Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Kom dan, laten wij hem aan de Ismaëlieten verkopen
(Genesis 37: 27)
5
Op een keer had Jozef een droom. Toen hij die aan zijn broers vertelde,
kregen ze een nog grotere hekel aan hem. 6 ‘Moeten jullie nu eens
horen wat ik heb gedroomd,’ zei hij. 7 ‘We waren op het
land schoven aan het binden, en toen kwam mijn schoof overeind en bleef
rechtop staan. En jullie schoven gingen om die van mij heen staan en
bogen daarvoor.’ 8 Zijn broers zeiden: ‘Dacht je soms
koning over ons te worden? Wil je over ons heersen?’ Vanwege dat
gepraat over zijn dromen gingen ze hem hoe langer hoe meer haten. 9
Opnieuw kreeg hij een droom die hij aan zijn broers vertelde. ‘Ik
heb alweer een droom gehad,’ zei hij. ‘Nu bogen de zon, de
maan en elf sterren zich voor mij neer.’ 10 Toen hij dit aan zijn
vader en zijn broers vertelde, wees zijn vader hem terecht: ‘Zeg,
wat is dat voor een droom! Moeten ik, je moeder en je broers ons soms
voor jou komen neerbuigen?’
11 De broers konden Jozef wel vermoorden, maar zijn vader bleef nadenken over wat er gebeurd was.
12 Toen Jozefs broers er eens op uit getrokken waren om de kudden van
hun vader bij Sichem te laten grazen, 13 zei Israël tegen Jozef:
‘Zoals je weet zijn je broers het vee aan het weiden bij Sichem.
Ga jij eens naar hen toe.’ ‘Goed,’ zei Jozef, 14 en
Jakob vervolgde: ‘Ga kijken hoe je broers het maken en hoe het
met het vee staat, en breng mij dan verslag uit.’ Zo stuurde
Jakob hem vanuit de Hebronvallei naar Sichem. 15 Toen Jozef daar in het
veld ronddwaalde, kwam hij iemand tegen die hem vroeg wie hij zocht. 16
‘Ik ben op zoek naar mijn broers,’ antwoordde hij.
‘Kunt u me zeggen waar zij het vee aan het weiden zijn?’ 17
‘Ze zijn hier niet meer,’ zei de ander, ‘ik hoorde
hen zeggen dat ze naar Dotan wilden.’ Jozef ging zijn broers
achterna en trof hen in Dotan aan.
18 Zijn broers zagen hem al van ver, en nog voordat hij hen had
bereikt, hadden ze een plan beraamd om hem te doden. 19 ‘Kijk
daar eens,’ zeiden ze tegen elkaar, ‘daar komt die
meesterdromer aan. 20 Dit is onze kans! Laten we hem vermoorden en hem
ergens in een put gooien. We zeggen gewoon dat hij door een roofdier is
verslonden. Dan zullen we eens zien wat er van zijn dromen
uitkomt.’ 21 Toen Ruben dat hoorde, wilde hij proberen Jozef te
redden. ‘Nee, laten we hem niet om het leven brengen,’ zei
hij. 22 ‘Er mag geen bloed vloeien! Gooi hem in die put hier, in
deze verlaten streek, maar breng hem niet om.’ Zo wilde hij Jozef
uit hun handen redden en hem ongedeerd naar zijn vader terug laten
gaan. 23 Zodra Jozef bij zijn broers was gekomen, trokken ze hem zijn
bovenkleed uit, dat mooie veelkleurige gewaad, 24 en gooiden hem in de
put; de put was leeg, er stond geen water in. 25 Daarna gingen ze
zitten eten.
Opeens zagen ze een karavaan naderen. Het waren Ismaëlieten die
uit de richting van Gilead kwamen en op weg waren naar Egypte. De
kamelen waren beladen met gom, balsem en cistushars. 26 Toen zei Juda
tegen zijn broers: ‘Wat hebben we eraan om onze broer te
vermoorden? Dan moeten we ook de sporen weer zien uit te wissen. 27
Laten we hem aan die Ismaëlieten verkopen in plaats van hem om te
brengen; hij is tenslotte onze broer, ons eigen vlees en bloed.’
