GEBED VOOR ISRAEL
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
BEKIJK HIERONDER DE PRESENTATIE
Bid voor de geestelijke, politieke en militaire leiders, dat ze wijze beslissingen nemen.
Bid voor het volk in benauwdheid.
Bid voor de militairen die hun werk moeten doen.
Bid voor de slachtoffers en hun families, in het bijzonder voor die families die doden betreuren.
Bid ook voor de mensen in Libanon, van wie velen ongewild bij de gevolgen van de strijd betrokken zijn.
Bid om de vrede van Jeruzalem, om de komst van de Messias en zijn rijk
Israël - Het volk van God
“Want niet allen die tot het volk van Israël behoren, zijn
ook werkelijk Israëlieten, en niet alle nakomelingen van Abraham
zijn ook echt kinderen……Dat betekend dus, dat iemand geen
kind van God is omdat hij een kind is volgens de weg van de natuur,
maar omgekeerd: de kinderen die geboren zijn volgens Gods belofte,
gelden als nakomelingen.” Rom. 9:6b-8
De belofte steunt dus op het geloof. Daaruit blijkt, dat de belofte een
vrije gave van God is en door hem zeker gesteld is voor alle
nakomelingen van Abraham. Dat zijn niet alleen zij die de wet hebben,
maar ook zij die net als Abraham geloven. Abraham is de vader van ons
allemaal. Zo staat het ook geschreven: Ik heb u vader gemaakt van vele
volken. Rom. 4:16,17
Wij geloven dat wij kinderen zijn van God. Door ons geloof worden wij
rechtvaardig gerekend voor God, en zijn wij dus kinderen van Abraham.
Dit maakt dat wij eigenlijk Israëlieten zijn. Wij zijn geboren in
de belofte, en tellen dus mee bij het volk van Israël. Dit maakt
ons als christenen verbonden met de joden en daarom willen we vanavond
te weten komen wat wij met joden hebben en welke plek de joden hebben
voor ons.
Nadenken over Israël? Waarom wel/ waarom niet?
Hieronder kort de geschiedenis van Israël beschreven.
De eerste keer dat God een belofte doet aan Israël, is aan hun
stamvader Abraham. Dit verbond staat beschreven in Genesis 16, en in
Romeinen 4 wordt daar naar verwezen:
Dit is wat ik voor je zal doen, ik sluit een verbond met je: je zult de
stamvader worden van vele volken. Daarom zul je niet langer Abram
heten, maar Abraham. Ik zal je zeer veel nakomelingen geven. Je zult de
stamvader van vele volken zijn en onder je nakomelingen zullen zelfs
koningen zijn. Het verbond tussen mij en jou zal ik altijd in stand
houden. Niet alleen voor jou maar ook voor je nakomelingen zal ik God
zijn, in elke komende generatie. Het land waar je nu als vreemdeling
woont, zal ik je geven. Je nakomelingen zullen heel Kanaän
blijvend bezitten en ik zal hun God zijn.
God geeft dezelfde belofte aan Jakob en zijn nakomelingen. Uit Egypte
leidt God zijn volk naar Israël. Israël is in de tijd van het
oude testament duidelijk Gods volk. Een belangrijk aandachtspunt is dat
Abraham deze belofte kreeg voor al zijn nakomelingen, in het nieuwe
testament staat duidelijk dat ook toen al gold: door geloof ben je kind
van Abraham en deel je in de beloftes van God. Maar Abraham kreeg
Isaäk en Ismael, en Isaäk kreeg Jakob en Esau. Alleen Jakob
kreeg de belofte van het beloofde land.
De conclusie kunnen trekken dat ook de andere volken de mogelijkheid
hadden om te geloven in God? En om door geloof dus als rechtvaardig
worden gerekend?
Later kreeg David de
belofte dat uit zijn geslacht de Messias geboren zou worden. God kiest
de weg met Zijn volk Israël duidelijk met het doel dat dit het
volk zou zijn waaruit de Messias geboren zou worden. Het verbond heeft
twee kanten, God zegt: het zal jullie voorspoedig gaan wanneer jullie
naar Mij luisteren. Later gaat het volk in ballingschap omdat ze God
niet trouw waren aan deze belofte. Een deel keert weer terug, vormt
weer een nieuw Jeruzalem en bouwt een nieuwe tempel.
