| |
Lazarus
komt uit graf
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

De opwekking van Lazarus
Johannes 11
1 Er was iemand ziek, een zekere Lazarus uit Betanië, het dorp
waar Maria en haar zuster Marta woonden – 2 dat was de Maria die
Jezus met olie gezalfd heeft en zijn voeten met haar haar heeft
afgedroogd; de zieke Lazarus was haar broer. 3 De zusters stuurden
iemand naar Jezus met de boodschap: ‘Heer, uw vriend is
ziek.’ 4 Toen Jezus dit hoorde zei hij: ‘Deze ziekte loopt
niet uit op de dood, maar op de eer van God, zodat de Zoon van God
geëerd zal worden.’ 5 Jezus hield veel van Marta en haar
zuster, en van Lazarus. 6 Maar toen hij gehoord had dat Lazarus ziek
was, bleef hij toch nog twee dagen waar hij was. 7 Daarna zei hij tegen
zijn leerlingen: ‘Laten we teruggaan naar Judea.’ 8
‘Maar rabbi,’ protesteerden de leerlingen, ‘de Joden
wilden u stenigen, en nu wilt u daar toch weer naartoe?’ 9 Jezus
zei: ‘Telt een dag niet twaalf uren? Wie overdag loopt, struikelt
niet, want hij ziet het licht van deze wereld, 10 maar wie ’s
nachts loopt, struikelt doordat hij geen licht heeft.’ 11 Nadat
hij dat gezegd had zei hij: ‘Onze vriend Lazarus is ingeslapen,
ik ga hem wakker maken.’ 12 De leerlingen zeiden: ‘Als hij
slaapt, zal hij wel beter worden, Heer.’ 13 Zij dachten dat hij
het over slapen had, terwijl Jezus bedoelde dat hij gestorven was. 14
Toen zei hij hun ronduit: ‘Lazarus is gestorven, 15 en om jullie
ben ik blij dat ik er niet bij was: nu kunnen jullie tot geloof komen.
Laten we dan nu naar hem toe gaan.’ 16 Tomas (dat betekent
‘tweeling’) zei tegen de anderen: ‘Laten ook wij maar
gaan, om met hem te sterven.’
17 Toen Jezus daar aankwam, hoorde hij dat Lazarus al vier dagen in het
graf lag. 18 Betanië lag dicht bij Jeruzalem, op een afstand van
ongeveer vijftien stadie, 19 en er waren dan ook veel Joden naar Marta
en Maria gekomen om hen te troosten nu hun broer gestorven was. 20 Toen
Marta hoorde dat Jezus onderweg was ging ze hem tegemoet, terwijl Maria
thuisbleef. 21 Marta zei tegen Jezus: ‘Als u hier was geweest,
Heer, zou mijn broer niet gestorven zijn. 22 Maar zelfs nu weet ik dat
God u alles zal geven wat u vraagt.’ 23 Jezus zei: ‘Je
broer zal uit de dood opstaan.’ 24 ‘Ja,’ zei Marta,
‘ik weet dat hij bij de opstanding op de laatste dag zal
opstaan.’ 25 Maar Jezus zei: ‘Ik ben de opstanding en het
leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook wanneer hij sterft, 26 en
ieder die leeft en in mij gelooft zal nooit sterven. Geloof je
dat?’ 27 ‘Ja Heer,’ zei ze, ‘ik geloof dat u de
messias bent, de Zoon van God die naar de wereld zou komen.’
28 Na deze woorden ging ze terug, ze nam haar zuster Maria apart en
zei: ‘De meester is er, en hij vraagt naar je.’ 29 Zodra
Maria dit hoorde ging ze naar Jezus toe, 30 die nog niet in het dorp
was, maar op de plek waar Marta hem tegemoet was gekomen. 31 Toen de
Joden die bij haar in huis waren om haar te troosten, Maria zo haastig
zagen weggaan, liepen ze achter haar aan, want ze dachten dat ze naar
het graf ging om daar te weeklagen.
32 Zodra Maria op de plek kwam waar Jezus was en hem zag, viel ze aan
zijn voeten neer. Ze zei: ‘Als u hier was geweest, Heer, zou mijn
broer niet gestorven zijn!’ 33 Jezus zag hoe zij en de Joden die
bij haar waren weeklaagden, en dat ergerde hem. Diep bewogen 34 vroeg
hij: ‘Waar hebben jullie hem neergelegd?’ Ze zeiden:
‘Kom maar kijken, Heer.’ 35 Jezus begon ook te huilen, 36
en de Joden zeiden: ‘Wat heeft hij veel van hem gehouden!’
37 Maar er werd ook gezegd: ‘Hij heeft de ogen van een blinde
geopend, hij had nu toch ook de dood van Lazarus kunnen
voorkomen?’ 38 Ook dit ergerde Jezus. Hij liep naar het graf, een
spelonk met een steen voor de opening. 39 Hij zei: ‘Haal de steen
weg.’ Marta, de zuster van de dode, zei: ‘Maar Heer, de
stank! Hij ligt er al vier dagen!’ 40 Jezus zei tegen haar:
‘Ik heb je toch gezegd dat je Gods grootheid zult zien als je
gelooft?’ 41 Toen haalden ze de steen weg. Daarop keek hij omhoog
en zei: ‘Vader, ik dank u dat u mij hebt verhoord. 42 U verhoort
mij altijd, dat weet ik, maar ik zeg dit ter wille van al die mensen
hier, opdat ze zullen geloven dat u mij gezonden hebt.’ 43 Daarna
riep hij: ‘Lazarus, kom naar buiten!’ 44 De dode kwam
tevoorschijn, zijn handen en voeten in linnen gewikkeld, en zijn
gezicht bedekt door een doek. Jezus zei tegen de omstanders:
‘Maak de doeken los, en laat hem gaan.’
