Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

En Hij nam het brood, sprak de zegen uit en reikte
het
hen toe' (Lucas 24: 13 -35)
13 Diezelfde dag gingen twee
van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en
zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. 14 Ze spraken met elkaar
over alles wat er was voorgevallen. 15 Terwijl ze zo met elkaar in
gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, 16
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden. 17 Hij
vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’
Daarop bleven ze somber gestemd staan. 18 Een van hen, die Kleopas
heette, antwoordde: ‘Bent u dan de enige vreemdeling in
Jeruzalem die niet weet wat daar deze dagen gebeurd is?’ 19
Jezus vroeg hun: ‘Wat dan?’ Ze antwoordden:
‘Wat er gebeurd is met Jezus uit Nazaret, een machtig profeet
in woord en daad in de ogen van God en van het hele volk. 20 Onze
hogepriesters en leiders hebben hem ter dood laten veroordelen en laten
kruisigen. 21 Wij leefden in de hoop dat hij degene was die
Israël zou bevrijden, maar inmiddels is het de derde dag sinds
dit alles gebeurd is. 22 Bovendien hebben enkele vrouwen uit ons midden
ons in verwarring gebracht. Toen ze vanmorgen vroeg naar het graf
gingen, 23 vonden ze zijn lichaam daar niet en ze kwamen zeggen dat er
engelen aan hen waren verschenen. De engelen zeiden dat hij leeft. 24
Een paar van ons zijn toen ook naar het graf gegaan en troffen het aan
zoals de vrouwen hadden gezegd, maar Jezus zagen ze niet.’ 25
Toen zei hij tegen hen: ‘Hebt u dan zo weinig verstand en
bent u zo traag van begrip dat u niet gelooft in alles wat de profeten
gezegd hebben? 26 Moest de messias al dat lijden niet ondergaan om zijn
glorie binnen te gaan?’ 27 Daarna verklaarde hij hun wat er
in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon bij Mozes en
de Profeten.
28 Ze naderden het dorp waarheen ze op weg waren. Jezus deed alsof hij
verder wilde reizen. 29 Maar ze drongen er sterk bij hem op aan om dat
niet te doen en zeiden: ‘Blijf bij ons, want het is bijna
avond en de dag loopt ten einde.’ Hij ging mee het dorp in en
bleef bij hen. 30 Toen hij met hen aan tafel aanlag, nam hij het brood,
sprak het zegengebed uit, brak het en gaf het hun. 31 Nu werden hun
ogen geopend en herkenden ze hem. Maar hij werd onttrokken aan hun
blik. 32 Daarop zeiden ze tegen elkaar: ‘Brandde ons hart
niet toen hij onderweg met ons sprak en de Schriften voor ons
ontsloot?’ 33 Ze stonden op en gingen meteen terug naar
Jeruzalem, waar ze de elf en de anderen aantroffen, 34 die tegen hen
zeiden: ‘De Heer is werkelijk uit de dood opgewekt en hij is
aan Simon verschenen!’ 35 De twee leerlingen vertelden wat er
onderweg gebeurd was en hoe hij zich aan hen kenbaar had gemaakt door
het breken van het brood.
De Emmaüsgangers I
Die twee uit het evangelie hebben er de brui aan gegeven, rechtsomkeer
gemaakt, letterlijk en figuurlijk. Ze hebben Jeruzalem, waar hun
idealen aan het kruis werden geslagen, de rug toegekeerd. Ook voor hen
hoefde het allemaal niet meer.
Maar toch blijft alles door hun hoofd spoken. Aan een onbekende die
toevallig ook de richting van hun geboortedorp uit moest, vertellen ze
wat er ginds in de voorbije dagen is gebeurd. Een verhaal in de
voltooid verleden tijd. De tijd van toen, van de Profeet, van
enthousiasme, maar ook van de grote mislukking.
Er was nog even wat opschudding geweest, toen een paar vrouwen kwamen
leuteren over een verschijning van engelen of zo iets. Je weet hoe
vrouwen zijn: veel fantasie en weinig gezond verstand. Dood is dood.
Het graf is het einde. Amen en uit. Afgelopen.
Maar het was wel een mooie tijd. Wij voelden ons gelukkig, toen...
