrijding van het middeleeuwse kerkgezag.
Luther schreef “Over de vrijheid van den
christenmens”.
Maar als twee hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde.
Meer
betekenis heeft de gemeenschappelijke leus: terug tot de bronnen. De
hervormers konden hun winst doen met het wetenschappelijke werk van
Reuchlin, Erasmus en anderen. Ook de kritiek op vele kerkelijke
misstanden hadden ze gemeen. En voor vele humanisten betekenden deze
dingen meer dan de heidense achtergrond, die ze zelf noch bedoelden
noch zagen. Daardoor kon bij velen een dieper gaande sympathie met de
hervorming ontstaan. Maar sinds de pennenstrijd tussen Luther en
Erasmus hebben de beide bewegingen als geheel zich van elkaar afgewend.
De reformatie heeft van het formele humanisme geprofiteerd; maar ze
heeft de geest der renaissance beslist afgewezen.
De renaissance is na een korte bloei, door de reformatie uit het
strijdperk der historische krachten verdrongen. De geest der kerk won
het. Pas in de achttiende eeuw brak de levenshouding van de menselijke
zelfgenoegzaamheid zich voorgoed baan. Dan wordt een nieuw
tijdperk ingeluid, waarin de kerk langzaam maar zeker wordt
teruggedrongen naar de positie uit de tijd voor Constantijn.
30. DE
MIDDELEEUWSE THEOLOGIE
Het thema
Toen de Grieken en Romeinen het christendom aannamen, stonden ze reeds
lang op een hoog beschavingspeil. In de strijd met hun heidense en
ketterse rijksgenoten stelden ze hun denkvermogen, hun
begrippen
en formules in dienst van het Evangelie. Zoo groeide een min of meer
volledig stelsel van theologische begrippen, waarin de besluiten van
Nicaea en Chalcedon de kern vormden. Geheel anders in de middeleeuwen.
Met de oude beschaving namen de pasbekeerde volken ook de inhoud der
theologie als een gezaghebbend stuk der overlevering aan. In de oudheid
groeide de theologie uit de kerk op. In de middeleeuwen groeide de kerk
naast de theologie op. Voorlopig was de kerk nog innerlijk vreemd aan
deze theologie. Maar naarmate ook onder de jonge volken zich het
begripmatig denken ontwikkelde, moest dat anders worden. In de tijd van
Karel den Grote en zijn opvolgers ging men de theologische erfenis eens
verkennen. Voorlopig bleef het bij een kritiekloos herhalen van het
overgeleverde. Maar omstreeks het jaar rooo werd dat anders. Met de
opkomst van het vrije schoolwezen, waaruit later de
universiteiten
voortkwamen, ontstond er ook een zelfstandige
schoolwetenschap.
Vandaar de naam “scholastiek” voor de middeleeuwse
theologie.
Aan het scheppen van nieuwe leerstukken had deze jonge wetenschap geen
behoefte. Zij stond immers niet in de strijdhouding tegen heidenen en
ketters, zoals haar grieks-romeinse voorgangster. En de inhoud
der
theologie was immers door de overlevering bepaald. De behoefte der
nieuwe theologie was, zich dit overgeleverde geheel innerlijk toe te
eigenen en het te ordenen tot een logisch stelsel, dat het redelijk
inzicht bevredigde. Zij geloofde, dat het door de voorvaderen aanvaarde
Evangelie niet toevallig deze inhoud had, maar dat deze inhoud
zijn goddelijkheid juist daarin bewees, dat hij geheel strookte met de
eisen van het redelijk denken. Zoo is de verhouding van openbaring en
rede het thema geworden, waarmee de middeleeuwen in eeuwenlange
denkworsteling in het reine hebben trachten te komen. Voor het verstaan
der openbaring liet men zich vooral door Augustinus leiden. Het
logische denken leerde men uit de “Logica”, het
enige werk
van den grote Griekse wijsgeer Aristoteles, dat men in de vroege
middeleeuwen kende.
Anselmus
De eerste theoloog van groot formaat was Anselmus,
aartsbisschop
van Canterbury (1033-1109). Zijn leus was: ik geloof, opdat ik
begrijpen moge (credo ut intelligam). Zoo stelde hij bewijzen op voor
het bestaan van God. Het bekendst is hij geworden door zijn
verhandeling“Waarom werd God mens?” (cur
Deus homo?).
Daarin trachtte hij de menswording en dood van Christus als redelijk
noodzakelijk te bewijzen. Daar God zowel rechtvaardig als
barmhartig is, moet Hij van de mens een eeuwige straf voor diens zonde
eisen en kan Hij toch niet willen, dat de mens zelf die straf
ondergaat. Daarom is het noodzakelijk, dat God zelf als mens op aarde
komt en de straf draagt. Deze gedachtegang heeft in de kerk tot vandaag
toe een grote rol gespeeld. Ook in Zondag 5 en 6 van de
Heidelbergse Catechismus vinden we hem terug. Vaak heeft men van deze
verzoeningsleer een karikatuur gemaakt. Anselmus wilde slechts voor den
eerst-gelovende een bewijs-achteraf geven. Het wezen der
zonde,
Christus’ werk en de vergeving kwamen bij hem beter tot hun
recht
dan vaak in de oude theologie het geval was. Maar ook is waar,
dat
deze redelijke constructie het wonder verkleint en
vermenselijkt.
Gods gedachten zijn hoger dan de onze; dat heeft de scholastiek
langzaamaan geleerd. Wanneer we deze constructie als een beeld voor
Christus’ werk beschouwen en ons van haar zeer
betrekkelijke
betekenis bewust blijven, heeft ze nog elementen van waarde.
Abaelardus
Dat de verhouding van geloof en rede niet zoo harmonisch was als
Anselmus meende, werd openbaar in de arbeid van den tweeden grote
scholasticus, Petrus Abaelardus (1079-1142), beroemd om zijn
romantische liefde voor Heloise, met wie hij pas in een
gemeenschappelijke grafkist blijvend verenigd werd. Zijn leus
was:
eerst begrijpen, dan geloven (nihil credendum nisi prius intellectum).
In zijn boek “Ja en neen” legde hij de grondslag
voor de
scholastische methode, door allerlei tegenstrijdige uitspraken uit de
gezaghebbende overlevering tegenover elkaar te stellen, niet (zoals men
wel gemeend heeft) om als vrijgeest het geloof te ondermijnen, maar met
het doel om deze tegenstellingen logisch te vereffenen en zoo
tot
een redelijker geloofsvorm te komen. Zoo stelde hij echter de logica
als norm boven het geloof en miskende de eigenaard der
geloofskennis. Bernhard van Clairvaux, die van deze kritische methode
gevaar voor het kerkgezag duchtte, achtervolgde Abaelardus jaren lang,
tot hij zich aan zijn tegenstanders onderwierp. Bernhard heeft de
ontwakende theologie sterk geremd. Eigenlijk achtte hij haar onnodig;
daarom zag hij er spoedig gevaren in.
