13 Kort nadat zij op die manier de wijk
genomen hadden, verscheen er aan Jozef in een droom een engel van de Heer. Hij
zei: ‘Sta op en vlucht met het kind en zijn moeder naar Egypte. Blijf daar tot
ik je weer roep, want Herodes is naar het kind op zoek en wil het ombrengen.’
14 Jozef stond op en week nog diezelfde nacht met het kind
en zijn moeder uit naar Egypte. 15 Daar bleef hij tot de
dood van Herodes, en zo ging in vervulling wat bij monde van de profeet door de
Heer is gezegd: ‘Uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen.’
Over de kindertijd van Jezus
Over de jeugd van Jezus staat weinig in de Bijbel. Het joodse gezin woonde in
het dorp Nazareth in de provincie Galilea. De Bijbel verhaalt dat de jonge Jezus
naar joods gebruik op de achtste dag werd besneden en dat zijn ouders hem presenteerden in de
Tempel in Jeruzalem op
twaalfjarige leeftijd. "Allen nu die hem hoorden, waren verbaasd over zijn
verstand en zijn antwoorden." Verder is in het Evangelie naar Lucas te lezen
dat hij opgroeide, krachtig en wijs werd, en dat 'de genade Gods' op hem was.
Dezelfde evangelist vertelt dat hij ongeveer dertig jaar was toen hij met zijn
openbare optreden begonnen.
Over het verloop van de vlucht staat niets in de bijbel
Maar het verhaal
sprak sterk tot de verbeelding van de gelovigen. Er groeiden
verschillende legenden omheen, die op het ruitje terug te vinden zijn.
Zo zijn de kruipende hagedis en de vogel op de tak vertegenwoordigers
van het dierenrijk. Zij brachten de kleine koning hulde op zijn tocht
naar Egypte. Achter het reisgezelschap stort een beeld van zijn sokkel.
Dit is één van de vele heidense afgodsbeelden die
spontaan in stukken vielen toen de heilige familie langskwam. Het
verhaal van de vallende afgodsbeelden was erg geliefd. Het komt terug
in veel afbeeldingen van de Vlucht naar Egypte.
Vlucht naar Egypte – De kindermoord
Vlucht naar Egypte
Een engel had Jozef in een droom gewaarschuwd voor de moordzuchtige
Herodes, die erop uit was zijn pasgeboren zoon te doden. Het gezin
vlucht hierop naar Egypte. De Herodes die het hier betreft was Herodes
de Grote, die tot het jaar 4 v.C. koning der Joden was. Hij staat
bekend als een wreed heerser, die een hellenistische cultuur wilde
opleggen. Volgens Mattheüs 2:16 was hij ook de aanstichter van de
kindermoord te Bethlehem, die een gevolg zou zijn van de ontsnapping
van de Heilige Familie. Dat er een bijzonder kind was geboren had
Herodes vernomen van de drie wijzen uit het oosten.
Het verhaal van de vlucht naar Egypte staat beschreven in het evangelie
van Matteus. Na de geboorte van Christus kwam het koning Herodes ter
ore dat er een koning in zijn rijk ter wereld was gekomen. Omdat
Herodes zich bedreigd voelde, probeerde hij uit te vinden waar deze
nieuwe koning zich bevond. Toen dat niet lukte besloot hij alle
jongetjes onder de twee jaar te laten doden. Een engel verscheen aan
Jozef en waarschuwde hem voor het komende onheil. Jozef zette Maria en
de pasgeboren Jezus op een ezel en vluchtte met hen naar Egypte. Pas na
Herodes' dood keerde de heilige familie naar Israël terug en
vestigde zich in Nazareth, een stad in Galilea.
Matteüs 2 vers 16
Toen Herodes zag dat hij door de magiërs misleid was, werd hij
woedend. Hij liet in Betlehem en heel de omgeving alle jongetjes van
twee jaar en jonger ombrengen, overeenkomstig de tijd die hij van de
magiërs had gehoord. Toen werd vervuld wat bij monde van de
profeet Jeremia gezegd is:
In Rama werd een stem gehoord,
een hevig gejammer en geklaag.