Dan wordt de Messias, Jezus, geboren. Er komt een scheiding tussen het
volk van de joden die Jezus volgen, en de joden die Jezus afwijzen. De
discipelen krijgen de opdracht om het evangelie over de hele wereld te
verkondigen, en de Heilige Geest zorgt ervoor dat alle christenen over
de hele aarde met Jezus lichaam zijn verbonden!
Betekend de komst van het nieuwe verbond dat de joden niet meer specifiek Gods volk zijn?
Wij zijn van onze redding afhankelijk van het bloed van Jezus. Door
geloof in Hem alleen kunnen wij allemaal gered worden, en dit brengt
meteen een duidelijk scheiding aan tussen christenen en joden. Maar dat
geeft ons geen reden om hoogmoedig te zijn. Daar waarschuwt Paulus ons
voor in Romeinen 11.
Lees eens Romeinen 11: 13-36
Dit is een lang gedeelte maar belangrijk is dat er in staat dat
‘wij wilde olijftakken’ geënt zijn op de ‘edele
olijfboom Israël’. Wij hebben onze redding aan hun
koppigheid te danken. Verder staat er in dat de afwijzing van Jezus
Christus maar tijdelijk is! God krijgt geen spijt wanneer hij een volk
roept. Maar over het ‘hoe en wat’ van de redding van Zijn
volk staat niets geschreven. Wel staat er: Wie kent de gedachten van de
Heer? Wie kan hem raad geven? Of wie kan vergoeding vragen voor wat hij
God heeft gegeven?
Welke opdracht voor ons als christenen kun je lezen uit deze tekst?
Over de profetieën in het oude en nieuwe testament van het volk
Israël gaan we nu niet dieper op in. Voor het lezen van deze
profetieën zijn een aantal vragen belangrijk: in welke context
staan de woorden, over welke situatie spreekt de profeet en als het al
voorspelling is, is er dan ook vervulling aan te wijzen in
díé tijd waarin die woorden gezegd zijn of kort daarna?
Verder is het opvallend dat het oude testament het land Israël
heel erg belangrijk, maar van alle 70 verwijzingen naar Israël in
het nieuwe testament, zijn er maar drie die naar het land wijzen. De
overige verwijzingen gaan over de joden. 1
Hoe moeten we dan als christenen aankijken tegen de bijzondere gebeurtenissen rondom de staat Israël?
Als laatste hebben we een belangrijke boodschap. God heeft zijn oude
volk Israël niet in de steek gelaten. Wij hebben onze redding aan
hen te danken en moeten nu niet met de armen over elkaar gaan zitten,
maar wel de joden vertellen van het geweldige werk dat Jezus heeft
gedaan, en dat er ook voor hun redding is.
Israël en de bijbel
Het stempel van de geschiedenis
De Joden stammen af van Abraham. Deze leefde ongeveer 4000 jaar
geleden. Ze zijn dus de erfgenamen van een lange geschiedenis. Het is
ook een bijzondere geschiedenis, want Abraham was een geroepene van
God. De geschiedenis van Gods omgang met Abraham en zijn nakomelingen
is in de bijbel beschreven. Deze erfenis heeft het joodse volk
gestempeld.
Dat is ook een actueel
gegeven. We lezen in het Oude Testament dat God de nakomelingen van
Abraham, Isaak en Jakob toezegt zijn beloften na te komen. Jezus en de
apostelen bevestigen dat in woord en daad (Hand. 3: 26). De bijbelse
geschiedenis laat tot op vandaag zijn sporen na.
1. De Here heeft het
land Kanaän aan Abrahams kinderen beloofd. Die belofte bleef ook
staan toen de nakomelingen van Abrahams kleinzoon Jakob in Egyptische
slavernij verzeild raakten. Nadat Hij hen met behulp van Mozes uit
Egypte had bevrijd en door de woestijn geleid, heeft God zijn belofte
ingelost. Volk en land zijn sinds de dagen van Jozua aan elkaar
verbonden.
2. De geschiedenis
ging verder. De Here heeft het volk en het land ook weer uit elkaar
gehaald. Met de ballingschap en de verstrooiing bevestigde God, dat
Israël zichzelf gelijk maakt aan de volken wanneer het afgoden
dient. Israëls bevoorrechte positie staat of valt met Israëls
trouw aan Jahwe.
