OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 021

JEZUS KRIJGT ZURE WIJN TE DRINKEN

Mattheüs 27:33-34
Bij de kruisiging
33
En gekomen zijnde tot de plaats, genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,
34
Gaven zij Hem te drinken edik met gal gemengd; en als Hij dien gesmaakt had, wilde Hij niet drinken.
Het lijdensverhaal van Onze Heer Jezus Christus volgens Johannes
- Joh 18,1 - 19,52 -
Na dit gebed vertrok Jezus met zijn leerlingen naar de overkant van de
Kedronbeek*. Daar lag een tuin*, waar Hij met zijn leerlingen
binnenging. [2] Ook Judas, die Hem ging overleveren, kende de plaats,
want Jezus was er vaak met zijn leerlingen samengekomen. [3] Zo kwam
Judas erheen met de cohort* en een aantal gerechtsdienaren van de
hogepriesters en farizeeën, voorzien van fakkels, lantaarns en
wapens.
[4] Jezus, die alles wist wat Hem zou
overkomen, trad naar voren en vroeg: ‘Wie zoekt u?’ [5] Ze
antwoordden: ‘Jezus, de Nazoreeër*.’ ‘Ik* ben
het’, zei Hij, terwijl* Judas, die Hem overleverde, erbij stond.
[6] Nauwelijks had Hij gezegd: ‘Ik ben het’, of ze deinsden
achteruit en vielen op de grond. [7] Nogmaals stelde Hij hun de vraag:
‘Wie zoekt u?’ ‘Jezus, de Nazoreeër’,
zeiden ze. [8] Jezus antwoordde: ‘Ik zei u al: Ik ben het. Als Ik
de man ben die u zoekt, laat hen dan gaan.’ [9] Zo zou het woord
in vervulling gaan dat Hij gesproken* had: ‘Van hen die U Mij
hebt toevertrouwd, heb Ik niemand verloren laten gaan.’
[10] Daarop trok Simon Petrus het zwaard dat
hij bij zich had, raakte de knecht van de hogepriester en sloeg hem het
rechteroor af. De knecht heette Malchus. [11] Maar Jezus zei tegen
Petrus: ‘Steek dat zwaard in de schede. Zou Ik de beker niet
drinken die de Vader Mij gegeven heeft?’ [12] Toen grepen de
cohort met haar tribunus* en de Joodse gerechtsdienaren Jezus vast en
boeiden Hem.
Jezus voor de hogepriester – door Petrus verloochend
[13] Ze brachten Hem eerst naar Annas*. Hij was de schoonvader van
Kajafas, die dat jaar hogepriester was, [14] dezelfde Kajafas die de
Joden de raad had gegeven: u hebt er alle belang bij dat
één mens sterft voor het volk. [15] Nu waren Simon Petrus
en nog een andere* leerling Jezus gevolgd. Deze leerling was een kennis
van de hogepriester en ging tegelijk met Jezus het paleis van de
hogepriester binnen. [16] Petrus was buiten aan de poort blijven staan;
daarom ging de andere leerling, de kennis van de hogepriester, met de
portierster praten en bracht toen Petrus naar binnen. [17] Het meisje
aan de poort zei tegen Petrus: ‘Bent u ook niet een van de
leerlingen van die man?’ – ‘Ik? Welnee!’ zei
hij. [18] De knechten en de gerechtsdienaren stonden zich te warmen bij
een houtskoolvuur dat ze hadden aangelegd omdat het zo koud was. Ook
Petrus stond zich bij hen te warmen.
[19] De hogepriester ondervroeg Jezus over
zijn leerlingen en zijn leer. [20] Jezus antwoordde hem: ‘Ik heb
openlijk, voor de hele wereld, gezegd wat Ik te zeggen had; Ik heb
altijd onderricht gegeven waar alle Joden samenkomen: in een synagoge*
of in de tempel*; nooit had Ik iets in het geheim te zeggen. [21]
Waarom ondervraagt u Mij? Ondervraag degenen die gehoord hebben wat Ik
te zeggen had: die weten heel goed wat Ik gezegd heb.’ [22] Op
dit woord gaf een van de dienaren, die erbij stond, Jezus een klap in
het gezicht en zei: ‘Is dat de manier waarop je de hogepriester
antwoord geeft?’ [23] Waarop Jezus zei: ‘Als Ik iets
verkeerd gezegd heb, toon dan aan wat er verkeerd aan was; maar als het
ter zake was, waarom slaat u Me dan?’ [24] Toen stuurde Annas Hem
geboeid naar de hogepriester Kajafas.
[25] Terwijl Simon Petrus zich stond te
warmen, vroeg men hem: ‘Bent u soms ook een van zijn
leerlingen?’ Hij ontkende het: ‘Ik? Welnee!’ zei hij.
[26] Toen zei een van de knechten van de hogepriester, een bloedverwant
van de man bij wie Petrus een oor had afgeslagen: ‘Ik heb u toch
bij Hem in de tuin gezien?’ [27] Opnieuw ontkende Petrus het, en
op hetzelfde ogenblik kraaide er een haan.
