Dordtse leerregels
De vindplaats van materiaal
voor Bijbelstudie, geloofstudie, catechese, school, kring, persoonlijk
geloof, studie thuis, kerk, club, nieuws, godsdienstonderwijs,
zingeving en vooral heel veel mogelijkheden om je Bijbelkennis te
vergroten. Blijf
niet afhankelijk van anderen maar lees zelf de Bijbel. Investeer in
geestelijke rijkdom.
De Dordtse Synode was een landelijke synode die bijeengeroepen was door de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden om uitspraak te doen over de opvattingen van de remonstranten. De remonstranten werden op de Synode van Dordrecht unaniem veroordeeld door de contraremonstranten. Hun leer was, volgens de overige deelnemers aan de Synode, niet in overeenstemming met de bijbel. In de leerregels is de veroordeling schriftelijk vastgelegd. De Dordtse Leerregels werden als één van de Drie Formulieren van Enigheid onderdeel van de belijdenis van de gereformeerde kerk in Nederland en daarmee ook van alle kerken die zich als voortzetting van deze kerk beschouwen.
De vijf artikelen tegen de Remonstranten
De of
oordeel van de Nationale Synode der Gereformeerde Kerken van de
Verenigde Nederlanden, gehouden binnen Dordrecht in de jaren 1618 en
1619, over de bekende vijf hoofdstukken der leer, waarover in de
Gereformeerde Kerken dezer Verenigde Nederlanden verschil is gevallen.
Onder de zeer vele vertroostingen, dewelke onze Heere en Zaligmaker
Jezus Christus aan zijn strijdende Kerk in deze ellendige pelgrimage
gegeven heeft, wordt deze met recht de voornaamste geacht, die Hij haar
heeft nagelaten, als Hij tot zijn Vader in het hemelse Heiligdom zoude
ingaan, zeggenden: "Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der
wereld". De waarheid van deze vriendelijke belofte is blijkelijk in de
Kerk van alle tijden. Want alzo zij niet alleen door openbaar geweld
der vijanden en goddeloos geweld der ketteren, maar ook door bedekte
listigheid der verleiders van den beginnen is gestreden, voorwaar,
indien de Heere haar te eniger tijd van de heilzame hulp van zijn
beloofde tegenwoordigheid had ontbloot, zij zoude al over lang
òf door geweld der tyrannen zijn verdrukt geweest òf door
de arglistigheid der bedriegers ten verderve geleid.
Maar de goede Herder, die zijn kudde, voor welke Hij zijn leven heeft gelaten, zeer volstandiglijk bemint, heeft het woeden der vervolgers steeds ter rechter tijd en door zijn uitgestrekte hand, dikwijls wonderlijk, ternedergezet, en de kromme wegen en bedriegelijke raadslagen der verleiders ontdekt en te niet gedaan; in beide bewijzende, dat Hij waarlijk bij zijn Kerk tegenwoordig is. Hiervan hebben wij een zeer klaar bewijs in de Historiën der Godzalige Keizers, Koningen en Prinsen, dewelke de Zone Gods zo menigmaal tot hulp van zijn Kerk heeft verwekt, met een heilige ijver van zijn huis ontstoken, en door hun dienst niet alleen het woeden der tyrannen bedwongen, maar ook zijn Kerk, wanneer zij met valse leraars te strijden had, tegen hen met middelen ter genezing, van heilige Synoden voorzien, in welke de getrouwe dienstknechten van Christus met gezamenlijke gebeden, raad en arbeid kloekmoediglijk zich hebben gesteld voor de Kerk en waarheid Godes tegen de knechten des satans, alhoewel zij zich in engelen des lichts veranderden; en hebben het zaad der dwalingen en der tweedracht weggenomen, de Kerk in eendracht der reine religie behouden en de oprechte godsdienst ongeschonden op de nakomelingen voortgezet.
Met een gelijke weldaad heeft onze trouwe Zaligmaker zijn genadige tegenwoordigheid aan de Kerk van Nederland, die enige jaren zeer is verdrukt geweest, in deze tijd bewezen. Want deze Kerk, van de tyrannie van de Roomse Antichrist en de schrikkelijke afgoderij van het Pausdom, door Gods machtige hand verlost, en in de gevaren van zo langdurige oorlog menigmaal wonderbaarlijk bewaard zijnde, en in eendracht der ware leer en tucht tot lof van haar God, tot wonderlijke wasdom van het gemenebest, en vreugde van de gehele Gereformeerde wereld zeer heerlijk bloeiende, is van Jacobus Arminius en zijn navolgers, dragende de naam van Remonstranten, door verscheidene zo oude als nieuwe dwalingen, eerste heimelijk, daarna openlijk aangevochten, en, door ergerlijke twisten en scheuringen hardnekkiglijk verstoord zijnde, in zo groot gevaar gebracht, dat die zeer bloeiende Kerken door een schrikkelijke brand van tweedrachten en verdeeldheden ten laatste zouden zijn verteerd geworden, ten ware de ontferming van onze Zaligmaker ter bekwamer tijd daartussen ware gekomen.
Doch geprezen zij in der
eeuwigheid de Heere, dewelke, nadat Hij zijn aanschijn een ogenblik
tijds van ons (die op menigerlei wijze zijn toorn en gramschap hadden
verwekt) verborgen had, voor de ganse wereld heeft bewezen, dat Hij
zijn Verbond niet vergeet en het zuchten der zijnen niet veracht. Want
als daar nauwelijks enige hope van herstel naar menselijk oordeel
scheen voorhanden te zijn, heeft Hij aan de Doorluchtige en
Hoog-Mogende Heren, de Generale Staten der Verenigde Nederlanden, in
het hart gegeven, dat zij, met advies en directie van den
Doorluchtigsten Prince van Oranje, besloten hebbende deze woedende
zwarigheden met wettelijke middelen te bejegenen, welke door de
voorbeelden der Apostelen zelf en der Christelijke Kerk na hun tijd
doorgaans zijn goed gekend, en zelfs ook in de Kerk van Nederland met
grote vrucht vóór dezen gebruikt, en hebben een Synode
uit al de Provinciën van hun gebied door hun autoriteit naar
Dordrecht bijeengeroepen, nadat zij daartoe van tevoren verzocht en
door gunst des grootmachtigsten Konings Jacobus, Koning van
Groot-Brittannië, enz., en machte Republieken, verworven hadden
vele voortreffelijke godgeleerde mannen, opdat door gemeen oordeel van
zoveel theologanten der Gereformeerde Kerk, de leringen van Armimius en
zijn navolgers in een zo vermaarde Synode rijpelijk zouden worden
onderzocht, en alleen uit Gods Woord geoordeeld, de ware leer
bevestigd, de valse verworpen, en de Nederlandse Kerken eendracht,
vrede en rust door Godes zegen wedergebracht. Over deze weldaad Godes
is het, dat de Nederlandse Kerken zich verheugen en haars Zaligmakers
ootmoediglijk bekennen en dankbaar roemen.
Deze eerwaardige Synode (na voorgaand algemeen vasten en bidden door
autoriteit der Hoge Overheid in al de Nederlandse Kerken tot afbidding
van Gods toorn en verwerving van zijn genadige bijstand uitgeschreven
en gehouden) in des Heeren naam binnen Dordrecht vergaderd zijnde,
ontstoken in liefde tot God en de welstand der Kerk, en wezende, na
aanroeping van Gods naam, met een heilige eed verplicht, van alleen
naar het richtsnoer der Heilige Schrifture te oordelen, en in het
onderzoek met een goede consciëntie te handelen, heeft zeer
naarstiglijk en met grote lankmoedigheid gearbeid, om de voornaamste
voorstanders dezer leringen, voor haar geciteerd zijnde, te bewegen,
dat zij hun gevoelen van de bekende vijf Hoofdstukken der leer,
mitsgaders de redenen van die volkomenlijk wilden verklaren. Maar als
zij het oordeel der Synode verwierpen en op de vraagstukken, in de
manier als billijk was, weigerden te antwoorden, en dat voorts geen
vermaningen der Synode, noch resolutiën der Welgeboren Edele
Gedeputeerde Staten van de Heren Generale Staten, ja zelfs niet de
bevelen van de doorluchtige Hoogmogende Heren Generale Staten, bij hen
iets vorderden, is de Synode genoodzaakt, met last van hun Hoog-Mogende
en naar de gewoonte der ouderen Synoden, een andere weg in te gaan; en
is het onderzoek van de voorzeide vijf leerstukken uit de schriften,
bekentenissen en verklaringen, eensdeels te voren uitgegeven,
anderdeels ook aan deze Synode overgeleverd, ter hand genomen. Hetwelk,
alzo het nu door Gods bijzondere genade met zeer grote vlijt,
getrouwigheid, consciëntie en overeenstemming van allen en een
iegelijk is voleind, zo is 't, dat deze Synode tot Gods eer, behoudenis
van de oprechtigheid der zaligmakende waarheid, gerustheid der
consciëntiën, vrede en welstand der Nederlandse Kerken,
besloten heeft het navolgende oordeel (waarin het waarachtige en met
Gods Woord overeenkomende gevoelen van de vijf voorzegde leerpunten
wordt verklaard, en het valse, en met Gods Woord strijdende verworpen)
openlijk uit te spreken en aan een iegelijk bekend te maken.
HOOFDSTUK 1 --- Van de Goddelijke verkiezing en verwerping
1-1. Aangezien alle mensen
in Adam gezondigd hebben, en des vloeks en eeuwigen doods zijn schuldig
geworden, zo zou God niemand ongelijk hebben gedaan, indien Hij het
ganse menselijke geslacht in de zonde en vervloeking had willen laten
en om de zonde verdoemen, volgens deze uitspraken van den apostel: De
gehele wereld is voor God verdoemelijk. Zij hebben allen gezondigd, en
derven de heerlijkheid Gods (Rom. 3:19, 23). En: De bezoldiging der
zonde is de dood (Rom. 6:23).
1-2. Maar hierin is de liefde Gods geopenbaard, dat Hij Zijn
eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat een iegelijk, die
in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (1 Joh.
4:9; Joh. 3:16).
1-3. En opdat de mensen tot het geloof worden gebracht, zendt God
goedertierenlijk verkondigers van deze zeer blijde boodschap, tot wie
Hij wil en wanneer Hij wil; door wier dienst de mensen geroepen worden
tot bekering en het geloof in Christus, den Gekruisigde. Want hoe
zullen zij in Hem geloven, van Welken zij niet gehoord hebben? En hoe
zullen zij horen, zonder die hun predikt? En hoe zullen zij prediken,
indien zij niet gezonden worden? (Rom. 10:14, 15).