Bij Abaelardus’ leerlingen werd meer nadruk gelegd op zijn
positieve bedoeling dan op zijn kritische aanloop. Omstreeks
1150
vond de eerste periode der scholastiek haar afsluiting in het werk van
Abaelardus’ leerling Petrus Lombardus, wiens dogmatiek de
grondslag werd voor de colleges van de grote scholastici uit de tweede
periode.
De bloeitijd
De dertiende eeuw, het hoogtepunt der kerkelijke macht, was ook de
bloeitijd der scholastiek. Nu ontstonden de universiteiten, waarvan
Bologna (alleen voor het recht), Parijs en Oxford de oudste zijn. De
pas gestichte bedelorden wierpen zich met grote energie op de
theologische vraagstukken. De wedijverende scholen der Dominicanen en
der Franciscanen hadden hun leerstoelen in Parijs en Oxford. Maar de
sterkste stoot tot nieuwe bezinning betekende de ontdekking
der
volledige werken van Aristoteles, die men door bemiddeling der
Arabieren in Spanje ontving. Voor het eerst maakten de middeleeuwen
kennis met een logisch gesloten en heel de werkelijkheid omvattende
wereldbeschouwing, die niet op de bodem der openbaring was
gegroeid, maar vrucht was van het natuurlijk redelijk denken. Dit
denken, tot nu toe slechts formeel gehanteerd, kreeg nu een eigen
inhoud. En de nieuwe taak der scholastiek werd: Augustinus’
theologie en Aristoteles’ filosofie te verbinden tot
één groots, hemel en aarde omspannend stelsel.
Het thema
der vroege scholastiek werd nu op hoger plan herhaald en voortgezet.
Gemakkelijk was dat niet. Aristoteles was geen christen. In zijn
stelsel was geen plaats voorzonde en genade, voor openbaring en geloof.
De dominicaan Albertus Magnus (omstreeks 1250)
verchristelijkte
Aristoteles en maakte hem pasklaar als onderbouw en vormbeginsel der
theologie. Dat ging niet zonderombuiging der oorspronkelijke gedachten.
Maar dat zag men niet, daar men vast overtuigd was van de harmonie
tussen rede en openbaring.
Thomas van Aquino
De grootmeester der scholastiek werd Albertus’ leerling
Thomas
van Aquino (1225-1274), die vooral te Parijs leerde. In zijn systeem is
het grootst mogelijke evenwicht bereikt tussen de uiteenlopende
elementen, die de scholastiek trachtte te verbinden: rede en
openbaring, bijbel en overlevering, Aristoteles en Augustinus.
Thomas ziet de werkelijkheid verdeeld in twee verdiepingen. De onderste
verdieping wordt gevormd door het natuurlijke leven, dat door de rede
wordt gekend, en waar de rede ook al tot een natuurlijke Godskennis
leidt. Dit leven streeft naar God als zijn doel, en is daarom in
zichzelf onvolledig. Het wordt aangevuld en voleindigd door het
bovennatuurlijke leven der genade. Bekend is Thomas’
woord:
“De genade heft de natuur niet op, maar volmaakt
haar”. Het
geloof is de daad van het door God verlichte verstand, waardoor de rede
ook de in Schrift en overlevering geopenbaarde bovennatuurlijke
waarheden toestemt. Deze waarheden zijn gedeeltelijk redelijk,
gedeeltelijk bovenredelijk (b.v. de drieëenheidsleer), maar
ook
dan niet onredelijk: Men ziet, dat Thomas al voorzichtiger is dan de
theologen der vroege scholastiek. Hij onderscheidt de terreinen van
rede en openbaring scherp. Hij ziet er van af, de
denknoodzakelijkheid der openbaring te bewijzen. Het is al
genoeg,
wanneer haar denkmogelijkheid wordt aangetoond. Door de zondeval hebben
we ons deelgenootschap aan de bovennatuurlijke wereld
verloren.
Door Christus’ werk wordt deze gemeenschap hersteld. Zijn
verlossende macht zet zich voort in de sacramenten, waardoor aan de
mensen de krachten van het bovennatuurlijke leven worden
medegedeeld. De zoo in beginsel herstelde wereld vormt een rangorde van
op elkaar aangelegde levenskringen, die hun uiteindelijke doel
in
God vinden. Eerst door de overkoepeling der genade kan het natuurlijke
leven goed functioneren. Uit deze gedachten volgt Thomas’
streng
pauselijke staatsopvatting. De staat behoort tot het
natuurlijke
leven en kan zijn taak slechts dan goed vervullen, als hij zich laat
leiden door het bovennatuurlijke instituut der kerk, welks hoofd de
paus is. Als een machtige gotische dom rijst dit harmonische
gedachtengeheel op. Thomas is misschien wel de scherpste en meest
stelselmatige denker van heel de christelijke kerk. “De droom
van
die tijd, om godsdienst en wetenschap tot een eenheid samen te vatten,
scheen in Thomas in vervulling te gaan”. In 1879 heeft paus
Leo
XIII zijn stelsel tot de normale theologie der rooms-katholieke kerk
verheven. Zijn redelijke argumenteertrant en zijn tegen elkaar uitwegen
van tegengestelde gedachten zijn kenmerkend voor heel het roomse denken.
Toch - ook de latere ontwikkeling der theologie bewees het - het
evenwicht, dat Thomas tussen allerlei gedachten had weten te
bereiken, was vaak ontstaan ten koste der gedachten zelf. De
werkelijkheid is niet zoo harmonisch als ze in Thomas’ denken
lijkt. Aristoteles’ stelsel kon onder de overkoepeling der
genade
niet tot zijn recht komen. Erger was, dat de genade op deze
heidense onderbouw zich niet in haar Bijbelse volheid kon ontplooien.
De bijbel kent geen twee verdiepingen. De genade is geen bovenbouw der
natuur, maar een verzoening en herstel der gevallen schepping.
De
zonde is niet slechts een gemis, waarbij onze natuur bewaard blijft,
maar een verkering van die natuur zelf. Het geloof is veel meer dan een
verstandelijk toestemmen. En de genezing der schepping is niet zoozeer
een gebeuren in deze bedeling door middel der kerk, als wel een belofte
aan de kerk voor de nieuwe bedeling. In de bijbel gaat het lang niet
zoo redelijk en harmonisch toe als bij Thomas. Een protestant, die door
de bijbel over zonde en genade onderwezen is, zal zich in deze
gedachtewereld nooit thuis voelen.
Duns Scotus
In de franciscaanse theologie leefden enigszins andere ideeën.
