OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 032
Verschijning aan het meer van Tiberias

Johannes 21
1
Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van
Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2 Bij het meer waren Simon Petrus en
Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in
Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3
Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je
mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele
nacht vingen ze niets. 4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de
oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep:
‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’
antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep
Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat
zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van
wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra
Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer
had hij niet aan – en sprong in het water. 8 De andere leerlingen
kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze
waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9 Toen ze aan
land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei:
‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’
11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat
vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde
het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van
de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de
Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook
vis. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen
nadat hij uit de dood was opgestaan.
15 Toen ze gegeten hadden, sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon,
zoon van Johannes, heb je mij lief, meer dan de anderen hier?’
Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’
Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’ 16 Nog eens vroeg hij:
‘Simon, zoon van Johannes, heb je me lief?’ Hij antwoordde:
‘Ja, Heer, u weet dat ik van u houd.’ Jezus zei:
‘Hoed mijn schapen,’ 17 en voor de derde maal vroeg hij
hem: ‘Simon, zoon van Johannes, houd je van me?’ Petrus
werd verdrietig omdat hij voor de derde keer vroeg of hij van hem
hield. Hij zei: ‘Heer, u weet alles, u weet toch dat ik van u
houd.’ Jezus zei: ‘Weid mijn schapen. 18 Waarachtig, ik
verzeker je: toen je jong was deed je zelf je gordel om en ging je
waarheen je wilde, maar wanneer je oud wordt zal een ander je handen
grijpen, je je gordel omdoen en je brengen waar je niet naartoe
wilt.’ 19 Met deze woorden duidde hij aan hoe Petrus zou sterven
tot eer van God. Daarna zei hij: ‘Volg mij.’
20 Toen Petrus zich omdraaide zag hij dat de leerling van wie Jezus
hield hen volgde – de leerling die zich tijdens de maaltijd naar
Jezus toegebogen had om te vragen wie het was die hem zou verraden. 21
Toen Petrus hem zag vroeg hij Jezus: ‘En wat gebeurt er met hem,
Heer?’ 22 Maar Jezus antwoordde: ‘Het is niet jouw zaak of
hij in leven blijft totdat ik kom. Maar jij moet mij volgen.’ 23
Op grond van deze uitspraak hebben sommige broeders en zusters gedacht
dat deze leerling niet zou sterven, maar Jezus had niet gezegd:
‘Hij zal niet sterven,’ maar: ‘Het is niet jouw zaak
of hij in leven blijft totdat ik kom.’
24
Het is deze leerling die over dit alles getuigenis aflegt, en het ook
heeft opgeschreven. Wij weten dat zijn getuigenis betrouwbaar is. 25
Jezus heeft nog veel meer gedaan: als al zijn daden, een voor een,
opgeschreven zouden worden, zou de wereld, denk ik, te klein zijn voor
de boeken die dan geschreven moesten worden.
Is Jezus wel echt opgestaan?
Was het graf werkelijk leeg? Wat gebeurde er eigenlijk tijdens de
verschijningen van Jezus, aan Maria Magdalena, Petrus en de andere
leerlingen?
Het zijn vragen die nog steeds gesteld worden als het om de verrijzenis
gaat. Vragen die o.a. te maken hebben met ons grote verlangen naar
zekerheid. En in de verrijzenis van Jezus zoeken velen de zekerheid van
een bestaan van leven ná de dood. Maar het moment van de
opstanding wordt door geen van de vier Evangelisten beschreven. Als
Maria Magdalena bij het graf aankomt, is de steen al weggerold. De
beweging die bij het graf heeft plaats gevonden was aan ieders
waarneming onttrokken. Dat onze gestorvenen geborgen zijn in God
behoort nog steeds én terecht tot ons levende geloof. Maar de
echte omwenteling van Pasen betreft veel meer dan alleen een eventueel
leven na de dood. Om die omwenteling op het spoor te komen zullen wij
opnieuw moeten gaan luisteren naar de paasverhalen. Dat kan lastig zijn
want ons luisteren is door velerlei invloeden bepaald.
De evangeliën ná Pasen vertellen ons over die verschijningen van Jezus aan zijn leerlingen
De evangelist Johannes vertelt hoe Jezus voor de eerste keer verschijnt
op de avond van de eerste dag van de week. Zijn leerlingen zijn bang
bij elkaar weggekropen. En hoewel de deur op slot was, staat Jezus
ineens in hun midden en toont hun zijn handen en zijn zijde. Thomas was
op dat moment niet aanwezig en Jezus verschijnt voor de tweede maal
wanneer ook Thomas aanwezig is en ook hij komt tot zién. En
Jezus verschijnt voor de derde keer aan het meer van Tiberias.
In deze verschijningsverhalen lijkt het alsof Jezus de hoofdpersoon is.
Hij is het immers die, desnoods door gesloten deuren heen, voor zijn
leerlingen staat en hun zijn zijde en zijn handen toont. Toch gaat het
in deze verhalen niet allereerst om Jezus die zijn leerlingen a.h.w.
het bewijs van zijn opstanding toont. Maar het gaat om zijn leerlingen:
hoe zij tot zién komen.
Want als Jezus aan hen verschijnt, is er in het evangelie steeds sprake
van zién: eerst, zoals Johannes ons laat weten in zijn
verrijzenisverhaal bij de leerling die Jezus liefhad, vervolgens bij
Maria Magdalena, en tot slot ook bij de ándere leerlingen,
inclusief Thomas Het zijn dus de leerlingen die centraal staan in de
verschijningsverhalen.
