OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 015

DE SCHAAPHERDER

Psalm 23
1 Een psalm van David.
De HEER is mijn herder,
het ontbreekt mij aan niets.
2 Hij laat mij rusten in groene weiden
en voert mij naar vredig water,
3 hij geeft mij nieuwe kracht (23:3) hij geeft mij nieuwe kracht
– Ook mogelijk is de vertaling: ‘hij brengt mij behouden
terug’.en leidt mij langs veilige paden
tot eer van zijn naam.
4 Al gaat mijn weg
door een donker dal,
ik vrees geen gevaar,
want u bent bij mij,
uw stok en uw staf,
zij geven mij moed.
5 U nodigt mij aan tafel
voor het oog van de vijand,
u zalft mijn hoofd met olie,
mijn beker vloeit over.
6 Geluk en genade volgen mij
alle dagen van mijn leven,
ik keer terug in het huis van de HEER
tot in lengte van dagen.
Een overbekende Psalm
Psalm
23 is een psalm, waarin de dichter spreekt over JHWH als zijn Herder,
die zijn leven richting geeft, zelfs in moeilijke omstandigheden. In
het opschrift wordt de psalm toegeschreven aan David, die een
herdersjongen was toen hij door Samuel tot koning werd gezalfd[1]. De
psalm kan dus beschouwd worden als een van de oudst bekende pastorales.
Psalm 23 is een van de bekendste psalmen. Hij is op veel verschillende
manieren berijmd en op muziek gezet. De psalm wordt soms geciteerd of
gezongen bij moeilijke omstandigheden, zoals een begrafenis.
Hieronder de tekst van psalm 23 volgens de Statenvertaling
Een psalm van David. De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.
Hij doet mij neerliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Hij verkwikt mijn ziel; Hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid, om Zijns Naams wil.
Al ging ik ook in een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad
vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij.
Gij richt de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijn
tegenpartijders; Gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is
overvloeiende.
Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen al de dagen mijns
levens; en ik zal in het huis des Heeren blijven in lengte van dagen.
De tekst van de Nieuwe Bijbelvertaling (NBV) is moderner, met enkele
duidelijke verschillen. "Het spoor der gerechtigheid" wordt in de NBV:
"veilige paden". Het vet maken van het hoofd wordt hier "u zalft mijn
hoofd" en "het goede en de weldadigheid" worden in deze vertaling uit
2004: "geluk en genade".
De Here is mijn herder
Psalm
23 is een psalm die iedereen wel kent en die erg geliefd is. Deze psalm
is een uiting van persoonlijk geestelijk leven. De zorg van de Here
voor zijn kinderen wordt zo beleden dat er een sterke bemoediging van
uitgaat. In de verzen 2 tot 4 belijdt de dichter deze zorg door het
beeld van een herder en zijn schapen. In vers 5 gebruikt hij het beeld
van de zorg van een gastheervoor zijn gast. In het 6e vers wordt de
beeldspraak losgelaten en wordt de zekerheid uitgesproken dat de zorg
van de Here altijd door zal gaan. Het woordgebruik en het verloop van
de handelingen in deze psalm komen sterk overeen met Ezechiël 34.
Dat
deze psalm een uiting van persoonlijk geestelijk leven is, is het beste
te zien in vers 1: ‘De Here is mijn herder.’ Dit is heel opvallend
omdat de Here in de Bijbel veel vaker de herder van zijn volk dan de
herder van één bepaald persoon genoemd wordt (zie Psalm 80: 2; Jesaja
40: 11; Ezechiël 34: 13; Micha 7: 14). Maar omdat Hij de herder van
heel zijn volk is, mogen ook alle leden van zijn volk Hem heel
persoonlijk mijn herder noemen (zie Genesis 48: 15). Het beeld van de
herder dat in vers 1 gebruikt wordt, geeft uitdrukking aan twee
gedachten. Ten eerste verzorgt God de dichter en ten tweede leidt God
hem. Dit heeft bij de gelovigen twee reacties. Allereerst vertrouwt de
gelovige zich geheel aan God toe en daarnaast zal hij God
onvoorwaardelijk gehoorzamen.
