Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats
van
schoolplaten.
Wil
je een overzicht van alle platen? Klik HIER

In den beginne schiep God
hemel en aarde Genesis 1
[1] 1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. (1:1-3) In het begin schiep God de hemel en de aarde
[...] God zei
– Ook mogelijk is de vertaling: ‘In het begin toen God de
hemel en de aarde schiep [...] zei God’. 2 De aarde was nog woest
en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde
over het water. (1:2) Gods geest zweefde over het water
– Gods geest, of: ‘Gods adem’. Ook mogelijk is de vertaling: ‘een hevige wind joeg het water op’.
3 God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht. 4 God
zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de
duisternis; 5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht.
Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag.
6 God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de
watermassa’s van elkaar scheidt.’ 7 En zo gebeurde het. God
maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water
erboven. 8 Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd
morgen. De tweede dag.
9 God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één
plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.’ En zo gebeurde
het. 10 Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde
hij zee. En God zag dat het goed was.
11 God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen:
zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad
erin.’ En zo gebeurde het. 12 De aarde bracht jong groen voort:
allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen
met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het
werd morgen. De derde dag.
14 God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de
dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de
dagen en de jaren, 15 en ze moeten dienen als lampen aan het
hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het.
16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te
heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.
17 Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde,
18 om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden
van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en
het werd morgen. De vierde dag.
20 God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven
de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.’ 21 En
hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan
het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God
zag dat het goed was. 22 God zegende ze met de woorden: ‘Wees
vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de
vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.’ 23 Het werd avond
en het werd morgen. De vijfde dag.
24 God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen:
vee, kruipende dieren en wilde dieren.’ En zo gebeurde het. 25
God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles
wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was.
26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die
op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee
en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over
alles wat daarop rondkruipt.’ 27 God schiep de mens als zijn
evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en
vrouwelijk schiep hij de mensen. 28 Hij zegende hen en zei tegen hen:
‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar
onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de
hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.’ 29 Ook
zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en
alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30 Aan de
dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de
levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten
tot voedsel.’ En zo gebeurde het. 31 God keek naar alles wat hij
had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd
morgen. De zesde dag.
[2] 1 Zo werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom voltooid. 2 Op
de zevende dag had God zijn werk voltooid, op die dag rustte hij van
het werk dat hij gedaan had. 3 God zegende de zevende dag en verklaarde
die heilig, want op die dag rustte hij van heel zijn scheppingswerk.
4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.
Aspecten van de schepping
(1) De schepping is het
werk van de drie-enige God. Van de werken van God naar buiten toe
(opera ad extra) is de schepping de eerste. Het scheppingswerk wordt in
oeconomische zin aan de Vader toegeschreven, maar de andere Personen
staan daar niet buiten. Is Christus de Scheppingsmiddelaar? Ja, mits
het niet dualistisch ingekleurd wordt. Volgens Bavinck heeft God bij de
schepping op de herschepping gerekend. Daarom is Christus zowel
Middelaar der herschepping als Middelaar van de schepping. Hij heeft
niet alleen een soteriologische, maar ook een kosmologische betekenis.
Inderdaad is alles geworden door (dia) Christus, maar dit is een
bewerken en niet zozeer een bemiddelen. Er is dus geen reden om in het
deelnemen van de Zoon aan het scheppingswerk een analogie van het
nieuwtestamentische middelaarschap te zien. Om de kosmische betekenis
die het werk van Christus heeft behoeft niet verondersteld te worden
dat Hij in de schepping al Middelaar was.
(2)
God heeft de schepping gewild. In Gen. 1 zien we Gods gebiedend
spreken. Er ligt een plan van God aan ten grondslag. Hij had de
schepping niet nodig. Er is dus geen noodzaak voor God, want dat zou
afbreuk doen aan Gods onafhankelijkheid. Maar het is ook niet een
zelfbeperking van God. Brunner leerde de zelfstandigheid van de
schepping en zegt dat God Zichzelf beperkte. Met de schepping van de
wereld begint reeds de kenosis (ontlediging). Berkhof ziet scheppen als
het neerbuigen van God. God staat macht af. Moltmann ziet in de
schepping ook zelfbeperking en vernedering. Zijn scheppende liefde is
namelijk altijd liefde die lijdt. Wij belijden dat God uit Zichzelf
bestaat (a se). Dit is de onafhankelijkheid van God (independentia Dei).
