OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 024

DE ZAAIER

Mattheüs 13
24 Hij hield hun een andere gelijkenis voor:
‘Het is met het koninkrijk van de hemel als met een mens die goed zaad op zijn
akker uitzaaide. 25 Terwijl de mensen sliepen, kwam zijn
vijand onkruid tussen het graan zaaien en vertrok weer. 26 Toen het jonge gewas opschoot en vrucht begon te dragen, kwam
ook het onkruid tevoorschijn. 27 De knechten kwamen de heer
des huizes vragen: “Heer, hebt u soms geen goed zaad op uw akker gezaaid? Waar
komt dat onkruid dan vandaan?” 28 Hij antwoordde: “Dat is
het werk van een vijand.” De knechten zeiden tegen hem: “Wilt u dat wij er het
onkruid tussenuit wieden?” 29 Hij antwoordde: “Nee, want
dan zouden jullie met het onkruid ook het graan lostrekken. 30 Laat beide samen opgroeien tot aan de oogst, dan zal ik,
wanneer het oogsttijd is, tegen de maaiers zeggen: ‘Wied eerst het onkruid, bind
het in bundels bij elkaar en verbrand het. Breng dan het graan bijeen in mijn
schuur.’”’
BIJBELUITLEG OVER DE ZAAIER
Redevoeringen van Jezus
Het dertiende hoofdstuk van
het Mattheusevangelie bevat een redevoering van Jezus. In dit evangelie
staan zes redevoeringen van Jezus "opgetekend" de meest bekende daarvan
is de zogenoemde "bergrede". In werkelijkheid zijn deze redevoeringen
nooit zo door Jezus uitgesproken. Ze zijn door de schrijver van het
evangelie gecomponeerd. De redevoering in hoofdstuk 13 staat bekend als
de "rede in gelijkenissen"
In dit geval vormt "de zee" het decor. Een vissersboot dient als
spreekgestoelte. Zou het met opzet zijn, dat Mattheus Jezus eerder op
een berg plaatst, en hem nu bij de zee neerzet? Hoewel de gebeurtenis
zich afspeelt bij het meer van Gennesareth, wordt niet over "het meer"
gesproken, wat je zou verwachten, maar over "de zee": de zee heeft
altijd iets onheilspellends. Onder de vredige waterspiegel leven de
monsters, de machten die het leven kunnen bedreigen en die de orde in
een chaos kunnen doen verkeren.
Hoe dat ook zij: Mattheus vertelt ons dat Jezus op een scheepje
plaatsneemt. De schare staat aan de kant. Wordt daarmee gesuggereerd
hoe het leven van Jezus zich onderscheidt van dat van de schare? Het
zou allemaal kunnen, maar het blijven speculaties.
Voorafgaand aan hoofdstuk 13 vertelt Mattheus, dat Jezus over "de
moeder en de broeders van Jezus" zegt: wie is mijn moeder en wie zijn
mijn broeders? Mattheus vindt het klaarblijkelijk wel nodig om de vraag
op te werpen, wie er nu feitelijk wèl en niet gerekend mogen
worden tot de "Jezusbeweging".
Het belang van de details
De gelijkenis over de zaaier
is niet alleen te vinden in het evangelie volgens Mattheus: ook Marcus
en Lucas hebben deze gelijkenis in hun evangelie vermeld. Lang is men
bij bijbeluitleg ervan uitgegaan, dat de verschillende evangeliën
niet met elkaar in tegenspraak konden zijn. Tegenwoordig is men ervan
doordrongen dat de evangeliën elk hun eigen visie op Jezus
bevatten. Om het eigene te kunnen ontdekken kunnen details over de
wijze waarop het verhaal wordt ingekaderd, het woordgebruik, en vorm-
en stijlelementen van belang zijn.
De vele vragen, die de gelijkenis zelf oproept
De woorden "zaaier",
"zaaien" en "zaad" vormen de kernbegrippen in de gelijkenis. Je zou al
lezend nog even kunnen denken dat dit een gelijkenis is, die
gemakkelijk te begrijpen is: vaak is gezegd dat gaat om het woord dat
in harten van mensen wordt gezaaid; daar moet je naar luisteren en naar
leven. Wie zo leest vat deze gelijkenis op als een tamelijk
moraliserende "preek", die ons aanspoort tot een vroom leven. Maar zo
eenvoudig ligt het niet. Het zal ook niet toevallig zijn, dat alle
evangelisten plaats inruimen om de vraag aan de orde te stellen, waarom
Jezus niet klip en klaar zegt wat hij bedoelt, maar zijn boodschap
verpakt in gelijkenissen. Mattheus haalt daarbij, als enige, een citaat
van Jesaja bij aan: over mensen die "ziende blind zijn en horende
doof". Daaruit mogen we toch opmaken dat we, in elk geval in de ogen
van Mattheus, niet al te gauw moeten menen dat we al begrijpen waar het
in deze gelijkenis om gaat.
Wie is bedoeld "de zaaier"?
Wat is precies bedoeld met "het zaad"?
