OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 008

MOZES GEVONDEN IN EEN MANDJE

Exodus 2
1 Een man uit de stam Levi trouwde met een vrouw uit diezelfde stam. 2
Zij werd zwanger en bracht een zoon ter wereld. Het was een mooi kind
en ze hield het verborgen, drie maanden lang. 3 Toen ze geen kans zag
haar zoon nog langer verborgen te houden, nam ze een mand van papyrus,
bestreek die met pek en teer, legde het kind erin en zette de mand
tussen het riet langs de oever van de Nijl. 4 De zuster van het kind
ging een eind verderop staan, om te zien wat er met hem zou gebeuren.
5 Even later kwam de dochter van de farao naar de Nijl om te baden,
terwijl haar dienaressen langs de rivier heen en weer liepen. Zij
ontdekte de mand tussen het riet en liet die door een van haar
slavinnen halen. 6 Ze maakte de mand open en zag daarin het kind. Het
jongetje huilde, en vol medelijden zei ze: ‘Dat moet een
Hebreeuws kind zijn.’ 7 Toen kwam de zuster van het kind haar
vragen: ‘Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan
zoeken om het kind voor u te voeden?’ 8 ‘Ja, doe dat
maar,’ antwoordde de dochter van de farao, waarop het meisje de
moeder van het kind ging halen. 9 De dochter van de farao zei tegen de
vrouw: ‘Neem dit kind mee en voed het voor me. Ik zal u ervoor
betalen.’ De vrouw nam het kind mee en voedde het. 10 Toen het
groot genoeg was, bracht ze het naar de dochter van de farao. Deze nam
het kind aan als haar eigen zoon. Ze noemde hem Mozes,
‘want,’ zei ze, ‘ik heb hem uit het water
gehaald.’
De geschiedenis
In
Een man uit de stam Levi huwde een meisje uit die stam. De vrouw werd
zwanger en bracht een zoon ter wereld. Toen zij zag hoe mooi het kind
was, hield zij het drie maanden lang verborgen. Maar toen zij geen kans
meer zag hem nog langer verborgen te houden, nam zij een mandje van
riet, streek het dicht met aardhars en pek en legde het kind erin. Toen
zette zij het tussen het riet aan de oever van de Nijl. Op enige
afstand stelde de zuster van het kind zich verdekt op, om te zien wat
er zou gebeuren. De dochter van de farao ging naar de Nijl om te baden,
terwijl haar dienaressen op en neer bleven lopen langs de oever van de
rivier. Ineens zag zij het mandje tussen het riet en stuurde haar
slavin om het te halen. Zij maakte het open, keek erin en daar lag een
schreiend jongetje. Vol medelijden riep zij: 'Dit is een Hebreeuws
kind!' Toen kwam de zuster van het kind aan de dochter van de farao
vragen: 'Zal ik bij de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan zoeken, om
het kind voor u te voeden?' De dochter van de farao antwoordde: 'Ja doe
dat.' Het meisje snelde weg en haalde de moeder van het kind. De
dochter van de farao beval haar: 'Neem dit kind mee en voed het voor
mij; ik zal u er persoonlijk voor belonen.' De vrouw nam het kind mee
en voedde het. En toen het kind opgegroeid was, bracht zij het terug
naar de dochter van de farao. Deze nam hem als haar eigen zoon aan. Zij
noemde hem Mozes. 'Want', zo zei ze, 'ik heb hem uit het water
gehaald.'
Beroemd
is dit verhaal uit Exodus 2: Mozes in het biezen mandje. Het is het
verhaal van een man uit de stam van Levi die trouwt met een dochter uit
de stam van Levi; de vrouw wordt zwanger en baart een zoon. Ze ziet dat
de jongen goed is, en verbergt de baby drie maanden. Maar dan is hij te
groot om verborgen gehouden te worden, en de vrouw bedenkt een zeer
riskante redding. Ze neemt een kleine ark van riet voor hem; smeert het
dicht met pek en leem; ze legt het kind daarin; en zet het arkje in het
riet aan de oever van de Rivier. (Ex 2:1-3)
Een mooi verhaal : Het biezen mandje
Heel voorzichtig gluurde Jochebed door het raam naar buiten. Ze meende
voetstappen te horen. Wie was daar? Vriend of vijand? O, gelukkig, het
was Amram haar man, die uit zijn werk kwam. Wat was hij weer moe,
donkere kringen onder zijn ogen, zijn rug gebogen.
