Nederlandse Geloofsbelijdenis
De vindplaats van materiaal voor Bijbelstudie,
geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk geloof, studie
thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs, zingeving en vooral
heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te vergroten. Blijf niet afhankelijk van anderen maar lees
zelf de Bijbel. Investeer in geestelijke rijkdom.
| HEIDELBERGSE CATECHISMUS en DORDTSE LEERREGELS | |
Nederlandse
Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis, opgesteld o.a. door Guido de Bres (1522-1567), is in 1561 in het Frans uitgegeven in wat nu het noorden van Frankrijk is. Ze moest dienen als verantwoording voor de Reformatie tegenover de Spaanse overheid. Van het begin af heeft ze ook gediend als verwoording van het gemeenschappelijk geloof van de Nederlandse Gereformeerden. Wie was Guido de Bres ?
Pérégin
de la Grange en Guido de Bres Zijn moeder streng katholiek bidt dat haar zoon, die ze draagt een ernstig en trouw prediker mag worden en dan conform de roomse leer en niet zoals Luther schreef in zijn boekjes, want er is zoveel gaande in Wittenberg. De boekjes van Luther werden toen ook al in Bergen (nu Mons) veelvuldig door de bewoners gelezen en bestudeerd. In 1522 werd Guido de Bres geboren en zijn moeder kon niet vermoeden dat haar gebed geheel anders verhoord werd dan dat zij had gedacht. Guido de Bres zal namelijk een instrument in Gods hand een breker van de roomse kerk zijn en een "gereformeerde kerk" in Nederland planten en bouwen. Hij is echter geen bekend prediker, maar omdat hij de Nederlandse Geloofbelijdenis heeft opgesteld, is hij bekend tot op vandaag. Hij wordt glasschilder en door zijn werk komt hij door God geleidt in aanraking met het Evangelie en leest, en leest, en ziet de dwaling van de roomse kerk. Hij doet veel moeite om predikers van de 'Nije-Leer' te horen; hetgeen verboden is en dus geschiedt dit heimelijk. Tussen zijn 18de en 25ste jaar kan men de vrucht van zijn waarachtige bekering in zijn leven en geschriften zien. In 1548 moet Guido de Bres vluchten en wel naar Engeland, omdat de Leer van de Heilige Schrift door Karel V verboden wordt; In London wordt Guido de Bres in de grote vluchtelinge gemeente opgeleid tot predikant. Hij keert terug naar zijn geboorte streek en wordt predikant in Lille. De gemeente, die tot bloei komt, wordt op gruwelijke wijze vervolgd en vernietigd en de predikant moet vluchten. Van stad tot stad vluchtende komt hij via Gent in Frankfurt waar hij o.a. Petrus Dantheen ontmoet.
Pertus Datheen maak hieronder een keus
Artikel 1 De enige God
Artikel 21 De voldoening door Christus In de tekst bevinden zich verwijzingen naar de bijbeltekst op http://www.statenvertaling.info Artikel 1. De enige God.Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is, een geheel enig en éénvoudig wezen. Hij is eeuwig, niet te doorgronden, onzienlijk, onveranderlijk, oneindig, almachtig. Hij is volkomen wijs, rechtvaardig en goed en een zeer overvloedige bron van al het goede. Artikel 2. Hoe wij God kennen.Wij kennen Hem door twee
middelen. Ten eerste door de schepping, onderhouding en regering van de
hele wereld. Want deze is voor onze ogen als een prachtig boek, waarin
alle schepselen, groot en klein, de letters zijn, die ons te
aanschouwen geven wat van God niet gezien kan worden, namelijk Zijn
eeuwige kracht en goddelijkheid, zoals de apostel Paulus zegt in Rom 1:20.
Dit alles is voldoende om de mensen te overtuigen en hun elke
verontschuldiging te ontnemen. Artikel 3. Het Woord van God.Wij belijden dat dit
Woord van God niet is voorgekomen uit de wil van een mens, maar dat
mensen, door de Heilige Geest gedreven, van Godswege gesproken hebben,
zoals de apostel Petrus zegt 2 Pe 1:21. Artikel 4. De canonieke boeken.Wij onderscheiden in de
Heilige Schrift twee delen: het Oude en het Nieuwe Testament. Dit zijn
canonieke boeken, waartegen niets valt in te brengen. Hiertoe worden in
Gods kerk gerekend: de boeken van het Oude Testament: de vijf boeken
van Mozes, namelijk Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium;
Jozua, Richteren, Ruth, 1 en 2 Samuel, 1 en 2 Koningen, 1 en 2
Kronieken, Ezra, Nehemia, Ester, Job, de Psalmen van David, de drie
boeken van Salomo, namelijk Spreuken, Prediker en Hooglied; de vier
grote profeten: Jesaja, Jeremia (met de Klaagliederen),
Ezechiël en Daniël; vervolgens de twaalf kleine
profeten: Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum,
Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia en Maleachi. Artikel 5. Het gezag van de Heilige Schrift.Wij ontvangen al deze boeken, en deze alleen, als heilig en canoniek om ons geloof daarnaar te richten, daarop te gronden en daarmee te bevestigen. En zonder in enig opzicht te twijfelen geloven wij alles wat zij bevatten. Dat doen wij niet zozeer omdat de kerk ze aanneemt en als canoniek erkent, maar vooral omdat de Heilige Geest in ons hart getuigt dat zij van God zijn. Het bewijs daarvan ligt bovendien in de boeken zelf. Want zelfs blinden kunnen tasten dat de dingen die erin voorzegd zijn, gebeuren. Artikel 6. Het onderscheid tussen de canonieke en de apocriefe boeken.Wij onderscheiden deze heilige boeken van de apocriefe, namelijk het derde en vierde boek van Ezra, het boek Tobias, Judit, het boek Wijsheid, Jezus Sirach, Baruch, de Toevoegingen aan het boek Ester, het Gebed van de drie mannen in het vuur, de Geschiedenis van Susanna, van Bel en de draak, het Gebed van Manasse en de twee boeken van de Makkabeeën. De kerk mag deze boeken wel lezen en ervan leren, voor zover zij overeenstemmen met de canonieke boeken. Zij hebben echter niet zo'n kracht en gezag, dat men door het getuigenis van deze boeken enig punt van het geloof of van de christelijke godsdienst zou kunnen bevestigen; laat staan dat zij het gezag van de andere, de heilige boeken, zouden kunnen verminderen. Artikel 7. De volkomenheid van de Heilige Schrift.Wij geloven dat deze
Heilige Schrift de wil van God volkomen bevat en voldoende leert al wat
de mens moet geloven om behouden te worden. Daarin heeft God uitvoerig
beschreven op welke wijze wij Hem moeten dienen. Daarom is het de
mensen, zelfs al waren het apostelen, niet geoorloofd anders te leren
dan ons reeds geleerd is door de Heilige Schrift; zelfs niet een engel
uit de hemel, zoals de apostel Paulus zegt in Galaten 1:8.
Het is verboden aan het Woord van God iets toe te voegen of daarvan af
te doen (Deut
12:32) Daaruit blijkt duidelijk dat wat daarin geleerd wordt,
volmaakt en in alle opzichten volledig is. Artikel 8. De Heilige Drieëenheid.Volgens deze waarheid en dit Woord van God geloven wij in één God, die een geheel enig wezen is, waarin drie Personen zijn, namelijk de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze zijn werkelijk en van eeuwigheid onderscheiden naar hun onmededeelbare eigenschappen. De Vader is de oorzaak, de oorsprong en het begin van alle zichtbare en onzichtbare dingen. De Zoon is het Woord, de wijsheid en het beeld van de Vader. De Heilige Geest is de eeuwige kracht en macht, die uitgaat van de Vader en van de Zoon. Uit dit onderscheid volgt echter niet dat God in drieën gedeeld is. Want de Heilige Schrift leert ons dat de Vader en de Zoon en de Heilige Geest wel ieder hun eigen zelfstandigheid hebben, onderscheiden door haar eigenschappen, maar toch zo, dat deze drie Personen slechts één God zijn. Het is dus duidelijk dat de Vader niet de Zoon is en dat de Zoon niet de Vader is; dat eveneens de Heilige Geest niet de Vader of de Zoon is. Toch zijn deze Personen, aldus onderscheiden, niet gedeeld of onderling vermengd. Want de Vader heeft ons vlees en bloed niet aangenomen en ook de Heilige Geest niet, maar alleen de Zoon. De Vader is nooit zonder de Zoon en nooit zonder zijn Heilige Geest geweest, want Zij zijn alle drie even eeuwig in eenzelfde wezen. Er is geen eerste of laatste, want Zij zijn alle drie één in waarheid, in macht, in goedheid en barmhartigheid. Artikel 9. Het getuigenis van de Schrift voor deze leer.Wij weten dit alles zowel
uit het getuigenis van de Heilige Schrift als uit de werkingen van deze
Personen, voornamelijk uit die welke wij in onszelf ervaren. Het
getuigenis van de Heilige Schriften dat ons leert deze Heilige
Drieenheid te geloven, is op vele plaatsen in het Oude Testament te
vinden. We behoeven ze niet op te sommen, maar dienen slechts een
zorgvuldige keus te maken. Artikel 10. De Godheid van Jezus Christus.Wij geloven dat Jezus Christus naar zijn goddelijke natuur de eniggeboren Zoon van God is, van eeuwigheid voortgebracht. Hij is niet gemaakt of geschapen - want dan zou Hij een schepsel zijn - maar één van wezen met de Vader, mede-eeuwig, Hem in alles gelijk (Filp. 2:6). De Schrift noemt Hem: de afstraling van zijn heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen (Hebr. 1:3). Hij is Gods Zoon, niet alleen sinds Hij onze natuur heeft aangenomen, maar van alle eeuwigheid. De volgende getuigenissen leren ons dat, wanneer wij ze met elkaar vergelijken. Mozes zegt dat God de wereld heeft geschapen, Gen 1:1 en de apostel Johannes zegt dat alle dingen zijn geschapen door het Woord, dat hij God noemt (Joh. 1:1-3). De apostel zegt dat God de wereld door zijn Zoon geschapen heeft (Hebr. 1:2) en eveneens dat God alle dingen door Jezus Christus geschapen heeft (Col. 1:16). Daarom moet Hij die genoemd wordt God, het Woord, de Zoon en Jezus Christus, er reeds geweest zijn, toen alle dingen door Hem geschapen werden. De profeet Micha zegt dan ook: Zijn oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid (Mic 5:1). En de apostel: Hij is zonder begin van dagen of einde van leven (Hebr. 7:3). Zo is Hij dan de ware, eeuwige God, die Almachtige die wij aanroepen, aanbidden en dienen. Artikel 11. Dat de Heilige Geest waarachtig en eeuwig God is.Wij geloven