Rachel jammert om haar kinderen,
en ze wil niet getroost worden,
want ze zijn er niet meer
Doorgedacht over Matt 2:13-15
Egypte ’t Is een mooi land. Heb je er wel eens bij
stil gestaan dat Jezus daar ook geweest is? Dat realiseren we ons wel
wanneer we naar Israël gaan. Daar ben je er voortdurend mee bezig:
hier heeft mijn Verlosser ook gelopen, op deze berg heeft Hij dus
gezeten, op dit meer gevaren en over het water gelopen.…
Maar waar zou Jezus Egypte geweest zijn? De Bijbel vertelt er weinig over.
In apocriefe
boeken staan wel fantastische verhalen over Jezus’ jeugdjaren in
Egypte. Ze roepen beelden op van wuivende palmtakken en vrolijke
spelletjes. Maar Gods Woord tekent ons de reis van Jezus naar Egypte en
zijn verblijf daar als het begin van een weg van vernedering en
verstoting.
Dat gedwongen
verblijf in Egypte was nodig, vertelt Matteüs, om het Bijbelwoord
in vervulling te laten gaan: “Uit Egypte heb ik mijn zoon
geroepen.”
Dat klinkt bij het eerste horen een beetje raar: Gods Zoon moet
speciaal náár Egypte zodat God zijn Zoon uít
Egypte kan roepen?
Hosea 11 er eens bij pakken
Want daar staat
dat woord uit Gods mond “Uit Egypte heb ik mijn zoon
geroepen”. Alleen: daar gaat het dan nog niet over
Christus, Gods hemelse Zoon. God heeft het daar over zijn vólk,
Israël. Dat Hij al liefhad als een eerstgeboren zoon toen ze nog
slaven waren in Egypte. Dat moest Mozes toch zeggen tegen Farao:
“Israël is mijn eerstegeboren zoon. Laat daarom mijn zoon
gaan…..” (Ex 4)
Aan die begintijd denkt God hier terug in Hosea 11. Toen Hij dit
slavenvolkje, maar voor Hem dierbaar als een oud-ste zoon, wegriep uit
Egypte en met Zich meenam de woestijn in, richting Kanaän. Met een
hart vol liefde. En met veel geduld. Zoals een vader z’n zoontje
de eerste stapjes leert lopen, zo hielp God zijn volk op weg in de
woestijn. Zoals een vader z’n ventje op de arm neemt, als het
niet meer lukt, zo droeg God zijn volk op de arm.
Wat kreeg de HEER ervoor terug?
Israël
ontpopte zich als een egoïstisch en dwars kind. Ondankbaar en
eigen-wijs ook: zo gauw ze dachten op eigen benen te kunnen staan,
rukten ze zich van Vaders hand los en trokken zich van Vaders raad en
waarschuwingen geen zier meer aan. En zo klinken die woorden in Hosea,
die Matteüs aan-haalt: “Uit Egypte heb ik mijn zoon
geroepen..” als een verdrietige klacht uit Gods mond. Een
aanklacht ook.
En daarom heeft God toen tenslotte een heel rigoureuze maatregel
moe-ten nemen: terug naar Egypte met dit dwarse en ongehoorzame kind!
Voor straf. Daar staat deze profetie van Hosea vol mee. Kijk ook maar
even vóór hoofdstuk 11: 8:13, 9:3. God trekt zijn handen
af van dit kind dat zich van God toch ook niets aantrekt. En de
uittocht uit Egypte wordt weer ongedaan gemaakt. Als Gods Zoon kiest
voor de slavernij aan de zonde, zal hij weer slaaf worden.