Het was hard werken op de steenfabriek van de Farao, van ’s
morgens vroeg tot ’s avonds laat, zonder pauze. Werken, werken en
nog eens werken! En vaak nog zweepslagen krijgen als iets de opzichter
niet beviel. Vaak genoeg had Jochebed de rode striemen met zalf in
moeten smeren. Ze zuchtte. Wanneer zou er een eind komen aan dit
vreselijke slavenleven. Wanneer zouden zij en het volk van de
Hebreeën rustig onder hun eigen vijgenboom kunnen zitten?
Amram, Jochebed en hun kinderen, Mirjam en Aaron, waren Hebreeën,
zo werden de nakomelingen van Jakob genoemd toen ze nog schapenhoeders
waren. De Egyptenaren noemden hen zo omdat ze steeds
‘prrr!’ riepen naar hun schapen. Zelf hielden ze geen
schapen. Dat werk vonden ze minderwaardig.
Ze waren in Egypte komen wonen toen Jozef onderkoning was. Dat was al
weer bijna vierhonderd jaar geleden. Inmiddels was het een flink volk
geworden. God had hen gezegend met veel sterke mooie kinderen. Maar
toen er een nieuwe Farao kwam, die de geschiedenis niet kende, die niet
wist wat Jozef had gedaan voor Egypte, vond hij de Hebreeën een
bedreiging. Er waren er veel te veel. Straks kwamen ze nog in opstand.
Dus werd er een bevel uitgevaardigd, dat de jongensbaby’s gedood moesten worden.
‘In de Nijl gooien!’beval hij streng. En de rest van het
volk moet mij als slaven dienen in de steenfabrieken. Ik wil een nieuwe
stad bouwen en daar kan ik wel wat slaven bij gebruiken!’
Niemand die hem tegensprak. Men keek wel uit, veel te gevaarlijk.
Juist in die tijd werd er een zoontje geboren in het gezin van Amram en
Jochebed. Wat waren ze blij met hem. Maar ze konden hun blijdschap met
niemand delen, want dan zou iemand hen misschien verraden. Je moest er
niet aan denken. Hun kleine schat door de soldaten in de Nijl gegooid!!
Jochebed klemde haar lieve zoontje stijf tegen zich aan en overlaadde
hem met kusjes.
Ook Mirjam en Aaron hielden hun geheim goed verborgen. Ze sliepen slecht en bij het minste of geringste geluid waren ze alert.
Het eerste gebrabbel van een baby is zo leuk om aan te horen. Kleine
prr en brr geluidjes, een mondje dat lacht. Maar het maakte ook de kans
op ontdekken groter. Zodra de baby maar een kikje gaf, kreeg het te
drinken van Jochebed. Ze stopten tussen door ook wel een katoenen dotje
met honing in zijn mondje, waar hij vervoed op ging sabbelen. Zo gingen
de weken voorbij.
‘O Vader God, bewaar ons toch,’baden ze ernstiger naarmate
het stemmetje harder en harder klonk. Ze beseften goed, dat het niet
lang meer zou duren voordat de soldaten zouden binnenstormen. Het werd
tijd voor…
De noodoplossing.
Op een morgen ging Jochebed naar de rivier en plukte een heleboel
biezen. Thuisgekomen begon ze een mooie mand te vlechten, wat ze met
pek besmeerde, zodat het waterdicht was.
