Om
de kinderen te laten kennismaken met de Bijbel werden er vroeger
schoolplaten gebruikt. Aan de hand van de afbeeldingen op de
schoolplaten kon de meester of de juf een verhaal uitleggen. Deze
manier van les geven werd ook wel aanschouwingsonderwijs genoemd.
Aanschouwen is een ander woord voor kijken. De meesten kennen het nog
wel denk ik, die oude schoolplaten die vroeger in het klaslokaal hingen
of uit een grote opbergkist achter in de klas tevoorschijn werden
gehaald. Het was vooral dán steeds weer een verrassing. Wij
kijken nu in de klas naar dia’s of een videofilm in plaats van
schoolplaten.
Wil je een overzicht van alle platen? Klik HIER
Wil je
de volgende bekijken? Klik HIER

2 Samuël 17:24-18:18
De dood van Absalom
24 David was inmiddels gevorderd tot Machanaïm, toen Absalom de
Jordaan overstak met heel het leger van Israël bij zich. 25 In
Joabs plaats had Absalom Amasa als opperbevelhebber aangesteld. Deze
Amasa was een zoon van de Israëliet Jitra en Abigal, de dochter
van Nachas en een zuster van Joabs moeder Seruja. 26 Absalom sloeg met
het leger van Israël zijn kamp op in Gilead. 27 Toen David in
Machanaïm aankwam, werd hij bevoorraad door Sobi, de zoon van
Nachas, uit Rabba, de hoofdstad van Ammon, door Machir, de zoon van
Ammiël, uit Lo-Debar en door de Gileadiet Barzillai uit Rogelim.
28 Ze brachten hem en zijn aanhangers dekens, kookgerei en voedsel:
tarwe, gerst, meel, geroosterd graan, bonen en linzen, (17:28) linzen
– Volgens de Septuaginta en de Pesjitta. MT: ‘linzen en
geroosterd graan’. 29 en honing, boter, kaas en schapen en
geiten. ‘Want,’ zeiden ze, ‘u allen zult in de
woestijn wel uitgeput zijn geraakt, en hongerig en dorstig.’
[18] 1 David monsterde zijn troepen, en stelde over elke eenheid van
duizend en van honderd man een bevelhebber aan. 2 Hij verdeelde het
leger in drieën: een derde deel kwam onder bevel van Joab, een
derde deel onder bevel van diens broer Abisai en een derde deel onder
bevel van de Gatiet Ittai. De koning sprak tot de troepen: ‘Ik
zal persoonlijk met jullie ten strijde trekken.’ 3 ‘Nee,
doet u dat niet,’ wierpen ze tegen. ‘Als wij moeten
vluchten, zal niemand dat erg vinden. Zelfs als de helft van ons
sneuvelt, zal niemand dat erg vinden. Maar u (18:3) Maar u
– Volgens sommige Hebreeuwse handschriften, de Septuaginta en de
Vulgata. MT: ‘Maar welnu’. bent evenveel waard als
tienduizend van ons. Daarom is het beter dat u ons vanuit de stad
bijstaat.’ 4 De koning antwoordde: ‘Ik zal doen wat jullie
het beste lijkt.’ Hij stelde zich op bij de poort, en de troepen
rukten uit in eenheden van honderd en van duizend. 5 Aan Joab, Abisai
en Ittai beval hij: ‘Treed niet te hard op tegen mijn jongen,
tegen Absalom.’ Heel het leger hoorde wat de koning de
bevelhebbers omtrent Absalom opdroeg.
6 Het leger trok ten strijde, Israël tegemoet. In de bossen van
Efraïm kwam het tot een treffen. 7 Daar werd het leger van
Israël verslagen door de aanhangers van David. Het was een zware
slag: er sneuvelden die dag twintigduizend man. 8 De strijdende
partijen raakten over het hele gebied verspreid; er werden daar die dag
meer mannen verslonden door het woud dan door het zwaard.
9 Absalom, die op zijn muildier reed, kwam plotseling oog in oog te
staan met een aantal soldaten van David. Toen het muildier onder een
grote terebint doorging, raakte Absalom met zijn haren verstrikt in de
takken. Zo bleef hij hangen tussen hemel en aarde, terwijl het muildier
verder draafde. 10 Een van de soldaten zag het en vertelde het aan
Joab: ‘Ik heb Absalom gezien! Hij hangt in een boom!’ 11
‘Wat!’ riep Joab. ‘Heb je hem gezien? Waarom heb je
hem dan niet meteen gedood? Ik had je er tien zilverstukken en een
koppelriem voor gegeven!’ 12 Maar de soldaat antwoordde Joab:
‘Al zou u duizend zilverstukken in mijn hand uittellen, dan nog
zou ik mijn hand niet opheffen tegen de zoon van de koning. De koning
heeft u en Abisai en Ittai immers ten overstaan van ons allen bevolen
zijn zoon Absalom te sparen. 13 En zelfs al zou ik tegen dat bevel zijn
ingegaan, voor de koning blijft niets verborgen, en dan zou u zich
buiten schot houden.’ 14 ‘Integendeel,’ riep Joab,
‘ik ga voorop!’ Hij greep drie stokken en stootte daarmee
Absalom, die nog levend in de boom hing, in de borst. 15 Tien van Joabs
soldaten, zijn wapendragers, gingen om Absalom heen staan en sloegen op
hem in tot hij dood was. 16 Toen blies Joab op de ramshoorn ten teken
dat de achtervolging van het leger van Israël moest worden
gestaakt. 17 Ze maakten Absalom los, gooiden hem ter plekke in een diep
gat en stapelden er een grote berg stenen overheen. Het leger van
Israël vluchtte; ieder keerde terug naar zijn eigen woonplaats.
18 Absalom had bij zijn leven voor zichzelf een gedenksteen opgericht
in de Koningsvallei. Omdat hij, zoals hij zei, geen zoon had om zijn
naam te doen voortleven, gaf hij de gedenksteen zijn eigen naam. Tot op
de dag van vandaag wordt deze het Gedenkteken van Absalom genoemd.