OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 001

MOZES EN DE TIEN GEBODEN

Exodus 34
De
Tien geboden of Tien woorden is een verzamelnaam voor een set
leefregels die volgens drie grote religieuze stromingen (jodendom,
christendom, door God aan de mensen opgelegd is. Ten bewijze hiervan
worden de teksten uit hun heilige boeken (Bijbel, Thora gebruikt. Deze
leefregels hebben een zeer sterke impact gehad op de samenleving. Dit
kan worden afgeleid uit het feit dat veel van de hedendaagse wetgeving
nog steeds wortels heeft die teruggaan tot in deze tien geboden. Oudere
variaties van zulk een lijst van geboden en verboden waren onder meer
reeds bekend in het Oude Egypte. In de godsdienst Islam komen deze 10
geboden niet voor.
Volgens het boek Exodus, ontving Mozes op de top van de berg Horeb in
de woestijn Sinaï van de HE(E)RE ofwel JHWH op twee stenen tafelen
de 120 Hebreeuwse woorden die de Tien Geboden vormen. Een andere
benaming is de decalogus of decaloog. Na voorlezing aan het verzamelde
volk werden de stenen tabletten in de Ark van het verbond bewaard. In
hoofdstuk 34 van Exodus staat dat God Mozes opdroeg een tweede versie
van deze stenen tafelen te maken, omdat hij de eerste had stuk gegooid,
toen hij terugkwam van de berg en zag dat het volk een gouden kalf had
gemaakt en aanbad.
In de Bijbel zelf zijn er 5 vindplaatsen van de 10 geboden. In het oude
testament zijn er de drie versies in Exodus 20:2-17 en in Deuteronomium
5:6-21. Hoewel deze twee versies hier en daar van elkaar verschillen,
zijn ze globaal genomen hetzelfde. In hoofdstuk 34 van Exodus (vers
11-26) is een derde lijst van geboden en verboden te vinden die
verschilt van de vernoemde gelijkaardige versies, ze is uitgebreider en
bevat onder andere het opmerkelijke gebod de altaren van
andersgelovigen stuk te staan. Opmerkelijk is ook dat in deze
Bijbeltekst sprake is van een tweede versie van de stenen tafelen,
omdat Mozes de eerste stenen tafelen had stukgegooid. In het nieuwe
testament worden de geboden door Jezus zelf genoemd. In Matteus
22:36-39 vat Hij de tien geboden samen: "Heb de Heer, uw God, lief met
heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dat is het
grootste en eerste gebod. Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste
lief als uzelf. "
1 De HEER zei tegen Mozes: ‘Hak twee stenen platen uit, gelijk
aan de vorige. Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op
de eerste stonden, die jij stukgegooid hebt.
2 Morgenvroeg moet je gereed zijn, want dan moet je de Sinai op gaan. Kom daar, op de top van de berg, bij mij.
3 Laat niemand met je mee naar boven gaan, op de hele berg mag niemand
te zien zijn, en ook de schapen, geiten en runderen mogen niet in de
nabijheid van de berg grazen.’
4 Mozes hakte twee stenen platen uit, net als de vorige, en ’s
morgens ging hij in alle vroegte de Sinai op, zoals de HEER hem had
opgedragen. De twee stenen platen droeg hij bij zich.
5 De HEER daalde neer in een wolk, hij kwam naast Mozes staan en riep de naam HEER uit.
6 De HEER ging voor hem langs en riep uit: ‘De HEER! De HEER! Een
God die liefdevol is en genadig, geduldig, trouw en waarachtig,
7 die duizenden geslachten zijn liefde bewijst, die schuld, misdaad en
zonde vergeeft, maar niet alles ongestraft laat en voor de schuld van
de ouders de kinderen en kleinkinderen laat boeten, en ook het derde
geslacht en het vierde.’
8 Onmiddellijk viel Mozes op zijn knieën en boog zich neer.
9 ‘Als u mij goedgezind bent, Heer,’ zei hij, ‘trekt
u dan met ons mee, ook al is dit volk onhandelbaar. Schenk ons
vergeving voor onze schuld en zonde en maak ons tot uw eigen
bezit.’
10 De HEER antwoordde: ‘Ik wil een verbond sluiten. Voor de ogen
van heel je volk zal ik zulke wonderbaarlijke daden verrichten als er
onder geen enkel volk op aarde ooit verricht zijn, en het hele volk dat
bij jou is, zal zien welke ontzagwekkende dingen ik, de HEER, voor jou
zal doen.
11 Jullie moeten je houden aan de geboden die ik je vandaag geef. Ik
zal de Amorieten, de Kanaänieten, Hethieten, Perizzieten,
Chiwwieten en Jebusieten voor je verdrijven.