(3)
God heeft alles uit niets geschapen. Zo staat het niet letterlijk in de
Bijbel. In 2 Makkabeeën 7:28 staat dit wel. Het is een misverstand
te denken dat ‘niets’ opgevat moet worden als het
‘niet-zijnde’. Uit niets wil zeggen dat er ook niets aan
voorafging (ex nihilo is tegelijk post nihilum). In Gen. 1:2 is sprake
van woestheid en leegte (tohoe wabohoe). Dit ziet niet op een chaos.
Wel is het zo dat de aarde nog niet de geordende vorm had. Het
‘niets’ heeft bij Barth een eigenaardige functie. God maakt
beide aspecten van de schepping (de licht- en schaduwzijde), haar
‘jubel’ en haar ‘jammer’ tot zijn eigen zaak in
de vernedering en verhoging van Christus. Dit hangt weer samen met zijn
scheppingsleer, die christocentrisch is. Het goddelijke scheppen van
Gen. 1 is in de eerste plaats een scheiden van het licht van de
duisternis. De zonde van de mens, die in Gen. 3 beschreven is,
bevestigt het feitelijke bestaan van het nietige. Christus is
overwinnaar. Nu is het rijk van het nietige met zijn dreigende
verwoestende macht alleen nog schijn. Barth legt hier een dialectisch
schema over de tekst heen! Schilder zegt over deze speculatieve
redenering: ‘Spaar ons dit neo-manicheïsme’.
(4)
God heeft alles goed geschapen. ‘En zie, het was zeer
goed’. De goedheid van de geschapen werkelijkheid is niet beperkt
tot een deel ervan. Met name Van Ruler protesteert tegen hen die het
stoffelijke en lichamelijke niet zonder meer goed noemen. Bij hem heet
de stoffelijke werkelijkheid zelfs de eigenlijke schepping. De mens
moet het hele leven en elke enkele dag genieten als een sappige perzik.
De geschapen werkelijkheid is zeer veelvormig en zeer gevarieerd. God
schiep plant en dier naar hun aard. De rijkdom van levensvormen laat
ons de goedheid van de schepping zien. God heeft een welgeordend geheel
geschapen. Hij trok grenzen, die wij niet mogen overschrijden. De
wetten en normen die God aan al het geschapene gaf, zijn door de
zondeval van de mens niet veranderd. Volgens Berkhof ligt er een
tragisch element in de wereld: ‘Zij is onvoltooid, onaf,
defectief (…) Waarom heeft God iets (voorlopig) gewild, dat Hij
toch (uiteindelijk) niet wil?’ Het is blijkbaar nooit Gods
bedoeling geweest om een wereld kant en klaar in het aanschijn te
roepen. Hij wil kennelijk, dat Zijn schepping een geschiedenis
doormaakt van weerstand en worsteling, van lijden en strijden. Eenmaal
zal al het negatieve niet opwegen tegen de heerlijke uitkomst. De
schepping spreekt van een reikhalzend verlangen van de schepping, die
met barensnood te vergelijken is. Berkhof wil niet weten van de breuk
van de zondeval. Hij heeft een evolutionair wereldbeeld. Wat men als
een tragisch element of als een bitter raadsel in deze wereld
beschouwt, mogen wij niet tot de scheppingsgeschiedenis herleiden,
alsof God dat voorlopig gewild zou hebben.
(5)
Het doel van de schepping. De hoofdzaak is niet dat de schepping
omwille van de mens was. Laatste doel is dat er mensen zijn tot Zijn
dienst. Alles moet dienen tot de verheerlijking van God. De Catechismus
van Genève zegt in de eerste twee antwoorden dat het de
bestemming van de mens is om God te kennen en dat God ons heeft
geschapen en in deze wereld gezet om in ons verheerlijkt te worden. De
Ned.Gel.Bel. zegt dat God aan elk schepsel zijn wezen, vorm en gestalte
heeft gegeven en aan ieder zijn eigen functie om zijn Schepper te
dienen. De mens staat niet in het centrum. Het gaat om Gods
heerlijkheid. Het is God, om wie en door wie alle dingen bestaan. Hij
heeft de wereld bedoeld voor Zijn Koninkrijk.