en belijden ook dat de Heilige Geest van eeuwigheid van den Vader en den Zoon uitgaat; niet zijnde gemaakt, noch geschapen, noch ook geboren, maar alleen van Beiden uitgaande; Welke in orde is de derde Persoon der Drievuldigheid, van éénzelfde wezen, majesteit en heerlijkheid met den Vader en den Zoon; zijnde waarachtig en eeuwig God, gelijk ons de Heilige Schriften leren. Artikel 12. Van de schepping aller dingen en met name der engelen.Wij geloven dat de Vader door Zijn Woord, dat is door Zijn Zoon, den hemel, de aarde en alle schepselen uit niet heeft geschapen, wanneer het Hem heeft goedgedacht, aan een iegelijk schepsel zijn wezen, gestalte en gedaante, en onderscheidene ambten gevende, om zijn Schepper te dienen. Dat Hij ze ook nu alle onderhoudt en regeert naar Zijn eeuwige voorzienigheid en door Zijn oneindige kracht, om den mens te dienen, ten einde de mens zijn God diene. Hij heeft ook de engelen goed geschapen, om Zijn zendboden te zijn en Zijn uitverkorenen te dienen; van welke sommigen van die uitnemendheid, in dewelke hen God geschapen had, in het eeuwig verderf vervallen zijn, en de anderen door de genade Gods in hun eersten staat volhard hebben en staande gebleven zijn. De duivelen en boze geesten, zijn alzo verdorven, dat zij vijanden Gods en alles goeds zijn; naar al hun vermogen als moordenaars loerende op de Kerk en een ieder lidmaat van die, om alles te verderven en te verwoesten door hun bedriegerijen; en zijn daarom door hun eigen boosheid veroordeeld tot de eeuwige verdoemenis, dagelijks verwachtende hun schrikkelijke pijnigingen. Zo verwerpen en verfoeien wij dan hierin de dwaling de Sadduceeën, welke loochenen dat er geesten en engelen zijn; en ook de dwaling der Manicheeën, die zeggen dat de duivelen hun oorsprong uit zichzelven hebben, zijnde uit hun eigen natuur kwaad, zonder dat zij verdorven zijn geworden. Artikel 13. Van de voorzienigheid Gods en regering aller dingen.Wij geloven dat die goede
God, nadat Hij alle dingen geschapen had, deze niet heeft laten varen,
noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar Zijn
heiligen wil alzo stiert en regeert, dat in deze wereld niets geschiedt
zonder Zijn ordinantie; hoewel nochtans God noch auteur is, noch schuld
heeft van de zonde die er geschiedt. Want Zijn macht en goedheid is zo
groot en onbegrijpelijk, dat Hij zeer wel en rechtvaardiglijk Zijn werk
beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen
onrechtvaardiglijk handelen. En aangaande hetgeen Hij doet boven het
begrip des menselijken verstands, datzelve willen wij niet curieuslijk
(=te nieuwsgierig) onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan; maar
wij aanbidden met alle ootmoedigheid en eerbied de rechtvaardige
oordelen Gods, die ons verborgen zijn; ons tevreden houdende dat wij
leerjongeren van Christus zijn, om alleen te leren hetgeen Hij ons
aanwijst in Zijn Woord, zonder deze palen te overtreden. Artikel 14. Van de schepping en val des mensen en zijn onvermogen tot het ware goed.Wij geloven dat God den
mens geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en
geformeerd naar Zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig;
kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met den wil Gods. Maar als
hij in eer was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid
erkend; maar heeft zichzelven willens der zonde onderworpen, en
overzulks den dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des
duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij
overtreden, en heeft zich van God, Die zijn ware leven was, door de
zonde afgescheiden; hebbende zijn gehele natuur verdorven; waardoor hij
zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En
in al zijn wegen goddeloos, verkeerd en verdorven geworden zijnde,
heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen
had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen
daarvan, dewelke genoegzaam zijn om den mens alle onschuld te benemen;
overmits al het licht dat in ons is, in duisternis veranderd is, gelijk
de Schrift ons leert, zeggende: Het Licht schijnt in de duisternis, en
de duisternis heeft Hetzelve niet begrepen (Joh. 1:5);
alwaar de heilige Johannes de mensen duisternis noemt. Daarom verwerpen
wij al wat men hiertegen leert van den vrijen wil des mensen, aangezien
de mens niet dan een slaaf der zonde is, en geen ding kan aannemen zo
het hem uit den hemel niet gegeven zij (Joh 3:27).
Want wie is er, die zich beroemen zal iets goeds te kunnen doen als uit
zichzelven, daar toch Christus zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij
dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke (Joh. 6:44)?
Wie zal met zijn wil voorkomen, die daar verstaat dat het bedenken des
vleses vijandschap is tegen God (Rom. 8:7)?
Wie zal van zijn wetenschap spreken, ziende dat de natuurlijke mens
niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn (1Cor. 2:14)?