In vers 2 zijn de grazige
weiden een beeld voor het welverzorgde leven dat God de gelovigen
geeft. Deze grazige weiden waren in het bergachtige Palestina
betrekkelijk zeldzaam. Bracht de herder zijn schapen niet naar deze
grazige weiden, dan konden de schapen niet in leven blijven. Het beeld
van de rustige wateren schetst de veiligheid die de gelovige bij God
geniet.
Met het verkwikken van de ziel in vers 3, wordt
bedoeld dat de ziel opgewekt wordt tot een nieuw leven. De Here brengt
ons weer op het rechte pad. Verder staat in dit vers dat God ons in
rechte sporen leidt. Dit wil zeggen dat god de gelovigen langs zijn weg
naar zijn doel leidt, zoals een herder zijn schapen brengt daar waar
zij wezen moeten. God doet dit om zijn naams wil; God is het aan de eer
van zijn naam verplicht.
Vers 4 geeft weer dat de paden
waarlangs de herder zijn kudde moet leiden, niet altijd de
gemakkelijkste wegen zijn. Soms moeten de schapen door een nauw ravijn
heen, waar het zelfs het grootste deel van de dag donker is en waar
roofdieren op de loer liggen om de schapen te verslinden. Dit alles
maakt de schapen niet angstig want hun herder is bij hun en hij zal
zijn schapen, desnoods met zijn eigen leven, beschermen. De stok en
staf zijn de instrumenten waarmee de herder zijn schapen beschermd. De
stok is een soort knuppel die gebruikt kan worden om de wilde dieren
mee af te slaan. De staf zou een lange stok zijn waarop de herder leunt
als hij de kudde in de gaten houdt en werd ook gebruikt om de schapen
op het rechte pad te houden.
In vers 5 gaat de dichter over
op een andere beeldspraak, namelijk die van de gastheer en de gast. Een
gast kon in het verre Oosten rekenen op de volledige verzorging en
bescherming van zijn gastheer (lees bijvoorbeeld Genesis 19: 1-8). Het
zalven van het hoofd met olie was een vorm van beleefdheid, zo bleef de
huid van de gast soepel in het droge klimaat. De volheid van de beker
heeft betrekking op de overvloed, die vaak uitsteekt boven de
dagelijkse behoeften, waarmee God ons zegent. Niet iedereen echter zal
in dit leven rijkelijk bedeeld worden, maar toch mogen wij er op
vertrouwen dat God iedereen met zijn weldaden omringt.
In
vers 6 komt een einde aan alle beeldspraak. De dichter belijdt dat heil
en goedertierenheid hem zullen volgen. In het Hebreeuws staat in plaats
van heil het goede. Hier wordt dan verwezen naar de tijd wanneer de
Messias gekomen zou zijn (zie ook Psalm 4: 7). Het woord
goedertierenheid is eigenlijk een onjuiste vertaling van het woord dat
in het Hebreeuws gebruikt is. Een betere vertaling zou geweest zijn:
verbondstrouw. Het wil namelijk zeggen dat God zich aan zijn beloften
houdt, die Hij in zijn verbond gegeven heeft (zie ook Psalm 13: 6). De
gelovige zal in zijn leven altijd Gods goedheid en trouw ervaren. In
vers 6b wil de dichter zeggen dat hij altijd bij de Here thuis zal
zijn. De Here zal de gelovige alles geven wat een ‘thuis’ biedt. Wij
mogen ons altijd geborgen weten onder zijn vleugelen (Psalm 61: 5);
Gods sterkte is een hulp in ons leven (Psalm 63: 3-5). Het is een
uitdrukking voor de geestelijke gemeenschap die de gelovige met God
heeft.
The Lord is my shepherd.
I shall not want.
He makes me lie down in green pastures.