Aan het meer van Tiberias heeft een aantal van Jezus’ leerlingen
zich verzameld. Zo vlak na de dood van hun vriend en leraar zullen zij
zich verloren hebben gevoeld. Wellicht ook bedreigt, omdat zij
behoorden tot het gezelschap van iemand die op wrede wijze door de
autoriteiten werd geëxecuteerd. Zij staan daar met lege handen.
Hun jaren met Jezus: het heeft blijkbaar niks om het lijf gehad ....
Petrus, zo lezen we in het
evangelie, heeft dan ook slechts een onderkleed, een hemd aan. Maar
vreemd genoeg heeft de vertaler op dit punt een gekuiste versie nodig
gevonden. Want in de grondtekst lezen we dat Petrus niet eens in zijn
hemd staat. Er staat dat hij naakt was. Misschien droegen vissers in
die tijd geen kleding als ze het water opgingen om te vissen. Maar de
naakte Petrus kán ook een uitbeelding zijn van het gevoel dat de
jaren met Jezus niets om het lijf hebben gehad. Niets was beklijfd.
Petrus stelt de anderen dan ook voor om te gaan vissen. Hij is
kennelijk van plan om terug te keren naar zijn oude bestaan als visser.
Wellicht kunnen zij dan met elkaar nog eens terugkijken op die roerige
jaren met Jezus. De anderen sluiten zich bij zijn plan aan. Maar dat
blijkt niet zo eenvoudig te zijn: die nacht, zegt het evangelie, vingen
zij niets. Het evangelie laat ondubbelzinnig weten dat de weg terug
zeer moeilijk, zo niet onmogelijk is.
Maar dan wijkt de nacht voor het eerste licht van de morgen en degene
die óns als Jezus wordt aangewezen, verschijnt op de grens van
donker naar licht. Misschien omdat op dat tijdstip de vissers hun
nachtwerk beëindigen; misschien omdat de grens van donker naar
licht beeld is van het proces waarin het de leerlingen gaat dagen wat
verrijzenis betekent….
Op het woord van Jezus werpen zij het net opnieuw uit en nu raakt het vol en zwaar.
God regeert de wereld met zijn Woord: dat Woord dat mensen aanspreekt
en dat bezielende kracht in zich draagt. Johannes schreef zijn
evangelie rond het jaar 90 na Christus, zo ongeveer 60 jaar na de dood
van Jezus. Het beeld van dat net, vol en zwaar van vis, moeten we dan
ook verstaan met op de achtergrond de tijd waarin Johannes zijn
evangelie schreef. Het bevat een verwijzing naar de jonge kerk die toen
snel groeide. Het waren er zovelen, dat de leerlingen niet bij machte
waren het net op te halen. Het Woord – waarvan de mysticus
Ruusbroec zei – dat het geen gewicht heeft, al draagt het
hemel en aarde in zijn kracht. Als de leerlingen deze bezielende kracht
van Gods woord bij zovelen gewaar worden, weten zij: “het is de
Heer. Hij is aanwezig.”
Want het frappante in dit verschijningsverhaal is, dat het moment dat
de leerlingen weten dat Jezus aanwezig is, niet het moment is waarop
zij hem in fysieke zin herkennen. Zoals op weg naar Emmaüs wordt
hij ook hier niet herkend aan uiterlijkheden als lichaamslengte,
lichaamsbouw of haarkleur. Zijn tegenwoordigheid wordt ingezien, als
het net te zwaar is om op te halen. Zijn aanwezigheid wordt gezien in
de kracht van het Woord.
Als Petrus hoort “Het is de Heer” springt hij het
water in. Verdwenen is zijn naakte gevoel dat de jaren met Jezus niets
om het lijf hadden. Hij trekt zijn opperkleed aan, zo staat in de
grondtekst, en stort zich in zee. Oftewel: Petrus doopt zich in
Christus en bekleedt zich met Christus.
Dan verspringt het beeld dat de leerlingen hadden van degene die aan het meer verschijnt.
“Hebben jullie wat vis?” vraagt hij hen, als een
gast-in-wording die mee wil eten van de vis die zij gevangen hebben.
Maar als zij aan land stappen, brandt er al een vuur met vis erop en
brood. Het is dus niet een gast; hij is de gastheer. Zoals in
Emmaüs neemt hij ook hier het brood en geeft het hun en zo ook de
vis.
Op Zijn woord worden de netten in het water gegooid…
In Zijn naam wordt vis en brood gebroken en gedeeld….
In woord en teken is Hij tegenwoordig….
Hij is tegenwoordig waar het Woord tot leven komt en wordt tot brood,
tot voedsel voor velen dat nooit opraakt. Zoals in het verhaal van de
wonderbare broodvermenigvuldiging.
Dit verhaal is het verhaal van de leerlingen die het, op de grens van
donker naar licht, begint te dagen wat verrijzenis kan betekenen. Zij
herkennen de aanwezigheid van de Heer in de kracht van het Woord dat
tot voedsel wordt voor velen. Zij weten dan dat het de Heer is, maar,
zo vervolgt Johannes, niemand durft te vragen “ wie zijt
Gij?”
God blijft in het verborgene. “ Ik ben die Ik ben”, sprak
Hij tot Mozes. Zijn aanwezigheid is een verhulde aanwezigheid, is
verborgen in de bezielende kracht van het Woord dat zo tot leven komt
en brood wordt voor velen.
De inhoud van het paasgeloof van de leerlingen is niet allereerst dat
er leven is na de dood. Maar dat de weg van de gekruisigde Jezus het
centrum van hun verdere leven is. Niet als een man van weleer of als
een dode, maar als een levende aanwezigheid.
|