45 Veel Joden die naar Maria toe gekomen waren en gezien hadden wat Jezus deed, kwamen tot geloof in hem.
Uit
de geschiedenis van de opwekking van Lazarus leren we dat God
wél hoort als we tot Hem roepen (Joh.11:4 en 6) en dat Hij
reageert en redt!
Maar wel op een andere manier dan Martha en Maria verwacht hadden. Net als zij had ik God geroepen en Hem zijn
eigen woorden voorgehouden. Ik had Hem bij de hand gevat en Hem de weg gewezen. Maar God gaat zijn eigen weg.
Daarom maakte Hij liefdevol mijn vingers los, legde mijn vuisten in zijn hand en wees me mijn plaats, achter Hem. 'Mijn
wegen zijn hoger dan uw wegen,' legt Hij uit in Jesaja 55. Daardoor is zijn perspectief veel breder dan het onze. Omdat
God het heil van de hele wereld op het oog heeft, staat Hij nood toe in ons leven als het dienstbaar is aan onze redding
en die van anderen. God redt niet alleen Lazarus, maar ook Martha en Maria, de discipelen (en in hen de wereld die op
hun woord gaat geloven) en vele Joden (11:45, 12:11). Dankzij Lazarus' dood en opwekking leren zij en uiteindelijk de
hele wereld dat Jezus Heer is over leven én dood! Deze geschiedenis leert me dat God op ons lijden betrokken is, dat
Hij de regie in handen heeft. En zonder met de vinger aan te kunnen wijzen hoe Hij zijn weg ging in het leven, lijden en
sterven van mijn moeder en ons als haar kinderen, mag ik ervan uitgaan dat zijn handelen gefocust was op haar redding,
op die van ons en van anderen. Zo'n God durf ik te vertrouwen. Niet omdat ik het zíe, maar omdat Hij het zégt.
Tot de trouwste discipelen van Christus behoorde Lazarus uit Bethanië
Vanaf hun eerste ontmoeting was zijn geloof in Christus sterk
geweest; zijn liefde voor Hem was innig, en hij was zeer geliefd
bij de Heiland. Het was voor Lazarus, dat het grootste wonder van
Christus werd verricht. De Heiland zegende allen die Zijn hulp zochten;
Hij heeft de gehele mensheid lief, maar met sommigen is Hij door een
bijzonder liefderijke omgang verbonden. Zijn hart was door een sterke
band van genegenheid verenigd met het gezin in Bethanië, en voor
één van hen werd Zijn grootste wonderwerk verricht.
In het huis van Lazarus had Jezus dikwijls rust gevonden. De Heiland
had geen eigen tehuis; Hij was afhankelijk van de gastvrijheid van Zijn
vrienden en discipelen, en dikwijls, wanneer Hij vermoeid was en
dorstte naar medeleven van mensen, was Hij verheugd geweest naar dit
vredige gezin te kunnen ontkomen, weg van de achterdocht en naijver van
de vertoornde Farizeeën. Hier werd Hij hartelijk welkom geheten en
ontving Hij oprechte, heilige vriendschap. Hier kon Hij eenvoudig
en volkomen vrijuit spreken, wetende dat Zijn woorden begrepen en
op prijs gesteld werden.
Jezus trachtte de ogen van hun verstand te openen
Onze Heiland stelde een rustig huis en belangstellende toehoorders op
prijs. Hij verlangde naar menselijke tederheid, wellevendheid en
genegenheid. Zij die het hemels onderricht ontvingen, dat Hij
altijd bereid was te geven, werden rijkelijk gezegend.
Wanneer de scharen Christus volgden door de open velden, verklaarde Hij
hun de schoonheden van de wereld der natuur. Hij trachtte de ogen van
hun verstand te openen, opdat zij zouden zien, hoe de hand van God de
wereld in stand houdt. Om waardering aan te kweken voor Gods
goedheid en weldadigheid, vestigde Hij de aandacht van Zijn toehoorders
op de zacht neervallende dauw, op de milde regenbuien en de heldere
zonneschijn, die op gelijke wijze aan goeden en kwaden worden
gegeven. Hij wenste, dat de mensen meer volkomen zouden beseffen,
hoe God zorgt voor de menselijke wezens, die Hij heeft geschapen. Maar
de scharen waren traag om te horen, en in het huis in Bethanië
vond Christus rust van de vermoeiende strijd van het openbare leven.
Hier openbaarde Hij de omvang van de Voorzienigheid aan een waarderend
gehoor. In deze vertrouwelijke gesprekken verklaarde Hij aan Zijn
toehoorders datgene wat Hij niet trachtte duidelijk te maken aan de
bonte menigte. Het was niet nodig, dat Hij tot Zijn vrienden in
gelijkenissen sprak.
