.HOLYHOME.NL - BRON VAN VREDE
 
 
   
 
OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE TAFERELEN
 
BIJBELS TAFEREEL TABLEAU 1

       

DE JONGELING VAN NAÏN



Lucas 7:12-15

11. En het geschiedde op de volgende dag, dat Hij ging naar een stad, genaamd Naïn, en met Hem gingen velen van Zijn discipelen en een grote schare.
12. En als Hij de poort van de stad genaakte, ziedaar, een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was, en zij was weduwe, en een grote schare van de stad was met haar.
13. En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zei tot haar: Ween niet.

14. En Hij ging toe en raakte de baar aan; (de dragers nu stonden stil) en Hij zei: Jongeling, Ik zeg u, sta op!
15. En de dode zat overeind en begon te spreken. En Hij gaf hem aan zijn moeder.
16. En vrees beving hen allen, en zij verheerlijkten God, zeggende: Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft Zijn volk bezocht.
17. En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea en in al het omliggende land.

Nain: De naam Naïn komt uit het Lucasevangelie, het is een opwekkingsverhaal. Jezus zegt tot de gestorven jongere: “Jongeling, ik zeg je, sta op.” De dode kwam overeind zitten en begon te spreken en Jezus gaf hem aan zijn moeder terug. We haalden uit het verhaal de volgende betekenis: Jezus nodigt jonge mensen uit tot leven, hij heeft hen de kracht om zelf vanuit de geest te leven. Dood zijn kan veel betekenissen hebben, naast gestorven zijn kan het ook staan voor wanhopig zijn, het niet meer zien zitten, er niet bij horen. Leven vanuit Jezus’ geest is niet apart gaan leven, maar met zijn kracht onder de mensen terug keren.

Een wonderbaarlijke gebeurtenis

In het Nieuwe Testament is er sprake van drie opwekkingen, voordat Christus Zelf de dood overwint.
De kerkvader Augustinus ontdekte in die opwekkingen een bepaalde volgorde; de groei naar een climax.
Bij de eerste opstanding, die van het dochtertje van Jaïrus, is er sprake van een kind, dat nog thuis is;
bij de tweede opstanding, die van de jongeling van Naïn, denken we aan een jonge man in de leeftijd van rond twintig jaar. Hij was al onderweg en bij de derde opstanding, die van Lazarus, gaat het over een volwassene, die al in het graf gelegen had.

Via de poort van het stadje Naïn wordt een jongeling naar zijn laatste rustplaats gebracht.
Het stadje ligt in de vlakte van Jizreël, enkele kilometers ten Zuiden van de berg Thabor, ten Oosten van Nazareth.
Naïn betekent lieflijkheid, schoonoord!
De pracht van het stadje biedt evenwel geen garantie dat de dood er zijn intrek niet neemt.
De stoet neemt de gehele weg in beslag.
* Voorop lopen de klaagvrouwen, die op Oosterse wijze kermen;
* dan komen de fluitspelers, die hun treurmuziek laten horen;
* daarachter lopen met afgemeten pas de dragers, in hun midden de baar met de dode, gewikkeld in lijnwaad, een zweetdoek om zijn hoofd. Alleen zijn gezicht is te zien;
* vervolgens komt daar, gebroken van verdriet, zijn moeder, gesluierd, een toonbeeld van ellende en
* tenslotte zien we de honderden belangstellenden.

Het hele stadje is uitgelopen. Iedereen wil z'n deelneming met deze zwaar getroffen vrouw betuigen.
Kort geleden was ze ook al door die poort gegaan. Toen hadden ze haar man weggedragen.
Ondanks alle gemis, ze had toen haar zoon nog.
Nu is het pikdonker in haar leven geworden.
Lukas zegt: Een dode werd uitgedragen, die een eniggeboren zoon van zijn moeder was.... en zij was weduwe.
Wat een wereld van leed gaat er achter deze enkele woorden schuil, maar ook, wat een droevig loon betaalt de zonde uit.
De bezoldiging der zonde - het loon op de zonde - is: de dood!
Dagelijks zie je zulke stoeten. Er gaat geen dag voorbij, of er worden
mensen ten grave gedragen: oude mensen, maar ook jonge mensen; naamlozen, ook voornamen.
De mens gaat naar zijn eeuwig huis. Nu een ander, morgen U en ik.
Wie is er in staat de koning der verschrikking tegen te houden.

Daar komt een tweede stoet, met aan het hoofd nu niet de koning der verschrikking, maar de Vorst des levens.
Hij is de tegenstander van de dood. Hij haat de zonde.

