OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 001

DE BRUILOFT TE KANA

Johannes 2
1 Op de derde dag was er een bruiloft in Kana, in Galilea. De moeder
van Jezus was er, 2 en ook Jezus en zijn leerlingen waren op de
bruiloft uitgenodigd. 3 Toen de wijn bijna op was, zei de moeder van
Jezus tegen hem: ‘Ze hebben geen wijn meer.’ 4 ‘Wat
wilt u van me?’ zei Jezus. ‘Mijn tijd is nog niet
gekomen.’ 5 Daarop sprak zijn moeder de bedienden aan: ‘Doe
maar wat hij jullie zegt, wat het ook is.’ 6 Nu stonden daar voor
het Joodse reinigingsritueel zes stenen watervaten, elk met een inhoud
van twee à drie metrete. 7 Jezus zei tegen de bedienden:
‘Vul de vaten met water.’ Ze vulden ze tot de rand. 8 Toen
zei hij: ‘Schep er nu wat uit, en breng dat naar de
ceremoniemeester.’ Dat deden ze. 9 En toen de ceremoniemeester
het water dat wijn geworden was, proefde – hij wist niet waar die
vandaan kwam, maar de bedienden die het water geschept hadden wisten
het wel – riep hij de bruidegom 10 en zei tegen hem:
‘Iedereen zet zijn gasten eerst de goede wijn voor en als ze
dronken zijn de minder goede. Maar u hebt de beste wijn tot nu
bewaard!’ 11 Dit heeft Jezus in Kana, in Galilea, gedaan als
eerste wonderteken; hij toonde zo zijn grootheid en zijn leerlingen
geloofden in hem.
12 Daarna ging hij naar Kafarnaüm, met zijn moeder, zijn broers en
zijn leerlingen, en daar bleven ze een paar dagen.
Een wonderbaarlijke gebeurtenis tijdens een bruiloft
In
Het evangelie van Johannes neemt in de bijbel een bijzondere plaats in,
ondermeer door het ontbreken van gelijkenissen. Toch ontbreekt dit
spreken over het heil in beelden niet ècht: het evangelie van
Johannes beschrijft namelijk een reeks wonderlijke gebeurtenissen met
Jezus als centrale figuur die, evenals de gelijkenissen elders, het
karakter dragen van een raadsel. Eén van deze raadselachtige
geschiedenissen is het verhaal over het wonder, dat geschiedt tijdens
de bruiloft in Kana. Wat wil dit verhaal ons voorleggen aan vragen? Wat
wordt erin verkondigd?
Al lezend, worden onze gedachten al snel herinnerd aan verhalen uit het
Oude Testament. Zo zijn de woorden, die Jezus tegen Maria gebruikt -
(Ôé åìïé êáé
óïé?/hoe heb ik het nou met U?/wat heb ik met U te
maken?) - dezelfde als die de weduwe van Sarfath op verwijtende toon
tot Elia spreekt, op het moment dat haar kind gestorven blijkt te zijn:
"Hoe heb ik het met U, man Gods? Hebt gij bij mij intrek genomen om
mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen en te maken dat mijn
zoon sterft?" (1 Koningen 17:18). Een nog duidelijker verbinding valt
te leggen met het verhaal, waarin verteld wordt hoe Mozes eens, toen de
Israëlieten welhaast omkwamen van de dorst, bitter water (mara,
brak water?) veranderde in drinkwater: "Drie dagreizen trokken zij (de
Israëlieten) door de woestijn, zonder water te vinden. En zij
kwamen te Mara, maar zij konden het water daar niet drinken, omdat het
bitter was. Daarom heette die plaats Mara. Toen morde het volk tegen
Mozes en zei: wat moeten wij drinken?" (Exodus 15:22vv.). Ook de
woorden van Maria tegen de bedienden - "wat hij U ook zegt, doe dat" -
lijken een echo te zijn van woorden uit dit Mara-verhaal, waarin Mozes
de Israëlieten, om hen op de proef te stellen, aldus toespreekt:
"Indien ge aandachtig luistert naar de stem van de Heer uw God, en doet
wat recht is in zijn ogen en uw oor neigt tot zijn geboden...enz., dan
zult u niet door zulke (als in Egypte) plagen worden getroffen". Zulke
overeenkomsten zijn niet toevallig: het zijn verwijzingen die de
toehoorder/de lezer helpen om duidelijk te krijgen hoe het verhaal
begrepen moet worden. We mogen concluderen, dat minstens
één van de redenen, waarom het verhaal wordt verteld is
dat de evangelist ons wil bepalen bij de vraag wie deze Jezus was: is
in hem misschien Elia teruggekomen? Of Mozes? Mozes was voor de Joden
een belangrijke figuur, een bevrijder. In moeilijke tijden verwachtte
men hem terug. Opvallend in de Mozesverhalen is, dat deze leider
tegelijkertijd moest lijden onder de ongelovigheid van 'zijn' volk.
Volgens het Johannes-evangelie is Jezus méér dan Mozes
(lees hierover ook Johannes 4: het verhaal over de Samaritaanse vrouw).
Met deze vraag op de achtergrond, wie deze Jezus is, sluit dit verhaal
over het wonder te Kana aan bij het eerste hoofdstuk van het
Johannes-evangelie.