Kortelijk, wie zal enige gedachte voorstellen, dewijl hij verstaat dat
wij niet bekwaam zijn van onszelven iets te denken als uit onszelven,
maar dat onze bekwaamheid uit God is (2Cor. 3:5)? Artikel 15. Van de erfzonde.Wij geloven dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht; welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk gebrek, waarmede de kleine kinderen zelfs besmet zijn in hunner moeders lichaam, en die in den mens allerlei zonden voortbrengt, zijnde in hem als een wortel daarvan; en zij is daarom zo lelijk en gruwelijk voor God, dat zij genoegzaam is om het menselijk geslacht te verdoemen. Zij is ook zelfs door den Doop niet ganselijk tenietgedaan, noch geheel uitgeroeid, aangezien de zonde daaruit altijd als opwellend water uitspringt, gelijk uit een onzalige fontein; hoewel zij nochtans den kinderen Gods tot verdoemenis niet toegerekend, maar door Zijn genade en barmhartigheid vergeven wordt; niet om in de zonde gerust te slapen, maar opdat het gevoel van deze verdorvenheid de gelovigen dikwijls zou doen zuchten, verlangende om van het lichaam dezes doods verlost te worden. En hierin verwerpen wij de dwaling der Pelagianen, die zeggen dat deze zonde niet anders is dan uit navolging. Artikel 16. Van de eeuwige verkiezing Gods.Wij geloven, dat, het gehele geslacht van Adam door de zonde des eersten mensen in verderfenis en ondergang zijnde, God Zichzelven zodanig bewezen heeft als Hij is, te weten: barmhartig en rechtvaardig. Barmhartig: doordien Hij uit deze verderfenis trekt en verlost degenen die Hij in Zijn eeuwigen en onveranderlijken raad, uit enkele goedertierenheid, uitverkoren heeft in Jezus Christus, onzen Heere, zonder enige aanmerking hunner werken. Rechtvaardig: doordien Hij de anderen laat in hun val en verderf, waar zij zichzelven in geworpen hebben. Artikel 17. Van de wederoprichtig des gevallen mensen.Wij geloven dat onze goede God, door Zijn wonderlijke wijsheid en goedheid, ziende dat zich de mens alzo in den lichamelijken en geestelijken dood geworpen, en geheel ellendig gemaakt had, Zichzelven begeven heeft om hem te zoeken, toen hij al bevende voor Hem vlood, en heeft hem getroost, belovende hem Zijn Zoon te geven, Die worden zou uit een vrouw (Gal. 4:4), om den kop der slang te vermorzelen (Gen. 3:15), en hem gelukzalig te maken. Artikel 18. Van de menswording van Jezus Christus.Wij belijden dan dat God
de belofte die Hij den oudvaderen gedaan had door de mond Zijner
heilige profeten, volbracht heeft, zendende Zijn eigen eniggeboren en
eeuwigen Zoon in de wereld, ten tijde door Hem bestemd. Dewelke eens
dienstknechts gestaltenis aangenomen heeft, en den mens gelijk geworden
is (Filp.
2:7), waarachtiglijk aannemende een ware menselijke natuur,
met al haar zwakheden (uitgenomen de zonde), ontvangen zijnde in het
lichaam der gelukzalige maagd Maria, door de kracht des Heiligen
Geestes, zonder mans toedoen. En heeft niet alleen de menselijke natuur
aangenomen, zoveel het lichaam aangaat, maar ook een ware menselijke
ziel, opdat Hij een waar mens zou zijn. Want aangezien de ziel zowel
verloren was als het lichaam, zo was het van node dat Hij ze beide
aannam, om ze beide zalig te maken. Artikel 19. Van de vereniging en het onderscheid der twee naturen van Christus in één Persoon.Wij geloven dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons onafscheidelijk verenigd en te zamen gevoegd is met de menselijke natuur; zodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee Personen, maar twee naturen in een enigen Persoon verenigd; doch elke natuur haar onderscheidene eigenschappen behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder begin der dagen of einde des levens (Hebr. 7:3), vervullende hemel en aarde, alzo heeft de menselijke natuur haar eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende begin der dagen, zijnde een eindige natuur, en behoudende al hetgeen dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij haar door Zijn verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid Zijner menselijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid Zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzo te zamen verenigd in één Persoon, dat zij ook zelfs door Zijn dood niet gescheiden zijn geweest. Zo was dan hetgeen Hij stervende in de handen Zijns Vaders bevolen heeft, een ware menselijke geest, die uit Zijn lichaam scheidde; maar intussen bleef de Goddelijke natuur altijd verenigd met de menselijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was toen Hij een klein kind was, hoewel zij zich voor een kleinen tijd zo niet openbaarde. Hierom bekennen wij dat Hij waar God en waar mens is; waar God, om door Zijn kracht den dood te overwinnen; en waar mens, opdat Hij voor ons zou kunnen sterven uit de zwakheid Zijns vleses. Artikel 20. God heeft Zijn rechtvaardigheid en barmhartigheid bewezen in Christus.Wij geloven dat God, Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, Zijn Zoon gezonden heeft om aan te nemen de natuur, in dewelke de ongehoorzaamheid begaan was, om in haar te voldoen en te dragen de straf der zonden door Zijn zeer bitter lijden en sterven. Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijn Zoon in den dood door een zeer volkomen liefde, en Hem opwekkende tot onze rechtvaardigmaking, opdat wij door Hem zouden hebben de onsterfelijkheid en het eeuwige leven. Artikel 21. Van de voldoening van Christus, onzen enigen Hogepriester, voor ons.Wij geloven dat Jezus Christus een eeuwige Hogepriester is, met ede (Hebr. 7:21), naar de ordening van Melchizédek, en Zichzelven in onzen naam voor Zijn Vader gesteld heeft, om Zijn toorn te stillen met volle genoegdoening, Zichzelven opofferende aan het hout des kruises, en vergietende Zijn dierbaar bloed tot reiniging onzer zonden, gelijk de profeten hadden voorzegd. Want er is geschreven dat de straf die ons den vrede aanbrengt, op den Zone Gods was, en dat door Zijn striemen ons genezing is geworden; Hij ter slachting geleid is als een lam; met de misdadigers gerekend (Jes. 53:5); en als een kwaaddoener veroordeeld door Pontius Pilatus, hoewel hij Hem onschuldig verklaard had. Zo heeft Hij dan wedergegeven, wat Hij niet geroofd had (Ps. 69:5), en heeft geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen (1Petr. 3:18); en dat zowel in Zijn lichaam als in Zijn ziel, gevoelende de schrikkelijke straf, die onze zonden verdiend hadden, zodat Zijn zweet werd gelijk droppelen bloeds, op de aarde aflopende (Luc. 22:44). Hij heeft geroepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? (Matth. 27:46) en heeft zulks alles geleden tot vergeving onzer zonden. Daarom zeggen wij wel terecht met Paulus, dat wij niet anders weten dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd (1 Kor. 2:2); wij achten alle dingen voor drek, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus onzen Heere (Filp. 3:8); wij vinden allerlei vertroosting in Zijn wonden, en hebben niet van node enig ander middel te zoeken of uit te denken om ons met God te verzoenen, dan alleen deze enige offerande, eenmaal geschied, door welke de gelovigen in eeuwigheid volmaakt worden (Hebr. 10:14). Dit is ook de oorzaak, waarom Hij door den engel Gods genaamd is Jezus, dat is Zaligmaker, overmits Hij Zijn volk zou zalig maken van hun zonden (Matth. 1:21). Artikel 22. Van onze rechtvaardigmaking door het geloof in Jezus Christus.Wij geloven, dat, om ware kennis dezer grote verborgenheid te bekomen, de Heilige Geest in onze harten ontsteekt een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn verdiensten omhelst, Hem eigen maakt, en niets anders meer buiten Hem zoekt. Want het moet noodzakelijk volgen, òf dat niet al wat tot onze zaligheid van node is, in Jezus Christus zij; òf, zo het alles in Hem is, dat degene die Jezus Christus door het geloof bezit, zijn gehele zaligheid heeft. Nu, dat men zeggen zou dat Christus niet genoegzaam is, maar dat er nog benevens Hem iets meer toe behoeft, ware een al te ongeschikte godslastering; want daaruit zou volgen dat Christus maar een halve Zaligmaker ware. Daarom zeggen wij terecht met Paulus dat wij door het geloof alleen, of door het geloof zonder de werken gerechtvaardigd worden (Rom. 3:28). Doch wij verstaan niet dat het, om eigenlijk te spreken, het geloof zelf is, dat ons rechtvaardigt; want het is maar een instrument, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Maar Jezus Christus, ons toerekenende al Zijn verdiensten en zo veel heilige werken, die Hij voor ons en in onze plaats heeft gedaan, is onze rechtvaardigheid; en het geloof is een instrument, dat ons met Hem in de gemeenschap van al Zijn goederen houdt; dewelke, de onze geworden zijnde, ons meer dan genoegzaam zijn tot onze vrijspreking van onze zonden. Artikel 23. Dat onze rechtvaardigmaking bestaat in de vergeving der zonden en toerekening der gehoorzaamheid van Christus.Wij geloven dat onze
gelukzaligheid gelegen is in de vergeving onzer zonden om Jezus
Christus' wil, en dat daarin onze rechtvaardigheid voor God begrepen
is; gelijk David en Paulus ons leren, verklarende de gelukzaligheid des
mensen te zijn, dat God hem de rechtvaardigheid zonder werken toerekent
(Ps.
32:2; Rom.