En dan valt het gesprek stil. Zwijgend, mijmerend lopen ze verder. Ze
worden een beetje week van binnen. Hun ogen zijn vochtig, ze zien alles
een beetje troebel. "Hun ogen waren niet bij machte Hem te herkennen",
staat er. Wie zo ontmoedigd is, ziet niet meer wat er te zien is. Die
is te zeer in zichzelf gekeerd, vol van al wat er door het hoofd woelt.
Piekeren en nadenken gaan niet samen.
Dan verbreekt de vreemdeling de stilte, op de manier van een goede
vriend: "Denk nu eens even na. Wat jullie daarnet vertelden, dat
móést toch gebeuren. Sla er de Schrift op na; herinner je
wat die Jezus destijds zelf heeft gezegd: Hij heeft altijd beweerd dat
zijn boodschap van heil iets was dat pas doorheen lijden en dood tot
volle ontplooiing kon komen. Dát was de donkere tunnel waar Hij
doorheen moest om het land van hoop en verlossing te bereiken, het land
van zijn Vader. Die ook onze Vader is".
En zo gaat die vreemdeling nog even door. De ex-leerlingen beginnen de
wenkbrauwen te fronsen ("Was het niet hartverwarmend zoals Hij onderweg
met ons sprak en de Schriften voor ons opende?"). Die woorden roepen
herinneringen op. Dat is geen vrouwenkletspraat, maar serieuze taal. De
taal van Jezus destijds.
Destijds?
Ze hadden achter alles een dik punt gezet toen ze besloten naar
Emmaüs terug te keren. Maar tegen de tijd dat ze daar aankwamen,
was dat punt een komma geworden: "Zeg man, loop niet door. Blijf hier
slapen. Eerst een stukje eten; en dan nog wat verder praten bij een
goeie borrel". Bij een komma is de zin niet ten einde. Ze willen meer
horen; die man heeft iets te vertellen.
Emmaüs was het einddoel van hun tocht, terug naar hun
geboortegrond, terug naar familie en vrienden, hun beroep weer opnemen,
opnieuw het oude vertrouwde leven binnenstappen. Maar het liep anders
dan zij zich voorgenomen hadden. Emmaüs werd geen eindpunt maar
een keerpunt. Zij maakten opnieuw rechtsomkeer: ditmaal keerden zij
Emmaüs de rug toe. Opnieuw het gezicht naar Jeruzalem, opnieuw
aanknopen bij de tijd van vóór de dood van Jezus, de tijd
van vóór hun eigen dood als leerlingen.
Wij zijn hier getuige van een bekering. En niet toevallig is die te situeren aan de tafel van de Heer.
Aan tafel zitten met de Heer is in het evangelie altijd een belangrijk
gebeuren. Denk aan het bruiloftsmaal in Kana; aan het feest voor de
teruggekeerde verloren zoon; Jezus die aan tafel ging met tollenaars,
farizeeën en zondaars; denk aan de broodvermenigvuldiging; aan het
laatste Avondmaal.
Aan tafel laat de Heer zich kennen zoals Hij is.
Toen, tijdens zijn leven; hier in Emmaüs opnieuw: "Eenmaal met hen
aan tafel nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het
hun". En de Emmaüsgangers herkenden Hem aan het breken van het
brood.
Ook wij zijn Emmaüsgangers. Ontgoocheld geraken ook wij wel eens
het spoor bijster. Ook voor ons opent Jezus de Schriften; ook
óns roept Hij op tot geloof dat boven wanhoop en defaitisme
uitstijgt.
Midden onder u staat Hij die gij niet kent. Midden onder ons breekt Hij
het brood. Hij wil dat ook wij ons brood, ons leven, zouden delen voor
elkaar.
Doe dit om Mij te gedenken.
Herinnering aan Jezus' maaltijd vóódat Hij werd verraden en gekruisigd
Matteüs, 26, 26-30
"Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf
het aan zijn leerlingen met de woorden: 'Neemt, eet; dit is mijn
Lichaam.' Daarna nam Hij de beker en na het spreken van het dankgebed
reikte Hij hun die toe met de woorden: 'Drinkt allen hieruit. Want dit
is mijn Bloed van het Verbond, dat voor velen vergoten wordt tot
vergeving van zonden. Maar ik zeg u: van nu af zal Ik niet meer drinken
van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het met u,
nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van mijn Vader.' Nadat zij de
lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg."
