Vooraf even dit:
Het boek Genesis kent twee scheppingsverhalen. Het eerste staat in Genesis 1
en verhaalt van de schepping van hemel en aarde en alles wat er op is. In
Genesis 2 wordt als het ware ingezoomd op de schepping van Adam.
God
maakte Adam uit aarde en blies hem levensadem in de neus. Vervolgens plaatste
Hij Adam in een heerlijke omgeving: de Hof van Eden, oftewel het Paradijs. Adam leefde van alles wat deze prachtige
tuin voortbracht, maar mocht van God niet eten van de boom van de kennis van
goed en kwaad. Als hij daarvan zou eten, zou hij sterven.
Omdat God het niet goed acht dat Adam alleen blijft, geeft Hij hem een
medemens, de eerste vrouw. God laat Adam slapen en neemt een rib van hem weg en
vormt daaruit een vrouw. God brengt de vrouw tot Adam. Adam herkent haar als
'been van mijn gebeente, vlees van mijn vlees' en noemt haar 'Manninne'
(Hebreeuws 'iesja', de vrouwelijke vorm van 'iesj', 'man'). Later noemt hij haar
Eva, dat wil zeggen 'leven', omdat zij
de moeder van alle levenden is.
In Genesis 3 wordt de slang omschreven als het sluwste van alle in het wild
levende dieren. Deze verleidt Eva om van de vruchten van de boom van de kennis
van goed en kwaad te eten. Zij haalt ook Adam over daarvan te eten (volgens de
overlevering een appel, al wordt dat
nergens vermeld). Dit leidt tot de zondeval, en worden zij door God uit het paradijs
verdreven. Zij kunnen niet meer terugkeren, want de toegang wordt door cherubs en een heen en
weer flitsend, vlammend zwaard, bewaakt.
Het verschil tussen de twee scheppingsverhalen heeft in sommige joodse
kringen geleid tot de traditie dat Adam voor Eva een andere vrouw heeft gehad,
genaamd Lilith.
Let op
Het gaat er in deze verhalen niet om hoe het precies gegaan is, hoe veel dagen
of jaren of wat dan ook, ook de volgorde is uiteindelijk niet belangrijk omdat
het in de verhalen symbool staat voor iets diepers. Het gaat er uiteindelijk om
dat God de aarde geschapen heeft
Het eerste scheppingsverhaal in de Bijbel
Genesis 1
1 In het begin schiep God de hemel en de
aarde.
(1:1-3)
In het begin schiep God de hemel en de aarde [...]
God zei – Ook mogelijk is de vertaling: ‘In het begin toen God
de hemel en de aarde schiep [...] zei God’.
2 De aarde
was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest
zweefde over het water.
(1:2)
Gods geest zweefde over het water – Gods geest, of: ‘Gods
adem’. Ook mogelijk is de vertaling: ‘een hevige wind joeg het water
op’.
3 God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was
licht. 4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde
het licht van de duisternis; 5 het licht noemde hij dag, de
duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
6 God zei: ‘Er moet midden in het water een
gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7 En
zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf
van het water erboven. 8 Hij noemde het gewelf hemel. Het
werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
9 God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar
één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde het. 10 Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde
hij zee. En God zag dat het goed was.
11 God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen
ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad
erin.’ En zo gebeurde het. 12 De aarde bracht jong groen
voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met
zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond
en het werd morgen. De derde dag.
14 God zei: ‘Er moeten lichten aan het
hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen
aangeven en de dagen en de jaren, 15 en ze moeten dienen
als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde
het. 16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om
over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de
sterren. 17 Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te
geven op de aarde, 18 om te heersen over de dag en de nacht
en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was.
19 Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.
20 God zei: ‘Het water moet wemelen van
levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels
vliegen.’ 21 En hij schiep de grote zeemonsters en alle
soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat
vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22 God zegende
ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee.
En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23 Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
24 God zei: ‘De aarde moet allerlei levende
wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het.
