OUDE WANDTEGELS met BIJBELSE
TAFERELEN
BIJBELS TAFEREEL 005

Elia wordt gevoed door de Raven

(I Koningen 17)
1 De Tisbiet Elia uit Gilead zei tegen Achab: ‘Zo waar de HEER
leeft, de God van Israël, in wiens dienst ik sta, de eerstkomende
jaren zal er geen dauw of regen komen tenzij ik het zeg.’
2 De HEER richtte zich tot Elia met de woorden: 3 ‘Ga weg van
hier. Ga naar het oosten en zoek een schuilplaats in de wadi Kerit, aan
de overkant van de Jordaan. 4 Drinken kun je uit de rivier, en ik heb
de raven opgedragen je daar van voedsel te voorzien.’ 5 Elia deed
wat de HEER hem had gezegd, hij ging weg en trok zich terug in de wadi
Kerit, ten oosten van de Jordaan. 6 De raven brachten hem daar ’s
ochtends en ’s avonds brood en vlees, en water dronk hij uit de
rivier.
7 Maar doordat het almaar niet regende in het land, viel de rivier na
verloop van tijd droog. 8 Toen richtte de HEER zich tot Elia met de
woorden: 9 ‘Ga naar Sarefat, in de buurt van Sidon, en neem daar
je intrek. Ik heb een weduwe daar opgedragen je van voedsel te
voorzien.’ 10 Elia ging op weg naar Sarefat, en toen hij bij de
stadspoort aankwam, zag hij een weduwe die bezig was hout te
sprokkelen. Hij riep haar en vroeg of ze een kommetje water voor hem
wilde halen, zodat hij zijn dorst kon lessen. 11 Terwijl ze wegliep om
water te halen, riep hij haar na of ze ook een stuk brood voor hem
wilde meenemen. 12 ‘Zo waar de HEER, uw God, leeft,’
antwoordde zij, ‘ik heb niets meer in voorraad, alleen een
handjevol meel in de pot en een restje olijfolie in de kruik. Kijk, ik
heb net een paar takken geraapt om iets te eten te maken voor mij en
mijn zoon. Als dat op is, zullen we van honger sterven.’ 13 Maar
Elia zei: ‘Maak u niet ongerust. Doe wat u van plan was, maar bak
van wat u in huis hebt eerst iets voor mij en kom me dat brengen.
Daarna kunt u voor uzelf en uw zoon iets klaarmaken, 14 want dit zegt
de HEER, de God van Israël: Tot op de dag dat ik weer regen op de
aarde zal laten vallen, zal er meel in de pot zijn en zal de oliekruik
niet leeg raken.’ 15 De vrouw ging naar huis en deed wat Elia had
gezegd. En ze hadden elke dag te eten, zij, Elia en haar familie. 16 Er
was meel in de pot en de oliekruik raakte niet leeg, zoals de HEER bij
monde van Elia had beloofd.
17 Enige tijd later werd het kind van Elia’s gastvrouw ziek, en
wel zo ernstig dat ten slotte alle leven uit hem week. 18 Toen zei de
vrouw tegen Elia: ‘Wat heb ik u misdaan, godsman? Bent u soms
naar me toe gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn
zoon te doden?’ 19 ‘Geef mij uw zoon,’ zei hij, en
hij nam de jongen van haar schoot en droeg hem naar boven, naar de
kamer die hij in gebruik had, en legde hem op zijn eigen bed. 20 Toen
riep hij de HEER aan en vroeg: ‘HEER, mijn God, waarom treft u
juist deze weduwe, die mij gastvrijheid verleent, door haar zoon te
doden?’ 21 Hij strekte zich driemaal over het kind uit, daarbij
de HEER aanroepend met de woorden: ‘HEER, mijn God, laat toch de
levensadem in de borst van dit kind terugkeren.’ 22 De HEER
verhoorde Elia’s smeekbede: de levensadem keerde terug in de
borst van het kind, en het leefde weer. 23 Elia nam het kind op, droeg
het naar beneden en gaf het aan zijn moeder terug. ‘Kijk, uw zoon
leeft,’ zei hij. 24 Toen zei de vrouw tegen Elia: ‘Nu weet
ik dat u door God gezonden bent en dat u werkelijk namens de HEER
spreekt.’.