Haar grote vertegenwoordiger was de Engelsman Johannes Duns Scotus
(1265-1308). Zijn denken richtte zich niet zoozeer op de harmonie als
op de kritiek. Hij doorzag, dat rede en openbaring niet zulk
een
schone eenheid vormen als Thomas nog had gedacht. De inhoud van bijbel
en kerkleer bestaat uit daden en ordeningen Gods, die nooit als
redelijk noodzakelijk kunnen worden beschouwd. God is immers de grote
Wil, die de dingen zoo heeft verordend, maar het ook heel anders had
kunnen willen. Duns wierp vele redelijke bewijzen voor de waarheid der
openbaring omver. Zijn vaste grond was de kerk, op wier gezag alleen
hij de openbaring aanvaardde. Duns is nog steeds de autoriteit der
Franciscanen. De roomse kerk als geheel stelt Thomas hoger, maar kan
ook Duns niet missen, die het op geen verstandelijk inzicht berustende
gezag der kerk zoo sterk naar voren brengt.
Occam
De laatste grote scholasticus was de Engelse Franciscaan Willem van
Occam (1280-1349), dien we al eerder vermeldden als een moedig
voorvechter voor het eigen recht van de staat en voor de christelijke
armoede. Hij ging nog een stap verder dan Duns. Bij Duns begon het
kunstige bouwsel der scholastiek bedenkelijke scheuren te vertonen; bij
Occam kwam het tot de volslagen breuk tussen rede en
openbaring.
Occam bewijst, hoe vele bezwaren het verstand tegen de openbaring
hebben moet. Tegelijk is hij overtuigd, dat het verstand nooit tot de
ware werkelijkheid kan doordringen. Zijn spinsels zijn een kunstig
spel, dat Occam en zijn school met groot vernuft speelde, maar dat ook
aan het woord “scholastiek” de bijsmaak van
spitsvondigheid
en haarkloverij bezorgde. Occams tegen elkaar uitspelen van
rede
en openbaring grenst vaak aan het aanhangen van een dubbele waarheid.
Maar nog sterker dan Duns trekt hij zich op de geopenbaarde wil Gods
terug, die nauwelijks meer van onredelijke willekeur verschilt. God had
immers in zijn vrijheid diefstal en echtbreuk evengoed kunnen gebieden
als verbieden.
Als keerzijde van deze redenering kwamen bij Occam ook goed Bijbelse
gedachten naar voren. B.v.: het geloof is geen mystiek noch
verstandelijke aanvaarding; het gaat tegen de rede in, en bestaat in de
gehoorzame onderwerping aan het Woord Gods, dat in de Schrift tot ons
komt. Naast de Schrift hebben noch de kerk noch de paus een zelfstandig
gezag. Niet alleen in de staatsleer, maar ook in dit opzicht is Luther
door de occamistische theologie beïnvloed.
Na Occam verloor het scholastische denken zijn machtige vaart. De
verschillende scholen leefden naast elkaar voort, zonder
vruchtbare nieuwe ideeën. Toen kwam de renaissance, die voor
het
dorre begrippenspel niet veel meer over had dan spot en verachting. Men
wilde van de scholastiek weg naar de bronnen: de bijbel en de
kerkvaders. En ook Aristoteles moest het ontgelden. Niet alleen Luther
wilde van diens heidense wijsheid niets weten; ook de renaissance
verloochende hem ten gunste van Plato.
De waarde der scholastiek
Een groot thema heeft het middeleeuwse denken eeuwenlang bezig
gehouden. Men wilde de waarheid van het Evangelie bevestigen door zijn
redelijkheid aan te toonen. De openbaring moest weerklank vinden in het
meest menselijke wat de mens heeft: zijn verstandelijk inzicht. Zoo
moest het uiterlijk aanvaarde ook innerlijk begrepen worden. Daarmee
hadden de jonge christenvolken zich een zinvolle en vruchtbare taak
gesteld. Daaraan wordt niets afgedaan door het feit, dat men ten slotte
heel ergens anders uitkwam dan waar men wilde komen. Integendeel, dat
pleit voor de echtheid en ernst van dit denken. Men begon te denken,
dat men de openbaring in haar geheel redelijk zou kunnen
doorlichten. Maar men eindigde met in te zien, dat de openbaring als
Gods werk tot een bovenmenselijke orde behoort, waar ook de rede een
vreemdeling is. Ze is slechts te verklaren uit Gods wil en kan alleen
op Gods gezag worden aanvaard. Het begon met Anselmus’
“credo ut intelligam”; het eindigde met het
“credo
quia absurdum” (ik geloof omdat het absurd is), waardoor
Occams
theologie gekenmerkt is. Op deze lange weg verwierf de theologie zich
een steeds dieper inzicht in de eigen aard der openbaring en haar
verhouding tot het natuurlijk-menselijke. Het Evangelie blijft
“het dwaze der wereld” (1 Kor. 2:27), wel voor den
mens,
maar niet naar den mensch. De roomse kerk, die altijd op verzoening der
tegenstellingen uit is, geeft de noodzaak der scholastieke ontwikkeling
niet gaarne toe. Zij ziet in Thomas het ideaal bereikt; de latere
ontwikkeling, vooral Occam, moet als een tijdelijke afdwaling
worden beschouwd. Maar men kan niet halverwege blijven staan;
ook
de latere ontwikkeling is met het gestelde thema gegeven.
Scholastieken en
theocratie
Er bestaat een verborgen verband tussen denken en leven. De aandachtige
beschouwer kan zich niet onttrekken aan de indruk, dat er een samenhang
bestaat tussen het middeleeuwse werkelijkheidsprobleem: de verhouding
van kerk en wereld, en het denkprobleem: de verhouding van
openbaring en rede. Zoals de pauselijke kerk streefde naar een
theocratische eenheid van het geestelijke en natuurlijke leven, zoo
streefde de scholastiek naar een door de openbaring beheerste eenheid
van het natuurlijke en het bovennatuurlijke. Wat Innocentius
III
op het gebied van de daad was, dat was Thomas op het gebied van het
denken. Maar in beide gevallen deed de eenheid aan het wezen der
verenigde machten geweld aan. Tegenover Bonifatius VIII ging de
nationale staat zijn recht opeisen. Bij Bonifatius’
tijdgenoot
Duns Scotus begonnen openbaring en rede van elkaar te vervreemden. Bij
Occam, die inde Avignon-periode werkte, bezwijkt heel de
gedachteharmonie. En inde bloeitijd van zijn school bezwijkt ook de
levensharmonie van kerk en staat; het is de tijd van het conciliarisme,
de armoede-strijd, Wiclif en de nationale staten. Dat deze parallel
tussen het theocratisch en het scholastisch ideaal meer is dan een
geestrijk spel, kan ieder zien, die b.v. de staatsleer van Thomas met
die van Occam vergelijkt.
Genade en verdienste
De, scholastiek had niet alleen haar zelf gestelde thema. Ook van de
kerkvaders erfde ze problemen, waarmee ze in het reine moest komen. Het
verschil tussen Augustinus’ denken en de kerkelijke praktijk
moest ook haar opvallen: gaat het om uitverkiezing, genade en geloof,
of om sacramentele instorting, eigen werk en verdienste? Fijner en
voorzichtiger dan Gregorius I, is de scholastiek toch op zijn weg
doorgegaan en heeft getracht beide standpunten te verbinden.