1-4. Die dit Evangelie niet geloven, op die blijft de toorn Gods. Maar
die het aannemen en den Zaligmaker Jezus met een waarachtig en levend
geloof omhelzen, die worden door Hem van den toorn Gods en van het
verderf verlost, en met het eeuwige leven begiftigd (Joh. 3:36, Mark.
16:16).
1-5. De oorzaak of onschuld van dat ongeloof, gelijk ook van alle
andere zonden, is geenszins in God, maar in den mens. Maar het geloof
in Jezus Christus en de zaligheid door Hem, is een genadige gave Gods;
gelijk geschreven is: Uit genade zijt gij zalig geworden door het
geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Ef. 2:8). Insgelijks: Het
is u gegeven in Christus te geloven (Filip. 1:29).
1-6. Dat God sommigen in den tijd met het geloof begiftigt, sommigen
niet begiftigt, komt voort van Zijn eeuwig besluit. Want al Zijn werken
zijn Hem van eeuwigheid bekend (Hand. 15:18), en Hij werkt alle dingen
naar den raad van Zijn wil (Ef. 1:11). Naar welk besluit Hij de harten
der uitverkorenen, hoewel zij hard zijn, genadiglijk vermurwt en buigt
om te geloven; maar degenen die niet zijn verkoren, naar Zijn
rechtvaardig oordeel, in hun boosheid en hardigheid laat. En hier is
het dat zich voornamelijk voor ons ontsluit die diepe, barmhartige en
evenzeer rechtvaardige onderscheiding der mensen, zijnde in evengelijke
staat des verderfs, of het besluit van verkiezing en verwerping, in het
Woord Gods geopenbaard. Hetwelk, evenals het de verkeerde, onreine en
onvaste mensen verdraaien tot hun verderf, alzo den heiligen en
godvrezenden zielen een onuitsprekelijken troost geeft.
1-7. Deze verkiezing is een onveranderlijk voornemen Gods, door hetwelk
Hij vóór de grondlegging der wereld een zekere menigte
van mensen, niet beter of waardiger zijnde dan anderen, maar in de
gemene ellende met anderen liggende, uit het gehele menselijk geslacht,
van de eerste rechtheid door hun eigen schuld vervallen in de zonde en
het verderf, naar het vrije welbehagen van Zijn wil, tot de zaligheid,
uit louter genade, uitverkoren heeft in Christus, Denwelken Hij ook van
eeuwigheid tot een Middelaar en Hoofd van alle uitverkorenen, en tot
een Fundament der zaligheid gesteld heeft. En opdat zij door Hem zouden
zalig gemaakt worden, heeft Hij ook besloten hen aan Hem te geven, en
krachtiglijk tot Zijn gemeenschap door Zijn Woord en Geest te roepen en
te trekken, of met het ware geloof in Hem te begiftigen, te
rechtvaardigen, te heiligen, en in de gemeenschap Zijns Zoons
krachtiglijk bewaard zijnde, ten laatste te verheerlijken, tot
bewijzing van Zijn barmhartigheid en tot prijs van de rijkdommen Zijner
heerlijke genade. Gelijk geschreven is: God heeft ons uitverkoren in
Christus, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij
zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons te
voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus
Christus in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil; tot prijs der
heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den
Geliefde (Ef. 1:4-6). En elders: Die Hij te voren verordineerd heeft,
dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft
Hij ook gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft
Hij ook verheerlijkt (Rom. 8:30).
1-8. De voormelde verkiezing is niet menigerlei, maar één
en dezelfde, van al degenen die zalig worden, beide in het Oude en
Nieuwe Testament. Aangezien de Schrift ons een enig welbehagen,
voornemen en raad van den wille Gods voorstelt, waardoor Hij ons van
eeuwigheid heeft verkoren, beide tot de genade en tot heerlijkheid, tot
de zaligheid en tot den weg der zaligheid, denwelken Hij bereid heeft,
opdat wij daarin wandelen zouden. (Ef. 1:4,5 en 2:10)
1-9. Deze zelfde verkiezing is geschied, niet uit het voorgezien geloof
en gehoorzaamheid des geloofs, heiligheid, of enige andere goede
hoedanigheid of geschiktheid, als een oorzaak of voorwaarde, tevoren
vereist in den mens, die verkoren zou worden; maar tot het geloof en
gehoorzaamheid des geloofs, tot heiligheid, enz.; en dienvolgens is de
verkiezing de fontein van alle zaligmakend goed, waaruit het geloof, de
heiligheid, en andere zaligmakende gaven, en eindelijk het eeuwige
leven zelf als vruchten vloeien; naar het getuigenis van den apostel:
Hij heeft ons uitverkoren (niet, omdat wij waren, maar) opdat wij
zouden zijn heilig en onberispelijk voor Hem in den liefde (Ef. 1:4).
1-10. De oorzaak van deze genadige verkiezing is eniglijk het
welbehagen Gods, niet daarin bestaande, dat Hij enige hoedanigheden of
werken der mensen, uit alle mogelijke voorwaarden, tot een voorwaarde
der zaligheid heeft uitgekozen; maar hierin, dat Hij enige bepaalde
personen uit de gemene menigte der zondaren Zich tot een eigendom heeft
aangenomen. Gelijk geschreven is: Als de kinderen nog niet geboren
waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, enz., werd tot haar
(namelijk Rebekka) gezegd: De meerdere zal den mindere dienen; gelijk
geschreven is: Jakob heb Ik liefgehad, en Ezau heb Ik gehaat (Rom.
9:11-13). En: Er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het
eeuwige leven (Hand. 13:48).
1-11. En gelijk God Zelf op het hoogste wijs, onveranderlijk, alwetend
en almachtig is, alzo kan de verkiezing, door Hem gedaan, niet ontdaan
en wedergedaan, noch veranderd, noch herroepen, noch afgebroken worden,
noch de uitverkorenen verworpen, noch hun getal verminderd worden.
1-12. Van deze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid
worden de uitverkorenen te zijner tijd, hoewel bij onderscheiden
trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet, als zij de
verborgenheden en diepten Gods curieuslijk doorzoeken, maar als zij de
onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als
daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods,
droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de
gerechtigheid, enz.), in zichzelven met een geestelijke blijdschap en
heilige vermaking waarnemen (2 Kor. 13:5).
1-13. Uit het gevoel en de verzekerdheid van deze verkiezing nemen de
kinderen Gods dagelijks meerder oorzaak om zichzelven voor God te
verootmoedigen, de diepte van Zijn barmhartigheden te aanbidden,
zichzelven te reinigen, en Hem, Die hen eerst zo uitnemend heeft
liefgehad, wederom vuriglijk te beminnen. Zo ver is het vandaar, dat
zij door deze leer van de verkiezing en door de overdenking daarvan, in
het onderhouden van Gods geboden vertragen, of vleselijk zorgeloos
zouden worden. Hetwelk door Gods rechtvaardig oordeel dengenen pleegt
te gebeuren, die, óf zichzelven van de genade der verkiezing
lichtvaardiglijk vermetende, óf ijdellijk en dartellijk daarvan
klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeren te wandelen.
1-14. Voorts, gelijk deze leer van de Goddelijke verkiezing, naar Gods
wijzen raad, door de profeten, Christus Zelven en de apostelen, zowel
in het Oude als in het Nieuwe Testament gepredikt is, en daarna in de
Heilige Schriften voorgesteld en nagelaten, alzo moet zij ook ten
huidige dage, te zijner tijd en plaats, in de Kerke Gods (dewelke zij
bijzonderlijk is toegeëigend) voorgesteld worden, met den geest
des onderscheids en met godvruchtige eerbiedigheid, heiliglijk, zonder
nieuwsgierige onderzoeking van de wegen des Allerhoogsten, ter ere van
Gods heiligen Naam en tot een levendigen troost van Zijn volk (Hand.
20:27; Rom. 12:3; Rom. 11:33, 34; Hebr. 6:17, 18).
1-15. Deze eeuwige en onverdiende genade van onze verkiezing wijst en
prijst ons de Heilige Schrift daarmede allermeest aan, wanneer zij
wijders getuigt dat niet alle mensen zijn verkoren, maar sommigen niet
verkoren, of in Gods eeuwige verkiezing voorbijgegaan, namelijk die,
welke God naar Zijn gans vrij, rechtvaardig, onberispelijk en
onveranderlijk welbehagen besloten heeft in de gemene ellende te laten,
in dewelke zij zichzelven door hun eigen schuld hebben gestort, en met
het zaligmakend geloof en de genade der bekering niet te begiftigen,
maar hen in hun eigen wegen en onder Zijn rechtvaardig oordeel gelaten
zijnde, eindelijk niet alleen om het ongeloof, maar ook om alle andere
zonden, tot verklaring van Zijn gerechtigheid, te verdoemen en
eeuwiglijk te straffen. En dit is het besluit der verwerping, hetwelk
God geenszins maakt tot een auteur van de zonde (hetwelk godslasterlijk
is te denken), maar Hem stelt tot haar verschrikkelijken,
onberispelijken en rechtvaardigen Rechter en Wreker.
1-16. Die het levend geloof in Christus, of het zeker vertrouwen des
harten, den vrede der consciëntie, de betrachting van de
kinderlijke gehoorzaamheid, den roem in God door Christus, in zich nog
niet krachtiglijk gevoelen, en nochtans de middelen gebruiken, door
welke God beloofd heeft deze dingen in ons te werken, die moeten niet
mismoedig worden, wanneer zij van de verwerping horen gewagen, noch
zichzelven onder de verworpenen rekenen, maar in het waarnemen der
middelen vlijtig voortgaan, naar den tijd van overvloediger genade
vuriglijk verlangen, en dien met eerbiedigheid en ootmoedigheid
verwachten. Veel minder behoren voor deze leer van de verwerping
verschrikt te worden degenen, die ernstiglijk begeren zich tot God te
bekeren, Hem alleen te behagen, en van het lichaam des doods verlost te
worden, en nochtans in den weg der godzaligheid en des geloofs zo ver
nog niet kunnen komen, als zij wel wilden; aangezien de barmhartige God
beloofd heeft dat Hij de rokende vlaswiek niet zal uitblussen, en het
gekrookte riet niet zal verbreken. Maar deze leer is met recht
schrikkelijk voor degenen, die God en Christus den Zaligmaker niet
achtende, zichzelven aan de zorgvuldigheden der wereld en aan de
wellusten des vleses geheel hebben overgegeven, zolang zij zich niet
met ernst tot God bekeren.