Elia de Thesbiet
Ziehier de talrijke wonderen van Elia de Thesbiet.
Allereerst werd hij gevoed door de raven,
Maar daarna voedde hij op zorgzame wijze
De weduwe in Sarepta met de magere resten van olie en meel.
Hij wekte haar zoon op uit de doden door zijn adem.
Door Gods macht weerhield hij de regen
en liet het later weer regenen op het land.
Hij zuiverde het offer door een ongekend vuur met ongekende gebaren.
Daarna overleefde hij vele dagen zonder voedsel tot zich te nemen.
Hij verteerde door vuur de twee aanvoerders van de vijftig soldaten.
Hij stak de Jordaan over, nadat hij het water verdeeld had met zijn mantel.
Hij voer naar de hemel in een wagen van vuur.
Hij liet aan Elisa zijn melota van dierenhuiden,
En daarenboven zijn ambt als profeet.
(Gregorios de Theoloog, dogmatische gedichten)
Je
zult Elia heten, Eli-jahoe, Jahwe toegewijd, aan Hem verknocht, en dan
najaren ontdekken dat al je ijveren voor niets is geweest. 'Ik heb
vurig geijverd voor jou, maar het volk heeft jou de rug toegekeerd,
jouw altaren hebben ze verwoest, jouw profeten vermoord. Ik alleen ben
overgebleven en ik ben gevlucht, omdat ze mij naar het leven staan'
(vgl. 1 K 19,14).
Het is bekend dat de profeet Elia uit Tisbe uit Gilead komt, maar over
zijn ouders, zijn familie, zijn beroep weten we verder niets. Ineens,
onaangekondigd staat hij daar. 'Een profeet als vuur', zegt Jezus
Sirach, 'en zijn woorden zijn als brandende fakkels' (Sir 48, l).
Twintig jaar lang werkt hij in de politiek, hoewel maar enkele verhalen
over die periode van hem bekend zijn (1 K 17,l-2 K 2,18). Ten tijde van
Elia, in de negende eeuw voor Christus, heerst er crisis in het land,
niet zozeer op politiek, sociaal en economisch gebied, want men heeft
het in jaren niet zo goed gehad, maar religieus- spiritueel is het volk
volkomen gedesintegreerd. Het heeft zijn ziel verkocht aan de
Baäl, dat wil zeggen aan groei, welvaart, vruchtbaarheid, macht en
ongekende vooruitgang. De hang naar meer en beter is onstuitbaar. De
God van de uittocht uit Egypte, de God van het brandende braambos en de
schraalte van de woestijn is vergeten. Elia voelt zich alleen, Gode
gewijd, maar door niemand begrepen en door zijn volk in de steek
gelaten. Hij wil niet langer Elia, aan God gewijd heten. Alles heeft
hij doorstaan: de droogte van de beek Kerit waar hij in volkomen
passiviteit door een raaf gevoed werd (1 K 17, l-7), het religieus
fanatisme van de Baälsprofeten op de Karmel (1 K 18,20-40), de
confrontatie met Achab en Izebel (1 K 18,16-19) en vooral de
ongevoeligheid en onverschilligheid van zijn volk (1 K 18,21-22). Maar
nu is het genoeg, hij kan het niet meer aan. Hij vlucht de woestijn in,
een dagreis ver, gaat onder een bremstruik liggen en wil eigenlijk
alleen nog maar dood. 'Het wordt mij te veel', zegt hij, 'laat mij hier
maar sterven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen'. Hij is het zat,
doodmoe van al dat gesjouw voor zijn God. Wat overblijft, is woestijn,
de schraalte van de bremstruik, geen weg, geen richting, niet weten hoe
verder.