De anderen stemden hiermee in. 28 Toen er Midjanitische kooplieden uit
de karavaan voorbijkwamen, trokken de broers Jozef uit de put en
verkochten hem voor twintig sjekel, en die Ismaëlieten namen Jozef
mee naar Egypte.
29 Toen Ruben weer bij de put kwam en ontdekte dat Jozef er niet meer
in zat, scheurde hij zijn kleren. 30 Hij ging naar zijn broers terug.
‘De jongen is weg!’ riep hij. ‘Wat nu, wat moet ik
nu!’ 31 Toen slachtten ze een bokje, pakten Jozefs veelkleurige
gewaad en dompelden dat in het bloed. 32 Daarna lieten ze het naar hun
vader brengen met de boodschap: ‘Dit hebben we gevonden. Kijk
eens goed, is dit niet het kleed van uw zoon?’ 33 Jakob herkende
het en riep uit: ‘Het kleed van mijn zoon! Hij moet verslonden
zijn door een roofdier! Hij is verscheurd, Jozef is verscheurd!’
34 Jakob scheurde zijn kleren, deed een rouwkleed om en rouwde over
zijn zoon, dagenlang. 35 Al zijn zonen en dochters deden hun best om
hem te troosten, maar hij wilde niet getroost worden en zei: ‘Ik
zal rouw dragen totdat ik naar mijn zoon in het dodenrijk
afdaal.’ Zo treurde Jakob om zijn zoon.
36 De Midjanieten brachten Jozef naar Egypte en verkochten hem aan
Potifar, een hoveling van de farao en commandant van zijn lijfwacht.
Jozef in vogelvlucht
JOZEF VERKOCHT EN NAAR EGYPTE GEBRACHT
Jakob vestigde zich in Kanaän, het land waar ook zijn vader
gewoond had. Dit is de geschiedenis van Jakob en zijn nakomelingen.
Jozef, die inmiddels zeventien jaar was, weidde gewoonlijk samen met
zijn broers de schapen en geiten; hij hielp de zonen van zijn vaders
vrouwen Bilha en Zilpa, en alle praatjes die over zijn broers de ronde
deden vertelde hij aan hun vader door. Omdat Israël al oud was
toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn andere
zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken in
allerlei kleuren. De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef
hield. Daarom konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk
woord voor hem af.
JOZEF EN DE VROUW VAN POTIFAR
Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar
was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de
hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn
lijfwacht. De HEER stond Jozef terzijde, zodat het hem goed ging. Hij
mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. Omdat zijn
meester zag dat de HEER Jozef terzijde stond en alles wat hij ter hand
nam voorspoedig liet verlopen, was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem
tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem
over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat.
DE DROMEN VAN SCHENKER EN BAKKER
Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. Maar de HEER stond hem ter
zijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij
de gevangenbewaarder in de gunst kwam. Jozef kreeg de leiding over alle
gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden.
DE DROOM VAN DE FARAO
Twee volle jaren later kreeg de farao een droom. Hij droomde dat hij
aan de Nijl stond. Toen zag hij zeven koeien uit de Nijl komen; het
waren mooie koeien, die goed in hun vlees zaten. Ze gingen grazen in
het oevergras. En kijk, daar kwamen weer zeven koeien uit het water;
die waren lelijk en mager. Ze voegden zich bij de andere koeien aan de
oever van de rivier.
JOZEFS BROERS IN EGYPTE
Toen Jakob hoorde dat er in Egypte graan was, zei hij tegen zijn zonen:
‘Waarom ondernemen jullie niets? Ik heb gehoord dat er in Egypte
graan te krijgen is. Ga ernaartoe en koop daar graan voor ons, zodat we
niet van de honger omkomen.’ Hierop gingen tien van Jozefs broers
op reis om bij de Egyptenaren graan te kopen.
JOZEFS BROERS OPNIEUW IN EGYPTE
De hongersnood bleef het land teisteren. Toen het graan dat Jozefs
broers uit Egypte hadden meegebracht op was, zei hun vader tegen hen:
‘Ga daar nog eens heen om wat voedsel voor ons te kopen.’