Eerst ging Efraïm, het Noordrijk, in ballingschap naar Assyrië (2 Kon. 15: 29, 17:
6), later Juda naar Babel (2 Kon. 24: 10-16, 25: 1-21). Een klein deel vluchtte naar Egypte (2 Kon. 25: 26, Jer. 43: 5-7).
Dit oordeel was beperkt tot 70 jaar. De Perzische vorst Cyrus (of
Kores) gaf de Joden toestemming terug te gaan naar hun land, Jeruzalem
te herstellen en de tempel te herbouwen (2 Kron. 36: 22-23). Er kwam
weer een eigen volksleven van de grond, met een nieuwe tempel.
Maar het volk kreeg geen
politieke zelfstandigheid meer onder een vorst van het huis van David.
Het bleef onderworpen aan de opvolgers van Assyrië en
Babylonië. Daarnaast bleef ook de verstrooiing: een groot deel van
de Joden kwam niet naar Jeruzalem en omgeving maar bleef verspreid
wonen onder de volken.
Dit alles maakte de band tussen het joodse volk en het land losser.
3. Dan komt de
Messias Gods: Jezus van Nazaret, uit het huis van David. De verhouding
tussen Israël en de volken komt in een nieuw licht te staan.
Naarmate Jezus’ lijdensweg vordert, zien we een deel van
Israël samenwerking zoeken met de Romeinen (vertegenwoordigd door
Pontius Pilatus die op zijn beurt Herodes, de Edomitische vorst over
een deel van het joodse volk, erbij betrekt) tegen Jezus. Deze keuze
zet zich na Pasen en Pinksteren door, zoals de apostelen ondervinden
(Hand. 4: 27). Dat is de verdrukking en de dood en de haat omwille van
de naam van Jezus die Christus op de Olijfberg aankondigde (Matt. 24:
9).
Er komt zo een scheiding binnen het joodse volk tussen hen die Jezus en
de twaalf volgen en hen die Hem afwijzen. De volken delen erin. Jezus
stuurt zijn leerlingen via de joodse verstrooiing de wereld in om de
zijnen te verzamelen uit Israël en de volken.
Gods volk, de mensheid
wordt herschapen rond Christus: Hijzelf in het midden, om Hem heen het
vernieuwde Israël rond de apostelen, daaromheen de geredden uit de
volken. Deze nieuwe structuur zet zich door tot de voleinding. De oude
structuur rond Abraham (resp. de vaderen) verdwijnt naar de
achtergrond, evenals die van de mensheid met Adam aan het hoofd, de
kinderen van de vrouw.
Bij deze stand van zaken
valt het volle licht op de verbinding tussen de nieuwe David en het
vernieuwde en aangevulde volk. De betekenis van tempel en land
verbleekt.
4. In 70 na Christus
verwoesten de Romeinen Jeruzalem en de tempel. Jezus had dit
aangekondigd als het begin van de grote benauwdheid die voorafgaat aan
zijn verschijning in heerlijkheid (Marc. 13). De vernietiging van
Jeruzalem en de tempel bezegelt het einde van de oude bedeling..
Israëls verstrooiing
krijgt nu iets definitiefs: God sluit de tempel, het joodse volk slaat
van zijn aardse anker. De Joden die Jezus afwijzen, bouwen met de
talmoed (een enorme verzameling rabbijnse discussies over allerlei
onderwerpen, opgehangen aan bijbelwoorden) een nieuwe godsdienst op de
boeken van Mozes. In de boezem van het joodse volk worden sindsdien
twee godsdiensten aangehangen: de dienst van Vader, Zoon en Geest, en
de dienst van de aan de tempelloosheid aangepaste wetten van Mozes;
oftewel het christendom en het jodendom of judaïsme. Deze
tweespalt zet zich ook door in de verstrooiing.
We zien in de tijd van het nieuwe verbond het volgende gebeuren. Aan de
ene kant wordt de verstrooiing opgeheven rond Christus. Hij verzamelt
de zijnen uit Israël en de volken. Aan de andere kant wordt het
oordeel van ballingschap en verstrooiing bevestigd aan hen die hun hoop
vestigen op het aardse Jeruzalem en weigeren zich te laten verzamelen
onder de vleugels van Jezus.
De joodse godsdienst is een
geslaagde poging tot overleven temidden van de volken, en tegelijk een
vorm van verzet tegen de roep van de Goede Herder.
