Lucas 18
9 Met het oog op sommigen die zichzelf rechtvaardig vinden
en anderen minachten, vertelde hij de volgende gelijkenis. 10 ‘Twee mensen gingen naar de tempel om te bidden, de een was
een farizeeër en de ander een tollenaar. 11 De farizeeër
stond daar rechtop en bad bij zichzelf: “God, ik dank u dat ik niet ben als de
andere mensen, die roofzuchtig of onrechtvaardig of overspelig zijn, en dat ik
ook niet ben als die tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per
week en draag een tiende van al mijn inkomsten af.” 13 De
tollenaar echter bleef op een afstand staan en durfde niet eens zijn blik naar
de hemel te richten. In plaats daarvan sloeg hij zich op de borst en zei: “God,
wees mij zondaar genadig.” 14 Ik zeg jullie, hij ging naar
huis als iemand die rechtvaardig is in de ogen van God, maar die ander niet.
Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, maar wie zichzelf vernedert zal
verhoogd worden.’
De Farizeeër en de Tollenaar - De erfgenamen van het koninkrijk van God
‘Het christendom kwam in de
wereld, en leerde dat ge niet hoogmoedig en ijdel u op de eerste plaats moet
zetten aan het feestmaal, maar de laagste plaats moet kiezen en weldra zaten
hoogmoed en ijdelheid ijdel en wel onderaan, op de laagste plaats, dezelfde
hoogmoed, neen zelfs een ergere. Sinds de Jezus de gelijkenis van de farizeeër
en de tollenaar heeft gesproken, bidt de farizeeër als een tollenaar’
Sören Kierkegaard
Deze uitspraak maakt duidelijk,
dat het niet zo simpel is om over ‘goed en kwaad’, ‘echt en slecht’,
‘oprechtheid en huichelachtigheid’ te spreken. Soms liggen ze heel dicht bij
elkaar, soms lopen ze zonder erg in elkaar over, soms slaat het een in het ander
om. De farizeeër kan als tollenaar verkleed gaan, de vos kan de passie preken,
een wolf kan in schaapskleren verschijnen, de duivel kan zich voordoen als een
engel des lichts.. En de gelijkenis noopt je er bijna toe te zeggen: en vice
versa…
’t Is gewoon waar, wat
Kierkegaard signaleerde: Zo gaat dat in het leven en in de
kerk.
Laten we met deze waarschuwingen
in het achterhoofd, de gelijkenis nog eens op ons laten inwerken:
Twee mensen worden ons voor ogen
gesteld. Het zijn twee ‘typen’, d.w.z. ze staan voor twee ‘soorten’ mensen.
Zulke ‘typische’ tweetallen kom je vaker tegen in de Schrift. Ze zijn
pedagogisch-didactisch bedoeld. Ze zijn vaak elkaars tegenbeeld en in hun
onderlinge interactie, betrokkenheid beelden ze iets wezenlijks af, dat in
ieder mens zit.
Ze zijn elkanders tegenpool,
maar we moeten ze dus niet tegen elkaar uitspelen / wegstrepen, maar beseffen
dat ze samen de ‘hele mens’ zijn. De mens is een tweeling, heeft in zich
tegengestelde tendenzen, twee gezichten soms: een binnen- en een buitenkant, een
primaire persoonlijkheid en een verborgene eronder, die vaak erg sterk met die
ander contrasteert… een lieve kant, maar ook een kwaaie kant: afin noem maar op:
Animus.. Anima.
Een gelijkenis brengt die
innerlijke dubbelheid in de mens onder woorden door ze naar buiten te
brengen en in twee personen vorm te geven. Twee typen, anti-typen…. En
door ze ze zo tegenover elkaar te zetten kun je de interne spanning waarin ieder
mens met zichzelf staat aan de orde stellen. Kaïn en Abel; Jakob en Ezau;
een vader had twee zonen…twee moordenaars naast Jezus aan het kruis… Als je ze
op elkaar betrekt onhullen al deze tweetallen iets essentieels over de mens.
Terug naar onze gelijkenis
In deze gelijkenis zijn het twee
mensen uit het leven gegrepen. De hoorders van Jezus zagen het allemaal meteen
voor zich, met bijpassend waardeoordeel: De rechtvaardige bij uitnemendheid en
de onrechtvaardige bij uitstek, de farizeeër en de tollenaar.
Als die elkaar tegenkomen op
straat, dan zou dat nooit tot een ontmoeting leiden. Met een grote boog zou de
farizeeër om de tollenaar heen lopen en de tollenaar: die ziet de farizeeër als
tolplichtige.. belastingbetaler.
Jezus laat ze samenkomen in deze
gelijkenis. Hij neemt ze daarvoor uit het gewone leven en zet ze in de tempel.
“Twee mensen
gingen op naar de tempel om te bidden..”
U kent het gebouw wel met z’n
beroemde driedeling: de voorhof (daar mocht iedereen nog komen), het heilige
(waar enkel priesters waren toegelaten) en het ‘heilige der heiligen’, waar
enkel de hogepriester kwam eenmaal per jaar op de grote
verzoendag..
