.HOLYHOME.NL - BRON VAN VREDE
 
 
   
 
OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE TAFERELEN
 
BIJBELS TAFEREEL 035

       

DAVID TOT KONING GEZALFD




1 Samuël 16,1-13

1 De HEER vroeg aan Samuel: ‘Hoe lang blijf je nog treuren om Saul, die ik als koning van Israël verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar Isaï in Betlehem, want een van zijn zonen heb ik als koning uitgekozen.’ 2 ‘Hoe kan ik dat nu doen?’ wierp Samuel tegen. ‘Saul zal me vermoorden als hij het hoort.’ De HEER antwoordde: ‘Neem een jonge koe mee en zeg dat je bent gekomen om de HEER een offer te brengen. 3 Nodig Isaï uit voor het offermaal, dan zal ik je laten weten wat je doen moet. Wie ik je aanwijs, die moet je voor mij zalven.’ 4 Samuel deed wat de HEER had gezegd. Toen hij in Betlehem aankwam, kwamen de oudsten van de stad hem ongerust tegemoet en vroegen: ‘Uw komst is toch geen slecht teken?’ 5 ‘Wees gerust,’ antwoordde Samuel. ‘Ik ben gekomen om de HEER een offer te brengen. Reinig u en neem met mij deel aan het offermaal.’ Ook Isaï en zijn zonen nodigde hij uit, en aan hen voltrok hij persoonlijk de reiniging. 6 Bij hun aankomst viel zijn oog meteen op Eliab, en hij zei bij zichzelf: Hij die daar klaarstaat is vast en zeker degene die de HEER wil zalven. 7 Maar de HEER zei tegen Samuel: ‘Ga niet af op zijn voorkomen en zijn rijzige gestalte. Ik heb hem afgewezen. Het gaat niet om wat de mens ziet: de mens kijkt naar het uiterlijk, maar de HEER kijkt naar het hart.’ 8 Toen riep Isaï Abinadab en stelde hem aan Samuel voor, maar die zei: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 9 Isaï stelde Samma voor, maar weer zei Samuel: ‘Ook hem heeft de HEER niet gekozen.’ 10 Zo stelde Isaï zijn zeven zonen aan Samuel voor, maar telkens zei Samuel dat dit niet degene was die de HEER gekozen had. 11 ‘Zijn dit alle zonen die u hebt?’ vroeg hij. ‘Nee,’ antwoordde Isaï, ‘de jongste is er niet bij, die hoedt de schapen en de geiten.’ Toen zei Samuel tegen Isaï: ‘Laat hem hier komen. We beginnen niet aan de maaltijd voordat hij er is.’ 12 Isaï liet hem halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de HEER zei: ‘Hem moet je zalven. Hij is het.’ 13 Samuel nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de geest van de HEER. Daarna vertrok Samuel weer naar Rama.


David tot koning gezalfd

Enkele kilometers ten zuiden van Jeruzalem, 'de stad van de grote Koning', ligt Bethlehem, waar David, de zoon van Isaï, geboren werd, meer dan duizend jaar voor het kindje Jezus in een kribbe lag en aanbeden werd door de wijzen uit het Oosten. Eeuwen voor de komst van de Verlosser hield David in zijn jeugd de wacht over zijn schapen, terwijl ze graasden op de heuvels rond Bethlehem.

De eenvoudige herdersjongen zong de liederen die hij zelf gemaakt had, en de muziek van zijn harp begeleidde zijn jonge stem. De Here had David uitverkoren, en bereidde hem in zijn leven in de eenzaamheid met zijn kudden voor op het werk dat Hij hem in latere jaren zou toevertrouwen. Terwijl David het eenvoudige leven van een herder leidde, sprak de Here tot Samuël over hem. "De Here zeide tot Samuël: Hoe lang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over Israël zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen; Ik zend u naar de Bethlehemiet Isaï, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht.…. Gij zult een jonge koe meenemen en zeggen: ik ben gekomen om de Here een slachtoffer te brengen. Dan zult gij Isaï tot dit offer nodigen, en Ik zal u te kennen geven wat gij doen moet; gij zult voor Mij zalven wie Ik zal aanwijzen.

