| |
JEZUS IS WAARLIJK OPGESTAAN
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Terwijl zij
weende, boog zij voorover en zij zag twee
engelen
(Johannes 20: 1 -18)
1
Vroeg op de eerste dag van de week, toen het nog donker was, kwam Maria
uit Magdala bij het graf. Ze zag dat de steen van de opening van het
graf was weggehaald. 2 Ze liep snel terug naar Simon Petrus en de
andere leerling, van wie Jezus veel hield, en zei: ‘Ze hebben de
Heer uit het graf weggehaald en we weten niet waar ze hem nu neergelegd
hebben.’ 3 Petrus en de andere leerling gingen op weg naar het
graf. 4 Ze liepen beiden snel, maar de andere leerling rende vooruit,
sneller dan Petrus, en kwam als eerste bij het graf. 5 Hij boog zich
voorover en zag de linnen doeken liggen, maar hij ging niet naar
binnen. 6 Even later kwam Simon Petrus en hij ging het graf wel in. Ook
hij zag de linnen doeken, 7 en hij zag dat de doek die Jezus’
gezicht bedekt had niet bij de andere doeken lag, maar apart opgerold
op een andere plek. 8 Toen ging ook de andere leerling, die het eerst
bij het graf gekomen was, het graf in. Hij zag het en geloofde. 9 Want
ze hadden uit de Schrift nog niet begrepen dat hij uit de dood moest
opstaan. 10 De leerlingen gingen terug naar huis.
11 Maria stond nog bij het graf en huilde. Huilend boog ze zich naar
het graf, 12 en daar zag ze twee engelen in witte kleren zitten, een
bij het hoofdeind en een bij het voeteneind van de plek waar het
lichaam van Jezus had gelegen. 13 ‘Waarom huil je?’ vroegen
ze haar. Ze zei: ‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet
waar ze hem hebben neergelegd.’ 14 Na deze woorden keek ze om en
zag ze Jezus staan, maar ze wist niet dat het Jezus was. 15
‘Waarom huil je?’ vroeg Jezus. ‘Wie zoek je?’
Maria dacht dat het de tuinman was en zei: ‘Als u hem hebt
weggehaald, vertel me dan waar u hem hebt neergelegd, dan kan ik hem
meenemen.’ 16 Jezus zei tegen haar: ‘Maria!’ Ze
draaide zich om en zei: ‘Rabboeni!’ (Dat betekent
‘meester’.) 17 ‘Houd me niet vast,’ zei Jezus.
‘Ik ben nog niet opgestegen naar de Vader. Ga naar mijn broeders
en zusters en zeg tegen hen dat ik opstijg naar mijn Vader, die ook
jullie Vader is, naar mijn God, die ook jullie God is.’ 18 Maria
uit Magdala ging naar de leerlingen en zei tegen hen: ‘Ik heb de
Heer gezien!’ En ze vertelde alles wat hij tegen haar gezegd had.
Verschijningen
19 Op de avond van die eerste dag van de week waren de leerlingen bij
elkaar; ze hadden de deuren afgesloten, omdat ze bang waren voor de
Joden. Jezus kwam in hun midden staan en zei: ‘Ik wens jullie
vrede!’ 20 Na deze woorden toonde hij hun zijn handen en zijn
zijde. De leerlingen waren blij omdat ze de Heer zagen. 21 Nog eens zei
Jezus: ‘Ik wens jullie vrede! Zoals de Vader mij heeft
uitgezonden, zo zend ik jullie uit.’ 22 Na deze woorden blies hij
over hen heen en zei: ‘Ontvang de heilige Geest. 23 Als jullie
iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet,
dan zijn ze niet vergeven.’
24 Een van de twaalf, Tomas (dat betekent ‘tweeling’), was
er niet bij toen Jezus kwam. 25 Toen de andere leerlingen hem
vertelden: ‘Wij hebben de Heer gezien!’ zei hij:
‘Alleen als ik de wonden van de spijkers in zijn handen zie en
met mijn vingers kan voelen, en als ik mijn hand in zijn zij kan
leggen, zal ik het geloven.’ 26 Een week later waren de
leerlingen weer bij elkaar en Tomas was er nu ook bij. Terwijl de
deuren gesloten waren, kwam Jezus in hun midden staan. ‘Ik wens
jullie vrede!’ zei hij, 27 en daarna richtte hij zich tot Tomas:
‘Leg je vingers hier en kijk naar mijn handen, en leg je hand in
mijn zij. Wees niet langer ongelovig, maar geloof.’ 28 Tomas
antwoordde: ‘Mijn Heer, mijn God!’ 29 Jezus zei tegen hem:
‘Omdat je me gezien hebt, geloof je. Gelukkig zijn zij die niet
zien en toch geloven.’
