OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 012

JONA EN DE WONDERBOOK

Jona 4
5 Nadat Jona Nineve had verlaten, was hij aan de oostkant van de stad
gaan zitten. Hij had er een hut gemaakt om in de schaduw af te wachten
wat er met de stad zou gebeuren. 6 Nu liet God, de HEER, een wonderboom
opschieten om Jona schaduw boven zijn hoofd te geven en zijn ergernis
te verdrijven. Jona was opgetogen over de plant. 7 Maar de volgende
morgen, bij het aanbreken van de dag, liet God de plant door een worm
aanvreten, zodat hij verdorde. 8 En toen de zon opkwam, liet God een
verzengende wind uit het oosten waaien; de zon brandde zo op
Jona’s hoofd dat hij door de hitte werd bevangen. Hij bad om te
mogen sterven: ‘Ik ben liever dood dan dat ik zo verder moet
leven.’ 9 Maar God zei tegen Jona: ‘Is het terecht dat je
zo kwaad bent over die plant?’ Jona antwoordde: ‘Ik ben
verschrikkelijk kwaad, en terecht!’ 10 Toen zei de HEER:
‘Als jij al verdriet hebt om die wonderboom, waar jij geen enkele
moeite voor hebt hoeven doen en die jij niet hebt laten groeien, een
plant die in één nacht opkwam en in één
nacht verging, 11 zou ik dan geen verdriet hebben om Nineve, die grote
stad, waar meer dan honderdtwintigduizend mensen wonen die het verschil
tussen links en rechts niet eens kennen, en dan nog al die
dieren?’
Een wonderbaarlijke gebeurtenis
Het boek vertelt het zeer menselijke verhaal van de profeet Jona (die
als weerspannig en wraakzuchtig afgeschilderd wordt), hoe hij van God
opdracht krijgt om naar de bewoners van de grote Assyrische stad
Ninevé te gaan en hun de keuze tussen bekering of vernietiging
te geven. Jona heeft daar geen zin in en vlucht in tegenovergestelde
richting, gaat aan boord van een schip dat naar Tharsish (in
Zuid-Spanje) vaart, komt onderweg in een storm terecht en wordt
overboord gegooid. Hij wordt verzwolgen door een grote vis en komt in
de vis tot inkeer. Na drie dagen wordt hij op het strand weer
uitgespuugd. Daarna gaat Jona naar Ninevé om zijn
oorspronkelijke opdracht uit te voeren. Hij predikt in de straten van
Ninevé en geeft de boodschap dat de maat van de zonden van de
bewoners vol is en dat God de stad zal verwoesten. Jona weet dat de
mensen zich zullen bekeren en dat God medelijden zal krijgen (Jona
4:2), maar gaat toch buiten de stad wachten tot het oordeel door God
voltrokken zal worden.
De bevolking bekeert zich inderdaad, en dat beweegt God om de stad te
sparen. Jona, boos over deze goedheid, krijgt een nieuwe vermaning van
God, ditmaal over de noodzaak genadig te zijn als iemand zich bekeert.
In het laatste hoofdstuk wordt een boom gebruikt om Jona deze les te
leren. De NBG-vertaling spreekt van een wonderboom. Daarmee wordt niet
bedoeld dat de boom door een wonder groeide. Wonderboom is een andere
naam voor de ricinus, waarvan de zaden de wonderolie leveren. Nog een
andere naam is de qiqi-struik.
Dit boek vertelt het verhaal als een verslag van de feitelijke
gebeurtenissen van de profeet. Er zijn theologen die van een
allegorische betekenis van het boek uitgaan, waarin wordt getoond hoe
God goed wil zijn voor mensen. Er zijn echter ook theologen en
gelovigen die het verhaal aannemen als waar gebeurd.
Weet je wat een profeet is?
Een profeet is eigenlijk een boodschapper van de Here God.
En een profeet is ook iemand, die voorspellingen doet. Een profeet
vertelt de mensen, wat Gods wil is en wat God zal doen als ze niet naar
Gods wil handelen.
In de bijbel wordt over verschillende profeten verteld.
Een heel bekende profeet is Jona. Je kent vast wel dat liedje: toen Jona in de walvis zat, van je een twee drie.
Maar boven dit verhaal staat dat Jona een ongehoorzame profeet was. Kan dat dan ook?
Dat een boodschapper van de Heer soms ongehoorzaam is? Ja hoor, dat kan. Lees maar verder.
Er was eens een heel groot land in het Midden-Oosten, Assyrië heette het en de hoofdstad van dat land heette Ninevé.
Verhaal voor de kinderen over Jona
De mensen, die in Ninevé woonden, waren niet zo goed. Ze deden
helemaal niet wat God wilde. Ze gingen helemaal niet meer naar de kerk.
Ze zaten maar in de kroeg bier te drinken of ze deden allerlei slechte
dingen en daar was de Here God erg verdrietig en boos om.
En toen besloot de Heer om die hele stad Ninevé te verwoesten.
