| |
JEZUS HELPT MARIA EN JOZEF
Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

JEZUS HELPT MARIA EN JOZEF
Lucas 2,41-52
41 En zijn ouders reisden elk jaar naar Jeruzalem, op het Paasfeest. 42
En toen Hij twaalf jaar was geworden en zij, zoals dit bij het feest
gebruikelijk was, optrokken, 43 en de feestdagen voleindigd hadden,
bleef het kind Jezus bij hun terugreis te Jeruzalem achter, en zijn
ouders bemerkten het niet. 44 Daar zij vermoedden, dat Hij bij het
reisgezelschap was, gingen zij één dagreis ver en zochten
Hem onder de verwanten en bekenden. 45 En toen zij Hem niet vonden,
keerden zij terug naar Jeruzalem, Hem zoekende. 46 En het geschiedde na
drie dagen, dat zij Hem vonden in de tempel, waar Hij zat te midden der
leraren, terwijl Hij naar hen hoorde en hun vragen stelde. 47 Allen nu,
die Hem hoorden, waren verbaasd over zijn verstand en zijn antwoorden.
48 En toen zij Hem zagen, stonden zij versteld en zijn moeder zeide tot
Hem: Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan? Zie, uw vader en ik
zoeken U met smart! 49 En Hij zeide tot hen: Waarom hebt gij naar Mij
gezocht? Wist gij niet, dat Ik bezig moet zijn met de dingen mijns
Vaders? 50 En zij begrepen het woord niet, dat Hij tot hen sprak. 51 En
Hij ging met hen terug en kwam te Nazaret en was hun onderdanig. En
zijn moeder bewaarde al deze woorden in haar hart.
52 En Jezus nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen.
Leven
van Jezus
De geboorte van Jezus
Ongeveer 2000 jaar geleden werd Jezus Christus geboren. Het klassieke
kerstverhaal laat ons zien hoe Jezus geboren werd in een stal. Geen
wieg was er voor Hem weggelegd, het enige dat gebruikt kon worden was
een voederbak.
De
jeugd van Jezus
Over de jeugdjaren van Jezus is niet
veel bekend. Eigenlijk spreekt de Bijbel nauwelijks over Hem tot Hij 30
jaar oud is. Het enige verhaal vertelt een gebeurtenis die Jezus
meemaakt op twaalfjarige leeftijd. Jezus vertrekt samen met Zijn Vader
en Moeder (Jozef en Maria) naar Jeruzalem om te offeren. Als Jozef en
Maria weer willen vertrekken kunnen ze Jezus niet vinden in de drukte.
Aangezien het druk is gaan ze ervan uit dat Jezus al voor hen uit is
gegaan richting hun woonplaats. Als het avond geworden is kunnen zij
Jezus niet vinden. Dan blijkt dat Jezus niet aanwezig is maar in
Jeruzalem achter is gebleven. Als zij terug gaan om te zoeken vinden
zij Jezus in de tempel. Hij sprak met de geestelijken in de tempel en
deze waren allen verbaasd over de wijsheid van Jezus. Toen Maria vroeg
aan Jezus waarom Hij zijn ouders zo bezorgd had gemaakt gaf Hij een
opmerkelijk antwoord. “Wisten jullie dan niet dat ik met de
dingen van Mijn Vader bezig moest zijn?” Later in het leven
van Jezus krijgen we te zien wat Hij daarmee bedoelde.
De beginjaren van Jezus' aardse leven
Het verslag over de beginjaren van Jezus’ aardse leven is zeer
beknopt. Hij werd geboren in Bethlehem in Judea, de geboortestad van
koning David, en werd nadat het gezin uit Egypte was teruggekeerd,
meegenomen naar Nazareth in Galilea — dit alles als een
vervulling van goddelijke profetieën (Mt 2:4-6, 14, 15, 19-23; Mi
5:2; Ho 11:1; Jes 11:1; Jer 23:5). Jezus’ pleegvader, Jozef, was
timmerman (Mt 13:55) en had het blijkbaar niet breed. (Vgl. Lu 2:22-24
met Le 12:8.) Bijgevolg heeft Jezus, die op de eerste dag van zijn
leven als mens in een stal sliep, zijn kinderjaren kennelijk in
tamelijk eenvoudige omstandigheden doorgebracht. Nazareth was
historisch niet van betekenis, hoewel het dicht bij twee belangrijke
handelswegen lag. Het is mogelijk dat veel joden op Nazareth neerkeken.