Juda antwoordde: ‘Die man heeft ons ten strengste gewaarschuwd
dat we hem niet onder ogen mogen komen als we onze broer niet
meebrengen.
JAKOB MET AL ZIJN NAKOMELINGEN NAAR EGYPTE
Israël ging op weg; al zijn bezittingen nam hij mee. In Berseba
gekomen, bracht hij offers aan de God van zijn vader Isaak. ’s
Nachts richtte God zich in een visioen tot Israël. ‘Jakob!
Jakob!’ riep hij, en Jakob antwoordde: ‘Ik luister.’
God zei: ‘Ik ben God, de God van je vader. Wees niet bang om
verder te reizen naar Egypte, want ik zal daar een groot volk uit je
doen voortkomen. Ikzelf zal met je meereizen naar Egypte, en ik zal je
daar ook weer vandaan brengen. En niemand anders dan Jozef zal jou de
ogen sluiten.’
JAKOBS LEVENSEINDE
Jakob woonde zeventien jaar in Egypte; hij werd honderdzevenenveertig
jaar. Toen hij voelde dat hij niet lang meer zou leven, liet hij zijn
zoon Jozef bij zich komen. ‘Als je het goed met me
voorhebt,’ zei Israël, ‘leg dan je hand in mijn lies
en geef mij blijk van je liefde en trouw: zweer dat je me niet in
Egypte begraaft. Als ik straks gestorven ben, breng mij dan weg uit
Egypte en begraaf me in het graf van mijn voorouders.’ Jozef
beloofde het. ‘Zweer het mij,’ zei Israël. Jozef zwoer
het hem, en daarna knielde Israël neer op het hoofdeinde van zijn
bed.
JOZEFS DOOD
Jozef bleef in Egypte wonen, met zijn hele familie. Hij werd
honderdtien jaar. Hij zag Efraïms kleinkinderen nog, en ook de
geboorte van de kinderen van Machir, de zoon van Manasse, maakte hij
nog mee. Toen hij zijn einde voelde naderen, zei hij tegen zijn broers:
‘God zal zich jullie lot aantrekken: hij zal jullie uit dit land
wegleiden en je naar het land brengen dat hij onder ede aan Abraham,
Isaak en Jakob heeft beloofd. Zweer me dat jullie, wanneer God zich
jullie lot aantrekt, mijn lichaam van hier zullen meenemen.’
Jozef stierf toen hij honderdtien jaar was. Hij werd gebalsemd en in
een sarcofaag gelegd, in Egypte.
Vertel het aan de kinderen - Jozef wordt verkocht
De broers wachten Jozef op. Hij is zeventien jaar, zij zijn allemaal
ouder. Hun vader heeft Jozefhet liefst dichtbij zich, net als de
jongste van de twaalf, Benjamin. Vader Jakob is gek op dietwee. Ze
herinneren hem aan hun moeder, aan Rachel, zijn overleden
lievelingsvrouw.
Maar nu heeft hij Jozef op reis gestuurd, op zoek naar zijn broers. Ze
verzorgen de veestapelvan het familiebedrijf en zijn al dagenlang van
huis. Jozef zoekt hen eerst in Sichem, maareen man wijst hem verder,
richting Dotan, waar twee waterputten zijn. Hij blijft zoeken, wanthij
moet zijn vader bericht geven hoe het met hen gaat. Maar hij is
helemaal niet welkom; debroers zien hem als een verrader en een
opschepper. Ze hebben hun plannetje gesmeed enwillen op Jozef afstormen
.‘Nee, wacht!’ roept Ruben, de oudste. ‘Dit kunnen we
echt niet maken. We kunnen ons geenmoord op de hals halen. Ik weet wat
beters. Laten we Jozef in de put gooien, maar nietbotweg doden.
’‘Ook goed,’ zeggen de broers. Ze rennen op Jozef af,
rukken de jas van z’n schouders engooien hem in een droogstaande
put. Daar laten ze hem achter
.Lachend om hun eigen overmoed beklimmen ze de heuvel weer. Ze lachen
allemaal, behalveRuben, die zich schaamt. Hij verzint in stilte een
manier om zijn broertje later op de dag uit deput bevrijden. Maar de
andere jongens zijn hem voor
.‘Weet je wat?’ zegt Juda als ze op de heuvel aan de
maaltijd beginnen, ‘we kunnen diewijsneus wel verkopen.’