Na de afsluiting van het Nieuwe Testament ontwikkelde het judaïsme
een sterke identiteit onder leiding van de talmoedisten. De verhouding
met het christendom was bepaald niet vriendschappelijk. Een Jood die
christen werd verloochende zijn volk, en was Jood-af. Ze verschaften
het Jood-zijn een religieuze lading. In de heroriëntatie die
volgde na de verwoesting van Jeruzalem bleek deze religieuze identiteit
sterk samenbindend te werken.
Deze identiteit was sterk
genoeg om de sterk uitwaaierende joodse verstrooiing te kunnen
begeleiden. Ondertussen nam het volk vele elementen van de culturen
temidden waarvan het woonde over en integreerde die in de eigen
identiteit.
In de negentiende eeuw nam
de invloed van de joodse godsdienst onder de Joden af. Er ontstond
naast een ‘werelds’ jodendom ook een meer humanistisch
getint ‘liberaal jodendom’, dat talmoedische voorschriften
wilde aanpassen aan de eigen tijd.
De vijandige houding tegenover het christelijke geloof en tegenover de
christenen is in de loop der eeuwen gevoed door de anti-joodse
opstelling en handelwijze van christelijke vorsten en volken.
Het christelijk deel van
het joodse volk groeide ook in de verstrooiing, maar op de duur vormden
de christenen uit de volken de meerderheid. De kerk verloor
langzamerhand haar joodse kleur en ontwikkelde op den duur een
anti-joodse instelling met een culturele (Romeinse) tint. Hier ligt een
van de wortels van het Westeuropese antisemitisme. Dit vinden we terug
in de Roomskatholieke houding tegenover het joodse volk, resp. de staat
Israël.
In de tijd van de
Reformatie veranderden er drie dingen in de houding tegenover het
joodse volk. (1) Omdat men terug wilde naar de Schrift, leerde men de
Hebreeuwse schriften kennen. Daarvoor deed men een beroep op Joodse
hebraïsten en kreeg men respect voor de taal- en uitlegkundige
traditie van de Joden. (2) Doordat men afstand nam van vele dwalingen,
groeide de verwachting dat het joodse volk door het gezuiverde
evangelie van Jezus Christus zou worden aangesproken en zich zou
bekeren tot zijn Verlosser. (3) Het verzet tegen de roomse hegemonie en
het ontstaan van de Gereformeerde Kerken leidde tot een vorm van
voorheen onbekende tolerantie.
Het joodse volk vandaag
De vraag was: hoe moet je de verbinding leggen tussen het joodse volk
(met zijn staat Israël) en de geschiedenis van het bijbelse
Israël? We kunnen nu via het Nieuwe Testament komend uit het Oude
Testament twee belangrijke wissels zien liggen.
De komst en de prediking
van Jezus Christus is de eerste wissel. Hij brengt voor Israël het
koninkrijk nabij. Hij laat zien, dat met zijn komst God een nieuw begin
maakt: het nieuwe verbond in zijn bloed. In Hem blijkt Gods trouw in
zegen en vloek. Alle zegen die Israël beloofd is, vloeit
Israël toe via deze Messias, omdat ook de volle straf voor
Israëls zonden en die van de hele wereld op Hem is neergekomen.
Een andere schuilplaats tegen Gods oordeel is er voor Jood en Griek
onder de ganse hemel niet (Hand. 4: 12).
Er komt een Israël dat
zich bekeert en Christus volgt, en een Israël dat zich verhardt en
een eigen manier vindt om als volk te overleven.
De tweede wissel is de uitstorting van de Heilige Geest. God komt in
zijn nieuwe tempel wonen. Tegelijk opent de Geest de grenzen van het
volk Gods. Het trouwe deel van dit volk wordt nu uitgebreid met
gelovigen uit de volken.
Vanuit het Oude Testament komend is Israël twee keer veranderd:
eerst is het beperkt tot het in Christus gelovende Israël,
vervolgens is het uitgebreid met de in Christus gelovende volken.
We moeten dus onderscheid
maken binnen het joodse volk. Er zijn er die de Messias Jezus volgen.
Er zijn er die een van de vormen va de joodse godsdienst aanhangen. Er
zijn er die zich joods weten enkel vanwege hun afkomst. Sommigen
verbinden dit joodse bewustzijn met het zionisme, anderen met een
bepaalde culturele eigenheid. Niet onder godsdienstige Joden, maar
juist in de kringen van het zionisme is het ideaal van een eigen staat
ontstaan als een politieke overlevingsstrategie.