Wat heeft de verteller in gedachten, wanneer hij de verschillende bodemgesteldheden beschrijft waarop het zaad valt?
En wat dat spreken in gelijkenissen betreft: wat moeten we daarvan
denken? Gaat het hier over een Christendom voor een kleine besloten
kring? Een bevoorrechte groep? En is dat dan wel in overeenstemming met
de universele betekenis Jezus' komst in deze wereld?
Dat zijn belangrijke vragen, die niet gemakkelijk te beantwoorden zijn.
Toch zouden we graag willen weten wat het evangelie volgens Mattheus
inhoudt, en wat hij ons door dit verhaal wil doen begrijpen.
Het evangelie volgens Mattheus
Het evangelie van Mattheus
begint met de woorden: "Boek van de wording (Gr. "genesis") van Jezus
Christus, zoon van David, zoon van Abraham". Misschien is dat wel een
soort programma: het gaat Mattheus in zijn boek dan om een
wordingsgeschiedenis, die je zou kunnen omschrijven als "het groei van
het koninkrijk". Zou God de zaaier zijn? En Jezus het zaad, dat moet
sterven om vervolgens vrucht voort te brengen?
De redevoering in hoofdstuk 13 vormt een onderdeel van het grotere
geheel binnen dit evangelie, dat wordt ingeleid met de woorden "Vanaf
dat moment begon Jezus te verkondigen en te zeggen: bekeert u want het
koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Mattheus 4:17). En het is dus
ook niet toevallig dat Mattheus Jezus, bij de uitleg van deze
gelijkenis laat zeggen: "Ieder die het woord van het koninkrijk
hoort...." (Mattheus 13:19)? Mattheus betrekt zo de gelijkenis over de
zaaier op wat je "het hoofdmotief" van dit evangelie zou kunnen noemen
- het koninkrijk dat doorbreekt. Dit wordt ook bevestigt door het
vervolg van deze "redevoering in gelijkenissen": na de gelijkenis over
de zaaier volgt een serie andere gelijkenissen over het koninkrijk der
hemelen: dat is als zaad dat vanzelf groeit, als mosterdzaad, dat
verborgen is als een parel in een akker, en zo verder. U kunt dit zelf
nalezen: deze redevoering eindigt bij Mattheus 13:53.
Een andere bijzonderheid bij Mattheus is, dat hij Jezus heel
persoonlijk laat worden wanneer hij aan zijn leerlingen uitleg geeft:
"Als iemand (enkelvoud!) het woord van het koninkrijk wel hoort, maar
niet begrijpt...." Je zou hieruit ook kunnen opmaken, dat je bij "het
zaad" in de ogen van Mattheus aan mensen moet denken. In de eerste
plaats natuurlijk aan Jezus zelf. Maar vervolgens ook aan zijn
leerlingen! De lijn van het Mattheus-evangelie bestaat daaruit, dat het
koninkrijk de hemelen doorbreekt met de komst van Jezus, maar dat die
hele beweging stil valt bij zijn dood, om daarna weer opnieuw tot leven
te komen - ja, vrucht te dragen.
Misschien wel minder uitbundig dan je zou hopen: uit de de wijze waarop
Mattheus de gelijkenis vertelt spreekt ook de frustratie, die mensen
kunnen opdoen bij het zaaien: al die moeite, en waarvoor? Hierin
klinken ongetwijfeld ervaringen door van mensen, die met hooggespannen
verwachtingen begonnen waren aan de navolging van Jezus, en die er -
gedachtig aan wat hij had gezegd: "maakt je niet bezorgd over wat je
zult eten en hoe je je zult kleden, want je hemelse Vader weet wat je
nodig hebt" (zie aan het einde van de "bergrede", Mattheus 6:32) - erop
uit waren getrokken met achterlating van al hun zekerheden. Het is deze
frustratie, die voor ons de gelijkenis herkenbaar kan maken: waaraan
kan een mens inspiratie ontlenen, en waardoor kunnen we ons laten
bemoedigen als duidelijk wordt dat het heil niet maakbaar is en
misschien wel langer op zich laat wachten dan we hadden gehoopt?
Het antwoord op die vraag kan nooit simpel zijn; mogelijk verklaart dat
ook het spreken van Jezus in gelijkenissen: het gaat er daarbij niet om
dat Jezus niet duidelijk wil zijn, maar dat hij niet duidelijk kan
zijn. Het geheim van Gods heil moet worden "verstaan". Wat betreft het
spreken in gelijkenissen: het gaat er niet om dat het heil verborgen
moet blijven; het gaat er juist om dat de geheimenissen worden
verstaan! En dat valt niet mee, wanneer de machten van de duisternis
het steeds weer lijken te winnen.
"En tòch.....", lijkt Mattheus te willen zeggen: ziende op wat
er in zijn dagen gebeurt: er is weldegelijk oogst - al kan het zijn dat
die soms wat tegenvalt: "bij de een is de opbrengst honderdvoudig, bij
een ander zestigvoudig en bij nog weer een ander dertigvoudig"
(Mattheus 13:23). Hoe staat het met de oogst in ons eigen bestaan?
|