Hij ziet uit het noorden juist een karavaan opdoemen. Het
zijnIsmaëlieten, die met hun handel op weg zijn naar Egypte.
‘Dan hoeven we hem niet te doden,’ gaat Juda verder,
‘maar zijn we ons lieve broertje tochkwijt.’ De broers
vinden dat een goed plan. Ze trekken Jozef uit de put en verkopen hem
voortwintig zilverstukken, de gangbare prijs voor een kindslaaf. Ze
zien hem langzaam in destofwolken verdwijnen, vastgebonden achter een
kameel.
Ruben is ten einde raad: wat moet hij tegen zijn vader zeggen? Maar
zijn broers slachten eenlam en kliederen het bloed op de mooie
gekleurde jas van Jozef, die ze daarnakapotscheuren.
Als ze weer thuis zijn, laten ze het vod aan hun vader zien. ‘Dit
vonden we onderweg, pa. Ishet niet de jas van uw zoon?’ ‘De
jas van Jozef, mijn allerliefste zoon!’ roept Jakob uit. ‘O
nee,hij is in stukken gereten!’ Jakob scheurt zijn kleren en
huilt en rouwt dagen achter elkaar.Niemand kan hem troosten. Nee toch,
waarom Jozef!
Jakob had gedacht dat deze zoon misschien wel een geheim bezat met al
zijn dromen, eenbelofte van God – maar nu is die meesterdromer
dood. ‘Ik zal zelfs in mijn graf nog over hemrouwen,’
klaagt hij.
Mooie, zelfs spannende verhalen over Jozef
Sommige mensen kennen de verhalen over Jozef en zijn broers goed. Het
zijn mooie, zelfs spannende verhalen en soms hoor je ze al op de
basisschool. Als de verhalen niet kent, dan zou je ze eens moeten lezen
in de bijbel, zo rondom het 40e hoofdstuk van het bijbelboek
Genesis. Sommige kennen de hoofdrolspeler al.
Dreamcoat, je weet wel, die prachtige mantel van Jozef die hij van z'n vader had gekregen. Ze waren met twaalf
jongens thuis, maar alleen de 17 jarige Jozef kreeg de prachtige
mantel. Ik blader een beetje terug. Ja, daar staat het. Omdat Jakob al
oud was toen Jozef werd geboren, hield hij meer van Jozef dan van zijn
andere zonen, en hij had een prachtig bovenkleed voor hem laten maken
in allerlei kleuren.
De broers zagen wel dat hun vader het meest van Jozef hield. Daarom
konden ze Jozef niet uitstaan en kon er geen vriendelijk woord voor hem
af. (Gn 37, 3-4) Dreamcoat heet de kleurige mantel in de musical, want
Jozef is een dromer. Hij droomt, wat droomt hij? Hij droomt dat ze diep
voor hem buigen, zijn broers, zelfs zijn vader en moeder. Jozef is een
dromer. En z'n vader heeft een zwak voor hem. Van Jozef houdt hij meer
dan van de andere zoons. En hij laat daar ook nog eens een keer
geen misverstand over bestaan ook: de prachtige mantel, iedereen kan
het zien, is alleen voor Jozef. De ideale ingrediënten voor een
echte tragedie in de familie. Z'n broers kunnen hem wel vermoorden.
Maar vermoorden doen ze hem niet. Hoewel? Ze gooien hem in een put en
verkopen hem aan slavenhandelaars die onderweg langskomen. Je kunt je
afvragen of ze bij de verkoop hun broer als slaaf aan deze handelaars
niet een moord op termijn plegen. Handelaars die hun verse slaaf mee
naar Egypte nemen en daar verkopen aan een familie die dient bij de
Egyptische farao.
De geschiedenis van deze Jozef is de schakel tussen twee heel verschillende manieren van leven.