Eigenlijk een zeer eigenaardig
gebouw. In zijn architectuur alleen al onderstreept het de oneindige afstand
tussen God en mens. Het is dat de hogepriester nog één keer het allerheiligste
betreden mag, zij het onder veel voorzorgsmaatregelen, plichtplegingen en
zoenoffers, want anders zou je geneigd zijn te zeggen: God en mens.. never the
twain shall meet.
Ookal hoort men tot het volk van
God, het verbondsvolk, Israel, dan nog kan men niet zómaar tot God naderen.
grote delen van de thora onderstrepen juist dàt. Het heilige is heilig,
apartgezet.. gedeeltelijk taboe.. een mens kan daar niet zomaar binnentreden..
Daar is God…
Behoedt uw voet, wanneer gij
naar des HEREN huis gaat, zegt ook de overigens zo
relativerende Prediker.
Welnu, als de farizeeër deze
heilige ruimte binnenkomt, overvalt hèm geen verlegenheid. Hij kent geen
aarzeling, hij ‘behoedt zijn voet niet’; hij houdt zijn voet niet in, neen hij
stapt stevig door en betreedt de gewijde grond alsof het zijn eigen is. Hij
voelt zich daar thuis. Hij is daar met recht en reden en mag daar ook
zijn.
Met een gerust hart kan hij de
woorden van psalm 24 in de mond nemen. Zijn handen zijn rein en zijn hart is
zuiver, valsheid en bedrog kent zijn ziel niet.. Recht is zijn weg, en
rechtlijnig zijn gedachten.
Hij vast, niet eenmaal per week,
neen tweemaal, en het surplus is voor de zonden van het volk. Hij geeft tienden
niet enkel van het belastbaar inkomen, neen, van al zijn inkomsten.
Aftrekpostjes wìl hij niet eens kennen. De armen moeten geholpen worden, royaal.
Daarop moet je niet beknibbelen.
Welk een nobel mens. Handel en
wandel, leer en leven zijn bij hem één. Hier is echt een rechtvaardige, een
tsaddiek, een mens, die zichzelf rein heeft bewaard van de wereld, een mens
zonder blaam of smet, zuiver van hart en handen, puur van
ziel…
… zij het, dat heel zijn
lofrede onder een verkeerd voorteken staat… Ze begint met:
Heer, ik dank u dat ik niet
ben zoals de andere mensen..
Hij is anders, béter dan de
andere mensen. Hij zondert zichzelf af van de rest van de mensheid, daar heeft
hìj niets mee van doen, daar wil hij ook niets mee van doen hebben. Daarom heet
heet hij ook farizeeër, afgescheidene.
Zelfverheffing is de
bekoring bij uitstek voor mensen, die van zichzelf weten dat ze goed zijn
en goed doen. En dat is ook zo, ze doen goed, ze zijn goed. Zelfverheffing: dat
is verbreking van de band met de naasten, de medemensen, de mindere broeders… En
natuurlijk nìet openlijk als deze farizeeër… Neen, je mag het van jezelf nog
niet eens weten… Maar je weet het wel.
Hoe was het ook al weer: Een
gelijkenis stelt openlijk aan de orde wat zich in de binnenkamer van een
mensenhart afspeelt.
De farizeeër brengt zijn eigen
rechtvaardigheid mee, wanneer hij in de tempel komt..
Maar juist daarom moet hij die
straks verlaten zonder rechtvaardiging.
Op het moment, dat je zegt
‘Ik ben rechtvaardig’, schrijft Elie
Wiesel,
precies op dat moment, ben je
het niet meer.
Daarom gaat hij heen gelijk hij
gekomen is: even rechtvaardig in zichzelf, maar even ongèrechtvaardigd door
God.
Dat we niet in de fout moeten
vervallen deze farizeeër tot prototype van alle vrome joden te maken spreekt,
hoop ik, voor zich…
En dan is er die tweede man, die
tweede mens, die opgaat naar de tempel. De tollenaar. Hij voelt zich helemaal
nìet op zijn gemak, daar in die tempel. De farizeeër zag hem vanuit zijn ooghoek
en breidde spontaan zijn gebed uit met een sneer in de richting van de
tollenaar.. Heer ik dank u dat ik niet zo ben als al die andere boeven van
mensen, of zoals die tollenaar daar.. In de tempel, waar de farizeeër
kind aan huis lijkt te zijn en de tollenaar zich een vreemdeling voelt, hier is
de farizeeër superieur.
En hij heeft natuurlijk groot
gelijk, de farizeeër, zoals hij altijd gelijk heeft. Wat die tollenaar wel niet
allemaal deed, afgrijselijk voor een rechtgeaard en vrome burger. Hij heulde met
de vijand, hij was fout, een zwarte, hij perste de mensen af, hij profiteerde
schaamteloos van zijn positie.. en wat het ergste was.. hij leefde royaal van…
mìjn… geld.
Onverdragelijk, zo’n
vent.
Die heeft hier toch niets te
zoeken in Gods huis.