Helaas, het betekende een steeds verder gaande verwijdering
van
Augustinus en Paulus. De Franciscanen vooral legden grote nadruk op de
vrije wil en de menselijke verdiensten. Slechts door een enkele
theoretische onderscheiding verschilden ze van de vroegere
semi-pelagianen. Thomas en zijn school legden grotere nadruk
op de
genade en wilden van menselijke verdiensten alleen in zeer beperkte zin
weten. Zij hielden zich meer aan Augustinus’ grondlijnen.
Maar
ook bij hen was van zijn geest weinig overgebleven. Het Woord was van
zijn kracht beroofd ten gunste der magisch opgevatte sacramenten. De
genade was niet, als in de bijbel, een persoonlijke verhouding van God
en mens, maar een door de sacramenten ingestorte bovennatuurlijke
krachtstof. De rechtvaardiging was een andere naam geworden voor de
sacramentele heiligmaking. De zondenvergeving had haar centrale plaats
in de heilsorde en eigenlijk heel haar betekenis verloren. Want de
vergeving vindt eerst plaats nadat de zonde door de ingestorte genade
gedelgd is. Het meeste van deze volstrekt onevangelische gedachten is
officiële roomse kerkleer geworden. Alleen bij de
“ketters” leefde een min of meer bewust besef,
hoever men
van de Schrift was afgedwaald.
In de veertiende en vijftiende eeuw bereikte de verbastering van
Augustinus’ leer haar hoogtepunt. De menselijke verdienste
ontving een bijna pelagiaanse nadruk; de genade verloor bijna heel haar
geestelijk karakter en werd geheel magisch en uiterlijk opgevat. Het
scheen, dat Augustinus’ remmende invloed voorgoed uitgewerkt
was.
31.DE
MIDDELEEUWSCHE VROOMEID
Het persoonlijke geloof is een verborgen ding. De kerkgeschiedenis kan
er geen verslag van geven. Wat we kennen en beschrijven kunnen, zijn de
vormen waarin het zich uit. Als we daarop afgaan, bemerken we, dat
sinds de twaalfde eeuw de vroomheid meer persoonlijk van aard wordt.
Het lijkt wel of het Evangelie pas dan recht weerklank gaat vinden in
onze West-Europese volkerengemeenschap. Niet alleen voor de
geestelijkheid geldt dat. In stijgende mate gaan van de twaalfde tot de
vijftiende eeuw ook de leken een rol spelen in de geschiedenis der
vroomheid. Vaak werden ze daardoor tot ketters. Maar velen ook vonden
binnen de ruimte der kerk een hen bevredigende geloofsvorm. Op de grote
betekenis, die Bernhard van Clairvaux voor de persoonlijke vroomheid
had, hebben we al eerder gewezen. Bernhards vroomheidstype was de
persoonlijke gemeenschap met Christus in de deemoedige navolging van
diens lijden. Deze vorm is heel de middeleeuwen door blijven bestaan.
De mystiek
Maar tegelijk daarmee werd een andere vorm geboren, die in de kloosters
veel beoefening vond. We noemen haar: de mystiek. Behalve van de bijbel
en van Augustinus, leefde ze van platonische, dus heidense,
gedachten, die vooral Johannes Scotus Eriugena reeds in de negende eeuw
in verchristelijkte vorm verkondigd had. De grondovertuiging
der
mystiek van alle tijden is, dat het diepste van ’s mensen
ziel
een stuk der Godheid is, en dat de mens door een trapsgewijze
voortschrijdende verinnerlijking tot
één-wording met
het goddelijke moet geraken. Men bemerkt direct, dat dit het
platonisch pantheïsme is, dat voor de oude kerk (vooral
Origenes
en Augustinus) een duurzame verzoeking is geweest. Dat het weer een rol
in de kerk kon gaan spelen, kwam doordat de kerk zelf reeds al te veel
van die geest had opgenomen. Het pantheïsme wist de grens
tussen
God en mens uit. In de rooms-katholieke kerk was deze grens zoal niet
uitgewist, dan toch vaag geworden. Zij vermengde het goddelijke en het
menselijke in haar opvatting van het pausdom, van het kerkinstituut,
van de mis, van de bovennatuurlijke genadekrachten. Het geloof
was
voor haar slechts het begin van het nieuwe leven. Het hoogtepunt is een
dergelijk doordringen van het menselijke met het goddelijke als ook de
platonische mystiek beoogde.
Zoo kan het ons niet verbazen, dat juist in de Duitse
Dominicanenkloosters bij de leerlingen van Thomas van Aquino
zelf,
de mystiek in de veertiende eeuw haar hoogste bloei bereikte. De
kloosters langs de Rijn, vooral de vrouwenkloosters, waren centra der
mystiek. Uit deze kring is de grootste mysticus der middeleeuwen
voortgekomen: Meester Eckhart (ongeveer 1260-1327).
Eckhart en zijn school
Voor Eckhart is God het enige, in alles werkzame Zijn. De mens heeft in
de “zielegrond een “vonkje” van dat Zijn.
De
zaligheid bestaat daarin, dat de ziel zich van haar eenheid met de
Godheid bewust wordt. Dat is de geboorte Gods in de ziel. Het middel
daartoe is de “gelatenheid”, het afsterven aan de
wereld.
Langs de weg der boete (reiniging) en der doding van het eigen ik in de
navolging van Christus (verlichting), geraakt de mens tot het hoogste:
het opgaan in Gods wil en wezen (vereniging). Deze toestand is tegelijk
de bron voor een nieuw leven in liefde tot den naaste.
Uit deze weinige woorden kan men geen indruk krijgen van de kracht en
oorspronkelijkheid van Eckharts taal. Deze oorspronkelijkheid, gepaard
met het feit, dat we een deel van zijn werk in het Duits bezitten,
heeft vooral in de laatste jaren sommigen er toe verleid, Eckhart te
beschouwen als den profeet ‘van een Duitse, Germaanse,
“Noordse” vroomheid. Dat is een vergissing. Al
heeft de
paus in 1329 een aantal uitspraken van Eckhart veroordeeld, toch heeft
de meester steeds een trouw zoon der kerk willen zijn. En deze mystiek
is een wijd verbreide vroomheidsvorm, die we zoowel bij de Latijnse,
als bij de noordse, zoowel bij de Germaanse als bij de Semitische
volken aantreffen. Het “Duitse” zit bij Eckhart
niet in de
inhoud, maar in de vorm en de taal.
Toch gaat het ook niet aan, Eckhart als een rechtzinnig rooms-katholiek
te beschouwen. Binnen deze mystieke sfeer kan de persoon en het werk
van Christus nooit het middelpunt worden. Jezus is voor de ziel op haar
mystieke reis het wekkende en leidende voorbeeld. Het kerkinstituut en
zijn sacramenten spelen hierbij geen rol. Hoogstens komen ze als
opvoedingsmiddelen voor het beginstadium in aanmerking. Al
bood de
leer en praktijk der kerk vele aanknopingspunten voor deze mystiek,
toch is het duidelijk, dat Eckharts gedachten zich telkens op en zelfs
over de rand van het pantheïsme bewegen.