Samuël deed wat de Here gezegd had en hij kwam te Bethlehem. De oudsten der stad kwamen hem bevend van vrees tegemoet en zeiden: Betekent uw komst vrede? En hij zeide: Ja." De oudsten namen de uitnodiging tot het offer aan, en Samuël riep ook Isaï en zijn zonen. Het altaar werd opgericht en het offer gereedgemaakt. Heel het gezin van Isaï was tegenwoordig, met uitzondering van David, de jongste zoon, die bij de schapen was gebleven, want het was niet vertrouwd de kudden alleen te laten.

Toen het offer gebracht was en het offerfeest nog niet was begonnen, begon Samuël zijn profetisch onderzoek van de zonen van Isaï, die er, wat hun uiterlijk betrof, goed uitzagen. Eliab was de oudste, en leek wat betreft postuur en schoonheid meer op Saul dan de andere zonen. Zijn vriendelijk en prettig voorkomen trok de aandacht van de profeet. Terwijl Samuël lette op de vorstelijke verschijning van de jongeman, dacht hij: "Zeker staat hier voor de Here Zijn gezalfde", en hij wachtte op Gods goedkeuring om hem te zalven. Maar de Here lette niet op de uiterlijke verschijning. Eliab had geen ontzag voor God. Als hij op de troon was geplaatst, zou hij een hoogmoedig, veeleisend heerser zijn geworden.

God zei tot Samuël: "Let niet op zijn voorkomen noch op zijn rijzige gestalte, want Ik heb hem verworpen. Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan." Uiterlijke schoonheid kan de ziel niet aanbevelen bij God. De wijsheid en uitnemendheid die in het karakter en het gedrag naar voren komen, vormen de ware schoonheid van de mens. Deze innerlijke waarde, de uitnemendheid van het hart, bepaalt onze aanneming door de Here der heerscharen. Hoe diep moeten we doordrongen zijn van deze waarheid bij het beoordelen van onszelf en van anderen! We kunnen uit de vergissing van Samuël leren hoe weinig waarde God hecht aan een aantrekkelijk gelaat of een edele gestalte. We kunnen zien hoe weinig de mens in staat is de verborgenheden van het hart te doorgronden of Gods raad te verstaan als hij niet door Hem verlicht wordt. Gods gedachten en wegen met betrekking tot Zijn schepselen gaan ons beperkt begrip te boven. Maar we kunnen ervan verzekerd zijn dat Zijn kinderen die plaats zullen aangewezen krijgen waarvoor ze het best geschikt zijn, en in staat zullen worden gesteld het werk te doen dat hun is toevertrouwd, als ze hun wil ondergeschikt willen maken aan God, zodat Zijn weldadige plannen niet gedwarsboomd zullen worden door de dwalingen van de mens.

Eliab ging aan Samuël voorbij, en de zes broers die de dienst bijwoonden, verschenen achtereenvolgens voor de profeet. Maar de Here liet Zijn keus op geen van hen vallen. Met pijnlijke onzekerheid had Samuël de laatste van de jongemannen zien voorbijgaan. Hij voelde zich verward en onzeker. Hij vroeg aan Isaï: "Zijn dit al de jongens?" De vader antwoordde: "De jongste ontbreekt nog; zie, hij weidt de schapen." Samuël verzocht hem te laten halen, met de woorden: "Wij zullen niet gaan aanzitten, voordat hij hier gekomen is."

De eenzame herder schrok door de onverwachte oproep van de bode, die meedeelde dat de profeet naar Bethlehem gekomen was en hem nu liet roepen. Verbaasd vroeg hij waarom de profeet en richter van Israël hem wilde zien. Maar zonder aarzelen gaf hij gehoor aan de oproep. "Hij nu was rossig; ook had hij mooie ogen en een schoon voorkomen."

Toen Samuël met genoegen de knappe, mannelijke, eenvoudige herdersjongen gadesloeg, sprak Gods stem tot de profeet: "Sta op, zalf hem, want deze is het." In zijn eenvoudig herdersleven had David zich moedig en trouw getoond, en nu koos God hem als leider van Zijn volk. "Samuël nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des Heren David aan." De profeet had zijn opdracht uitgevoerd en met een opgelucht hart keerde hij terug naar Rama.