Jezus voor Pilatus
[28] Men bracht Jezus toen van Kajafas naar het pretorium*. Het was
vroeg in de ochtend. De* Joden gingen het pretorium niet binnen, om
geen onreinheid op te lopen en het paaslam* te kunnen eten. [29] Daarom
kwam Pilatus naar buiten en vroeg: ‘Welke aanklacht brengt u
tegen deze man in?’ [30] Ze gaven hem ten antwoord: ‘Als
Hij geen misdadiger was, zouden we Hem niet aan u hebben
overgeleverd!’ [31] Daarop* zei Pilatus: ‘Dan moet u Hem
zelf maar volgens uw wet berechten.’ De Joden antwoordden:
‘Wij hebben het recht niet om iemand ter dood te brengen.’
[32] Zo zou het woord van Jezus in vervulling gaan waarmee Hij had
aangekondigd op* welke manier Hij zou sterven.
[33] Toen ging Pilatus het pretorium weer
binnen en riep Jezus bij zich. ‘Bent U de koning van de
Joden?’ vroeg hij. [34] Jezus antwoordde*: ‘Bent u daar
zelf op gekomen of hebben anderen u over Mij verteld?’ [35]
‘Ben ik soms een Jood?’ zei Pilatus. ‘Uw eigen volk,
uw hogepriesters, hebben U aan mij overgeleverd. Wat hebt U
gedaan?’ [36] Jezus antwoordde: ‘Mijn koningschap* is niet
van deze wereld. Als mijn koningschap van deze wereld was, zouden mijn
dienaars er wel voor gevochten hebben dat Ik niet aan de Joden werd
overgeleverd. Mijn koningschap is echter niet van deze wereld.’
[37] ‘U bent dus toch koning?’ zei Pilatus.
‘Ja’, zei Jezus, ‘Ik ben koning: met geen andere
bestemming ben Ik geboren en in de wereld gekomen dan om te getuigen
van de waarheid. Iedereen die uit* de waarheid is, luistert naar mijn
stem.’ [38] ‘Waarheid?’ zei Pilatus. ‘Wat* is
waarheid?’
[38] Na deze woorden kwam hij weer naar buiten
en zei tegen de Joden: ‘Ik acht Hem volstrekt onschuldig. [39]
Maar u bent gewend dat ik ter gelegenheid van het paasfeest iemand
vrijlaat. Zal Ik dus de koning van de Joden vrijlaten?’ [40]
‘Nee, Hem niet,’ riepen ze terug, ‘maar
Barabbas!’ Barabbas was een bandiet.
Pilatus gelastte toen Jezus te geselen. [2] De soldaten vlochten een
krans van doorns, zetten die op zijn hoofd en wierpen Hem een
purperrode mantel om de schouders. [3] Daarna kwamen ze om de beurt
naar Hem toe en zeiden: ‘Gegroet, koning van de Joden!’ En
ze gaven Hem klappen in het gezicht.
[4] Pilatus kwam weer naar buiten en zei:
‘Luister, ik laat Hem naar buiten brengen om u duidelijk te maken
dat ik Hem volstrekt onschuldig acht.’ [5] Jezus kwam dus naar
buiten, met zijn doornenkrans en zijn purperrode mantel. ‘Hier is
Hij dan – de mens’, zei Pilatus. [6] Zodra ze Hem zagen
begonnen de hogepriesters en hun dienaren te schreeuwen:
‘Kruisigen, kruisigen!’ Waarop Pilatus zei: ‘Dan moet
u Hem zelf maar kruisigen; ik acht Hem onschuldig.’ [7] De Joden
antwoordden: ‘Wij houden ons aan de wet, die zegt dat Hij ter
dood gebracht moet worden omdat Hij zich voor Zoon van God
uitgeeft.’ [8] Toen Pilatus dat hoorde, werd hij pas echt
ongerust.
[9] Hij ging het pretorium weer binnen en
stelde Jezus de vraag: ‘Waar* komt U vandaan?’ Maar Jezus
gaf geen antwoord. [10] ‘U spreekt niet tegen Mij?’ zei
Pilatus. ‘U weet toch dat ik de macht heb om U vrij te laten,
maar ook de macht om U te laten kruisigen?’ [11] Jezus
antwoordde: ‘U zou over Mij geen enkele macht hebben als u dit
niet door de hemel vergund was. De zwaarste schuld ligt dan ook bij hem
die Mij aan u heeft overgeleverd.’