De volgende morgen, het was nog donker, legde Jochebed haar zoontje
voorzichtig in het mandje, liep snel naar de rivier, legde het tussen
het riet en ging vlug weer naar huis, want niemand mocht ook maar iets
merken. Mirjam was meegegaan. Zij bleef op een afstandje van de rivier
staan om te zien wat er met haar broertje zou gebeuren.
Toen het licht was geworden, kwam er een groepje vrouwen aan. Mirjam
hield haar adem in. Het was de dochter van de Farao met haar slavinnen,
die zoals elke morgen hier kwamen baden in de rivier.
Mirjam wachtte gespannen wat er zou gaan gebeuren. Zouden ze het mandje
vinden? Ja hoor! Ze hoorde de prinses tegen een van haar slavinnen
roepen: ‘Daar drijft een mandje. Haal het eens vlug, dan kan ik
kijken wat er in zit.‘
Mirjam hield haar hart vast. Oh, de prinses deed het deksel open. Ze
zag het jongetje liggen, dat meteen begon te huilen. De prinses
begreep, dat het een kind van de Hebreeën was, dat verdronken had
moeten worden. ‘Het is zo’n mooi kind. Ik heb het gevonden.
Het is nu van mij. Ik noem hem Mozes!’
Ze pakte hem uit het mandje en wiegde hem heen en weer op haar armen.
Maar Mozes begon weer te huilen. Hij had honger. Hoe moest dat nu? De
prinses kon hem niet voeden en de slavinnen ook niet.
Mirjam had alles op een afstand gehoord. Ze kwam eerbiedig dichterbij.
‘Zal ik voor uwe hoogheid iemand halen die het kind kan
voeden?’ vroeg ze eerbiedig. Ik ken wel een vrouw, die dat
kan.’
Vol verwachting keek ze de prinses aan.
‘Ja, doe dat. Maar wel een beetje snel!’antwoordde de prinses.
Mirjam holde naar huis en maakte af en toe een sprongetje van vreugde.
Vlakbij huis begon ze al te roepen: ‘Mamma, mamma, kom
vlug!’
Jochebed had al die tijd gespannen gewacht op bericht van haar kleine
lieveling. Ze kwam meteen naar buiten. Mirjam vertelde hijgend wat er
aan de hand was. Ze struikelde over haar woorden.
‘Kom vlug mee, mam! De prinses wil dat je ons broertje voedt.’
Jochebed rende achter Mirjam aan naar de rivier.
Haar hart bonsde als een gek toen ze een diepe buiging voor de prinses maakte.
‘Vrouw,’vroeg de prinses, ‘dit kind heb ik gevonden.
Het is de komende Farao, die de Nijl af kwam varen in deze boot, net
zoals mijn voorouders vanuit de hemel in een boot de Nijl af kwamen
varen. Het kind is heel kostbaar, maar ik kan hem niet voeden. Kunt u
dat wel?’
‘Ja, hoogheid,’zei Jochebed met een rode kleur.
‘Hoe heet je?’
Mozes hoorde de stem van zijn moeder en draaide zijn kopje om. Hij stak zijn handjes uit en begon nog harder te schreeuwen.
Jochebed popelde om hem weer in de armen te nemen.
‘Ik ben Jochebed, de vrouw van Amram, uw nederige dienaar, hoogheid.’
‘Goed, neem hem maar mee. Ik stuur een paar soldaten mee om op
hem te letten. Zorg goed voor hem, totdat hij zindelijk is. Ik zal je
er goed voor betalen.’
Jochebed kon haar vreugde niet bedwingen, maar ze moest toneelspelen, anders stond het leven van haar kind op het spel.
Eindelijk overhandigde de prinses Mozes aan Jochebed. O, wat was ze
gelukkig. Toen ze uit het zicht was van de prinses, ging ze aan de kant
van de weg zitten tegen een boom en gaf hem de borst. Ze hoefde niet
meer bang te zijn voor de soldaten. God had hen hun zoon terug gegeven,
want hij had een heel bijzonder plan met Mozes.
|