— Vgl. Jo 1:46
Over Jezus’ eerste levensjaren is niets anders bekend dan dat
’het jonge kind opgroeide en sterk werd, met wijsheid vervuld
werd en Gods gunst op hem bleef rusten’ (Lu 2:40). In de loop van
de tijd groeide het gezin, want Jozef en Maria kregen vier zonen en
enkele dochters (Mt 13:54-56). Maria’s ’eerstgeboren’
zoon (Lu 2:7) is dus niet als enig kind opgegroeid. Dit verklaart
ongetwijfeld hoe het mogelijk was dat zijn ouders op de terugweg uit
Jeruzalem pas na enige tijd merkten dat Jezus, hun oudste kind, zich
niet bij de groep bevond. Dit bezoek van Jezus (als twaalfjarige) aan
de tempel, waar hij een gesprek met de joodse leraren voerde en hen
versteld deed staan, is het enige voorval uit zijn jeugd dat wat
uitvoeriger is beschreven. Uit het antwoord dat Jezus zijn bezorgde
ouders gaf toen zij hem daar gevonden hadden, blijkt dat hij op de
hoogte was van de wonderbaarlijke aard van zijn geboorte en wist dat
hij de toekomstige Messias zou zijn (Lu 2:41-52). Het is redelijk om
aan te nemen dat zijn moeder en pleegvader hem de inlichtingen hadden
doorgegeven die zij hadden ontvangen via de bezoeken van engelen en
door middel van de profetieën die Simeon en Anna hadden geuit toen
Jozef en Maria veertig dagen na de geboorte van Jezus de eerste maal
naar Jeruzalem waren gereisd. — Mt 1:20-25; 2:13, 14, 19-21; Lu
1:26-38; 2:8-38.
Niets wijst erop dat Jezus gedurende zijn kinderjaren bovennatuurlijke
krachten bezat of gebruikte, zoals beweerd wordt in de fantasievolle
verhalen die in bepaalde apocriefe boeken, bijvoorbeeld in het
zogenoemde Thomasevangelie, staan opgetekend. Het veranderen van water
in wijn te Kana, hetgeen hij tijdens zijn bediening deed, was
„het begin van zijn tekenen” (Jo 2:1-11). Kennelijk heeft
Jezus ook toen hij nog thuis in Nazareth woonde, niet met zijn wijsheid
en superioriteit als volmaakt mens te koop gelopen, hetgeen wellicht op
te maken is uit het feit dat zijn halfbroers tijdens zijn bediening als
mens geen geloof in hem stelden, terwijl ook het merendeel van de
bevolking van Nazareth niet in hem geloofde. — Jo 7:1-5; Mr 6:1,
4-6.
Toch kenden de inwoners van Nazareth Jezus blijkbaar heel goed (Mt
13:54-56; Lu 4:22); zijn voortreffelijke eigenschappen en
persoonlijkheid moeten beslist opgemerkt zijn, althans door degenen die
rechtvaardigheid en goedheid wisten te waarderen. (Vgl. Mt 3:13, 14.)
Op de sabbat woonde hij geregeld de diensten in de synagoge bij. Hij
wist goed de weg in de Heilige Geschriften en kon daaruit voorlezen.
Hieruit blijkt dat hij een goede opleiding had ontvangen, maar hij
heeft geen rabbijnse scholen voor „hoger onderwijs”
bezocht. — Lu 4:16; Jo 7:14-16.
De beknoptheid van het verslag over Jezus’ jeugd is
waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat hij door Jehovah nog
niet als „de Christus” was gezalfd (Mt 16:16) en er nog
niet mee begonnen was zich te kwijten van de goddelijke toewijzing die
hem wachtte. Zijn kinderjaren en zijn volwassenwording waren evenals
zijn geboorte noodzakelijk maar evenwel van bijkomstig belang, middelen
tot een doel. Het was zoals Jezus later ten overstaan van de Romeinse
stadhouder Pilatus verklaarde: „Hiertoe ben ik geboren en hiertoe
ben ik in de wereld gekomen, om getuigenis af te leggen van de
waarheid.” — Jo 18:37.
