Oude wandtegels - 001
met BIJBELSE TAFERELEN
Afbeeldingen met een rijke
boodschap aan de hand van tegels met Bijbelse fragmenten 'De Boodschap'
uitgelegd. Een boeiende serie in 310 afleveringen met als resultaat de
Bijbel beter te leren kennen en ontdekken hoe groot de invloed van de
Bijbel is.
nieuwsbericht van holyhome.nl
DE TOVENAARS VAN DE FARAO

Exodus
8 : 7-8
Maar de geleerden deden hetzelfde door hun toverkunsten, zodat zij
kikvorsen over het land Egypte deden opkomen ....
Toen zeide de HEERE tot Mozes:
Zie, Ik heb u tot een God gezet over Farao; en Aäron, uw
broeder, zal uw profeet zijn.
2 Gij zult spreken alles, wat Ik u gebieden zal; en Aäron, uw
broeder, zal tot Farao spreken, dat hij de kinderen Israëls
uit zijn land trekken laat.
3 Doch Ik zal Farao's hart verharden; en Ik zal Mijn tekenen en Mijn
wonderheden in Egypteland vermenigvuldigen.
4 Farao nu zal naar ulieden niet horen, en Ik zal Mijn hand
aan Egypte leggen, en voeren Mijn heiren, Mijn volk, de kinderen
Israëls, uit Egypteland, door grote gerichten.
5 Dan zullen de Egyptenaars weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik Mijn
hand over Egypte uitstrekke, en de kinderen Israëls uit het
midden van hen uitleide.
6 Toen deed Mozes en Aäron, als hun de HEERE geboden had, alzo
deden zij.
7 En Mozes was tachtig jaar oud, en Aäron was drie en tachtig
jaar oud, toen zij tot Farao spraken.
8 En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende:
9 Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken
voor ulieden; zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en
werp hem voor Farao's aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.
10 Toen ging Mozes en Aäron tot Farao henen in, en deden alzo,
gelijk de HEERE geboden had; en Aäron wierp zijn staf neder
voor Farao's aangezicht, en voor het aangezicht zijner knechten; en hij
werd tot een draak.
11 Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars; en de Egyptische
tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen.
12 Want een iegelijk wierp zijn staf neder, en zij werden tot draken;
maar Aärons staf verslond hun staven.
13 Doch Farao's hart verstokte, zodat hij naar hen niet hoorde, gelijk
de HEERE gesproken had.
14 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Farao's hart is zwaar; hij weigert
het volk te laten trekken.
15 Ga heen tot Farao in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het
water toe, zo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den
staf, die in een slang is veranderd geweest, zult gij in uw hand nemen.
16 En gij zult tot hem zeggen: de HEERE, de God der Hebreën,
heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij
diene in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.
17 Zo zegt de HEERE: Daaraan zult gij weten, dat Ik de HEERE ben; zie,
ik zal met dezen staf, die in mijn hand is, op het water, dat in deze
rivier is, slaan, en het zal in bloed veranderd worden.
18 En de vis in de rivier zal sterven, zodat de rivier zal stinken; en
de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier
drinken mogen.
19 Verder zeide de HEERE tot
Mozes: zeg tot Aäron: Neem uw staf, en steek uw hand uit over
de wateren der Egyptenaren, over hun stromen, over hun rivieren, en
over hun poelen, en over alle vergadering hunner wateren, dat zij bloed
worden; en er zij bloed in het ganse Egypteland, beide in houten en in
stenen vaten.
20 Mozes nu en Aäron deden alzo, gelijk de HEERE geboden had;
en hij hief den staf op, en sloeg het water, dat in de rivier was, voor
de ogen van Farao, en voor de ogen van zijn knechten; en al het water
in de rivier werd in bloed veranderd.
21 En de vis, die in de rivier was, stierf; en de rivier stonk, zodat
de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en er was
bloed in het ganse Egypteland.
22 Doch de Egyptische tovenaars deden ook alzo met hun bezweringen;
zodat Farao's hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk als
de HEERE gesproken had.
23 En Farao keerde zich om, en ging naar zijn huis; en hij zette zijn
hart daar ook niet op.
24 Doch alle Egyptenaars groeven rondom de rivier, om water te drinken;
want zij konden van het water der rivier niet drinken.
25 Alzo werden zeven dagen vervuld, nadat de HEERE de rivier geslagen
had.