(6)
Schepping en voorzienigheid. Er zijn bijbelteksten waar met
‘scheppen’ de daden van God in de geschiedenis bedoeld
wordt. Het geloof in de Schepper wordt in verschillende confessies met
de belijdenis van de voorzienigheid van God verbonden. Er is een
directe relatie tussen de schepping en regering van de wereld, maar er
is ook verschil. Het rusten van God duidt aan dat Hij niet voortgaat
met Zijn scheppingswerk. Men heeft de voorzienigheid van God wel
omschreven als voortgaande schepping (creatio continua). Volgens
Schleiermacher is de leer dat God de wereld onderhoudt geheel gelijk
aan de leer dat God de Schepper van de wereld is. Schepping is dan geen
schepping van den beginne en geen schepping uit niets meer. We mogen
dus de schepping niet laten opgaan in de onderhouding en regering. We
kunnen volgens Berkouwer maar beter de term creatio continua voorkomen,
omdat het misbruikt wordt. De tijd is met de wereld geschapen en de
wereld met de tijd.
(7)
Schepping en verlossing. De volgorde schepping – zondeval –
verlossing is door velen losgelaten. Bekend is de uitspraak van Barth:
‘Er was geen gouden eeuw’. Volgens Barth is het zo dat
‘der Urmensch war sofort der Ursünder’. Kuitert wil
ook niet meer weten van deze volgorde. Hij wil van de eerste
hoofdstukken van Genesis een ‘leermodel’ of een
‘interpretatiemodel’ maken. Zonde is regressie als een
raadselachtige contra-beweging van ons. In de nieuwere rooms-katholieke
theologie ziet men de ‘oerverhalen’ van Gen. 1-11 als
symbolische verhalen. Vooral onder invloed van Barth is er gezocht naar
een vervlechting of vermenging van schepping en verlossing. De
schepping is de uitwendige grond van het verbond en het verbond is de
inwendige grond van de schepping, aldus Barth. Christus is de grond van
de schepping. Het gaat bij Barth niet alleen om de orde van kennen (de
noëtische orde), maar ook om de orde van zijn (het ontische). Hij
zegt dat de wereld geschapen en gedragen is door het Kindje dat in
Bethlehem geboren is. Het heil in Christus zou al met de schepping
gegeven zijn. Wie het zo stelt, heeft de deur geopend voor een
‘monisme van de genade’ met vergaande consequenties in de
richting van het universalisme. Wij zeggen: de schepping is
theocentrisch; de verlossing christocentrisch. Voor Barth en ook voor
anderen is de eenheid van Gods werk een belangrijk motief. Alles staat
in het licht van de genade. Maar de eenheid in het werk van God wordt
niet verbroken als het verlossende werk van Christus niet met de
schepping begint, maar na de zondeval!
VERHAAL VOOR DE KINDEREN : GOD DIE ALLES HEEFT GEMAAKT
Héél lang geleden was er nog helemaal niets, alleen maar
een woeste donkere leegte. Er waren geen bloemen of bomen, geen dieren
en ook geen mensen. Kun jij
je dat voorstellen dat er nog geen mens bestond?
Vreemd hè?
Maar weet je wie er wel bestond…God!
God was er altijd al, Hij is er nu en Hij zal er altijd zijn.
Er is nooit een moment geweest dat God er niet was.
Toen ging God iets heel moois maken, iets waar wij nu nog steeds van mogen genieten, luister maar…
God zei: "Ik wil dat er licht is." En toen was er licht. God noemde het licht: Dag, en het donker noemde Hij: Nacht.
Zo was er verschil tussen dag en nacht en God
wilde dat het licht er voortaan altijd zou zijn.
God was er blij mee en zag dat het goed was.