Gewoon van de aarde weg te vagen. En alle mensen, die er woonden zouden
dan natuurlijk omkomen.
Maar God wilde die mensen toch nog een kans geven om hun leven te
beteren, want de Here God houdt erg veel van alle mensen en Hij is erg
lankmoedig.
Weet je wat lankmoedig is? Als je lankmoedig bent, dan zie je veel door
de vingers. Dan word je niet zo gauw boos op iemand. Je bent dan
toegevend.
God riep toen Jona, de profeet, de boodschapper.
"Jona," zei God, "Ik wil, dat je naar Ninevé gaat en die mensen
daar oproept zich te bekeren, want anders zal Ik Ninevé
verwoesten."
Maar Jona was ongehoorzaam, hij had helemaal geen zin in die opdracht van de Heer en hij maakte, dat hij weg kwam.
Dat was niet mooi van Jona.
Hij wilde vluchten naar Tarsis, dat was de hoofdstad van een land, dat
Cilicië heette.(Kijk maar op het kaartje hierboven). Jona moest er
met een schip heen. Hij ging naar een plaats, die Jafo heette.
Die plaats werd ook wel Joppe genoemd en daar was een haven, waarin schepen lagen.
Jona probeerde daar een schip te vinden, dat naar Tarsis ging. Hij had
natuurlijk eerst een paar keer pech, maar na een poosje vond hij een
schip, waarmee hij naar Tarsis kon varen. Hij vroeg, wat het kostte en
gelukkig had hij geld genoeg bij zich om de overtocht te betalen.
Maar de Here God kun je niet voor de gek houden, Die ziet alles.
Ze waren dan ook nog maar net in volle zee of de Heer liet een
geweldige storm opsteken. De mensen op het schip werden allemaal
vreselijk bang. Ze dachten, dat het schip zou vergaan en dan zouden ze
verdrinken, want ze waren veel te ver van de kust om naar land te
zwemmen.
Maar Jona merkte niets van die zware storm. Hij lag beneden in het ruim
lekker te slapen. Hij zal wel erg moe geweest zijn, want hij werd
helemaal niet wakker van die storm.
De kapitein van het schip riep naar zijn bemanning: "Weten jullie ook, waar die passagier gebleven is?"
Nee, dat wisten ze niet. "Wacht eens," riep toen iemand, "ik zag hem
een poosje geleden geloof ik de trap naar het ruim afdalen. Misschien
is hij daar nog wel."
De kapitein ging kijken en ja hoor, daar lag Jona in diepe slaap
verzonken. "Hé!" schudde de kapitein hem wakker, "slaapkop, merk
je helemaal niet wat voor noodweer het is? Het schip zou wel kunnen
vergaan, zonder dat je het merkt en dan zou je op de zeebodem pas weer
wakker worden."
Jona werd wakker en met slaperige oogjes keek hij de kapitein aan.
"Waarom maakt u me wakker," vroeg hij, "ik sliep net zo lekker. En waarom laat u het schip zo raar heen en weer slingeren?"
"Het stormt man," riep de kapitein, "schiet op, maak dat je aan dek komt en ga bidden tot je God om de storm te laten bedaren."
Jona ging met de kapitein naar boven.
Ze wilden toen weten of die storm soms de schuld van één
van hen was en toen gingen ze het lot werpen. Hoe dat precies in zijn
werk ging, weet ik ook niet. Als wij dat nu zouden doen, dan zouden we
papiertjes maken en op één papiertje bijvoorbeeld een
kruisje zetten. Wie dan het papiertje met het kruisje zou trekken, was
dan de schuldige. Maar zo ging het toen natuurlijk niet, want ze hadden
nog geen papiertjes en balpennen op zak.
Jona had pech, want het lot wees hem als de schuldige aan.
"Zozo," zei de kapitein, "dat is niet zo best. Vertel ons maar eens even wat je op je kerfstok hebt."
Jona had natuurlijk wel al door, dat het de Here God was, die het zo had laten stormen. God liet hem maar zo niet weg gaan.
Jona zei toen tegen de kapitein en de andere mensen op het schip: "Ik
ben een Hebreeër en een profeet in dienst van de God van
Israël. Ik ben ongehoorzaam geweest en heb een opdracht van mijn
God niet opgevolgd. Die storm is een waarschuwing van de Heer. Gooi mij
maar in zee, dan zal de storm wel gaan liggen."
Maar dat vonden ze wel wat te ver gaan en ze probeerden door uit alle
macht te gaan roeien een veilige haven te bereiken. Maar dat lukte ze
niet.
Natuurlijk niet! Niemand kan toch tegen de Here God op?!?
En toen zei de kapitein tegen Jona: "Ja, het spijt me wel, maar dan
zullen we je toch maar in zee gooien. Het is natuurlijk erg triest voor
jou, maar als we het niet doen, zal het schip zeker vergaan en dan
verdrinken we allemaal. Voor jou maakt het niet veel uit, of je nu
alleen verdrinkt of met ons er bij."
