| |
De wonderbaarlijke
Broodvermenigvuldiging
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

'En Jezus zei tot hen: Hoeveel broden hebt
u?'
(Mattheus 15: 29 - 39)
29 Jezus trok weer verder.
Bij het Meer van Galilea ging hij de berg op; daar ging hij zitten. 30
Er kwamen grote mensenmassa’s op hem af. Men had verlamden,
blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men
aan zijn voeten legde, en hij genas hen allen. 31 De mensen zagen vol
verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden,
verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten
hulde aan de God van Israël.
32
Nadat Jezus zijn leerlingen bij zich had geroepen, zei hij:
‘Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn nu al drie
dagen bij me en ze hebben niets meer te eten. En hen met een lege maag
naar huis sturen wil ik niet, want dan zouden ze onderweg
bezwijken.’ 33 De leerlingen antwoordden: ‘Maar
waar halen we in deze verlatenheid genoeg brood vandaan om al die
mensen te voeden?’ 34 Jezus vroeg hun: ‘Hoeveel
broden hebben jullie?’ Ze zeiden: ‘Zeven, en wat
visjes.’ 35 Hij gaf de mensen opdracht op de grond te gaan
zitten. 36 Toen nam hij de zeven broden en de vissen, sprak het
dankgebed uit, brak de broden en deelde ze uit aan de leerlingen, en de
leerlingen gaven ze aan de mensen. 37 Iedereen at en werd verzadigd, en
toen ze de stukken brood die over waren ophaalden, hadden ze zeven
manden vol. 38 Er hadden ongeveer vierduizend man gegeten, vrouwen en
kinderen niet meegeteld.
Dit verhaal heeft een boel mensen aan het nadenken gezet
Op een of andere manier blijft dit
verhaal ons boeien. Misschien komt dit wel omdat het zo ver
van ons afstaat. Het verhaal spot namelijk met elke vorm van
logica. Het lukt ons gewoon niet om de eindjes van dit verhaal
aan elkaar te knopen. Als mens orden je de wereld om je
heen met je verstand. Je deelt alles in, in categorieën om greep
te krijgen op de werkelijkheid. Zo proberen we de werkelijkheid
beheersbaar te houden. We vertrouwen op de informatie
die we doorkrijgen via onze zintuigen. Onze zintuigen
zijn onze instrumenten waarmee wij de wereld proberen
te ordenen. Door wat we waarnemen krijgen we
greep
op ons bestaan.
Met ons verstand geven we onze eigen wereld vorm. Alle indrukken
die van buiten komen worden keurig op rijtje gezet.
Hierdoor
scheppen we orde in een chaos van prikkels die op ons
afkomen. Zo orden je als mens de wereld om je heen. Dat
geeft
een stuk zekerheid. Het maakt de wereld voorspelbaar en daardoor
beheersbaar. Dit is de reden dat we moeite hebben
met
wonderen. Wonderen passen niet in onze wereld. Ze strijden
met de ervaringen van alledag. Wonderen spelen met onze
zintuigen en met ons verstand.
Als er een wonder gebeurd zet God de mensheid te kijk. Als we
met een wonder worden geconfronteerd worden we
geconfronteerd
met onze beperktheid. We leven in de waan dat
we net als God alwetend zijn. Het lijkt net alsof er de wereld
kunnen beheersen, maar elke keer als er een wonder gebeurd
lijkt het net alsof God ons uitlacht. Dit frustreert ons. Het
geeft ons een gevoel van machteloosheid omdat de wereld toch
niet zo voorspelbaar is als we denken.
Het
is met name dit wonder van de wonderbare spijziging dat strijdt
met elke vorm van logica. Hierdoor heeft het verhaal veel
in de belangstelling gestaan. In de oude kerk is er veel over
dit verhaal gepreekt. Het heeft veel meer indruk achtergelaten
dan genezingen en duivelsuitdrijvingen. Ook in onze
tijd blijft dit verhaal ons bezighouden.
Er zijn veel theorieën
die de bijbelse wonderen hebben willen verklaren. Zo
zou Jezus het meer van Galilea zijn overgestoken via een doorwaadbare
plaats. Het water zou Jezus tijdens de bruiloft Kana
in de wijn hebben veranderd door een poeder in het water
te gooien, maar met dit wonder kunnen we niet uit de voeten.