Het werd donker, de nacht kwam en daarna weer het licht in de morgen.
De eerste dag.
Toen maakte God de mooie blauwe lucht, waar de wolken langs zweven. Dit
deed Hij door het water te scheiden dat beneden was en boven.
Die mooie luchten noemde God: Hemel.
Het werd weer avond en weer morgen.
De tweede dag.
God wilde dat het woeste water zich terugtrok, zodat er ook land zou ontstaan.
En zo gebeurde het.
Het water bruiste nog wel, maar het kon niet meer overal komen, alleen daar waar God het wilde.
Het samengevloeide water noemde God: Zee, en het droge
land noemde Hij: Aarde.
En op die aarde zag je allemaal mooie groene puntjes verschijnen en ze
werden steeds groter. God liet prachtige bloemen, bomen en planten
groeien, in allerlei
soorten.
God was er blij mee en zag dat het goed was.
Het werd avond en weer morgen.
De derde dag.
Ook maakte God de zon, de maan en duizenden sterren.
De zon heerste over de dag, ze straalde aan de blauwe hemel en
verwarmde de aarde, zodat de bloemen blij hun kopjes ophieven naar het
licht.
De maan scheen over de slapende aarde en verlichtte de donkere nacht, samen met wel duizenden flonkerende sterren.
Nu zouden de dagen en de nachten elkaar altijd aflossen.
Ook de dagen, jaren en eeuwen zouden komen en gaan.
God was er blij mee en zag dat het goed was.
Weer kwam de avond en een nieuwe morgen.
De vierde dag.
En God wilde dat er vissen zouden zijn in de zeeën en rivieren.
Ook wilde Hij vogels in de lucht. Zo gebeurde het.
Het water was niet leeg meer, het krioelde van levende wezentjes,
vissen en allerlei andere dieren die in het water plonsden en speelden.
In de lucht vlogen schitterende vogels en je kon het getjilp en gezang
horen van de vogels in de bomen. Zij zongen het hoogste lied tot eer
van God, hun
Schepper.
God zegende deze dieren en gaf hun de aarde om te wonen.
Zij maakten God blij en Hij zag dat het goed was.
De avond kwam en een nieuwe morgen.
De vijfde dag.
Daarna maakte God al de dieren in allerlei soorten, de wilde dieren,
het vee en de kruipende dieren. Toen was de aarde vol van leven. Overal
waren dieren, in de bergen, op de dalen, langs de zeeën en
rivieren, in de woestijnen.
Alles wat God gemaakt had maakte Hem blij en Hij zag dat het goed was.
Maar het allermooiste moest nog komen.
Hij zei, Ik wil mensen maken die op Mij lijken, die Mij kennen en die van Mij kunnen houden.
Toen maakte God uit het stof van de aarde de mens, het allermooiste
wezen dat op aarde bestaat en Hij blies Zijn levensadem in de neus van
de mens.
De mens mocht gaan zorgen voor Gods prachtige schepping, voor de aarde en voor al de dieren die er op leefden.
God zegende de mens en gaf hem de hele aarde om daar op te leven en gelukkig te zijn.
En God zag alles wat Hij gemaakt had en het maakte Hem zo blij, want het was zeer goed!
Toen kwam de avond en weer een nieuwe morgen.
De zesde dag.
Op de zevende dag rustte God van Zijn werk.
Hij zegende die dag en maakte van de zevende dag een rustdag.
Voortaan zou de zevende dag een bijzondere dag zijn, een dag tot eer van God.
Zo maakte God de hemel en de aarde.
Zo machtig is onze God.
Het is in onze ogen niet te begrijpen, want wij zijn maar kleine mensjes en God is zoveel machtiger en groter.
God houdt heel veel van Zijn schepping en in het bijzonder van de mens.
Daar hoor jij ook bij, jij bent ook een schepsel van God en God wil niets liever dan dat Zijn kinderen gelukkig zijn.
Dat was het doel van Zijn schepping, dat mensen gelukkig zullen leven, dicht bij Hem.
Hij houdt van jou en jij mag van Hem houden, daar word je blij van.