1-17. Nademaal wij van den wille Gods uit Zijn Woord moeten oordelen,
hetwelk getuigt dat de kinderen der gelovigen heilig zijn, niet van
nature, maar uit kracht van het genadeverbond, in hetwelk zij met hun
ouders begrepen zijn, zo moeten de godzalige ouders niet twijfelen aan
de verkiezing en zaligheid hunner kinderen, welke God in hun kindsheid
uit dit leven wegneemt. (Gen. 17:7; Hand. 2:39; 1 Kor. 7:14)
1-18. Tegen degenen die over deze genade der onverdiende verkiezing en
gestrengheid der rechtvaardige verwerping murmureren, stellen wij deze
uitspraak van den apostel: O mens, wie zijt gij, die tegen God
antwoordt? (Rom. 9:20); en deze van onzen Zaligmaker: Is het mij niet
geoorloofd te doen met het mijne, wat ik wil? (Matth. 20:15) Wij
daarentegen, deze verborgenheden met een godvruchtige eerbiedigheid
aanbiddende, roepen uit met den apostel: O diepte des rijkdoms, beide
der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn
oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! Want wie heeft den zin des
Heeren gekend? Of wie is Zijn raadsman geweest? Of wie heeft Hem eerst
gegeven, en het zal hem wedervergolden worden? Want uit Hem, en door
Hem, en tot Hem zijn alle dingen. Hem zij de heerlijkheid in der
eeuwigheid. Amen (Rom. 11:33-36).
Verwerping der dwalingen, door welke de Nederlandse Kerken een tijdlang zijn beroerd geworden.
De rechtzinnige leer van de verkiezing en verwerping verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
1-1a. Die leren: Dat de wil
Gods van zalig te maken degenen, die zouden geloven en in het geloof en
de gehoorzaamheid des geloofs zouden volharden, het ganse en gehele
besluit van de verkiezing ter zaligheid is, en dat er niets anders van
dit besluit in het Woord Gods is geopenbaard.
Want dezen bedriegen de eenvoudigen, en wederspreken klaarlijk de
Heilige Schrift, die getuigt dat God niet alleen degenen, die geloven
zullen, wil zalig maken, maar dat Hij ook enige bepaalde mensen van
eeuwigheid heeft uitverkoren, welke Hij in den tijd, boven anderen, met
het geloof in Christus en met volstandigheid zou begiftigen; gelijk
geschreven is: Ik heb Uw Naam geopenbaard den mensen, die Gij Mij uit
de wereld gegeven hebt. (Joh. 17:6). En: Er geloofden zovelen als er
geordineerd waren tot het eeuwige leven. (Hand. 13:48). En: Hij heeft
ons uitverkoren in Hem, vóór de grondlegging der wereld,
opdat wij zouden heilig zijn, enz. (Ef. 1:4).
1-2a. Die leren: Dat de verkiezing Gods ten eeuwigen leven velerlei is:
de ene algemeen en onbepaald, de andere bijzonder en bepaald; en dat
deze wederom óf onvolkomen, herroepelijk, niet-beslissend en
voorwaardelijk is, óf volkomen, onherroepelijk, beslissend en
volstrekt. Insgelijks: Dat er een andere verkiezing is tot het geloof,
een andere tot de zaligheid, alzo, dat de verkiezing tot het
rechtvaardigmakend geloof kan zijn zonder de beslissende verkiezing ter
zaligheid.
Want dit is een gedichtsel
van des mensen hersenen, buiten de Schrift uitgedacht, waardoor de leer
van de verkiezing verdorven en deze gulden keten van onze zaligheid
verbroken wordt: Die Hij te voren verordineerd heeft, dezen heeft Hij
ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook
gerechtvaardigd; en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook
verheerlijkt. (Rom. 8:30)
1-3a. Die leren: Dat het welbehagen en voornemen Gods, van hetwelk de
Schrift in de leer van de verkiezing gewag maakt, niet daarin bestaat,
dat God enige bijzondere mensen boven anderen heeft uitverkoren; maar
daarin, dat God uit alle mogelijke voorwaarden (onder welke ook zijn de
werken der wet), of uit de gehele orde van alle dingen, de uit haar
aard onverdienstelijke daad des geloofs en zijn onvolmaakte
gehoorzaamheid tot een voorwaarde der zaligheid heeft uitgekozen, welke
Hij voor een volkomen gehoorzaamheid genadiglijk zou hebben willen
houden, en der beloning des eeuwigen levens waardig achten.
Want met deze schadelijke
dwaling wordt het welbehagen Gods en de verdienste van Christus
krachteloos gemaakt, en de mensen door onnutte vragen van de waarheid
der genadige rechtvaardigmaking en van de eenvoudigheid der Schrift
afgetrokken, en deze uitspraak van den apostel van onwaarheid
beschuldigd: God heeft ons geroepen met een heilige roeping; niet naar
onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven
is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen; (2 Tim.
1:9)
1-4a. Die leren: Dat in de verkiezing tot het geloof deze voorwaarde
tevoren vereist wordt, dat de mens het licht der natuur recht gebruike,
vroom zij, klein, nederig en ten eeuwigen leven geschikt, gelijk alsof
aan die dingen de verkiezing enigszins hing.
Want dit smaakt naar het
gevoelen van Pelagius, en strijdt tegen de leer des apostels, waar hij
schrijft: Wij hebben eertijds verkeerd in de begeerlijkheden onzes
vleses, doende den wil des vleses en der gedachten, en wij waren van
nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen. Maar God, Die rijk
is in barmhartigheid, door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons
liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons
levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), en
heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in
Christus Jezus; opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen den
uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in
Christus Jezus. Want uit genade zijt gij zalig geworden door het
geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave; niet uit de werken, opdat
niemand roeme (Ef. 2:3-9).
1-5a. Die leren: Dat de onvolkomen en niet-beslissende verkiezing van
bijzondere personen ter zaligheid geschied is uit het voorgezien
geloof, bekering, heiligheid, godzaligheid, die óf eerst
begonnen, óf ook een tijdlang geduurd hebben; maar dat de
volkomen en beslissende verkiezing geschied is uit de voorgeziene
volharding tot het einde toe in het geloof, bekering, heiligheid en
godzaligheid; en dat dit is de genadige en evangelische waardigheid, om
welker wille hij, die verkoren wordt, waardiger is dan hij, die niet
verkoren wordt; en dat derhalve het geloof, de gehoorzaamheid des
geloofs, heiligheid, godzaligheid en volharding niet zijn vruchten van
de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid, maar dat het zijn
voorwaarden, die tevoren vereist, en als volbracht wezende voorzien
zijn in degenen, die ten volle verkoren zullen worden, en oorzaken,
zonder welke de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid niet
geschiedt.
Hetwelk strijdt tegen de
gehele Schrift, die deze en diergelijke uitspraken in onze oren en
harten telkens inscherpt: De verkiezing is niet uit de werken, maar uit
den Roepende (Rom. 9:11). Er geloofden zovelen, als er geordineerd
waren tot het eeuwige leven (Hand. 13:48). Hij heeft ons uitverkoren in
Hem, opdat wij zouden heilig zijn (Ef. 1:4). Gij hebt Mij niet
uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16). Indien het door
genade is, zo is het niet meer uit de werken (Rom. 11:6). Hierin is de
liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft
gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft (1 Joh. 4:10).
1-6a. Die leren: Dat niet alle verkiezing ter zaligheid onveranderlijk
is; maar dat sommige uitverkorenen, niettegenstaande enig besluit Gods,
kunnen verloren gaan, en gaan ook eeuwiglijk verloren.
Met welke grove dwaling zij
God veranderlijk maken, en den troost der godzaligen, dien zij scheppen
uit de vastigheid van hun verkiezing, omstoten, en de Heilige Schrift
wederspreken, welke leert: Dat de uitverkorenen niet kunnen verleid
worden (Matth. 24:24); dat Christus degenen, die Hem van den Vader
gegeven zijn, niet verliest (Joh. 6:39); en dat God, die Hij te voren
verordineerd, geroepen en gerechtvaardigd heeft, dezen ook heeft
verheerlijkt (Rom. 8:30).
1-7a. Die leren: Dat er in dit leven geen vrucht en geen gevoel is van
de onveranderlijke verkiezing ter heerlijkheid; ook geen zekerheid, dan
die hangt aan een veranderlijke en onzekere voorwaarde.
Want behalve dat het
ongerijmd is te stellen een onzekere zekerheid, zo strijdt dit ook
tegen de bevinding der heiligen, die uit kracht van het gevoel van hun
verkiezing zich met den apostel verheugen, en deze weldaad Gods roemen
(Ef. 1); die volgens Christus' vermaning zich met de discipelen
verblijden, dat hun namen geschreven zijn in de hemelen (Luk. 10:20);
die ook het gevoel van hun verkiezing stellen tegen de vurige pijlen
van de aanvechtingen des duivels, vragende: Wie zal beschuldiging
inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom. 8:33).
1-8a. Die leren: Dat God van niemand louter uit kracht van Zijn
rechtvaardigen wil besloten heeft hem in den val van Adam en in den
gemenen stand der zonde en verdoemenis te laten, of in de mededeling
van de genade die tot het geloof en de bekering nodig is, voorbij te
gaan.
Want dit staat vast: Hij
ontfermt Zich, diens Hij wil, en verhardt, dien Hij wil (Rom. 9:18). En
ook dit: Het is u gegeven de verborgenheden van het Koninkrijk der
hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven (Matth. 13:11).
Insgelijks: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij
deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt
dezelve den kinderkens geopenbaard. Ja, Vader, want alzo is geweest het
welbehagen voor U (Matth. 11:25-26).
1-9a. Die leren: Dat de oorzaak, waarom God tot het ene volk meer dan
tot het andere het Evangelie zendt, niet is louter en eniglijk het
welbehagen Gods, maar omdat het ene volk beter en waardiger is dan het
andere, aan hetwelk het Evangelie niet wordt medegedeeld.
Want dit ontkent Mozes, het
Israëlietische volk aldus aansprekende: Zie, des HEEREN uws Gods
is de hemel en de hemel der hemelen, de aarde, en al wat daarin is.
Alleenlijk heeft de HEERE lust gehad aan uw vaderen om die lief te
hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit al de volken verkoren,
gelijk het te dezen dage is (Deut. 10:14, 15), En Christus: Wee u,
Chorazin, wee u Bethsaïda! Want zo in Tyrus en Sidon de krachten
waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak
en as bekeerd hebben (Matth. 11:21).
HOOFDSTUK 2 --- Van den dood van Christus, en de verlossing der mensen door dezen.
2-1. God is niet alleen ten
hoogste barmhartig, maar ook ten hoogste rechtvaardig. En Zijn
gerechtigheid (gelijk Hij Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft) vereist
dat onze zonden, tegen Zijn oneindige Majesteit begaan, niet alleen met
tijdelijke, maar ook met eeuwige straffen, beide naar ziel en lichaam,
gestraft worden; welke straffen wij niet kunnen ontgaan, tenzij aan de
gerechtigheid Gods genoeg geschiede.