De twee stoeten ontmoeten elkaar.
Dat is niet toevallig.
De Vorst van het leven gaat de dood bestrijden.
Dat doet Hij nog. Iedere zondag, als we mogen opgaan naar Gods huis;
iedere dag, als we onze Bijbel opslaan.
Het is niet toevallig, dat Hij ons met Zijn Woord tegemoet treedt.

Als de medelijdende Hogepriester loopt Hij op die moeder toe.
Hij kent haar smart.
Wij kunnen ons het leed van een ander nooit geheel inleven.
Maar Hij, Die in alles verzocht is geweest, wél.
Hij is met innerlijke ontferming over haar bewogen.
En dat is dan ook de reden, waarom Hij die vrouw helpt.
Ze vraagt niets. Ze kent Hem niet eens.
Hij helpt, niet om iets dat van haar is, of dat aan haar is, maar omdat Hij genadig, barmhartig is.
Hij zegt: Weent niet!
Dat is wat! Mag je niet wenen als je kind gestorven is?
Wíj zouden zeggen: Huil maar eens flink uit.
Híj zegt: Droog je tranen maar.
Dat kan Híj alleen zeggen, want bij Hem zijn uitkomsten, zelfs tegen de dood.
En dan gebeurt er iets ongehoords.
Hij houdt de begrafenisstoet tegen.
Iedereen is sprakeloos.
De koning der verschrikking wordt teruggewezen.

Die Jezus leeft nog. Hij komt nog doden tegen. Hij zet ze ook nu nog stil en raakt ze aan door de kracht van Zijn Woord en brengt ze tot leven.
De grote vraag is: Zijn we Hem al tegengekomen, of liever.... is Hij óns al tegengekomen? Hebben we de stem van de Zoon van God al eens gehoord, want wie Hem hoort, zal leven.

Jezus legt Zijn hand op de baar en beveelt: Dood, sta af je prooi!
Die jongeling is van Mij: Jongeling, ik zeg U, sta op!
Klinkt dat niet dwaas, dat spreken tegen een dode?
Bij Jezus niet. Hij spreekt als machthebbende. Hij roept de dingen, die niet zijn alsof ze waren. En dat doet Hij nog.
Hij maakt nog levend door Zijn Woord. Verwachten we het daar ook van?
Alleen het Woord des Heeren maakt levend. Daar zorgt de Heilige Geest voor. Nog spreekt Hij: Jongen, meisje, man, vrouw, Ik zeg U, sta op.
Hopeloze gevallen zijn er bij Hem niet. Dat zien we in Naïn.
"Daar is niets meer aan te doen", zouden wij zeggen, maar wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.
Eén Woord is voldoende.
Er zouden nog grote dingen gebeuren als we het eens wat meer van dat
Woord zouden verwachten.

Toen die jongen leefde, ging hij spreken.
Wat sprak hij? Dat lezen we niet. Dat is ook niet belangrijk.
't Gaat er niet om, wát hij spreekt, maar dát hij spreekt.
Dat is een kenmerk van het leven.
Wie door Christus is levend gemaakt, gaat spreken.

En Hij gaf hem aan zijn moeder, lezen we.
Eerst weende ze van diepe smart, nu schreit ze tranen van intense vreugde.
Ze mag zeggen: Mijn zoon was dood, maar hij leeft!

Straks komt de dag, dat de bazuin zal worden geblazen, dat de stem van de archangel zal klinken.
Dan zullen al de doden opstaan.
Dan zullen ze komen die door Christus' Woord zijn levend gemaakt en hier al zijn gaan spreken.
Dan wordt het spreken zingen:
   Dit is, dit is de poort des Heeren;
                        daar zal 't rechtvaardig volk door treên,
                        om hunne God ootmoedig te eren,
                        voor 't smaken Zijner zaligheên.
Is dat ook onze hoop, ons vooruitzicht?
Straks zal de koning der verschrikking ook aan ons levensvenster kloppen.
Dan worden ook wij uitgedragen.
Nog klinkt Jezus' stem:
Ontwaak, gij die slaapt,
en sta op uit de doôn
en Christus zal over U lichten!

Dat we ons dan nog voor Hem zouden buigen, en met Revius zouden bidden:
Drie doden hebt Gij Heer' verwekket tot het leven.
De zoon der weduwe z'n krachten weergegeven;
Jaïrus dochtertje en Lazarus daarbij.
Ach Heiland, laat het toe, dat ik de vierde zij.



Google
WWW Zoeken op  Holyhome.nl
BIJBEL Gericht zoeken in de Bijbel (woorden-namen-plaatsen-vers)
 
Freelance Web Designer