Een woestijn van niet weten
Veel mensen die hun leven in
dienst van God en de mensen hebben gesteld, voelen zich als Elia.
Jarenlang hebben zij zich uitgesloofd voor anderen, alles gegeven: niet
omdat het moest, maar omdat zij zich innerlijk daartoe geroepen
voelden. Maatschappelijk hebben zij als religieuzen een beweging van
barmhartigheid op gang gebracht en gelukkig hebben anderen hun werk
voor de verdrukten in de samenleving overgenomen. Kleine onooglijke
beginnetjes zijn uitgegroeid tot grote scholengemeenschappen,
uitgebreide zorginstellingen en een netwerk van maatschappelijke
dienstverlening. Het gaat goed met Nederland, zegt men. De samenleving
voelt zich verantwoordelijk voor het welbevinden van haar burgers en
beseft dat je mensen die er slecht aan toe zijn niet kan afschepen met
een aalmoes. Tegelijkertijd ziet ook iedereen die niet met oogkleppen
op loopt, hoe onbarmhartig hard de politiek zich opstelt tegenover
mensen die zich niet of nauwelijks kunnen redden.
Met Elia vragen mensen zich dan ook af: wat heeft al dat zwoegen nu
uitgehaald? De samenleving is er niet veel anders van geworden en de
geestelijke leiders vinden het verkondigen van wat wel en niet
geoorloofd is belangrijker dan het luisteren naar vragen van mensen die
zoeken naar de zin van hun bestaan.
'Is er een verder?', vraagt Elia zich af. 'Hoe moet
ik in deze situatie verder?', vragen velen in onze tijd zich af.
Mystici in onze traditie spreken als zij met dergelijke zinvragen
geconfronteerd worden over 'nacht', de nacht van niet weten, over
woestijn en leegte. Het is een tijd waarin alle bedrijvigheid en
drukdoenerij stilvallen en alle goede bedoelingen worden ontmaskerd.
Het is een tijd van niets doen, niets meer kunnen, niets meer willen,
van wachten en uitzien naar de morgen als wachters in de nacht, zoals
de psalm zegt (Ps 130,5-6). In de nacht, in de zogenaamde 'verloren
tijd', word je geconfronteerd met jezelf. Iemand houdt je een spiegel
voor, iemand laat je vallen en verraadt je, iemand doorziet je
manipulaties en heeft je door. Alle kaarten worden je uit handen
geslagen en van je zorgvuldig geformuleerde plannen blijft niets over.
De vertrouwde dingen en vaste punten beginnen te schuiven en niets
blijft meer op zijn plaats staan. Je raakt je overzicht kwijt en voelt
je totaal onthand.
Er is een weg
Elia voelt zich mislukt,
maar gaandeweg ervaart hij dat de woestijn en de bremstruik niet het
einde zijn. De nacht duurt, maar niet eeuwig. Tot twee keer toe komt er
een engel bij hem langs die hem wakker schudt en zegt: 'Kom Elia, eet
wat en drink wat. Je hebt nog een lange reis voor de boeg'. En Elia
gaat. Veertig dagen en veertig nachten, een eeuwigheid – zo lijkt
het wel – trekt hij verder, niet wetend waar de weg hem brengen
zal. Het wonderlijke van heel dit gebeuren is, dat hij in de woestijn,
als ieder steunpunt hem ontvallen is en zelfs God zich verborgen houdt,
tot besef komt. Niet rationeel of logisch, maar op het niveau van de
ziel groeit het besef, dat leven, zijn leven, niet te organiseren valt,
maar gegeven wordt, van dag tot dag, zomaar, 'om niet'. Hij gaat,
alleen, zonder enig houvast, en al gaande groeit zijn vertrouwen in de
weg, de weg die hem beweegt in de richting van de berg van God, de
Horeb.
In heel de mensengeschiedenis gaan mensen deze weg:
door nacht en woestijn, in volstrekte eenzaamheid, radeloos soms,
dodelijk vermoeid, maar ook met volharding.
|