Eckhart heeft school gemaakt. Maar zijn leerlingen hebben de gedachten
van den meester zooveel mogelijk verkerkelijkt. Beroemd waren de grote
prediker Johannes Tauler, de ascetische en tegelijk dichterlijke
Heinrich Seuse (Suso) en de systematicus van deze mystiek Johannes van
Ruysbroeck, die in en bij Brussel woonde, en in 1350 zijn
“Chierheit der gheesteleker Brulocht” schreef.
Deze mystiek bleef niet binnen de kloostermuren. In de tweede helft der
veertiende eeuw kreeg ze ook vat op de adel en burgerij, vooral in
Zuid-Duitsland. Vele ernstige zoekers vluchtten uit de
verworden
kerk in de innerlijkheid. Naar Joh. 15S:14 noemden zij zich
“Godsvrienden”. Ze wilden de kerk trouw
blijven, al
konden ze haar steunsels wel missen. We moeten ons deze mystiek echter
niet alleen als half of geheel pantheïstisch denken. Vaak was
ze
onlosmakelijk verbonden met Bernhards lijdensdevotie en
(vooral in
de nonnenkloosters) met zijn bruidsmystiek. Daarin leven veel meer
bijbelse elementen dan in de zuivere mystiek.
Het meest consequent waren de “broeders en zusters van de
vrije
geest”, die ook vooral in Zuid-Duitsland leefden. Hun
pantheïsme was bewust antikerkelijk. Met een beroep
op
Eckhart verwierpen ze elke kerkelijke en sacramentele bemiddeling. Want
de mens is zelf God. Daarom kan hij niet zondigen. Deze ketterse groep
heeft het scherpst de afstand tussen het geloof der christelijke kerk
en de pantheïstische mystiek begrepen.
De moderne devotie
Nederland werd de bakermat van een nieuwe beweging, die het
middeleeuwse geloofsleven heeft bevrucht. De oorsprong lag bij den
lekenprediker Geert Grote (1340-1384) uit Deventer, die zich
na
een plotselinge bekering, aan een nieuw leven in de navolging van
Christus wijdde en krachtig tegen de volkszonden predikte.
Rondom hem en zijn leerling Florens Radewijns vormde zich een
vriendenkring, die uitgroeide tot een vrije vereniging van
geestelijken en leken, welke zich zonder plechtige gelofte tot een
gemeenschappelijk leven verbonden. Hun onderhoud vonden ze
door
arbeid, vooral door het overschrijven van boeken. Vanuit het
broederhuis in Deventer werden verscheidene dergelijke huizen
gesticht in Nederland en Duitsland. Zwolle werd een tweede middelpunt.
Een zuiver kloosterlijke zijtak van deze “broeders des
gemeenen
levens” werden het klooster te Windesheim en de daarbij
aangesloten kloosters in Nederland en Duitsland. Ook op de
oudere
kloosterorden werkte de beweging hervormend in.
De eigensoortige vroomheid van deze beweging noemt men “de
moderne devotie”. Geert Grote was een aanhanger van
Ruysbroeck.
Toch onderscheidt deze vroomheid zich van de mystiek. Ze weet
zich
gebonden aan de kerk en bij de navolging van Christus gaat het haar
vooral om het praktische en zedelijke. De broeders des gemeenen levens
hebben grote betekenis gehad voor de zielszorg, en in mindere mate ook
voor het scholen opvoedingswezen in Nederland. We noemden de beroemde
Latijnse school te Deventer al eerder. De humanistische
studiën
vonden ingang bij de broeders. Daarmee samenhangend legden ze sterke
nadruk op het volstrekte en uitsluitende gezag van de bijbel.
Uit
hun kring kwam de beroemde en veelzijdige geleerde Wessel
Gansfort, uit Groningen (gest. 1489) voort, in wiens denken we deze
trekken terugvinden, gepaard met een scherpe kritiek op vele gebruiken.
Deze combinatie van Bijbelse gebondenheid, humanistische
denkwijze
en praktisch-zedelijke instelling is typisch geworden voor de
Nederlandse vroomheid tot ver in de hervormingstijd. Erasmus is er het
grote voorbeeld van.
Uit deze kringen stamt ook het beroemdste stichtelijke geschrift der
middeleeuwen: “De navolging van Christus”
(De
imitatione Christi), dat wordt toegeschreven aan Thomas van Kempen
(gest. 1471) uit het klooster op de Agnietenberg bij Zwolle.
De volksvroomheid
De boven geschetste bewegingen bereikten slechts een
betrekkelijk
kleine groep, hoofdzakelijk monniken en nonnen. Het gewone
volk
leefde in een geheel andere wereld. Zonder veel nadenken onderwierp men
zich aan het gezag der kerk, die het leven van haar kinderen van stap
tot stap met haar bovennatuurlijke krachten sterkteen leidde.
De heilsmiddelen
Sinds de dertiende eeuw kende men zeven sacramenten: de doop, het
vormsel, de mis, de biecht, het huwelijk, het laatste oliesel en de
priesterwijding. Zij omspannen en vergezellen het leven van de wieg tot
het graf. Het middelpunt is het grote wonder van de mis, waar
Christus’ eigen lichaam en bloed telkens weer tot delging der
zonden geofferd wordt. Bijna even belangrijk is de biecht, die sinds
1215 verplicht is. Het was een machtig middel in de hand der
geestelijkheid tot volksopvoeding en volksbeheersing. Naast de mis en
de biecht moest de prediking wel op de achtergrond raken. Tot aan de
dertiende eeuw werd ze verwaarloosd. Toen trad er een aanmerkelijke
verbetering in, vooral dank zij de Franciscanen, die de volksprediking
ter hand namen. De grootste volksprediker der middeleeuwen was Berthold
van Regensburg (gest. 1272). Een spreekwoordelijke bekendheid heeft nog
steeds de Nederlandse prediker Johannes Brugman (gest. 1473 te
Nijmegen). De preek was er op uit, het zondegevoel op te
wekken,
afkeer van de ketterij in te boezemen en vertrouwen te schenken in de
heilsmiddelen van de kerk. Inde vijftiende eeuw nam de betekenis der
preek nog toe. Ook werd de bijbel steeds meer verspreid, hoewel de
geestelijkheid daar onwelwillend tegenover stond, vooral sinds het
optreden van Wiclif. Toen in het midden der vijftiende eeuw de
boekdrukkunst werd uitgevonden, werd deze allereerst in dienst gesteld
van de bijbelverspreiding.
Maar de eigenlijke kanalen der bovennatuurlijke krachten waren de
sacramenten, vooral mis en biecht. Daarnaast kende men een
menigte
heilige handelingen, die een dergelijke, zij ‘t ook mindere,
uitwerking hadden als de sacramenten (sacramentalia). Daartoe behoorden
vooral de priesterlijke zegeningen, die nergens mochten ontbreken. Zoo
weden koningskroning en huwelijk, huis en hof, voedsel, wapens, akkers
enz. in de magisch goddelijke sfeer getrokken. Het wijwater gold als
het grote tovermiddel. Nog moeten we de lange reeks van feestdagen
vermelden, verschillend naar land en streek. Op grote feesten werden
zinnebeeldige toneelspelen (mysteriespelen) opgevoerd, waardoor
geestelijke waarheden aan het volk werden ingeprent.