Here, trekt Gij het U niet aan
Wanneer Christus Zijn prachtige lessen gaf, zat Maria aan Zijn voeten,
eerbiedig en toegewijd luisterend. Bij een bepaalde gelegenheid ging
Martha, verlegen met de zorg voor de maaltijd, naar Christus met de
woorden: "Here, trekt Gij het U niet aan, dat mijn zuster mij alleen
laat dienen? Zeg haar dan, dat zij mij komt helpen." (Luc.10:40)
Dit gebeurde bij het eerste bezoek van Christus aan Bethanië. De
Heiland en Zijn discipelen hadden juist de vermoeiende reis te voet
vanaf Jericho gemaakt. Martha wilde het hun graag zo gemakkelijk
mogelijk maken, en in haar bezorgdheid vergat ze de beleefdheid
die ze haar Gast verschuldigd was.
Jezus gaf haar zacht en kalm ten antwoord: "Martha, Martha, gij maakt u
bezorgd en druk over vele dingen, maar weinige zijn nodig, of slechts
één; want Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat van
haar niet zal worden weggenomen." (Luc.10:41,42)
Maria verzamelde in haar geest de kostbare woorden die van de
lippen van de Heiland kwamen, woorden die voor haar meer betekenden dan
de kostbaarste juwelen op aarde.
Een groter verlangen naar kennis
Het "ene" dat Martha nodig had, was een kalme, toegewijde geest, een
groter verlangen naar kennis aangaande het toekomstige, onsterfelijke
leven, en de genadegaven die noodzakelijk zijn voor geestelijke
vooruitgang. Zij had minder bezorgdheid nodig voor de dingen die
voorbijgaan, en meer voor de dingen die voor eeuwig blijven bestaan.
Jezus wil Zijn kinderen leren, iedere gelegenheid aan te grijpen om
kennis te vergaren die hen wijs zal maken tot zaligheid. De zaak van
Christus heeft plichtsgetrouwe, doortastende werkers nodig. Er is
een groot arbeidsterrein voor de Martha's, met hun ijver voor actief
godsdienstig werk. Maar laat hen eerst met Maria aan de voeten van
Jezus zitten. Laten ijver, stiptheid en werklust geheiligd worden door
de genade van Christus; dan zal het leven een onoverwinnelijke kracht
ten goede worden.
Smart deed zijn intrede in het vredige huis waar Jezus had gerust.
Lazarus werd door een plotselinge ziekte aangetast, en zijn zusters
zonden een boodschap naar de Heiland, zeggende: "Here, zie, die Gij
lief hebt, is ziek." (Joh.11:3) Zij zagen de ernst van de ziekte die
hun broer had aangegrepen, maar zij wisten, dat Christus had getoond in
staat te zijn alle soorten ziekten te genezen. Zij geloofden, dat Hij
met hen zou medeleven in hun smart; daarom drongen ze er niet op aan,
dat Hij terstond zou komen, maar zonden alleen vol vertrouwen het
bericht: "Die Gij lief hebt is ziek." (Joh.11:3)Zij dachten, dat Hij
terstond aan deze boodschap gehoor zou geven, en zo gauw Hij
Bethanië kon bereiken, bij hen zou zijn.
Vol verlangen wachtten zij op bericht van Jezus. Zolang er nog een
teken van leven in hun broeder was, baden zij en zagen uit naar de
komst van Jezus. Maar de boodschapper keerde zonder Hem terug.
Niettemin bracht hij de boodschap mee: "Deze ziekte is niet ten dode"
(Joh.11:4), en zij klemden zich vast aan de hoop dat Lazarus in leven
zou blijven. Op tedere wijze trachtten zij woorden van hoop en
bemoediging te spreken tot de zieke, die bijna bewusteloos was. Toen
Lazarus stierf, waren zij bitter teleurgesteld ; maar zij voelden de
ondersteunende genade van Christus, en dit weerhield hen ervan ook maar
enige blaam op de Heiland te werpen.
Deze ziekte is niet ten dode
Toen Christus de boodschap ontving, meenden de discipelen, dat Hij deze
koel ontving. Hij legde niet die smart aan de dag die ze van Hem
verwachtten. Hen aanziende zei Hij: "Deze ziekte is niet ten dode, maar
ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde."
(Joh.11:4)
Nog twee dagen bleef Hij op de plaats waar Hij was. Dit uitstel was
voor de discipelen een raadsel. Welk een vertroosting zou Zijn
aanwezigheid betekenen voor het getroffen gezin, dachten zij. De
discipelen waren zeer goed op de hoogte van Zijn grote toegenegenheid
voor de familie in Bethanië, en zij waren verbaasd dat Hij niet
reageerde op de droeve boodschap: "Die Gij liefhebt, is ziek."
(Joh.11:3)
Christus scheen gedurende de twee dagen de boodschap uit Zijn
gedachten te hebben verbannen want Hij sprak niet over Lazarus. De
discipelen dachten aan Johannes de Doper, de voorloper van Jezus. Zij
hadden zich verwonderd afgevraagd, waarom Jezus, Die de macht bezat om
heerlijke wonderen te verrichten, had toegestaan dat Johannes in de
gevangenis wegkwijnde en een geweldadigde dood stierf. Waarom redde
Christus niet het leven van Johannes, terwijl Hij zulk een kracht
bezat? Deze vraag was dikwijls gesteld door de Farizeeën, die dit
voorstelden als een onweerlegbaar argument tegen de bewering van
Christus dat Hij de Zoon van God was. De Heiland had Zijn discipelen
gewaarschuwd voor beproevingen, verliezen en vervolging. Zou Hij hen
alleen laten in de beproeving? Sommigen vroegen zich af, of ze zich
hadden vergist in Zijn zending. Allen waren ernstig verontrust.