Marcus, 14, 22-26
"Onder de maaltijd nam Jezus brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf
het hun met de woorden: 'Neemt, dit is mijn Lichaam.' Daarna nam Hij de
beker en na het spreken van het dankgebed reikte Hij hun die toe en zij
dronken allen daaruit. En Hij sprak tot hen: 'Dit is mijn Bloed van het
Verbond, dat vergoten wordt voor velen. Voorwaar ik zeg u: Ik zal niet
meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik
het, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van God.' Nadat zij de
lofzang gezongen hadden, gingen zij naar de Olijfberg."
Lucas, 22, 15-20
"Hij sprak nu tot hen: 'Vurig heb ik verlangd, eer ik ga lijden, dit
paasmaal met u te eten. Want ik zeg U; ik zal het niet meer eten,
totdat het zijn vervulling vindt in het Rijk Gods.' Daarop nam Hij een
beker, sprak een dankgebed uit en zei: 'Neemt die beker en deelt hem
samen. Want ik zeg u: van dit ogenblik af drink ik niet meer van wat de
wijnstok voortbrengt, totdat het Rijk Gods is gekomen.' Daarop nam Hij
het brood, sprak een dankgebed uit, brak het en gaf het hun met de
woorden: 'Dit is mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot
een gedachtenis aan Mij.' Evenzo gaf Hij de beker, na de maaltijd,
terwijl Hij sprak: 'Deze beker is het Nieuwe Verbond in mijn Bloed, dat
voor u wordt vergoten. (�)' "
De Emmaüsgangers II
Twee mannen spraken met elkaar
De twee mannen spraken met elkaar over alles wat was voorgevallen.
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden.
Dat zijn drie verschillende omschrijvingen van praten. Ze besteedden er
veel woorden aan. Ze komen er maar niet uit. Zij keren de feiten om en
om, maar komen geen stap verder, want ze laten zich leiden door een
vooroordeel: een Jezus zonder lijden. Het lijden dat van Jezus "moet",
mag van hen juist niet.
Zelf ben ik ook altijd in gesprek, ook als ik alleen ben. In mijn
gedachten voer ik - vaak onbewust - gesprekken met medemensen: me
verdedigend, me waarmakend, me schamend, me boven hen verheffend, op
zoek naar geborgenheid en bevestiging, hen oordelend of veroordelend.
Ook ik heb er het druk mee, wanneer ik me daarbij door het
onchristelijke vooroordeel laat leiden, dat het lijden niet mag.
Zwakheid mag niet. Je mag nooit verliezen. Als ik dat vooroordeel eens
zou opgeven, wat zou er dan een stilte zijn in mijn hart.
Jezus kwam zelf op hen toe
Terwijl zij zo aan het praten waren en van gedachten wisselden, kwam
Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee. Maar hun ogen werden
verhinderd Hem te herkennen.
Niet vanwege een vermomming herkennen ze Jezus niet, maar omdat hun
hart versluierd is: "En als er nog een sluier ligt over de boodschap
die wij verkondigen, dan alleen voor...de ongelovigen, wier geest door
de god van deze wereld zozeer is verblind, dat zij de glans niet
ontwaren van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, die het
beeld is van God" (2 Kor 4,3-4). Niemand kan de sluier van onze geest
wegnemen tenzij God. De zin van het lijden zien, kan alleen in geloof.
En geloof is een verlichting van ons hart van Godswege. Zonder geloof
herkennen wij Jezus niet, zien we niets in Jezus. Maar we hebben God
nodig om te kunnen geloven. Zo zitten de leerlingen en wij opgesloten
in een vicieuze cirkel die alleen dank zij Gods kracht kan worden
doorbroken. Als het gebed van een inwendige monoloog overgaat naar een
dialoog en God zelf zich meldt, dan is dat een waarachtig Godswonder.
Dat kun je niet eisen. Maar je mag je er wel vol vertrouwen voor open
stellen.
Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?
Hij vroeg hun: "Wat is dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?" Met een bedrukt gezicht bleven ze staan.
De onvrede stond op hun gezicht te lezen: "een bedrukt gezicht". Dat is
een steeds terugkerend gegeven: wanneer wij met elkaar hebben gesproken
in een geest die niet van Jezus was, dan laat ons dat ergens
onbevredigd en dan staat de onvrede ook ons op het gezicht te lezen.