2-2. Maar alzo wij zelven niet kunnen genoegdoen, en ons van den toorn
Gods bevrijden, zo heeft God uit oneindige barmhartigheid Zijn
eniggeboren Zoon ons tot een Borg gegeven, Die, opdat Hij voor ons zou
genoegdoen, voor ons of in onze plaats zonde en vervloeking aan het
kruis geworden is.
2-3. Deze dood van den Zone Gods is de enige en volmaakte offerande en
genoegdoening voor de zonden; van oneindige kracht en waardigheid,
overvloediglijk genoegzaam tot verzoening van de zonden der ganse
wereld.
2-4. En deze dood is daarom van zo grote kracht en waardigheid, omdat
de Persoon, Die dien geleden heeft, niet alleen een waarachtig en
volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zone Gods, van
éénzelfde eeuwig en oneindig wezen met den Vader en den
Heiligen Geest, zodanig als onze Zaligmaker wezen moest. Daarenboven,
omdat Zijn dood is vergezelschapt geweest met het gevoel van den toorn
Gods en van den vloek, dien wij door onze zonden verdiend hadden.
2-5. Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den
gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven
hebbe; welke belofte aan alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn
welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en
voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.
2-6. Doch dat velen, door het Evangelie geroepen zijnde, zich niet
bekeren, noch in Christus geloven, maar in ongeloof vergaan, zulks
geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid van de offerande van
Christus, aan het kruis geofferd, maar door hun eigen schuld.
2-7. Maar zovelen als waarachtiglijk geloven, en door den dood van
Christus van de zonden en het verderf verlost en behouden worden, die
genieten deze weldaad alleen uit Gods genade, hun van eeuwigheid in
Christus gegeven, welke genade Hij niemand schuldig is.
2-8. Want dit is geweest de gans vrije raad, de genadige wil en het
voornemen van God den Vader, dat de levendmakende en zaligmakende
kracht van den dierbaren dood Zijns Zoons zich uitstrekken zou tot alle
uitverkorenen, om die alleen met het rechtvaardigmakend geloof te
begiftigen, en door ditzelve onfeilbaar tot de zaligheid te brengen;
dat is: God heeft gewild, dat Christus door het bloed Zijns kruises
(waarmede Hij het nieuwe verbond bevestigd heeft), uit alle volken,
stammen, geslachten en tongen, diegenen allen, en die alleen,
krachtiglijk zou verlossen, die van eeuwigheid tot de zaligheid
verkoren, en van den Vader Hem gegeven zijn; hen zou begiftigen met het
geloof, hetwelk Hij hun, gelijk ook andere zaligmakende gaven des
Heiligen Geestes, door Zijn dood heeft verworven; en hen van al hun
zonden, zowel de aangeborene als de werkelijke, zowel na als
vóór het geloof begaan, door Zijn bloed zou reinigen, tot
het einde toe getrouwelijk bewaren, en ten laatste zonder enige vlek en
rimpel heerlijk voor Zich stellen.
2-9. Deze raad, voortkomende uit de eeuwige liefde Gods tot de
uitverkorenen, is van den aanbeginne der wereld tot op dezen
tegenwoordigen tijd, de poorten der hel zich tevergeefs daartegen
stellende, krachtiglijk vervuld geweest, en zal ook voortaan vervuld
worden, alzo dat de uitverkorenen te zijner tijd tot één
vergaderd zullen worden, en dat er altijd zal zijn een Kerk der
gelovigen, gefundeerd in het bloed van Christus, dewelke Hem, haar
Zaligmaker, Die voor haar, als een bruidegom voor zijn bruid, aan het
kruis Zijn leven overgegeven heeft, standvastiglijk beminne,
geduriglijk diene, en hier en in alle eeuwigheid prijze.
Verwerping der dwalingen.
De rechte leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
2-1a. Die leren; Dat God de
Vader Zijn Zoon tot den dood des kruises verordineerd heeft, zonder
zekeren en bepaalden raad van iemand zekerlijk zalig te maken; alzo dat
de noodzakelijkheid, nuttigheid en waardigheid van de verwerving van
den dood van Christus wel zouden hebben kunnen bestaan, en in alle
delen volmaakt, volkomen en in haar geheel blijven, zelfs al ware het
dat de verworven verlossing niet één enig mens immermeer
metterdaad ware toegeëigend geweest.
Want deze leer strekt tot
versmading van de wijsheid des Vaders en van de verdienste van Jezus
Christus, en strijdt tegen de Schrift. Want zo zegt onze Zaligmaker: Ik
stel Mijn leven voor de schapen, en ik ken dezelve (Joh. 10:15,27). En
de profeet Jesaja van den Zaligmaker: Als Zijn ziel Zich tot een
schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen
verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk
voortgaan (Jes. 53:10). Eindelijk, zij stoot om het artikel des
geloofs, waarmede wij geloven: de algemene Christelijke Kerk.
2-2a. Die leren: Dat dit doel van den dood van Christus niet geweest
is, dat Hij metterdaad het nieuwe verbond der genade door Zijn bloed
zou bevestigen; maar alleen dat Hij den Vader een bloot recht zou
verwerven, om met de mensen wederom zodanig verbond als het Hem
believen zou, hetzij der genade of der werken, te kunnen oprichten.
Want zulks strijdt tegen de
Schrift, dewelke leert dat Christus geworden is Borg en Middelaar van
een beter, dat is van het nieuwe verbond (Hebr. 7:22), en dat een
testament in de doden eerst vast is (Hebr. 9:15, 17).
2-3a. Die leren: Dat Christus door Zijn genoegdoening voor niemand
zekerlijk de zaligheid zelve, en het geloof, waardoor deze
genoegdoening van Christus tot zaligheid krachtiglijk toegeëigend
wordt, verdiend heeft; maar alleen voor den Vader verworven heeft de
macht of den volkomen wil, om opnieuw met de mensen te handelen, en
nieuwe voorwaarden, zulke als Hij zou willen, voor te schrijven, van
dewelke de volbrenging aan den vrijen wil des mensen hangen zou; en dat
het derhalve had kunnen geschieden, dat óf niemand, óf
alle mensen die zouden vervullen.
Want dezen gevoelen al te
verachtelijk van den dood van Christus, erkennen geenszins de
voornaamste vrucht of weldaad door dezen verkregen, en brengen wederom
uit de hel te voorschijn de Pelagiaanse doling.
2-4a. Die leren: Dat het nieuwe verbond der genade, dat God de Vader,
door tussenkomen van den dood van Christus, met de mensen gemaakt
heeft, niet daarin bestaat, dat wij door het geloof, voor zoveel het de
verdienste van Christus aanneemt, voor God gerechtvaardigd en zalig
gemaakt worden; maar daarin, dat God, afgeschaft hebbende het afeisen
van de volmaakte gehoorzaamheid der wet, het geloof zelf en de
gehoorzaamheid des geloofs, alhoewel onvolmaakt, voor de volmaakte
gehoorzaamheid der wet rekent, en der beloning des eeuwigen levens uit
genade waardig acht.
Want dezen wederspreken de
Schrift: Zij worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de
verlossing die in Christus Jezus is; Welken God voorgesteld heeft tot
een Verzoening door het geloof in Zijn bloed (Rom. 3:24, 25); en
brengen met den goddelozen Socinus voort een nieuwe en vreemde
rechtvaardigmaking des mensen voor God, tegen de eendrachtige
overeenstemming van de ganse Kerk.
2-5a. Die leren: Dat alle mensen in den staat der verzoening en de
genade des verbonds zijn aangenomen, alzo dat niemand om de erfzonde
der verdoemenis schuldig is of verdoemd zal worden, maar alle mensen
van de schuld dezer zonde vrij zijn.
Want dit gevoelen strijdt tegen de Schrift welke zegt dat wij van nature kinderen des toorns zijn (Ef. 2:3).
2-6a. Die het onderscheid tussen verwerving en toeëigening daartoe
gebruiken, opdat zij den onvoorzichtigen en onervarenen dit gevoelen
zouden kunnen inplanten, dat God, zoveel Hem aangaat, aan alle mensen
die weldaden, die door den dood van Christus verkregen worden,
gelijkelijk heeft willen mededelen; maar dat sommigen de vergeving der
zonden en het eeuwige leven deelachtig worden, anderen niet, dat zulk
onderscheid hangt aan hun vrijen wil, dewelke zichzelven voegt bij de
genade, die zonder onderscheid aangeboden wordt, en dat het niet hangt
aan die bijzondere gave der barmhartigheid, die krachtiglijk in hen
werkt, opdat zij zichzelven die genade boven anderen zouden
toeëigenen.
Want dezen, zich houdende
alsof zij dit onderscheid in een gezonde mening voorstelden, trachten
den volke het verderfelijk venijn van de Pelagiaanse dwalingen in te
geven.
2-7a. Die leren: Dat Christus voor diegenen, die God ten hoogste
liefheeft en ten eeuwigen leven heeft verkoren, niet heeft kunnen noch
moeten sterven, en ook niet gestorven is, naardien dezulken den dood
van Christus niet van node hebben.
Want zij wederspreken den
apostel, die zegt: Christus heeft mij liefgehad en heeft Zichzelven
voor mij overgegeven (Gal. 2:20). Insgelijks: Wie zal beschuldiging
inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig
maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is
(Rom. 8:33, 34), namelijk, voor hen; en den Zaligmaker, Die zegt: Ik
stel Mijn leven voor de schapen (Joh. 10:15); en: Dit is Mijn gebod,
dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Niemand
heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zet voor zijn
vrienden (Joh. 15:12, 13).
HOOFDSTUK 3 EN 4 --- Van des mensen verdorvenheid en bekering tot God, en de manier van deze.
3/4-1. De mens is van den
beginne naar het beeld Gods geschapen, versierd in zijn verstand met
ware en zalige kennis van zijn Schepper en van andere geestelijke
dingen; in zijn wil en hart met gerechtigheid; in al zijn genegenheden
met zuiverheid; en is overzulks geheel heilig geweest. Maar door het
ingeven des duivels, en zijn vrijen wil van God afwijkende, heeft hij
zichzelven van deze uitnemende gaven beroofd, en heeft daarentegen in
de plaats van die over zich gehaald blindheid, schrikkelijke
duisternis, ijdelheid en verkeerdheid des oordeels in zijn verstand;
boosheid, wederspannigheid en hardigheid in zijn wil en hart;
mitsgaders ook onzuiverheid in al zijn genegenheden.