Na twee dagen wachten zei Jezus tot Zijn discipelen: "Laten wij weder naar Judea gaan." (Joh.11:7)
Laten wij weder naar Judea gaan
De discipelen vroegen zich af, waarom Jezus, wanneer Hij naar Judea
ging, twee dagen had gewacht. Maar bezorgdheid voor Christus en voor
zichzelf was nu allesoverheersend in hun gedachten.
Zij konden alleen maar gevaar zien in de wijze van handelen die Hij
wilde volgen. "Rabbi", zeiden zij, "onlangs trachtten de Joden U te
stenigen en gaat Gij weder daar heen? Jezus antwoordde: Gaan er
geen twaalf uren in een dag?" (Joh.11:8,9) Ik word geleid door Mijn
Vader; zolang Ik Zijn wil doe, is Mijn leven veilig. Mijn twaalf
daguren zijn nog niet voorbij. De laatste ogenblikken van Mijn dag
zijn aangebroken, maar terwijl er nog tijd over is, ben Ik veilig.
"Als iemand overdag loopt", vervolgde Hij, "stoot hij zich niet, omdat
hij het licht van deze wereld kan zien." (Joh.11:0) Hij die de wil van
God doet, die wandelt op het pad dat God voor hem heeft aangegeven, kan
niet struikelen of vallen. Het licht van Gods leidende Geest geeft hem
een duidelijk begrip van zijn plicht en leidt hem nauwkeurig tot de
afsluiting van Zijn werk. "Maar wanneer iemand bij nacht loopt, stoot
hij zich, omdat het licht niet in hem is". (Joh.11:10) Hij die
gaat op het pad van zijn eigen keuze, waar God hen niet heeft geroepen,
zal struikelen. Voor hem wordt de dag veranderd in nacht, en waar hij
zich ook bevindt, hij is niet veilig.
"Zo sprak Hij en daarna zeide Hij tot hen: Lazarus, onze vriend, is
ingeslapen, maar Ik ga daarheen om hem uit de slaap op te wekken."
(Joh.11:11)
Lazarus, onze vriend, is ingeslapen
Hoe ontroerend zijn die woorden! Hoe vol erbarmen!
Bij de gedachte aan het gevaar dat hun Meester zou lopen door naar
Jeruzalem te gaan, hadden de discipelen bijna de getroffen familie in
Bethanië vergeten. Maar Christus niet. De discipelen voelden zich
terechtgewezen. Zij waren teleurgesteld geweest, omdat Christus niet
vlugger op de boodschap ging. Zij waren in de verleiding gekomen, te
denken dat Hij Lazarus en zijn zusters niet zo teder liefhad als zij
vermoedden, anders zou Hij Zich toch haastig met de boodschapper
terug naar Bethanië hebben begeven. Maar de woorden:"Lazarus, onze
vriend, is ingeslapen" (Joh.11:11), maakten in hun geest de ware
gevoelens wakker. Zij waren ervan overtuigd, dat Christus Zijn vrienden
in hun beproeving niet had vergeten.
"De discipelen zeiden dan tot Hem: Here, als hij slaapt, zal hij
herstellen. Doch Jezus had het bedoeld van zijn dood; zij echter
meenden, dat Hij het van de rust van de slaap bedoelde." (Joh.11:12,13)
Christus stelt de dood voor als een slaap voor Zijn gelovige kinderen.
Hun leven is verborgen met Christus in God, en zij die sterven, zullen
in Hem slapen, tot de laatste bazuin zal klinken.
"Toen zeide Jezus ronduit tot hen: Lazarus is gestorven, en het
verblijdt Mij om u, dat Ik daar niet geweest ben, opdat gij tot
geloof komt; maar laten wij tot hem gaan." (Joh.11:14,15) Thomas kon
niets anders zien dan dat de dood Zijn Meester wachtte, als Hij naar
Judea zou gaan; en hij zei tot de andere discipelen : "Laten wij ook
gaan om met Hem te sterven." (Joh.11:16)
Hij kende de haat van de Joden tegen Christus. Het was hun bedoeling
Zijn dood te bewerkstelligen, maar in deze bedoeling waren zij niet
geslaagd, omdat er nog een gedeelte van de Hem toebedeelde tijd
over was. Gedurende deze tijd werd Jezus door hemelse engelen bewaakt;
en zelfs in het gebied van Judea, waar de rabbi's plannen beraamden,
hoe ze Hem gevangen zouden kunnen nemen en ter dood brengen, kon Hem
geen kwaad overkomen.
Verwonderong over de woorden van Jezus
De discipelen verwonderden zich over de woorden van Christus, toen Hij
zei: "Lazarus is gestorven, en het verblijdt Mij….. dat Ik daar
niet geweest ben." (Joh.11:14,15)
Had de Heiland naar eigen keuze het huis van Zijn lijdende vrienden
vermeden ? Ogenschijnlijk waren Maria en Martha en de stervende Lazarus
aan hun lot overgelaten. Maar zij waren niet alleen. Christus zag alles
wat er geschiedde, en na de dood van Lazarus werden de bedroefde
zusters gesteund door Zijn genade. Jezus zag de smart in hun harten,
terwijl hun broer worstelde met zijn sterke vijand, de dood. Hij voelde
iedere hartewee toen Hij tot de discipelen zei: "Lazarus is gestorven."