30 Jezus heeft nog veel meer wondertekenen voor zijn leerlingen gedaan,
die niet in dit boek staan, 31 maar deze zijn opgeschreven opdat u
gelooft dat Jezus de messias is, de Zoon van God, en opdat u door te
geloven leeft door zijn naam.
Jezus is opgestaan uit de dood
De verrijzenis van Jezus is een omkeer van ongekend formaat. Het is een
gaan van dood naar leven, niet als biologisch gegeven of als
uitdrukking van onsterfelijkheid, maar als een opgewekt worden, een uit
de dood weggeroepen worden door de Stem van de Levende die zich
identificeert met een vermoorde rechtvaardige en Hem opwekt ten leven.
Het evangelie van Johannes heeft een eigen klank en kleur. Meer dan in
andere evangelieën horen we hier de stem van de gemeente en niet
zozeer de stem van Jezus zelf. Wat Johannes met de andere evangelisten
deelt is een discrete, sobere
en ingetogen manier van spreken over de opstanding.
Wij zingen vaak tijdens Pasen over het licht, maar het evangelie begint
in het donker. Dat donker staat voor het uur van de dag, het zeer
vroege uur, donker was het nog. En het staat symbool voor de
gemoedstoestand van de leerlingen die verslagen, gedesoriënteerd
en bang bij elkaar waren. Eén gaat naar en komt bij het graf,
Maria Magdalena. Dat gaan zet het verhaal in beweging. Zij ziet dat de
steen is weggehaald, loopt terug naar Simon de Rots en de andere
leerling en zegt dat het
lichaam is weggehaald en dat ze niet weten waar het is neergelegd. Dat
alles weet zij blijkbaar, ondanks dat zij alleen heeft gezien dat de
steen is weggehaald.
De leerlingen gaan ook naar het graf, op een merkwaardige manier wordt
verteld hoe, de geliefde leerling sneller dan Petrus, Petrus direct het
graf in, de ander doet dat later. Het is niet te gewaagd om te
veronderstellen dat hier op subtiele wijze iets
zichtbaar wordt van een zoeken naar een antwoord op de vraag wie het
primaat heeft; de Rots of de geliefde leerling. Daarmee verbonden de
vraag welke gemeente op het rechte spoor zit, die van Petrus of die van
Johannes. Er is voldoende reden om aan te nemen dat de verschillen
tussen die twee groot waren. Het lijkt er op alsof de ruimte die
geschapen wordt door de leegte van het graf wordt ingevuld met de vraag
wie over die ruimte de zeggingsmacht heeft. En eigenlijk ligt tot op
vandaag die vraag nog open.
Maria ziet en Simon ziet en de geliefde leerling ziet. Voor dat zien
worden door Johannes drie verschillende woorden gebruikt. Bij Maria is
het een ‘vluchtig zien’, bij Petrus is het
‘inspecteren’, bij Johannes is het ‘doorzien’.
Hij zag en geloofde
staat er dan ook. Maar dat geloof wordt niet ingevuld en direct daarop
wordt gezegd dat zij de Schrift nog niet kenden en begrepen. Om wat
voor geloof gaat het? Het blijft een ondoorzichtige waas. Hij geloofde,
maar hij begreep het ook niet. ‘Want zij hadden uit de Schrift
nog niet begrepen dat Hij uit de dood moest opstaan’. Er staat
niet: zij konden het diepe geheim van Pasen niet begrijpen, het gaat
niet om een filosofisch probleem. Er staat: Ze hadden de Schrift nog
niet goed begrepen. Om het wonder van Pasen te vatten, hebben we de
Schriften nodig. Dat geldt in elk geval die twee mannen bij het graf.
Leerlingen van Jezus. Leerling zijn betekent zoiets als zijn verhaal
gaande houden binnen de kring van zijn broeders en zusters. Dat nu is
precies wat deze leerlingen niet zijn, want bij al hun verschil in
gedrag geeft het einde van het fragment twee overeenkomsten tussen hen:
zij kenden de Schrift nog niet, en zij gingen weer weg, zij gingen tot
zichzelf.