De enige rationele verklaring die ik heb kunnen
vinden
is dat de mensen het brood dat zij bij zich hadden met elkaar
hebben gedeeld. Jezus' prediking zou de mensen tot het
inzicht
hebben gebracht om hun voedsel met elkaar te delen.
Een
mooie verklaring, maar afdoende is hij niet. De discipelen worden
immers erop uitgestuurd om te kijken hoeveel voedsel
er
onder de mensen is. Er is dus keurig geïnspecteerd, maar we komen
niet veel verder dan vijf broden en twee vissen. Meer is
er
gewoonweg niet voorhanden. Vandaar dat dit wonder ons blijft
achtervolgen. Er is geen verklaring te vinden voor deze
wonderbare
spijziging. Waar het brood en de vis in zulke grote hoeveelheden
vandaan kwam, is onverklaarbaar. Hoe we het
ook
wenden of keren, we krijgen onze vingers er niet achter. Het
lijkt net of het brood en de vis uit de uit de handen van Jezus
komen.
Maar wat heeft zich
nu werkelijk afgespeeld aan dat meer van Galilea
We bevinden ons vandaag in het noorden van Israël. Jezus houdt
zich op in de nabijheid van de stad Kapernaüm. Het zijn
hectische
tijden voor Jezus. Onlangs was Jezus het bericht ter ore
gekomen dat Johannes de Doper door Herodes was
vermoord
wat Hem behoorlijk bezig had gehouden. Dit was echter
niet het enige. De beweging die hij op gang heeft gezet
begon
behoorlijk uit zijn voegen te groeien. Hierdoor voelde hij
zich genoodzaakt om zijn leerlingen in te zetten. Hij had
zijn
discipelen uitgezonden om net als Hem de komst van het Koninkrijk
van God te prediken en wonderen te doen.
Tot
hun grote verbazing bleken ook de discipelen wonderen te kunnen
doen. Zieken werden genezen en demonen dreven zij
uit.
Hierdoor groeide de beweging van je van Jezus nog harder dan
hij al deed. Van heinde en ver trokken mensen naar
Kapernaüm,
want ze wilde die wonderdoeners wel eens zien. De
steden trokken leeg om Jezus en zijn discipelen op te
zoeken.
Er was niet een wonderdoener in de landstreek, maar dertien
stuks. Het grote nieuws ging als een lopend vuurtje
door
het land. In Galilea gebeuren wonderlijke dingen.
Na
een tijdje verzamelden discipelen zich weer in de stad. Je kunt
het zien als een soort stage. Ze hebben even mogen
proeven
aan het grote werk. Toch betekent dat niet dat ze klaar zijn.
Hun tijd met Jezus is nog maar net begonnen. Zo komen
ze
samen om met elkaar te praten over hun ervaringen. Geestelijk
werk kan zeer inspannend zijn. Vandaar dat het noodzakelijk
is dat je regelmatig je eigen geestelijke accu oplaadt.
Het kost tijd om tot je zelf te komen en door contacten
met mensen die in dezelfde positie verkeren als jij kun
je weer nieuwe energie opdoen.
Maar zoals zo vaak gaat krijg je nauwelijks de tijd om tot rust te
komen. Altijd is er wel iemand waar je naartoe kunt gaan of
staat
er iemand voor de deur. Hetzelfde geldt voor Jezus. De mensen
laten hem en zijn discipelen maar niet met rust. Waar
ze
ook gaan, overal worden ze aangesproken. Vandaar dat ze besluiten
om in een boot naar de overkant van het meer te
varen.
Daar in de woestijn zal niemand hen opzoeken.
Woestijn
is aan de ene kant een doodse plaats, maar aan de andere
kant is het ook een plek van bezinning. In het Oude
Testament
lezen we vaak dat profeten de woestijn intrekken om
zich te bezinnen. Daar in de stilte krijgen ze de mogelijkheid
om geestelijk alles weer op een rijtje te zetten. Zo
varen Jezus en de discipelen naar de overkant van het meer.
Ondertussen hadden ze behoorlijk honger gekregen, want
door hun vele werkzaamheden was het eten er bij ingeschoten.