Wat heeft Jesus gedaan tussen 1 en 27 jaar?
Het blijft gissen maar waarschijnlijk heeft
Jezus in die tijd het beroep van zijn vader, timmerman geleerd en
uitgeoefend. Het was in die tijd de gewoonte dat een jongen het vak van
zijn vader leerde. Jezus dus ook.
De
daden van Jezus
Toen Jezus hier op aarde rondliep dacht
het volk dat Jezus Israel zou bevrijden van de overheersing van de
Romeinen. Terwijl de mensen dit dachten deed Jezus niets in die
richting. Hij bond de strijd niet aan en pleegde zelf geen
voorbereiding voor een eventuele opstand. Jezus deed anderen dingen.
Hij genas blinden, doven, melaatsen, lammen en Hij wekte zelfs mensen
op uit de dood.
Jezus' ambts-uitoefening duurde maar drie jaar
Zijn doop. Pas toen Jezus zich liet dopen en de Heilige Geest op hem
werd uitgestort, werd hij werkelijk de Messias of Christus, Gods
Gezalfde (de engelen gebruikten deze titel bij de aankondiging van zijn
geboorte kennelijk in profetische zin, Lu 2:9-11; neem ook nota van vs.
25, 26). Zes maanden lang had Johannes ’de weg bereid’ voor
„Gods middel tot redding” (Lu 3:1-6). Jezus, die nu
„ongeveer dertig jaar” was, werd gedoopt ondanks de
aanvankelijke bezwaren die Johannes uitte omdat hij tot op dat tijdstip
uitsluitend berouwvolle zondaars had gedoopt (Mt 3:1, 6, 13-17; Lu
3:21-23). Jezus was echter zonder zonde; zijn doop getuigde dan ook van
het feit dat hij zich aanbood om zijn Vaders wil te doen. (Vgl. Heb
10:5-9.) Nadat Jezus ’uit het water opgekomen’ was, en
terwijl hij bad, „zag hij de hemelen vaneengaan”, en Gods
geest daalde in lichamelijke gedaante gelijk een duif op hem neer.
Bovendien werd Jehovah’s stem vanuit de hemel gehoord, die zei:
„Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; ik heb u goedgekeurd.”
— Mt 3:16, 17; Mr 1:9-11; Lu 3:21, 22.
Doordat Gods geest op Jezus werd uitgestort, werd zijn
verstand verlicht zodat veel punten hem duidelijk werden.
Jezus’ eigen uitspraken na die tijd, en vooral het innige gebed
tot zijn Vader in de paschanacht van 33 G.T., tonen aan dat hij zich
zijn voormenselijk bestaan en dat wat hij zijn Vader had horen zeggen
en hem had zien doen, alsook de heerlijkheid die hijzelf in de hemel
had gehad, kon herinneren (Jo 6:46; 7:28, 29; 8:26, 28, 38; 14:2;
17:5). Het is heel goed mogelijk dat deze dingen ten tijde van zijn
doop en zalving in zijn herinnering terugkwamen.
Door zijn zalving met Heilige Geest ontving Jezus de aanstelling en
machtiging voor zijn bediening als prediker en onderwijzer (Lu 4:16-21)
en ook voor zijn dienst als Gods Profeet (Han 3:22-26). Maar bovenal
werd hij daardoor aangesteld als Jehovah’s beloofde Koning, de
erfgenaam van de troon van David (Lu 1:32, 33, 69; Heb 1:8, 9), die een
eeuwig koninkrijk zou ontvangen. Om die reden kon hij later tot de
Farizeeën zeggen: „Het koninkrijk Gods is in uw
midden” (Lu 17:20, 21). Jezus werd eveneens gezalfd om als Gods
Hogepriester op te treden, niet als een nakomeling van Aäron, maar
naar de wijze van de koning-priester Melchizedek. — Heb 5:1,
4-10; 7:11-17.