Dus als ik Hem niet zie en niets in Hem zie, zodat mijn ogen
"verhinderd" worden Hem te herkennen, dan zie ik er zo vredeloos uit en
als ik er zo vredeloos uit zie, dan is het niet mogelijk Hem te zien.
Hoe kwam het, dat die twee leerlingen Hem niet konden herkennen? Wat
voor beeld hadden zij dan van Jezus, dat zij Hem niet herkenden?
Voorwaar, Ik zeg u: Geen profeet wordt aanvaard in eigen vaderstad
Dat met Jezus de Nazarener, een man die profeet was, machtig in daad en
woord in het oog van God en van heel het volk; hoe onze hogepriesters
en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter dood te laten
veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij
leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging
verlossen!
Wat is er verkeerd aan hun Jezusbeeld? Was Jezus dan geen profeet: "een
man die profeet was." Zeker wel: "Een groot profeet is onder ons
opgestaan" (Lc 7,16). Dat zegt het volk over Jezus. Maar als Jezus zelf
zich de profetentitel aanmeet, dan is dat om er het oneervolle van te
benadrukken: "Voorwaar, Ik zeg u: Geen profeet wordt aanvaard in eigen
vaderstad" (Lc 11,47); "Vandaag, morgen en overmorgen moet Ik
voorttrekken, want het past niet, dat een profeet buiten Jeruzalem
omkomt. Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt en stenigt die tot
u zijn gezonden!" (Lc 13,33-34); "Wie van de profeten zijn door uw
vaderen niet vervolgd?" (Hand 7,52). De profeten verkondigen heil en
onheil. Of beter gezegd: in het onheil steekt het heil. Het geluk dat
zij verkondigen, zit achter en in het ongeluk. De weg naar het beloofde
land loopt door de woestijn. Maar dat was het Godsbeeld van de
Emmaüsgangers niet. Dat was heel ongenuanceerd: "machtig in daad
en woord, in het oog van God én van heel het volk." Maar toen de
onmacht kwam: overgeleverd, ter dood veroordeeld, aan het kruis
geslagen, drie dagen in het graf, toen sloeg hun stemming om: van
gelukzaligheid naar onbehagen.
De afwijzing van het kruis is de diepste reden van alle onvrede. Wil ik
in Jezus en in zijn kerk vooral macht zien, de macht van het getal, van
de eenheid, de grote instellingen?
Hoe selectief ben ik in mijn kijk op Hem en op zijn kerk? Mag de kerk er van mij ook zijn in de ontluisterde gestalte van nu?
O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het geloof
Nu sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in
het geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias
dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan? Beginnend met
Mozes verklaarde Hij hun uit al de profeten wat in al de Schriften op
Hem betrekking had.
Nu moeten de twee leerlingen gaan luisteren. Dat is de tweede stap in
elke ontmoeting met God. De eerste stap: spreken, maar dan wel
zó spreken, dat je je ervan bewust bent dat Hij luistert. Daarom
is het nodig pauzes te leggen in je gebed om te kunnen merken of Hij
iets terugzegt. Maar op het moment van de genade neemt Jezus het
initiatief over en is Hij alleen aan het woord; het bidden gaat als
vanzelf, moeiteloos. Je hoeft maar te luisteren. Alles komt in een heel
ander licht te staan. Je kijkt door de donkere buitenkant van je leven
heen naar de lichtende binnenkant. En ook de heilige Schrift gaat je
veel meer zeggen. Ineens beginnen de psalmen te spreken. Het lijkt wel
of bepaalde zinnen speciaal voor jou zijn bedoeld. Dan neemt Jezus
opnieuw het woord zoals destijds bij zijn twee leerlingen op de weg
naar Emmaüs: het duistere lijden wordt de bevrijdende poort naar
de glorie van Jezus. En je raakt ervan overtuigd, dat datgene wat nu
juist helemaal niet moest, in een andere hogere zin juist wél
moest. Een heilig moeten. Passend in een hoger plan van liefde. Op zulk
een moment roep je dan samen met de Emmaüsgangers uit:
"Brandde ons hart niet in ons, zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?
" In zulke momenten worden wij in de brand van Gods liefde getrokken.
