Bidden is een noodzakelijke aangelegenheid
Bidden moet, maar wat is bidden dan?
Deze antwoorden misschien: bidden is bij de Here op bezoek gaan.
Bidden is vertrouwen op God. Bidden is alles aan de Here vertellen. Bidden is
praten met de Here. Wat een mooie antwoorden! Want zo is het ook.
En wanneer doe je dat, bidden?
Elke dag toch? Lees je bijbel, bid elke dag! Elke dag, als je blij
bent, en gezond. Maar ook als je wel eens verdrietig bent, of ziek. Altijd kun
je bij de Here terecht. Altijd mag je met de Here praten, en alles mag je aan de
Here vertellen.
Dat gebeurt ook in Handelingen
12. De geschiedenis die we in de bijbel gelezen hebben. Petrus lag in de
gevangenis. Het was donker, midden in de nacht. Hij lag in een donkere cel en
twee soldaten lagen naast hem, aan elke kant één.
Die soldaten moesten op hem
passen zodat hij niet kon weglopen. Trouwens, weglopen kon hij toch moeilijk,
want hij had aan elke arm een ketting en die kettingen waren dan aan de armen
van die soldaten vastgeketend. Als hij zou weglopen dan zouden die soldaten dat
meteen merken.
En de deur van de cel was heel goed op slot. En de buitenste poort van de
gevangenis was ook heel goed op slot. Bovendien voor die celdeur en bij de
buitendeur stonden ook nog soldaten.
De gevangenis werd heel goed bewaakt.
Niemand mocht ontsnappen.
Waarom niet? Omdat in de gevangenis allemaal
slechte mensen zaten. Die zaten er niet voor niets, dieven, moordenaars,
boeven.
En Petrus dan? Was Petrus ook een slechte man? Nee, Petrus was geen dief,
geen moordenaar, geen rover. Petrus had geen kwaad gedaan. Waarom was Petrus dan
in de gevangenis gestopt? Wel, omdat hij aan de mensen van de Here Jezus had
verteld. Daarom zat hij daar!
Koning Herodes was de kleinzoon van de beruchte
kindermoordenaar van Betlehem. Koning Herodes was een vijand van de Here. Een
vijand van de kerk. En daarom ging hij de kerk vervolgen. Hij liet Jacobus, één
van de apostelen, gevangen nemen en ter dood brengen. Jacobus werd onthoofd.
Vreselijk was dat!
Daarna had Herodes Petrus laten oppakken. Hij dacht: als ik nu die apostelen,
die leiders van de kerk maar te pakken krijg, dan krijg ik de kerk wel
klein.
Jacobus onthoofd, Petrus gevangen. Was dat het werk van een mens? Van
Herodes, of van zijn soldaten? Of was dit het werk van de Farizeeën en
Schriftgeleerden, die het allemaal prachtig vonden?
Nee, weet u wie daar
achter zat? De duivel, die zat er achter! De duivel dat is Gods grote vijand,
die wil God het leven moeilijk maken. Die wil ook de kerk het leven moeilijk
maken. De duivel zat er achter.
Petrus sliep in zijn cel. Hoe kon hij dat doen, zo rustig slapen? Want de
volgende dag - dat wist hij - zou hij voor de koning moeten verschijnen en dan
zou hij worden terechtgesteld, gedood, net als Jacobus.
Was Petrus niet bang?
Lag hij niet heel zenuwachtig te woelen, of misschien wel te huilen van
verdriet, omdat hij de volgende dag zou moeten sterven?
Nee, Petrus was niet
bang voor de dood. Want hij wist dat de Here voor hem zou zorgen. Ook als hij
zou moeten sterven. Hij wist dat hij in leven en sterven eigendom was van de
Here Jezus.
Petrus lag in de gevangenis te slapen. Herodes had zijn zin. De overpriesters
en de schriftgeleerden hadden hun zin. De duivel had zijn zin. Ze hadden een
flinke vangst gedaan. Jacobus was dood en Petrus zat gevangen. En Petrus moest
maar gauw ter dood gebracht worden. En niemand zou hem dan nog kunnen
helpen.
Niemand, de andere apostelen niet. De leden van de kerk van Jeruzalem
niet. Nee, die leden van de kerk van Jeruzalem konden Petrus niet meer helpen.