Die leerlingen horen in het verhaal bij elkaar. En bij alles wat
gebeurt komt het niet tot een feitelijke invulling van het leerling
zijn, het getuige zijn. Zij melden niets, zij gaan heen ... tot
zichzelf ... tot hun eigen inzichten, teleurstellingen en verbazing,
hun religieuze gevoelens. Dat leidt tot niets, bij deze leerlingen loopt het verhaal van de Opgestane dood.
Dan wordt het licht weer op Maria Magdalena gericht. Ook haar hebben de
leerlingen niets te melden en ook zij blijft in eerste instantie bij
zichzelf en blijft overgeleverd aan haar eigen vooronderstellingen en
volhardt daarin. Zowel bij het aanschouwen van de engelen als bij het
aanschouwen van Jezus blijft het haar gaan om de vraag waar het lichaam
van Jezus is neergelegd. Dat een andere vraag aan de orde is komt niet
bij haar op, hoe meer zij tot zichzelf komt, hoe minder zij ziet en
verstaat en hoe hardnekkiger zij denkt te weten.
Het is niet voor niets dat de herkenning eerst komt als Maria bij haar
naam geroepen wordt en het is veelzeggend hoe er dan verteld wordt: als
haar naam geroepen wordt, dan keert zij zich om, draait zich dus van
Jezus weg en zegt met afgewend gelaat: Rabboeni, leermeester of
eigenlijk: onze leermeester.
Door deze omslachtige manier van vertellen kan Johannes benadrukken dat
het geloof allereerst uit het horen is en niet uit het zien en al
helemaal niet door het aanraken. Zo geeft hij aan dat de Opgestane aan
niemand anders toebehoort dan aan God zelf en dat wil zeggen dat er
binnen de kring van de leerlingen geldt dat er geen enkele toegang tot
Jezus van Nazareth is dan langs de weg van de Schrift. Met de woorden
‘leermeester' maakt Maria zichzelf tot leerling en wordt zij de
eerste leerling die de Opgestane ziet en dat leerling-zijn houdt zij
niet voor haarzelf, maar zij gaat tot degenen die zichzelf allang
leerling noemden en voelden, zij zijn het die door Maria, op nieuwe
wijze tot leerling gemaakt worden. Hoe zich dat verhoudt tot de strijd
tussen de rots en de geliefde leerling is een vraag op zichzelf, welke
gemeente of welk deel van de gemeente wordt vertegenwoordigd door Maria
Magdalena, wie mag zich als eerst in haar herkennen?
Het eerste dat zij tot de leerlingen zegt is: ‘Ik heb de Heer
gezien’, het gaat niet om het horen alleen. Eerst dan vertelt zij
alles wat hij tegen haar gezegd had. Zo roept Maria Magdalena op tot
geloof. Tot geloof in Jezus? Ja, maar het is nogal riskant
om het zo te formuleren. Want het geloof in Jezus kan leiden tot een
gevaarlijke versmalling en vernauwing van datgene waar Hij voor stond.
Beter lijkt het om te zeggen dat leerling zijn van Jezus allereerst
betekent dat we mogen delen in het geloof van hem, de traditie van
Israël zoals hij die verstaan en geleefd heeft in een vast
vertrouwen op het komen van het Rijk van God.
Dat kan alleen met ogen die geopend zijn door het horen en het verstaan
van het grote nieuws van Godswege dat de toekomst niet aan de dood,
maar aan het leven, of beter gezegd, aan de Levende toebehoort. Dat
brengt ons tot een zien met nieuwe ogen, tot een doorzien van de
werkelijkheid tot op de toekomst die rust in de handen van de Eeuwige.
De opwekking van Jezus is uniek, maar is in zichzelf niet de zaak waar
het om gaat, Hij is de eersteling van velen en in zijn opstanding
gebeurt aan één mens wat wereldwijd geschieden moet. In
dat vermoeden, in die hoop, in die verwachting is Jezus gevormd door de
traditie van onderricht en profeten. Heel de verwachting die daaruit
spreekt wordt bevestigd in hem, in zijn uur van verrijzenis, maar dan
keert ook heel die verwachting weer terug tot aan de uiteinden der
aarde. Zijn verrijzenis doet uitzien naar de verrijzenis van velen, de
gebeukten en gebukten voorop.
|
|
|