Hij mag hier niet eens zijn. Hoe
was het ook al weer, psalm 24:
Wie mag de berg des HEREN
beklimmen,
wie mag staan in zijn heilige
stede?
Die rein is van
handen en zuiver van hart,
die zijn ziel
niet op valsheid richt,
noch bedrieglijk
zweert..
Welwel.. eruit met die
tollenaar. Hij vloekt alleen al door zijn aanwezigheid daar met de heiligheid
van de tempel. De verachting van de farizeeër is begrijpelijk en
terecht..
… op één punt na, dat is op het
punt van de rechtvaardiging.
Daar gaat de rechte lijn van
denken van de farizeeër niet op.
Zonder rechtvaardigheid was de
tollenaar tot de tempel gekomen. Gèrechtvaardigd keert hij terug naar
huis…
Hij had niets te zoeken in de
tempel.. maar toch kwam hij daar iets zoeken. En aan zoeken is in de
bijbel een belofte verbonden: Zoekt en gij zùlt vinden..
Verder dan de ingang brengt hij
het niet. Hij staat van verre.. maar hij is in Gods huis
En daar woont God zelf, daar
wordt zijn heil verkregen..
De tollenaar beseft, dat hij
geen recht heeft, geen gelijk, geen voet om op te staan. Hij heeft ook geen
gebed meer overgehouden.. Heer, wij weten niet wat wij bidden zullen..
Daar is enkel nog die kreet, uit de diepten der ellende: O God, wees mij
zondaar genadig.
Hij heeft niets anders in te
brengen bij God, dan zijn schuld. Zijn hele lichaam onderstreept dit als het
ware. In plaats van zijn handen omhoog te heffen als een gewone bidder, slaat
hij zich er mee op zijn borst. In plaats van zijn ogen opwaarts naar de hemel te
heffen, slaat hij ze neer.
Toch… diep verscholen onder de
belijdenis van zijn schuld klinkt de belijdenis van zijn
geloof.
Dàt hij nog bidt, is daarvan het
bewijs. Dàt hij dan toch nog naar de tempel is gegaan, is daarvan het teken. Hij
vertrouwt zich toe aan God, volledig, Hij geeft zich over op genade of ongenade
levert hij zichzelf uit aan God, en als dat geen geloof is, weet ik het niet
meer.
De genade, gemeente, waaraan de
tollenaar zijn leven hier ophangt, waar van zijn leven dan ook echt afhangt, met
die genade is iets bijzonders aan de hand…
In ons rechtsysteem, is genade
een correctie van het recht in onduidelijke gevallen of bedoeld om
ongewenste implicaties van het vonnis te voorkomen, denkt u maar aan
‘gratieverlening’. Gods genade echter is iets anders, het is geen mindere
vorm van recht, maar integendeel het hoogste recht.
Want als God deze zondaar
genadig is, dan doet Hij hem tegelijk recht.
Dat recht heet hier dan wel
‘genade’, maar het is toch wel degelijk recht. Deze gelijkenis doet ons dat
voelen, meer dan dat ze het beredeneert, want zeg nou zelf: Als wij deze
gelijkenis horen, dan getuigt onze geest a.h.w. met Gods geest, dat God geen
onrecht doet, als Hij genadig is en deze ellendige zondaar
aanneemt en de eigendunkelijke farizeeër ledig heenzendt.
Deze gelijkenis doet ons voelen,
dat genade het hart en de kern van het recht is, het hoogste recht. Gods recht
is verrassend, verfrissend, levenschenkend. Gods recht is in zijn hoogste
ontplooiing, juist genadig.
Gods recht geschiedt op een
manier waarop wat wij recht en billijk noemen…. wordt gestuit en in zijn
beperkte baan wordt teruggewezen. Dat is wat de farizeeër niet begrepen had.
Hij meende dat het begrip
‘rechtvaardig’ bestond in het maken van een optelsom van goede eigenschappen en
daden… Hij had niet door dat God ècht alleen maar het hart aanziet, d.w.z. peilt
wat er in de mens is, ten diepste en dàt laat doorwegen in zijn eeuwig oordeel.
En dan kan een hart dat zo klein
is als een ootje -- ootmoedig -- omdat het weet dat de optelsom van al het
goede bepaalt niet zo spectaculair zal zijn…. en dat hart doet dat pijn, dat dat
zo is… maar zo is het…. zo’n hart peilt God en zulk een mens zendt God
gerechtvaardigd naar huis, d.w.z . terug het leven in.
Gemeente, ik begon met te zeggen
dat deze beide uitersten, typen zijn van de ene mens. Iets van beiden hebben wij
allemaal in ons. Twee zielen wonen in ons, twee strevingen drijven ons, van
buiten zijn we niet wie we van binnen zijn en van binnen zijn we ook niet altijd
zo blij met onszelf.
Maar waar het opaan komt, zo
leert ons deze gelijkenis, is dat wij
a. eerlijk zijn ten opzicht van
onszelf (zelfkennis) en b. ons niet verheffen boven anderen en
c. dat wij nog iets van God
verwachten (Godskennis). Deze elementen maken van het meest verloren leven een
hoopvol gebeuren.