Van hun rust kunnen ze nauwelijks genieten. Aan de
overkant van het meer midden in de woestijn staat een grote
mensenmenigte hen al op te wachten. Het zaad van het evangelie
is gezaaid en het Koninkrijk van God groeit in de harten
van de mensen. Vol verwachting staan ze op de oever van
het meer.
Het is een menigte van 5000 mensen
Dit is een verbazingwekkend
groot aantal aangezien Galilea een zeer dunbevolkt
gebied is. Jezus wordt geraakt door de grote menigte
van mensen die zoeken naar hulp. Ze zijn wanhopig en
lopen achter iedereen aan die hen een sprankje hoop biedt. Daarom
is er geen moment rust. Vandaag is hij hun bron van inspiratie
al kan het morgen weer iemand anders zijn.
Het
land bevindt zich in een volkomen chaos. Met name de provincie
Galilea is een samenraapsel van allerlei verschillende
bevolkingsgroepen. Zo komen we er vrome joden
tegen, maar ook Romeinen en Grieken. Het is een smeltkroes
van verschillende culturen en godsdiensten. Hierdoor
hebben ze nooit een eigen cultuur en identiteit kunnen
ontwikkelen. Vanuit het orthodoxe Judea werd dan ook
neergekeken op Galilea. Het is een stuurloos volkje dat het
zelf maar moet redden. Niemand bekommert zich om hen.
Jezus
doet dat wel. Hij trekt zich het lot van de mensen aan. De
aanblik van deze mensen raakt hem tot in zijn binnenste. Je
kunt
ook vertalen dat Jezus zo overmand is door emoties dat hij
er pijn in zijn buik van krijgt. Hij ziet deze mensenmenigte als
een kudde verstrooide schapen zonder herder. Met deze zinsnede
zinspeelt Marcus op het verhaal van Mozes die het beloofde
land niet mag binnentrekken. Mozes pleit bij God voor
een opvolger omdat het volk niet zal zijn als schapen die
geen
herder hebben. Zo ziet Jezus het volk dat voor hem staat. Hij
vergeet zijn vermoeidheid en begint het volk te onderwijzen.
Wel is het goed om hier op te merken dat Zijn medelijden niet leidt
tot het wonder, maar dat Jezus hen begint te onderwijzen.
De
mens leeft immers niet van brood alleen. Het gaat Hem in eerste
instantie om geestelijke zaken.
Hoeveel
tijd er verstrijkt weten we niet, maar op een bepaald moment
brengen de discipelen het punt van het eten ter tafel.
Dit
heeft tot gevolg dat Jezus op moet houden met Zijn onderwijs.
Het volk moet maar naar huis gaan, want de maag knort.
Ze willen de mensen in de gelegenheid stellen om in de dorpen
voedsel te kopen. Daarmee wordt echter de groep opgebroken.
Zijn woorden hadden de mensen bij elkaar gebracht,
maar door de maag worden ze gescheiden.
Jezus heeft feilloos door wat op het spel staat.
Als hij de menigte
nu naar huis stuurt, is al zijn onderwijs voor niets
geweest.
De mensen moeten hier blijven zodat zich een hechte groep
vormt. Het zaad van het Koninkrijk der hemelen is aan
het
ontkiemen. De hongerige maag is echter spelbreker. De mensen
hadden net de vastentijd achter de rug waardoor ze verzwakt
waren. De discipelen hebben inderdaad een punt te pakken,
maar leuk vind Jezus het niet.
Dan
confronteert Jezus hen met hun verzoek. De mensen moeten
inderdaad te eten hebben, maar geven jullie hen te eten.
Dit zou inderdaad de oplossing zijn waardoor Jezus de menigte
bij elkaar kan houden om te onderwijzen. Maar waar
moeten
de discipelen het voedsel vandaan halen om de z’n grote
menigte te voeden? Geld om voldoende eten te kopen hebben
ze niet. Verbijsterd kijken ze elkaar aan.
Jezus en de discipelen praten in dit bijbelgedeelte langs elkaar heen.
De leerlingen spreken over voedsel om een hongerige
menigte
mee te voeden. Het is echter de vraag of Jezus dat zo bedoeld.