Maar ze dachten wel steeds aan hem. Ze waren niet rustig gaan slapen. Maar ze
waren opgebleven. Heel de nacht zaten ze bij elkaar in een huis. En ze konden
niets meer voor Petrus doen.
Of wel? Ja toch, ze konden voor hem bidden. En
dat deden ze ook. Die gemeente ging de hele nacht voortdurend voor Petrus
bidden.
Wij zeggen wel eens in een bepaalde situatie: we kunnen niets meer doen voor
iemand. We kunnen niet meer helpen, we kunnen alleen nog maar bidden. Het gebed
als laatste redmiddel.
Maar het gebed is niet het laatste
redmiddel. Het gebed is eigenlijk het enige redmiddel. En een heel krachtig
redmiddel. Wie bidt is niet aan het einde van zijn mogelijkheden, maar wie bidt
staat op de top van zijn mogelijkheden.
Bidden is toch vertrouwen op de Here
God? Bidden is zeggen: Here, wij kunnen het niet meer. Maar U kunt alles. Wilt U
helpen?
Zo bad de gemeente van Jeruzalem voor Petrus: "Here, wilt U Petrus helpen en
wilt U hem bevrijden als U dat nodig vindt voor de voortgang van uw
evangelie?"
Wat is het gebed een kracht! En dat gebed
kan de vijand u nooit afnemen. De vijanden van de kerk kunnen de kerk heel wat
afnemen, heel wat afpakken. Dat is ook gebeurd bij vervolgingen, alle eeuwen
door. De vijanden van de kerk kunnen de Bijbel afpakken. Die kunnen de
kerkgebouwen afpakken. Maar het gebed? Het gebed kan de vijand ons nooit
afpakken.
Wat is het gebed daarom belangrijk! Wat is het belangrijk dat vaders en
moeders hun kinderen leren bidden. En wat is het fijn, jongens en meisjes dat
jullie van je ouders thuis geleerd hebben dat je mag bidden. En dat vader en
moeder ook geleerd hebben hoe je dat moet doen. Bidden is broodnodig. En de Here
vindt het fijn, heel fijn, als je elke dag tot Hem bidt. Hij luistert naar je.
Hij verhoort je. Hij helpt, echt waar. Want bidden moet.
Bidden helpt werkelijk
Petrus ligt te slapen in de cel van de gevangenis, tussen twee soldaten in.
En dan, dan staat er ineens een engel in de cel. Het is ineens helemaal blinkend
licht daar. En die engel zegt tegen Petrus: sta snel op. Petrus doet het. En hij
kan het ook. Want de kettingen vallen zo maar van zijn handen. En de soldaten
worden niet eens wakker. Die slapen gewoon door.
En de engel zegt: doe je
schoenen aan, trek je jas aan en kom mee. En dat doet Petrus. Hij loopt achter
de engel aan. Maar die deur dan? Nou, die deur gaat vanzelf open!
En de
soldaten die daar voor staan, die merken niks. En dan de buitenste poort, die
gaat ook vanzelf open. En ook daar merken de soldaten die op wacht staan niets.
Ze houden Petrus niet tegen. Het lijkt wel alsof Petrus droomt.
En dan komen ze op straat. De engel loopt nog één straat met hem mee. En dan
ineens is de engel weg. Petrus staat daar helemaal alleen. Hij voelt de
buitenlucht. En hij denkt: het is echt waar! Ik droom niet, het is echt waar, ik
ben vrij! Ik ben de gevangenis uit! De Here heeft zijn engel gestuurd om mij uit
de gevangenis te bevrijden. Ik ben weer vrij!
En dan gaat Petrus naar het huis toe waar de gemeenteleden bij elkaar waren.
Het huis van Maria, de moeder van Johannes Marcus. Hij weet dat huis in het
donker wel goed te vinden. En als hij daar is, wat doet hij dan? Dan klopt hij
aan de deur. Wat klinkt dat hard, dat geklop op de deur in die stille nacht. De
gemeenteleden zitten binnen, ze zitten nog steeds te bidden voor Petrus. En als
ze dat geklop horen, dan schrikken ze op. Hoor! Er wordt aan de deur geklopt.
Wie kan dat zijn? Zouden dat soldaten zijn om nog meer kerkmensen gevangen te
nemen? Wat spannend!