3/4-2. Zodanig als nu de mens geweest is na den val, zodanige kinderen
heeft hij ook voortgebracht, namelijk hij, verdorven zijnde,
verdorvene; alzo dat de verdorvenheid, naar Gods rechtvaardig oordeel,
van Adam op al zijn nakomelingen (uitgenomen alleen Christus) gekomen
is, niet door navolging, gelijk eertijds de Pelagianen gedreven hebben,
maar door voortplanting der verdorven natuur.
3/4-3. Overzulks zo worden alle mensen in zonde ontvangen, en als
kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed,
geneigd tot kwaad, dood in zonden en slaven der zonde. En willen en
kunnen tot God niet wederkeren, noch hun verdorven natuur verbeteren,
noch zichzelven tot de verbetering daarvan schikken, zonder de genade
des wederbarenden Heiligen Geestes.
3/4-4. Wel is waar dat na den val in den mens enig licht der natuur nog
overgebleven is, waardoor hij behoudt enige kennis van God, van de
natuurlijke dingen, van het onderscheid tussen hetgeen betamelijk en
onbetamelijk is, en ook betoont enige betrachting tot de deugd en tot
uiterlijke tucht. Maar zo ver is het vandaar, dat de mens door dit
licht der natuur zou kunnen komen tot de zaligmakende kennis Gods, en
zich tot Hem bekeren, dat hij ook in natuurlijke en burgerlijke zaken
dit licht niet recht gebruikt; ja veel meer het, hoedanig het ook zij,
op onderscheiden wijze geheel bezoedelt en in ongerechtigheid ten onder
houdt; en dewijl hij dit doet, zo wordt hem alle verontschuldiging voor
God benomen.
3/4-5. Gelijk het met het licht der natuur toegaat, zo gaat het ook in
dezen toe met de wet der tien geboden, van God door Mozes den Joden in
het bijzonder gegeven. Want nademaal deze de grootheid der zonde wel
ontdekt en den mens meer en meer van zijn schuld overtuigt, doch het
herstellingsmiddel daartegen niet aanwijst, noch enige krachten
toebrengt om uit deze ellendigheid te kunnen geraken, en omdat zij
alzo, door het vlees krachteloos geworden zijnde, den overtreder onder
den vloek blijven laat, zo kan de mens daardoor de zaligmakende genade
niet verkrijgen.
3/4-6. Hetgeen dan noch het licht der natuur noch de wet doen kan, dat
doet God door de kracht des Heiligen Geestes, en door het woord of de
bediening der verzoening, welke is het Evangelie van den Messias,
waardoor het God behaagd heeft de gelovige mensen, zowel in het Oude
als in het Nieuwe Testament, zalig te maken.
3/4-7. Deze verborgenheid van Zijn wil heeft God in het Oude Testament
aan weinigen ontdekt, doch in het Nieuwe Testament (het onderscheid der
volken nu weggenomen zijnde) heeft Hij haar aan meer mensen
geopenbaard. Van welke onderscheiden uitdeling de oorzaak niet moet
gesteld worden in de waardigheid van het ene volk boven het andere, of
in het beter gebruik van het licht der natuur, maar in het gans vrije
welbehagen en de onverdiende liefde Gods; waarom ook diegenen, wien
buiten, ja tegen alle verdiensten zo groot een genade geschiedt, haar
met een nederig en dankbaar hart moeten erkennen, maar in de anderen,
wien deze genade niet geschiedt, moeten zij met den apostel de
gestrengheid en rechtvaardigheid van Gods oordelen aanbidden en die
geenszins curieuslijk onderzoeken.
3/4-8. Doch zovelen als er door het Evangelie geroepen worden, die
worden ernstiglijk geroepen. Want God betoont ernstiglijk en
waarachtiglijk in Zijn Woord wat Hem aangenaam is, namelijk dat de
geroepenen tot Hem komen. Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem
komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.
3/4-9. Dat er velen, door de bediening des Evangelies geroepen zijnde,
niet komen en niet bekeerd worden, daarvan is de schuld niet in het
Evangelie, noch in Christus, door het Evangelie aangeboden zijnde, noch
in God, Die door het Evangelie roept, en Zelf ook dien Hij roept
onderscheiden gaven mededeelt; maar in degenen, die geroepen worden;
van dewelken sommigen, zorgeloos zijnde, het woord des levens niet
aannemen; anderen nemen het wel aan, maar niet in het binnenste huns
harten, en daarom is het, dat zij, na een kortstondige blijdschap van
het tijdgeloof, wederom terugwijken; anderen verstikken het zaad des
Woords door de doornen der zorgvuldigheden en wellusten der wereld, en
brengen geen vruchten voort; hetwelk onze Zaligmaker leert in de
gelijkenis van het zaad (Matth. 13).
3/4-10. Maar dat anderen, door de bediening des Evangelies geroepen
zijnde, komen en bekeerd worden, dat moet men den mens niet
toeschrijven, alsof hij zichzelven door zijn vrijen wil zou
onderscheiden van anderen, die met even grote of genoegzame genade tot
het geloof en de bekering voorzien zijn (hetwelk de hovaardige ketterij
van Pelagius stelt); maar men moet het Gode toeschrijven, Die, gelijk
Hij de Zijnen van eeuwigheid uitverkoren heeft in Christus, alzo ook
dezelfden in den tijd krachtiglijk roept, met het geloof en de bekering
begiftigt, en uit de macht der duisternis verlost zijnde, tot het Rijks
Zijns Zoons overbrengt, opdat zij zouden verkondigen de deugden
Desgenen, Die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar
licht, en opdat zij niet in zichzelven, maar in den Heere zouden
roemen, gelijk de apostolische schriften telkens getuigen.
3/4-11. Voorts, wanneer God dit Zijn welbehagen in de uitverkorenen
uitvoert, en de ware bekering in hen werkt, zo is het dat Hij niet
alleen het Evangelie hun uiterlijk doet prediken, en hun verstand
krachtiglijk door den Heiligen Geest verlicht, opdat zij recht zouden
verstaan en onderscheiden die dingen, die des Geestes Gods zijn; maar
Hij dringt ook in tot de binnenste delen des mensen met de krachtige
werking van denzelfden wederbarenden Geest; Hij opent het hart, dat
gesloten is; Hij vermurwt dat hard is; Hij besnijdt dat onbesneden is.
In den wil stort Hij nieuwe hoedanigheden en maakt dat die wil, die
dood was, levend wordt; die boos was, goed wordt; die niet wilde, nu
metterdaad wil; die wederspannig was, gehoorzaam wordt; Hij beweegt en
sterkt dien wil alzo, dat hij als een goede boom vruchten van goede
werken kan voortbrengen.
3/4-12. En dit is die wedergeboorte, die vernieuwing, nieuwe schepping,
opwekking van de doden en levendmaking, waarvan zo heerlijk in de
Schrift gesproken wordt, dewelke God zonder ons in ons werkt. En deze
wordt in ons niet teweeggebracht door middel van de uiterlijke
prediking alleen, noch door aanrading, of zulke manier van werking,
dat, wanneer nu God Zijn werk volbracht heeft, het alsdan nog in de
macht des mensen zou staan wedergeboren te worden of niet wedergeboren
te worden, bekeerd te worden of niet bekeerd te worden. Maar het is een
gans bovennatuurlijke, een zeer krachtige, en tegelijk zeer zoete,
wonderlijke, verborgen, en onuitsprekelijke werking, dewelke, naar het
getuigenis der Schrift (die van den Auteur van deze werking is
ingegeven), in haar kracht niet minder noch geringer is dan de
schepping of de opwekking der doden; alzo dat al diegenen, in wier
harten God op deze wonderbaarlijke wijze werkt, zekerlijk, onfeilbaar
en krachtiglijk wedergeboren worden en daadwerkelijk geloven. En alsdan
wordt de wil, zijnde nu vernieuwd, niet alleen van God gedreven en
bewogen, maar, van God bewogen zijnde, werkt hij ook zelf. Waarom ook
terecht gezegd wordt dat de mens, door de genade die hij ontvangen
heeft, gelooft en zich bekeert.
3/4-13. De wijze van deze werking kunnen de gelovigen in dit leven niet
volkomenlijk begrijpen; ondertussen stellen zij zich daarin gerust, dat
zij weten en gevoelen, dat zij door deze genade Gods met het hart
geloven, en hun Zaligmaker liefhebben.
3/4-14. Zo is dan het geloof een gave Gods; niet omdat het aan den
vrijen wil des mensen van God wordt aangeboden, maar omdat het den mens
metterdaad wordt medegedeeld, ingegeven en ingestort; ook niet daarom,
dat God alleen de macht om te geloven zou geven, en daarna de
toestemming of het daadwerkelijk geloven van den vrijen wil des mensen
verwachten; maar omdat Hij, Die daar werkt het willen en het werken, ja
alles werkt in allen, in den mens teweegbrengt beide, den wil om te
geloven en het geloof zelf.
3/4-15. Deze genade is God aan niemand schuldig; want wat zou Hij
schuldig zijn dengenen, die Hem niets eerst geven kan, opdat het hem
vergolden worde? Ja, wat zou God dien schuldig zijn, die van zichzelven
niet anders heeft dan zonde en leugen? Diegene dan, die deze genade
ontvangt, die is Gode alleen daarvoor eeuwige dankbaarheid schuldig, en
dankt Hem ook daarvoor; diegene, die deze genade niet ontvangt, die
acht ook deze geestelijke dingen gans niet en behaagt zichzelven in het
zijne; of, zorgeloos zijnde, roemt hij ijdellijk dat hij heeft hetgeen
hij niet heeft. Voorts, van diegenen die hun geloof uiterlijk belijden
en hun leven beteren, moet men naar het voorbeeld der apostelen het
beste oordelen en spreken; want het binnenste des harten is ons
onbekend. En wat aangaat anderen, die nog niet geroepen zijn, voor
dezulken moet men God bidden, Die de dingen die niet zijn, roept alsof
zij waren; en wij moeten ons geenszins tegenover hen verhovaardigen,
alsof wij onszelven uitgezonderd hadden.
3/4-16. Doch gelijk de mens door den val niet heeft opgehouden een mens
te zijn, begiftigd met verstand en wil, en gelijk de zonde, die het
ganse menselijk geslacht heeft doordrongen, de natuur des mensen niet
heeft weggenomen, maar verdorven en geestelijker wijze gedood; alzo
werkt ook deze Goddelijke genade der wedergeboorte in de mensen niet
als in stokken en blokken, en vernietigt den wil en zijn eigenschappen
niet, en dwingt dien niet met geweld zijns ondanks, maar maakt hem
geestelijk levend, heelt hem, verbetert hem, en buigt hem tegelijk
lieflijk en krachtiglijk; alzo dat, waar de wederspannigheid en
tegenstand des vleses tevoren ten enenmale de overhand had, daar nu een
gewillige en oprechte gehoorzaamheid des Geestes de overhand begint te
krijgen; waarin de waarachtige en geestelijke wederoprichting en
vrijheid van onzen wil gelegen is. En tenware dat die wonderbaarlijke
Werkmeester alles goeds in dezer voege met ons handelde, de mens zou
ganselijk geen hoop hebben van uit den val te kunnen opstaan door zijn
vrijen wil, waardoor hij zichzelven toen hij nog stond, in het verderf
heeft gestort.