De Bijbel
vertelt ons dat God een God van wonderen is
Hij doet dingen die wij voor
onmogelijk houden. Maar dat is niet het complete verhaal. De Bijbel
vertelt erbij dat de duivel óók wonderen kan doen
én doet… Sinds Aäron (samen met Mozes)
aan het hof van de Egyptische farao zijn stok in een slang liet
veranderen, als teken van Gods macht, is satans tactiek nog steeds
hetzelfde! Je moet maar eens lezen wat de Bijbel hierover zegt in
Exodus 7:8-13!
Valse wonderen
Moet je zien wat er gebeurt! De
tovenaars van de farao doen precies hetzelfde als Mozes en
Aäron deden: ook hun staven veranderen in slangen! Blijkbaar
kán dat, of: blijkbaar heeft de duivel die macht. De apostel
Paulus waarschuwt daarvoor in 2 Thessalonicenzen 2:9. De duivel
probeert ons te verleiden met bedrieglijke of valse wonderen. Daarmee
bedoelt Paulus niet dat die wonderen nep zijn, maar dat ze ons de
verkeerde kant opduwen. Het zijn echte wonderen die ons bij God vandaan
proberen te trekken.
Als er iets wonderlijks
gebeurt, moeten we ons dus altijd afvragen: uit welke bron komt het?
Soms is dat heel duidelijk, zoals in het voorbeeld van Marcos. Die zegt
in de advertentie openlijk dat hij zijn gaven geleerd heeft van
‘de grootste Meesters van de Magie en van het
Spiritisme’ (ver vandaan blijven dus). Soms is het
níet zo duidelijk. In zo’n geval is altijd de
vraag: brengt dit wonder me dichter bij de God van de Bijbel, of juist
verder bij Hem vandaan? Krijgt Hij de eer?
VERHAAL: OP
HET SPREEKUUR BIJ DE FARAO
Het is erg druk op het spreekuur van de Farao. In de grote hal en zelfs
buiten staan en zitten mensen te wachten. Er komt een imponerende stoet
aan. Het is de Stadhouder uit Thebe met zijn gevolg. Zijn slaven banen
met geweld een weg voor hun heer. Opzij! Belangrijke mensen gaan voor
en de armen komen later.
En van die armen zitten er heel wat voor de ingang. Een vrouw geeft
haar kind de borst. Een oude man zit moedeloos voor zich uit te staren,
kauwend op wat boombladeren. En tussen al dat volk zitten twee
Hebreeuwse herders, te zien aan hun gestreepte jas en hun herdersstaf.
'Bang, Aäron?'
'Hier, neem de staf in je hand. Gods staf, weet je wel?...'
Er is veel veranderd in het paleis sinds Mozes er woonde. Er zijn zalen
bijgebouwd, vloeren vernieuwd. Ook de Farao is niet meer dezelfde, maar
sommige oude dienaars herkent Mozes nog wel, zoals de schrijver die
gehurkt voor de Farao met zijn rieten pen op het perkament krast.
'Naam graag!' zegt hij als een robot.
Bij het horen van de naam Mozes laat hij nauwelijks iets van zijn
verbazing merken. 'Wat wenst u?'
'Ik... eh... Wij, eh...' Mozes stoot zijn broer aan. Die slikt even.
Het is nu of nooit! Hij heft de staf Gods op, doet drie stappen in de
richting van die hooggezeten figuur, de Farao en roept dan heel hard:
'ZO ZEGT DE HERE, LAAT MIJN VOLK GAAN OM VOOR MIJ EEN FEEST TE
VIEREN...'
'Vieren... vieren'
De woorden weerkaatsen tegen de hoge beschilderde muren. Er is gelijk
een vreselijke spanning voelbaar. Er is er hier toch maar
één die beveelt! De wachters grijpen hun speren.
En de machtige Heer van Opper- en Neder Egypte?
Hij legt akelig kalm zijn arm op de leeuwenkop van de leuning van zijn
troon, trekt zijn ene wenkbrauw een ietsjepietsje op en zegt ijskoud:
'WIE IS DE HERE NAAR WIE IK ZOU MOETEN LUISTEREN OM ISRAEL TE LATEN
GAAN? IK KEN DE HERE NIET EN ZAL ISRAEL OOK NIET LATEN GAAN.'
Mozes en Aäron onderdrukken de neiging om een stapje achteruit
te gaan. Om hen heen staren de grote vogelkopbeelden hen angstaanjagend
aan. Maar moedig zeggen ze: 'Wij hebben de God der Hebreeën
ontmoet, Heer. Laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn intrekken
om aan Hem een offer te br...'