Het is de brug tussen de verhalen van aan de ene kant Abraham, Izaak en
Jakob, de zogeheten aartsvaders in Kanaän en aan de andere kant
het latere verhaal over het slavenvolk Isräel in Egypte. Ze horen
toch in Kanaän, dat is toch het land van belofte? Hoe zijn ze dan
terechtgekomen in Egypte? Zó zijn ze in Egypte gekomen, vertelt
ons het verhaal van Jozef en zijn broers.
Hongersnood was het, die de familie, de broers in eerste instantie,
naar dat land dreef op zoek naar voedsel. En Egypte of all places bleek
juist het land te zijn waar deze Jozef, de 22 jaar geleden door zijn
broers hoogstpersoonlijk zelf verkochte jongste rotbroertje van wie ze
nooit meer iets hadden gehoord, dat land blijkt het land te zijn waar
deze Jozef nog in leven is en het inmiddels tot onderkoning en minister
van voedselzaken heeft geschopt. Zonder dat iemand van zijn familie
daar ook maar van op de hoogte is. Voor hen, voor zijn familie, is
Jozef gewoon verdwenen. Verkocht, vermist, en vooral in het besef van
zijn vader: dood.
Zijn vader had de gescheurde en bebloede amazing dreamcoat in de handen
van de broers van Jozef gezien. Zo waren ze weer thuis gekomen. Zonder
Jozef. Dood dus. De oneindig bedroefde vader kan uit de met bloed
besmeurde mantel alleen maar de conclusie trekken dat zijn oogappel
Jozef is verscheurd door een roofdier. Aan het einde van het verhaal
dat we hebben gelezen, weigert Jakob pertinent om nóg
eenjongere broer ook mee te laten gaan voor een tweede keer naar
Egypte. Wij begrijpen dat.
Jaokob weigert heel beslist. Moet je eens opletten wat deze vader tegen
zijn eigen zoons zegt! “Jullie maken mij kinderloos! Jozef is er
niet meer, Simeon hebben jullie achter moeten laten in Egypte en nu
willen jullie ook nog Benjamin bij me weghalen.” Ja, want de
broers mochten met voedsel weer terugkeren naar Kanaän, maar ze
moesten wel een gijzelaar achterlaten. Telkens als de broers terugkeren
komen ze met minder mensen terug dan ze op weggingen. Hun vader wordt
gek van angst en verdriet.
Voor kinderen lijkt het verhaal wel wat weghebben van een soort sprookje
Want die merkwaardige, grootheidswaanzinnige droom ooit van Jozef dat
ze allemaal diep voor hem zullen buigen, die droom blijkt de waarheid
te vertolken. Het lijkt zo wel een sprookje, mooier kan het bijna niet.
Maar het is geen sprookje, want na die gekke dromen van de jonge Jozef
over dat buigen voor hem van al zijn familieleden gaat het eigenlijk
alleen maar razendsnel bergafwaarts met hem.
Eerst wordt hij ergens in de woestijn in een drooggevallen put gegooid.
Daarna belandt hij in de Egyptische gevangenis. Heeft u weleens in de
put gezeten? Ja? Nou, dan weet je dus hoe dat voelt. Geen sprookje.
Heeft u weleens gevangen gezeten? Dan weet je wat opgesloten betekent.
Géén sprookje dus. Een soort nachtmerrie.
Er is een bijzonder moment in het verhaal
Het vindt plaats als de Egyptische onderkoning Jozef plotseling haastig
wegloopt uit het gezelschap van zijn broers. Hij loopt weg, hij kan
zijn tranen niet meer bedwingen. Wat is dat moment waarop Jozef vol
dreigt te schieten? Zijn broers zijn drie dagen in hechtenis geweest.
Jozef heeft ze vanaf het begin (onterecht) beschuldigd van spionage. Na
drie dagen kunnen ze vrijkomen en teruggaan, maar dan alleen als ze
één van hun broers zullen achterlaten. Het is precies op
dat moment dat er iets met de broers gebeurt.
Ze tonen berouw. Alsof ze – nu ze geprest worden om
één van de groep achter te laten – alsof ze in
gedachten weer helemaal terug zijn... bij hun vader, 22 jaar geleden.