3/4-17. Gelijk ook die almachtige werking Gods, waardoor Hij dit ons
natuurlijk leven voortbrengt en onderhoudt, niet uitsluit, maar vereist
het gebruik der middelen, door welke God naar Zijn oneindige wijsheid
en goedheid deze Zijn kracht heeft willen uitoefenen; alzo is het ook
dat de voormelde bovennatuurlijke werking Gods, waardoor Hij ons
wederbaart, geenszins uitsluit noch omstoot het gebruik des Evangelies,
hetwelk de wijze God tot een zaad der wedergeboorte en spijze der ziel
verordineerd heeft. Daarom dan, gelijk de apostelen en de leraars die
hen zijn gevolgd, van deze genade Gods het volk godzaliglijk hebben
onderricht, Hem ter eer, en tot nederdrukking van allen hoogmoed des
mensen, en ondertussen nochtans niet hebben nagelaten, hen door heilige
vermaningen des Evangelies te houden onder de oefening des Woords, der
Sacramenten en kerkelijke tucht; alzo moet het ook nu verre vandaar
zijn, dat diegenen, die anderen in de gemeente leren, of die geleerd
worden, zich zouden vermeten God te verzoeken door het scheiden dier
dingen, die God naar Zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd
zouden blijven. Want door de vermaningen wordt de genade medegedeeld;
en hoe vaardiger wij ons ambt doen, des te heerlijker vertoont zich ook
de weldaad Gods, Die in ons werkt, en Zijn werk gaat dan allerbest
voort. Welken God alleen toekomt, zo vanwege de middelen, als vanwege
de zaligmakende vrucht en kracht daarvan, alle heerlijkheid in der
eeuwigheid. Amen.
Verwerping der dwalingen.
De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
3/4-1a. Die leren: Dat men
eigenlijk niet zeggen kan dat de erfzonde in zichzelve genoegzaam is om
het ganse menselijke geslacht te verdoemen, of om tijdelijke en eeuwige
straffen te verdienen.
Want dezen wederspreken den
apostel, die daar zegt: Door één mens is de zonde in de
wereld ingekomen, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle
mensen doorgegaan, in welken allen gezondigd hebben (Rom. 5:12). En: De
schuld is uit één misdaad tot verdoemenis (Rom. 5:16).
En: De bezoldiging der zonde is de dood (Rom. 6:23).
3/4-2a. Die leren: Dat de geestelijke gaven, of de goede hoedanigheden
en deugden, als daar zijn: goedheid, heiligheid, rechtvaardigheid, in
den wil des mensen, toen hij eerst geschapen werd, niet konden zijn, en
dat zij dienvolgens in den val daarvan niet hebben kunnen gescheiden
worden.
Want zulks strijdt tegen de
beschrijving van het evenbeeld Gods, welke de apostel stelt Ef. 4:24;
alwaar hij getuigt dat het bestaat in rechtvaardigheid en heiligheid,
welke beide ongetwijfeld in den wil hun plaats hebben.
3/4-3a. Die leren: Dat in den geestelijken dood de geestelijke gaven
niet van des mensen wil zijn gescheiden, nademaal de wil in zichzelven
nooit is verdorven geweest, maar alleenlijk door de duisternis des
verstands en de ongeregeldheid der geneigdheden verhinderd; en dat,
deze verhinderingen weggenomen zijnde, alsdan de wil zijn vrije
aangeboren kracht zou in het werk kunnen stellen, dat is: allerlei
goed, hetwelk hem voorkomt, uit zichzelven zou kunnen willen en
verkiezen, of niet willen en niet verkiezen.
Dit is een nieuwigheid en
dwaling, en strekt daartoe dat zij de krachten van den vrijen wil
verheft, tegen de uitspraak van den profeet: Arglistig is het hart,
meer dan enig ding, ja dodelijk is het (Jer. 17:9); en van den apostel:
Onder dewelke (kinderen der ongehoorzaamheid) ook wij allen eertijds
verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des
vleses en der gedachten (Ef. 2:3).
3/4-4a. Die leren: Dat de onwedergeboren mens niet eigenlijk noch
geheellijk dood is in de zonde, of ontbloot van alle krachten tot het
geestelijk goed; maar dat hij nog kan hongeren en dorsten naar de
gerechtigheid en het leven, en offeren een offerande van een verslagen
en gebroken geest, die Gode aangenaam is.
Want deze dingen strijden
tegen de klare getuigenissen der Schrift: Gij waart dood door de
misdaden en de zonden (Ef. 2:1, 5); en: Het gedichtsel van des mensen
hart is alleenlijk boos, te allen dage (Gen. 6:5 en 8:21). Daarenboven,
hongeren en dorsten naar de verlossing uit de ellende, en naar het
leven, en Gode een offerande van een gebroken geest opofferen, geldt
eigenlijk van de wedergeborenen, en van degenen die zalig genaamd
worden (Ps. 51:19 en Matth. 5:6).
3/4-5a. Die leren: Dat de verdorven en natuurlijke mens de gemene
genade (waardoor zij verstaan het licht der natuur), of de gaven, hem
na den val nog overgelaten, zo wel gebruiken kan, dat hij door dat goed
gebruik een meerdere, namelijk de evangelische of zaligmakende genade
en de zaligheid zelve allengskens en bij trappen zou kunnen bekomen. En
dat in dezer voege God Zich van Zijn zijde betoont gereed te zijn om
Christus aan alle mensen te openbaren, naardien Hij de middelen die tot
de kennis van Christus, tot het geloof en tot de bekering nodig zijn,
genoegzaam en krachtiglijk aan allen toedient.
Want benevens de ervaring
van alle tijden betuigt ook de Schrift dat zulks onwaarachtig is: Hij
maakt Jakob Zijn woorden bekend, Israël Zijn inzettingen en Zijn
rechten. Alzo heeft Hij geen volk gedaan; en Zijn rechten, die kennen
zij niet (Ps. 147:19, 20). God heeft in de verleden tijden al de
heidenen laten wandelen in hun wegen (Hand. 14:16). En: Zij (te weten
Paulus met de zijnen) werden van den Heiligen Geest verhinderd het
Woord in Azië te spreken. En aan Mysië gekomen zijnde,
poogden zij naar Bithynië te reizen; en de Geest liet het hun niet
toe (Hand. 16:6, 7).
3/4-6a. Die leren: Dat in de ware bekering des mensen geen nieuwe
hoedanigheden, krachten of gaven in den wil door God kunnen ingestort
worden, en dat overzulks het geloof, waardoor wij eerst bekeerd worden,
en waarvan wij gelovigen genoemd worden, niet is een hoedanigheid of
gave, van God ingestort, maar alleen een daad des mensen, en dat het
niet anders kan gezegd worden een gave te zijn, dan ten aanzien van de
macht om daartoe te komen.
Want daarmede wederspreken
zij de Heilige Schrift, die getuigt dat God nieuwe hoedanigheden des
geloofs, der gehoorzaamheid, en van het gevoel Zijner liefde in onze
harten uitstort: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven, en zal die in
hun hart schrijven (Jer. 31:33). En: Ik zal water gieten op den
dorstige en stromen op het droge; Ik zal Mijn Geest op uw zaad gieten
(Jes. 44:3). En: De liefde Gods is in onze harten uitgestort door den
Heiligen Geest, Die ons is gegeven (Rom. 5:5). Zulks strijdt ook tegen
het gedurig gebruik der Kerke Gods, dewelke bij den profeet aldus bidt:
Bekeer mij, zo zal ik bekeerd zijn (Jer. 31:18).
3/4-7a. Die leren: Dat de genade, waardoor wij tot God bekeerd worden,
niet anders is dan een zachte aanrading; of (gelijk anderen dit
verklaren), dat dit de alleredelste manier van werking is in de
bekering des mensen, en die het best overeenkomt met de natuur des
mensen, welke door aanrading geschiedt; en dat er niets is, waarom deze
aanradende genade alleen niet zou genoegzaam zijn om den natuurlijken
mens geestelijk te maken; ja dat God niet anders de toestemming van den
wil voortbrengt, dan door deze wijze van aanrading; en dat de kracht
der Goddelijke werking, waardoor zij de werking des satans te boven
gaat, hierin bestaat, dat God eeuwige, maar de satan tijdelijke
goederen belooft.
Want dit is gans Pelagiaans
en strijdig tegen de gehele Heilige Schrift; dewelke, behalve deze, nog
een andere en veel krachtiger en Goddelijker manier van werking des
Heiligen Geestes in de bekering des mensen erkent; gelijk bij
Ezechiël: Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest
geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees
wegnemen, en zal u een vlesen hart geven (Ez. 36:26).
3/4-8a. Die leren: Dat God zulke krachten Zijner almogendheid in de
wedergeboorte des mensen niet gebruikt, waardoor Hij diens wil
krachtiglijk en onfeilbaar zou buigen tot geloof en bekering; maar dat,
al de werkingen der genade volbracht zijnde, dewelke God gebruikt om
den mens te bekeren, de mens nochtans Gode en den Heiligen Geest,
wanneer Hij zijn wedergeboorte voorheeft en hem wederbaren wil, alzo
kan wederstaan, en metterdaad ook dikwijls wederstaat, dat hij zijns
zelfs wedergeboorte ganselijk belet; en dat het overzulks in zijn eigen
macht blijft wedergeboren te worden of niet.
Want dit is anders niet dan
al de kracht van de genade Gods in onze bekering wegnemen, en de
werking des almachtigen Gods aan den wil des mensen onderwerpen; en dat
tegen de apostelen, die leren: Dat wij geloven naar de werking der
sterkte Zijner macht (Ef. 1:19). En: Dat God het welbehagen Zijner
goedheid, en het werk des geloofs, in ons vervult met kracht (2 Thess.
1:11). En: Dat Zijn Goddelijke kracht ons alles wat tot het leven en de
godzaligheid behoort, geschonken heeft (2 Petr. 1:3).