4:6). En dezelfde apostel zegt dat wij om niet, of uit genade
gerechtvaardigd zijn, door de verlossing die in Christus Jezus is (Rom. 3:24). Artikel 24. Van de heiligmaking des mensen en de goede werken.Wij geloven dat dit waarachtig geloof, in den mens gewrocht zijnde door het gehoor van het Woord Gods en de werking des Heiligen Geestes, hem wederbaart en maakt tot een nieuwen mens, en doet hem leven in een nieuw leven, en maakt hem vrij van de slavernij der zonde. Daarom is het zover vandaar, dat dit rechtvaardigmakend geloof de mensen zou doen verkouden* (= de genegenheid om vroom en heilig te leven verkoelt) in een vroom en heilig leven, dat zij daarentegen zonder ditzelve nimmermeer iets doen zullen uit liefde tot God, maar alleen uit liefde tot zichzelven en uit vrees van verdoemd te worden. Zo is het dan onmogelijk dat dit heilig geloof ledig zij in den mens; aangezien wij niet spreken van een ijdel geloof, maar van zulk een, hetwelk de Schrift noemt een geloof, dat door de liefde werkt (Gal. 5:6), dat den mens beweegt om zich te oefenen in de werken, die God in Zijn Woord geboden heeft; welke werken, als zij voortkomen uit den goeden wortel des geloofs, goed en bij God aangenaam zijn, overmits zij alle door Zijn genade geheiligd zijn. Intussen komen zij niet in rekening om ons te rechtvaardigen. Want het is door het geloof in Christus dat wij gerechtvaardigd worden, ook eer wij goede werken doen; anderszins zouden zij niet méér kunnen goed zijn dan een vrucht des booms goed zijn kan voordat de boom goed is. Zo doen wij dan goede werken; maar niet om te verdienen (want wat zouden wij verdienen?); ja, wij zijn in God gehouden voor de goede werken die wij doen, en niet Hij in ons* (=gehouden zijn in - betekent - verplicht zijn aan): aangezien Hij het is, Die in ons werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filp. 2:13). Laat ons dan letten op hetgeen dat er geschreven staat: Wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten; want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen (Luc. 17:10). Intussen willen wij niet loochenen dat God de goede werken beloont; maar het is door Zijn genade dat Hij Zijn gaven kroont. Voorts, al is het dat wij goede werken doen, zo gronden wij toch onze zaligheid niet daarop; want wij kunnen geen werk doen, of het is besmet door ons vlees en ook strafwaardig; en al konden wij er één voortbrengen, zo is toch de gedachtenis van één zonde genoeg, dat het van God zou verworpen worden. Alzo dan zouden wij altijd in twijfel staan, herwaarts en derwaarts drijvende zonder enige zekerheid, en onze arme consciëntiën zouden altijd gekweld worden, indien zij niet steunden op de verdiensten van het lijden en sterven van onzen Zaligmaker. Artikel 25. Van het afdoen der ceremoniële wet.Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus, in Denwelken zij hun vervulling hebben. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil. Artikel 26. Van de enige voorbidding van Christus.Wij geloven dat wij geen toegang hebben tot God, dan alleen door den enigen Middelaar en Voorspraak, Jezus Christus, den Rechtvaardige; Dewelke hierom mens geworden is, verenigende te zamen de Goddelijke en de menselijke natuur, opdat wij mensen een toegang zouden hebben tot de Goddelijke Majesteit; anderszins ware ons de toegang gesloten. Maar deze Middelaar, Dien de Vader ons heeft gegeven tussen Zich en ons, moet ons door Zijn grootheid niet verschrikken, om ons een ander, naar ons goeddunken, te doen zoeken. Want er is niemand, noch in den hemel, noch op de aarde, onder de schepselen, die ons liever heeft dan Jezus Christus; Dewelke, hoewel Hij in de gestaltenis Gods was, nochtans Zichzelven vernietigd heeft, aangenomen hebbende de gestaltenis eens mensen en eens dienstknechts voor ons, en is in alles Zijn broederen gelijk geworden (Filp. 2:6-7; Hebr. 2:17). Indien wij nu een anderen middelaar zoeken moesten, die ons goedgunstig ware, wien zouden wij kunnen vinden, die ons meer beminde dan Hij, Die Zijn leven voor ons gelaten heeft, ook toen wij Zijn vijanden waren (Rom. 5:8,10)? En zo wij een zoeken, die macht en aanzien heeft, wie is er, die daarvan zoveel heeft als Degene, Die gezeten is ter rechterhand Zijns Vaders, en Die alle macht heeft in den hemel en op de aarde (Matth. 28:18)? En wie zal eer verhoord worden dan de eigen welbeminde Zone Gods? Zo is dan alleen door een mistrouwen dit gebruik ingevoerd, dat men de heiligen onteert, in plaats van die te eren, doende hetgeen zij nooit gedaan noch begeerd hebben, maar hebben het volstandiglijk en volgens hun schuldigen plicht verworpen, als blijkt uit hun schriften. En hier moet men niet voorbrengen dat wij het niet waardig zijn; want het heeft hier de mening niet dat wij onze gebeden op onze waardigheid zouden voordragen, maar alleen op de uitnemendheid en waardigheid onzes Heeren Jezus Christus, Wiens rechtvaardigheid de onze is door het geloof. Daarom de apostel, willende deze zotte vrees, of veelmeer dat mistrouwen, van ons nemen, zegt ons dat Jezus Christus Zijn broederen in alles gelijk geworden is, opdat Hij een barmhartig en een getrouw Hogepriester zou zijn, om de zonden des volks te verzoenen; want in hetgeen Hij Zelf verzocht zijnde geleden heeft, kan Hij dengenen die verzocht worden, te hulp komen (Hebr. 2:17,18). En daarna, om ons nog meer moed te geven om tot Hem te gaan, zegt hij: Dewijl wij dan een groten Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, den