Dat is ook letterlijk gebeurd. Toen God zijn volk verdreef uit hun land
en Jeruzalem liet platbranden, zijn de Israëlieten niet alleen in
Assyrië en later in Babel terechtgekomen. Ook in Egypte. We weten
ttv Jezus geboorte grote kolonie Joden. Waarschijnlijk heeft
Jozef daar z’n dan ook z’n toevlucht gezocht.
Maar dan die wondere wending in Hosea 11 vanaf vs 8: God kan zijn volk
toch niet voorgoed kwijt! God belooft met zijn volk een nieuwe start te
maken. Hij zal zijn weggejaagde zoon terug naar huis halen. Weg weer
uit Egypte.
Nou kijk, en dáár is God nu hard mee aan het werk wanneer
Jozef en Maria met hun zoontje Jezus ook naar Egyp-te moeten. Het lijkt
alleen een vlucht. Gods Zoon, de grote Davids-zoon, is nauwelijks in de
wereld, of hij moet al meteen op de vlucht, nog voordat Hij goed en wel
zijn werk beginnen kan. Maar de Bijbel laat ons, met die verwijzing
naar Hosea 11, weten, dat we ons niet vergissen moeten. Het is niet zo
dat door deze vlucht naar Egypte er van Jezus verlossingswerk vooreerst
niets kan komen. Deze vlucht hóórt bij dat
verlossingswerk. Gods grote Zoon gaat delen in de ballingschap en
slavernij van dat volk dat God nog altijd lief-heeft als een
eerstgeboren zoon. Jezus gaat mee de straf dragen en z’n hoofd
buigen in de verdiende vernede-ring. Om zo voor Gods volk de weg terug
te banen, uit de zelf gekozen slavernij terug naar Vader. Om weer te
leven voor en met Hem. Straks in een hemels Kanaän.
Daarom moesten Jozef en Maria naar Egypte met hun Kind. Niet met de
magiërs mee naar het Oosten –dat had het meest voor de hand
gelegen toch?- maar naar het Zuidwesten, door de woestijn terug naar
Egypte. Om een nieuwe uittocht uit Egypte mogelijk te maken. En nu
voorgoed.
Jozef en Maria moeten vluchten
Naar Egypte nota bene
Egypte is in de
bijbel vaak het land van slavernij en dwang. Het kenmerk van
Israël is, dat het uit het slavenhuis uitgeleid is; en het kenmerk
van Israëls God is, dat Hij een bevrijdende God is, die dat
bewerkstelligde. Luister maar hoe die God zichzelf introduceert aan het
begin van de tien geboden: ‘ik ben de Heer jullie God, die jullie
uit Egypte, uit het slavenhuis, heb uitgeleid.’ Dat is zijn
‘handtekening.’
Wat moet je dan terug in Egypte
Ze moesten wel. Na
het afscheid van de drie wijzen uit het Oosten krijgt Jozef net als
zijn oudtestamentische naamgenoot een droom. Daarin hoort hij over de
dreiging van de kant van Herodes. Zoiets kennen we uit het verhaal van
de uittocht.
Egypte is niet alleen land van angst en dwang en slaverni,
Het is ook het
land dat de kinderen doodde. Het land waarin de vreemdelingenangst
zo’n vorm had aangenomen, dat de Farao systematisch alle
pasgeboren jongetjes van de Israëlieten liet vermoorden. Bang, dat
ze een vijfde colonne zouden vormen die de Egyptische identiteit en de
normen en waarden zou aantasten. Bang om overrompeld te worden door die
vreemdelingen met hun andere godsdienst en andere regels; en ze krijgen
nog zoveel kinderen óók... Angstwekkend bekend klinkt dat
ons in de oren.
Bange Farao en Herodes
Maar nu zegt de
joodse traditie daar nog iets meer over, dat niet in Exodus staat. De
farao was niet alleen bang voor ál die joodse kindertjes,
waarvan er zoveel geboren werden. Hij was speciaal bang voor
één joods jongetje. Want hem was voorspeld, door
sterrenwichelaars, dat er een redder en bevrijder van het joodse volk
geboren zou worden.