3/4-9a. Die leren: Dat de genade en de vrije wil gedeeltelijke oorzaken
zijn, die beide te zamen het begin van de bekering werken, en dat de
genade in orde van werking niet gaat vóór de werking van
den wil; dat is, dat God niet eer den wil des mensen krachtiglijk helpt
tot de bekering, dan wanneer de wil des mensen zichzelven beweegt en
daartoe bepaalt.
Want de Oude Kerk heeft
deze leer al overlang in de Pelagianen veroordeeld, uit de woorden van
den apostel: Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die
loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9:16). Insgelijks: Wie
onderscheidt u? En wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen? (1 Kor.
4:7). En: Het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken,
naar Zijn welbehagen (Filipp. 2:13).
HOOFDSTUK 5 --- Van de volharding der heiligen.
5-1. Die God naar Zijn
voornemen tot de gemeenschap van Zijn Zoon, onzen Heere Jezus Christus,
roept, en door den Heiligen Geest wederbaart, die verlost Hij wel van
de heerschappij en slavernij der zonde, doch Hij verlost hen in dit
leven niet ganselijk van het vlees en het lichaam der zonde.
5-2. Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid, en ook aan de
allerbeste werken der heiligen kleven gebreken. Hetwelk hun gestadige
oorzaak geeft om zich voor God te verootmoedigen, hun toevlucht tot den
gekruisigden Christus te nemen, het vlees hoe langer hoe meer door den
Geest des gebeds en heilige oefeningen der godvruchtigheid te doden, en
naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten, totdat zij van dit
lichaam des doods ontbonden zijnde, met het Lam Gods in de hemelen
zullen regeren.
5-3. Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonde, en ook
vanwege de aanvechtingen der wereld en des satans, zouden de bekeerden
in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo zij aan hun eigen
krachten overgelaten werden. Maar God is getrouw, Die hen in de genade,
hun eenmaal gegeven, barmhartiglijk bevestigt en ten einde toe
krachtiglijk bewaart.
5-4. En hoewel die macht Gods, waardoor Hij de ware gelovigen in de
genade bevestigt en bewaart, meerder is dan dat zij van het vlees zou
kunnen overwonnen worden, zo worden nochtans de bekeerden niet altijd
alzo van God geleid en bewogen, dat zij in sommige bijzondere daden
door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen
afwijken, en van de begeerlijkheden des vleses verleid worden en die
volgen. Daarom moeten zij gestadiglijk waken en bidden dat zij niet in
verzoekingen geleid worden. En zo zij dit niet doen, zo kunnen zij niet
alleen door het vlees, de wereld en den satan tot zware en ook
gruwelijke zonden vervoerd worden, maar worden zij ook inderdaad, door
Gods rechtvaardige toelating, daartoe somwijlen vervoerd; gelijk het
droevige vallen van David, Petrus, en andere heiligen, dat ons in de
Schrift beschreven is, bewijst.
5-5. Met zodanige grove zonden vertoornen zij God zeer, vervallen in
schuld des doods, bedroeven den Heiligen Geest, verbreken voor een tijd
de oefening des geloofs, verwonden zwaarlijk hun consciëntie, en
verliezen somwijlen voor een tijd het gevoel der genade; totdat hun,
wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op den weg wederkeren, het
Vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt.
5-6. Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het
onveranderlijk voornemen der verkiezing, den Heiligen Geest van de
Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen
zó ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en
van den staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ten
dode, of tegen den Heiligen Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde,
zichzelven in het eeuwig verderf storten.
5-7. Want eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit Zijn
onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet
verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere vernieuwt Hij hen zekerlijk
en krachtiglijk door Zijn Woord en Geest tot bekering; opdat zij over
de bedreven zonden van harte, en naar God, bedroefd zijn; vergeving in
het bloed des Middelaars, door het geloof, met een verbroken hart,
begeren, en verkrijgen; de genade van God, Die nu met hen verzoend is,
wederom gevoelen; Zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hun
zaligheid met vrezen en beven des te naarstiger werken.
5-8. Alzo verkrijgen zij dan dit, niet door hun verdiensten of
krachten, maar uit de genadige barmhartigheid Gods, dat zij noch
ganselijk van het geloof en de genade uitvallen, noch tot het einde toe
in den val blijven of verloren gaan. Hetwelk, zoveel hen aangaat, niet
alleen lichtelijk zou kunnen geschieden, maar ook ongetwijfeld
geschieden zou. Doch ten aanzien van God kan het ganselijk niet
geschieden; dewijl noch Zijn raad veranderd, noch Zijn belofte
gebroken, noch de roeping naar Zijn voornemen herroepen, noch de
verdienste, voorbidding en bewaring van Christus krachteloos gemaakt,
noch de verzegeling des Heiligen Geestes verijdeld of vernietigd kan
worden.
5-9. Van deze bewaring der uitverkorenen tot de zaligheid, en van de
volharding der ware gelovigen in het geloof, kunnen de gelovigen zelven
verzekerd zijn, en zij zijn het ook, naar de mate des geloofs, waarmede
zij zekerlijk geloven dat zij zijn en altijd blijven zullen ware en
levende leden der Kerk, dat zij hebben vergeving der zonden en het
eeuwige leven.
5-10. En dienvolgens spruit deze verzekerdheid niet uit enige
bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit
het geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig
tot onzen troost geopenbaard heeft; uit het getuigenis des Heiligen
Geestes, Die met onzen geest getuigt dat wij kinderen en erfgenamen
Gods zijn (Rom. 8:16, 17); eindelijk, uit de ernstige en heilige
oefening van een goede consciëntie en van goede werken. En zo de
uitverkorenen Gods dezen vasten troost in deze wereld niet hadden, dat
zij de overwinning behouden zullen, mitsgaders dit onbedrieglijk pand
der eeuwige heerlijkheid, zo zouden zij de ellendigste van alle mensen
zijn.
5-11. Ondertussen getuigt de Schrift dat de gelovigen in dit leven
tegen onderscheiden twijfelingen des vleses strijden, en in zware
aanvechting gesteld zijnde, dit volle betrouwen des geloofs en deze
zekerheid der volharding niet altijd gevoelen. Maar God, de Vader aller
vertroosting, laat hen boven hetgeen zij vermogen niet verzocht worden,
maar geeft met de verzoeking ook de uitkomst (1 Kor. 10:13); en wekt in
hen de verzekerdheid der volharding door den Heiligen Geest wederom op.
5-12. Doch zo ver is het vandaar, dat deze verzekerdheid der volharding
de ware gelovigen hovaardig en vleselijk-zorgeloos zou maken, dat zij
daarentegen een ware wortel is van nederigheid, kinderlijke vreze, ware
godzaligheid, lijdzaamheid in allen strijd, vurige gebeden,
standvastigheid in het kruis en in de belijdenis der waarheid,
mitsgaders van vaste blijdschap in God; en dat de overdenking van die
weldaad hun een prikkel is tot ernstige en gedurige beoefening van
dankbaarheid en goede werken; gelijk uit de getuigenissen der Schrift
en de voorbeelden der heiligen blijkt.
5-13. Wanneer ook het vertrouwen der volharding wederom levend wordt in
degenen die van den val weder opgericht worden, zo brengt dat in hen
niet voort enige dartelheid of veronachtzaming der godzaligheid, maar
een veel grotere zorg, om de wegen des Heeren vlijtiglijk waar te
nemen, die van tevoren bereid zijn, opdat zij, daarin wandelende, de
verzekerdheid van hun volharding zouden mogen behouden, en opdat het
aanschijn des verzoenden Gods (waarvan de aanschouwing den
godvruchtigen zoeter is dan het leven, en waarvan de verberging
bitterder is dan de dood), om het misbruik van Zijn Vaderlijke
goedertierenheid niet wederom van hen afgekeerd worde, en zij alzo in
zwaarder kwellingen des gemoeds vervallen.
5-14. Gelijk het God nu beliefd heeft dit Zijn werk der genade door de
prediking des Evangelies in ons te beginnen, alzo bewaart, achtervolgt
en volbrengt Hij het door het horen, lezen en overleggen daarvan,
mitsgaders door vermaningen, bedreigingen, beloften en het gebruik der
Heilige Sacramenten.
5-15. Deze leer van de volharding der ware gelovigen en heiligen,
mitsgaders van de verzekerdheid dezer volharding, welke God, tot Zijns
Naams eer en tot troost der godvruchtige zielen, in Zijn Woord zeer
overvloediglijk geopenbaard heeft, en in de harten der gelovigen
indrukt, wordt wel van het vlees niet begrepen, en wordt van den satan
gehaat, van de wereld bespot, van de onervarenen en hypocrieten
misbruikt, en van de dwaalgeesten bestreden; maar de bruid van Christus
heeft haar altijd, als een schat van onwaardeerbaren prijs, zeer
tederlijk bemind, en standvastiglijk verdedigd. En dat zij dit ook
voortaan doe, zal God bezorgen; tegen Denwelken geen raad geldt, noch
enig geweld iets vermag. Welken enigen God, Vader, Zoon en Heiligen
Geest, zij eer en heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.
Verwerping der dwalingen.
De rechtzinnige leer verklaard zijnde, verwerpt de Synode de dwalingen dergenen,
5-1a. Die leren: Dat de
volharding der ware gelovigen niet is een vrucht der verkiezing, of een
gave Gods, door den dood van Christus verworven; maar een voorwaarde
des nieuwen verbonds, die de mens vóór zijn beslissende
(gelijk zij spreken) verkiezing en rechtvaardigmaking door zijn vrijen
wil moet volbrengen.
Want de Heilige Schrift
getuigt dat zij uit de verkiezing volgt, en door de kracht des doods,
der verrijzenis en der voorbidding van Christus den uitverkorenen
gegeven wordt: De uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen
zijn verhard geworden (Rom. 11:7). Insgelijks: Die ook Zijn eigen Zoon
niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal
Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken? Wie zal beschuldiging
inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig
maakt. Wie is het, die verdoemt? Christus is het, Die gestorven is; ja,
wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die
ook voor ons bidt. Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus?
(Rom. 8:32-35).
5-2a. Die leren: Dat God den gelovigen mens wel voorziet met genoegzame
krachten om te volharden, en bereid is die in hem te bewaren, zo hij
zijn ambt* (=plicht) doet; doch al is het nu ook dat alle dingen, die
nodig zijn om in het geloof te volharden, en die God gebruiken wil om
het geloof te bewaren, in het werk gesteld zijn, dat het dan nog altijd
hangt aan het believen van den wil dat deze volharde of niet volharde.
Want dit gevoelen bevat in
zich een openbaar Pelagianisme; en terwijl het de mensen wil vrij
maken, zo maakt het hen rovers van Gods eer; tegen de voortdurende
overeenstemming der evangelische leer, die den mens alle stof van
roemen beneemt, en den lof dezer weldaad aan de genade Gods alleen
toeschrijft; en tegen de apostel, die getuigt: Dat het God is, Die ons
ook zal bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in den
dag van onzen Heere Jezus Christus (1 Kor. 1:8).