25 God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al
het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons
evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen
van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over
alles wat daarop rondkruipt.’ 27 God schiep de mens als
zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk
schiep hij de mensen. 28 Hij zegende hen en zei tegen hen:
‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag:
heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren
die op de aarde rondkruipen.’ 29 Ook zei God: ‘Hierbij geef
ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal
jullie voedsel zijn. 30 Aan de dieren die in het wild
leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde
rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.’ En zo gebeurde het. 31 God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer
goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Genesis 2
1 Zo werden de hemel en de aarde in al hun
rijkdom voltooid. 2 Op de zevende dag had God zijn werk
voltooid, op die dag rustte hij van het werk dat hij gedaan had. 3 God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig, want op
die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
Het tweede scheppingsverhaal in de Bijbel
4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de
aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.
De tuin van Eden
In de tijd dat God, de
HEER, aarde en hemel
maakte,
5 groeide er op de aarde nog geen enkele struik en
was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de
HEER,
had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land
te bewerken;
(2:5)
geen mensen om het land te bewerken – In het Hebreeuws is
er hier en in het vervolg een woordspel tussen
’adam,
‘mens’, en
’adama,
‘land/aarde/aardbodem/akker’.
6 wel was er water dat
uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide.
7 Toen maakte God, de
HEER, de mens. Hij
vormde hem uit stof, uit aarde, en blies hem levensadem in de neus. Zo werd de
mens een levend wezen.
8 God, de HEER, legde
in het oosten, in Eden, een tuin aan en daarin plaatste hij de mens die hij had
gemaakt. 9 Hij liet uit de aarde allerlei bomen opschieten
die er aanlokkelijk uitzagen, met heerlijke vruchten. In het midden van de tuin
stonden de levensboom en de boom van de kennis van goed en kwaad.
10 Er ontspringt in Eden een rivier die de
tuin bevloeit. Verderop vertakt ze zich in vier grote stromen. 11 Een daarvan is de Pison; die stroomt om heel Chawila heen, het
land waar goud gevonden wordt. 12 (Het goud van dat land is
uitstekend, en er is daar ook balsemhars en onyx.) 13 De
tweede rivier heet Gichon; die stroomt om heel Nubië heen. 14 De derde rivier heet Tigris; die loopt ten oosten van Assyrië.
De vierde ten slotte is de Eufraat.
15 God, de HEER, bracht
de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken. 16 Hij hield hem het volgende voor: ‘Van alle bomen in de tuin
mag je eten, 17 maar niet van de boom van de kennis van
goed en kwaad; wanneer je daarvan eet, zul je onherroepelijk sterven.’
18 God, de HEER, dacht:
Het is niet goed dat de mens alleen is, ik zal een helper voor hem maken die bij
hem past. 19 Toen vormde hij uit aarde alle in het wild
levende dieren en alle vogels, en hij bracht die bij de mens om te zien welke
namen de mens ze zou geven: zoals hij elk levend wezen zou noemen, zo zou het
heten. 20 De mens gaf namen aan al het vee, aan alle vogels
en alle wilde dieren, maar hij vond geen helper die bij hem paste. 21 Toen liet God, de HEER, de mens in een
diepe slaap vallen, en terwijl de mens sliep nam hij een van zijn ribben weg;
hij vulde die plaats weer met vlees. 22 Uit de rib die hij
bij de mens had weggenomen, bouwde God, de HEER, een
vrouw en hij bracht haar bij de mens. 23 Toen riep de mens
uit:
‘Eindelijk een gelijk aan mij,
mijn eigen gebeente,
mijn eigen vlees,
een die zal heten: vrouw,
een uit een man gebouwd.
(2:23)
een die zal heten: vrouw,/
een uit een man
gebouwd – In het Hebreeuws is er een woordspel tussen
’iesja, ‘vrouw’, en
’iesj,
‘man’.
24 Zo komt het dat een man zich losmaakt van
zijn vader en moeder en zich hecht aan zijn vrouw, met wie hij één van lichaam
wordt.
25 Beiden waren ze naakt, de mens en zijn
vrouw, maar ze schaamden zich niet voor elkaar.