Dat doet sterk denken aan het verhaal van Matteüs over de wijzen
uit het oosten. Dat zijn ook sterrenwichelaars, en zij brengen Herodes
ervan op de hoogte dat er een bijzonder kind geboren is, een
Koningskind. Het lijkt erop, dat Matteüs dit oude Joodse verhaal
gekend heeft, en zijn verhaal over Jezus zó opschrijft dat het
zoveel mogelijk lijkt op het verhaal van Israël.
De nieuwe Mozes, de ware Israëliet
Voor Matteüs
is Jezus namelijk degene die het verhaal van Israël opnieuw
opneemt: de nieuwe Mozes, de ware Israëliet. Zelfs de titel
‘zoon van God’ haalt Matteüs niet uit gedachten uit de
filosofie, of uit een voorspelling over een maagd die zwanger wordt
door de Heilige Geest, maar uit het uittochtsverhaal.
Want daarin spreekt God over zijn volk als ‘mijn zoon’:
‘laat mijn zoon gaan!’ (Ex. 4,23). En de profeet Hosea, die
zijn volk zo vaak herinnert aan de uittocht uit Egypte, vat het hele
verhaal nog eens kernachtig in één zin samen, en laat God
zeggen: “uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen.” Israël
dus! Gods eigen volk kan ‘zijn zoon’ heten. Precies die
woorden haalt Matteüs hier nu aan: hij schuift Jezus als het ware
op die plek van Israël.
Vlucht naar Egypte en de kindermoord een ‘midrasj ?
Het zou goed
kunnen zijn, dat het hele verhaal van de vlucht naar Egypte en de
kindermoord een ‘midrasj’ is, zo’n verhaal waarin
één tekst uitgewerkt wordt tot een nieuw verhaal –
de Joodse traditie kent er vele. Het zo kunnen, dat Jezus en zijn
ouders alleen maar literair naar Egypte moesten vluchten, juist om
eruit weggeroepen te kunnen worden. Zodat de Messias dezelfde weg als
zijn volk kan gaan: ‘opdat vervuld zou worden, hetgeen vanwege de
Heer door de profeet gesproken is.’
Dat is geen wilde speculatie. Matteüs doet dat meer, hij tekent
heel die eerste levensfase van Jezus parallel aan de weg van
Israël: zijn doop dóór het water heen, denk aan de
Schelfzee; en dan de woestijn, veertig dagen van beproeving, zoals
Israël veertig jaar in de woestijn verbleef.
Het kan een verhaal zijn, maar anderzijds: de historische Herodes was
er niks te goed voor. Hij was werkelijk een tiran die zeer wel in staat
geweest zou zijn tot zo’n bloedbad. Waarom? Waarom roept een
redder en bevrijder zo’n reactie op. Waarom staat tegenover Mozes
een farao, tegenover Jezus een Herodes, waarom ontmoet elke redder een
anti-bevrijder?
De gezeten machtsfiguur tegenover de koning die moet vluchten
Matteüs wil
het ons bewust zó tekenen, in schrille kleuren. De gezeten
machtsfiguur tegenover de koning die moet vluchten. De gewelddoener,
die zelfs voor het doden van kinderen niet terugschrikt, tegenover de
zachtmoedige Messias, die straks zelf martelaar zal worden. Macht die
bedreigd wordt, wordt agressief. En daarbij maakt het niks uit, of het
om een maatschappelijk-politieke bevrijding gaat, zoals Mozes, of om
een zogenaamde ‘geestelijke’ verlossing zoals Jezus die
brengt: dat staat veel dichter bij elkaar dan je denkt.
