I
Samuel 17
Kampioen der Filistijnen
Goliath was volgens de Bijbelse overlevering een reus die zich ten dienst stelde als kampvechter
of tweevechter voor het Filistijnse leger in hun oorlog tegen koning Saul. Zijn taak was dus om tussen de beide legers in te
gaan staan en in plaats van een groot gevecht tussen de twee (waarbij aan beide
zijden zware verliezen zouden vallen) het Israëlitische leger uit te dagen tot
een tweegevecht tussen hem en een Israëlitische kampioen.
Goliath was een indrukwekkende verschijning: hij droeg een koperen helm en
scheenbeschermers en torste een zwaar koperen schild met zich mee en een enorm
zwaard. Bovendien had hij een speer met een stok zo groot als een weversboom en
een punt die 600 sikkelen ijzer woog (zo'n 432 gram) en droeg hij een schubachtig pantser of
een maliënkolder van
5000 sikkelen koper (zo'n 36 kilo). Bovendien was hij ongeveer zes ellen en een
span lang.
Er zijn verschillende inzichten over wat een "el" hier precies is, want de Tenach kent drie soorten ellen: een van
vijf palmen (handpalmen, dus vier vingerbreedten), een van zes palmen en een van
dertig palmen. Het waarschijnlijkst zou Goliath daarmee tussen de 2 en 3 meter
zijn geweest.
Het duel
De Filistijnen hadden kennelijk alle vertrouwen in Goliath, want volgens de
Bijbelse tekst in I Samuel 17:8-9 was zijn aanbod aan Sauls leger:
"Waarom zouden jullie optrekken en slag leveren? Ik ben een vrije
Filistijn, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie midden en
laat hem hier beneden komen. Als hij me aankan en me verslaat, zullen wij aan
jullie onderworpen zijn, maar als ik hem aankan en hem versla, zullen jullie aan
ons onderworpen zijn en ons als slaven dienen. Hierbij daag ik het leger van
Israël uit om me iemand te sturen met wie ik een tweegevecht kan
houden."
Goliath herhaalde zijn uitdaging 40 dagen achter elkaar en spotte zo met het
Israëlitische leger, waar niemand het tegen hem op durfde te nemen. Toch was hij
uiteindelijk niet de overwinnaar, want de herdersjongen David velde Goliath op de 40e dag in Gods naam met een welgemikte steen tegen het voorhoofd.
Waarna hij, het zekere voor het onzekere nemend, terugkwam op zijn eerdere
besluit geen zwaard te hanteren en Goliath met diens eigen zwaard onthoofdde.
Het hoofd brengt hij naar Jeruzalem, de wapens naar zijn tent.
De
Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. Ze verzamelden zich in
Socho in Juda en sloegen hun kamp op in Efes-Dammim, tussen Socho en
Azeka. Saul riep het leger van Israël op en sloeg zijn kamp op in
de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen:
op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de
Israëlieten; het dal lag tussen hen in.
Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren,
een zekere Goliath uit Gat, een man van ruim zes el lang. Hij had een
bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser dat wel
vijfduizend sjekel woog. Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals
het kromzwaard dat over zijn schouder hing. De schacht van zijn lans
was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van
zeshonderd sjekel ijzer. Een schildknecht ging voor hem uit.
In het dal bleef de Filistijn staan en riep de Israëlieten toe:
"Waarom zouden jullie optrekken en slag leveren? Ik ben een vrije
Filistijn, en jullie zijn maar slaven van Saul! Kies iemand uit jullie
midden en laat hem hier beneden komen. Als hij me aankan en me
verslaat, zullen wij aan jullie onderworpen zijn, maar als ik hem
aankan en hem versla, zullen jullie aan ons onderworpen zijn en ons als
slaven dienen. Hierbij daag ik het leger van Israël uit om me
iemand te sturen met wie ik een tweegevecht kan houden." Bij het horen
van deze woorden stonden Saul en het leger van Israël verlamd van
schrik.
David was een zoon van Isaï uit Betlehem, dat in de streek Efrata
in Juda ligt. Deze Isaï had acht zonen. Hijzelf was in de tijd van
Saul al te oud om nog onder de wapenen te gaan, maar zijn drie oudste
zonen trokken met Saul ten strijde. De oudste heette Eliab, de tweede
Abinadab en de derde Samma. David was de jongste. Zijn drie oudste
broers waren met Saul ten strijde getrokken, en hij ging heen en weer
tussen het kamp van Saul en Betlehem, waar hij de kudde van zijn vader
hoedde.
Ondertussen trad de Filistijn elke ochtend en elke avond naar voren, veertig dagen lang, en bleef dan staan wachten.
Op een dag zei Isaï tegen zijn zoon David: "Hier heb je een zak
geroosterd graan en tien broden. Breng die snel naar je broers in het
legerkamp. En deze tien kazen moet je aan hun bevelhebber geven. Vraag
je broers hoe het met ze gaat en neem een levensteken van hen mee
terug." Saul was met de soldaten van Israël, onder wie Davids
broers, nog steeds gelegerd in de Terebintenvallei, tegenover de
Filistijnen.