Het bestaan van het joodse volk herinnert de kerk aan de route van Gods
heil. De kerk ziet voor ogen hoe zelfs de val van de Joden dienstbaar
werd aan haar redding in Christus. Het joodse volk is er nog omdat God
zich niet neerlegt bij de verharding van een deel van zijn volk. Hij
blijft de ‘achterblijvers’ vanwege de vaderen, dus: omdat
ze Joden zijn, opzoeken met het evangelie van de Messias. Zij kunnen
zich daarvoor zelfs in een eigen staat niet verstoppen. Er zijn tot op
vandaag joodse christenen binnen en buiten Israël, omdat God zijn
woord aan Israël houdt.
Wat vinden we van de indrukwekkende gebeurtenissen die plaatsvinden sinds de stichting van de staat Israël?
1.
Er is geen reden aan te nemen dat God zich teruggetrokken heeft uit de
geschiedenis van het joodse volk, ook niet van het deel dat Jezus als
Messias niet wilde aanvaarden. Er is wel reden aan te nemen dat God het
joodse volk zal blijven achtervolgen met het evangelie van zijn Zoon.
2.
De stichting van de staat, de herleving van het joodse volk, de
bevolkingsconcentratie in Israël zijn daarom niet zonder
betekenis. Maar welke betekenis deze dingen hebben of krijgen, kunnen
we niet van te voren – onder verwijzing naar allerlei
profetieën – vaststellen.
3.
Daarom moeten we niet zomaar over ‘een nieuwe uittocht’
spreken als honderdduizenden Joden uit de voormalige Sovjet-Unie naar
Israël trekken. Want het heilsfeit dat de eerste uittocht uit
Egypte overtrof, was de komst van Jezus Christus en niet de stichting
van de staat Israël of de uittocht van de Sovjet-Joden. Of koning
Christus deze ontwikkelingen in dienst neemt van zijn voornemen een
deel van het joodse volk te behouden, is aan Hem. Wij mogen dat niet
uitsluiten. We mogen er om bidden. Maar vast staat: de uittocht van
welke Jood ook is pas voltooid als hij in het gevolg van Jezus Christus
het koninkrijk van God binnentrekt.
4.
Dat betekent niet dat gelovigen uit de Joden en uit de volken met de
armen over elkaar moeten blijven zitten. Integendeel. In gehoorzaamheid
aan Christus moet het ‘evangelie van het koninkrijk’ aan de
Joden verkondigd worden binnen en buiten de grenzen van de staat
Israël.
Een christelijke houding
Tegen de zojuist geschetste achtergrond schets ik nu zes elementen van een christelijke houding tegenover het joodse volk.
1.
Liefde voor de joodse gelovigen. Joodse gelovigen vormen het levende
bewijs van Gods trouw door de eeuwen heen. Door Gods barmhartigheid
mochten we bij hen intrekken (Ef. 2) en broeders van hetzelfde huis
worden.
We hebben reden voor
gezamenlijke lofprijzing en eerbied, én voor gezamenlijk verzet
tegen hoogmoed (Rom. 11: 17-21), voor gezamenlijk optrekken als
discipelen van Jezus Christus. Hulp van onze kant in noodgevallen
vloeit daar vanzelf uit voort, evenals onze steun aan de roeping onder
hun volksgenoten de naam van de Messias bekend te maken.
2.
Het gebed voor het joodse volk. De onwetendheid of het verzet tegen het
evangelie van de overige Joden maakt ons wakker in het gebed.
De discipelen van de
talmoed en de Zionisten zijn geen medegelovigen. Zij zijn
andersgelovigen, ten opzichte van de Christus der Schriften zelfs:
ongelovigen. Ook al kennen ze de Schriften die van de Messias getuigen,
zij zijn met Paulus’ woorden ‘verhard…tot de dag van
heden’ (Rom. 11: 7, 8; zie Deut. 29: 4 en Jes. 29: 10). Juist
omdat de kerk weet van Gods trouw, legt ze zich daarbij niet neer. Ze
blijft – in navolging van Paulus (Rom. 10: 1) – bij de Here
aandringen op ontferming. Paulus was ervan overtuigd, dat er in zijn
tijd een overblijfsel gelaten was naar de verkiezing der genade (Rom.
11: 5). Dit mag de kerk van het nieuwe verbond geloven, zolang de
prediking van het evangelie op haar agenda staat.