(Joh.11:14)
Maar Christus had niet alleen aan de geliefden in Bethanië te
denken; Hij moest ook de opleiding van Zijn discipelen in gedachte
houden. Zij zouden Zijn vertegenwoordigers in de wereld moeten zijn,
opdat de zegen des Vaders zich over allen zou uitstrekken. Om
hunnentwille stond Hij toe, dat Lazarus stierf. Indien Hij hem van
zijn ziekte genezen en hem zijn gezondheid hergeven zou hebben, zou het
wonder dat het duidelijkste bewijs van Zijn goddelijk karakter is, niet
verricht zijn.
Indien Christus in de ziekenkamer was geweest, zou Lazarus niet zijn
gestorven; want dan zou Satan geen macht over hem hebben gehad. De dood
zou zijn pijl niet op Lazarus hebben gericht in de tegenwoordigheid van
de Levengever. Daarom bleef Christus weg. Hij liet toe, dat de vijand
zijn macht toonde en uitoefende, opdat Hij hem zou kunnen terugdrijven
als overwonnen tegenstander. Hij stond toe, dat Lazarus onder de
heerschappij van de dood kwam; en de bedroefde zusters zagen hoe
hun broer in het graf werd gelegd.
Christus wist, dat wanneer zij zouden kijken naar het gelaat van hun
gestorven broer, hun geloof in hun Verlosser zwaar op de proef zou
worden gesteld. Maar Hij wist, dat door de strijd die zij nu
doormaakten, hun geloof met veel grotere kracht zou gaan stralen. Hij
onderging ieder gevoel van smart dat zij hadden te dragen. Hij had hen
niet minder lief, omdat Hij vertoefde ; maar Hij wist dat voor hen,
voor Lazarus, voor Hemzelf en voor Zijn discipelen een overwinning
moest worden behaald.
Om u, opdat gij tot geloof komt
Tot allen die zich uitstrekken om de leidende hand van God te gevoelen,
is het ogenblik van de grootste ontmoediging de tijd waarop de
goddelijke hulp het meest nabij is. Zij zullen met dankbaarheid
terugzien op het donkerste gedeelte van hun weg.
"Dan weet de Here de godvruchtigen uit de verzoeking te
verlossen." (2 Petr.2:9) Uit iedere verzoeking en uit
iedere beproeving zal Hij hen met een vaster geloof en een rijkere
ervaring te voorschijn brengen.
Met het uitstellen om tot Lazarus te komen, had Christus een genadige
bedoeling voor hen die Hem niet hadden aangenomen. Hij vertoefde, opdat
Hij door Lazarus uit de dood op te wekken, aan Zijn hardnekkige,
ongelovige volk nog een bewijs zou geven, dat Hij inderdaad "de
opstanding en het leven" (Joh.11:25) is.
Hij was er afkerig van om alle hoop voor het volk, de arme, dwalende
schapen van het huis Israëls, op te geven. Hij was hevig ontroerd
over hun onboetvaardigheid. In Zijn genade was het Zijn bedoeling, hun
nog één bewijs te geven, dat Hij de Hersteller was,
Degene Die alleen leven en onsterfelijkheid aan het licht kon brengen.
Dit moest een bewijs zijn dat niet door de priesters verkeerd kon
worden verklaard. Dit was de reden van Zijn toeven,
vóórdat Hij naar Bethanië ging. Dit bekronende
wonder, de opwekking van Lazarus, zou het zegel Gods op Zijn werk
zetten en op Zijn aanspraak op goddelijkheid.
Jezus hoorde het geluid van de klaagzangen
Op reis
naar Bethanië verschafte Jezus, volgens Zijn gewoonte, de zieken
en behoeftigen hulp. Toen Hij de stad bereikte, zond Hij een
boodschapper naar de zusters met het bericht van Zijn aankomst.
Christus ging niet onmiddellijk het huis binnen, maar bleef wachten op
een rustige plaats langs de weg. Het groot, uiterlijk vertoon dat door
de Joden in acht werd genomen bij de dood van vrienden of verwanten,
was niet in harmonie met de geest van Christus. Hij hoorde het geluid
van de klaagzangen van de gehuurde rouwklagers, en Hij wenste de
zusters niet te ontmoeten in dit verwarde toneel.
Onder de rouwklagende vrienden waren verwanten van de familie, van wie
sommigen hoge, verantwoordelijke posities bekleedden in Jeruzalem.
Onder hen bevonden zich enkelen van de bitterste vijanden van Christus.
Christus kende hun bedoelingen, en daarom maakte Hij Zich niet terstond
bekend.
De boodschap werd zó stil aan Martha gegeven, dat de anderen in
het vertrek het niet hoorden. Volkomen in beslag genomen door haar
smart, hoorde Maria de woorden niet. Martha stond meteen op en ging
naar buiten, haar Here tegemoet, maar Maria meende, dat zij naar de
plaats ging waar Lazarus begraven lag, en zij bleef stil zitten met
haar smart, zonder een kreet te uiten.
Martha haastte zich Jezus tegemoet, haar hart gejaagd door tegenstrijdige gevoelens
Op Zijn gelaat, dat veel te kennen gaf, las zij dezelfde tederheid en
liefde, die daar altijd waren geweest. Haar vertrouwen in Hem was niet
gebroken, maar zij dacht aan haar zeer geliefde broer, die bij Jezus
ook was bemind geweest. Terwijl de smart opwelde in haar hart, omdat
Christus niet eerder was gekomen, maar terwijl er toch hoop in haar
was, dat Hij zelf nu iets zou kunnen doen om hen te vertroosten, zei ze
: "Here, indien Gij hier geweest waart, zou mijn broer niet gestorven
zijn." (Joh.11:21)
Steeds weer, te midden van het rumoer dat gemaakt werd door de rouwklagers, hadden de zusters deze woorden herhaald.
