| |
JEZUS IN DE HOF VAN GETHSEMANE
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

Vader, als U
wilt, neem deze beker van Mij weg
(Lucas 22: 39-46)
39 Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De
leerlingen volgden hem. 40 Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen
hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’ 41 En hij
liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna
neer om te bidden. Hij bad: 42 ‘Vader, als u het wilt, neem dan
deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt
gebeuren.’ 43 Uit (22:43-44) In andere handschriften ontbreken
deze verzen.de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven. 44
Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel
in grote druppels als bloed op de grond. 45 Toen hij na zijn gebed
opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in
slaap waren gevallen, 46 en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen
jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’
Mattheüs 26:36-56
Toen ging Jezus met hen naar een plaats, genaamd Getsemane, en Hij
zeide tot de discipelen: Zet u hier neder, terwijl Ik heenga om daar te
bidden. En Hij nam Petrus en de twee zonen van Zebedeus mede en Hij
begon bedroefd en beangst te worden. Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel
is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt met Mij. En
Hij ging een weinig verder en Hij wierp Zich met het aangezicht ter
aarde en bad, zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, laat deze
beker Mij voorbijgaan; doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt.
En Hij kwam bij zijn discipelen en vond hen slapende, en Hij zeide tot
Petrus: Waart gijlieden zo weinig bij machte een uur met Mij te waken?
Waakt en bidt, dat gij niet in verzoeking komt; de geest is wel
gewillig, maar het vlees is zwak. Wederom, ten tweeden male, ging Hij
heen en bad, zeggende: Mijn Vader, indien deze beker niet kan
voorbijgaan, tenzij dan dat Ik die drinke, uw wil geschiede! En toen
Hij terugkwam, vond Hij hen slapende, want hun ogen waren bezwaard. En
Hij liet hen daar en ging wederom heen en bad ten derden male, opnieuw
dezelfde woorden sprekende. Toen kwam Hij bij de discipelen en zeide
tot hen: Slaapt nu maar en rust. Zie, de ure is nabijgekomen, en de
Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaren. Staat op,
laten wij gaan. Zie, die Mij overlevert, is nabij. En terwijl Hij nog
sprak, zie, daar was Judas, een van de twaalven, en met hem een grote
schare met zwaarden en stokken, gezonden vanwege de overpriesters en
oudsten des volks. En die Hem overleverde had hun een teken gegeven,
zeggende: Die ik zal kussen, die is het; grijpt Hem. En terstond trad
hij op Jezus toe en zeide: Wees gegroet, Rabbi, en hij kuste Hem. Maar
Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen traden zij
toe, sloegen de handen aan Jezus en grepen Hem. En zie, een van die bij
Jezus waren, strekte zijn hand uit, trok zijn zwaard en hij trof de
slaaf van de hogepriester en sloeg hem het oor af. Toen zeide Jezus tot
hem: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het
zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. Of meent gij, dat Ik
mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf
legioenen engelen terzijde stellen? Hoe zouden dan de Schriften in
vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden? Op dat
ogenblik sprak Jezus tot de scharen: Als tegen een rover zijt gij
uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen?
Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet
gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten
in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en
vluchtten.
En
Hij begon zeer ontsteld en beangst te worden, en Hij zeide tot hen:
Mijn ziel is zeer bedroefd, tot stervens toe; blijft hier en waakt. (Marcus 14:33,34)
Een angstaanjagende nacht
De man van smarten, wordt Hij wel genoemd. Als Hij het ergens is, dan
hier wel. De man van smarten, als we Hem ergens leren kennen, dan hier
wel. In deze nacht, op deze plaats, Gethsemane. We leren Hem kennen in
zijn menselijkheid. In droefheid en angst. Hij is geen halfgod, die
alles onbewogen over zich heen laat komen. Niet een onaantastbaar,
onwankelbaar figuur. In deze nacht is Hij bang, in doodsangst is Hij.
Alles wat menselijk aan Jezus was (en Hij wàs menselijk zoals
een mens maar mens kan zijn!) wordt door de duivel gebruikt om Jezus'
goddelijkheid te ontkrachten. Vooral de angst om -vooral geestelijk- te
lijden en daarna te sterven. Terwijl wij stervelingen geen zeker
toekomstbeeld kunnen hebben en hopen dat we op het laatst bij wijze van
spreken nog nèt ‘van de galg gered zullen worden', is dat
bij Jezus niet het geval. Zijn goddelijkheid hield in dat Hij uiterst
nauwkeurig met zekerheid wist dat wat Hem te wachten stond en wat voor
een lijden daar tot in detail mee gepaard zou gaan. Gegeven de macht te
bezitten om dat te weerstaan en te voorkomen, doet onze Heer echter dat
wat niemand van ons zou kunnen: Hij aanvaardt als volstrekt onschuldige
dit monsterachtige lijden in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid (alweer
zo'n geweldig voorbeeld: gehoorzaamheid!). Nog eenmaal zet de duivel
aan met al zijn kracht en het sterkste wapen: de verzoeking van de
angst. Maar tevergeefs.