Nu al, nu wij nog onderweg zijn naar Hem toe. Want Jezus loopt zelf met
ons mee op onze levensweg en geeft ons zijn heilige Geest. Door het
inwendige getuigenis van de heilige Geest lezen wij in het uitwendige
getuigenis van de heilige Schrift ons eigen leven volgens het door God
bedoelde plan, zodat wij er van harte ja op kunnen zeggen. Met een
brandend hart. Kan ik me zulke momenten herinneren? Twee van zulke
momenten zouden al voldoende zijn om er zeker van te zijn, dat Jezus
altijd met me meeloopt. Want de lijn die de ene brandende Godservaring
met de andere verbindt, is de lijn van Jezus' onzichtbare, maar
blijvende gezelschap op mijn aardse levensweg. Zo kan ik mijn geloof
vernieuwen in Jezus' belofte: "Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de
voleinding der wereld" (Mt 28,20).
Intussen is het verlangen naar zijn blijvende aanwezigheid in hun hart
gelegd. Nog vóórdat zij de genade van Jezus' blijvende
gezelschap gaan ontvangen, ontvangen zij eerst het verlangen naar die
genade:
Blijf bij ons, want het wordt al avond en de dag loopt ten einde
Zo kwamen ze bij het dorp waar ze heen gingen, maar Hij deed alsof Hij
verder moest gaan. Zij drongen bij Hem aan: "Blijf bij ons, want het
wordt al avond en de dag loopt ten einde." Toen ging Hij binnen om bij
hen te blijven.
Nog onbewust van de diepere reikwijdte van hun vraag, vragen zij Jezus
om bij hen te blijven. De woorddienst van zijn verklarend
Schriftonderricht doet hen - onbewust - verlangen naar
méér, naar wat zal blijken een sacramentele
tegenwoordigheid te zijn. Zo gaat het in elke eucharistie tot op de dag
van vandaag: de woorddienst maakt ons open voor de dienst van het
offer, in de gestalte van het sacrament. Woord én gebaar zal hen
bij het geheim van zijn persoon brengen.
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood
Terwijl Hij met hen aanlag nam Hij brood, sprak de zegen uit, brak het
en reikte het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem,
maar Hij verdween uit hun gezicht.
Het zijn de gebaren die Jezus maakte bij de wonderbare
broodvermenigvuldiging en bij het laatste avondmaal: hetzelfde "nemen"
van het brood (Lc 9,16; 22,19), hetzelfde "zegenen" (Lc 9,16; 22,19),
hetzelfde "breken" (Lc 9,16; 22,19). Die woorden over het lijden van de
Messias dat "moet", worden door Jezus met zijn gebaar van broodbreken
in een onmiddellijk verband gebracht met zijn levensoffer: "Dit is mijn
Lichaam dat voor u gegeven wordt" (Lc 22,19). Wat zijn woorden over de
lijdende Messias eerst hadden gezegd, dat wordt door Jezus met zijn
gebaar persoonlijk tegenwoordig gesteld. Daaraan herkenden zij Hem. De
smadelijke kruisdood, die eerst voor hen een belemmering was om Jezus
te herkennen, werd nu voor hen juist het signalement. Het is zoveel als
de proef op de som of zij zijn onderricht over de lijdende Messias
werkelijk begrepen hadden. Hadden zij die woorden niet begrepen, dan
hadden zij Jezus niet herkend aan het breken van het brood, zoals zij
Jezus aan het kruis niet konden herkennen als de Messias, omdat zij het
onderricht over het lijden "niet begrepen": "die woorden bleven voor
hen omsluierd, zodat zij het niet konden vatten" (Lc 9,45; 18,34).
Jezus verdween dus wel uit hun gezicht als lichamelijk waarneembare
gestalte, maar Hij bleef bij hen in een sacramentele tegenwoordigheid,
dat is op aards-hemelse wijze. Een leven én dood omspannende
tegenwoordigheid, een tegenwoordigheid vanachter de dood met een
levenskracht die mensen over de dode punten heen zal helpen. Zoals de
Emmaüsleerlingen nu aan den lijve ondervonden:
Ze stonden onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug
Daar vonden ze de elf met de mensen van hun groep bijeen. Dezen
verklaarden: De Heer is werkelijk verrezen, Hij is aan Simon
verschenen.