Vaak wordt het evangelie
resoluut afgeweerd door Joden. Daarom doet de kerk er goed aan eerst te
bidden voor de redding van de Joden en zo Gods genade absolute voorrang
te verlenen.
3.
Evangelieverkondiging aan het joodse volk. De verharding van het joodse
volk is gedeeltelijk (Rom. 11: 25). De kerk die bidt voor het behoud
van het joodse volk, zal attent zijn op mogelijkheden het evangelie
onder de aandacht van dit volk te brengen. Daartoe nodigt ook uit, dat
God het joodse volk niet heeft laten opgaan in de volken.
Is de massamoord in de tweede wereldoorlog een reden om af te zien van
evangelieverkondiging aan de Joden? Nee, in de eerste plaats kun je
afstand nemen van een slecht verleden. Dat betekent niet alleen
schuldbelijdenis doen voor God en mensen, maar ook je gedrag
veranderen. De Gereformeerde Kerken hebben in de zestiende eeuw op
duidelijke wijze afstand genomen van het pausdom en wat daaraan
vastzat. Een officiële afwijzing (zoals de gereformeerde synode
van Amsterdam 1936 uitsprak) van het antisemitisme en van het
nationaal-socialisme toen het zich in deze eeuw voordeed is
welsprekender dan een vage en algemene schuldbelijdenis achteraf.
Een uitgestoken hand naar
het joodse volk en de bereidheid om hen de enige naam onder de ganse
hemel waardoor wij behouden kunnen worden, voor te houden is vandaag
een even concreet blijk van liefde voor het joodse volk als van berouw
over antisemitisme.
In de tweede plaats mogen
we onderscheiden tussen Christus zelf en degenen die optreden in zijn
naam. Het zijn mensen geweest die ervoor hebben gezorgd, dat Joden de
naam Jezus in verband brengen met dood en verderf. Wie zal het joodse
volk beletten te klagen? Toch blijft er veel goeds te zeggen over de
naam boven alle naam. Voor de Christus hoeft geen christen zich te
schamen, ook niet voor joodse oren.
Niet alle christenen hebben kunnen wachten tot het moment dat God in
zijn vrijheid de bedekking over een joods hart wegneemt (2 Cor. 3:
12-18). Het is jammer genoeg gebeurd dat de kerk met geweld tegen
joodse hardnekkigheid is opgetreden – soms met verwijzing naar de
moord op Jezus. Dat is vele Joden fataal geworden, toen de kerk
wereldlijke macht had en de mensenmassa’s kon manipuleren. Een
man als Hitler kon zich voor zijn gruweldaden met pijnlijke scherpte
beroepen op de zwakke momenten van de kerk. En zwak was de kerk toen ze
zich sterk maakte met het wereldlijk zwaard.
4.
Fijngevoeligheid inzake de geschiedenis van het joodse volk.
Israëlische christenen zeggen: de geschiedenis kan geen reden zijn
voor de kerk haar plicht het evangelie aan Israël te verkondigen
te verzaken, noch kan Israël getroost worden buiten haar Messias
om. Goede daden kunnen het verleden niet verzoenen, evenmin kunnen we
het volbrachte verzoeningswerk van Christus vervangen door onze
uitingen van liefde.
Het barre verleden is geen
excuus om het evangelie te verzwijgen, of te verhullen. Het stimuleert
de kerk integendeel tot een duidelijke keus. Het prikkelt de brenger
van de goede boodschap tot grote zorgvuldigheid en maakt hem gevoelig
voor de pijn van de hoorder.
5.
Respect voor hun kennis van het Oude Testament. Laat de kerk niet
vergeten, dat ze van het joodse volk weer Hebreeuws heeft geleerd.
Calvijn heeft zich niet geschaamd in de leer te gaan bij de joodse
exegeten. De joodse betrokkenheid bij het Oude Testament is een gegeven
dat dit volk uniek maakt. Dat is van betekenis voor de verkondiging van
het evangelie aan hun adres.
In de eerste plaats is er
een aanknopingspunt. Er is gemeenschappelijke kennis van Gods Woord en
werk. Gereformeerde kerken zijn vaak goed thuis juist in het Oude
Testament. Dat kan leiden tot wederzijds respect, een niet te
onderschatten voordeel wanneer de Christus der Schriften ter sprake
moet komen.