Met menselijk en goddelijk medelijden keek Jezus in haar bedroefd, door
zorgen gekwelde gelaat. Martha had niet de bedoeling, het verleden op
te halen; alles werd uitgedrukt door die aandoenlijke woorden: "Here,
indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn."
(Joh.11:21) Maar terwijl ze keek in dat liefdevolle gelaat, voegde ze
eraan toe: "Ook nu weet ik, dat God U geven zal al wat Gij van God
begeert." (Joh.11:22)
Uw broeder zal opstaan
Jezus moedigde haar geloof aan met de woorden: "Uw broeder zal opstaan." (Joh.11:23)
Zijn antwoord was niet bedoeld om hoop op te wekken op een
onmiddellijke verandering. Hij droeg de gedachten van Martha uit boven
een tijdelijk herstel van haar broer en richtte ze op een
wederopstanding van de rechtvaardigen. Dit deed Hij, opdat zij in
de opwekking 'van Lazarus een belofte zou zien voor de opstanding van
alle rechtvaardige doden, en een verzekering dat deze zou worden
bewerkt door de kracht van de Heiland.
Martha antwoordde: "Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongsten dage." (Joh.11:24)
Nog steeds trachtend haar geloof de juiste richting te geven, verklaarde Jezus: "Ik ben de opstanding en het leven." (Joh.11:25)
In Christus is het leven, oorspronkelijk echt, aan niets anders
ontleend. "Wie de Zoon heeft, heeft het leven." (1 Joh.5:12) De
goddelijkheid van Christus is voor de gelovige de zekerheid voor
het eeuwige leven. "Wie in Mij gelooft", zei Jezus, "zal leven, ook al
is hij gestorven, en een ieder die leeft en in Mij gelooft, zal in
eeuwigheid niet sterven; gelooft gij dat?" (Joh.11:25,26)
De rechtvaardige doden worden onvergankelijk opgewekt
Christus
ziet hier vooruit op de tijd van Zijn tweede komst. Dan zullen de
rechtvaardige doden onvergankelijk worden opgewekt en de levende
rechtvaardigen zullen in de hemel worden opgenomen zonder de dood te
zien. Het wonder dat Christus op het punt stond te verrichten, door
Lazarus uit de dood op te wekken, zou de opwekking van al de
rechtvaardige doden voorstellen. Door Zijn woord en Zijn werken
verklaarde Hij, dat Hij de Bewerker van de opstanding was. Hij Die
Zelf spoedig aan het kruis zou sterven, stond daar met de sleutels van
de dood, een overwinnaar van het graf, en deed Zijn recht en macht om
eeuwig leven te schenken, gelden.
Op de woorden van de Heiland: "Gelooft gij dat?"
(Joh.11:26) antwoordde Martha : "Ja, Here, ik heb geloofd, dat
Gij zijt de Christus, de Zoon van God, Die in de wereld komen zou."
(Joh.11:27)
Zij begreep de woorden van Christus niet in hun volle betekenis, maar
ze beleed haar geloof in Zijn goddelijkheid, en haar vertrouwen,
dat Hij in staat was datgene te verrichten wat Hem welbehaaglijk was.
"En na deze woorden ging zij heen en riep haar zuster Maria in stilte
en zeide: Daar is de Meester en Hij roept u." (Joh.11:28) Zij bracht
haar boodschap zo zacht mogelijk over, want de priesters en oversten
waren gereed om Jezus gevangen te nemen, wanneer de gelegenheid zich
voordeed. De kreten van de rouwklagers verhinderden dat haar woorden
werden gehoord.
Toen Maria de boodschap hoorde, stond ze haastig op, en met een
verlangende uitdrukking op haar gelaat verliet ze het vertrek. In
de mening dat zij naar het graf was gegaan om daar te wenen, volgden de
rouwklagers haar. Toen zij op de plaats aankwam waar Jezus
wachtte, knielde ze aan Zijn voeten en zeide met bevende lippen: "Here,
indien Gij hier geweest waart, zou mijn broeder niet gestorven zijn."
(Joh.11:32)
De kreten van de rouwklagers deden haar pijn; want zij verlangde naar
een paar rustige woorden alleen met Jezus. Maar zij kende de naijver en
jaloersheid die gekoesterd werden in de harten van sommigen der
aanwezigen tegen Christus, en dit weerhield haar, haar smart ten volle
tot uitdrukking te brengen.
Jezus raakte zeer bewogen
"Jezus dan, als Hij haar zag wenen, en de Joden, die met haar kwamen,
ook wenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde Zichzelven."
(Joh.11:33 statenvertaling)
Hij doorzag de harten van allen die daar bijeen waren. Hij zag, dat bij
velen datgene wat doorging voor een betoon van smart, slechts
uiterlijke schijn was. Hij wist, dat sommigen uit het gezelschap, die
nu gehuichelde smart toonden, eerlang de dood zouden beramen, niet
alleen van de machtige wonderdoener, maar ook van hem die uit de dood
zou worden opgewekt. Christus had hen kunnen ontdoen van hun mantel van
voorgewende smart. Maar Hij bedwong Zijn rechtvaardige
verontwaardiging. De woorden die Hij in alle waarheid had kunnen
spreken, sprak Hij niet uit, terwille van de geliefde die in smart aan
Zijn voeten knielde en die waarlijk in Hem geloofde.