5-3a. Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen niet alleen
van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks, van de genade en
zaligheid ganselijk en tot het einde toe kunnen uitvallen, maar ook
dikwijls metterdaad daarvan uitvallen en in der eeuwigheid verloren
gaan.
Want deze mening maakt de
genade, rechtvaardigmaking, wedergeboorte, en voortdurende bewaring van
Christus krachteloos, tegen de uitgedrukte woorden van den apostel
Paulus: Dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren.
Veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen wij
door Hem behouden worden van den toorn (Rom. 5:8, 9). En tegen den
apostel Johannes: Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de
zonde niet; want Zijn zaad blijft in hem; en hij kan niet zondigen,
want hij is uit God geboren (1 Joh. 3:9). En ook tegen de woorden van
Jezus Christus: Ik geef Mijn schapen het eeuwige leven; en zij zullen
niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn
hand rukken. Mijn Vader, Die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan
allen, en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders (Joh. 10:28,
29).
5-4a. Die leren: Dat de ware gelovigen en wedergeborenen kunnen zondigen de zonde tot den dood, of tegen den Heiligen Geest.
Dewijl dezelfde apostel
Johannes, nadat hij in het vijfde hoofdstuk van zijn eersten Zendbrief,
vers 16 en 17, van degenen, die tot den dood zondigen, gesproken had,
en verboden had voor hen te bidden, terstond in het 18e vers daarbij
voegt: Wij weten dat een iegelijk die uit God geboren is; niet zondigt
(versta: met zulke zonde); maar die uit God geboren is, bewaart
zichzelven, en de boze vat hem niet (1 Joh. 5:18).
5-5a. Die leren: Dat men geen zekerheid van de toekomende volharding in dit leven kan hebben zonder bijzondere openbaring.
Want door deze leer wordt
de vaste troost der ware gelovigen in dit leven weggenomen, en de
twijfeling der pausgezinden in de Kerk weder ingevoerd; terwijl de
Heilige Schrift deze zekerheid telkens afleidt, niet uit een bijzondere
en buitengewone openbaring, maar uit de eigen merktekenen der kinderen
Gods, en uit de zeer standvastige beloften Gods. Inzonderheid de
apostel Paulus: Geen schepsel zal ons kunnen scheiden van de liefde
Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere (Rom. 8:39). En Johannes:
Die Zijn geboden bewaart, blijft in Hem, en Hij in denzelven. En
hieraan kennen wij dat Hij in ons blijft, namelijk uit den Geest, Dien
Hij ons gegeven heeft (1 Joh. 3:24).
5-6a.Die leren: Dat de leer van de verzekerdheid der volharding en der
zaligheid uit haar eigen aard en natuur een oorkussen des vleses is, en
voor de godvruchtigheid, goede zeden, gebeden en andere heilige
oefeningen schadelijk; maar dat het daarentegen prijselijk is daaraan
te twijfelen.
Want dezen betonen dat zij
de kracht der Goddelijke genade en de werking des inwonenden Heiligen
Geestes niet kennen. En zij wederspreken den apostel Johannes, die het
tegendeel met uitgedrukte woorden leert in zijn eersten Zendbrief:
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard
wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn,
wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En
een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk
Hij rein is. (1 Joh. 3:2, 3). Daarenboven worden dezen wederlegd door
de voorbeelden van de heiligen, zo des Ouden als des Nieuwen
Testaments, dewelke, alhoewel zij van hun volharding en zaligheid zeker
waren, nochtans in de gebeden en andere oefeningen der godzaligheid
volhardende zijn geweest.
5-7a. Die leren: Dat het geloof dergenen, die maar voor een tijd
geloven, van het rechtvaardigmakend en zaligmakend geloof niet
verschilt, dan alleen in de duurzaamheid.
Want Christus Zelf, Matth.
13:20 en Luk. 8:13 en vervolgens, stelt klaarblijkelijk daarbenevens
nog drieërlei onderscheid tussen degenen, die maar voor een tijd
geloven, en de ware gelovigen, als Hij zegt dat genen het zaad
ontvangen in een steenachtige aarde, maar dezen in een goede aarde of
goed hart; dat genen zonder wortel zijn, maar dezen een vasten wortel
hebben; dat genen zonder vruchten zijn, maar dezen hun vrucht, in
onderscheiden mate, met standvastigheid of volstandigheid voortbrengen.
5-8a. Die leren: Dat het niet ongerijmd is dat de mens, zijn eerste
wedergeboorte verloren hebbende, wederom opnieuw, ja menigmaal
wedergeboren worde.
Want dezen loochenen door
deze leer de onverderfelijkheid van het zaad Gods, waardoor wij
wedergeboren worden. Tegen het getuigenis van den apostel Petrus: Gij,
die wedergeboren zijt, niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk
zaad (1 Petr. 1:23).
5-9a. Die leren: Dat Christus nergens gebeden heeft dat de gelovigen in het geloof onfeilbaarlijk zouden volharden.
Want zij wederspreken
Christus Zelven, Dewelke zegt: Ik heb voor u gebeden, Petrus, dat uw
geloof niet ophoude (Luk. 22:32). En den evangelist Johannes, dewelke
getuigt dat Christus niet alleen voor de apostelen, maar ook voor al
degenen, die door hun woord geloven zouden, gebeden heeft: Heilige
Vader, bewaar ze in Uw Naam; en: Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld
wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze (Joh. 17:11, 15, 20).
BESLUIT
En dit is de naakte,
eenvoudige en oprechte verklaring van de rechtzinnige leer der vijf
artikelen, die in Nederland in verschil zijn, en meteen de verwerping
der dolingen, waardoor de Nederlandse Kerken een tijdlang zijn beroerd
geweest, welke verklaring en verwerping de Synode oordeelt uit den
Woorde Gods te zijn genomen en met de belijdenis der Gereformeerde
Kerken overeen te stemmen; waaruit klaarlijk blijkt, dat degenen,
denwelken zulks het minst betaamde, tegen alle waarheid, billijkheid en
liefde hebben gehandeld, die het volk hebben willen wijsmaken: "dat de
leer der Gereformeerde Kerken van de Predestinatie en de aanklevende
hoofdstukken, door haren eigen aard en drijving de harten der mensen
van alle godvruchtigheid en godsdienst afleidt; dat zij een oorkussen
is voor het vlees en den duivel, en een burg des satans, waaruit hij
allen mensen lagen legt, het merendeel van hen verwondt en velen van
hen met de pijlen of der wanhoop of der zorgeloosheid dodelijk
doorschiet. Dat die leer God maakt een auteur der zonde,
onrechtvaardig, een tiran en huichelaar, en dat zij niets anders is dan
een vernieuwd Stoicisme, Manicheïsme, Libertijnschap en Turkendom;
dat zij de mensen vleselijk zorgeloos maakt, als zich zelven daardoor
wijs makende, dat het den uitverkorenen niet kan hinderen aan hunne
zaligheid, hoe zij ook leven, en zij daarom allerlei gruwelijke
schelmstukken onbekommerd mogen bedrijven; dat het dengenen, die
verworpen zijn, ter zaligheid niet kan baten, al ware het, dat zij ook
al de werken der heiligen waarlijk mochten gedaan hebben; dat daarmede
geleerd wordt, dat God door het blote en loutere goeddunken van Zijnen
wil, zonder enig opzicht of aanmerking van enige zonde, het grootste
deel der wereld tot de eeuwige verdoemenis voorbeschikt en geschapen
heeft; dat de verwerping op gelijke wijze de oorzaak is der
ongelovigheid en goddeloosheid, gelijk de verkiezing is de fontein en
oorzaak des geloofs en der goede werken; dat vele onnozele kinderkens
der gelovigen van de borsten der moeders worden afgerukt en
tiranniglijk in het helse vuur geworpen, alzo dat hun noch het bloed
van Christus baten kan, noch de doop, noch het gebed der Kerken bij
hunnen doop", en wat dergelijke andere dingen nog veel meer zijn, die
de Gereformeerde Kerken niet alleen niet bekennen, maar ook van ganser
harte met verfoeiing verwerpen.
Daarom, zo velen als er den
naam onzes Zaligmakers Jezus Christus godvruchtiglijk aanroepen, dien
betuigt deze Synode van Dordrecht door den naam des Heeren, dat zij van
het geloof der Gereformeerde Kerken willen oordelen, niet uit
lasteringen, die hier en daar uit samengeraapt zijn, ook niet uit
private of bijzondere uitspraken van sommige, zo oude als nieuwe
Leraren, die dikwijls ook te kwader trouw aangehaald, of verdorven en
in een verkeerden zin verdraaid worden; maar uit de openbare belijdenis
der kerken zelve, en uit deze verklaring der rechtzinnige leer, die met
eendrachtige overeenstemming van allen en een ieder lid der gehele
Synode bevestigd is.
Daarna vermaant dezelve
Synode ook ernstiglijk de lasteraars, dat zij toezien wat zwaar oordeel
Gods zij op zich laden, die tegen zo vele Kerken en zo veler Kerken
belijdenissen valse getuigenissen spreken, de consciëntiën
der zwakken beroeren, en bij velen de gemeenschap der ware gelovigen
zoeken verdacht te maken.
Ten laatste vermaant deze
Synode alle Mededienaars in het Evangelie van Christus, dat zij zich in
het verhandelen van deze leer, beide in scholen en Kerken,
godvruchtiglijk en godsdienstiglijk gedragen; dezelve zowel met de tong
als met de pen tot Gods eer, heiligheid des levens en vertroosting der
verslagene gemoederen richten; dat zij met de Schriftuur naar de
regelmaat des geloofs niet alleen gevoelen, maar ook spreken; en
eindelijk van alle zulke wijzen van spreken zich onthouden, die de
palen van den rechten zin der Heilige Schriftuur, ons voorgesteld, te
buiten gaan, en die den dartelen Sophisten rechtvaardige oorzaak geven
mochten, om de leer der Gereformeerde Kerken te beschimpen of ook te
lasteren.
De Zone Gods, Jezus
Christus, Die ter rechterhand Zijns Vaders zittende, den mensen gaven
geeft, heilige ons in de waarheid; brenge diegenen, die verdwaald zijn,
tot de waarheid; stoppe den lasteraars van de gezonde leer hunne
monden; en begiftige de getrouwe dienaars Zijns Woords met den Geest
der wijsheid en des onderscheids, opdat alle hunne redenen mogen
gedijen ter ere Gods en tot stichting der toehoorders. Amen.


