Dat het Oude Testament bij
de godsdienstige Joden in een heel andere canon functioneert (met de
talmoed) kan – ten tweede – een extra hindernis betekenen.
Wie het Oude Testament op een joodse wijze heeft leren lezen, leest
Mozes met een ‘bedekking’ (2 Cor. 3). Dat betekent veel
extra werk voor de evangelist, in het gebed om de Heilige Geest, maar
ook in de studie van de joodse godsdienst.
De niet-godsdienstige Jood
of Israëli is ook gehandicapt in zijn begrip van het Oude
Testament. Hij leest het als nationaal epos of vaderlandse
geschiedenis, als bewijs voor het unieke karakter van zijn volk. De
werkelijke schriftkennis valt dikwijls tegen. Daarnaast verstopt een
gemakkelijk besef van uitverkoren-zijn (‘God staat altijd aan de
kant van de Joden’) de oren.
De kerken wekken niet bepaald de jaloezie van de Joden op (zie Rom. 11:
14), zo wordt wel gezegd. Maar niet het voorbeeldige gedrag van de
gelovigen uit de volken moet ongelovige Israëlieten prikkelen tot
jaloezie. Juist dat Gód het verkiest met zulke mensen (Deut. 32:
21 ‘een dwaas volk’) om te gaan in het verbond moet Joden
onrustig maken in hun verzet tegen het evangelie. Paulus prees zijn
werk als apostel der volken, omdat God juist door het heil te geven aan
‘dwaze volken’ de ongelovige Israëlieten wilde
prikkelen tot jaloezie op ‘wat geen volk is’.
Hoe kan de kerk dus
ongelovige Joden helpen brengen tot het besef dat ze van de weg van
Gods verbond zijn afgeraakt, tot het verlangen naar de omgang met God
in het nieuwe verbond?
In de eerste plaats door
uitsluitend God te dienen en Hem overeenkomstig zijn Woord te vereren,
want de val van Israël was de ongehoorzaamheid aan het eerste en
tweede gebod. in de tweede plaats door het evangelie trouw te
verkondigen aan alle volken, opdat Gods ontferming over ‘wat geen
volk is’ aan het licht komt.
Een kerk die niet meer God
alleen dient of Hem eigenwillig vereert, of die nalaat het evangelie
aan alle volken te verkondigen, maakt zichzelf als evangelist onder de
Joden ongeloofwaardig. Zo’n kerk verduistert het zicht op Gods
genade – die vergadert niet, die verstrooit.
6. Kritische steun
aan het joodse volk in Israël. Wie komt met het evangelie, heeft
niet per se zilver en goud bij zich. Maar de kerk of de christen die
wel heeft, hoeft zich niet te schamen voor een christelijke handreiking
aan het joodse volk. Het is een andere vraag of wij
‘solidair’ met Israël moeten zijn, in de zin dat we
vierkant achter Israël moeten staan. Rond de staat Israël
spelen verschillende motieven, maar als politiek verschijnsel moet
Israël aan politieke maatstaven worden gemeten.
Voor christenen zijn
daarbij vragen van belang als: wordt het land een afgod? Dient de staat
en haar macht een vorm van nationale hoogmoed? Zijn de joodse bewoners
bereid te delen met de Palestijnen die ook mogen spreken van hun recht
daar te wonen? Wordt die staat gebruikt tegen het evangelie?
Veel ‘christelijke
solidariteit’ stijft Israël in een gevaarlijk nationalisme,
bijv. de relligieus getinte opvatting over de bezette gebieden. Deze
christenen identificeren zich verregaand met rechtse standpunten in de
Israëlische politiek. Laten hulpvaardige kerken en christenen aan
de Israëlische overheid dezelfde maatstaven aanleggen als aan
andere volken en overheden. Een echte vriend durft met kritiek te komen.
In het politieke gesprek
met Israël is het nuttig aan te dringen op een uitgewerkte
grondwet, waarin de scheiding tussen de staat en het orthodoxe jodendom
zo ver mogelijk is doorgevoerd en waarin de vrijheid van onderwijs,
meningsuiting en godsdienst is gegarandeerd. Het zou ook mooi zijn als
de christelijke wereld er bij de joodse regering op aandrong, dat ze
het recht Jood en Israëli te zijn erkent ook voor Israëlieten
die Jezus als Messias aanvaarden.


