Toen ze toen terugkwamen en tegen hem gezegd zouden hebben:
“Hé pa, we zijn weer terug. Alleen eh, Jozef is eh er niet
meer bij.” Zal dat pijnlijke moment zich nu gaan herhalen? Terug
bij Jakob, nu uit Egypte, maar weer zonder een van hun broers? Op dat
moment tonen ze berouw. “Dit is onze straf omdat we ons niets
hebben aangetrokken van de smeekbeden van onze broer, terwijl we toch
zagen dat hij doodsbenauwd was.” Nee, het is geen sprookje. Jozef
hoort zijn broers spreken van berouw en kan zich dan niet meer
bedwingen. Hij wendt zich af en huilt. Waarom wil hij zijn tranen niet
laten zien? Moet hij zich afwenden omdat hij een eerste krachtige
impuls tot verzoening in zich voelt opkomen? Een aanvankelijk sterke
aandrang, waarnaar hij niet wil luisteren? Hij gaat even weg.
Vervolgens, nadat hij weer teruggekeerd is, zet hij zijn strenge
Egyptische masker weer op. Hij spreekt zijn broers toe. Daarna gaat hij
over tot handelen. “Toen koos Jozef Simeon uit en liet die voor
hun ogen in de boeien slaan.”
Mooi verhaal, ook voor kinderen
Het gaat over opgroeien, ouder worden, over jaloers zijn, over bedrog
en over wat echt waar is en wat niet waar. En de verborgenheid van die
twee laatste, van waar en niet-waar. Hoe weet je nu of die bebloede
mantel het teken is van de dood van Jozef, of dat er bedrog in het spel
is? Hoe weet je dat? Hoe weet je of dromen bedrog zijn, of niet? Hoe
zou je ooit kunnen weten dat de onderkoning van Egypte jouw eigen aan
de slavenhandelaars verkochte en sindsdien vergoed verdwenen broer is?
Hoe kun je ooit weten wat waar is? Wie zal de betere Amerikaanse
president zijn? Naar welk ziekenhuis ga je als je ziek bent? Hoe weet
je wat waar is? Deze vraag is dragend voor het hele Jozefverhaal. Een
mooi verhaal dus, niet alleen voor kinderen. Ook een mooi verhaal voor
hedendaagse gelovigen. Het mooie voor ons zit 'm, wil ik suggereren,
hierin.
Nergens in de verhalen van Jozef handelt God
Dat wil zeggen dat er nergens in deze geschiedenis sprake van is dat
God ouderwets machtig en opdringerig is. De God die als een
bliksemflits ingrijpt, die ontbreekt hier geheel. Als Jozef gekke
dromen droomt, zijn het zijn rare dromen. Nooit bijvoorbeeld lees je
dat God Jozef in die dromen iets wil duidelijk wil maken. Het zijn de
dromen van Jozef, niet van God. Wanneer Jozef in Egypte is, staat God
hem ter zijde. En daardoor, zegt de schrijver, gaat het goed met Jozef.
Het helpt Jozef om goed te functioneren in het bedrijf van Potifar, bij
wie hij in dienst is. Toch gaat het mis. Later, in de gevangenis gaat
het Jozef goed af, want de Heer staat hem terzijde. Maar het is Jozef
die uit zichzelf de dromen van de schenker en de bakker uitlegt,
evenals later de droom van de farao, plus het advies om toch vooral
voorraadschuren te bouwen voor de slappe jaren die zullen komen.
Dat moeten wij herkennen
In moeilijke tijden kun je tot God bidden. Om hulp en om kracht, om
wijsheid misschien. Nadat je “amen hebt gezegd”, moet je
zelf weer aan de slag. Het heeft geen zin te wachten op een wonder. Jij
moet nadenken, handelen, beslissingen nemen. Wij zijn verantwoordelijk.
Daarom ook is het een mooi verhaal. Jozef is een beetje gek met zijn
dromen, die hij rondvertelt aan zijn broers. Hij raakt in de put en
zelfs in de gevangenis. Dáár ervaart hij de bijstand van
God. Vervolgens gaat hij zelf aan de slag. Zelf aan de slag. Daar
kunnen wij iets mee, toch? Dat het zo in elkaar kan zitten, toen in dit
oude verhaal en nu precies zo voor ons.