De voorwerpen van het
geloof
Op wie richtte zich nu het volksgeloof, dat door deze heilsmiddelen
werd gevoed? Men zou denken: op God en op Christus. Maar dezen stonden
voor het volksbewustzijn op een verre afstand. Christus werd allereerst
als de toornende rechter gezien. Zijn verlossende kracht werd
voor
menselijk gebruik door de kerk in de sacramenten omgezet. Dat
belemmerde een rechtstreekse verhouding tot den Heiland. De eigenlijke
voorwerpen van liefde en aanbidding waren de heiligen. Hoewel de paus
zich de heiligspreking als recht had voorbehouden, was er een
grote menigte van deze halfgoden. Het onderscheid, dat de roomse
theologie maakte tussen hun verering en de aanbidding, die alleen God
toekomt, had voor de praktijk geen betekenis. Voor bijna elke daad,
nood, stand, stad of bedrijf was er een aparte heilige, op wiens of
wier bescherming men rekenen kon: Antonius voor de varkens, Gallus voor
de ganzen, Apollonia voor de kiespijn, Petronella voor de koorts, Anna
voor de mijnwerkers, Joris voor de ruiters enz.
Aan de spits van dit rijk der halfgoden staat Maria. Zij is meer dan de
heiligen. Slechts de drieëenige God is meer dan zij. Daar
Jezus
vooral als de rechter werd gezien, droeg men zijn genadetaak op Maria
over. Naar haar ging heel de liefde der vrome middeleeuwers uit. De
kunst legt er een heerlijk getuigenis van af. Voor de ridderlijke geest
was de moeder-maagd het zinnebeeld van alle edele vrouwelijkheid. Zij
is de middelares, die met haar verdiensten en voorbeden bij God voor de
zondaren intreedt. Praktisch nam ze dezelfde plaats in als de godinnen
bij de heidenen. Hoe kon men het beeld der deemoedige Maria zo
vervormen? vraagt de lezer van Lucas 1 zich af. Maar volgens de roomse
opvatting maakt de genade den zondaar niet klein, maar juist groot voor
God. Maria, de meest begenadigde, is ook de goddelijkste der
mensen. Hier treft ons wel heel scherp de vermenging van het goddelijke
met het menselijke.
Met de heiligendienst hing de hoge verering samen voor lichaamsdelen
van heiligen of andere voorwerpen, die direct met hen in verband hadden
gestaan (relikwieën = overblijfselen). Dat dit grotendeels
zwendelarij was, spreekt vanzelf. De relikwieën werden gezien
als
dragers van bijzondere genadekracht. Daardoor hadden ze ook
een
hoge aflaat-waarde (zie beneden). Luthers landheer Frederik de Wijze
was een verwoed verzamelaar. Zijn duizenden
relikwieën
vertegenwoordigden een aflaat voor talloze vagevuur-jaren.
Leven onder de genade betekende voor den middeleeuwse vrome: leven te
midden van mirakelen. Het aantal wonderverhalen uit de middeleeuwen is
ontelbaar. Wonderen van heiligen, wonderen met relikwieën,
wonderen met het heilige bloed uit de mis - ze werden alle grif
geloofd. Zoo werden in de bedevaartsplaats Wilsnack mis-elementen
getoond, die bij de verbranding van de kerk ongedeerd waren
gebleven. De twijfel, die verscheidene uitten, werd gesmoord; want de
inkomsten van deze bezienswaardigheid waren hoog.
Niet alleen genadekrachten omringen den mens, maar ook de duivel is
daar dm hem te belagen. Het geloof aan den duivel verbond zich in de
middeleeuwen met allerlei oud-germaans bijgeloof. Zoo geloofde men, dat
er vrouwen en meisjes bestonden, die door den duivel behekst waren. De
officiële kerk heeft dat tot in de vijftiende eeuw als
bijgeloof
verworpen. Maar Thomas van Aquino had als eerste aan het
heksengeloof een plaats gegeven in de kerkleer. En in de vijftiende
eeuw kreeg de opsporing van heksen haar plaats op het programma der
inquisitie. Twee inquisiteurs schreven zelfs een handleiding daarvoor:
“De Heksenhamer” (Malleus maleficarum, 1487), die
onder de
zegen van den paus een zee van ellende tot gevolg heeft gehad. Tot
omstreeks 1700 heeft de heksenvervolging geduurd. In de loop
van
die tijd zijn duizenden onschuldige vrouwen en meisjes verbrand.
De uitingen van het geloof
Geloof betekende
allereerst een
blindelings zich onderwerpen aan het kerkgezag, ook al wist men van de
inhoud der kerkleer weinig of niets af. De meeste indruk maakte de
prediking van het komende oordeel en van de eeuwige hellestraffen.
Veelvuldig zijn de verhalen over middeleeuwers, die eerst een losbandig
leven leidden, maar door een plotselinge angst voor het gericht tot
berouw over hun zonden en tot een nieuw leven werden gebracht. Niet
alleen bij enkelen valt dat op. Soms greep zulk een besef hele
volksmassa’s aan. Dat geschiedde b.v. toen de oproep tot de
kruistochten door Europa weerklonk. En later vooral in de donkere jaren
1348-1351, toen de pest, “de zwarte dood” overal
woedde.
Alom ontwaakte het zondegevoel en de begeerte naar boete. Hele
mensenmassa’s trokken toen in alle landen van stad tot stad,
terwijl ze zichzelf met geselen sloegen. De officiële kerk
heeft
deze geselaartochten veroordeeld.
De voornaamste geloofsuitingen waren de goede werken. Daardoor moest
men met de genade meewerken en zich voor God aangenaam maken. Tot de
goede werken behoorden: vasten, aalmoezen, gebeden, bedevaarten naar
heilige plaatsen, giften, kerkbouw, zelfmishandeling, in het klooster
gaan, enz. Het aalmoezen geven had tot gevolg, dat de middeleeuwse
maatschappij vooral in de laatste tijd een ontelbare menigte
bedelaars tot haar last had. Wat de bedevaarten betreft: deze groeiden
soms uit tot een massale trek naar heilige plaatsen, die bijzonder in
aanzien stonden.
De aflaat
Als we over de goede werken spreken, moeten we ook de aflaat vermelden.
Geen verschijnsel werpt zulk een fel licht op de roomse volksvroomheid
als dit. Ook is de aflaat belangrijk geworden als de aanleiding tot de
kerkhervorming.