Samuël had aan niemand iets gezegd over zijn opdracht, zelfs niet aan het gezin van Isaï. De zalving van David was in het geheim geschied. Deze zalving gaf de jongeman een idee van de bestemming die voor hem lag, opdat onder de verschillende omstandigheden en gevaren van de komende jaren deze wetenschap hem zou aansporen om trouw te zijn aan Gods bedoelingen bij het verrichten van zijn levenstaak.

De grote eer die David ontving, maakte hem niet trots. Niettegenstaande de hoge positie die hij zou bekleden, bleef hij rustig aan zijn werk bezig, en wachtte af hoe God in de toekomst zijn tijd en wegen zou kiezen. De herdersjongen keerde even nederig en eenvoudig als vóór zijn zalving terug naar de heuvels om, met evenveel liefde als altijd, de wacht te houden over zijn kudden. Maar een nieuwe bezieling lag in zijn liederen die hij dichtte en zong. Voor hem lag een rijk en gevarieerd landschap. De wijnstokken pronkten met hun trossen druiven in de zon.

De bomen van het woud bewogen hun groene kruinen in de wind. Hij zag hoe de zon als een bruidegom uit zijn slaapvertrek kwam en zich verblijdde als een krachtige held om zijn pad te gaan. De kruinen der bergen reikten naar omhoog. In de verte verrezen de ruwe rotsen van het gebergte van Moab. Boven dit alles breidde zich de stralend blauwe hemel uit. En daarboven woonde God. Hij kon hem niet zien, maar alle werken prezen Hem. Het daglicht, dat bos en veld, weide en rivier bestraalde, voerde zijn gedachten omhoog naar de Vader der lichten, de Bron van alle goede gaven. De dagelijkse openbaringen van het karakter en de majesteit van de Schepper vulden het hart van de jeugdige dichter met aanbidding en blijdschap. Terwijl hij nadacht over God en diens werken, werden het verstand en het hart van David gevormd en gesterkt voor de taak die hem wachtte. Dagelijks kwam hij in nauwer contact met God. Gedurig drong zijn geest door in nieuwe diepten, die hem onderwerpen voor zang en muziek verschaften. De aangename melodie van zijn stem vervulde de lucht en weerklonk van de heuvels als een antwoord op de lofzangen der engelen in de hemel.

Wie kan de gevolgen van deze jaren van arbeid en afzondering in deze eenzame heuvels schatten? De omgang met de natuur en met God, de zorg voor zijn kudden, de gevaren en uitreddingen, het verdriet en de vreugde van zijn nederig leven zouden niet alleen het karakter van David vormen en zijn toekomst beïnvloeden, maar door de psalmen van de zanger van Israël zou in de toekomst liefde en geloof in de harten van Gods volk gewekt worden, waardoor ze nader zouden komen tot het liefderijke hart van Hem, in en door Wie alles bestaat.

In de schoonheid en kracht van zijn jongelingschap bereidde David zich voor op een hoge positie onder de voornaamste op aarde. Zijn talenten gebruikten hij als kostbare gaven van God om de eer van de goddelijke Gever te vergroten. De gelegenheid om na te denken en te mediteren verrijkten hem met de wijsheid en vroomheid waardoor God en engelen van hem hielden. Terwijl hij nadacht over de volmaaktheid van zijn Schepper, kreeg hij een duidelijker begrip van God. Duistere onderwerpen werden verlicht, moeilijkheden werden opgeklaard, zwarigheden uit de weg geruimd, en elke nieuwe lichtstraal bracht nieuwe uitingen van verrukking en bekoorlijker lofliederen tot eer van God en van de Verlosser.

De liefde die hem aandreef, het verdriet dat hem trof, de overwinningen die hij meemaakte, waren de onderwerpen van zijn overdenkingen. En als hij Gods liefde ontdekte in alle voorzieningen van zijn leven, klopte zijn hart met groter dank en aanbidding. Zijn stem juichte, zijn harp klonk schoner. De herdersjongen nam toe in kracht en in kennis, want de Geest des Heren rustte op hem.


De betekenis van olie in de Bijbel


In De olie uit de groene en zwarte vruchten van de olijfboom gold oudtijds als een bijzonder krachtige stof. In de oude oosterse en de klassieke wereld was de zalving met olie een geliefde medicijn. In Babel heette de geneesheer 'asoe', olie kundige. Gewijde personen, waartoe in de oude kulturen ook de vorsten behoorden en wij zien het nog bij de kroning van de engelse koningen kregen de volmachten van hun ambt overgedragen door de zalving met olie. De Egyptische koning bevestigde stadhouders in hun ambt door olie over hun hoofd uit te gieten. Sargon I die in de jaren 2500 voor Christus koning van Akkad en Assyrië was droeg de bijnaam 'Gezalfde van de hemel god'.