Het dienstmeisje gaat naar de deur. Rode heet ze,
Roosje. Wie is daar? vraagt ze. En als ze dan de stem van Petrus hoort, dan is
ze zó blij, dat ze helemaal vergeet om de deur open te doen. Want ze rent terug
naar binnen en zegt: mensen, Petrus staat voor de deur. Petrus is er, hij is
vrij!
En wat is dan de reactie van de kerkmensen die daar binnen waren? Och,
Roosje, je bent niet goed wijs. Dat kan helemaal niet. Petrus zit in de
gevangenis. Je hebt vast zijn geest gezien.
Bidden helpt! Dat is wel duidelijk. De Here verhoort het gebed van
zijn kerk boven bidden en denken. De gemeente had de hele nacht vurig voor
Petrus gebeden. En dan geeft de Here diezelfde nacht nog verhoring van dat
gebed. Hij bevrijdt Petrus in diezelfde nacht. En als Petrus dan voor ze staat,
dan kunnen ze het niet geloven.
Wat zijn wij als bidders zwakke zondige mensen. We weten heel goed dat we
bidden moeten. We weten heel goed dat we bidden mogen. We weten ook heel goed,
dat de Here naar ons luistert. Maar als de Here dan verhoort, wonderbaar, ja dan
kunnen we het niet eens geloven. Dan kunnen we er niet bij.
Bidden helpt, altijd. Petrus is wonderlijk bevrijd. Eerst willen ze het niet
geloven. Maar dan gaan die leden van de gemeente allemaal mee naar voren, naar
de poort. En daar zien ze dat het echt waar is, dat Petrus in levende lijve voor
de deur staat. En ze zijn helemaal door het dolle heen, helemaal enthousiast.
Petrus moet ze eerst tot rust manen. Even kalm. Dan zal ik vertellen wat er
allemaal gebeurd is. En dat doet hij ook.
En zo hebben ze de Here ook
gedankt. Gedankt dat Hij, de Here, zo rijk hun gebed had verhoord. Want bij
bidden hoort ook het danken, nietwaar?
's Morgens bid je de Here of Hij je wil helpen op school, bij het werk,
onderweg in het verkeer. En als je dan 's middags of 's avonds weer veilig thuis
bent, dan mag je de Here ook bedanken. Bedanken dat Hij je geholpen heeft, op
school, onderweg, op het werk.
Dat wil de Here graag! Dat we Hem bedanken.
Bidden is ook danken.
De kerk van Jeruzalem heeft God gedankt voor de
verhoring van het gebed, voor de bevrijding van Petrus.
En toen is Petrus
gauw weggegaan, als vluchteling naar een andere plaats om daar ook weer de
mensen van de Here Jezus te vertellen. Hij kon in Jeruzalem niet blijven, dat
zou te onveilig zijn. Maar voor dat hij wegging zei hij nog: mensen, jullie
moeten dit ook doorgeven aan Jacobus, de broer van de Here Jezus, en aan de
andere broeders. Ze moesten de kerkenraad van Jeruzalem ook daarvan op de hoogte
stellen.
De volgende dag was er grote opschudding in de gevangenis. Want ze misten een
gevangene, Petrus. Waar was hij? Hoe kon hij ontsnappen.
En ze moeten het aan
Herodes gaan vertellen. Herodes die razend is. Wat is hij boos! Overal liet hij
naar Petrus zoeken. Heel de stad werd uitgekamd, maar Petrus was spoorloos. En
toen liet Herodes de soldaten bij zich komen. En ze moesten vertellen wat er
gebeurd was. En toen was Herodes zo boos dat hij die soldaten heeft laten doden.
Hij was van plan om Petrus te doden. Maar de soldaten werden gedood in Petrus'
plaats.
Een afgang voor Herodes. Herodes die dan ook verhuisde vanuit Jeruzalem naar
Cesarea. En daar liet hij op een dag zich in een heel groot stadion toejuichen,
goddelijke eer toebrengen. Het volk vereerde hem als een god.
Wat een
vreselijke zonde van Herodes. Herodes die dacht dat hij aan God gelijk was en
dat hij goddelijke eer kon ontvangen. De Here God heeft die zonde meteen
bestraft. Hij stuurde een engel die de koning sloeg, zodat hij door de wormen
werd gegeten en stierf.