Spreekt hij niet hier over geestelijk voedsel? Als een
goede
herder verschafte hij zijn rond de dolende schapen brood
voor het hart. Waarom moeten de mensen weggestuurd worden
om elders brood te kopen? Voedsel is immers hier in overvloed
aanwezig. De goede herder weet wat zijn schapen nodig
hebben.
De leerlingen zijn zich hier echter niet van bewust
Ze doen nog
een poging om het bevel van Jezus uit te voeren. Ze gaan de
mensen bij langs om te vragen of ze voedsel bij zich hebben.
Ze komen echter niet veel verder dan vijf broden en twee
vissen. Ondanks hun inspanningen hebben ze veel te weinig
voedsel om het volk mee te voeden.De situatie staat er zo
voor dat Jezus de menigte moet ontbinden.
Er gebeurt echter iets anders. Jezus beveelt de mensen om in het
groene gras te gaan zitten. Hieruit kunnen afleiden dat het
verhaal
zich afspeelt in het voorjaar voordat het gras is verdord
door de hitte van de zomerzon. Toch speelt er meer dan
op het eerste gezicht lijkt. Jezus vond het volk aan de oever
van het meer als een kudde verstrooide schapen. Nu zal hij
optreden als de goede herder die zijn schapen leidt naar grazige
weiden. Het zal hen aan niets ontbreken.
De vijf broden en twee vissen zijn bij lange na niet toereikend. Toch
gaat Hij zitten in het gras. Hij kijkt naar boven en als een
goede
joodse huisvader spreekt Hij de zegen uit over de maaltijd.
Daarna begint hij het voedsel te verdelen. Terwijl Hij
zo
bezig is, lijkt het alsof er geen einde komt aan het breken van
het brood en het verdelen van de vis.
Er was veel te weinig,
maar uiteindelijk blijkt er veel te veel te zijn
Er is meer
dan genoeg voedsel. Twaalf manden met brood blijven uiteindelijk
over. Hiermee wil Jezus aangeven dat het voedsel dat
hij te bieden heeft zelfs te veel is voor die grote menigte. Er
is nog genoeg over om andere schapen mee te voeden uit de
andere volken.
Jezus geeft in overvloed. Hij geeft zelfs veel meer dan de mensen
op kunnen. Uit onszelf kunnen we de mensen niet voeden.
Door zijn bevel: ‘geef hen te eten’, brengt hij ons
in verlegenheid.
Ons geven is niet toereikend, maar dat wordt ook
niet van ons gevraagd. Jezus wijst ons door zijn vraag of onze
tekortkomingen. Het is niet ons voedsel dat wordt
uitgedeeld
maar Zijn voedsel. Zijn voedsel mogen we uitdelen en
dat blijkt in enorme hoeveelheden voorradig te zijn.
Tijdens
het avondmaal worden herinnerd aan de gaven die God
ons gegeven heeft in Jezus Christus. Christus is het brood
des
levens. Hij stond op uit de dood zodat wij nooit meer honger
zouden leiden. De Goede Herder heeft zijn schapen verzameld
en geleid naar de grazige weiden. Wij mogen daar in
delen als wij het sacrament tot ons nemen, maar toch blijft
in
ons achterhoofd dat bevel staan. Geven jullie hen eten. Het is
geen vriendelijk verzoek, maar een bevel.
De
discipelen zijn niet de verdwaalde schapen van het volk Israël.
Zij hebben als taak om het voedsel te verschaffen. Zij
moeten
uitdelen wat ze van Jezus hebben ontvangen. En dan mogen
ook wel eens kijken naar ons eigen dorp. Zeg
leerlingen
van Jezus Christus, zijn er ook verloren schapen in ons
dorp? En hoe zit het? Geven we hen te eten of voeden we
het
liefst onszelf? Zoals u ziet is alles gereed en er meer dan genoeg
om uit te delen.
Doordenker:
Bij de
wonderbare broodvermenigvuldiging schuilt het wonder niet zo zeer in
het feit dat Jezus letterlijk brood uit het niets tovert. Het wonder is
het feit dat zo vele mensen blijkbaar toen met elkaar brood en vis
wilden delen.
|
|
|