Farao laat ze niet eens uitspreken. Woedend buldert hij: 'EEN WEEK
VAKANTIE? VOOR DIE LUIE SLAVEN? WAAROM WILLEN JULLIE HET VOLK VAN ZIJN
WERK AFHOUDEN? VOORUIT!!! AAN UW DWANGARBEID!!'
En zijn aan zijn schrijver beveelt hij met uitgestrekte arm en zijn
wijsvinger gebiedend naar voren: 'Stuur bericht aan de opzichters, dat
het volk voortaan zelf stro moet halen voor de stenen en ZE MOETEN
EVENVEEL AFKRIJGEN ALS VOORHEEN! Die luie bliksems!'
'Wegwezen...' zeggen de bediendes tegen Mozes en Aäron. Ze
trekken ze aan hun mouwen en geven ze een flinke duw in de richting van
de uitgang.
'Je hebt gehoord wat de Farao zei.'
Ontmoedigd sloffen Mozes en Aäron het paleis uit...
'Wegwezen jullie!' zegt ook het volk, dat al spoedig merkt dat hun werk
flink verzwaard is. Ze schelden Mozes en Aäron ondersteboven.
Sommigen gooien zelfs met kluiten klei en afval. Och, is dat nou hun
dank voor al die inspanning? Treurig zitten ze op een stapel stenen,
niet wetend wat te doen.
'Mozes, Mozes!' Weer spreekt God. 'Ga naar de Farao..'
Mozes zegt vertwijfeld: 'Here, hoe kunt u dat nou zeggen? M'n eigen
volk luistert niet eens, hoe zal Farao dan luisteren. U
wéét dat ik niet goed...'
'Jaja! Mozes, ga toch! MIJN STERKE ARM ZAL JULLIE REDDEN.'
Ja, dan blijft er toch niets anders over dan de staf Gods te pakken en
te gaan. Niet dan?
Je mag nooit zo maar doorlopen en de rechtszaal van de Farao
binnenlopen. Nooit. Dat kan je de kop kosten. Bij de ingang staan
goedbewapende soldaten die hun ogen flink de kost geven. Toch lopen die
twee Hebreeuwse herders zo maar door. Ze wachten niet op hun beurt. O
nee. Zo maar, waar het bezoek bij is, lopen ze tot voor de troon.
'ZO ZEGT DE HERE, LAAT MIJN VOLK TREKKEN!' roept Aäron weer.
Van alle kanten stormen soldaten op hen af, die hen willen
vastgrijpen... Maar als ze vlakbij zijn... Pats! De staf!! Let op!
Mozes gooit de staf op de grond en... DIE VERANDERT IN EEN GIFTIGE
SLANG! Oei-oei-oei! Daar deinzen die soldaten natuurlijk wel voor
terug. Farao laat niet merken dat hij geschrokken is.
'Haalt mij de tovenaars en de wijzen,' beveelt hij kortaf.
Grote vergadering! Topoverleg!' weergalmt het door de gangen. Deuren
vliegen open en dicht. Baarden worden rechtgestreken. En daar komen ze,
hoor! De wijzen van Egypte met hun kapsones. Tovenaars met enge ogen,
hun amuletten bungelend op hun borst. Rijen dik marcheren ze binnen,
ieder met hun staf, teken van macht in de hand.
'Tsss!' doet de slang van Mozes en Aäron. Hij zit rechtop, de
kop in de richting van de Farao, gereed tot de aanval.
'Dit is de truc met de staf die in een slang verandert.' zegt Farao
minachtend. 'Deze simpele slaven denken dat hun God machtiger is dan
wij. Laat u dus even zien dat wij dit kunstje al jaren beheersen.'
Om de beurt gooien de tovenaars en geleerden hun staf op de grond en
elke staf wordt inderdaad een slang. Is God dan toch maar een kleine
God? Is zijn macht net zo groot als die van de geleerden? Nee hoor!
Kijk wat er gebeurt. De slang van Mozes vreet alle andere slangen op.
Nou vraag ik je. Als de laatste tovenaarsslang naar binnen glijdt, pakt
Aäron de slang Gods bij de staart en... hij wordt weer een
gewone olijfhouten staf.
Fantastisch! God is werkelijk de God der goden. Maar denk je dat Farao
dat wil toegeven? Nee, Mozes en Aäron worden weggestuurd en
het spreekuur gaat gewoon door.
'Wie volgt...'




