Zone Gods, zo laat ons deze belijdenis vasthouden. Want wij hebben geen Hogepriester, Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd (Hebr. 4:14-16). Dezelfde apostel zegt dat wij vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus; laat ons dan toegaan, zegt hij, in volle verzekerdheid des geloofs, enz. (Hebr. 10:19, 22) Insgelijks: Christus heeft een onvergankelijk Priesterschap; waarom Hij ook volkomenlijk kan zalig maken degenen die door Hem tot God gaan, alzo Hij altijd leeft om voor hen te bidden (Hebr. 7:24-25). Wat ontbreekt er meer, dewijl Christus Zelf deze uitspraak doet: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven; niemand komt tot den Vader dan door Mij (Joh. 14:6). Waartoe zouden wij een anderen advocaat zoeken, aangezien het God beliefd heeft ons Zijn Zoon tot een Advocaat te geven? Laat ons Hem niet verlaten, om een anderen te nemen; of veelmeer, een anderen te zoeken, zonder hem immermeer te vinden; want toen God Hem ons gegeven heeft, zo wist Hij wel dat wij zondaars waren. Daarom, volgens het bevel van Christus, zo roepen wij den hemelsen Vader aan door Christus, onzen enigen Middelaar, gelijk wij in het Gebed des Heeren geleerd zijn; verzekerd zijnde dat al wat wij den Vader zullen bidden in Zijn Naam, ons zal gegeven worden (Joh. 16:23). Artikel 27. Van de algemene Christelijke Kerk.Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door den Heiligen Geest. Deze Kerk is geweest van den beginne der wereld af, en zal zijn tot den einde toe; gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, Dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. En deze heilige Kerk wordt van God bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen; gelijk Zich de Heere gedurende den gevaarlijken tijd onder Achab zeven duizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Ook mede is deze heilige Kerk niet gelegen, gebonden, of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld; nochtans te zamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfden Geest, door de kracht des geloofs. Artikel 28. Dat een iegelijk schuldig is zich bij de Kerk te voegen.Wij geloven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling dergenen die zalig worden, en dat buiten haar geen zaligheid is, dat niemand, van wat staat of kwaliteit hij zij, zich behoort op zichzelven te houden, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat zij allen schuldig zijn, zichzelven daarbij te voegen en daarmede te verenigen; onderhoudende de enigheid der Kerk, zich onderwerpende aan haar onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus Christus, en dienende de opbouwing der broederen, naar de gaven die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten eenszelfden lichaams. En opdat dit te beter zou kunnen onderhouden worden, zo is het ambt* (= plicht) aller gelovigen, volgens het Woord Gods, zich af te scheiden van degenen die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen tot deze vergadering, het zij op wat plaats dat God ze gesteld heeft; ook al ware het zo, dat de magistraten en plakkaten der prinsen daartegen waren, en dat de dood of enige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom, al degenen die zich van haar afscheiden of niet daarbij voegen, die doen tegen de ordinantie Gods. Artikel 29. Van het onderscheid en de mertekenen der ware en valse kerk.Wij geloven dat men wel
naarstiglijk en met goede voorzichtigheid, uit den Woorde Gods, behoort
te onderscheiden, welke de ware Kerk zij; aangezien alle sekten, die
heden ten dage in de wereld zijn, zich met den naam der Kerk bedekken.
Wij spreken hier niet van het gezelschap der hypocrieten, welke in de
Kerk onder de goeden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn,
hoewel zij naar het lichaam in haar zijn; maar wij zeggen dat men het
lichaam en de gemeenschap der ware Kerk onderscheiden zal van alle
sekten, welke zeggen dat zij de Kerk zijn. Artikel 30. Van de regering der kerk door kerkelijke ambten.Wij geloven dat deze ware
Kerk geregeerd moet worden naar de geestelijke politie* (=regering),
die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord; namelijk dat er
dienaars of herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de
Sacramenten te bedienen; dat er ook opzieners en diakenen zijn, om met
de herders te zijn als de raad der Kerk, en door dit middel de ware
religie te onderhouden, en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe,
dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den
toom gehouden; opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost
worden, naar dat zij van node hebben. Artikel 31. Van de dienaars, ouderlingen en diakenen.Wij geloven dat de
dienaars des Woords Gods, ouderlingen en diakenen tot hun ambten
behoren verkoren te worden door wettige verkiezing der Kerk, met
aanroeping van den Naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods
leert. Zo moet zich dan een iegelijk wel wachten door onbehoorlijke
middelen zich in te dringen, maar is schuldig den tijd te verwachten
dat hij van God beroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe van zijn
roeping, om van haar verzekerd en gewis te zijn dat zij van den Heere