Maar er is nog een belangrijke sleutel in het verhaal verborgen: het
water-wijn-wonder vindt plaats onder heel andere omstandigheden dan de
Oudtestamentische verhalen waarnaar we verwezen. De weduwe van Sarfat
had amper meel om daar brood van te bakken, en de Israëlieten in
de woestijn waren uitgeput: maar hier, in Kana wordt er een bruiloft
gevierd. Nu is de bruiloft in de Joodse traditie een beeld, dat
eigenlijk altijd verwijst naar het verbond tussen God en zijn volk. De
vrouw is in deze metafoor het beeld van het volk Israël,
uitverkoren, begenadigd en bestemd om vruchtbaar te zijn. Wonderlijk
genoeg is er in het verhaal over de bruiloft in Kana geen sprake van
een bruid, en al evenmin van een bruidegom. Er wordt slechts gesproken
over een soort ceremoniemeester. Maar wie weet heeft van de Joodse
traditie kan in Maria gemakkelijk de representant herkennen van Gods
uitverkoren volk, en in Jezus de incarnatie van de God van Israël,
God in de gestalte van een mens. De vrouwen in het Johannesevangelie
verwijzen vaker naar "het vrome volk": in Kana is het Maria, bij de
bron is het de Samaritaanse vrouw, bij de opwekking van Lazarus is het
Martha, en bij de opstanding Maria Magdalena. De woorden van Maria - ze
hebben geen wijn - staan dan ook op één lijn met woorden
van Mozes in de woestijn: ze hebben geen brood; het volk dreigt te
sterven.
Zo krijgt deze raadselachtige geschiedenis geleidelijk steeds meer
relief. Het zijn oeroude motieven die hier door de auteur met elkaar
verweven zijn: water uit de doodsrivier, de reiniging, de doortocht en
het beloofde land van melk en honing, waar de tafel voor het feest al
is gedekt. Kanaän: zo heet het land van belofte; en - zo wordt ons
hier verteld - de stad van de bruiloft heet Kana. Wat een vondst!
Binnen het kader van het Johannesevangelie is het "teken", dat in Kana
geschiedt het eerste van een serie van zeven *). Het laatste in die rij
is de opwekking van Lazarus. Het zevental verwijst naar een nieuwe
schepping: "zes dagen en één", omvat volgens Genesis 1
het scheppingsverhaal. Hier, in Kana, is sprake van zes kruiken:
één voor elke scheppingsdag? Om de spirit
(spiritus=geest) erin te houden? Alles wijst vooruit naar dood en
opstanding: naar het wonder op de derde dag... (Mara en Golgotha).
De belangrijkste vraag is natuurlijk: wat wordt hier nu verkondigd? Hoe
moeten we dit verhaal ontdoen van alle beeldspraak? Waar mogen we op
hopen op momenten in ons leven dat het ons begint te ontbreken aan
spirit, aan levensmoed, aan geestkracht, aan geloof in de goede God?
Bijvoorbeeld, omdat ons leven op een mislukking dreigt uit te lopen? Of
omdat we voor de zoveelste keer onze onmacht ervaren? Omdat we diep in
ons hart worden gekweld door angst voor de toekomst? Enz. Waaruit
bestaat nu eigenlijk het wonder?
Er is wel gezegd: het wonder van Kana is, dat de bedienden ook
inderdaad doen wat Jezus zegt. Dat lijkt me niet juist. We worden
weliswaar, net als die bedienden, uitgenodigd om te doen wat Jezus
zegt, maar dat is dan toch alleen nog maar gehoor geven aan zijn roep
om op weg te gaan. Het wonder krijgt geen kans, wanneer die oproep
wordt genegeerd.
Zou je mogen zeggen, dat de verandering van water in wijn zinspeelt op
de mogelijkheid dat er met mensen soms ineens iets gebeurt, waardoor ze
geraakt worden en oog krijgen voor de hoogte- en dieptedimensies van
het bestaan? Iets, waardoor ze in staat blijken om alles, zelfs het
alledaagse, te gaan zien "sub specie aeterni" (Spinoza), in een
goddelijk licht? Zou het wonder niet zijn, dat er dan ook vaak ineens
dingen mogelijk blijken, waardoor een mens zichzelf kan overstijgen?
Wanneer we aandachtig gaan leven, wordt soms ons blikveld verruimd
zodat we zin en betekenis gaan ontdekken in de vaak kleine onooglijke
details. Het wonderlijke daarvan is, dat het ons overkomt. En als het
ons overkomt, wint het leven aan kwaliteit: dat is, naar het zich laat
aanzien, de boodschap van Kana. Maar het definitieve antwoord op al
deze vragen rond het wonder volgt nog in het verloop van het
Johannes-evangelie. De woorden "mijn ure is nog niet gekomen" nodigen
ons uit om verder te lezen en getuige te worden van het
Paas/Pinkstermysterie, waar het Johannesevangelie op uitloopt.
*) Zeven tekenen: het wijnwonder, genezing van de zoon van de hoveling,
genezing van de man die 38 jaar ziek is geweest, broodwonder, wandeling
op het water, genezing van de blindgeborene, opwekking van Lazarus.
|