De volgende ochtend vroeg ging David met de proviand op weg, zoals
Isaï hem had opgedragen. Zijn kudde liet hij achter onder de hoede
van iemand anders. Hij kwam juist bij het wagenkamp aan toen het leger
onder het aanheffen van strijdkreten de linies betrok. De
Israëlieten en de Filistijnen stelden zich in slagorde tegenover
elkaar op. David gaf zijn spullen af aan de foerier en haastte zich
naar de gevechtslinie. Daar vond hij zijn broers en hij vroeg hun hoe
het met ze ging. Terwijl hij met ze aan het praten was, trad uit de
Filistijnse gelederen de kampvechter naar voren, Goliath uit Gat, en
David hoorde hem de Israëlieten uitdagen zoals hij dat elke dag
deed. Bij het zien van Goliath renden de Israëlieten angstig weg.
"Zien jullie die man daar?" zeiden ze tegen elkaar. "Israël
vernederen, daar is het hem om te doen! Wie hem verslaat, zal door de
koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de
koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van
schatting en herendienst."
David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: "Wat gebeurt er
met degene die die Filistijn daar verslaat en Israël van deze
schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de
gelederen van de levende God durft te beschimpen!" De soldaten
herhaalden tegen hem wat ze zojuist gezegd hadden.
Toen Davids oudste broer Eliab hem met de soldaten hoorde praten, viel
hij woedend uit: "Wat doe je hier eigenlijk? Hoor jij niet in de
woestijn op je schapen te passen? Echt iets voor jou, om met je brutale
neus vooraan te willen staan als er gevochten gaat worden." "Wat doe ik
nu weer verkeerd?" antwoordde David. "Ik vraag het toch alleen maar!"
Hij draaide zijn broer de rug toe en legde zijn vraag nog aan anderen
voor, en kreeg weer hetzelfde antwoord.
Davids vragen bleef niet onopgemerkt. Men vertelde het aan Saul, en die
liet hem bij zich komen. David zei tegen Saul: "We hoeven om die
Filistijn toch niet de moed te verliezen, Heer. Ik zal met hem het
gevecht aangaan." "Maar je kunt hem toch onmogelijk aan," wierp Saul
tegen. "Jij bent nog maar een jongen en hij is al van jongs af aan
gewend om te vechten." "Ik heb altijd de kudde van mijn vader gehoed,"
antwoordde David. "Wanneer er een leeuw of een beer kwam om een schaap
of een geit uit de kudde te stelen, ging ik erachteraan, overmeesterde
hem en redde het dier uit zijn muil. En als hij me wou aanvallen greep
ik hem bij zijn kaken en sloeg ik hem dood. Leeuwen en beren heb ik
verslagen en die onbesneden Filistijn zal het net zo vergaan, omdat hij
de gelederen van de levende God heeft beschimpt! De Heer, die me gered
heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de
handen van deze Filistijn." "Ga dan," zei Saul tegen David, "en moge de
Heer je bijstaan." Hij gaf hem zijn eigen uitrusting en hielp hem die
aan te doen: een bronzen helm voor op zijn hoofd en een borstkuras. Ten
slotte gordde David het zwaard om en probeerde een paar passen te
lopen, omdat hij aan zo"n zware uitrusting niet gewend was. "Ik kan
hier niet mee lopen," zei hij tegen Saul, "ik ben dat niet gewend." En
hij deed de uitrusting weer af. Hij pakte zijn stok, zocht vijf ronde
stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep
hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand.
Met zware stappen kwam de Filistijn op David af, voorafgegaan door zijn
schildknecht. Hij nam David, een knappe jongen met rossig haar,
geringschattend op en zei: "Ben ik soms een hond, dat je met een stok
op me af komt?" En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. "Kom
maar op," zei hij, "dan maak ik jou tot aas voor de gieren en de
hyena"s." "Jij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,"
antwoordde David, "maar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de
hemelse machten, de God van de gelederen van Israël, die jij hebt
beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je
verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen
aan de aasgieren en de hyena"s ten prooi geven, zodat de hele wereld
weet dat Israël een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat
de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want hij is
degene die de uitslag van de strijd bepaalt en hij zal jullie aan ons
uitleveren."
Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan,
maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand
in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de
Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en
de Filistijn voorover stortte.
Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof
hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. Hij rende
naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit
de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd
af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de
vlucht. Nu sprongen de Israëlieten en Judeeërs op, hieven de
strijdkreet aan en achtervolgden hen tot aan Gat en de poorten van
Ekron. De hele weg van Saäraïm tot aan Gat en Ekron lag
bezaaid met gesneuvelde Filistijnen. En toen de Israëlieten van
hun achtervolging terugkwamen, plunderden ze het Filistijnse legerkamp.
David nam het hoofd van de Filistijn mee om het naar Jeruzalem te
brengen; de wapens die hij hem had afgenomen legde hij in zijn tent.
Terwijl Saul toekeek hoe David de Filistijn tegemoet trad, vroeg hij
aan zijn opperbevelhebber Abner: "Zeg eens, van wie is die jongen een
zoon?" "Zo waar u leeft, koning," antwoordde Abner, "ik weet het niet."
"Zoek dan uit van wie die jongeman een zoon is," droeg de koning hem
op. Toen David na zijn overwinning op de Filistijn terugkwam, wachtte
Abner hem op en leidde hem naar Saul. Het hoofd van de Filistijn had
hij nog in zijn hand. "Van wie ben jij een zoon, jongen?" vroeg Saul,
en David antwoordde: "Ik ben de zoon van uw dienaar Isaï uit
Betlehem."
Verdiep je ook eens in onderstaande bijlagen :