Genesis 3
1 Van alle in het wild levende dieren die God,
de
HEER, gemaakt had, was de slang het sluwst. Dit dier
vroeg aan de vrouw: ‘Is het waar dat God gezegd heeft dat jullie van geen enkele
boom in de tuin mogen eten?’
2 ‘We mogen de vruchten van
alle bomen eten,’ antwoordde de vrouw,
3 ‘behalve die van
de boom in het midden van de tuin. God heeft ons verboden van de vruchten van
die boom te eten of ze zelfs maar aan te raken; doen we dat toch, dan zullen we
sterven.’
4 ‘Jullie zullen helemaal niet sterven,’ zei de
slang.
5 ‘Integendeel, God weet dat jullie de ogen zullen
opengaan zodra je daarvan eet, dat jullie dan als goden
(3:5)
als goden – Ook mogelijk is de vertaling: ‘als
God’.
zullen zijn en kennis zullen hebben van goed en kwaad.’
6 De vrouw keek naar de boom. Zijn vruchten
zagen er heerlijk uit, ze waren een lust voor het oog, en ze vond het
aanlokkelijk dat de boom haar wijsheid zou schenken. Ze plukte een paar vruchten
en at ervan. Ze gaf ook wat aan haar man, die bij haar was, en ook hij at ervan.
7 Toen gingen hun beiden de ogen open en merkten ze dat ze
naakt waren. Daarom regen ze vijgenbladeren aan elkaar en maakten er
lendenschorten van.
8 Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind door de tuin hoorden
wandelen, verborgen zij zich voor hem tussen de bomen. 9 Maar God, de HEER, riep de mens: ‘Waar
ben je?’ 10 Hij antwoordde: ‘Ik hoorde u in de tuin en werd
bang omdat ik naakt ben; daarom verborg ik me.’ 11 ‘Wie
heeft je verteld dat je naakt bent? Heb je soms gegeten van de boom waarvan ik
je verboden had te eten?’ 12 De mens antwoordde: ‘De vrouw
die u hebt gemaakt om mij terzijde te staan, heeft mij vruchten van de boom
gegeven en toen heb ik ervan gegeten.’ 13 ‘Waarom heb je
dat gedaan?’ vroeg God, de HEER, aan de vrouw. En zij
antwoordde: ‘De slang heeft me misleid en toen heb ik ervan gegeten.’
14 God, de HEER, zei
tegen de slang:
‘Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.
15 Vijandschap sticht ik tussen jou en de
vrouw,
tussen jouw nageslacht en het hare,
zij verbrijzelen je kop,
jij bijt hen in de hiel.’
16 Tegen de vrouw zei hij:
‘Je zwangerschap maak ik tot een zware last,
zwoegen zul je als je baart.
Je zult je man begeren,
en hij zal over je heersen.’
17 Tegen de mens zei hij:
‘Je hebt geluisterd naar je vrouw,
gegeten van de boom die ik je had verboden.
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
zwoegen zul je om ervan te eten,
je hele leven lang.
18 Dorens en distels zullen er groeien,
toch moet je van zijn gewassen leven.
19 Zweten zul je voor je brood,
totdat je terugkeert tot de aarde, waaruit je bent genomen:
stof ben je, tot stof keer je terug.’
20 De mens noemde zijn vrouw Eva
(3:20)
Eva – Eva kan worden vertaald als ‘leven’.
.
21 God, de
HEER, maakte voor de mens en zijn vrouw kleren van dierenvellen
en trok hun die aan.
22 Toen dacht God, de HEER: Nu is de mens aan ons gelijk geworden, nu heeft hij
kennis van goed en kwaad. Nu wil ik voorkomen dat hij ook vruchten van de
levensboom plukt, want als hij die zou eten, zou hij eeuwig leven. 23 Daarom stuurde hij de mens weg uit de tuin van Eden om de
aarde te gaan bewerken, waaruit hij was genomen. 24 En
nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de
cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar
de levensboom bewaken.