Twee keer zien we het optreden van een engel in dit hoofdstuk. De eerste keer
een engel van de Here die Petrus uit de gevangenis haalt. Op het slot van dit
hoofdstuk een engel van de Here die Herodes straft met de dood.
Het zag er niet zo mooi uit voor de kerk van Jeruzalem. Wat was de vervolging
zwaar! Jacobus gedood, Petrus gevangen en op de vlucht. Zou de duivel het dan
toch winnen?
Nee, de duivel wint het niet. De duivel wint het
nooit! Petrus mocht worden bevrijd door de engel. Herodes werd gedood door een
engel. God zelf grijpt in, want zijn werk gaat door. Zijn woord moet worden
verkondigd. Zijn kerk moet worden gebouwd. Wat is het mooi dat er dan staat: het
woord van de Here wies. En wies betekent: het groeide, het bloeide, het
verbreidde zich.
De Here gaat door met zijn werk. En daarbij schakelt hij het gebed van de
kerk in. Hij kan uw gebeden niet missen. Hij kan ook
jullie gebeden niet missen. Die gebeden helpen, echt waar.
Dat lijkt er niet altijd op. Jacobus, de apostel werd door Herodes gedood. En
vast en zeker had de gemeente ook voor hem gebeden.
Had de Here dat gebed dan verhoord? Jazeker, de Here verhoort de gebeden van
zijn kerk altijd. Maar dat betekent niet dat de Here altijd ons onze zin geeft.
Dat de Here altijd doet wat wij graag willen. De Here vervult niet onze wensen.
Hij vervult wel zijn beloften. Want de taak van Jacobus was afgelopen. En daarom
riep de Here Jacobus bij zich in de hemel. Zijn taak op aarde was klaar. Maar de
taak van Petrus ging nog door. En daarom liet de Here Petrus uit de gevangenis
bevrijden. Petrus had nog een taak in de verkondiging van het evangelie. Hij
moest nog veel meer mensen gaan vertellen van de Here Jezus. En daarom werd
Petrus bevrijd.
En wat is het gebed dan belangrijk. Dat gebed van de kerk
schakelt de Here in bij de uitvoering van zijn werk. Op het gebed van de kerk
grijpt de Here in.
Bidden is echt broodnodig, voor ons, maar ook voor de
Here. De Here heeft ook uw gebeden, ook jullie gebeden nodig.
Ik moet denken aan het werk van ds.
Slomp, in oorlogstijd, Frits de Zwerver. In Heemse staat zelfs een monument ter
nagedachtenis aan wat Frits de Zwerver en vele anderen met hem mochten betekenen
in de strijd tegen de tirannie, tegen de duivel.
Frits de Zwerver werd in mei
1944 gearresteerd en opgesloten in de zwaarbewaakte gevangenis De Koepel in
Arnhem. Na twaalf dagen werd hij op listige wijze door een knokploeg van de
ondergrondse bevrijd. Zijn taak liep nog door. Hij moest nog verder werken in de
strijd tegen de duivel.
We weten ook dat zoveel andere verzetsmensen in
oorlogstijd zijn gedood. Hun taak was klaar. Reken er maar op dat in die dagen
waarin Frits de Zwerver in de gevangenis zat, dat er toen in de kerk van Heemse
en in de gezinnen van Heemse vurig voor hun predikant is gebeden.
En er is ook gedankt. Toen Frits de Zwerver uit de gevangenis was bevrijd, toen stonden
voor de oude school een paar broeders met elkaar te
praten. En toen kwam er een wat oudere broeder langs. En die vroeg: wat is er?
Is er iets aan de hand? Toen zeiden ze: ds. Slomp is bevrijd uit de gevangenis.
En die oude broeder nam zijn pet af en hij zei: mannenbroeders, daar gaan we de
Here voor danken. En toen hebben ze daar op straat de Here gedankt voor zijn
bevrijdingswerk.
Bidden is broodnodig! Nodig voor ons, ook nodig voor de Here. Want het gaat
toch om Hem, om zijn naam, om zijn rijk, om zijn wil.
Laten we dat goed vasthouden. En laten we maar trouw zijn als biddende gelovigen.