[12] Toen begon Pilatus alles in het werk te
stellen om Hem vrij te laten. Maar de Joden schreeuwden: ‘Als u
zo iemand vrijlaat, verliest u de gunst van de keizer. Wie zichzelf tot
koning maakt, komt in verzet tegen de keizer.’ [13] Toen Pilatus
hen zo hoorde spreken, liet hij Jezus naar buiten brengen en
plaatsnemen* op een verhoging, het zogeheten Plaveisel, in het
Hebreeuws Gabbata. [14] Het was de voorbereidingsdag* voor Pasen,
ongeveer het zesde uur. Toen zei Pilatus tegen de Joden: ‘Hier is
Hij dan – uw koning.’ [15] Maar ze schreeuwden: ‘Weg,
weg met Hem! Aan het kruis met Hem!’ ‘Zal ik dan uw koning
kruisigen?’ vroeg Pilatus. Maar de hogepriesters antwoordden:
‘We hebben geen koning, we hebben alleen de keizer!’ [16]
Toen leverde hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden.
Kruisiging en dood van Jezus
[16] Ze* namen Jezus dus over.
[17] Hij droeg* zelf het kruis en ging de stad uit, naar het zogeheten
Schedelveld, in het Hebreeuws Golgota. [18] Daar werd Hij gekruisigd en
met Hem twee anderen, aan weerskanten één, en Jezus in
het midden. [19] Op het bordje dat op het kruis werd aangebracht, had
Pilatus laten schrijven: ‘Jezus, de Nazoreeër, koning van de
Joden.’ [20] Dit opschrift kregen heel wat Joden te lezen, want
de plaats waar Jezus gekruisigd was, lag dichtbij de stad; en het stond
er in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. [21] De Joodse
hogepriesters zeiden tegen Pilatus: ‘U moet niet schrijven:
“Koning van de Joden”, maar dat Hij gezegd heeft: “Ik
ben de koning van de Joden.” ’ [22] Pilatus antwoordde hun:
‘Wat ik geschreven heb, blijft geschreven.’
[23] Toen* de soldaten Jezus hadden
gekruisigd, verdeelden ze zijn kleren in vieren, voor iedere soldaat
een deel. Maar er was ook nog de lijfrok: die was naadloos, van bovenaf
uit één stuk geweven. [24] Daarom zeiden ze tegen elkaar:
‘Die mogen we niet stukscheuren; laten we hem liever onder elkaar
verloten.’ Zo moest het schriftwoord in vervulling gaan dat zegt:
Ze hebben mijn kleren onder elkaar verdeeld, en om mijn kleding hebben
ze gedobbeld. Dit hebben de soldaten inderdaad gedaan.
[25] Intussen* stonden bij het kruis van Jezus
zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en
Maria van Magdala. [26] Jezus zag zijn moeder, en bij haar de leerling
van wie Hij hield. Toen zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, daar
is nu je zoon.’ [27] Vervolgens zei Hij tegen de leerling:
‘Daar is je moeder.’ Toen, van dat uur af, nam de leerling
haar bij zich in huis op.
[28] Jezus* wist dat alles thans volbracht
was. Daarom zei Hij – want de Schrift moest ten volle in
vervulling gaan – ‘Ik heb dorst.’ [29] Er stond daar
een kruik met zure wijn. Ze doopten er een spons in, staken die op een
hysopstengel en brachten die aan zijn mond. [30] Toen Jezus van die
wijn gedronken had, zei Hij: ‘Het is volbracht.’ Daarop
boog Hij het hoofd en gaf* Hij de geest.
Doorboring van Jezus' zijde
[31] Omdat het voorbereidingsdag* was en de Joden niet wilden dat er op
sabbat lijken aan het kruis zouden hangen – het was nog wel een
heel bijzondere sabbat – vroegen ze aan Pilatus of men hun de
benen mocht breken en hen weghalen. [32] Daarop kwamen de soldaten de
benen breken van zowel de eerste als de tweede die met Hem gekruisigd
was. [33] Maar toen ze bij Jezus kwamen en zagen dat Hij al dood was,
braken ze zijn benen niet. [34] Wel doorstak een van de soldaten met
een lans zijn zijde, en meteen kwam er bloed* uit en water. [35]
Hiervan getuigt iemand* die het gezien heeft – zijn getuigenis is
betrouwbaar en hij is er zeker van dat hij de waarheid spreekt –
opdat ook u zult geloven. [36] Want dit alles is geschied omdat* het
schriftwoord in vervulling moest gaan: Geen been van Hem zal worden
verbrijzeld, [37] terwijl nog een ander* schriftwoord zegt: Ze zullen
opzien naar Hem die ze hebben doorstoken.
Begrafenis van Jezus
[38] Hierna ging Jozef van Arimatea, een leerling van Jezus –
maar in het geheim, uit vrees voor de Joden – aan Pilatus vragen
of hij het lichaam van Jezus mocht weghalen, en deze stond het toe.
Jozef kwam dus het lichaam weghalen. [39] Ook Nikodemus, die indertijd
’s nachts naar Jezus toe was gekomen, was daar en had een mengsel
meegebracht van mirre* en aloë, ongeveer honderd* litra’s.
[40] Ze bonden het lichaam van Jezus in linnen doeken, samen met de
kruiden, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. [41] Op de
plaats waar Hij gekruisigd was lag een tuin, en in die tuin lag een
nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet. [42] Omdat het de
Joodse voorbereidingsdag was en het graf dichtbij lag, legden ze Jezus
daarin neer.
|