De aflaat is ontstaan uit de biechtpraktijk. Na de zondebelijdenis en
zondevergeving moest men de ernst der boete bewijzen door zich
aan
bepaalde
straffen te onderwerpen. Het was echter mogelijk, dat deze straf geheel
of gedeeltelijk werd kwijtgescholden op grond van bijzondere Gode
welgevallige daden van den boeteling. Zulk een kwijtschelding
heette aflaat. Die gewoonte was niet verwerpelijk, mits over de
toepassing van geval tot geval werd beslist. Maar bij de kruistochten
kreeg iedere deelnemer aflaat van boete-straffen, ja ook degene, die
een plaatsvervanger zond. Zoo werd de aflaat massaal en mechanisch,
losgemaakt van de gezindheid van den boeteling. Daar kwam bij, dat de
aflaat niet alleen voor de kerkelijke straffen geldig werd geacht, maar
ook voor de straffen in het vagevuur, waarvoor men grote angst had. En
vooral het feit dat de aflaat niet alleen werd verleend op grond van
een prestatie, maar ook tegen betaling van geld, betekende zijn
volslagen veruitwendiging. Als we denken aan de nooit gestilde
geldhonger van den paus en de geestelijkheid, spreekt het vanzelf, dat
de aflaat voor geld de hoofdzaak werd. Zoo ontstond een reusachtig
internationaal bedrijf van de aflaathandel. Vooral toen aangenomen
werd, dat men daardoor niet alleen zijn eigen vagevuur-jaren kon
bekorten (het totale aantal blijft op aarde onbekend), maar ook die van
zijn gestorven familie-leden. En door het nauwe verband van zonde en
straf, betekende de aflaat voor het volksbewustzijn ook
zondenvergeving. Wat men aan berouw te kort kwam, werd door het geld
weer goedgemaakt. Zoo werkte de aflaat de grootste lichtvaardigheid in
de hand. Wel heeft de kerk dat nooit officieel goedgekeurd, maar ze
liet de mensen toch in die waan. En wel keurden vele ernstige zonen der
kerk het aflaatmisbruik af, maar ze tastten het euvel niet in de wortel
aan.
Het allerergste was de wijze waarop de theologie de aflaat trachtte te
rechtvaardigen. Men redeneerde aldus: Jezus heeft door zijn werk
oneindige verdiensten verworven. De heiligen hebben meer
verdiensten dan ze nodig hadden om de zaligheid te beërven
(maar
zie Lucas 17:10). Deze werken van Christus en van de heiligen vormen
samen “de schat der overtollige goede
werken”, die het
bezit der gehele kerk is en door den paus wordt beheerd. Op grond van
dit “saldo” kan de paus een
aflaat-“cheque”
afgeven aan hem wiens hemelse rekening nog een tekort aan goede werken
aanwijst. Sinds 1343 is dit officiële kerkleer.
Bij de beschrijving van de aflaat vervalt men vanzelf in
financiële termen. Hier wordt op het verschrikkelijkst
openbaar,
waartoe de evangelische geloofshouding was misvormd: tot de
verhouding van schuldeiser en schuldenaar. De vroomheid is het
zich beijveren om op de hemelse rekening af te betalen. Hier op aarde
komen de meesten daarmee niet klaar. Pas als het vagevuur de rekening
vereffend heeft, heeft de schuldenaar recht op de zaligheid. Wat
betekent het Evangelie der genade nu nog?
De algemene indruk der middeleeuwse vroomheid is weinig evangelisch.
Zoowel haar hoogste als haar laagste vormen grenzen aan het heidendom:
enerzijds aan het platonisch pantheïsme, anderzijds aan het
Romeinse en Germaanse veelgodendom. Zoo vinden we hier de
dubbelzijdigheid van het heidendom terug, dat vooral na Constantijn
zijn intrede deed in de kerk. Deze heeft er pas in de hervormingstijd
grondig mee afgerekend. Zoo vinden we in de middeleeuwse vroomheid
enerzijds de persoonlijke betrekking tussen God en den zondaar
opgeheven (mystiek), anderzijds tot een betrekking van werk en loon
misvormd (volksvroomheid). Maar waar blijft de Bijbelse betrekking van
genade en geloof? Ondanks Augustinus overstemde het heidendom het
christendom. Toch heeft het ook aan Bijbelse vroomheid niet ontbroken.
Bijna in elk hoofdstuk konden we er van gewagen. En vele
prachtige
middeleeuwse liederen leggen er een onmiskenbaar getuigenis van af.
Toch moet men die vroomheid minstens zoozeer bij de ketters zoeken als
in de kerk. En ze was niet bij machte om de koopmansgeest uit Gods huis
te verdrijven. Maar voor hoevelen zij toch de enige troost in
leven en sterven is geweest - dat vermag de geschiedvorser niet te
beoordeelen.
32. DE
MIDDELEEUWSE KUNST
De kunst als toegepaste
theocratie
Van een aparte behandeling der middeleeuwse kunst, hoe schetsmatig ook,
moeten we afzien. Want bijna heel deze kunst is kerkelijke kunst. Ze
hangt geheel met de kerkgeschiedenis samen en is tegelijk een eigen
wereld, welker tekening buiten het raam der kerkgeschiedenis valt. Het
enige waarom het ons te doen kan zijn, is: iets van deze samenhang te
laten zien. Nu we de grote ontwikkelingslijnen van de middeleeuwse kerk
voor ons hebben, valt het niet moeilijk te ontdekken, hoe de kunst de
illustratie levert bij de verschillende fasen der ontwikkeling.
Reeds het feit zelf, dat de kunst van deze eeuwen geheel in dienst der
kerk staat, is typerend. Want dat was het ideaal op elk levensgebied:
het aardse in dienst van het eeuwige. Ook op de kunst werd dit
theocratisch ideaal toegepast. Het heilige gaf inhoud en bezieling aan
de schone vorm. Nergens komt dit ideaal zoo louter naar voren als in de
kunst. Hier leren we de middeleeuwen van hun heerlijkste zijde kennen.
Hier wordt het theocratisch besef door geen geneselijke machtswellust
vertroebeld.
Dit besef bepaalde ook de verhouding der verschillende kunsten. Voorop
ging de bouwkunst, want het kerkgebouw is de belangrijkste vorm, waarin
dit besef zich uiten kan. En aan de versiering der kerken werden de
beeldhouwkunst, de ornamentiek en de schilderkunst dienstbaar
gemaakt. Zelfs kleine en armoedige plaatsen bouwden prachtige kerken.
Vaak werd er geslachten lang aan gewerkt. Aan de eigen
woningen
besteedde men op verre na niet die zorg. Maar aan het huis Gods werd
alle kunnen en liefde ten koste gelegd.
De romaanse stijl
Evenals op elk ander gebied, begon de middeleeuwse kerk, ook hier met
overname en nabootsing van het oude. Zoo werd de oud-kerkelijke
basiliek-bouw voortgezet. Maar reeds voor, Karel den Grote begon zich
uit het overgeleverde een nieuwe vorm te ontwikkelen, die we
“romaans” plegen te noemen. Het middelschip werd
voorbij
het korte dwarsschip verlengd, waardoor de kruisvorm ontstond. Het koor
werd door nissen uitgebouwd. De torens kregen een beheersende functie,
vooral de toren boven het kruispunt. De vlakke zoldering werd door een
gewelf vervangen. Gewelf en ramen kregen ronde bogen. Het centrum van
de romaanse bouwstijl was Bourgondiër en de verbreiding er van
hing met de verbreiding der cluniacenzische hervorming samen.