He leads me beside still waters.
He restores my soul.
He guides me in paths of righteousness
for His name sake.
Even though I walk through the
valley of the shadow of death,
I will fear no evil,
for thou art with me;
Your rod and Your staff they comfort me.
You prepare a table before me
in the presence of my enemies.
You anoint my head with oil;
my cup overflows.
Surely goodness and mercy shall follow me
all the days of my life and
I shall dwell in the house of the Lord
forever.
Wat is een psalm?
Het woord psalm stamt uit
het Grieks. Met het Griekse woord psalmos wordt een lied met
begeleiding van een snaarinstrument bedoeld. Het woord komt meerdere
malen voor in de Griekse vertaling van het Oude Testament, namelijk in
de opschriften van een aantal psalmen en ook in de titel van het gehele
boek van de Psalmen. In het Hebreeuws heeft het boek van de Psalmen een
andere titel, namelijk Tehillim. Dit woord betekent lofliederen.
De psalmen hebben in onze vertaling de vorm van gedichten. De regels
rijmen echter niet op elkaar. Dit was in de Hebreeuwse poëzie
ongebruikelijk. Het belangrijkste kenmerk van de Hebreeuwse poëzie
is dat een regel vaak uit twee delen bestaat die gelijklopend,
parallel, zijn. Een voorbeeld van parallellisme is:
‘Daarom houden de goddelozen geen stand in het gericht,
noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen.’ (Psalm 1: 5)
In de tweede helft van dit vers wordt hetzelfde gezegd als in de eerste
helft, alleen dan met andere woorden. Deze vorm van parallellisme wordt
synoniem parallellisme genoemd. Andere stijlfiguren die in de psalmen
gebruikt worden, zijn het refrein en de acrostichon (alfabetgedicht).
Bij een alfabetisch gedicht begint de eerste regel van het gedicht met
de eerste letter van het alfabet en de tweede regel met de tweede
letter, enzovoort. Voorbeelden hiervan zijn de psalmen 25, 34 en 37
(zie je helaas niks meer van in je bijbeltje).
De psalmen kunnen in de volgende typen worden opgedeeld
º Lyrische gedichten: hymnen, liederen op Sion of Jeruzalem, koningspsalmen en klaagliederen
º Niet-lyrische gedichten: leerdichten (behandelen
wijsheidsproblemen, de wet, deugden en plichten), verhalende gedichten
(hebben een didactische bedoeling)
In de opschriften van de psalm worden muzikale aanwijzingen gegeven.
Zoals: bij snarenspel, fluitspel, of op de wijze van…. Niet
alleen in de opschriften vind je muzikale aanwijzingen, ook in de psalm
kun je die vinden. In 31 psalmen wordt de aanwijzing sela genoemd. Men
heeft wel gemeend dat het een da capo-teken was, zodat men het
voorafgaande twee keer moest zingen. Een andere opvatting is dat het
woord sela te kennen geeft dat de zang een ogenblik moest zwijgen,
waarna de muziek zich sterker liet horen ter onderstreping van de
voorafgaande woorden en ter inleiding van de woorden die nog moesten
komen.
Naast de muzikale aanwijzing vind je ook de naam van de dichter terug
in het opschrift van de psalm. Wanneer er boven een psalm van David
staat, wil dit nog niet zeggen dat David daadwerkelijk de dichter van
die psalm geweest is. Het woord dat in de grondtekst gebruikt is kan
namelijk ook worden vertaald met: voor David, of uit de bundel van
David.
Het boek van de Psalmen bestaat uit vijf delen
Boek 1 psalm 1 – psalm 41
Boek 2 psalm 42 – psalm 72
Boek 3 psalm 73 – psalm 89
Boek 4 psalm 90 – psalm 106
Boek 5 psalm 107 – psalm 150
Deze boeken eindigen allemaal met ongeveer dezelfde lofprijzing, namelijk
Geloofd zij de Here, de God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid. Amen, ja amen.
|