En de mannen van het schip grepen Jona beet en gooiden hem in de zee.
Hupsakee, daar ging Jona.
Hij ging al gauw kopje onder.
Brrrrr, wat was dat water koud.
Maarrrrr..... de Here God liet Jona niet zomaar verdrinken.
O nee, Jona had een opdracht van God gekregen en daar kwam hij zomaar
niet onderuit. De Heer liet toen een grote vis naar Jona toe zwemmen en
die vis deed zijn grote bek wijd open en slokte Jona zo maar ineens
naar binnen.
En zo zat Jona dus opeens binnen in de buik van die grote vis.
"Oei, wat is het hier donker!" dacht Jona.
En de vis zwom met Jona in zijn buik verder. Hij vond het wel wat
lastig, zo'n grote man in zijn maag, die ook nog niet stil wou zitten.
Drie dagen zwom de vis zo rond met Jona in de buik.
Toen liet de Heer de vis naar de kust zwemmen en daar heeft de vis Jona op het strand uitgebraakt.
"Eullk," zei de vis en hoepla, daar lag Jona op het strand.
Hij knipperde even met zijn ogen tegen het felle licht, want hij had
drie dagen en nachten in pikkedonker gezeten. Toen hij een beetje aan
het licht gewend was, ging hij zich gauw even een beetje wassen, want
na zo'n lang verblijf in een vissenmaag voelde hij zich niet zo erg
fris.
Maar veel tijd voor zichzelf had hij niet, want de Here God riep hem weer.
"Hoor eens even Jona," zei de Heer, 'Ik heb je niet voor niets door die
vis laten opslokken. Je moet nog steeds die opdracht, die ik je gaf
uitvoeren. Maak dus maar gauw, dat je naar Ninevé komt!"
Ja, toen kon Jona er natuurlijk niet meer onderuit.
Hij ging naar Ninevé.
Dat was een heel grote stad. Als je van de ene kant van de stad naar de
andere kant moest lopen, dan deed je daar drie dagen over.
Kun je nagaan hoe groot die stad wel was.
Jona kwam in Ninevé en begon de mensen daar te waarschuwen, dat de stad over veertig dagen verwoest zou worden.
De mensen werden heel erg bang en ze begonnen allemaal tot de Here God te bidden om vergeving.
De koning van Ninevé deed zijn koninklijk opperkleed uit en trok rouwkleren aan.
En alle mensen van Ninevé moesten op bevel van de koning in rouwkleren gekleed gaan en ze mochten niet eten en drinken.
Ze moesten met zijn allen luid tot de God van Israël roepen: "Vergeef ons! Vergeef ons!"
Ze hoopten, dat de Heer dan medelijden met hen zou krijgen en de stad
sparen. Ook hun dieren mochten niet eten of drinken. Hun koeien niet en
hun schapen niet en hun konijnen niet. Dat was wat!
Maar dat heeft wel geholpen, want toen de Heer zag, dat ze echt berouw
van hun zonden hadden, besloot Hij om Ninevé te sparen. God zou
Ninevé niet verwoesten.
Maar dat was helemaal niet naar de zin van Jona. Eerst moest hij naar
Ninevé om de mensen te zeggen, dat de stad verwoest zou worden
en nu ging het weer niet door.
"Dacht ik het niet," zei Jona in zichzelf, "God is veel te lankmoedig.
De mensen hoeven maar te zeggen, dat ze ergens berouw over hebben en
God is meteen weer helemaal goed met ze."
Narrig ging Jona buiten de stad zitten. Hij zocht een plekje, waar hij
in de schaduw kon zitten, want het was smoorheet en drukkend. Jona keek
al eens in de lucht, want met zulk drukkend weer kon er best eens een
fikse onweersbui komen. Maar nee hoor, de zon brandde maar door op zijn
hoofd.
Maar God wilde Jona nog eens weer terechtwijzen.
En toen liet de Heer ineens een wonderboom naast Jona groeien. Het was
maar even en toen stond de boom er al. En Jona kon mooi in de schaduw
zitten. Hè! God was toch wel goed voor hem, vond hij.
Vergenoegd wreef hij zich in de handen. Maar hij wreef te vroeg, want
God liet de boom aanvreten door ongedierte en de volgende morgen toen
de zon weer begon te branden, was de boom helemaal verdord en weer zat
Jona in de zon te bakken.
Hij pufte en zweette en wist niet waar hij het zoeken moest.
Hij vond, dat hij eigenlijk maar beter dood kon zijn.
En God vroeg hem: "Ben je boos, dat de boom verdord is, Jona?"
"Natuurlijk ben ik boos!" zei Jona. "Jona, Jona!, zei de Heer toen,
"die boom, die jij niet hebt laten groeien, de boom die ineens daar
stond en die in één nacht weer verdween, wilde je sparen.
Zou Ik dan die grote stad met al die mensen en al dat vee niet sparen,
als die mensen oprecht berouw hebben van hun zonden?
Schaam je Jona! Schaam je diep!"
|