Vanuit Frankrijk kwam deze stijl ook naar Duitsland. Een beroemd
voorbeeld is de abdijkerk van Maria-Laach. De kathedralen van Mainz,
Speyer en Worms zijn hoofdzakelijk in de romaanse tijd
ontstaan.
Voorbeelden van overwegend romaanse kerkbouw in Nederland zijn de O. L.
Vrouwenkerk en de St. Servaaskerk te Maastricht.
De romaanse stijl, die nog veelszins primitieve trekken draagt, is
sterk en monumentaal. Als massieve blokken staan de zware Godshuizen in
het landschap. Ze zijn de weerspiegeling van een jonge krachtige
cultuur, die door de eerbied voor het heilige gedragen wordt.
De Gotiek
Maar het
middeleeuwse kunnen had
zijn top nog niet bereikt. Nog inniger zou de verbinding van het schone
met het heilige worden. In de tijd van Bernhard van Clairvaux, toen de
middeleeuwen tot rijpheid kwamen, ontstond uit de romaanse de zgn.
gotische stijl. (Het woord “gotisch” in de
betekenis van
“barbaars” is een latere afkeurende benaming uit de
renaissance-tijd). De massieve romaanse bouw wordt een levend
organisme. Er komt beweging in, zoowel van de hoofdingang naar het koor
als van de aarde naar de hemel. De hoofdingang wordt door twee torens
geflankeerd. Een laan van ranke pijlers verbindt ingang en koor.
Muurvlakte blijft bijna niet over. Alles wordt opengewerkt. De kleine
ronde ramen worden door lange spitse vervangen. Overal treedt
de
spitse boog op; de verticale lijn domineert. Zoo wordt de illusie
geschapen van een. oneindige hoogte. Hemel en aarde ontmoeten
elkaar in deze hoge ruimten. De idee der aanbidding beheerst het
geheel. Hier is steen-geworden theocratie. Hier is de eenheid van het
geestelijke en het aardse uitgedrukt, die de wereldorde van Innocentius
III en het denken van Thomas van Aquino kenmerkte.
Niet alleen in de grootse opzet, ook in de met oneindig geduld
uitgewerkte details is de grondgedachte doorgevoerd. Vooral de
beelden van Christus, Maria en de heiligen, die de portalen en pijlers
sieren, zijn in dit opzicht sprekend. In deze tijd van de kruistochten
en van de ontdekking van Aristoteles, maakte de primitieve romaanse
uitbeelding plaats voor rijker menselijkheid, die haar hoogtepunt
bereikte in de klassieke individualiteit der Naumburgsche
koorfiguren. Merkwaardigerwijze waren dat geen heiligen meer, maar
aardse heersers. Toch - en dat is weer wezenlijk voor de bloeitijd der
middeleeuwen - deze rijke menselijkheid stond geheel in dienst der
aanbidding Gods, zoals de vorsten in dienst van den paus en Aristoteles
in dienst van de openbaring. Daarom staan de figuren ook niet vrij; ze
leunen tegen de muren en pilaren: de persoonlijkheid heeft
alleen
betekenis binnen het geheel der theocratische levensorde. Daarom
behoeft het ons ook niet te verwonderen, dat we maar zelden de namen
kennen van de geniale kunstenaars der Gotiek. Het ging immers niet om
hen, maar om de aanbidding Gods, in wier dienst ze hun kunst hadden
gesteld.
Ook de Gotiek is van Franse afkomst. De eerste gotische kerk was de
abdijkerk van St. Denis (gebouwd 1140-1144), de beroemdste de
kathedraal van Reims, die het grote voorbeeld voor Duitsland
werd.
Toch verwerkte Duitsland de Gotiek op eigen wijze, waarbij veel meer
romaanse elementen werden behouden. De heerlijkste vormen der Duitse
Gotiek zijn de domkerken van Straatsburg, Bamberg en Naumburg. Veel
meer van Frankrijk afhankelijk is de Keulse dom, waaraan van 1248 tot
1880 werd gebouwd. Ook vele grote Nederlandse kerken uit de
middeleeuwen zijn schone voorbeelden van de gotische
bouwtrant. De
meeste zijn uit de veertiende, vijftiende en zelfs zestiende eeuw. We
noemen slechts: de oudste, de Dom te Utrecht (begonnen 1254); de St.
Janskerk te ‘s Hertogenbosch (14e en 15e eeuw); de Oude en
Nieuwe
Kerk te Amsterdam en de gelijknamige kerken te Delft; de St.
Pieters- en de Hooglandse kerk te Leiden; .de St. Bavo te
Haarlem;
de Grote Kerk te den Haag, Rotterdam, Groningen, Dordrecht.
De latere ontwikkeling
De gotische stijl
werd in de
latere gotiek (1350-1500) op de spits gedreven. De versiering werd
overladen, het geheel steeds dunner, spitser en weelderiger.
Maar
het leven gaat er uit. De vorm bereikt zijn grens zonder door een
nieuwe scheppende inhoud te worden gedragen. Het geheel doet denken aan
de scholastische haarkloverijen uit de occamistische theologie.
Maar tegelijk (na 1400) kwam een nieuwe beweging op, vooral in
Duitsland en de Nederlanden. De mens wordt ontdekt in zijn eigen
waarde, portretkunst komt in ere, de intimiteit van het huis en de
sfeer van het landschap worden in hun schoonheid gezien (gebroeders van
Eyck, Roger van der Weyden e.a.). Ook is de kunstenaar geen naamloze
meer. Het natuurlijke leven maakt zich los uit het theocratische kader,
evenals in het nationalisme en in de renaissance. Ook Maria en de
heiligen worden als mensen van alle dag uitgebeeld. De renaissancekunst
in Italië gaat in dezelfde richting, maar aansluitend aan de
antieken. Het gaat daar niet meer om de aanbidding van het heilige,
maar om het genot van het schone op zichzelf. Niet langer op het
verhevene, maar op het natuurlijke is men uit. Het menselijke beeld
komt weer vrij te staan, net als in de oudheid. Het kerkgebouw streeft
niet meer boven zichzelf uit, maar wordt een in zichzelf rustende
eindigheid. En de kunst stelt zich niet langer alleen in dienst der
kerk, maar richt zich steeds meer op paleisbouw e.d. Zoo blijkt de
ontwikkeling der kunst een parallel en illustratie te vormen van de
ontwikkeling en ondergraving van het theocratisch ideaal.
Bestudeer ook eens:
Geschiedenis van de Kerk in de eerste eeuw
Geschiedenis van de Kerk in de tweede eeuw
Geschiedenis van de Kerk in de derde eeuw
Geschiedenis van de Kerk in de vierde eeuw



