12 Wacht je ervoor een verbond te sluiten met de inwoners van het land
waarheen je op weg bent, want dat zou jullie ondergang zijn.
13 Breek hun altaren af, verbrijzel hun gewijde stenen en hak hun Asjerapalen om,
14 want jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich.
15 Sluit geen verbond met de inwoners van dat land, want wanneer die
zich met hun goden afgeven en offers aan hen brengen, zouden ze jullie
uitnodigen om aan hun offermaaltijden deel te nemen.
16 En als jullie uit hun dochters voor je zonen vrouwen kiezen, en die
vrouwen geven zich met hun goden af, zullen ze ook je zonen daartoe
verleiden.
17 Maak geen godenbeelden.
18 Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood, en wel op de
daarvoor vastgestelde dagen van de maand abib, de maand waarin jullie
weggetrokken zijn uit Egypte. Eet dan zeven dagen lang ongedesemd
brood, zoals ik je heb opgedragen.
19 Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort mij toe. Ieder
eerstgeboren mannelijk dier van je kudde is voor mij, zowel van je
runderen als van je schapen en geiten.
20 Elk eerstgeboren veulen van een ezel moet je vrijkopen met een
schaap of geit. Koop je het niet vrij, dan moet je het de nek breken.
Ook alle oudste zonen moet je vrijkopen.
Niemand mag met lege handen voor mij verschijnen.
21 Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd.
22 Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst
binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt.
23 Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God van Israël, verschijnen.
24 Ik zal de andere volken voor jullie verdrijven en je een uitgestrekt
gebied geven; niemand zal dan je akkers in bezit durven nemen wanneer
je driemaal per jaar op reis gaat om voor de HEER, je God, te
verschijnen.
25 Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier
alleen vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat, en van
het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen
bewaard worden.
26 De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen.
Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder.’
27 De HEER zei tegen Mozes: ‘Stel deze geboden op schrift, want
op grond van deze geboden sluit ik met jou en de Israëlieten een
verbond.’
28 Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de HEER,
zonder te eten of te drinken. En hij schreef de tekst van het verbond,
de tien geboden, op de platen.
29 Mozes daalde de Sinai af, met de twee platen van het verbond bij
zich. Hij wist niet dat zijn gezicht glansde doordat hij met de HEER
had gesproken.
30 Toen Aäron en de andere Israëlieten de glans op Mozes’ gezicht zagen, durfden zij niet naar hem toe te gaan,
31 maar Mozes riep hen bij zich. Aäron en de leiders van het volk kwamen bij hem en Mozes sprak met hen.
32 Daarna kwamen ook de andere Israëlieten. Hij droeg hun op zich
te houden aan alles wat de HEER hem op de Sinai gezegd had.
33 Toen hij uitgesproken was, bedekte hij zijn gezicht met een doek.
34 Steeds wanneer Mozes voor de HEER verscheen om met hem te spreken,
deed hij de doek af, totdat hij weer naar buiten kwam. Als Mozes de
Israëlieten dan zei wat hem opgedragen was,
35 zagen zij hoe zijn gezicht glansde. Daarna bedekte hij zijn gezicht met de doek, totdat hij opnieuw met de HEER ging spreken.
Vooraf
Als Mozes na zijn afdaling van de berg Sinaï beneden aankomt, ziet
hij het volk Israël dansen rond een gouden kalf, een afgodsbeeld,
dat volgens het tweede gebod ten strengste is verboden. (Overigens
konden de Israëlieten dat niet weten, want Mozes komt immers net
de berg af met de stenen platen waarop ook dit gebod is geschreven, en
ze hadden tot dusver alleen donderslagen, bliksemschichten en een
schallende ramshoorn gehoord). Mozes wordt des duivels (excusez le
mot), en gooit in zijn woede de platen met de tien geboden aan stukken
[3]. Vervolgens vindt als straf voor deze afgoderij het nodige
bloedvergieten plaats: ca. drieduizend Israëlieten (die niet van
het tweede gebod konden weten, omdat Mozes ze nog bij zich had) vinden
de dood [4]. Hierbij is het opvallend dat Aäron, die eigenhandig
het kalf heeft gegoten [5], en dus actief medeplichtig is, er zonder
een schrammetje vanaf komt. De welbespraakte [6], en door Jahweh als
waardig en verantwoordelijk hoogwaardigheidsbekleder ingeschatte [7]
Aäron zou "op de winkel" passen [8], en is dus verantwoordelijk,
zou je zeggen. Deze Aäron (die volgens Exodus 28:41-43 door Jahweh
al gedood zou worden als ie geen ondergoed onder zijn kledij zou dragen
in de tempel), maakt een afgodsbeeld en komt er zonder kleerscheuren
vanaf, terwijl drieduizend volksgenoten de doodstraf krijgen voor het
maken van het kalf [9].