Jezus was vanaf de tijd van zijn geboorte Gods Zoon, net zoals de
volmaakte Adam de „zoon van God” was (Lu 3:38; 1:35). De
engelen hadden hem vanaf zijn geboorte als Gods Zoon
geïdentificeerd. Toen dus na Jezus’ doop de stem van zijn
Vader weerklonk, die zei: „Gij zijt mijn Zoon, de geliefde; ik
heb u goedgekeurd” (Mr 1:11), was deze verklaring, die gedaan
werd toen Jezus met Gods heilige geest werd gezalfd, redelijkerwijs
meer dan louter een erkenning van Jezus’ identiteit. Uit alles
blijkt dat Jezus op dat moment door God werd verwekt of voortgebracht
als zijn geestelijke Zoon, dat hij als het ware
„wedergeboren” werd, met het recht opnieuw leven te
ontvangen als een geestenzoon van God in de hemel. — Vgl. Jo
3:3-6; 6:51; 10:17, 18;
De
boodschap van Jezus
Behalve veel wonderen sprak Jezus veel
tot het volk. Een van de onderwerpen die Hij vaak besprak was het
Koninkrijk van God. Dit Koninkrijk was geen aards koninkrijk met een
aardse koning, maar een koninkrijk van een heel andere orde. In dit
koninkrijk zijn niet de sterken belangrijk maar zijn de armen en de
nederigen de belangrijkste.
De
vijanden van Jezus
Vreemd genoeg kreeg Jezus tijdens Zijn
leven behoorlijk wat vijanden. Op het eerste gezicht zou je misschien
zeggen dat Hij het met de Romeinen aan de stok kreeg, maar dat gebeurde
eigenlijk niet. De grootste tegenstanders van Jezus kwamen uit Zijn
eigen volk. De mensen die de Bijbel (het Oude Testament) bestudeerde
geloofden niet dat Jezus de Verlosser was. Het grootste probleem vonden
zij dat Jezus van Zichzelf zei dat Hij God zelf was. Dit was is de ogen
van de Bijbelgeleerden (Schriftgeleerden, farizeeën en
sadduceeën) regelrechte godslastering. Het duurde niet lang
voor ze plannen beraamden om Jezus te doden…
De dood
van Jezus
Een van de meest indrukwekkende momenten
in het leven van Jezus is zijn kruisiging. Hoewel Jezus veel aanhangers
had en populair was bij het volk kwam er toch een einde aan Zijn leven.
Gedurende de jaren dat Jezus preekte en wonderen deed groeide de haat
bij de geestelijke leiders steeds sterker. In de Bijbel lezen we dan
ook dat ze op een gegeven moment besluiten om Jezus te doden. Alleen
moesten ze nu nog het goede moment afwachten. Met het Pascha werd Hij
overgeleverd aan de Romeinen waarna Hij gekruisigd werd. Door te
sterven als de Zoon van God nam Hij de straf van de zonden van de
wereld op Zich. Hij ging de strijd aan en heeft deze ook gewonnen. Het
kruis was niet het einde van Jezus’ leven. Er kwam een
vervolg. Hij stond na drie dagen weer op uit de dood. De overwinning
was behaald.
De
opstanding van Jezus
Hij had het al gezegd dat Hij het zou
doen. Opstaan uit de dood. Zijn discipelen hadden er zelfs geen
rekening mee gehouden. Ze herinnerde zich de woorden van Jezus pas toen
Zijn graf leeg was. Jezus overwon de dood door deze te verslaan. Hoewel
er aan Zijn opstanding getwijfeld wordt blijft overeind staan dat Hij
daadwerkelijk opstond uit de dood. Juist dit gegeven is het fundament
van het christelijke geloof.
De
toekomst met Jezus
Jezus bleef na Zijn opstanding uit de
dood niet op aarde. Na 40 dagen ging Hij terug naar Zijn Vader in de
hemel. Na tien dagen kwam de Heilige Geest als Trooster. Op deze manier
kan God in mensen wonen. Jezus blijft overigens niet weg. Op een tijd,
die alleen de Vader kent, komt Hij terug om voor eeuwig bij Zijn
volgelingen te zijn. Dan zal er altijd vrede zijn.
|
|
|