"Waar hebt gij hem gelegd?" (Joh.11:34) vroeg Hij. "Zij zeiden tot Hem
: Here, kom en zie." (Joh.11:34) Samen liepen ze naar het graf.
Het was een droevig schouwspel. Lazarus was zeer geliefd geweest, en
Zijn zusters weenden om hem met een gebroken hart, terwijl degenen die
zijn vrienden waren geweest, hun tranen vermengden met die van de
diepbedroefde zusters. "Jezus weende" (Joh.11:35) bij het zien
van dit menselijk leed en het feit, dat de getroffen vrienden konden
treuren over de dode, terwijl de Heiland der wereld daarbij stond.
Hoewel Hij de Zoon van God was, had Hij nochtans de menselijke
natuur aangenomen, en Hij werd bewogen door menselijke smart. Zijn
teder, medelijdend hart wordt altijd tot medeleven gewekt door
lijden. Hij weent met de wenenden, en verblijdt Zich met de blijden.
Zie, hoe lief Hij hem had
Maar het was niet alleen om Zijn menselijk medeleven met Maria en
Martha dat Jezus weende. In Zijn tranen was een smart die zo hoog
verheven is boven menselijke smart als de hemel hoger is dan de
aarde. Christus weende niet om Lazarus, want Hij zou hem uit het graf
roepen. Hij weende, omdat velen van hen die nu om Lazarus treurden,
weldra de dood zouden beramen van Hem Die de opstanding en het leven
is.
Maar hoe slecht waren de ongelovige Joden in staat Zijn tranen te
verklaren! Sommigen die alleen maar de uiterlijke omstandigheden van
het schouwspel dat voor Hem lag, konden zien als een oorzaak voor
Zijn droefheid, zeiden zacht: "Zie, hoe lief Hij hem had!" (Joh.11:36)
Anderen, die trachtten het zaad van het ongeloof te zaaien in de harten
van hen die aanwezig waren, zeiden spottend: "Had Hij Die de ogen van
de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf?"
(Joh.11:37) Indien het in de macht van Christus had gelegen om Lazarus
te redden, waarom liet Hij dan toe, dat hij stierf?
Met een profetische blik zag Christus de vijandschap van de
Farizeeën en Sadduceeën. Hij wist, dat zij reeds dachten over
Zijn dood. Hij wist, dat sommigen van hen die ogenschijnlijk nu vol
medeleven waren, spoedig voor zichzelf de deur der hoop en de poorten
van de Stad Gods zouden sluiten. Spoedig zou er, door Zijn vernedering
en kruisiging, een toneel plaatsgrijpen waarvan de verwoesting van
Jeruzalem het gevolg zou zijn, en in die tijd zou niemand klaagliederen
zingen om de doden. De vergelding die over Jeruzalem zou komen,
stond Hem duidelijk voor ogen. Hij zag Jeruzalem ingesloten door de
Romeinse legioenen. Hij wist, dat velen die nu om Lazarus weenden,
zouden sterven bij het beleg van de stad, en in hun dood zou geen hoop
zijn.
Het was niet alleen om datgene wat Hij voor Zich zag, dat Christus
weende. Het gewicht van de smart van eeuwen drukte op Hem. Hij zag de
verschrikkelijke gevolgen van de overtreding van Gods wet. Hij zag, dat
in de geschiedenis van de wereld, te beginnen bij de dood van Abel, de
strijd tussen goed en kwaad ononderbroken was geweest. Wanneer Hij
neerzag op de jaren die komen zouden, zag Hij lijden en smart, tranen
en dood, die het lot van de mensen zouden zijn. Zijn hart werd
verscheurd door de pijn van het mensdom van alle eeuwen en in alle
landen. De ellende van het zondige geslacht rustten zwaar op Zijn ziel,
en de fontein van Zijn tranen brak open, terwijl Hij verlangde al hun
lijden te verlichten.
"Jezus dan wederom in Zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het
graf; en het was een spelonk, en een steen was daarop gelegd."
(Joh.11:38 statenvert.)
Neemt de steen weg, zei Jezus
Lazarus was neergelegd in een spelonk in een rots, en een zware steen
was voor de opening geplaatst. "Neemt de steen weg!" (Joh.11:39) zei
Christus.
In de mening, dat Hij alleen naar de dode wilde kijken, maakte Martha
tegenwerpingen, zeggende dat het lichaam vier dagen geleden was
begraven, en dat de ontbinding reeds een aanvang had genomen. Deze
verklaring, die gegeven werd voordat Lazarus werd opgewekt, liet geen
ruimte voor de vijanden van Christus, om te zeggen, dat er bedrog was
gepleegd. In het verleden hadden de Farizeeën valse verklaringen
in omloop gebracht betreffende de meest wonderlijke openbaringen van de
kracht Gods. Toen Christus het dochtertje van Jaïrus had opgewekt,
had Hij gezegd: "Het kind is niet gestorven, maar het slaapt."
(Marc.5:39)
Daar zij slechts korte tijd ziek was geweest, en onmiddellijk na haar
sterven was opgewekt, verklaarden de Farizeeën, dat het kind niet
dood was geweest; dat Christus Zelf had gezegd, dat het slechts sliep.