Al in Genesis had het uitgieten van olie een bijzondere betekenis. Op zijn vlucht voor Esau had Jakob de droom van de ladder naar de hemel: 'De volgende morgen zette Jakob de steen die onder zijn hoofd had gelegen overeind als een heilige steen en goot er olie over uit. Hij noemde die plaats 'Betel' (Gen.28:18). Mozes kreeg van Jahwe opdracht de woning op te stellen, de tent van samenkomst, de tent waarin God woonde temidden van zijn volk ('Het Woord heeft zijn tent onder ons opgeslagen', zou eeuwen later Johannes getuigen in het begin van zijn evangelie). En toen liet Jahwe volgen: 'Heel de woning en alles wat er in staat moet ge met olie zalven en met alle toebehoren wijden zodat het heilig is. Ook het brandofferaltaar met al zijn toebehoren moet ge zalven en wijden zodat het hoogheilig is. Ook het wasbekken met het onderstel moet ge zalven. Dan ontbiedt gij Aäron met zijn zonen, bij de ingang van de tent van samenkomst en reinigt hen met water. Bekleed Aäron met de heilige gewaden, zalf hem en wijd hem tot mijn priester. Vervolgens ontbiedt gij zijn zonen en doet hun de tunieken aan. Zalf hen tot mijn priesters, evenals hun vader. De zalving zal hun voor altijd de priesterlijke waardigheid verlenen, al hun geslachten door' (Ex.40:1 16). Naast de oliezalving van de priesters ook die van de koningen: 'Toen nam Samuël een, kruikje olie en goot dat uit over het hoofd van Saul. Hij kustte hem en zei: 'U heeft Jahwe gezalfd tot vorst van zijn volk Israël' (1 Sam. 10:l). 'Een tafel richt gij mij aan in het aangezicht van mijn belagers' zingt David 'en zalft met olie mijn hoofd' (Ps.23:5). En naast de zalving van priesters en koningen ook die van profeten. Deze opdracht kreeg de profeet Elia: 'Jehu, de zoon van Nimsi, moet ge zalven tot koning van Israël, en Elisa, de zoon van Safat moet ge zalven tot uw opvolger als profeet'(1 Kon. 19:16).

Wie gezalfd werd in opdracht van de Heer, werd 'gezalfd met de Geest'. Zoals Samuël Saul tot koning had gezalfd, kreeg hij opdracht ook David te zalven. 'Jahwe sprak: Hem moet gij zalven; hij is het. Samuël nam dus de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Sedert die dag was de geest van Jahwe vaardig over David' (1 Sam. 16:12 13). Elke mens moet, terwijl hij van het leven geniet, blijven bedenken dat hij de Heer is toegewijd en dat Gods Geest bezit van hem heeft genomen, zo kan men een wijsheid van Prediker verstaan. De huidige gangbare vertaling zegt weliswaar: 'Ga altijd feestelijk gekleed en zorg steeds voor parfum op je hoofd', maar dieper lijkt de zin in de Statenvertaling: 'Laat uw klederen te allen tijde wit zijn en laat op uw hoofd geen olie ontbreken' (Pred. 9:8). De zondaar wordt het tegendeel aangezegd, hij krijgt zelfs niet de kans zich te zalven: 'Olijfbomen zult ge bezitten in heel uw gebied, maar zalven met olie zult gij u niet, want uw olijven vallen af' (Deut. 28:40).