De Heer ging in Gethsémane door een zeer diep dal, voor ons
onvoorstelbaar. Maar Hij leerde ons ook om te gaan met vrees: het
permanente gebed en de moedige daad. Bidden en doen. De angst in de
ogen zien, in geloof. Onze liefdevolle Vader in de hemel hielp de Here
Jezus in dit ‘moment suprème' van het lijden. Hij zond een
engel om kracht te geven. Engelen beschermen en engelen geven hulp en
versterking. En zij zijn er, ook om òns heen. (Psalm 91:11 -
Want Hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op
al uw wegen - ).
Maar niet alleen staan engelen er om ons heen om ons te beschermen.
Sterker nog: Jezus staat Zèlf naast ons. Lees maar in
Hebreeën2:18 - Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden
heeft, kan Hij hen, die verzocht worden, te hulp komen.
Wij weten, onze Heer heeft geleden tot het uiterste. Ook geleden in
verzoekingen zoals we in de Hebreeënbrief lezen, maar juist door
zijn offer (Híj stond wel alleen!), is die onnoemelijke druk van
de zwaarste verzoeking voor ons nu niet meer aan de orde. Immers, in de
eerste Korinthebrief 10:13 staat: Gij hebt geen bovenmenselijke
verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat
gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook
voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt. Laten we de
Heer daar ook maar eens voor danken. Dat Hijzelf naast ons staat. Dat
de Vader voorkomt dat we mateloos verzocht worden. Onze God geeft
troost en kracht in de verzoeking. En dat dus niet
alléén. Hij helpt ons eruit! De weg is het gebed
èn de angst in de ogen durven kijken. Ook dat leert ons
Gethsémane.
Dat neemt niet weg dat we dus ook dagelijks moeten bidden om niet zelf
in verzoeking te worden gebracht. En dat gaat beduidend verder dan
tegen slaperigheid, zoals de discipelen. We zien hier immers dat de
Heer ons in dit stukje tweemaal waarschuwt om te bidden om niet in
verzoeking te geraken. Het is dus kennelijk buitengewoon belangrijk.
Verzoeking is er altijd, in principe op ieder gebied. Doen we dat wel,
bidden dat we niet in verzoeking worden gebracht? Ik moet eerlijk
zeggen, dat is wel iets dat er bij mij nogal eens bij inschiet... We
vertrouwen maar op Gods beschermende hand, en terecht. Maar ook hier is
preventie een groot goed. Premies voor diverse verzekeringen voor
materieel welzijn betalen we grif. Maar dat wat ons geestelijk onheil
kan voorkomen, dàt nemen we onvoldoende serieus: bidden om
gevrijwaard te blijven van verzoekingen.
Drie angsten: de angst zijn leven kwijt te raken, de angst God kwijt te raken en de angst de mensen kwijt te raken.
Jezus doorleeft die angst, hij waakt en bidt en blijft. In de nacht van
de angst heeft Hij één woord op de lippen: Abba, Vader,
lieve God.
Hij weet: juist door de angst raken we kwijt.
Door de angst voor de dood raken we het leven kwijt, is het leven soms geen leven meer.
Door de angst God te verliezen, vergeten we te vertrouwen en verduisteren we zelf het zicht op God.
Door de angst de ander te verliezen klampen we ons vast aan de ander,
dwingen we de ander met ons te waken, en zo stoten we de ander van ons
af.
De diepste angst van Jezus is de angst voor de angst. Hij weet dat niet
het verlies van wat dan ook de grootste dreiging is, maar de angst, die
ons in de greep kan nemen. Die angst die alles ongedaan maakt wat van
belang is: de liefde, de vrijheid, het vertrouwen, het leven.
In de nacht van Gethsemane doorleeft Jezus de angst voor de angst en
Hij blijft zichzelf, Hij hervindt zichzelf. Hij hervindt zichzelf in en
door vertrouwen, lieve God, stamelt Hij, houdt me vast.
|
|
|