Zij hadden het willen doen voorkomen, alsof Christus geen zieken kon
genezen, dat er bij Zijn wonderen bedrog te pas kwam. Maar in dit geval
kon niemand ontkennen, dat Lazarus dood was. Wanneer de Here op het
punt staat een werk te verrichten, brengt Satan er iemand toe om tegen
te werken. "Neemt de steen weg!" (Joh.11:39) zei Christus. Tref, voor
zover dit mogelijk is, voorbereidingen voor Mijn werk. Maar Martha's
besliste en strevende geest deed zich gelden. Zij wilde niet, dat het
in staat van ontbinding verkerende lichaam ten aanschouwen
gebracht zou worden. Het menselijk hart is traag in het verstaan
van de woorden van Christus, en het geloof van Martha had niet de volle
betekenis van Zijn belofte begrepen.
Christus berispte Martha, maar Zijn woorden werden met de uiterste
zachtmoedigheid gesproken. "Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij
gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult?" (Joh.11:40)
Waarom zou je twijfel hebben betreffende Mijn macht? Waarom zou je
argumenten aanvoeren tegen Mijn eisen? Je hebt Mijn woord. Als je wilt
geloven, zal je de heerlijkheid Gods zien. Natuurlijke
onmogelijkheden kunnen het werk van de Almachtige niet verhinderen.
Twijfelzucht en ongeloof duiden niet op nederigheid. Onvoorwaardelijk
geloof in de woorden van Christus is ware nederigheid, ware
zelfovergave.
Neemt gij de steen weg!
Christus had de steen kunnen gebieden zich te verwijderen, en de steen
zou Zijn stem hebben gehoorzaamd. Hij had de engelen die aan Zijn zijde
waren, bevel kunnen geven, dit te doen. Op Zijn bevel zouden
onzichtbare handen de steen hebben verwijderd. Maar de steen moest door
mensenhanden worden weggenomen. Zo wilde Christus aantonen, dat de
mens moet samenwerken met God. Goddelijke kracht krijgt geen bevel om
datgene te doen wat menselijke kracht kan doen. God handelt niet zonder
de hulp van mensen. Hij geeft hun kracht en werkt met hen samen,
wanneer zij de hun gegeven krachten en bekwaamheden gebruiken.
Aan het bevel wordt gevolg gegeven. De steen wordt afgewenteld. Alles
wordt openlijk en weloverwogen gedaan. Aan allen wordt de kans gegeven
te zien, dat hier geen bedrog wordt gepleegd. Daar ligt het lichaam van
Lazarus in zijn rotsgraf, koud en stil in de dood. De kreten van de
klaagzangers verstommen. Verbaasd en in afwachting staan de mensen
rond het graf, wachtend om te zien wat gaat volgen.
Rustig staat Christus voor het graf. Een heilige ernst rust op allen
die aanwezig zijn. Christus gaat dichter naar de grafkelder toe.
Terwijl Hij Zijn ogen opslaat naar de hemel, zegt Hij: "Vader, Ik dank
U, dat Gij Mij verhoord hebt." (Joh.11:41 Eng. Vert.)
Niet lang vóór deze gebeurtenis hadden de vijanden van
Christus Hem beschuldigd van godslastering, en hadden stenen
opgenomen om naar Hem te werpen, omdat Hij beweerde de Zoon van
God te zijn. Zij beschuldigden Hem ervan, dat Hij wonderen verrichtte
door de kracht van Satan. Maar hier beweert Christus, dat God Zijn
Vader is, en met een volmaakt vertrouwen verklaart Hij, dat Hij de Zoon
van God is.
In alles wat Hij deed, werkte Christus samen met Zijn Vader
Steeds had Hij ervoor gezorgd, duidelijk te doen uitkomen, dat Hij niet
in eigen kracht werkte ; door geloof en gebed verichtte Hij Zijn
wonderen. Christus verlangde, dat allen Zijn verhouding tot Zijn
Vader zouden kennen. "Vader", zei Hij, "Ik dank U, dat Gij Mij verhoord
hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de
schare die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven dat
Gij Mij gezonden hebt." (Joh.11:41,42)
Nu zouden de discipelen en het volk het meest overtuigende bewijs
ontvangen omtrent de verhouding die er bestond tussen Christus en
God. Er zou hun worden getoond, dat de bewering van Christus geen
misleiding was.
"En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: Lazarus, kom
naar buiten!" (Joh.11:43) Zijn stem, helder en doordringend,
dringt door in het oor van de dode. Terwijl Hij spreekt, flitst de
goddelijkheid door het menselijke heen. Op Zijn gelaat, dat
verlicht is door de heerlijkheid van God, zien de mensen de verzekering
van Zijn kracht. Alle ogen zijn gericht op de opening van het graf.
Alle oren zijn gespannen om het minste gerucht op te vangen. Met
intense en pijnlijke belangstelling wachten allen op de toets van de
goddelijkheid van Christus, het bewijs, dat Zijn bewering, de Zoon van
God te zijn, moet waar maken of voor altijd de hoop zal blussen.
Er beweegt iets in het stille graf, en hij die dood was, staat aan de
ingang van de grafstede. Zijn bewegingen worden gehinderd door de
doodsklederen, waarin hij was neergelegd, en Christus zegt tot de
verbaasde toeschouwers: "Maakt hem los en laat hem heengaan."
(Joh.11:44)
|
|
|