Na dit bloedbad vertelt Jahweh Mozes dat hij opnieuw twee stenen platen
uit moet hakken, en daarmee opnieuw de berg moet opgaan. Dan zal Jahweh
op die platen de tien geboden schrijven die ook op de eerste stonden,
die Mozes stukgegooid had [10]. In Exodus 34:14-26 worden deze nieuwe
geboden beschreven, maar deze definitieve versie van de tien geboden
blijkt heel anders te zijn dan de vernietigde versie van Exodus
20:1-17, in tegenstelling tot wat Jahweh Mozes verzekerde in Exodus
34:1: "Dan zal ik op die platen de geboden schrijven die ook op de
eerste stonden, die jij stukgegooid hebt". (Hier is dus feitelijk
sprake van een contradictie.) De nieuwe versie (die volgens Exodus 34:1
de vervanging van de versie uit 20:1-17 is) luidt namelijk als volgt:
[...] jullie mogen niet voor een andere god neerknielen. De HEER, de
Afgunstige, duldt immers geen andere goden naast zich [11].
Maak geen godenbeelden [12].
Vier steeds het feest van het Ongedesemde brood [...] [13].
Alles wat als eerste de moederschoot verlaat behoort Jahweh toe: ieder eerstgeboren mannelijk dier van je kudde, zowel
van je runderen als van je schapen en geiten, elk eerstgeboren veulen van een ezel, en ook alle oudste zonen [14].
Zes dagen lang mag je werken, maar op de zevende dag moet je rust houden, ook in de ploegtijd en in de oogsttijd [15].
Vier het Wekenfeest wanneer je de eerste opbrengst van de tarweoogst
binnenhaalt, en het Inzamelingsfeest wanneer het jaar ten einde loopt.
Driemaal per jaar moeten alle mannen voor de Machtige, de HEER, de God
van Israël, verschijnen [16].
Als je een offerdier voor mij slacht, mag het bloed van het dier alleen
vloeien wanneer er niets aanwezig is dat zuurdesem bevat [...] [17].
[...] van het offerdier voor het pesachfeest mag niets tot de volgende morgen bewaard worden [17].
De allereerste opbrengst van je akker moet je naar het heiligdom van de HEER, je God, brengen [18].
Een geitenbokje mag je niet koken in de melk van zijn moeder [18].
De tien geboden, volgens de Statenvertaling in Exodus 20
Ik ben de HEERE uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis,
uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.
Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van
hetgeen boven in den hemel is, noch van hetgeen onder op de aarde is,
noch van hetgeen in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die
niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de HEERE uw God, ben een
naijverig God, die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan
het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten; En doe
barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben, en Mijn
geboden onderhouden.
Gij zult den Naam des HEEREN uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de
HEERE zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdellijk gebruikt.
Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij
arbeiden en al uw werk doen; Maar de zevende dag is de sabbat des
HEEREN uws Gods; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch
uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee,
noch uw vreemdeling, die in uw poorten is; Want in zes dagen heeft de
HEERE den hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en hij
rustte ten zevenden dage; daarom zegende de HEERE den sabbatdag, en
heiligde denzelven.
Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de HEERE uw God geeft.
Gij zult niet doodslaan.
Gij zult niet echtbreken.
Gij zult niet stelen.
Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.
Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws
naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn
os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
Verschillende volgordes in gebruik
| Gebod |
Joods |
Orthodox |
Roomskatholiek, Lutheraans |
Anglikaans, Gereformeerd, en andere Protestanten |
| Ik ben de Heer uw God |
1 |
1 |
1 |
- |
| Gij zult geen andere goden hebben |
2 |
1 |
| Gij zult geen afgodsbeelden maken |
2 |
2 |
| Gij zult de naam van God niet misbruiken |
3 |
3 |
2 |
3 |
| Gedenk de sabbat en hou hem in ere |
4 |
4 |
3 |
4 |
| Eer uw moeder en vader |
5 |
5 |
4 |
5 |
| Gij zult niet doden |
6 |
6 |
5 |
6 |
| Gij zult geen overspel plegen |
7 |
7 |
6 |
7 |
| Gij zult niet stelen |
8 |
8 |
7 |
8 |
| Gij zult geen valse getuigenis afleggen |
9 |
9 |
8 |
9 |
| Gij zult de vrouw van uw medemens niet begeren |
10 |
10 |
9 |
10 |
| Gij zult het huis van uw medemens niet begeren. |
10 |
|