Boven priesters, profeten en koningen is de Bruigom, de Messias de Gezalfde bij uitstek: 'Gij koos voor het recht, haat het onrecht; zo heeft God, uw God, u gezalfd, u gezalfd met olie der vreugde boven al uw medegenoten' (Ps.45:8). En hoe vol betekenis klinkt in de aanhef van het Hooglied de Statenvertaling: 'Uw oliën zijn goed tot reuk, uw naam is een olie die uitgestort wordt; daarom hebben u de maagden lief (Hoogl. 1:3). 'Uw naam is olie die uitgestort wordt': de Gezalfde zijn, de Messias (van het hebreeuwse machiah, gezalfd), de Christus (van het griekse chrioo, zalven) de hoogste uitverkiezing van Gods wege en de hoogste verwijzing naar God. De Christus, de Messias verenigt in zich de ambten van koning, priester en profeet, die alle drie tot de gezalfden van Jahwe behoorden. Bij zijn eerste openbaar optreden in de synagoge van zijn woonstad openbaarde Hij zich nadrukkelijk met een lezing uit Jesaja als de Gezalfde: 'Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven staat: De geest des Heren is over mij gekomen omdat Hij mij gezalfd heeft' (Luc.4:17 18). Petrus herinnerde er de jonge christenheid aan: 'Gij weet wat er overal in Judea gebeurd is; hoe Jezus van Nazaret zijn optreden begon in Galilea na het doopsel dat Johannes predikte, en hoe God Hem gezalfd heeft met de heilige Geest en met kracht' (Hand.10:37 38). Het is ook Jezus' antwoord op de beslissende vraag van de hogepriester: 'Ik bezweer u bij de levende God ons te zeggen of Gij de Christus zijt, de Zoon van God. Jezus gaf hem ten antwoord: Gij zegt het' (Mt.26:63 64).

De macht om te genezen gaf Jezus ook aan zijn leerlingen: 'Zij dreven veel duivels uit, zalfden veel zieken met olie en genazen hen' (Mc. 6;13). En de apostelen gaven dit weer door aan hun leerlingen: 'Is iemand onder u ziek? Laat hij de presbyters van de gemeente roepen, opdat zij een gebed over hem uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren' (Jak.5:14). Paulus schreef aan de Korintiërs: 'God zelf is het die ons met u in Christus bevestigt en ons heeft gezalfd. Hij is het ook die op ons zijn zegel heeft gedrukt' (1 Kor. 1:2l). En Johannes kon schrijven: 'Gij hebt van Hem de zalving ontvangen. Die blijft bij u en gij hebt niet nodig dat iemand u onderricht. Zoals zijn zalving u in alles onderricht, zo is het waar, daarin is geen leugen' (1 Joh.2:27).

In de Kerk wordt de olie deels in natuurlijke toestand, deels vermengd met balsem en verschillende kruiden onder de naam Chrisma gebruikt. De olie is een symbolische verwijzing naar de genade en naar degene die de genade schenkt, de Heilige Geest. De oude kathechese van Cyrillus van Jeruzalem luidde dan ook: 'Met aardse olie wordt het lichaam gezalfd, met de heilige, levenbrengende Geest wordt de ziel geheiligd'. Het is de bisschop zelf, die op Witte Donderdag voor zijn hele bisdom de olie wijdt tijdens een misviering in de kathedraal. Alle teksten uit de bijbel over de olie en over de gezalfde horen wij dan in de liturgie. Deze olie wordt een jaar lang in de parochies gebruikt bij de doop. De priester zalft dan het hoofd van de dopeling met het chrisma, hij zalft hem tot christen, tot gezalfde. Ook bij vormsel, priesterwijding en ziekenzalving speelt de olie dezelfde oude symbolische rol. En het is de olijfolie die de godslamp voedt.

Even een opmerking tot slot

David wordt dikwijls voorgesteld als de ideale koning. Andere bijbelteksten zijn echter heel wat kritischer. De idee van 'God kijkt naar het hart' laat mensen vermoeden dat David een koning naar Gods hart is. Hoewel David Gods uitverkoren koning is, beantwoordt hij met zijn vele vrouwen en zijn gedrag tegenover Batseba en Uria nauwelijks aan het ideaalbeeld. Vergelijk met teksten over het koningschap:
Dt 17,14-20 geeft richtlijnen voor de koning: het moet iemand zijn die God uitkiest, hij mag niet te veel vrouwen hebben, geen rijkdom vergaren, en er geen paardenstoeterij op na houden. Hij moet wetsgetrouw zijn en niet afwijken van Gods geboden.
1 S 8: waarschuwing tegen mogelijk machtsmisbruik van koningen.


Google
WWW Zoeken op  Holyhome.nl
BIJBEL Gericht zoeken in de Bijbel (woorden-namen-plaatsen-vers)
 
Freelance Web Designer