Herodes is even bang voor een kleine Messias als de farao voor een kleine bevrijder
Dat zie je aan de
reactie van de machthebbers: Herodes is even bang voor een kleine
Messias als de farao voor een kleine bevrijder. Koningen zien alleen
maar hun eigen soort macht, en dus is iedereen die koning zou willen
zijn, een bedreiging. Herodes ziet álle koningschap, ook het
koningschap dat ‘niet van deze wereld’ is, zoals Jezus het
brengt, als een ernstige bedreiging. Dat heeft hij goed gezien. De
schurken in het evangelie zien de zaken vaak eerder en helderder dan de
anderen. Want wie zich aan dit koningschap overgeeft, wie onderdaan
wordt van deze koning, die staat anders in de wereld, die is niet
zomaar te manipuleren, die gehoorzaamt aan een andere Heer dan de
opperste mensenvorst.
Zo brengt Jezus, als kind al, aan het licht wat de machthebbers liever
verborgen houden: de dwingende en dodelijke logica van hun systeem. En
ook nu haalt Matteüs een profetentekst aan. Zo werden de woorden
van Jeremia vervuld: ‘Rachel weent over haar kinderen, omdat ze
er niet meer zijn’. Maar let op: nu staat er niet: ‘dit is
geschied, opdat vervuld zou worden...’. Je mocht eens denken, dat
God dit bewerkt had. Je mocht eens gaan denken, dat de kindermoord zo
bedoeld was en zo moest plaatsvinden, dat God het zo gewild heeft. Zo
is het niet. Werkelijkheid of verhaal: Herodes en niemand anders is
verantwoordelijk voor deze gruweldaad.
Voor mij is het
een verhaal, over Jezus en zijn koningschap. In dat verhaal heeft
Herodes het goed gezien, heel goed. Als Jezus’ koningschap
doorzet, dan kunnen alle mensen zoals hij wel inpakken, dan worden
laatsten eersten en zij die nú eersten zijn naar achteren
geplaatst. Dat kun je als machthebber niet riskeren. Je hebt eenvoudig
geen keus, toch? Natuurlijk wel. Een mens heeft altijd keuzes, hij mag
zich nooit laten bepalen door wat anderen doen, maar blijft altijd
aansprakelijk voor wat hij of zij zelf doet.
Gods toekomst zál komen
Een geschiedenis,
over Jezus en zijn koningschap. In dat verhaal heeft Herodes het goed
gezien, heel goed. Als Jezus’ koningschap doorzet, dan kunnen
alle mensen zoals hij wel inpakken, dan worden laatsten eersten en zij
die nú eersten zijn naar achteren geplaatst. Dat kun je als
machthebber niet riskeren. Je hebt eenvoudig geen keus, toch?
Natuurlijk wel. Een mens heeft altijd keuzes, hij mag zich nooit laten
bepalen door wat anderen doen, maar blijft altijd aansprakelijk voor
wat hij of zij zelf doet.
De zachtmoedige
weg van Jezus stelt de gewelddadigheid van Herodes aan de kaak.
Méér dan het ‘hard tegen hard’ van de
Zeloten, de gewapende opstandelingen, dat deed. Maar – haalt dat
allemaal wel wat uit? Wordt Jezus niet voor ‘ie het weet
onschadelijk gemaakt, ondergeschoffeld, weggewerkt? Hier ontsnapt hij
nog, maar later wordt ‘ie zonder pardon uit de weg geruimd. Hoe
moet dat nu? – We hebben drie dagen na kerst Pasen al hard nodig,
om te geloven dat het met Jezus toch doorgaat. Dat zijn weg het redt,
dat die ergens uitkomt.
De bijbelse verhalen zijn te waar om mooi te zijn, ze zijn zó
realistisch dat ze mooi en niet mooi, groots én gruwelijk, beide
omvatten. Maar tegelijk vertellen ze ons, dat dwars daar doorheen Gods
toekomst zál komen. Geen duizend farao’s, Herodessen of
wat voor machthebbers dan ook kunnen dat verhinderen. Ook dat is
Kerst.