Om nog eens verder over na te denken: HET GAAT OM DE BEDOELINGEN VAN GOD
Het gaat niet om de vraag, wat wij van ons leven kunnen maken, maar om
wat God er van kan maken. Als we niet beginnen met deze vraag, dan
maken we al direct een valse start.
Mensen zijn creaturen. Geen mens heeft zichzelf gemaakt. Psalm 139 schrijft
dat we door God reeds in de moederschoot gevormd, geweven en toebereid zijn.
Ps.139:13,14
Wanneer we in staat zijn dingen van God te zien en te verstaan, dan is dat
puur omdat God ons dit vermogen geeft. "Het oog dat ziet en het oor dat
hoort, beide heeft de HERE gemaakt". Dat is geestelijk even waar als dat het
fysiek waar is.
Spreuken 20:12
God is de Schepper van alles en iedereen. Ook van de goddeloze. En
alles heeft Hij gemaakt voor Zijn doel.
Spreuken
16:4
Elk mens is klei in de hand van de Pottenbakker. Hij maakt vaten
(voorwerpen) tot oneer én vaten tot eer. Niemand weerstaat daarin Zijn
bedoeling, zo leert Paulus ons in Romeinen 9. Wat een mens zou doen, is
deemoedig erkennen dat wij slechts kleine, nietige schepseltjes zijn en GOD de
grote Creator. Waar een mens dit erkent, is hij of zij een "vat ter ere".
Romeinen 9:20,21
Paulus schrijft in Filippi 2:12 en 13 dat we onze behoudenis zouden
uitwerken. Hoe? Door te jagen en te jachten? Door ons best te doen? Nee. Door
een sidderend Godsbesef. In vreze (phobos > fobie) en beven (tromos >
trauma), want GOD is het die het willen en werken in ons werkt, om Zijn
welbehagen. Het uitwerken van onze behoudenis bestaat in de erkenning van de
ontzagwekkende God die al Zijn schepselen kneedt naar Zijn bedoeling.
In de nabijheid van God, past slechts de grootste eerbied. Toen Mozes in de
woestijn geroepen werd, moest hij de schoenen van zijn voeten doen. "... want de
grond waarop gij staat is heilig". Schoeisel is een uitbeelding van de wandel
van een mens. Op grond van zijn of haar wandel kan de mens niet voor God
verschijnen. De schoenen moeten uit. Dure schoenen of goedkope, afgetrapte of
nieuwe, lelijke of mooie, het maakt allemaal voor Hem geen verschil. Religie is
in de praktijk het oppoetsen van ons schoeisel (>wandel). Maar God zegt:
uitdoen. Want alles is genade!
Exodus 3:2-5
Een mens wordt uit genade gered. Door geloof wordt deze redding ons deel.
Maar vergis u niet. Het is alles (d.w.z. zowel redding als geloof) een gave
Gods. Zodat alle roem is uitgesloten.
Efeze
2:8,9
Het leven van een gelovige is bedoeld als een verheerlijking van Gods genade.
We worden niet opgeroepen om zelf goede werken te doen, maar om te
wandelen in de goede werken die God reeds tevoren bereid heeft. Het gaat
dus om Gods goede werken. Goede werken komen aan het licht, waar God de
eer ontvangt.
Efeze 2:10
Paulus roept in het slot van 1Korinthe 15 ons op, om overvloedig te zijn in
het werk des Heren. Let op: in het werk van de Heer. Dus niet: het werk
voor de Heer. Het gaat om Gods werk. Waar wij standvastig en onwankelbaar
zijn in de overwinning van Christus, daar zal de Heer overvloedig Zijn werk in
en door ons doen.
1Korinthe 15:58
In Romeinen 9 stelt Paulus de vraag, waarom Israël niet is toegekomen aan de
wet. D.w.z. ze heeft de wet nooit werkelijk verstaan. "Waarom niet? Omdat
het niet uitging van geloof, maar van werken". Waarmee gezegd is dat de wet ten
diepste geen opdracht (zoals Israël meede) maar belofte is. "Gij
zult..." wil zeggen: jullie zullen. Het is profetie. Vandaar dat de wet
evenals de profetie vervuld moet worden. Want de wet is profetie en
belofte.
Romeinen 9:31--33
Wat voor Israël geldt, geldt ook voor het volk dat zich haar plaatvervanger
waant: de kerk. Ook de kerk gaat tot op vandaag uit van werken i.p.v. geloof.
Dit gif is zelfs de Bijbelvertalingen binnengedrongen. In 1Petrus 1:16 behoort
te staan: "Gij zult heilig zijn, want Ik ben heilig". Maar wat heeft men
er van gemaakt? "... zijt heilig" of "weest heilig". Daarmee is
een zekere belofte veranderd in onzeker mensenwerk. En heiliging werd
schijn-heiliging.
1Petrus 1:16
Abraham is een prachtig voorbeeld van iemand die niet slechts gerechtvaardigd
werd door geloof, maar die ook leefde uit geloof. Abraham was oud en
impotent maar God had beloofd dat zijn nageslacht zou zijn als de sterren des
hemels en als het zand der zee. En Abraham "gaf Gode eer, in de volle zekerheid,
dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen". Abraham zag
niet op eigen onvermogen maar vertrouwde op Gods vermogen. Zo
heeft Abraham "de kracht zijner opstanding" aan den lijve ervaren en zaad
voortgebracht.
Romeinen 4:16-21
Als Israël de Torah leest, ligt er een bedekking op hun hart. Ze zijn niet in
staat het te verstaan. Men gaat uit van werken i.p.v. geloof. Maar wanneer deze
bedekking wordt weggenomen, dan komt men oog in oog te staan met de heerlijkheid
des Heren. De heerlijkheid nl. dat Hij doet waartoe de mens niet in staat
blijkt. Hij verandert ons. Sterker: Hij doet ons een metamorfose
ondergaan. "... van heerlijkheid tot heerlijkheid".
2Korinthe 3:18
Paulus schrijft in 2Korinthe 9:8: "En God is bij machte alle genade in
u overvloedig te schenken, opdat gij, in alle opzichten te
allen tijde van alles genoegzaam voorzien, in alle goed
werk overvloedig moogt zijn...". Zeven superlatieven in één zin.
Zie ook Efeze 3:21
Vele christenen hebben geen idee wat het betekent om verlost te zijn. Hun
ganse leven wordt beheerst door de strijd tegen de zonde. Dat is de 'vrome'
variant van leven "onder de heerschappij der zonde". Het alternatief is dat we
ons dood rekenen voor de zonde. We negeren de zonde en leven voor God. Dat is
het grote verschil tussen Romeinen 7 en 8.
In het Grieks is het woord voor 'mens', 'anthropos'. Ontleden we dat woord,
dan betekent dat: opwaarts-gekeerd-kijker. Een schitterende weergave van wat het
betekent om mens te zijn! "Het hoofd omhoog, het hart naar boven...". "Kijk
omhoog Sammy, want er is er Eén die van je houdt...".