is. Artikel 32. Van de orde en discipline of tucht der kerk.Intussen geloven wij, hoewel het nuttig en goed is dat die regeerders der Kerk zijn onder zich zekere ordinantie instellen en bevestigen tot onderhouding van het lichaam der Kerk, dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze enige Meester, geordineerd heeft. En daarom verwerpen wij alle menselijke vonden, en alle wetten, die men zou willen invoeren, om God te dienen, en door deze de consciëntiën te binden en te dwingen, in wat manier het zou mogen zijn. Zo nemen wij dan alleen aan hetgeen dienstig is om eendrachtigheid en enigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods; waartoe geëist wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den Woorde Gods, met hetgeen daaraan hangt. Artikel 33. Van de sacramenten.Wij geloven dat onze
goede God, acht hebbende op onze grovigheid en zwakheid, ons heeft
verordend de Sacramenten, om aan ons Zijn beloften te verzegelen, en om
panden te zijn der goedwilligheid en genade Gods te onswaarts, en ook
om ons geloof te voeden en te onderhouden; dewelke Hij gevoegd heeft
bij het woord des Evangelies, om te beter aan onze uiterlijke zintuigen
voor te stellen, zowel hetgeen Hij ons te verstaan geeft door Zijn
Woord, als hetgeen Hij inwendig doet in onze harten, bondig en vast
makende in ons de zaligheid, die Hij ons mededeelt. Want het zijn
zichtbare waartekenen en zegelen van een inwendige en onzienlijke zaak,
door middel waarvan God in ons werkt door de kracht des Heiligen
Geestes. Zo zijn dan de tekenen niet ijdel, noch ledig, om ons te
bedriegen; want Jezus Christus is hun waarheid, zonder Wien zij niet
met al zijn zouden. Artikel 34. Van den Heiligen Doop.Wij geloven en belijden
dat Jezus Christus, Die het einde der wet is (Rom. 10:4),
door Zijn vergoten bloed een einde gemaakt heeft aan alle andere
bloedstortingen, die men zou kunnen of willen doen tot verzoening en
voldoening der zonden; en dat Hij, afgedaan hebbende de Besnijdenis,
die met bloed geschiedde, in de plaats daarvan heeft verordend het
Sacrament des Doops, door hetwelk wij in de Kerke Gods ontvangen en van
alle andere volken en vreemde religiën afgezonderd worden, om
geheellijk Hem toegeëigend te zijn, Zijn merk en veldteken
dragende; en het dient ons tot een getuigenis, dat Hij in eeuwigheid
onze God zijn zal, ons zijnde een genadig Vader. Artikel 35. Van het Heilig Avondmaal van onzen Heere Jezus Christus.Wij geloven en belijden
dat onze Zaligmaker Jezus Christus het Sacrament des Heiligen
Avondmaals verordend en ingesteld heeft, om te voeden en te onderhouden
degenen, die Hij alrede wedergeboren, en in Zijn huisgezin, hetwelk is
Zijn Kerk, ingelijfd heeft. Nu hebben degenen, die wedergeboren zijn,
in zich tweeërlei leven; het ene lichamelijk en tijdelijk,
hetwelk zij van hun eerste geboorte medegebracht hebben, en allen
mensen gemeen is; het andere is geestelijk en hemels, hetwelk hun
gegeven wordt in de tweede geboorte, dewelke geschiedt door het Woord
des Evangelies, in de gemeenschap des lichaams van Christus; en dit
leven is niet gemeen, dan alleen den uitverkorenen Gods. Artikel 36. Van het ambt der overheid.Wij geloven dat onze goede God, uit
oorzaak der verdorvenheid des menselijken geslachts, koningen, prinsen
en overheden verordend heeft; willende dat de wereld geregeerd worde
door wetten en politiën* (=verordeningen), opdat de
ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede
ordinantie onder de mensen toega. Tot dat einde heeft Hij de overheid
het zwaard in handen gegeven tot straf der bozen (Rom. 13:4)
en bescherming der vromen. En hun ambt is, niet alleen acht te nemen en
te waken over de politie* (=staatsbestuur), maar ook de hand te houden
aan den heiligen kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle
afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk van den antichrist te
gronde te werpen, en het Koninkrijk van Jezus Christus te doen
vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God
van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn
Woord gebiedt. Artikel 37. Van het laatste oordeel.Ten laatste geloven wij, volgens het
Woord Gods, dat, als de tijd, van den Heere verordend (die allen
creaturen onbekend is), gekomen, en het getal der uitverkorenen vervuld
zal zijn, onze Heere Jezus Christus uit den hemel zal komen,
lichamelijk en zienlijk, gelijk Hij opgevaren is (Hand. 1:11),
met grote heerlijkheid en majesteit, om Zich te verklaren een Rechter
te zijn over levenden en doden; deze oude wereld in vuur en vlam
stellende om haar te zuiveren. En alsdan zullen persoonlijk voor dezen
groten Rechter verschijnen alle mensen, zowel mannen als vrouwen en
kinderen, die van den aanbeginne der wereld af tot den einde toe
geweest zullen zijn, gedagvaard zijnde door de stem des archangels en
door het geklank der bazuin Gods (1 Tess. 4:16).
Want al degenen die gestorven zullen wezen, zullen uit de aarde
verrijzen, de zielen te zamen gevoegd en verenigd zijnde met haar eigen
lichaam, in hetwelk zij zullen geleefd hebben. En aangaande degenen die
alsdan nog leven zullen, die zullen niet sterven gelijk de anderen,
maar zullen in een ogenblik veranderd en uit verderfelijk
onverderfelijk worden. Alsdan zullen de boeken (dat is de
consciëntiën) geopend, en de doden geoordeeld worden (Openb. 20:12),
naar hetgeen zij in deze wereld gedaan zullen hebben, hetzij goed of
kwaad (2
Kor. 5:10). Ja, de mensen zullen rekenschap geven van alle
ijdele woorden, die zij gesproken zullen hebben (Matth. 12:36),
die de wereld niet dan voor kinderspel en voor tijdverdrijf acht; en
dan zullen de verborgenheden en geveinsdheden der mensen openbaarlijk
voor allen ontdekt worden. |




















